EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52019XC0614(01)

Samenvatting van het besluit van de Commissie van 5 maart 2019 inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst (Zaak AT.40481 — Systemen voor de veiligheid van inzittenden (II) die aan de Volkswagen-groep en de BMW-groep zijn geleverd) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 1656 final) (Voor de EER relevante tekst.)

C/2019/1656

OJ C 199, 14.6.2019, p. 4–7 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

14.6.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 199/4


Samenvatting van het besluit van de Commissie

van 5 maart 2019

inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst

(Zaak AT.40481 — Systemen voor de veiligheid van inzittenden (II) die aan de Volkswagen-groep en de BMW-groep zijn geleverd)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2019) 1656 final)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2019/C 199/04)

Op 5 maart 2019 heeft de Commissie een besluit vastgesteld inzake procedures op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst. Overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad (1) publiceert de Commissie hierbij de namen van de partijen en de belangrijkste punten van het besluit, waaronder de opgelegde sancties, rekening houdende met het rechtmatige belang van de ondernemingen inzake de bescherming van hun bedrijfsgeheimen.

1.   INLEIDING

(1)

Op 5 maart 2019 heeft de Commissie een besluit vastgesteld inzake twee afzonderlijke en voortdurende inbreuken op artikel 101 van het Verdrag en op artikel 53 van de EER-overeenkomst. De inbreuken bestonden uit de uitwisseling van commercieel gevoelige informatie, maar in sommige gevallen ook uit meer concrete vormen van coördinatie, met betrekking tot leveringen van bepaalde producten voor systemen voor de veiligheid van inzittenden voor bepaalde personenwagens aan ondernemingen van de Volkswagen- en Porsche-groep („VW-groep”) en van de BMW- en Mini-groep („BMW-groep”).

(2)

De producten die het voorwerp van deze inbreuken vormen zijn passieve veiligheidssystemen zoals veiligheidsgordels, airbags en stuurwielen. Dit zijn de belangrijkste systemen om de inzittenden van een voertuig te beschermen bij een botsing.

(3)

Dit besluit is gericht tot Autoliv (2), Takata (3) en TRW (4) (hierna „de partijen”).

2.   BESCHRIJVING VAN DE ZAAK

2.1.   Procedure

(4)

Na een verzoek om immuniteit dat Takata in maart 2011 overeenkomstig de clementieregeling van 2006 had ingediend (5) met betrekking tot heimelijke contacten in verband met de leveringen van OSS aan de VW-groep en de BMW-groep, heeft de Commissie in juni 2011 onaangekondigde inspecties op grond van artikel 20, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1/2003 uitgevoerd in de bedrijfslokalen van Autoliv en TRW in Duitsland. Op 10 juni 2011 diende TRW een clementieverzoek in. Op 4 juli 2011 diende Autoliv een clementieverzoek in.

(5)

Op 7 juli 2017 heeft de Commissie ten aanzien van de partijen de procedure van artikel 11, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1/2003 ingeleid met het oog op het aangaan van schikkingsgesprekken. Tussen november 2017 en november 2018 hebben schikkingsvergaderingen en -contacten tussen de Commissie en elke partij plaatsgevonden. Vervolgens hebben alle partijen hun formeel verzoek tot schikking ingediend overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 773/2004 (6).

(6)

Op 10 januari 2019 heeft de Commissie een aan de partijen gerichte mededeling van punten van bezwaar aangenomen. Alle partijen hebben op de mededeling van punten van bezwaar geantwoord en bevestigd dat de inhoud ervan in overeenstemming was met hun verklaringen met het oog op een schikking en dat zij nog steeds bereid waren de schikkingsprocedure te volgen.

(7)

Het Adviescomité voor mededingingsregelingen en machtsposities heeft op 1 maart 2019 een positief advies uitgebracht.

(8)

De Commissie heeft dit besluit op 5 maart 2019 vastgesteld.

2.2.   Samenvatting van de inbreuken

(9)

De twee afzonderlijke inbreuken hadden betrekking op de levering van bepaalde onderdelen voor systemen voor de veiligheid van inzittenden aan de VW-groep en de BMW-groep.

2.2.1.   Inbreuk I: levering van bepaalde OSS aan de VW-groep

(10)

De inbreuk bestond uit bilaterale en in sommige gevallen trilaterale contacten tussen Autoliv, Takata en TRW. De partijen spanden samen door bepaalde commercieel gevoelige informatie uit te wisselen en, in sommige gevallen, door het coördineren of trachten te coördineren van antwoorden op bepaalde verzoeken om prijsopgaven, antwoorden op de periodieke verzoeken om prijsherzieningen en kostenverlagingen van de VW-groep, bepaalde ontwikkelingskosten of andere prijsbepalende elementen, en/of prijzen voor materialen en vergoeding voor de verhoging van de grondstofprijzen. De contacten vonden plaats via e-mail, tijdens persoonlijke vergaderingen of via de telefoon.

