EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52018PC0315

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2008/106/EG inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden en tot intrekking van Richtlijn 2005/45/EG

COM/2018/315 final - 2018/0162 (COD)

Brussel, 24.5.2018

COM(2018) 315 final

2018/0162(COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Richtlijn 2008/106/EG inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden en tot intrekking van Richtlijn 2005/45/EG

(Voor de EER relevante tekst)

{SWD(2018) 239 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

1.1.Motivering en doel van het voorstel

Sinds het begin van de jaren 1990 wordt op het niveau van de Unie erkend dat de mens een belangrijke rol speelt bij de veiligheid van mensenlevens op zee en de bescherming van het mariene milieu 1 . De verbetering van het onderwijs, de opleiding en de diplomering van zeevarenden werd bijzonder belangrijk geacht om een hoog veiligheidsniveau te bereiken. Op EU-niveau werd dit verwezenlijkt door Richtlijn 2008/106/EG, als gewijzigd 2 , waarin minimumnormen voor opleiding en onderwijs zijn vastgesteld. Door deze richtlijn wordt het internationaal kader voor de normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst voor zeevarenden, dat is ontwikkeld door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) en wordt voorgeschreven door het Internationaal Verdrag betreffende de normen inzake opleiding, diplomering en wachtdienst voor zeevarenden (STCW-Verdrag van 1978, als gewijzigd), geïntegreerd op EU-niveau.

Richtlijn 2008/106/EG bevat ook een EU-mechanisme voor de erkenning van de systemen voor onderwijs, opleiding en diplomering van zeevarenden uit derde landen. Bovendien moet de Commissie, bijgestaan door het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), regelmatig controleren of de lidstaten en derde landen de eisen van Richtlijn 2008/106/EG en het STCW-Verdrag naleven.

Het doel van Richtlijn 2005/45/EG 3 was de beroepsmobiliteit van zeevarenden binnen de EU te bevorderen door de wederzijdse erkenning te vergemakkelijken van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden. De Richtlijn voerde een vereenvoudigde procedure in voor de erkenning van die bewijzen van beroepsbekwaamheid, om te waarborgen dat alle in een lidstaat gekwalificeerde zeevarenden met een dergelijk bewijs kunnen werken aan boord van schepen die onder de vlag van een lidstaat varen.

Uit een evaluatie is gebleken dat beide richtlijnen geschikt zijn voor het beoogde doel en in grote mate hebben voldaan aan de oorspronkelijke doelstellingen en verwachtingen. Er zijn echter ook elementen die de effectiviteit en de efficiëntie van het wetgevingskader belemmeren. Dit voorstel wil de vastgestelde problemen aanpakken.

Het overkoepelende doel van deze herziening is een vereenvoudiging van het bestaande EU-regelgevingskader voor de opleiding en diplomering van zeevarenden zodat: i) de EU-regels in overeenstemming blijven met het internationale kader; ii) het gecentraliseerd mechanisme voor de erkenning van derde landen wordt gemoderniseerd, waardoor de efficiëntie en effectiviteit ervan worden verhoogd; iii) juridische duidelijkheid wordt verschaft over de wederzijdse erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden.

1.2.Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein

Het voorstel is volledig in overeenstemming met de doelstellingen van de strategie voor het zeevervoer uit 2018 4 , waarin wordt opgeroepen om het Europees kader voortdurend aan te passen aan het STCW-Verdrag en een gelijk speelveld tussen de EU en derde landen te creëren voor de uitvoering van het internationaal kader. Sinds bij Richtlijn 2005/45/EG de regeling voor de wederzijdse erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden is ingevoerd, zijn de bepalingen van Richtlijn 2001/36/EG van het Europees Parlement en de Raad 5 inzake de erkenning van beroepskwalificaties bovendien niet van toepassing op de erkenning van bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden op grond van Richtlijn 2008/106/EG.

1.3.Verenigbaarheid met andere beleidsterreinen van de Unie

Het voorstel waarborgt dat de bestaande wetgeving eenvoudig en duidelijk is, geen overbodige last creëert en gelijke tred houdt met de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen op Europees en internationaal niveau. Het voorstel is volledig in overeenstemming met het Witboek 2011 over de toekomst van het vervoer 6 door te waarborgen dat de eisen van het STCW-Verdrag op geharmoniseerde wijze in de Unie worden uitgevoerd en door een gelijk speelveld tussen de lidstaten en derde landen te verzekeren.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

2.1.Rechtsgrondslag

Aangezien dit voorstel voorziet in de wijziging van Richtlijn 2008/106/EG en de intrekking van Richtlijn 2005/45/EG, blijft de rechtsgrondslag artikel 100, lid 2, VWEU (voormalig artikel 80, lid 2, VEG), waarin maatregelen op het gebied van zeevervoer worden voorzien.

2.2.Subsidiariteit (bij niet-exclusieve bevoegdheid)

De EU-wetgeving inzake de opleiding en diplomering van zeevarenden is grotendeels ontworpen en gevormd op grond van internationale eisen, namelijk het STCW-Verdrag. Aangezien het STCW-Verdrag reeds volledig is omgezet in EU-recht en alle lidstaten partij zijn bij het verdrag, moet de richtlijn in overeenstemming worden gebracht met de recente wijzigingen in het internationaal kader.

Rekening houdend met de mondiale schaal van de zeevaart moet een conflict tussen de internationale en Europese verbintenissen van de lidstaten worden vermeden. Het STCW-Verdrag moet daarom in de hele Unie eenvormig worden uitgevoerd, zodat een gelijk speelveld tussen de lidstaten wordt gehandhaafd.

Bovendien houdt het gecentraliseerd mechanisme voor de erkenning van derde landen op Unieniveau in dat de lidstaten krachtens het STCW-Verdrag verplicht zijn een evaluatie uit te voeren van de systemen voor opleiding, onderwijs en diplomering van derde landen waarvan zij de bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden erkennen. Uit de evaluatie is gebleken dat het gecentraliseerd mechanisme heeft bijgedragen tot een gelijk speelveld tussen de EU en derde landen, terwijl het ook heeft geleid tot een aanzienlijke vermindering van de kosten ten opzichte van een situatie waarin de inspecties in derde landen zouden worden uitgevoerd door elke lidstaat afzonderlijk.

Door de voorgestelde maatregelen wordt gewaarborgd dat het internationale kader door de lidstaten eenvormig wordt toegepast en dat de personele en financiële middelen van het gecentraliseerd mechanisme voor de erkenning van derde landen efficiënt worden ingezet.

2.3.Evenredigheid

Met het oog op de recentste juridische ontwikkelingen en de wijzigingen van het STCW-Verdrag wordt het voorstel om de bestaande Unievoorschriften aan te passen aan de internationale voorschriften, de efficiëntie van het gecentraliseerd systeem voor de erkenning van derde landen te verhogen en de definitie te verduidelijken van de bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden die door de lidstaten onderling worden erkend, beschouwd als de enige evenredige en coherente optie. Daardoor wordt gewaarborgd dat het huidige hoge veiligheidsniveau niet in gevaar komt en kunnen de beschikbare middelen beter worden benut.

