EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52017XC1006(02)

Mededeling van de Commissie — Handboek voor het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel

PB C 335 van 6.10.2017, p. 1–83 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

6.10.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 335/1


Mededeling van de Commissie — Handboek voor het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel

(2017/C 335/01)

INHOUDSOPGAVE

Lijst van afkortingen 5
WOORD VOORAF 9
INLEIDING 10

1.

Overzicht van het Europees aanhoudingsbevel (EAB) 10

1.1.

Achtergrond van het EAB 10

1.2.

Omschrijving en hoofdkenmerken van het EAB 10

1.3.

Het EAB-formulier 11
DEEL I: EEN EAB UITVAARDIGEN 12

2.

Vereisten voor het uitvaardigen van een EAB 12

2.1.

Toepassingsgebied van het EAB 12

2.1.1.

Voor strafvervolging 12

2.1.2.

Tenuitvoerlegging van een straf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel 12

2.1.3.

De vereiste voor een voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke beslissing 13

2.2.

De lijst met 32 strafbare feiten die tot overlevering leiden zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid 13

2.3.

Accessoire strafbare feiten 14

2.4.

Evenredigheid 14

2.5.

Andere maatregelen die krachtens de rechtsinstrumenten van de Unie beschikbaar zijn voor justitiële samenwerking in strafzaken 15

2.5.1.

Europees onderzoeksbevel (EOB) 16

2.5.2.

Overbrenging van gevangenen 16

2.5.3.

Europees surveillancebevel (ESB) 17

2.5.4.

Overdracht van proeftijdbeslissingen en alternatieve straffen 17

2.5.5.

Geldelijke sancties 18

2.5.6.

Overdracht van strafvervolging 18

2.6.

Specialiteitsbeginsel — eventuele vervolging wegens andere strafbare feiten 18

3.

Procedure voor de uitvaardiging van een EAB 19

3.1.

Andere lopende strafprocedures en EAB's met betrekking tot dezelfde persoon 19

3.1.1.

In de uitvaardigende lidstaat 19

3.1.2.

In een andere lidstaat 20

3.2.

Het EAB-formulier invullen 20

3.2.1.

Gegevens die altijd moeten worden verstrekt 20

3.2.2.

Nuttige aanvullende informatie van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit 20

3.3.

Toezending van een EAB 21

3.3.1.

Wanneer niet bekend is waar de gezochte persoon zich bevindt 21

3.3.2.

Wanneer bekend is waar de gezochte persoon zich bevindt 22

3.3.3.

Een Europees aanhoudingsbevel aan lidstaten zenden die het SIS niet gebruiken 22

3.4.

Vertaling van het EAB 22

3.5.

Na de aanhouding van de gezochte persoon: samenwerking en communicatie met de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende lidstaat 22
DEEL II: EEN EAB TEN UITVOER LEGGEN 23

4.

Procedure voor de tenuitvoerlegging van een EAB 23

4.1.

Termijnen om over de tenuitvoerlegging van het EAB te beslissen 23

4.2.

Termijnen om de persoon over te leveren (na de beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB) 23

4.3.

Vertaling van het EAB 24

4.4.

Communicatie tussen de bevoegde rechterlijke autoriteiten van de lidstaten vóór de beslissing tot overlevering 24

4.4.1.

Wanneer communiceren 24

4.4.2.

Hoe communiceren 25

4.5.

Plicht van de uitvoerende rechterlijke autoriteit om de uitvaardigende autoriteit te informeren nadat is beslist over de overlevering 26

4.5.1.

Informatie over de beslissing tot overlevering 26

4.5.2.

Gegevens over de periode van vrijheidsbeneming 26

4.6.

Voortgezette hechtenis van de gezochte persoon in de uitvoerende lidstaat 27

5.

Beslissing over de overlevering 28

5.1.

Algemene verplichting tot tenuitvoerlegging van EAB's 28

5.2.

De lijst met 32 strafbare feiten die tot overlevering leiden zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid 28

5.3.

Accessoire strafbare feiten 28

5.4.

Gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging (weigering) 29

5.4.1.

Gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging 29

5.4.2.

Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging 30

5.5.

Verstekprocedures 31

5.6.

Overwegingen van de uitvoerende rechterlijke autoriteit met betrekking tot de grondrechten 33

5.7.

Evenredigheid — de rol van de uitvoerende lidstaat 34

5.8.

Garanties die de uitvaardigende lidstaat dient te geven 34

5.8.1.

Herziening van een levenslange vrijheidsstraf of een maatregel welke levenslange vrijheidsbeneming meebrengt 35

5.8.2.

Terugzending van onderdanen en ingezetenen 35

5.9.

Opschorting of tijdelijke overlevering 35

5.9.1.

Ernstige humanitaire redenen 35

5.9.2.

Lopende strafprocedure of uitvoering van een vrijheidsstraf 36

5.9.3.

Tijdelijke overlevering in plaats van uitstel 36

5.9.4.

Opschorting van een EAB door de vaststelling van een reëel risico op dat de gezochte persoon onmenselijk of vernederend zal worden behandeld 36

5.10.

Meerdere EAB's voor dezelfde persoon 36

5.10.1.

Beslissen welk EAB wordt uitgevoerd 36

5.10.2.

„Parallelle procedures” 37

6.

Verrekening van de periode van vrijheidsbeneming in de uitvoerende lidstaat 37

7.

Verdere overlevering 38

7.1.

Aan een andere lidstaat 38

7.2.

Aan een derde land 39

8.

Verplichtingen tegenover derde landen 39

8.1.

Gelijktijdige EAB's en uitleveringsverzoeken voor dezelfde persoon 39

8.1.1.

Verzoeken van derde landen 39

8.1.2.

Verzoeken van het Internationaal Strafhof (ICC) 40

8.2.

Voorafgaande uitlevering uit een derde land en het specialiteitsbeginsel 40

9.

Doortocht 40

9.1.

Doortocht via een andere lidstaat 40

9.2.

Onderdanen en ingezetenen van de lidstaat van doortocht 41

9.3.

Uitlevering door een derde land aan een lidstaat 41

10.

Niet-uitgevoerde EAB's 41

10.1.

Waarborgen dat de persoon niet opnieuw wordt aangehouden in dezelfde lidstaat 41

10.2.

Communicatie met de uitvaardigende lidstaat 41

10.3.

Overweging van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit of zij het EAB al dan niet handhaaft 41

10.4.

Toetsing van lang bewaarde EAB's in het SIS 41

11.

Procedurele rechten van de gezochte persoon 42

11.1.

Recht op vertolking en vertaling 42

11.2.

Recht op informatie 42

11.3.

Recht op toegang tot een advocaat 43

11.4.

Recht om een derde op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbeneming 43

11.5.

Recht om met derden te communiceren 43

11.6.

Recht op communicatie met de consulaire autoriteiten 43

11.7.

Specifieke rechten voor kinderen 44

11.8.

Recht op rechtsbijstand 44

BIJLAGE I —

Kaderbesluit betreffende het europees aanhoudingsbevel, officieuze consolidatie 45

BIJLAGE II —

EAB-FORMULIER, neergelegd in de bijlage bij het kaderbesluit betreffende het EAW 60

BIJLAGE III —

AANWIJZINGEN VOOR HET INVULLEN VAN HET EAB-FORMULIER 65

BIJLAGE IV —

TALEN WAARIN EEN EAB DOOR DE LIDSTATEN WORDT AANVAARD 74

BIJLAGE V —

LIJST VAN ARRESTEN VAN HET HOF VAN JUSTITIE IN VERBAND MET HET KADERBESLUIT BETREFFENDE HET EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL 76

BIJLAGE VI —

ARRESTEN VAN HET HOF VAN JUSTITIE BETREFFENDE HET NE BIS IN IDEM-BEGINSEL 77

BIJLAGE VII —

STANDAARDFORMULIER EAB-BESLISSING 80

BIJLAGE VIII —

LIJST VAN LIDSTATEN WAARVAN HET RECHTSSTELSEL DE OVERLEVERING KAN TOESTAAN VOOR STRAFBARE FEITEN WAAROP EEN LAGERE STRAF STAAT DAN DE IN ARTIKEL 2, LID 1, VAN HET KADERBESLUIT BETREFFENDE HET EAB VERMELDE GRENS, WANNEER DE FEITEN ACCESSOIR ZIJN BIJ DE ZWAARDERE FEITEN UIT HOOFDE VAN HET EAB 82

BIJLAGE IX —

INDICATIEF MODEL VOOR EEN VERKLARING VAN RECHTEN VOOR PERSONEN AANGEHOUDEN OP GROND VAN EEN EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL 83

Lijst van afkortingen

SUO

Schengenuitvoeringsovereenkomst

RvE

Raad van Europa

EAB

Europees aanhoudingsbevel

EOB

Europees onderzoeksbevel

EJN

Europees justitieel netwerk

ESB

Europees surveillancebevel

Kaderbesluit betreffende het EAB

Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten

Sirene

Supplementary Information Request at the National Entries (verzoek om aanvullende informatie bij het nationale deel)

SIS

Schengeninformatiesysteem

VWEU

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Afwijzing van aansprakelijkheid

Dit handboek is juridisch niet bindend en streeft evenmin naar volledigheid. Het laat het bestaande Unierecht en de toekomstige ontwikkeling daarvan onverlet. Het laat ook de authentieke uitlegging van het Unierecht door het Hof van Justitie van de Europese Unie onverlet.

UITVAARDIGING VAN EEN EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL

Belangrijkste stappen

(RA = rechterlijke autoriteit)

Image

TENUITVOERLEGGING VAN EEN EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL

Belangrijkste stappen

(RA = rechterlijke autoriteit)

Image

WOORD VOORAF

Dit handboek is een herziene versie van het Europees handboek voor het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel, uitgegeven door de Raad in 2008 (1) en herzien in 2010 (2). Na afloop van de vijfjarige overgangsperiode uit hoofde van het Verdrag van Lissabon wat de zogenoemde voormalige ‘rechtsinstrumenten van de derde pijler betreft’ (3), met inbegrip van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (4) (hierna „het kaderbesluit betreffende het EAB” genoemd), heeft de Commissie de taak op zich genomen om het handboek bij te werken en te herzien.

