|
Samenvatting |
|
Effectbeoordeling van de verordeningen tot vaststelling van eisen inzake ecologisch ontwerp en energie-etikettering voor beeldschermen en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 642/2009 en (EU) nr. 1062/2010 |
|
A. Noodzaak van actie |
|
Waarom? Wat is het probleem? |
|
Elektronische beeldschermen zijn, na koelapparaten, de grootste elektriciteitsverbruikers in huishoudens, waarvoor bovendien bijna overal ter wereld minimale energie-efficiëntie- en etiketteringseisen gelden. De bestaande EU-eisen inzake ecologisch ontwerp voor televisies en monitors zorgen niet langer voor kosteneffectieve energiebesparingen. De huidige energie-etikettering stelt consumenten ook niet langer in staat de apparaten die op de markt zijn duidelijk van elkaar te onderscheiden, en de informatie op de etiketten weerspiegelt niet langer de werkelijke gebruikspatronen. Bovendien is het toepassingsgebied van de bestaande verordeningen inzake ecologisch ontwerp en energie-etikettering onduidelijk en bestaat er met betrekking tot sommige producten enige onzekerheid of zij al dan niet onder die verordeningen vallen. Een steeds groter deel van de apparaten op de markt vallen niet onder de betrokken verordeningen. De industrie heeft een gelijker speelveld nodig en het is voor markttoezichtautoriteiten soms moeilijk het toepassingsgebied van de verordeningen te beoordelen met het oog op goed markttoezicht. Tot slot moet worden opgemerkt dat elektronische beeldschermen behalve hun energieverbruik ook verder een aanzienlijk milieu-effect hebben, en dat er materialen voor worden gebruikt die aan het einde van de levensduur speciale aandacht behoeven: beeldschermen maken 75 % uit van het gewicht van het elektrische en elektronische afval in de categorie consumentenelektronica. Deze herziening zal de EU in staat stellen om: ·verdere kosteneffectieve energiebesparingen te realiseren; ·door te gaan met doeltreffende maatregelen op het gebied van ecologisch ontwerp en energie-etikettering; ·de doelstellingen voor een circulaire economie verder na te streven. |
|
Wat moet met dit initiatief worden bereikt? |
|
Tegen 2030 zouden de herziene verordeningen in vergelijking met een scenario met ongewijzigd beleid het volgende kunnen opleveren: i) besparing van 39 TWh elektriciteit per jaar; ii) vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met 13 miljoen ton CO2-equivalent per jaar; iii) vermindering van de uitgaven door de consument met 15 miljard euro en van de uitgaven door de overheid en de dienstensector/het bedrijfsleven met nog eens 2 miljard euro. Dit zouden besparingen zijn bovenop de reeds bereikte besparingen door de marktkrachten en de bestaande wetgeving. Bovendien moeten de verordeningen ervoor zorgen dat de omzet en het aantal banen in de handel, de industrie en de installatie in 2030 op hetzelfde niveau liggen als bij ongewijzigd beleid. |
|
Wat is de meerwaarde van maatregelen op EU-niveau? |
|
Het op EU-niveau vaststellen van minimale energie-efficiëntieniveaus en de invoering van een energie-etiket biedt een duidelijke toegevoegde waarde. Zonder geharmoniseerde eisen op EU-niveau zouden de lidstaten productspecifieke minimumeisen inzake energie-efficiëntie moeten vaststellen als onderdeel van hun milieu- en energiebeleid. Dit zou afbreuk doen aan het vrije verkeer van goederen en de aankoopkosten voor de consument doen toenemen. Voordat er op EU-niveau wetgeving inzake ecologisch ontwerp en energie-etikettering bestond, was dit voor veel producten het geval. |
|
B. Oplossingen |
|
Welke wetgevende en niet-wetgevende beleidsmaatregelen zijn overwogen? Heeft een bepaalde optie de voorkeur? Waarom? |
|