2.4.Keuze van het instrument

Een richtlijn wordt beschouwd als de meest geschikte vorm om de vastgestelde doelstellingen te bereiken. Zo worden gemeenschappelijke beginselen en een eenvormig veiligheidsniveau vastgesteld en wordt de handhaving van de regels verzekerd, maar kunnen de lidstaten zelf kiezen welke juridische en technische procedures zij toepassen. De voorgestelde maatregelen houden met name verband met de minimale opleidingseisen voor zeevarenden. In dat geval geeft een richtlijn de lidstaten de nodige vrijheid om strengere eisen in hun opleidingssystemen op te nemen als zij dat raadzaam achten.

3.EVALUATIE, RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING

3.1.Evaluatie van bestaande wetgeving en controle van de resultaatgerichtheid ervan

De Commissie heeft het EU-regelgevingskader voor de minimale opleidings- en diplomeringseisen voor zeevarenden en voor de wederzijdse erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden beoordeeld 7 in het kader van haar programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit). Daaruit is gebleken dat het EU-kader voor de opleiding en diplomering van zeevarenden de belangrijkste doelstellingen grotendeels heeft bereikt en dat het relevant blijft. Het EU-kader heeft er door een verbetering van het onderwijs, de opleiding en de diplomering toe bijgedragen dat bemanningen die niet aan de normen voldoen, niet meer aan boord van schepen onder EU-vlag kunnen werken. Ook is door de instelling van een gecentraliseerd EU-mechanisme een gelijk speelveld gecreëerd tussen zeevarenden die zijn opgeleid in de Unie en zeevarenden die vanuit derde landen in dienst worden genomen. De wederzijdse erkenning van bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden op grond van Richtlijn 2005/45/EG heeft bovendien de arbeidsmobiliteit tussen schepen onder EU-vlag vergroot.

Uit de Refit-evaluatie zijn ook een aantal tekortkomingen op het vlak van efficiëntie en de evenredigheid van een aantal wettelijke eisen aan het licht gekomen:

(a)het administratieve kader voor de erkennings- en herbeoordelingsprocedure van derde landen is niet effectief en efficiënt genoeg:

·de in de wetgeving vastgestelde termijn voor de erkenning van nieuwe derde landen is onrealistisch omdat niet genoeg rekening wordt gehouden met alle nodige procedurele stappen;

·de beschikbare financiële en personele middelen voor de erkenningsprocedure van derde landen worden niet efficiënt benut. De huidige procedure houdt geen rekening met het aantal kapiteins en officieren dat waarschijnlijk vanuit derde landen in dienst zal worden genomen;

·de herbeoordelingsprocedure voor derde landen wordt niet op evenredige wijze uitgevoerd. De termijn voor herbeoordeling houdt geen rekening met de mate waarin een land voldoet aan de eisen van het STCW-Verdrag en het aantal door de lidstaten afgegeven officiële verklaringen;

(b)het toepassingsgebied van de regeling voor de wederzijdse erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden is niet duidelijk genoeg en biedt onvoldoende rechtszekerheid;

(c)Richtlijn 2008/106/EG moet op geregelde tijdstippen in overeenstemming worden gebracht met de recentste wijzigingen van het STCW-Verdrag. In dat opzicht veroorzaakt de huidige procedure voor de opname van wijzigingen van het STCW-Verdrag aanzienlijke vertragingen en bestaat het risico dat het Unierecht gedurende een aanzienlijke periode niet overeenkomt met het internationaal kader.

3.2.Raadpleging van belanghebbenden

Gezien de technische aard van het voorstel is een gerichte raadpleging gehouden. Nationale deskundigen op het gebied van het STCW, verenigingen van rederijen en vakbonden van zeevarenden zijn gedurende vier weken geraadpleegd via een online enquête. Tijdens een workshop hebben zowel de lidstaten als Europese verenigingen van rederijen en zeevarenden hun visie op de voorgestelde maatregelen gegeven. Het werkdocument van de diensten van de Commissie bij dit voorstel bevat een samenvatting van de raadpleging en een gedetailleerde reactie op de opmerkingen die tijdens het raadplegingsproces zijn gemaakt. De grote meerderheid van de nationale deskundigen en belanghebbenden steunden de voorgestelde maatregelen. Alleen de vertegenwoordigers van de rederijen toonden zich bezorgd over de modernisering van het gecentraliseerd mechanisme door een overleg tussen de lidstaten in te voeren over de behoefte om nieuwe derde landen te erkennen. Die bezorgdheden werden evenwel verwerkt in de definitieve maatregelen om elke effectiviteitsmaatregel te laten opwegen tegen de noodzaak om de concurrentiekracht van de Europese vloot te behouden, door de verzoekende lidstaat toe te staan het derde land eenzijdig te erkennen tot een erkenningsbesluit is genomen.

3.3.Bijeenbrengen en gebruik van expertise

Dit voorstel is hoofdzakelijk gebaseerd op de gegevens die tijdens de Refit-evaluatie zijn verzameld, zoals vermeld in het desbetreffende werkdocument van de diensten van de Commissie 8 .

Daarnaast is in het kader van de voorbereiding van dit voorstel een workshop georganiseerd met nationale deskundigen en belanghebbenden. Bovendien werd interne technische deskundigheid verzameld in samenwerking met het Europees Agentschap voor de maritieme veiligheid.

De resultaten van de workshop en van de besprekingen met nationale deskundigen werden, evenals de opvattingen van andere relevante belanghebbenden, opgenomen in het werkdocument van de diensten van de Commissie bij dit voorstel.

3.4.Effectbeoordeling

Het voorstel is een rechtstreeks gevolg van de Refit-evaluatie waarbij werd vastgesteld dat aanpassingen aan het internationale kader nodig waren, het gecentraliseerde mechanisme voor de erkenning van derde landen efficiënter moet werken en er nood is aan juridische duidelijkheid over de erkenning van bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden. De voorgestelde maatregelen zullen waarschijnlijk geen significante gevolgen hebben (d.w.z. andere dan juridische duidelijkheid, zekerheid of eenvoud) en er zijn geen wezenlijk verschillende oplossingen voorhanden. Overeenkomstig de richtsnoeren van de Commissie voor betere regelgeving is geen volwaardige effectbeoordeling uitgevoerd.

Bij dit voorstel is niettemin een werkdocument van de diensten van de Commissie gevoegd waarin de grondgedachte van de voorgestelde oplossingen vanuit technisch en juridisch standpunt wordt verklaard en waarin de visie van de tijdens de voorbereiding van dit initiatief geraadpleegde belanghebbenden wordt samengevat.

3.5.Resultaatgerichtheid en vereenvoudiging

Aangezien dit een herziening van bestaande wetgeving betreft in het kader van het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving van de Commissie (Refit), heeft de Commissie mogelijkheden onderzocht om lasten te vereenvoudigen en verlagen.

Uit dat onderzoek is gebleken dat de intrekking van Richtlijn 2005/45/EG en de aanpassing aan het internationaal kader van Richtlijn 2008/106/EG voor een aanzienlijke vereenvoudiging kunnen zorgen.