Dit handboek houdt rekening met de ervaring die de laatste 13 jaar is opgedaan met de toepassing van het Europees arrestatiebevel in de Unie. Deze herziening heeft tot doel het handboek bij te werken en het uitgebreider en gebruiksvriendelijker te maken. Om deze meest recente versie van het handboek voor te bereiden, heeft de Commissie verschillende belanghebbenden en deskundigen geraadpleegd, waaronder Eurojust, het secretariaat van het Europees justitieel netwerk en de overheidsdeskundigen en rechterlijke autoriteiten van de lidstaten.

Het handboek is beschikbaar op internet op https://e-justice.europa.eu in alle officiële talen van de Unie.

INLEIDING

1.   OVERZICHT VAN HET EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL (EAB)

1.1.   Achtergrond van het EAB

Het kaderbesluit betreffende het EAB is op 13 juni 2002 vastgesteld door de Raad en de lidstaten werden geacht om tegen 31 december 2003 alle maatregelen te hebben genomen die noodzakelijk waren ter nakoming van dat besluit. Sinds 1 januari 2004 heeft de nieuwe regeling inzake overlevering de uitleveringsregelingen, op een paar uitzonderingen na, vervangen. Wat de overlevering tussen lidstaten betreft, zullen de overeenkomstige bepalingen van de volgende verdragen en overeenkomsten worden vervangen:

a)

het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (ETS nr. 024), het Aanvullend Protocol bij dit Verdrag van 15 oktober 1975 (ETS nr. 086), het Tweede Aanvullend Protocol bij dit Verdrag van 17 maart 1978 (ETS nr. 098) en, voor zover het op uitlevering betrekking heeft, het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme van 27 januari 1977 (ETS nr. 090);

b)

de Overeenkomst tussen de 12 lidstaten van de Europese Gemeenschappen betreffende de vereenvoudiging en de modernisering van de wijze van toezending van uitleveringsverzoeken van 26 mei 1989;

c)

de Overeenkomst aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie van 10 maart 1995 (5);

d)

de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie van 27 september 1996 (6);

e)

titel III, hoofdstuk 4, van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (7).

1.2.   Omschrijving en hoofdkenmerken van het EAB

Het EAB is een voor tenuitvoerlegging in de Unie vatbare rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd en in een andere lidstaat ten uitvoer wordt gelegd op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning.

Zoals het Hof van Justitie heeft opgemerkt in zijn arresten in de zaken C-452/16 PPU, Poltorak  (8), en C-477/16 PPU, Kovalkovas  (9), volgt uit artikel 1, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB dat het EAB een „rechterlijke beslissing” is die door een „rechterlijke autoriteit” moet worden uitgevaardigd in de zin van artikel 6, lid 1 daarvan. Het Hof van Justitie heeft besloten dat de bewoording „rechterlijke autoriteit” zoals vermeld in artikel 6, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB niet slechts de rechters en rechterlijke instanties van een lidstaat aanduidt, maar breder is en ook de autoriteiten kan omvatten die in de betrokken rechtsorde deelnemen aan de rechtsbedeling. Het Hof van Justitie heeft evenwel vastgesteld dat het in die bepaling genoemde begrip „rechterlijke autoriteit” niet aldus kan worden uitgelegd dat het mede de politiediensten of een orgaan van de uitvoerende macht van een lidstaat zoals een ministerie omvat, en dat besluiten die dergelijke autoriteiten uitvaardigen niet als „rechterlijke beslissingen” kunnen worden beschouwd.

Het EAB heeft het oude uitleveringssysteem vervangen door een eenvoudiger en sneller stelsel van overlevering van gezochte personen met het oog op strafvervolging of tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel. Er kan een aanhoudingsbevel worden uitgevaardigd:

a)

met het oog op de strafvervolging van feiten die, overeenkomstig het nationale recht, strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste twaalf maanden (tijdens de onderzoeksfase en het proces tot het vonnis definitief is);

b)

met het oog op de tenuitvoerlegging van een vonnis of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een duur van ten minste vier maanden.

Punten a) en b) zijn niet cumulatief.

Teneinde het inwilligen van verzoeken eenvoudiger en gemakkelijker te maken, worden deze nu op een eenvormige wijze uitgevaardigd door middel van het EAB-formulier. Er moet echter altijd voorafgaand aan en afzonderlijk van het EAB een nationaal voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis of een nationaal aanhoudingsbevel of soortgelijke rechterlijke beslissing zijn uitgevaardigd (zie punt 2.1.3 van dit handboek).

De centrale autoriteiten, die een belangrijke rol speelden in het overleveringsproces, zijn uitgesloten van het besluitvormingsproces in de EAB-procedures. Artikel 7 van het kaderbesluit betreffende het EAB bepaalt echter dat de lidstaten centrale autoriteiten kunnen aanwijzen om de rechterlijke autoriteiten bij te staan en te ondersteunen, met name voor het in ontvangst nemen en toezenden van EAB's.

In de lidstaten waar het Schengeninformatiesysteem (SIS) wordt gebruikt (op het ogenblik waarop dit handboek is uitgebracht alle lidstaten, behalve Ierland en Cyprus), spelen de nationale Sirene-bureaus een belangrijke rol in het EAB-proces wanneer een overeenkomstige signalering is opgenomen in het SIS. De regels en procedures voor de samenwerking tussen de lidstaten wat de signaleringen voor aanhouding op basis van EAB's betreft, zijn vastgelegd in de artikelen 24 tot en met 31 van Besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni 2007 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (10) (hierna het „SIS II-besluit” genoemd) en punt 3 van het Sirene-handboek (11).

Het kaderbesluit betreffende het EAB past in een filosofie van integratie in een gemeenschappelijke justitiële ruimte. Het is het eerste rechtsinstrument waarin de lidstaten samenwerken inzake strafzaken op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning. De beslissing van de uitvaardigende lidstaat moet zonder verdere formaliteiten en uitsluitend op basis van gerechtelijke criteria worden erkend.

De overlevering van onderdanen geldt als beginsel en als algemene regel, met maar een paar uitzonderingen. Die uitzonderingen betreffen de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in het thuisland en zijn op dezelfde manier van toepassing op de ingezetenen. Uit de praktijk is gebleken dat ongeveer een vijfde van alle overleveringen in de Unie de eigen onderdanen van een land betreft.

De gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging zijn beperkt en volledig opgesomd in de artikelen 3, 4 en 4 bis, van het kaderbesluit betreffende het EAB. Er is geen toetsing van de dubbele strafbaarheid als grond voor niet-tenuitvoerlegging en niet-overlevering voor 32 categorieën strafbare feiten, vermeld in artikel 2, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB, zoals omschreven door de uitvaardigende lidstaat, wanneer op die strafbare feiten in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar.

Indien de betrokken strafbare feiten door de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat niet worden beschouwd als feiten die binnen het toepassingsgebied van artikel 2, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB vallen, kan de dubbele strafbaarheid nog steeds gelden. Het Hof van Justitie heeft in zaak Grundza (12) besloten dat bij de beoordeling van dubbele strafbaarheid de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat dient na te gaan of de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het strafbare feit, indien zij zouden hebben plaatsgevonden op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat, als zodanig ook op dat grondgebied strafrechtelijk hadden kunnen worden bestraft (zie punt 5.2 van dit handboek).

Sinds 28 maart 2011 is het kaderbesluit betreffende het EAB gewijzigd bij Kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad (13). Toen is artikel 5, lid 1, verwijderd en is een nieuw artikel 4 bis ingevoegd over beslissingen gegeven na een proces waarop de betrokkene niet in persoon is verschenen (verstekprocedure).

1.3.   Het EAB-formulier

Een EAB is een rechterlijke beslissing die is uitgevaardigd volgens het formulier vastgelegd in een bijlage bij het kaderbesluit betreffende het EAB. Het formulier is beschikbaar in alle officiële talen van de Unie. Alleen dit formulier mag worden gebruikt, zonder enige wijziging. Het was de bedoeling van de Raad om een instrument te creëren dat door de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten eenvoudig kon worden ingevuld en door de uitvoerende rechterlijke autoriteiten zou worden erkend.

Het gebruik van het formulier vermijdt lange en dure vertalingen en vergemakkelijkt de toegang tot de informatie. Aangezien het formulier in beginsel de enige basis vormt voor de aanhouding en de overlevering van de gezochte persoon, dient het bijzonder zorgvuldig te worden ingevuld om nodeloze verzoeken om aanvullende informatie te voorkomen.

Het formulier kan ofwel direct online worden ingevuld aan de hand van de e-tool Compendium van het Europees Justitieel Netwerk, die beschikbaar is op de EJN-website, ofwel via een formulier in Word dat kan worden gedownload uit de Juridische Bibliotheek op de website van het EJN (https://www.ejn-crimjust.europa.eu).

De e-tool gebruiken is even gemakkelijk als het formulier in Word invullen, en heeft enkele moderne, nuttige en gebruiksvriendelijke functies zoals:

a)

de mogelijkheid om de bevoegde uitvoerende gerechtelijke autoriteit direct uit de Justitiële Atlas van het EJN te importeren;

b)

het formulier in de taal/talen te verkrijgen die door de uitvoerende lidstaat wordt/worden aanvaard;

c)

het op te slaan en per e-mail te verzenden.

DEEL I: EEN EAB UITVAARDIGEN

2.   VEREISTEN VOOR HET UITVAARDIGEN VAN EEN EAB

2.1.   Toepassingsgebied van het EAB

Een rechterlijke autoriteit kan een EAB om twee redenen uitvaardigen (artikel 1, lid 1 van het kaderbesluit betreffende het EAB):

a)

strafvervolging; of

b)

tenuitvoerlegging van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

Punt a) betreft strafprocedures waarbij de gezochte persoon kan worden vervolgd. Punt b) betreft voor tenuitvoerlegging vatbare tot vrijheidsbeneming strekkende straffen of maatregelen voor strafbare feiten, opgelegd door een rechterlijke instantie. Niet alle strafbare feiten komen in aanmerking voor de uitvaardiging van een EAB, enkel die welke voldoende ernstig zijn, zoals hieronder nader toegelicht.