2.2.2.   Inbreuk II: levering van bepaalde OSS aan de BMW-groep

(11)

De inbreuk bestond uit bilaterale en in sommige gevallen trilaterale contacten tussen Autoliv, Takata en TRW. De partijen spanden samen door bepaalde commercieel gevoelige informatie uit te wisselen en, in sommige gevallen, door het coördineren of trachten te coördineren van prijsbepalende informatie, onder meer in verband met bepaalde verzoeken om prijsopgaven, de periodieke verzoeken om prijsherzieningen en kostenverlagingen van de BMW-groep, en/of prijzen voor materialen en vergoeding voor de verhoging van de grondstofprijzen. De contacten vonden plaats via e-mail, tijdens persoonlijke vergaderingen of via de telefoon.

2.2.3.   Duur

(12)

De duur van de deelname van elke partij bij de inbreuken was als volgt:

Inbreuk

Onderneming

Begin

Einde

I

AUTOLIV

4/1/2007

30/3/2011

TAKATA

4/1/2007

30/3/2011

TRW

4/1/2007

28/3/2011

II

AUTOLIV

28/2/2008

16/9/2010

TAKATA

28/2/2008

17/2/2011

TRW

5/6/2008

17/2/2011

2.3.   Adressaten

2.3.1.   Autoliv

(13)

Voor inbreuken I en II wordt Autoliv B.V. & Co. KG hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk gesteld wegens haar directe betrokkenheid, en Autoliv, Inc. als moedermaatschappij.

2.3.2.   Takata

(14)

Voor inbreuken I en II wordt TB Deu Abwicklungs-Aktiengesellschaft i.L. (voorheen Takata Aktiengesellschaft) hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk gesteld wegens haar directe betrokkenheid, en TKJP Corporation (voorheen Takata Corporation) als moedermaatschappij.

2.3.3.   TRW

(15)

Voor inbreuken I en II worden TRW Automotive Safety Systems GmbH en TRW Automotive GmbH hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk gesteld wegens hun directe betrokkenheid, en ZF TRW Automotive Holdings Corp. (voorheen TRW Automotive Holdings Corp.) als moedermaatschappij.

2.4.   Remedies

(16)

In het besluit worden de richtsnoeren voor de berekening van geldboeten van 2006 toegepast (7).

2.4.1.   Basisbedrag van de geldboete

(17)

Bij inbreuk I wordt de waarde van de verkoop berekend op basis van het jaargemiddelde van de verkoop van veiligheidsgordels, airbags en stuurwielen aan de VW-groep in de EER tijdens de inbreukperiode.

(18)

Bij inbreuk I wordt de waarde van de verkoop berekend op basis van het jaargemiddelde van de verkoop van veiligheidsgordels, airbags en stuurwielen aan de BMW-groep in de EER tijdens de inbreukperiode.

(19)

Gelet op de aard van de inbreuken en de geografische omvang ervan, wordt het percentage van het variabele bedrag van de geldboeten en het additionele bedrag („entry fee”) vastgesteld op 16 % van de waarde van de verkopen voor elke inbreuk.

(20)

Het variabele bedrag wordt vermenigvuldigd met het aantal jaren of fracties van het jaar van de individuele deelname van de partijen aan de inbreuken, teneinde ten volle rekening te houden met de feitelijke duur van de deelname van elke partij aan de inbreuken afzonderlijk. De multiplicator voor de duur wordt berekend op basis van kalenderdagen.

2.4.2.   Aanpassingen van het basisbedrag

(21)

In deze zaak is geen sprake van verzwarende of verzachtende omstandigheden.

2.4.3.   Toepassing van het 10 %-omzetplafond

(22)

Geen enkele van de berekende geldboeten overschrijdt 10 % van de mondiale omzet van de desbetreffende onderneming in 2017.

2.4.4.   Toepassing van de clementieregeling van 2006: boeteverlaging

(23)

Met betrekking tot de inbreuken I en II verstrekte Takata als eerste onderneming inlichtingen en bewijsmateriaal die aan de voorwaarden van punt 8, onder a), van de clementieregeling van 2006 voldeden. Daarom wordt Takata immuniteit tegen geldboeten verleend voor de inbreuken I en II.