De efficiëntie kan vooral worden verhoogd door een modernisering van het gecentraliseerd mechanisme voor de erkenning van de onderwijs- en diplomeringssystemen voor zeevarenden van derde landen. Door de invoering van een overleg tussen de lidstaten over de behoefte om een nieuw derde land te erkennen, zal het gehele proces met betrekking tot de behoefte om met een dergelijke erkenning door te gaan, transparanter worden. Dat zou tot gevolg hebben dat de beschikbare personele en financiële middelen redelijker en efficiënter worden ingezet omdat de toegenomen kosten van de erkenning grondig worden afgewogen tegen het concurrentievoordeel dat de EU-vloot haalt door zeevarenden uit het desbetreffende derde land in dienst te nemen.

Bovendien zal een verlenging van de periode voor de herbeoordeling van reeds erkende derde landen op basis van vastgestelde prioriteitscriteria, middelen vrijmaken die momenteel op inefficiënte wijze worden benut. De beschikbare middelen zullen met name worden geheroriënteerd van landen met een laag aantal zeevarenden in de EU-vloot en met een laag veiligheidsrisico, naar landen die vaker zullen worden herbeoordeeld omdat zij het grootste aantal zeevarenden met een bewijs van beroepsbekwaamheid van buiten de EU leveren.

Het feit dat derde landen die ten minste vijf jaar lang geen kapitein of officier aan de EU-vloot hebben geleverd, niet meer worden erkend, zal middelen vrijmaken voor de erkenning van nieuwe derde landen die meer arbeidskrachten aan boord van Europese vaartuigen kunnen leveren. Gezien het gebrek aan gegevens en de juridische aard van de wijzigingen, zijn de vereenvoudigingen niet gekwantificeerd.

3.6.Grondrechten

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de bescherming van de grondrechten.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Unie.

5.OVERIGE ELEMENTEN

5.1.Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende controle, evaluatie en rapportage

Dit voorstel heeft een erg technisch toepassingsgebied met betrekking tot de maatregelen die door de lidstaten moeten worden omgezet en wijzigt slechts een zeer beperkt aantal van de bestaande wettelijke verplichtingen. Met het oog op de beperkte acties die door de lidstaten moeten worden ondernomen om de voorgestelde maatregelen uit te voeren, is een uitvoeringsplanning niet vereist.

5.2.Toelichtende stukken (bij richtlijnen)

Aangezien de voorgestelde maatregelen die door de lidstaten moeten worden omgezet, niet van wezenlijk belang zijn, zijn toelichtende stukken niet vereist.

5.3.Artikelsgewijze toelichting

Definities en toepassingsgebied

Artikel 1 wordt aangevuld met nieuwe definities met betrekking tot de nieuwe voorschriften V/3 en V/4, ingevoerd in de bijlage bij Richtlijn 2008/106/EG. Als gevolg van de invoering van een nieuw artikel 5 ter en om de toepassing van het huidige artikel 8 te verduidelijken, werd bovendien een nieuwe definitie van "gastlidstaat" noodzakelijk geacht.

Ook artikel 2 wordt gewijzigd om het toepassingsgebied van de ingetrokken Richtlijn 2005/45/EG erin op te nemen.

Wederzijdse erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden

Er wordt een nieuw artikel 5 ter toegevoegd teneinde de regeling voor de wederzijdse erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden op te nemen. Artikel 5 ter is hoofdzakelijk een afspiegeling van artikel 3 van de ingetrokken Richtlijn 2005/45/EG en verduidelijkt welke bewijzen van beroepsbekwaamheid wederzijds zullen worden erkend, zodat zeevarenden met een dergelijk bewijs uit een bepaalde lidstaat kunnen werken aan boord van vaartuigen die onder de vlag van een andere lidstaat varen.

Aanpassing aan het internationaal kader

In artikel 12 en bijlage I worden de nieuwe wijzigingen van het STCW-Verdrag opgenomen met betrekking tot nieuwe opleidings- en kwalificatie-eisen voor zeevarenden die werken aan boord van passagiersschepen en schepen die onder de IGF-Code en de zeevaartcode voor het Noordpoolgebied vallen.

Erkenning van voor derde landen afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden

Artikel 19 wordt gewijzigd om te voorzien in een uitvoeringsbesluit inzake de behoefte om een procedure voor de erkenning van nieuwe derde landen in te leiden. Door die nieuwe procedurele stap kan de verzoekende lidstaat de argumenten voor het indienen van een erkenningsverzoek aandragen, terwijl de lidstaten dat verzoek zullen kunnen bespreken en erover beslissen.

Daarnaast wordt de termijn voor het vaststellen van een besluit over de erkenning van een derde land verlengd van 18 tot 24 maanden. Als het derde land belangrijke corrigerende maatregelen moet treffen, waaronder de wijziging van zijn wetgeving, wordt die termijn verlengd tot 36 maanden. De verlenging van de termijnen zal waarschijnlijk geen negatieve gevolgen hebben, omdat de verzoekende lidstaat in afwachting van het definitieve erkenningsbesluit het derde land eenzijdig mag erkennen.

Aan artikel 20 wordt een nieuwe alinea toegevoegd, waarbij het feit dat een derde land gedurende ten minste vijf jaar geen zeevarenden heeft geleverd aan de EU-vloot, een bijzondere reden vormt om dat land niet meer te erkennen.

Herbeoordeling van derde landen

Artikel 21 wordt gewijzigd om de periode tussen herbeoordelingen op grond van prioriteitscriteria te verlengen tot tien jaar. Derde landen die een beperkt aantal zeevarenden aan boord van EU-vaartuigen hebben en die een klein veiligheidsrisico vertegenwoordigen, moeten niet zo vaak worden herbeoordeeld als derde landen die het merendeel van de arbeidskrachten leveren.

Informatie over officiële verklaringen ter bevestiging van erkenning van door derde landen afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen

Artikel 25 bis wordt gewijzigd zodat de door lidstaten verstrekte informatie over het aantal officiële verklaringen ter bevestiging van erkenning van door derde landen afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen kan worden gebruikt om derde landen niet langer te erkennen of hun herbeoordeling prioriteit te geven. In dezelfde geest wordt artikel 5 bis vervangen om het in overeenstemming te brengen met het nieuwe artikel 25 bis.

Wijzigingsprocedure en comitéprocedure

Artikel 27 wordt gewijzigd teneinde de Commissie de bevoegdheid te verlenen om via gedelegeerde handelingen de nodige bepalingen van Richtlijn 2008/106/EG te wijzigen, zodat die kunnen worden aangepast aan de toekomstige wijzigingen van het STCW-Verdrag.

Artikel 27 bis wordt vervangen ter aanpassing aan het interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven" van 13 april 2016 9 .

2018/0162 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Richtlijn 2008/106/EG inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden en tot intrekking van Richtlijn 2005/45/EG

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 10 ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's 11 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Om een hoog maritiem veiligheidsniveau te waarborgen en verontreiniging op zee te voorkomen, is het belangrijk dat zeevarenden in de Unie meer kennis en vaardigheden opdoen en dat hun opleiding en diplomering worden aangepast aan de internationale regelgeving.