In het rechtsstelsel van sommige lidstaten kan een EAB voor de tenuitvoerlegging van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel zelfs worden uitgevaardigd wanneer het vonnis nog niet definitief is en nog is onderworpen aan rechterlijke toetsing. In het rechtsstelsel van andere lidstaten kan dit type EAB enkel worden uitgevaardigd wanneer er een definitieve uitspraak is over de tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel. Het verdient aanbeveling dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de classificatie van de uitvaardigende autoriteit erkent met het oog op de tenuitvoerlegging van het EAB, ook wanneer deze in dit opzicht niet in overeenstemming is met diens eigen rechtsstelsel.

In dit kader moet worden opgemerkt dat uitvaardigende rechterlijke autoriteiten wordt aangeraden om te bezien of in het specifieke geval de uitvaardiging van een EAB evenredig is (zie punt 2.4 van dit handboek) en of een minder dwingende Unie-maatregel kan worden gebruikt om een passend resultaat te bereiken (zie punt 2.5 van dit handboek).

2.1.1.   Voor strafvervolging

Een EAB kan worden uitgevaardigd met het oog op de strafvervolging van feiten die, overeenkomstig het nationale recht, strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste twaalf maanden (artikel 2, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Dit verwijst naar de straf die maximaal kan worden opgelegd voor het strafbaar feit volgens het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat. De maximale straf in het recht van de uitvoerende lidstaat is hier niet relevant.

Beschikking van het Hof van Justitie in zaak C-463/15 PPU, Openbaar Ministerie t. A. (14)

„De artikelen 2, lid 4, en 4, punt 1, van Kaderbesluit 2002/584 […] moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat voor de overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel in de uitvoerende lidstaat niet alleen de voorwaarde wordt gesteld dat het feit waarvoor het aanhoudingsbevel is uitgevaardigd strafbaar is naar het recht van die lidstaat, maar ook dat dit feit volgens het recht van deze uitvoerende lidstaat kan worden bestraft met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden.”

„Tenuitvoerlegging van een strafvervolging” omvat de fase vóór het proces van de strafprocedure. Het doel van het EAB is echter niet om personen over te dragen louter om als verdachte te worden verhoord. Daarvoor kunnen andere maatregelen zoals het Europees onderzoeksbevel (EOB) in overweging worden genomen. In punt 2.5 worden andere maatregelen voor justitiële samenwerking kort besproken.

2.1.2.   Tenuitvoerlegging van een straf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel

Er kan een EAB worden uitgevaardigd voor de tenuitvoerlegging van een straf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van ten minste vier maanden (artikel 2, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB). Wanneer echter enkel nog een klein deel van de straf moet worden uitgezeten, wordt de bevoegde rechterlijke autoriteiten geadviseerd om te overwegen of de uitvaardiging van een EAB een evenredige maatregel is (zie punten 2.4 en 2.5 van dit handboek).

Nationale regels voor vervroegde of voorwaardelijke vrijlating, proeftijd of vergelijkbare regels die leiden tot een kortere detentietijd, die van toepassing kunnen zijn na de overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, zijn niet relevant bij de bepaling van de minimale periode van vier maanden.

Er is geen verband tussen de duur van de werkelijke en de mogelijke straf. Dat wil zeggen dat wanneer een persoon al is veroordeeld tot een gecombineerde vrijheidsstraf voor meerdere feiten en die straf ten minste vier maanden bedraagt, het EAB kan worden uitgevaardigd ongeacht de maximaal mogelijke duur van de straf voor elk van de afzonderlijke feiten.

Wanneer bekend is dat de persoon in een andere lidstaat verblijft, wordt de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat aangeraden om, in plaats van een EAB uit te vaardigen, de mogelijkheid te overwegen om de uitvoerbare straf over te dragen aan het thuisland, rekening houdend met de sociale banden van de persoon, de vergroting van de kans op reclassering in die lidstaat en andere vereisten in overeenstemming met Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (15) (zie punt 2.5.2 van dit handboek).

2.1.3.   De vereiste voor een voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke beslissing

De uitvaardigende rechterlijke autoriteiten moeten altijd garanderen dat er een nationale voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke beslissing is voordat ze een EAB uitvaardigen. De aard van die beslissing hangt af van het doel van het EAB. Wanneer het EAB is uitgevaardigd voor vervolging, moet een nationaal aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing zijn afgegeven door de bevoegde rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat (artikel 8, lid 1, onder c van het kaderbesluit betreffende het EAB) alvorens een EAB wordt uitgevaardigd. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest in zaak C-241/15 Bob Dogi (16) bevestigd dat het nationale aanhoudingsbevel of een andere rechterlijke beslissing zich onderscheidt van het EAB zelf. Wanneer het EAB wordt uitgevaardigd voor de tenuitvoerlegging van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel, moet een nationaal voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis daartoe bestaan.

Zoals het Hof van Justitie in die zaak heeft opgemerkt, omvat de regeling van het EAB op twee niveaus bescherming van de procedurele en grondrechten die de gezochte persoon moet genieten — rechterlijke bescherming op het eerste niveau van de vaststelling van een nationale rechterlijke beslissing, zoals een nationaal aanhoudingsbevel, en bescherming die gewaarborgd moet zijn op het tweede niveau, waarop het EAB wordt uitgevaardigd. Die rechterlijke bescherming op twee niveaus ontbreekt in beginsel in een situatie waarin de nationale rechterlijke autoriteit niet voorafgaand aan de uitvaardiging van het EAB een nationale rechterlijke beslissing is gegeven waarop het EAB is geënt.

Arrest van het Hof van Justitie in zaak C-241/15, Bob-Dogi

„Artikel 8, lid 1, onder c), van Kaderbesluit 2002/584 […] moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een Europees aanhoudingsbevel waaraan het bestaan van een „aanhoudingsbevel” in de zin van die bepaling ten grondslag wordt gelegd, geen vermelding bevat van het bestaan van een nationaal aanhoudingsbevel, de uitvoerende rechterlijke autoriteit daaraan geen gevolg dient te geven indien deze autoriteit aan de hand van de krachtens artikel 15, lid 2, van Kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd […], verstrekte gegevens alsook enige andere gegevens waarover zij beschikt, vaststelt dat het Europees aanhoudingsbevel niet geldig is omdat het is uitgevaardigd zonder dat ook daadwerkelijk een van het Europees aanhoudingsbevel onderscheiden nationaal aanhoudingsbevel is uitgevaardigd.”

Het Hof van Justitie heeft het begrip „rechterlijke beslissing” (duidelijk onderscheiden van het EAB zelf) verder verduidelijkt in zijn arrest in zaak C-453/16 PPU, Özçelik (17), waarin is geoordeeld dat een nationaal aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door een politiedienst en nadien is bekrachtigd bij een beslissing van het openbaar ministerie, en waarop het EAB is gebaseerd, kan worden aangemerkt als „rechterlijke beslissing”.

Arrest van het Hof van Justitie, C-453/16 PPU, Özçelik

„Artikel 8, lid 1, onder c), van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad […] moet aldus worden uitgelegd dat een bekrachtiging, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, door het openbaar ministerie van een nationaal aanhoudingsbevel dat voordien door een politiedienst is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging, een „rechterlijke beslissing” in de zin van die bepaling is.”

Het bestaan van de nationale rechterlijke beslissing of het nationale aanhoudingsbevel moet worden vermeld op het EAB-formulier wanneer het EAB wordt uitgevaardigd (artikel 8, lid 1, onder c), van het kaderbesluit betreffende het EAB en punt 3.2 van dit handboek). De beslissing of het bevel hoeft niet bij het EAB te worden gevoegd.

2.2.   De lijst met 32 strafbare feiten die tot overlevering leiden zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid

Alvorens een EAB uit te vaardigen, dient de bevoegde rechterlijke autoriteit vast te stellen of een of meer van de strafbare feiten onder een van de 32 categorieën vallen waarop de toetsing van de dubbele strafbaarheid niet van toepassing is. De lijst van strafbare feiten is terug te vinden in artikel 2, lid 2, van het kaderbesluit van het EAB en op het EAB-formulier, waar strafbare feiten uit de lijst kunnen worden aangevinkt.

Het recht van de uitvaardigende lidstaat is doorslaggevend. Dit is bevestigd in het arrest in zaak C-303/05 Advocaten voor de Wereld (18), waarin het Hof voor recht heeft verklaard dat artikel 2, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB niet onverenigbaar is met het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen, en geen schending vormt van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel.

De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan enkel de dubbele strafbaarheid toetsen voor strafbare feiten die niet in de lijst van 32 strafbare feiten zijn opgenomen (zie punt 5.2 van dit handboek).

2.3.   Accessoire strafbare feiten

Het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 1957 bevat een bepaling over accessoire strafbare feiten:

„Artikel 2 — Feiten die tot uitlevering kunnen leiden

1.

Tot uitlevering zullen kunnen leiden feiten die krachtens de wetten van de verzoekende Partij en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt, met een maximum van ten minste een jaar of met een zwaardere straf. Wanneer er binnen het gebied van de verzoekende Partij een straf of een maatregel is opgelegd moet die straf of die maatregel ten minste de duur van vier maanden hebben.

2.

Indien het verzoek om uitlevering betrekking heeft op verscheidene, afzonderlijke feiten die alle krachtens de wet van de verzoekende en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld met vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt, maar waarvan sommige niet voldoen aan de voorwaarde met betrekking tot de hoogte van de straf, is de aangezochte Partij bevoegd de uitlevering eveneens voor deze laatste feiten toe te staan.”

In het kaderbesluit betreffende het EAB staat geen vergelijkbare bepaling. Het biedt geen regelgeving voor overlevering voor strafbare feiten waarop een lagere straf staat dan de in artikel 2, lid 1, van het kaderbesluit vermelde grens wanneer de feiten accessoir zijn bij de zwaardere feiten welke die grens wel halen. In de praktijk hebben sommige lidstaten beslist overlevering in dergelijke gevallen toe te laten en andere lidstaten niet.

Bijlage VIII bevat een lijst van de lidstaten waarvan het rechtsstelsel overlevering voor accessoire strafbare feiten mogelijk maakt.

De uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan dergelijke accessoire strafbare feiten opnemen in het EAB-formulier om toestemming van de uitvoerende lidstaat te krijgen om die feiten te vervolgen. Het EAB moet echter steeds worden uitgevaardigd voor ten minste één strafbaar feit dat de in artikel 2, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB vastgelegde grens haalt.