(24)

TRW voldeed als eerste onderneming aan de vereisten van de punten 24 en 25 van de clementieregeling van 2006 met betrekking tot de inbreuken I en II. Takata krijgt daarom een boeteverlaging van 50 % voor de inbreuken I en II.

(25)

Autoliv voldeed als tweede onderneming aan de vereisten van de punten 24 en 25 van de clementieregeling van 2006 met betrekking tot de inbreuken I en II. Autoliv krijgt daarom een boeteverlaging van 30 % voor de inbreuken I en II.

(26)

Autoliv verstrekte als eerste partij overtuigend bewijs overeenkomstig punt 25 van de clementieregeling van 2006 op grond waarvan de Commissie in staat werd gesteld de duur van inbreuk I uit te breiden. Overeenkomstig punt 26 van de clementieregeling van 2006 is geen rekening gehouden met de genoemde duur bij het bepalen van de boete voor Autoliv voor inbreuk I.

2.4.5.   Toepassing van de mededeling betreffende schikkingsprocedures

(27)

Op grond van de toepassing van de mededeling betreffende schikkingsprocedures wordt het bedrag van de geldboeten die aan elke partij worden opgelegd, met 10 % verlaagd. Die verlaging kwam bovenop hun clementiekorting.

2.4.6.   Toepassing van punt 37 van de richtsnoeren inzake geldboeten

(28)

Het feit dat de Commissie heeft besloten haar onderzoek naar de OSS-inbreuken op te splitsen in twee afzonderlijke procedures (8), heeft geleid tot een totale onderzoeksperiode die langer was dan zonder de opsplitsing van het onderzoek het geval zou zijn geweest. De Commissie is van oordeel dat deze opsplitsing een uitzonderlijke factor is die een verlaging van de aan elk van de adressaten op te leggen geldboete rechtvaardigt.

(29)

Bijgevolg werd het bedrag van de geldboeten na verlagingen uit hoofde van de clementie- en schikkingsregelingen die aan elke partij werden opgelegd, verder verlaagd met 5 %.

3.   CONCLUSIE

(30)

Overeenkomstig artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003 zijn de volgende geldboeten opgelegd:

Voor inbreuk I:

a)

aan TKJP Corporation (voorheen Takata Corporation) en TB Deu Abwicklungs-Aktiengesellschaft i.L. (voorheen Takata Aktiengesellschaft), hoofdelijk en gezamenlijk: 0 EUR;

b)

aan Autoliv, Inc. en Autoliv B.V. & Co KG., hoofdelijk en gezamenlijk: 121 211 000 EUR;

c)

aan ZF TRW Automotive Holdings Corp. (voorheen TRW Automotive Holdings Corp.), TRW Automotive Safety Systems GmbH en TRW Automotive GmbH, hoofdelijk en gezamenlijk: 158 824 000 EUR;

Voor inbreuk II:

a)

aan TKJP Corporation (voorheen Takata Corporation) en TB Deu Abwicklungs-Aktiengesellschaft i.L. (voorheen Takata Aktiengesellschaft), hoofdelijk en gezamenlijk: 0 EUR;

b)

aan Autoliv, Inc. en Autoliv B.V. & Co. KG, hoofdelijk en gezamenlijk: 58 175 000 EUR;

c)

aan ZF TRW Automotive Holdings Corp. (voorheen TRW Automotive Holdings Corp.), TRW Automotive Safety Systems GmbH en TRW Automotive GmbH, hoofdelijk en gezamenlijk: 30 067 000 EUR.


(1)  PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 411/2004 (PB L 68 van 6.3.2004, blz. 1).

(2)  De relevante juridische entiteiten zijn Autoliv, Inc. en Autoliv B.V. & Co. KG.

(3)  De relevante juridische entiteiten zijn TKJP Corporation (voorheen Takata Corporation) en TB Deu Abwicklungs-Aktiengesellschaft i.L. (voorheen Takata Aktiengesellschaft).

(4)  De relevante juridische entiteiten zijn ZF TRW Automotive Holdings Corp. (voorheen TRW Automotive Holdings Corp.), TRW Automotive Safety Systems GmbH en TRW Automotive GmbH.

(5)  PB C 298 van 8.12.2006, blz. 17.

(6)  PB L 123 van 27.4.2004, blz. 18.

(7)  PB C 210 van 1.9.2006, blz. 2.

(8)  Zie ook Besluit C(2017) 7670 final van de Commissie van 22.11.2017 in de zaak AT.39881 — Aan Japanse autofabrikanten geleverde systemen voor de veiligheid van inzittenden.


Top