(2)De opleiding en diplomering van zeevarenden is op internationaal niveau geregeld door het Verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie over de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van 1978 (STCW-Verdrag), dat werd herzien in 2010. In 2015 werd het STCW-Verdrag verder gewijzigd met betrekking tot opleidings- en kwalificatie-eisen voor zeevarenden die werken aan boord van schepen die onder de International Code of Safety for Ships using Gases or other Low-flashpoint Fuels (IGF-Code) vallen. In 2016 werd het STCW-Verdrag gewijzigd met betrekking tot de opleidings- en kwalificatie-eisen voor zeevarenden die werken aan boord van passagiersschepen en schepen die in poolwateren waren.

(3)Het STCW-Verdrag is in het Unierecht opgenomen bij Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad 12 . Alle lidstaten hebben het STCW-Verdrag ondertekend en moeten dus hun internationale verbintenissen op eenvormige wijze nakomen door het Unierecht betreffende de opleiding en diplomering van zeevarenden aan te passen aan het STCW-Verdrag. Derhalve moeten een aantal bepalingen van Richtlijn 2008/106/EG moeten gewijzigd, zodat ze een weerspiegeling zijn van de laatste wijzigingen van het STCW-Verdrag wat betreft de opleiding en kwalificatie van zeevarenden die werken aan boord van schepen die onder de IGF-Code vallen, aan boord van passagiersschepen en aan boord van schepen die in poolwateren varen.

(4)Om rekening te kunnen houden met de internationale ontwikkelingen en om de tijdige aanpassing van het Unierecht aan dergelijke ontwikkelingen te waarborgen, moet overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om de wijzigingen van het STCW-Verdrag over te nemen door middel van een bijwerking van de technische eisen inzake opleiding en diplomering van zeevarenden. Het is bijzonder belangrijk dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden passende raadplegingen houdt, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen in overeenstemming zijn met de beginselen die zijn vastgelegd in het interinstitutioneel akkoord "Beter wetgeven" van 13 april 2016 13 . Om met name te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen moeten het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip ontvangen als de deskundigen van de lidstaten, en moeten hun deskundigen systematisch toegang hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(5)Richtlijn 2008/106/EG bevat ook een gecentraliseerd mechanisme voor de erkenning van door derde landen afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden. Uit een evaluatie van het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) 14 is gebleken dat de invoering van het gecentraliseerd mechanisme de lidstaten een aanzienlijke kostenbesparing heeft opgeleverd. De evaluatie bracht echter ook aan het licht dat uit sommige erkende derde landen maar een zeer beperkt aantal zeevarenden aan boord van EU-vaartuigen werkte. Om de beschikbare personele en financiële middelen efficiënter te kunnen benutten, moet de erkenningsprocedure van derde landen gebaseerd worden op een analyse van de behoefte aan een dergelijke erkenning, met inbegrip van een raming van het aantal kapiteins en officieren uit dat land die waarschijnlijk aan boord van EU-vaartuigen gaan werken.

(6)Bij de Refit-evaluatie is rekening gehouden met de ervaring die is opgedaan met de erkenningsprocedure van derde landen en is gebleken dat bij de huidige termijn van 18 maanden geen rekening wordt gehouden met de complexiteit van de procedure, die onder meer een inspectie ter plaatse door het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid inhoudt. Er is meer tijd nodig om de nodige diplomatieke overeenkomsten te sluiten inzake de planning en uitvoering van dergelijke inspecties. Bovendien volstaat een periode van 18 maanden niet als het derde land corrigerende maatregelen moet treffen en juridische wijzigingen in zijn systeem moet doorvoeren om aan de eisen van het STCW-Verdrag te voldoen. Daarom moet de termijn voor de vaststelling van een besluit van de Commissie worden verlengd van 18 tot 24 maanden, en zelfs tot 36 maanden als het derde land belangrijke corrigerende maatregelen moet treffen, zoals de wijziging van juridische bepalingen. Daarnaast moet het voor de verzoekende lidstaat mogelijk blijven om de normen van een derde land inzake opleiding, diplomering en wachtdienst voor zeevarenden voorlopig te erkennen, teneinde de erkenningsprocedure flexibel te houden.

(7)Om de efficiëntie van het gecentraliseerd systeem voor de erkenning van derde landen te verhogen, moet de herbeoordeling van derde landen die een beperkt aantal zeevarenden aan de EU-vloot leveren, met langere tussenperiodes gebeuren, namelijk tien jaar. Die verlenging van de termijn voor de herbeoordeling van het systeem van dergelijke derde landen moet echter gecombineerd worden met prioriteitscriteria die rekening houden met veiligheidsoverwegingen, waarbij de nood aan efficiëntie wordt afgewogen tegen een effectief vrijwaringsmechanisme in het geval de kwaliteit van de opleiding van zeevarenden in de betrokken derde landen verslechtert.

(8)Informatie over zeevarenden die in dienst zijn genomen uit derde landen is op het niveau van de Unie beschikbaar geworden doordat de lidstaten de gegevens meedelen die zij in hun nationale registers bijhouden over afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid en officiële verklaringen. Die informatie moet niet alleen voor statistische en beleidsdoeleinden worden gebruikt, maar ook om het gecentraliseerde systeem voor de erkenning van derde landen efficiënter te maken. Op grond van de gegevens die de lidstaten hebben meegedeeld, zullen erkende derde landen die ten minste vijf jaar geen zeevarenden aan de EU-vloot hebben geleverd, worden verwijderd uit de lijst van erkende derde landen. Daarnaast zal die informatie ook worden gebruikt om prioriteiten vast te stellen voor de herbeoordeling van erkende derde landen.

(9)De bepalingen voor de erkenning van beroepskwalificaties overeenkomstig Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad 15 zijn niet van toepassing op de erkenning van bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden op grond van Richtlijn 2008/106/EG. De wederzijdse erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden werd geregeld bij Richtlijn 2005/45/EG van het Europees Parlement en de Raad 16 . De definities van bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden in Richtlijn 2005/45/EG zijn na de wijziging van het STCW-Verdrag in 2010 echter achterhaald. Derhalve moet de regeling voor wederzijdse erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden worden gewijzigd, zodat zij een weerspiegeling is van de internationale wijzigingen en de nieuwe definities van bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden in Richtlijn 2008/106/EG. Daarnaast moeten ook de onder de bevoegdheid van de lidstaten afgegeven medische certificaten van zeevarenden worden opgenomen in de regeling voor wederzijdse erkenning. Om dubbelzinnigheid en het risico op inconsistenties tussen Richtlijn 2005/45/EG en Richtlijn 2008/106/EG te vermijden, moet de wederzijdse erkenning van bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden worden geregeld bij Richtlijn 2008/106/EG.

(10)Om de juridische duidelijkheid en samenhang te vergroten, moet Richtlijn 2005/45/EG worden ingetrokken en moet Richtlijn 2008/106/EG dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 2008/106/EG

Richtlijn 2008/106/EG wordt als volgt gewijzigd:

(1)Aan artikel 1 worden de volgende punten toegevoegd:

"43. "gastlidstaat": een lidstaat waarin een zeevarende om aanvaarding of erkenning verzoekt van zijn bewijs;

44. "IGF-Code": de International Code of safety for ships using gases or other low-flashpoint fuels, zoals gedefinieerd in SOLAS-voorschrift II-1/2.29;

45. "zeevaartcode voor het Noordpoolgebied": internationale gedragscode voor schepen die in poolwateren varen, zoals gedefinieerd in SOLAS-voorschrift XIV/1.1;

46. "poolwateren": de Arctische wateren en/of het Antarctisch gebied, zoals gedefinieerd in SOLAS-voorschriften XIV/1.2 tot en met XIV/1.4.".