Indien de uitvoerende lidstaat geen overlevering toestaat voor accessoire strafbare feiten, kan het specialiteitsbeginsel (artikel 27 van het kaderbesluit betreffende het EAB) de uitvaardigende lidstaat beletten die feiten te vervolgen (zie punt 2.6 van dit handboek).

2.4.   Evenredigheid

Een EAB moet altijd evenredig met het doel ervan zijn. Zelfs wanneer de omstandigheden van de zaak binnen het toepassingsgebied vallen van artikel 2, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB, wordt de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten aangeraden om te overwegen of het gerechtvaardigd is om in een specifieke situatie een EAB uit te vaardigen.

Aangezien de tenuitvoerlegging van een EAB zwaarwegende gevolgen heeft voor de vrijheid van de gezochte persoon en diens vrijheid van verplaatsing, dienen de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten een aantal factoren in aanmerking te nemen om te bepalen of het uitvaardigen van een EAB gerechtvaardigd is.

Met de volgende factoren kan in het bijzonder rekening worden gehouden:

a)

de ernst van het gepleegde strafbare feit (bv. de schade die of het gevaar dat door het strafbare feit is veroorzaakt);

b)

de straf die waarschijnlijk zal worden opgelegd indien de gezochte persoon schuldig wordt bevonden aan het ten laste gelegde strafbare feit (bv. of het om een vrijheidsstraf gaat);

c)

de waarschijnlijkheid van vrijheidsbeneming van de persoon in de uitvaardigende lidstaat na de overlevering;

d)

de belangen van de slachtoffers van het strafbare feit.

De uitvaardigende rechterlijke autoriteiten moeten bovendien overwegen of andere maatregelen van justitiële samenwerking kunnen worden gebruikt in plaats van de uitvaardiging van een EAB. Andere rechtsinstrumenten van de Unie betreffende justitiële samenwerking in strafzaken bieden andere maatregelen die vaak doeltreffend, maar minder dwingend zijn (zie punt 2.5 van dit handboek).

In het algemeen kan het verifiëren van de evenredigheid voordat een EAB wordt uitgevaardigd het wederzijdse vertrouwen tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten versterken. Die strategie draagt dus aanzienlijk bij tot de doeltreffende werking van het EAB in de gehele Unie.

2.5.   Andere maatregelen die krachtens de rechtsinstrumenten van de Unie beschikbaar zijn voor justitiële samenwerking in strafzaken

Voordat de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten besluiten tot het uitvaardigen van een EAB, wordt hun aangeraden om andere mogelijke maatregelen te overwegen.

De rechtsinstrumenten van de Unie voorzien in verschillende maatregelen voor justitiële samenwerking in strafzaken, op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning, die het EAB aanvullen. In sommige situaties kunnen die maatregelen meer geschikt zijn dan het EAB. Die maatregelen omvatten met name:

a)

het Europees onderzoeksbevel;

b)

de overbrenging van gevangenen;

c)

de overdracht van proeftijdbeslissingen en alternatieve straffen;

d)

het Europees surveillancebevel;

e)

de tenuitvoerlegging van geldelijke sancties.

Het toepassingsgebied van die maatregelen is kort toegelicht in punten 2.5.1-2.5.5 van dit handboek. Daarnaast kunnen de bevoegde autoriteiten de mogelijkheden van andere internationale maatregelen in acht nemen, zoals het Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging van de Raad van Europa van 15 mei 1972 (ETS nr. 073), zoals kort toegelicht in punt 2.5.6 van dit handboek.

Meer informatie over de praktische toepassing van de rechtsinstrumenten van de Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken is te vinden op de website van het EJN: www.ejn-crimjust.europa.eu.

De Juridische Bibliotheek op de website van het EJN bevat uitgebreide en praktische informatie over elk rechtsinstrument, met inbegrip van teksten bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, wijzigingen van die rechtsinstrumenten, status van implementatie, formulieren in Word-formaat, kennisgevingen, overzichten, rapporten, handboeken en andere praktische informatie. Om gemakkelijk toegang te krijgen tot de rechtsinstrumenten van de Unie betreffende justitiële samenwerking en tot de status van implementatie ervan in de lidstaten, zijn afzonderlijke links (snelkoppelingen) op de startpagina van de EJN-website geplaatst.

Met name de volgende maatregelen kunnen worden overwogen tijdens de fase die voorafgaat aan de strafprocedure:

a)

de uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel (EOB) om een verdachte te horen via een videoverbinding met een andere lidstaat;

b)

de uitvaardiging van een Europees onderzoeksbevel (EOB) om een verdachte in een andere lidstaat te laten horen door de bevoegde autoriteiten van die andere lidstaat;

c)

de uitvaardiging van een Europees surveillancebevel (ESB) voor een niet-vrijheidsberovende toezichtmaatregel betreffende de verdachte, die moet worden uitgevoerd door de lidstaat waar de verdachte tijdens de fase die aan de strafprocedure voorafgaat woont;

d)

de opname van een signalering in SIS om de woon- of verblijfplaats van een verdachte vast te stellen (artikel 34 van het SIS II-besluit). Dergelijke signaleringen verschillen van signaleringen voor aanhouding die hieronder in punt 3.3.1 van dit handboek zijn beschreven. Zodra de woon- of verblijfplaats aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit is meegedeeld, moet die autoriteit de nodige opvolgingsmaatregelen nemen (zoals eisen van een verdachte dat die verschijnt voor een relevante autoriteit die verantwoordelijk is voor de strafprocedure) en de signalering uit SIS verwijderen overeenkomstig punt 6.5 van het Sirene-handboek;

e)

eisen van een verdachte die in de uitvoerende lidstaat verblijft dat die verschijnt voor een relevante autoriteit die verantwoordelijk is voor de strafprocedure in de uitvaardigende lidstaat;

f)

iemand uitnodigen de strafprocedure vrijwillig bij te wonen.

Met name de volgende maatregelen kunnen worden overwogen tijdens de fase na de strafprocedure, wanneer de straf is uitgesproken:

a)

een vrijheidsstraf overdragen aan de lidstaat van verblijf van de veroordeelde persoon, waar de straf dan door die lidstaat wordt uitgevoerd;

b)

een alternatieve straf (bv. gemeenschapsdienst) of een proeftijdbevel overdragen aan de lidstaat van verblijf van de veroordeelde persoon, waar de straf dan door die lidstaat wordt uitgevoerd.

2.5.1.   Europees onderzoeksbevel (EOB)

Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken  (19)

Het EOB kan worden gebruikt om bewijs uit een andere lidstaat te verkrijgen. Onder het EOB vallen alle onderzoeksmaatregelen, behalve het opzetten van gemeenschappelijke onderzoeksteams. Het doel bestaat erin dat lidstaten een andere lidstaat kunnen verzoeken om onderzoeksmaatregelen uit te voeren op basis van wederzijdse erkenning. EOB's die onderzoeksmaatregelen omvatten die niet bestaan of niet beschikbaar zijn in de uitvoerende lidstaat kunnen toch worden uitgevoerd door middel van een alternatieve onderzoeksmaatregel.

Het EOB vervangt de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (20) en de vroegere lappendeken van wettelijke bepalingen op dit gebied. De integratie van bestaande maatregelen in een enkel nieuw instrument heeft tot doel de justitiële samenwerking bij onderzoeken sneller en efficiënter te doen verlopen. Het EOB kan in strafprocedures worden gebruikt, maar ook in door bestuurlijke autoriteiten aangespannen procedures wanneer een rechterlijke autoriteit het heeft gevalideerd en wanneer er een strafrechtelijke dimensie is. De lidstaten moeten de ontvangst van een EOB binnen 30 dagen bevestigen en de onderzoeksmaatregel binnen 90 dagen uitvoeren.

In sommige situaties kan een EOB worden uitgevaardigd om een verdachte via een videoverbinding te ondervragen teneinde vast te stellen of een EAB moet worden uitgevaardigd om die persoon te vervolgen.

Voorbeeld 1: Pierre is onlangs verhuisd van lidstaat A naar lidstaat B. Er is bewijs dat erop wijst dat hij betrokken was bij een ernstig strafbaar feit in A. De autoriteiten van A moeten hem echter eerst ondervragen voor ze kunnen beslissen om hem te vervolgen. De rechterlijke autoriteit van A kan een EOB uitvaardigen om Pierre via een videoverbinding te ondervragen in B.

Voorbeeld 2: Een andere mogelijkheid in het geval van voorbeeld 1 is dat de rechterlijke autoriteit van A een EOB kan uitvaardigen waarin de bevoegde autoriteiten in B worden verzocht Pierre te ondervragen en een schriftelijke kopie van het verhoor toe te zenden.

2.5.2.   Overbrenging van gevangenen

Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie

Kaderbesluit 2008/909/JBZ biedt een systeem voor het overbrengen van veroordeelde gevangenen naar de lidstaat waarvan ze de nationaliteit hebben of waar ze hun gewone verblijfplaats hebben of naar een andere lidstaat waarmee ze nauwe banden hebben. Kaderbesluit 2008/909 is ook van toepassing wanneer de gevonniste persoon al in die lidstaat verblijft. De instemming van de gevonniste persoon om te worden overgebracht, is niet langer in alle gevallen vereist. Dit kaderbesluit heeft voor de lidstaten het Verdrag van de Raad van Europa inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (ETS nr. 112) en het aanvullend protocol van 18 december 1997 daarbij (ETS nr. 167) vervangen.

In plaats van een EAB uit te vaardigen voor de overlevering van een persoon om de straf te ondergaan in het land waar de straf was uitgesproken, kan Kaderbesluit 2008/909/JBZ in bepaalde situaties worden toegepast om de straf uit te voeren in het land waar de veroordeelde persoon verblijft en betere kansen op reclassering heeft.

Artikel 25 van Kaderbesluit 2008/909/JBZ bevat ook een specifieke bepaling voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in de uitvoerende lidstaat in situaties die onder artikel 4, lid 6, en artikel 5, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB vallen (zie punten 5.4.2 en 5.8.2 van dit handboek). Wanneer artikel 4, lid 6, of artikel 5, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB van toepassing is, moet Kaderbesluit 2008/909/JBZ ook worden toegepast voor het overdragen van de straf naar de lidstaat die ze zal uitvoeren.