Er zijn vier beleidsopties in overweging genomen: 1.Beleidsoptie 1 - Ongewijzigd beleid: Ongewijzigd beleid: de bestaande verordeningen worden niet gewijzigd; 2.Beleidsoptie 2 - ECO: Actualisering van de energie-efficiëntie-eisen in de verordening inzake ecologisch ontwerp, actualisering van de testnorm en de berekeningsmethode, uitbreiding van het toepassingsgebied van de wetgeving, verbetering van de definities en vaststelling van eisen op het gebied van de circulaire economie; 3.Beleidsoptie 3 - Ambitieus: Hetzelfde als ECO, maar ook met etiketteringseisen voor digitale informatiebeeldschermen en een beperking van het gebruik van gehalogeneerde vlamvertragers in sommige onderdelen; 4.Beleidsoptie 4 - Soepel: Hetzelfde als ECO, maar met grenzen op het gebied van ecologisch ontwerp voor beeldschermen met zeer hoge definitie/hoog dynamisch bereik (high dynamic range) die een factor 1,5 hoger liggen dan voor gewone hoge definitie/standaard dynamisch bereik (de ECO-optie gebruikt een factor 1,2). Beleidsoptie 3 levert de grootste besparingen op (31 TWh/jr meer tegen 2030 dan bij ongewijzigd beleid), terwijl alle doelstellingen worden gehaald. |
|
Wie steunt welke optie? |
|
De belanghebbenden hebben niet rechtstreeks commentaar geleverd op de opties, hoewel die waren ontwikkeld als uitkomst van uitgebreide raadpleging van de belanghebbenden. De lidstaten en de ngo’s gaven ruime steun voor beleidsoptie 3, hoewel de ngo's graag hadden gezien dat de minimum-efficiëntie-eisen nog ambitieuzer waren geweest. De industrie was voorstander van de soepeler eisen van beleidsoptie 4 voor nieuwe op de markt te brengen technologieën. |
|
C. Effecten van de voorkeursoptie |
|
Wat zijn de voordelen van de voorkeursoptie (indien van toepassing, anders van de belangrijkste opties)? |
|
De netto voordelen van beleidsoptie 3 in 2030 ten opzichte van ongewijzigd beleid zijn naar verwachting: -39 TWh/jaar aan extra besparingen op elektriciteit; -extra verlaging van de uitstoot van broeikasgassen met 13 Mt CO2-equivalent; -15 miljard euro aan extra besparingen op de uitgaven voor elektriciteit voor de eindgebruikers. |
|
Wat zijn de kosten van de voorkeursoptie (indien van toepassing, anders die van de belangrijkste opties)? |
|
De totale extra administratieve lasten ten opzichte van ongewijzigd beleid voortvloeiend uit de toepassing van de nieuwe kaderverordening energie-etikettering worden geraamd op 4 miljoen EUR (eenmalig) en 100 000 EUR (jaarlijks), als volgt onderverdeeld: -leveranciers: eenmalig EUR 3 900 000; jaarlijks EUR 90 000; -handelaren: eenmalig EUR 600 000; -EU-begroting: eenmalig EUR 90 000; jaarlijks EUR 9 000. Voor ecologisch ontwerp worden geen extra kosten verwacht. |
|
Wat zijn de gevolgen voor bedrijven, kleine, middelgrote en micro-ondernemingen? |
|
Ondernemingen die elektronische beeldschermen produceren zijn grote Aziatische multinationals. Er wordt niet verwacht dat de voorgestelde maatregelen een effect hebben op de weinige Europese integratoren van hoogwaardige beeldschermen. |
|
Zijn er significante gevolgen voor de nationale begrotingen en overheden? |
|
Verwacht wordt dat er geen extra gevolgen voor de nationale begrotingen en overheden zullen zijn. De lidstaten zouden daarentegen profiteren van een kosteneffectiever markttoezicht, met name dankzij lagere testkosten en documentatie uit de productregistratiedatabank. |
|
Zijn er nog andere significante gevolgen? |
|
In het kader van de richtlijn betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) wordt vanaf augustus 2018 85 % van het afval van elektronische beeldschermen teruggewonnen en 80 % gerecycleerd. De voorgestelde maatregelen zullen ertoe bijdragen dat deze AEEA-streefcijfers en de doelstellingen die zijn vastgesteld als onderdeel van de overgang naar een circulaire economie worden gehaald, door ontmanteling, recycling, hergebruik en reparatie te verbeteren. |
|
D. Naleving |
|
Wanneer wordt dit beleid geëvalueerd? |
|
In de verordening wordt een clausule opgenomen die bepaalt dat het beleid vijf jaar na de vaststelling ervan zal worden herzien. |