(2)Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a) de eerste alinea wordt als volgt gewijzigd:

"1. Deze richtlijn is van toepassing op de in deze richtlijn genoemde zeevarenden die dienstdoen op zeeschepen die onder de vlag van een lidstaat varen, met uitzondering van:";

b) het volgende lid 2 wordt toegevoegd:

"2. Artikel 5 ter is van toepassing op zeevarenden die:

a) onderdaan van een lidstaat zijn;

b) onderdaan van een derde land zijn en houder zijn van een door een lidstaat afgegeven bewijs van beroepsbekwaamheid.".

(3)Artikel 5 bis wordt vervangen door:

"Voor de toepassing van artikel 20, lid 8, en artikel 21, lid 2, en voor gebruik door de lidstaten en de Commissie ten behoeve van hun beleidsvorming, verstrekken de lidstaten jaarlijks aan de Commissie de in bijlage V bij deze richtlijn bedoelde gegevens over de vaarbevoegdheidsbewijzen en over officiële verklaringen ter bevestiging van de erkenning van vaarbevoegdheidsbewijzen. Zij kunnen ook, op vrijwillige basis, gegevens verstrekken over bekwaamheidsbewijzen die aan matrozen zijn afgegeven in overeenstemming met de hoofdstukken II, III en VII van de bijlage bij het STCW-Verdrag.".

(4)Het volgende artikel 5 ter wordt ingevoegd:

"Artikel 5 ter

Wederzijdse erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van zeevarenden

1. Elke lidstaat aanvaardt door een andere lidstaat, of onder autoriteit van die lidstaat, afgegeven bekwaamheidsbewijzen en bewijsstukken om indienstneming van zeevarenden aan boord van zijn vloot mogelijk te maken.

2. Elke lidstaat erkent door een andere lidstaat afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen of door een andere lidstaat aan kapiteins en officieren afgegeven bekwaamheidsbewijzen overeenkomstig de voorschriften V/1-1 en V/1-2 van bijlage I, door een officiële verklaring ter bevestiging van de erkenning van die bewijzen. De officiële verklaring ter bevestiging van de erkenning is beperkt tot de daarin omschreven functies, taken en bevoegdheids- en bekwaamheidsniveaus. Voor de officiële verklaring wordt het modelformulier in lid 3 van sectie A-I/2 van de STCW-Code gebruikt.

3. Elke lidstaat aanvaardt overeenkomstig artikel 11 onder autoriteit van een andere lidstaat afgegeven medische certificaten om indienstneming van zeevarenden aan boord van zijn vloot mogelijk te maken.

4. De lidstaten garanderen dat zeevarenden recht van beroep hebben tegen de weigering om een geldig bewijs van beroepsbekwaamheid te erkennen of te aanvaarden, of tegen het uitblijven van een besluit, overeenkomstig de nationale wetgeving en procedures.

5. Onverminderd lid 2 mogen de bevoegde autoriteiten van een gastlidstaat verdere beperkingen stellen aan de functies, taken en bevoegdheids- en bekwaamheidsniveaus met betrekking tot reizen nabij de kust, als bedoeld in artikel 7, of alternatieve vaarbevoegdheidsbewijzen die zijn afgegeven uit hoofde van voorschrift VII/1 van bijlage I.

6. Onverminderd lid 2 mag een lidstaat, indien nodig, een zeevarende toestaan dienst te doen in een andere hoedanigheid dan die van radio-officier of radio-operator (tenzij het radioreglement hierin voorziet), gedurende een periode van ten hoogste drie maanden aan boord van een schip dat onder zijn vlag vaart, indien hij in het bezit is van een passend en geldig vaarbevoegdheidsbewijs dat is afgegeven en voorzien van een officiële verklaring van erkenning door een derde land, maar dat nog niet is voorzien van een officiële verklaring van erkenning door de betrokken lidstaat.

Aan boord van het schip moet schriftelijk bewijs voorhanden zijn om aan te tonen dat de aanvraag om een officiële verklaring bij de bevoegde autoriteiten is ingediend.

7. Een gastlidstaat ziet erop toe dat zeevarenden die met het oog op erkenning bewijzen indienen voor functies op managementniveau, beschikken over een passende kennis van het zeerecht van die lidstaat met betrekking tot de functies die zij mogen uitoefenen.".

(5)Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

(a)lid 1 wordt vervangen door:

"1. Van elke kapitein, officier en radio-operator die in het bezit is van een vaarbevoegdheidsbewijs dat is afgegeven of erkend krachtens enig hoofdstuk van bijlage I, uitgezonderd voorschrift V/3 van hoofdstuk V of hoofdstuk VI, en die buitengaats dienstdoet of van plan is na een periode aan de wal naar zee terug te keren, moet worden verlangd dat hij, teneinde zijn bevoegdheid om buitengaats dienst te doen te behouden, met tussenpozen van ten hoogste vijf jaar:

a) uit medisch oogpunt voldoet aan de normen van artikel 11; en

b) bij voortduring vakbekwaam is in overeenstemming met sectie A-I/11 van de STCW-Code.";

(b)het volgende lid 2 ter wordt ingevoegd:

"2 ter. Elke kapitein of officier moet, om bij voortduring buitengaats dienst te doen aan boord van schepen die in poolwateren varen, voldoen aan de eisen van lid 1 van dit artikel en van hem moet worden verlangd dat hij, met tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, aantoont dat hij nog steeds vakbekwaam is om dienst te doen aan boord van schepen die in poolwateren varen in overeenstemming met sectie A-I/11, lid 4, van de STCW-Code.";

(c)lid 3 wordt vervangen door:

"3. De lidstaten vergelijken de normen inzake bekwaamheid die zij aan kandidaten stellen voor vaarbevoegdheidsbewijzen en/of bekwaamheidsbewijzen afgegeven vóór 1 januari 2017, met die welke in deel A van de STCW-Code voor de betrokken vaarbevoegdheids- en/of bekwaamheidsbewijzen zijn genoemd, en stellen vast of het noodzakelijk is de houders van dergelijke vaarbevoegdheids- en/of bekwaamheidsbewijzen een passende herhalings- en bijscholingscursus te laten volgen of een beoordeling te laten ondergaan.";

(d)het volgende lid 3 bis wordt ingevoegd:

"3 bis. De lidstaten vergelijken de bekwaamheidsnormen die zij vóór 1 januari 2017 stellen aan personen die dienst doen aan boord van schepen die gas als brandstof gebruiken, met die in sectie A-V/3 van de STCW-Code en stellen vast of het al dan niet noodzakelijk is deze personeelsleden te vragen zich bij te scholen.".