Voorbeeld 1

Jerzy is onderdaan van lidstaat B en heeft er zijn gewone verblijfplaats. Tijdens een bezoek aan lidstaat A begaat hij een strafbaar feit. Hij wordt in A veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar.

De autoriteiten in A kunnen de straf overdragen voor tenuitvoerlegging in B zonder de toestemming van Jerzy indien dit zijn kansen op reclassering verbetert en indien aan andere voorwaarden van Kaderbesluit 2008/909/JBZ is voldaan.

Voorbeeld 2

Gustav is onderdaan van lidstaat B, maar woont in lidstaat A waar hij vast werk heeft en waar zijn gezin ook woont. In lidstaat B wordt hij veroordeeld voor een fiscaal delict en krijgt hij een vrijheidsstraf opgelegd. In plaats van een EAB uit te vaardigen voor de tenuitvoerlegging van de straf kunnen de autoriteiten in B de vrijheidsstraf overdragen naar A om die daar uit te voeren.

2.5.3.   Europees surveillancebevel (ESB)

Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raad van 23 oktober 2009 inzake de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis  (21)

Kaderbesluit 2009/829/JBZ voert de mogelijkheid in om een toezichtmaatregel zonder vrijheidsberoving over te dragen van de lidstaat waar een niet-ingezetene ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd naar de lidstaat waar die persoon verblijft. Zo kan een verdachte in zijn eigen omgeving onder toezicht worden gesteld tot de rechtszaak in de andere lidstaat begint. Het Europees surveillancebevel kan worden gebruikt voor alle niet-vrijheidsberovende toezichtmaatregelen in de fase vóór het proces, bijvoorbeeld reisbeperkingen en de plicht zich regelmatig te melden.

Het is de lidstaat die de vervolging heeft ingesteld die bepaalt of een bevel tot overdracht van een beslissing inzake toezichtmaatregelen wordt uitgevaardigd. De soorten toezichtmaatregelen zijn vastgelegd in Kaderbesluit 2009/829/JBZ en in de daaropvolgende verklaringen van elke lidstaat (te vinden op de website van het EJN). De overdracht van een toezichtmaatregel kan enkel met de toestemming van de persoon op wie deze maatregel wordt toegepast.

Voorbeeld: Sonia woont en werkt in lidstaat B. Ze verblijft tijdelijk in lidstaat A waar een onderzoek tegen haar loopt wegens fraude. De rechterlijke autoriteit in A weet waar Sonia woont in B en is van oordeel dat het risico dat ze onderduikt klein is. In plaats van haar in voorlopige hechtenis te houden in A, kan de rechterlijke autoriteit in A een bevel uitvaardigen waardoor ze zich regelmatig moet melden bij de politieautoriteit in B. Om Sonia te laten terugkeren naar B en daar te verblijven tot het proces in A plaatsvindt, kan de bevoegde autoriteit in A met de toestemming van Sonia een ESB uitvaardigen ter bevestiging en tenuitvoerlegging in B van de plicht zich te melden.

2.5.4.   Overdracht van proeftijdbeslissingen en alternatieve straffen

Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen  (22)

Kaderbesluit 2008/947/JBZ voert de toepassing in van het beginsel van de wederzijdse erkenning van alternatieven voor vrijheidsbeneming en maatregelen voor vervroegde vrijlating. Het gaat om de fase na het proces.

Het bepaalt dat een proeftijdbeslissing of andere alternatieve straf in een andere lidstaat kan worden uitgevoerd dan die waarin de persoon is gevonnist indien de persoon daarmee instemt.

Voorbeeld: Anna is onderdaan van lidstaat A, maar is op vakantie in lidstaat B. Ze wordt veroordeeld voor een strafbaar feit in B en moet een gemeenschapsdienst uitvoeren in plaats van een vrijheidsstraf te ondergaan. Ze mag terugkeren naar A, waar de autoriteiten verplicht zijn het bevel tot gemeenschapsdienst te erkennen en toezicht te houden op de tenuitvoerlegging ervan.

2.5.5.   Geldelijke sancties

Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties  (23)

Kaderbesluit 2005/214/JBZ past het beginsel van wederzijdse erkenning toe op geldelijke sancties die door rechterlijke of bestuurlijke autoriteiten zijn opgelegd. Het heeft tot doel de tenuitvoerlegging van dergelijke sancties te vergemakkelijken in een andere lidstaat dan die waar de sancties zijn opgelegd. Hiermee kan een rechterlijke of bestuurlijke autoriteit een geldelijke sanctie rechtstreeks overdragen aan een autoriteit in een andere lidstaat, waar die sanctie zonder verdere formaliteiten wordt erkend en ten uitvoer gelegd.

Het toepassingsgebied van Kaderbesluit 2005/214/JBZ omvat alle strafbare feiten (artikel 1, onder a), i) en ii)) en bovendien „inbreuken op de rechtsvoorschriften”, op voorwaarde dat een beroep mogelijk is voor „een in strafzaken bevoegde rechter” (het Hof van Justitie heeft duiding gegeven over dit laatste begrip, met name in het arrest in zaak C-60/12, Baláž (24), punten 39 en 40).

De procedure is van toepassing in grensoverschrijdende situaties, wanneer een geldelijke sanctie wordt opgelegd in een lidstaat en hoort te worden uitgevoerd in de lidstaat waar de dader verblijft, of eigendom of een inkomen heeft.

Volgens de rechtsstelsels in sommige lidstaten kan een niet-betaalde geldelijke sanctie worden omgezet in een vrijheidsstraf. In die situatie kan een EAB worden uitgevaardigd om de vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen. Er wordt geadviseerd om wanneer mogelijk Kaderbesluit 2005/214/JBZ te overwegen als een van de methoden om betaling ten uitvoer te leggen alvorens over te gaan tot de omzetting van de geldelijke sanctie in een vrijheidsstraf en zodoende te vermijden dat een EAB moet worden uitgevaardigd.

2.5.6.   Overdracht van strafvervolging

De overdracht van strafvervolging aan de lidstaat waar de verdachte verblijft, moet in bepaalde gevallen worden overwogen. De rechtsgrondslag voor de overdracht is het Verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging van 1972. Voor de lidstaten die dit Verdrag niet hebben geratificeerd, kan de overdracht worden gebaseerd op de algemene bevoegdheid in de ontvangende lidstaat om een strafonderzoek in te stellen. In dat geval is een verzoek gewoonlijk gebaseerd op artikel 21 van het Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken van de Raad van Europa van 20 april 1959 (ETS nr. 030).

2.6.   Specialiteitsbeginsel — eventuele vervolging wegens andere strafbare feiten

Over het algemeen mag een overgeleverd persoon niet worden vervolgd, veroordeeld of anderszins van zijn vrijheid worden beroofd wegens enig ander, vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest. Dit is het specialiteitsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 27 van het kaderbesluit betreffende het EAB.

Er zijn enkele uitzonderingen van toepassing op het specialiteitsbeginsel. Het kaderbesluit betreffende het EAB biedt lidstaten de mogelijkheid om mee te delen dat, in hun betrekkingen met andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht, zij afstand doen van het specialiteitsbeginsel, tenzij de uitvoerende rechterlijke autoriteit in een specifiek geval in haar beslissing tot overlevering anders heeft beschikt (zie artikel 27, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB). Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, hebben enkel Estland, Oostenrijk en Roemenië dergelijke kennisgevingen verzonden.

Bovendien somt artikel 27, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB andere situaties op waarin het specialiteitsbeginsel niet van toepassing is:

„a)

de gezochte persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij was overgeleverd, heeft verlaten, of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd;

b)

de feiten niet strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel;

c)

de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die zijn persoonlijke vrijheid beperkt;

d)

de gezochte persoon zal worden onderworpen aan de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel die geen vrijheidsbeneming meebrengt, met inbegrip van een geldboete, of een daarvoor in de plaats komende maatregel, zelfs indien deze kan leiden tot beperking van zijn persoonlijke vrijheid;

e)

de gezochte persoon heeft ingestemd met zijn overlevering, in voorkomend geval op hetzelfde tijdstip waarop hij afstand heeft gedaan van de bescherming van het specialiteitsbeginsel, overeenkomstig artikel 13;

f)

de gezochte persoon na zijn overlevering uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van bescherming van het specialiteitsbeginsel voor bepaalde, vóór zijn overlevering gepleegde feiten. De afstand wordt gedaan ten overstaan van de bevoegde rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat en wordt opgetekend in een proces-verbaal dat wordt opgemaakt overeenkomstig het nationaal recht van die staat. De afstand wordt verkregen onder omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene uit vrije wil handelt en zich volledig bewust is van de gevolgen. De gezochte persoon heeft te dien einde het recht zich door een raadsman te doen bijstaan;”.

In andere gevallen is het nodig om toestemming te vragen aan de oorspronkelijke uitvoerende lidstaat om de andere strafbare feiten te vervolgen of de straf ten uitvoer te leggen (artikel 27, lid 3, onder g) van het kaderbesluit betreffende het EAB). Toestemming moet worden verleend indien het strafbaar feit waarvoor toestemming wordt verzocht op zichzelf de verplichting tot overlevering overeenkomstig het kaderbesluit betreffende het EAB meebrengt, tenzij gronden tot verplichte of facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van toepassing zijn.