(6)Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

(a)lid 2 wordt vervangen door:

"2. Een lidstaat die voornemens is door middel van een officiële verklaring een in lid 1 bedoeld, door een derde land aan een kapitein, officier of radio-operator afgegeven vaarbevoegdheidsbewijs of bekwaamheidsbewijs te erkennen voor dienst op een schip dat zijn vlag voert, dient bij de Commissie een verzoek om erkenning van dat derde land in, vergezeld van een voorafgaande analyse van de naleving van de eisen van het STCW-Verdrag door dat derde land, door de in bijlage II genoemde informatie te verzamelen, met inbegrip van een raming van het aantal kapiteins en officieren uit dat land dat waarschijnlijk in dienst zal worden genomen.

Nadat een lidstaat dat verzoek heeft ingediend, neemt de Commissie het besluit om de erkenningsprocedure voor dat derde land in te leiden. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 28, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Wanneer een positief besluit over de inleiding van de erkenningsprocedure is vastgesteld, verzamelt de Commissie, bijgestaan door het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid en eventueel met de betrokkenheid van de lidstaat die het verzoek indient, de in bijlage II bedoelde gegevens en beoordeelt zij het opleidings- en diplomeringssysteem van het derde land waarvoor het erkenningsverzoek is ingediend, teneinde na te gaan of het betrokken land aan alle eisen van het STCW-Verdrag voldoet en of passende maatregelen zijn genomen om de afgifte van frauduleuze bewijzen van beroepsbekwaamheid te voorkomen.";

(b)lid 3 wordt vervangen door:

"3. Het besluit tot erkenning van een derde land wordt genomen door de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld overeenkomstig de in artikel 28, lid 2, genoemde onderzoeksprocedure, binnen 24 maanden vanaf de vaststelling van een positief besluit uit hoofde van lid 2.

In het geval het desbetreffende derde land belangrijke corrigerende maatregelen moet treffen, waaronder een wijziging van zijn wetgeving of zijn systeem voor onderwijs, opleiding en diplomering, om aan de voorschriften van het STCW-Verdrag te voldoen, mag het besluit worden vastgesteld binnen 36 maanden na de vaststelling van een in lid 2 genoemd positief besluit.

De lidstaat die het verzoek indient, kan ertoe besluiten het derde land eenzijdig te erkennen totdat een besluit is genomen uit hoofde van dit lid. In het geval van een dergelijke eenzijdige erkenning deelt de lidstaat aan de Commissie het aantal officiële verklaringen ter bevestiging van erkenning mee die zijn afgegeven met betrekking tot de in lid 1 bedoelde vaarbevoegdheidsbewijzen en bekwaamheidsbewijzen die door het derde land zijn afgegeven, tot het besluit over zijn erkenning is vastgesteld.".

(7)Aan artikel 20 wordt het volgende lid 8 toegevoegd:

"8. Als een lidstaat gedurende een periode van meer dan vijf jaar geen officiële verklaringen ter bevestiging van erkenning heeft afgegeven met betrekking tot de in artikel 19, lid 1, bedoelde vaarbevoegdheidsbewijzen of bekwaamheidsbewijzen die zijn afgegeven door een derde land, worden de bewijzen van dat land niet langer erkend. De Commissie stelt daartoe uitvoeringsbesluiten vast overeenkomstig de in artikel 28, lid 2, genoemde onderzoeksprocedure, nadat zij zowel de lidstaten als het betrokken derde land ten minste twee maanden van tevoren in kennis heeft gesteld.".

(8)Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

(a)lid 1 wordt vervangen door:

"1. Derde landen, inclusief de in artikel 19, lid 6, genoemde, die overeenkomstig de procedure van artikel 19, lid 3, eerste alinea, zijn erkend, worden op gezette tijdstippen en uiterlijk tien jaar na de laatste beoordeling, herbeoordeeld door de Commissie, bijgestaan door het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, om na te gaan of zij aan de desbetreffende criteria van bijlage II voldoen, en of passende maatregelen zijn genomen om de afgifte van frauduleuze vaarbevoegdheidsbewijzen te voorkomen.";

(b)lid 2 wordt vervangen door:

"2. De Commissie, bijgestaan door het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, voert de herbeoordeling van derde landen uit op grond van prioriteitscriteria. Die prioriteitscriteria bestaan uit:

a) prestatiegegevens van de havenstaatcontrole krachtens artikel 23;

b) het aantal officiële verklaringen ter bevestiging van erkenning dat is afgegeven met betrekking tot de door een derde land overeenkomstig de voorschriften V/1-1 en V/1-2 van het STCW-Verdrag afgegeven vaarbevoegdheidsbewijzen of bekwaamheidsbewijzen;

c) het aantal door het derde land geaccrediteerde maritieme onderwijs- en opleidingsinstellingen;

d) het aantal door het derde land goedgekeurde programma's;

e) de datum van de laatste beoordeling en het aantal tekortkomingen in kritische processen dat tijdens de laatste beoordeling door de Commissie is vastgesteld;

f) significante wijzigingen in het opleidings- en diplomeringssysteem voor zeevarenden van een derde land.

Als een derde land niet aan de eisen van het STCW-Verdrag voldoet overeenkomstig artikel 20, krijgt de herbeoordeling van het desbetreffende land voorrang op die van andere derde landen.".

(9)Artikel 25 bis, lid 1, wordt vervangen door:

"1. De lidstaten verstrekken de Commissie de in bijlage V bedoelde gegevens voor de toepassing van artikel 20, lid 8, en artikel 21, lid 2, en voor gebruik door de lidstaten en de Commissie ten behoeve van hun beleidsvorming.".

(10)Artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

a) de eerste alinea wordt als volgt gewijzigd:

"1. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 27 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage V bij deze richtlijn, met betrekking tot specifieke en relevante inhoud en bijzonderheden van de informatie die door de lidstaten moet worden meegedeeld, mits dergelijke handelingen zijn beperkt tot het in acht nemen van de wijzigingen in het STCW-Verdrag en de STCW-Code en deze de garanties inzake gegevensbescherming respecteren. Dergelijke gedelegeerde handelingen mogen niet de voorschriften met betrekking tot het anonimiseren van de gegevens, zoals vereist op grond van artikel 25 bis, lid 3, wijzigen.";

b) het volgende lid 2 wordt toegevoegd:

"2. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 27 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage I bij deze richtlijn en alle andere noodzakelijke bepalingen, teneinde die aan te passen aan nieuwe wijzigingen in het STCW-Verdrag en de STCW-Code.".

(11)Artikel 27 bis wordt vervangen door:

"Artikel 27 bis

Uitoefening van de delegatie

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2. De in artikel 27 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt voor onbepaalde tijd aan de Commissie toegekend vanaf [datum van inwerkingtreding].

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 27 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4. Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6. Een overeenkomstig artikel 27 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.".

(12)Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

Intrekking

Richtlijn 2005/45/EG wordt ingetrokken.