De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan, wanneer van toepassing, haar toestemming afhankelijk stellen van een van de voorwaarden voor levenslange vrijheidsstraffen en de terugzending van onderdanen en ingezetenen zoals vastgelegd in artikel 5 van het kaderbesluit betreffende het EAB (zie punt 5.8 van dit handboek). In dergelijke gevallen moet de uitvaardigende lidstaat de gepaste garanties geven (artikel 27, lid 4, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Procedure om afstand te doen van het specialiteitsbeginsel met toestemming van de uitvoerende rechterlijke autoriteit

Het verzoek tot toestemming moet via dezelfde procedure worden ingediend als een normaal EAB en moet dezelfde informatie bevatten. De bevoegde rechterlijke autoriteit zendt het verzoek tot toestemming dus rechtstreeks naar de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de persoon heeft overgeleverd. De informatie in het verzoek, zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB, wordt vertaald volgens dezelfde regels als bij een EAB. De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet de beslissing uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek nemen (artikel 27, lid 4, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

In zijn arrest in zaak C-388/08 PPU, Leymann en Pustovarov (25), heeft het Hof van Justitie onderzocht hoe kan worden uitgemaakt of het aan de orde zijnde strafbare feit geen „ander feit” is dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest in de zin van artikel 27, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB, waarvoor de toestemmingsprocedure van artikel 27, lid 3, onder g), en artikel 27, lid 4, van dat kaderbesluit moet worden gevolgd. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat:

„[…] dient te worden nagegaan of de bestanddelen van het strafbare feit, volgens de wettelijke omschrijving die in de uitvaardigende lidstaat daarvan is gegeven, die zijn waarvoor de persoon is overgeleverd en of er voldoende overeenstemming is tussen de gegevens in het aanhoudingsbevel en de gegevens in de latere procedurele handeling. Wijzigingen in de omstandigheden tijd en plaats zijn toegestaan, mits zij volgen uit de elementen die zijn verzameld tijdens de procedure die in de uitvaardigende lidstaat is gevolgd met betrekking tot de in het aanhoudingsbevel omschreven gedragingen, zij de aard van het strafbare feit niet wijzigen en zij niet leiden tot gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging in de zin van de artikelen 3 en 4 van het kaderbesluit.”

3.   PROCEDURE VOOR DE UITVAARDIGING VAN EEN EAB

3.1.   Andere lopende strafprocedures en EAB's met betrekking tot dezelfde persoon

3.1.1.   In de uitvaardigende lidstaat

De bevoegde rechterlijke autoriteit wordt geadviseerd om, voordat zij een EAB uitvaardigt, te controleren of er met betrekking tot de gezochte persoon andere strafprocedures lopen of andere EAB's zijn uitgevaardigd in de uitvaardigende lidstaat.

Indien er in de uitvaardigende lidstaat andere strafprocedures of uitvoerbare vrijheidsstraffen zijn ingesteld tegen de gezochte persoon, is het aan te raden om contact op te nemen en, indien mogelijk, te coördineren met de andere nationale autoriteiten voordat een EAB wordt uitgevaardigd. Het is van belang om te garanderen dat het EAB alle strafbare feiten omvat waarvoor de gezochte persoon zal worden vervolgd of is veroordeeld in de uitvaardigende lidstaat. Dit is met name aangeraden vanwege het specialiteitsbeginsel, dat vervolging of veroordeling kan verhinderen voor andere feiten dan die waarvoor de persoon is overgeleverd door de uitvoerende lidstaat (zie punt 2.6 van dit handboek). Hoewel de gezochte persoon of de uitvoerende lidstaat, na de overlevering, toestemming kan geven om voor die feiten de vervolging in te stellen of de straf uit te voeren (zie artikel 27, lid 3, onder f) en g), van het kaderbesluit betreffende het EAB), is uit de praktijk gebleken dat het verkrijgen van die toestemming traag of lastig kan zijn.

Om de procedure in de uitvoerende lidstaat sneller en efficiënter te doen verlopen dienen alle strafbare feiten waar mogelijk in één EAB te worden opgenomen. Indien eerder een EAB is uitgevaardigd ten aanzien van dezelfde persoon, kan dit EAB waar mogelijk worden vervangen door een nieuw EAB dat zowel de strafbare feiten van het vorige EAB als de nieuwe feiten omvat. Indien er reeds een signalering met het oog op aanhouding van de persoon bestaat, dient die signalering te worden geüpdatet om het nieuwe EAB daaraan toe te voegen. Het is mogelijk om meer dan één EAB per signalering met het oog op aanhouding in te voeren (zie punt 3.1 van het Sirene-handboek).

3.1.2.   In een andere lidstaat

Indien er aanwijzingen zijn dat in een andere lidstaat of lidstaten andere strafprocedures of uitvoerbare vrijheidsstraffen tegen de gezochte persoon zijn ingesteld, kan het raadzaam zijn om contact op te nemen met de autoriteiten van de andere lidstaat/lidstaten voordat een EAB wordt uitgevaardigd. In dergelijke gevallen kunnen de autoriteiten van de verschillende lidstaten onderzoeken of het mogelijk is om te coördineren welke lidstaat het (eerste) EAB moet uitvaardigen en of het mogelijk is strafprocedures naar één lidstaat, of toch minder lidstaten, over te dragen.

De bevoegde autoriteiten dienen in het SIS te controleren of een andere lidstaat een signalering met het oog op aanhouding heeft uitgevaardigd voor dezelfde persoon. Meerdere lidstaten kunnen voor dezelfde persoon een signalering met het oog op aanhouding invoeren. In geval van een aanhouding informeert het Sirene-bureau van de uitvoerende lidstaat gelijktijdig alle betrokken lidstaten (zie punt 3.2 van het Sirene-handboek).

De bevoegde autoriteiten kunnen ook contact opnemen met Eurojust of met de contactpunten van het EJN, of met beide, of rechtstreeks contact opnemen met de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat (26).

Er moet worden opgemerkt dat wanneer de uitvoerende lidstaat meerdere EAB's heeft ontvangen voor een gezochte persoon, hij in eerste instantie moet beslissen aan welke lidstaat de gezochte persoon eerst zal worden overgeleverd (zie punt 5.10 van dit handboek). Daarom kan het efficiënter zijn om, voordat meerdere EAB's worden uitgevaardigd, tussen de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten tot een akkoord te komen over aan welke lidstaat de gezochte persoon eerst moet worden overgeleverd. Hoewel de uitvoerende rechterlijke autoriteit niet is gebonden door akkoorden gesloten tussen uitvaardigende rechterlijke autoriteiten over samenvallende EAB's, moet zij die akkoorden in overweging nemen.

Daarom is het ook aan te raden om ten aanzien van die akkoorden vak „f” (andere voor de zaak relevante omstandigheden) van het EAB-formulier in te vullen, zodat de uitvoerende rechtelijke autoriteiten er onmiddellijk van op de hoogte zijn.

3.2.   Het EAB-formulier invullen

Bijlage III bevat gedetailleerde aanwijzingen voor het invullen van het EAB-formulier.

3.2.1.   Gegevens die altijd moeten worden verstrekt

De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet altijd over de gegevens beschikken die minimaal nodig zijn om over de overlevering te kunnen beslissen (zie artikel 15, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB). De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet met name de identiteit van de persoon kunnen bevestigen en kunnen beoordelen of er gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging van toepassing zijn. De uitvaardigende rechterlijke autoriteit moet dus in het bijzonder letten op de beschrijving van het/de strafbare feit(en) in het EAB-formulier.

Welke informatie precies moet worden verstrekt hangt af van de omstandigheden van elke zaak. Het is echter goed om in gedachten te houden dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit misschien weinig tot niets weet over de zaak waaraan het EAB is verbonden of over het rechtsstelsel van de uitvaardigende lidstaat. Daarom is het cruciaal dat uitvaardigende rechterlijke autoriteiten verzekeren dat de gegevens in het EAB duidelijk, nauwkeurig en volledig zijn. Wanneer het EAB-formulier correct is ingevuld, zijn geen aanvullende documenten nodig.

Uit de ervaring blijkt dat verzoeken om aanvullende informatie tussen uitvaardigende en uitvoerende rechterlijke autoriteiten een van de belangrijkste oorzaken van vertraging bij de tenuitvoerlegging van EAB's zijn. Hierdoor worden de termijnen die in het kaderbesluit betreffende het EAB zijn vastgelegd vaak overschreden (zie punt 4.1 van dit handboek over termijnen).

3.2.2.   Nuttige aanvullende informatie van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit

Wanneer beschikbaar moeten foto's en vingerafdrukken van de gezochte persoon aan de signalering in het SIS worden toegevoegd. De contactgegevens en het mobiele telefoonnummer van de dienstdoende functionaris en van de verantwoordelijke dienen altijd te worden vermeld, zodat zij onmiddellijk geïnformeerd kunnen worden, ongeacht het tijdstip waarop de gezochte persoon is gevonden.

Wanneer het waarschijnlijk is dat de uitvoerende lidstaat de uitvaardigende lidstaat om garanties zal verzoeken op grond van artikel 5 van het kaderbesluit betreffende het EAB, is het aan te raden om de relevante informatie aan het EAB toe te voegen. De uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan bijvoorbeeld al wijzen op haar toestemming om de gezochte persoon onder bepaalde voorwaarden terug te zenden naar de uitvoerende lidstaat (zie punt 5.8 van dit handboek).

3.3.   Toezending van een EAB

De procedure voor de toezending van het EAB hangt af van het feit of de uitvaardigende rechterlijke autoriteit weet waar de gezochte persoon zich bevindt (artikel 9 van het kaderbesluit betreffende het EAB). In de meeste gevallen is de locatie van de persoon niet bekend of niet zeker en moet het EAB naar alle lidstaten worden verzonden via het SIS. Zelfs wanneer de locatie van de persoon bekend is, kan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit besluiten om de gezochte persoon in het SIS te signaleren (artikel 9, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

3.3.1.   Wanneer niet bekend is waar de gezochte persoon zich bevindt

Wanneer niet bekend is waar de gezochte persoon zich bevindt, dient het EAB naar alle lidstaten te worden verzonden. Daarvoor wordt een signalering met het oog op aanhouding of overlevering opgenomen in het SIS in overeenstemming met artikel 26 van het SIS II-besluit. Het is belangrijk te benadrukken dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een EAB moet uitvaardigen voordat de signalering in het SIS kan worden opgenomen.

In voorkomend geval verzendt de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, via de bevoegde politieautoriteit, een kopie van het originele EAB en alle relevante gegevens over de persoon naar het nationale Sirene-bureau.

Het Sirene-bureau van de uitvaardigende lidstaat controleert of de informatie volledig is (bv. of foto's en vingerafdrukken voorhanden zijn en kunnen worden toegevoegd), voegt de kopie van het originele EAB, en waar beschikbaar een vertaling, bij de signalering, en valideert de opneming van de signalering in het SIS. Daarnaast stelt het Sirene-bureau alle andere Sirene-bureaus op de hoogte van de inhoud van het EAB door aanvullende informatie uit te wisselen (A-formulier). Het A-formulier wordt opgesteld in het Engels. Het is van belang om op het A-formulier (veld 311) aan te geven of de persoon enkel in bepaalde lidstaten wordt gezocht (geografische opsporing).