Artikel 3

Omzetting

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk [twaalf maanden na de inwerkingtreding] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld mede.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

(1)    De Raad heeft in zijn conclusies van 25 januari 1993 betreffende veiligheid op zee en voorkoming van verontreiniging opgemerkt dat de mens belangrijk is voor een veilige scheepvaart. Ook heeft de Raad in zijn resolutie van 8 juni 1993 over een gemeenschappelijk beleid inzake de veiligheid op zee de verwijdering van bemanningen die niet aan de normen voldoen tot doel gesteld en voorrang gegeven aan een betere opleiding en vorming door het opstellen van gemeenschappelijke normen voor minimumopleidingsniveaus voor personeel op sleutelposities.
(2)    Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden (PB L 323 van 3.12.2008, blz. 33). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2012/35/EU van het Europees Parlement en de Raad (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 78).
(3)    Richtlijn 2005/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de wederzijdse erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 160).
(4)    Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's – Strategische doelstellingen en aanbevelingen voor het zeevervoersbeleid van de EU tot 2018 (COM(2009) 8).
(5)    Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22).
(6)    Witboek "Stappenplan voor een interne Europese vervoersruimte – werken aan een concurrerend en zuinig vervoerssysteem" (COM(2011) 144).
(7)    SWD(2018) 19.
(8)    SWD(2018) 19.
(9)    PB L 123 van 12.5.2016, blz. 10.
(10)    PB C , , blz. .
(11)    PB C , , blz. .
(12)    PB L 323 van 3.12.2008, blz. 33.
(13)    Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 10).
(14)    SWD(2018) 19.
(15)    Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22).
(16)    Richtlijn 2005/45/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de wederzijdse erkenning van door de lidstaten afgegeven bewijzen van beroepsbekwaamheid van zeevarenden en tot wijziging van Richtlijn 2001/25/EG (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 160).
Top

Brussel,24.5.2018

COM(2018) 315 final

BIJLAGE

bij het voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Richtlijn 2008/106/EG inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden en tot intrekking van Richtlijn 2005/45/EG

{SWD(2018) 239 final}


BIJLAGE

NIEUWE OPLEIDINGSVOORSCHRIFTEN

(als bedoeld in artikel 1)

Bijlage I bij Richtlijn 2008/106/EG wordt als volgt gewijzigd:

(1)Voorschrift V/2 van bijlage I, hoofdstuk V, wordt vervangen door:

"Voorschrift V/2

Verplichte minimumeisen inzake de opleiding en bevoegdheden van kapiteins, officieren, matrozen en ander personeel op passagiersschepen

1. Dit voorschrift heeft betrekking op kapiteins, officieren, matrozen en andere personeelsleden die dienst doen aan boord van passagiersschepen op internationale reizen. De lidstaten bepalen de toepasbaarheid van deze eisen op personeel dat dienst doet op passagiersschepen op binnenlandse reizen.

2. Alvorens hun taken aan boord worden opgedragen, voldoen alle personen die in dienst zijn op een passagierschip aan de voorschriften van sectie A-VI/1, punt 1, van de STCW-Code.

3. Kapiteins, officieren, matrozen en andere personeelsleden die dienst doen aan boord van passagiersschepen voltooien de opleiding en vertrouwdmaking, zoals vereist in de punten 5 tot en met 9, in overeenstemming met hun hoedanigheid, taken en verantwoordelijkheden.

4. Kapiteins, officieren, matrozen en andere personeelsleden van wie verlangd wordt dat zij een opleiding volgen in overeenstemming met de punten 7 tot en met 9, volgen passende herhalingscursussen, met tussenpozen van niet meer dan vijf jaar, of moeten kunnen aantonen dat zij in de vijf voorafgaande jaren het voorgeschreven bekwaamheidsniveau hebben gehaald.

5. Personeel dat dienst doet aan boord van passagiersschepen is vertrouwd met noodsituaties op passagiersschepen, in overeenstemming met hun hoedanigheid, taken en verantwoordelijkheden zoals omschreven in sectie A-V/2, punt 1, van de STCW-Code.

6. Personeel dat in de passagiersruimten aan boord van passagiersschepen direct bij de dienstverlening aan passagiers betrokken is, voltooit de veiligheidsopleiding als vermeld in sectie A-V/2, punt 2, van de STCW-Code.

7. Kapiteins, officieren, matrozen die zijn gekwalificeerd overeenkomstig de hoofdstukken II, III en VII, en andere personeelsleden die in de alarmrol worden aangewezen om passagiers bij te staan in noodsituaties aan boord van passagiersschepen, voltooien een opleiding in het beheersen van mensenmassa's aan boord van passagiersschepen, zoals vermeld in sectie A-V/2, punt 3, van de STCW-Code.

8. Kapiteins, hoofdwerktuigkundigen, eerste stuurlieden, tweede werktuigkundigen en iedereen die in de alarmrol wordt aangewezen en verantwoordelijkheid draagt voor de veiligheid van passagiers in noodsituaties aan boord van passagiersschepen, voltooien een goedgekeurde opleiding in crisisbeheer en menselijk gedrag, zoals vermeld in sectie A-V/2, punt 4, van de STCW-Code.

9. Kapiteins, hoofdwerktuigkundigen, eerste stuurlieden, tweede werktuigkundigen en iedereen die belast is met de directe verantwoordelijkheid voor het aan en van boord gaan van passagiers, het laden, lossen of vastzetten van de lading of het sluiten van openingen in de romp aan boord van ro-ro-passagiersschepen, voltooien een goedgekeurde opleiding betreffende de veiligheid van passagiers, de veiligheid van de lading en de integriteit van de romp, zoals vermeld in sectie A-V/2, punt 5, van de STCW-Code.

10. De lidstaten waarborgen dat een schriftelijk bewijs van voltooide opleiding wordt afgegeven aan iedereen die bevoegd wordt bevonden volgens de bepalingen van de punten 6 tot en met 9 van dit voorschrift.".

(2)In bijlage I, hoofdstuk V, wordt het volgende voorschrift V/3 toegevoegd:

"Voorschrift V/3

Verplichte minimumeisen inzake de opleiding en bevoegdheden van kapiteins, officieren, matrozen en andere personeelsleden op schepen die onderworpen zijn aan de IGF-Code

1. Dit voorschrift is van toepassing op kapiteins, officieren, matrozen en andere personeelsleden die dienst doen aan boord van schepen die onderworpen zijn aan de IGF-Code.

2. Alvorens hun taken worden opgedragen aan boord van schepen die onderworpen zijn aan de IGF-Code, hebben zeevarenden de opleiding, zoals vereist in de punten 4 tot en met 9, voltooid, in overeenstemming met hun hoedanigheid, taken en verantwoordelijkheden.

3. Alvorens hun taken aan boord worden opgedragen, worden alle zeevarenden die dienstdoen op schepen die onderworpen zijn aan de IGF-Code op passende wijze vertrouwd gemaakt met het schip en de uitrusting, zoals vermeld in artikel 14, lid 1, onder d), van deze richtlijn.

4. Zeevarenden die belast zijn met aangewezen veiligheidstaken die verband houden met de zorg voor, het gebruik van of de noodrespons ten aanzien van de brandstof aan boord van schepen die onderworpen zijn aan de IGF-Code, moeten houder zijn van een getuigschrift van een basisopleiding voor dienst op een schip dat onderworpen is aan de IGF-Code.

5. Elke kandidaat voor een getuigschrift van een basisopleiding voor dienst op een schip dat onderworpen is aan de IGF-Code heeft een basisopleiding voltooid in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-V/3, punt 1, van de STCW-Code.

6. Zeevarenden die belast zijn met aangewezen veiligheidstaken die verband houden met de zorg voor, het gebruik van of de noodrespons ten aanzien van de brandstof aan boord van schepen die onderworpen zijn aan de IGF-Code en die zijn gekwalificeerd en gecertificeerd overeenkomstig voorschrift V/1-2, punten 2 en 5, of voorschrift V/1-2, punten 4 en 5, voor vloeibaargastankers, worden beschouwd als hebbende voldaan aan de eisen van sectie A-V/3, punt 1, van de STCW-Code voor de basisopleiding voor dienst op een schip dat onderworpen is aan de IGF-Code.

7. Kapiteins, scheepswerktuigkundigen en alle personeelsleden die rechtstreeks belast zijn met de zorg voor en het gebruik van brandstoffen en brandstofsystemen op schepen die onderworpen zijn aan de IGF-Code, zijn houder van een getuigschrift van een voortgezette opleiding voor dienst op schepen die onderworpen zijn aan de IGF-Code.

8. Elke kandidaat voor een getuigschrift van een voortgezette opleiding voor dienst op schepen die onderworpen zijn aan de IGF-Code en die houder is van het in punt 4 beschreven bekwaamheidsbewijs:

8.1 heeft een goedgekeurde voortgezette opleiding voltooid voor dienst op schepen die onderworpen zijn aan de IGF-Code en voldoet aan de bekwaamheidsnorm van sectie A-V/3, lid 2, van de STCW-code, en

8.2 heeft een goedgekeurde diensttijd van ten minste één maand voltooid met inbegrip van ten minste drie bunkeroperaties op schepen die onderworpen zijn aan de IGF-Code. Twee van de drie bunkeroperaties mogen worden vervangen door goedgekeurde simulatortrainingen als onderdeel van de opleiding in punt 8.1.

9. Kapiteins, scheepswerktuigkundigen en iedereen die rechtstreeks belast is met de zorg voor en het gebruik van brandstoffen aan boord van schepen die onderworpen zijn aan de IGF-Code en die zijn gekwalificeerd en gecertificeerd volgens de bekwaamheidsnormen van sectie A-V/1-2, punt 2, van de STCW-code voor dienst op vloeibaargastankers, worden beschouwd als hebbende voldaan aan de eisen van sectie A-V/3, punt 2, van de STCW-code voor dienst op schepen die onderworpen zijn aan de IGF-Code, mits zij ook:

9.1 hebben voldaan aan de eisen van punt 6; en

9.2 hebben voldaan aan de eisen voor bunkeren van punt 8.2 of hebben deelgenomen aan drie vrachtactiviteiten aan boord van een vloeibaargastanker; en

9.3 in de voorafgaande vijf jaar een diensttijd van drie maanden hebben voltooid aan boord van:

9.3.1 schepen die onderworpen zijn aan de IGF-Code;

9.3.2 tankers die brandstoffen die onder de IGF-Code vallen als vracht vervoeren; of

9.3.3 schepen die gassen of brandstof met een laag vlampunt gebruiken als brandstof.

10. De lidstaten waarborgen dat een bekwaamheidsbewijs wordt afgegeven aan zeevarenden die zijn gekwalificeerd overeenkomstig punt 4 of 7, naar gelang het geval.

11. Zeevarenden die houder zijn van een bekwaamheidsbewijs in overeenstemming met punt 4 of 7, volgen, met tussenpozen van niet meer dan vijf jaar, passende herhalingscursussen of moeten kunnen aantonen dat zij in de vijf voorafgaande jaren het voorgeschreven bekwaamheidsniveau hebben gehaald.".

(3)In bijlage I, hoofdstuk V, wordt het volgende voorschrift V/4 toegevoegd:

"Voorschrift V/4

Verplichte minimumeisen inzake de opleiding en bevoegdheden van kapiteins en dekofficieren op schepen die in poolwateren waren

1. Kapiteins, eerste stuurlieden en officieren die belast zijn met de brugwacht op schepen die in poolwateren varen, zijn houder van een getuigschrift van een basisopleiding voor schepen die in poolwateren waren, zoals vereist bij de zeevaartcode voor het Noordpoolgebied.

2. Elke kandidaat voor een getuigschrift van een basisopleiding voor schepen die in poolwateren varen heeft een goedgekeurde basisopleiding voltooid voor schepen die in poolwateren varen en voldoet aan de bekwaamheidsnorm van sectie A-V/4, punt 1, van de STCW-Code.

3. Kapiteins en eerste stuurlieden op schepen die in poolwateren varen, zijn houder van een getuigschrift van een voortgezette opleiding voor schepen die in poolwateren waren, zoals vereist bij de zeevaartcode voor het Noordpoolgebied.

4. Elke kandidaat voor een getuigschrift van een voortgezette opleiding voor schepen die in poolwateren varen:

4.1 voldoet aan de eisen voor het ontvangen van een getuigschrift van een basisopleiding voor schepen die in poolwateren varen,

4.2 heeft een diensttijd van ten minste twee maanden voltooid aan dek, op managementniveau of tijdens wachtdiensten op operationeel niveau in poolwateren, of een andere, gelijkwaardige goedgekeurde diensttijd, en

4.3 heeft een goedgekeurde voortgezette opleiding voltooid voor schepen die in poolwateren varen en voldoet aan de bekwaamheidsnorm van sectie A-V/4, punt 2, van de STCW-Code.

5. De lidstaten waarborgen dat een bekwaamheidsbewijs wordt afgegeven aan zeevarenden die zijn gekwalificeerd overeenkomstig punt 2 of 4, naar gelang het geval.

6. Zeevarenden die vóór 1 juli 2018 een goedgekeurde diensttijd in poolwateren zijn begonnen, kunnen tot 1 juli 2020 aantonen dat zij voldoen aan de eisen van punt 2 door:

6.1 een goedgekeurde diensttijd te hebben voltooid aan boord van een schip dat in poolwateren vaart of een gelijkwaardige goedgekeurde dienst, waarbij zij taken aan dek hebben uitgevoerd op operationeel of managementniveau, gedurende ten minste drie maanden in totaal in de voorafgaande vijf jaar, of

6.2 met succes een opleidingscursus te hebben voltooid die was georganiseerd overeenkomstig de opleidingsrichtsnoeren van de Internationale Maritieme Organisatie voor schepen die in poolwateren varen.

7. Zeevarenden die vóór 1 juli 2018 een goedgekeurde diensttijd in poolwateren zijn begonnen, kunnen tot 1 juli 2020 aantonen dat zij voldoen aan de eisen van punt 4 door:

7.1 een goedgekeurde diensttijd te hebben voltooid aan boord van een schip dat in poolwateren vaart of een gelijkwaardige goedgekeurde dienst, waarbij zij taken aan dek hebben uitgevoerd op managementniveau, gedurende ten minste drie maanden in totaal in de voorafgaande vijf jaar, of

7.2 met succes een opleidingscursus te hebben voltooid die was georganiseerd overeenkomstig de opleidingsrichtsnoeren van de Internationale Maritieme Organisatie voor schepen die in poolwateren varen en een goedgekeurde diensttijd te hebben voltooid aan boord van een schip dat in poolwateren vaart of een gelijkwaardige goedgekeurde dienst, waarbij zij taken aan dek hebben uitgevoerd op managementniveau, gedurende ten minste twee maanden in totaal in de voorafgaande vijf jaar.".

Top