Wanneer de andere Sirene-bureaus het A-formulier ontvangen, verifiëren ze of de informatie in het A-formulier en het EAB volledig is. Overeenkomstig artikel 25 van het SIS II-besluit mogen de Sirene-bureaus ook, onder toezicht van een rechterlijke autoriteit, verifiëren of de tenuitvoerlegging van het EAB klaarblijkelijk zal moeten worden geweigerd, in welk geval zij een markering moeten aanbrengen in de signalering om de aanhouding te verhinderen. Tijdens dat verificatieproces moet de signalering beschikbaar blijven zijn voor gebruikers ervan. Wanneer een lidstaat het EAB niet uitvoert en om die reden beslist de signalering te markeren, blijft die signalering zichtbaar voor eindgebruikers. In dat geval wordt de gezochte persoon niet aangehouden, maar wordt zijn verblijfplaats meegedeeld (punt 3.6 van het Sirene-handboek).

De ontvangende Sirene-bureaus controleren ook de nationale databanken, zoals de politie- en gevangenissystemen, om te weten te komen of de gezochte persoon hun al bekend is of zelfs al in hechtenis verkeert voor een ander strafbaar feit. Wanneer de persoon op basis van die verificatie wordt gevonden, zendt het Sirene-bureau de informatie uit het A-formulier door naar de bevoegde autoriteit die het EAB zal uitvoeren.

De signalering met het oog op aanhouding is zichtbaar voor de bevoegde autoriteiten van alle lidstaten (gewoonlijk rechtshandhavings- en rechterlijke autoriteiten). Wanneer de persoon op basis van de SIS-signalering in een andere lidstaat is opgespoord en aangehouden, zal de uitvaardigende rechterlijke autoriteit op de hoogte worden gebracht door het nationale Sirene-bureau.

Een signalering met het oog op aanhouding in het SIS met een kopie van het originele EAB vormt een EAB en heeft dezelfde gevolgen (artikel 31, lid 1, van het SIS II-besluit). Sinds de inwerkingtreding van de tweede generatie van het SIS is het toezenden van het originele EAB op papier niet langer vereist, omdat de kopie van het originele EAB nu rechtstreeks bij de signalering wordt gevoegd. Het kan echter nog nodig zijn dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een vertaling van het EAB naar de uitvoerende lidstaat zendt, nadat de gezochte persoon is aangehouden, aangezien het originele EAB in de taal van de uitvaardigende lidstaat en het A-formulier in het Engels is opgesteld. Het is ook mogelijk om een kopie van een EAB-vertaling in een of meer van de officiële talen van de Unie rechtstreeks aan de signalering toe te voegen.

De website van het EJN (http://www.ejn-crimjust.europa.eu) bevat een lijst met de talen die door de lidstaten worden aanvaard (zie punt 3.4 van dit handboek).

De uitvaardigende rechterlijke autoriteit zorgt ervoor dat de in het SIS opgenomen signalering niet langer wordt bewaard dan nodig is voor het nagestreefde doel (artikel 44, lid 1, van het SIS II-besluit). Daaruit volgt dat de signalering moet worden verwijderd wanneer het EAB wordt herroepen (zie punt 10.4 van dit handboek) of wanneer de overlevering heeft plaatsgevonden (punt 3.11 van het Sirene-handboek).

3.3.2.   Wanneer bekend is waar de gezochte persoon zich bevindt

Wanneer de plaats waar de gezochte persoon zich bevindt bekend is, kan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit het Europees aanhoudingsbevel rechtstreeks toezenden aan de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat ter tenuitvoerlegging (artikel 9, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Indien de uitvaardigende rechterlijke autoriteit niet weet wie de bevoegde uitvoerende rechterlijke autoriteit is, verricht zij de nodige naspeuringen, met name via de contactpunten van het Europees justitieel netwerk, om de informatie te verkrijgen van de uitvoerende lidstaat (artikel 10, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB). De Justitiële Atlas op de website van het EJN (http://www.ejn-crimjust.europa.eu) bevat ook informatie en contactgegevens over de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat.

Om het risico te verkleinen dat de gezochte persoon onderduikt, kan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit het EAB ook aan haar nationale Sirene-bureau zenden, zodat het wordt toegezonden aan de andere lidstaten via het SIS (zie punt 3.3.1 van dit handboek). De signalering in het SIS stelt de politieautoriteiten in de lidstaten ervan op de hoogte dat de persoon wordt gezocht met het oog op aanhouding. Om onnodig werk te vermijden wat betreft de controle of de persoon hun bekend is of op hun grondgebied verblijft, moet voor alle Sirene-bureaus echter duidelijk worden aangegeven dat de locatie van de persoon bekend is.

3.3.3.   Een Europees aanhoudingsbevel aan lidstaten zenden die het SIS niet gebruiken

Op dit ogenblik gebruiken de volgende lidstaten het SIS niet: Ierland en Cyprus. Wanneer het EAB naar die lidstaten moet worden verzonden, kan het ofwel rechtstreeks ofwel via de desbetreffende nationale Interpol-bureau worden verzonden. Toezending via Interpol is vastgelegd in artikel 10, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB.

In sommige lidstaten is een Interpol-signalering echter geen grond voor aanhouding. Daarom is het van belang om het bestaan van het EAB duidelijk aan te geven in de signalering, omdat een EAB altijd de verplichting met zich brengt om de gezochte persoon aan te houden.

3.4.   Vertaling van het EAB

Het EAB-formulier moet worden ingevuld of vertaald in de officiële taal of in één van de officiële talen van de uitvoerende lidstaat. Wanneer de uitvoerende lidstaat echter in een verklaring heeft meegedeeld tevens een vertaling in één of meer officiële talen van de instellingen van de Europese Unie te aanvaarden, mag het EAB subsidiair in één van die talen worden vertaald. (artikel 8, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

De website van het EJN (http://www.ejn-crimjust.europa.eu — Fiches belges-tool) bevat een lijst met de talen die door de lidstaten worden aanvaard.

Wanneer het EAB via het SIS wordt verzonden, kan de uitvaardigende lidstaat ook een kopie van een vertaling van het EAB in één of meer andere officiële talen van de instellingen van bij de signalering voegen, zoals bepaald in artikel 27, lid 2, van het SIS II-besluit. Die vertalingen en de A-formulieren moeten een toereikende basis vormen om de in punt 3.3.1 van dit handboek vermelde verificaties uit te voeren. Er moet worden opgemerkt dat dit geen afbreuk doet aan de verplichting om het EAB te vertalen in een taal die de uitvoerende lidstaat aanvaardt.

Wanneer de locatie waar de gezochte persoon zal worden aangehouden waarschijnlijk is, kan het beter zijn het EAB vooraf te vertalen in de taal van die lidstaat. Dat maakt het gemakkelijker om de korte termijnen voor de tenuitvoerlegging van een EAB te eerbiedigen.

Indien een EAB rechtstreeks wordt toegezonden aan een uitvoerende rechterlijke autoriteit, dient een vertaling te worden toegevoegd. Aangezien EAB's met spoed moeten worden behandeld en ten uitvoer gelegd (artikel 17, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB), dient de uitvaardigende lidstaat de vertaling zo snel mogelijk en in elk geval binnen de door de lidstaat gestelde termijn voor ontvangst van een vertaald EAB te verzenden (zie punt 4.3 van dit handboek).

De vertaling moet worden gemaakt aan de hand van het standaard EAB-formulier dat in alle 24 officiële talen van de Unie beschikbaar is. Alle taalversies van het formulier zijn beschikbaar op de website van het EJN (Juridische Bibliotheek en Compendium, zowel in pdf als in Word).

3.5.   Na de aanhouding van de gezochte persoon: samenwerking en communicatie met de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende lidstaat

Nadat de gezochte persoon in een andere lidstaat is aangehouden, moeten de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat snel reageren op verzoeken om informatie en andere verzoeken van de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat. De bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat wordt aangeraden DEEL II van dit handboek te raadplegen voor richtsnoeren over goede samenwerking en communicatie met de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende lidstaat. Het EJN of Eurojust kunnen ondersteuning bieden bij communicatieproblemen. De Sirene-bureaus ondersteunen ook regelmatig de communicatie wanneer de persoon is aangehouden naar aanleiding van een in het SIS opgenomen signalering met het oog op aanhouding.

Wanneer de uitvaardigende rechterlijke autoriteit beslist het EAB in te trekken, moet zij de uitvoerende autoriteit daarvan onverwijld op de hoogte stellen, met name wanneer de gezochte persoon de vrijheid is ontnomen. Zij moet er bovendien voor zorgen dat de signalering in het SIS wordt verwijderd.

De uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan te allen tijde alle aanvullende dienstige inlichtingen aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit toezenden (artikel 15, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

DEEL II: EEN EAB TEN UITVOER LEGGEN

4.   PROCEDURE VOOR DE TENUITVOERLEGGING VAN EEN EAB

4.1.   Termijnen om over de tenuitvoerlegging van het EAB te beslissen

Er zijn strikte termijnen vastgelegd voor de tenuitvoerlegging van een EAB. De termijnen zijn afhankelijk van het feit of de gezochte persoon met zijn overlevering instemt. Er wordt op gewezen dat ondanks de termijnen alle EAB's met spoed moeten worden behandeld en ten uitvoer gelegd (artikel 17, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Indien de gezochte persoon met zijn overlevering instemt, moet de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB binnen tien dagen na die instemming worden genomen (artikel 17, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Indien de gezochte persoon niet met zijn overlevering instemt, moet de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB binnen zestig dagen na de aanhouding van de gezochte persoon worden genomen (artikel 17, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Volgens het kaderbesluit betreffende het EAB mag instemming in beginsel niet worden herroepen. Elke lidstaat kan echter bepalen dat de instemming en, in voorkomend geval, de afstand van het recht op het specialiteitsbeginsel (zie punt 2.6 van dit handboek) overeenkomstig de toepasselijke regels van zijn nationaal recht kan worden herroepen. Indien de gezochte persoon zijn of haar instemming herroept, is de oorspronkelijke termijn van tien dagen niet langer van toepassing en wordt die termijn zestig dagen, te rekenen vanaf de dag van de aanhouding (artikel 13, lid 4, van het kaderbesluit betreffende het EAB). Bij vaststelling van die termijn wordt geen rekening gehouden met de periode tussen de datum van instemming en de datum van herroeping.

Indien in een specifiek geval een EAB niet kan worden uitgevoerd binnen de van toepassing zijnde termijnen, kunnen die termijnen uitzonderlijk met dertig dagen worden verlengd. In dat geval dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis te stellen en de redenen voor die vertraging te vermelden (artikel 17, lid 4, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Zoals het Hof van Justitie in zijn arrest in zaak C-168/13 PPU, Jeremy F. (27) heeft geoordeeld, moet een eventueel in de nationale wetgeving van de lidstaat voorzien opschortend beroep tegen de beslissing tot overlevering in ieder geval worden ingesteld binnen de termijnen die in het kaderbesluit betreffende het EAB zijn voorzien voor de vaststelling van een definitieve beslissing.

In zijn arrest in zaak C-237/15 PPU, Lanigan (28), heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de bevoegde rechterlijke instantie na het verstrijken van de gestelde termijnen voor het nemen van een beslissing over de tenuitvoerlegging van een EAB nog steeds over de tenuitvoerlegging van het EAB dient te beslissen en dat dit op zich de voortzetting van de hechtenis van de gezochte persoon niet uitsluit. Indien de duur van de hechtenis buitensporig is dient echter de invrijheidstelling van de gezochte persoon te worden gelast, samen met de maatregelen welke die rechterlijke instantie nodig acht om zijn of haar vlucht te voorkomen.

De plicht om Eurojust op de hoogte te stellen van vertragingen

Wanneer een lidstaat de gestelde termijnen niet kan naleven, moeten de bevoegde autoriteiten Eurojust daarvan in kennis stellen, samen met de redenen voor de vertraging (artikel 17, lid 7, van het kaderbesluit betreffende het EAB). Aangezien het cruciaal is zich in de EAB-procedure aan de termijnen te houden, volgt Eurojust de zaken op waarin die termijnen niet konden worden gerespecteerd, voor zover zij daarvan op de hoogte is gesteld. Op basis daarvan kan Eurojust de problemen helpen vaststellen die vertragingen veroorzaken. Vaak kan Eurojust bevoegde autoriteiten helpen om de termijnen aan te houden, bijvoorbeeld door het bevorderen van uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten.

4.2.   Termijnen om de persoon over te leveren (na de beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB)

De termijn om de gezochte persoon over te leveren, begint onmiddellijk te lopen na de definitieve beslissing om het EAB uit te voeren. De betrokken autoriteiten moeten zo snel mogelijk in onderlinge overeenstemming de overlevering van de persoon regelen (artikel 23, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB). In ieder geval dient de overlevering te gebeuren niet later dan tien dagen na de definitieve beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van het EAB (artikel 23, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB). Om die reden is het noodzakelijk om zonder vertraging overeenstemming te bereiken over de praktische regeling van de overlevering.

Indien de overlevering van de gezochte persoon binnen de termijn van tien dagen is verhinderd door omstandigheden buiten de macht van enige lidstaat, nemen de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onmiddellijk contact met elkaar op en wordt in onderlinge overeenstemming een nieuwe datum voor de overlevering vastgesteld. In dat geval vindt overlevering plaats binnen tien dagen te rekenen vanaf de aldus vastgestelde nieuwe datum (artikel 23, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

In zijn arrest in zaak C-640/15, Vilkas (29), heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een nieuwe datum voor overlevering kunnen vaststellen, zelfs wanneer de vorige twee pogingen tot overlevering door het verzet van de gezochte persoon zijn mislukt, mits dit verzet voor die autoriteiten niet voorzienbaar was en de gevolgen van dat verzet ondanks alle door deze autoriteiten genomen voorzorgsmaatregelen niet kon worden vermeden, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechterlijke instantie staat. Bij het verstrijken van de in artikel 23 bepaalde termijnen blijven die autoriteiten gehouden een nieuwe datum voor overlevering vast te stellen.

Aangaande de opschorting van de overlevering om ernstige humanitaire redenen, bijvoorbeeld ernstige ziekte van de gezochte persoon, zie punt 5.9.1 van dit handboek.

4.3.   Vertaling van het EAB

De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan een termijn vooropstellen om de vertaling van het EAB te ontvangen. Het EAB moet worden vertaald in een van de officiële talen van de uitvoerende lidstaat of een andere taal waarvan die lidstaat heeft aangegeven dat zij die aanvaardt. De uitvoerende rechterlijke autoriteiten wordt sterk aangeraden een termijn tussen zes en tien kalenderdagen aan te houden.

Uit ervaring is gebleken dat een termijn van minder dan zes dagen vaak te kort is om een vertaling (van voldoende kwaliteit) te leveren. Het toestaan van een termijn van meer dan tien dagen zou beschouwd kunnen worden als een buitensporige verlenging van de procedure, in het bijzonder wanneer de gezochte persoon in hechtenis verkeert.

4.4.   Communicatie tussen de bevoegde rechterlijke autoriteiten van de lidstaten vóór de beslissing tot overlevering

4.4.1.   Wanneer communiceren

Aanvullende informatie die nodig is om een beslissing tot overlevering te nemen

Verzoeken om aanvullende informatie horen uitzonderlijk te zijn. Die mededeling dient te geschieden via de Sirene-bureaus aan de hand van de daarvoor voorziene formulieren (M-formulieren). Het EAB werkt vanuit de algemene veronderstelling dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit over de overlevering kan beslissen op basis van de informatie in het EAB. Die veronderstelling berust op het beginsel van wederzijdse erkenning en de noodzaak om snel over de overlevering te beslissen. Verzoeken om aanvullende informatie zijn in sommige situaties echter vereist ter naleving van de plicht om een EAB ten uitvoer te leggen.

Indien de informatie die de uitvaardigende lidstaat heeft meegedeeld ontoereikend is om de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen over de overlevering te beslissen, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit communiceren met de uitvaardigende rechterlijke autoriteit om de nodige aanvullende informatie te verkrijgen. Daarbij moet worden opgemerkt dat het volgens het kaderbesluit betreffende het EAB gaat om een verplichting van de uitvoerende rechterlijke autoriteit (artikel 15, lid 2).

Communicatie tussen de uitvaardigende en uitvoerende rechterlijke autoriteiten vóór de beslissing tot overlevering dient voornamelijk te gaan over aanvullende informatie die van belang is voor de beslissing tot overlevering (zie punt 5.6 van dit handboek). Verzoeken om aanvullende informatie dienen dus met name te gaan over die inhoud van het EAB-formulier welke nodig is ter beoordeling van de vraag of het EAB kan worden uitgevoerd en of een grond tot weigering van toepassing is.

In overeenstemming met het beginsel van wederzijdse erkenning mag de uitvoerende rechterlijke autoriteit de waarde van de beslissingen van de rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat niet in twijfel trekken.

De communicatie moet altijd zo vlot mogelijk verlopen en in ieder geval binnen de termijnen vastgelegd in artikel 17 van het kaderbesluit betreffende het EAB.

De volgende situaties zijn typische voorbeelden van situaties waarin aanvullende informatie noodzakelijk kan zijn:

a)

een relevant deel van het EAB-formulier is niet ingevuld;

b)

de inhoud van het EAB is niet duidelijk;

c)

er staat een onmiskenbare fout in het EAB;

d)

het is niet duidelijk of de juiste persoon is aangehouden in het kader van het EAB.

Alvorens een beroep te doen op een grond voor weigering

In tal van situaties kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit contact opnemen met de uitvaardigende rechterlijke autoriteit alvorens zij beslist een grond voor weigering van tenuitvoerlegging toe te passen. Dit kan bijvoorbeeld positief zijn om vast te stellen of er andere maatregelen van justitiële samenwerking bestaan die kunnen worden gebruikt wanneer het EAB niet kan worden uitgevoerd.

Andere redenen om te communiceren

Bijkomende communicatie kan ook vereist zijn, bijvoorbeeld:

a)

om garanties te krijgen van de uitvaardigende lidstaat over levenslange vrijheidsstraffen of om onderdanen of ingezetenen terug te zenden om vrijheidsstraffen in de uitvoerende lidstaat te ondergaan (zie punt 5.8 van dit handboek); en

b)

wanneer er meerdere EAB's over dezelfde persoon zijn (zie punt 5.10 van dit handboek).

4.4.2.   Hoe communiceren

Het EAB is gebaseerd op het beginsel van rechtstreeks contact tussen bevoegde autoriteiten. Rechtstreekse communicatie tussen de uitvaardigende en uitvoerende rechterlijke autoriteiten heeft het voordeel snel en betrouwbaar te zijn.

De communicatie moet echter via een centrale autoriteit plaatsvinden wanneer de lidstaat, overeenkomstig artikel 7 van het kaderbesluit betreffende het EAW, een centrale autoriteit heeft aangewezen voor de formele correspondentie. Informatie over welke lidstaten van die mogelijkheid hebben gebruikgemaakt, is beschikbaar op de website van het EJN (https://www.ejn-crimjust.europa.eu).

Justitiële Atlas (contactgegevens)

De contactgegevens van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zijn te vinden in de Justitiële Atlas op de website van het EJN (https://www.ejn-crimjust.europa.eu). De Atlas is ontwikkeld om de plaatselijke bevoegde autoriteit te identificeren die de uit te voeren beslissing mag ontvangen en om contact te kunnen opnemen met de relevante persoon om praktische zaken in verband met het EAB en andere instrumenten van wederzijdse erkenning te bespreken.

Communicatiemethoden

In het kaderbesluit betreffende het EAB zijn geen specifieke regels vastgelegd over de communicatievormen of -procedures na de ontvangst van een EAB. Communicatie kan via elk beschikbaar en voldoende beveiligd kanaal verlopen (bv. telefoon of e-mail). De meest efficiënte manier is om rechtstreeks contact op te nemen met zo weinig mogelijk formaliteiten en, wanneer mogelijk, om af te spreken een gemeenschappelijke taal te gebruiken.

Het is aan te raden om de taal in schriftelijke communicatie zo eenvoudig mogelijk te houden. Termen en begrippen die een andere connotatie kunnen hebben in de verschillende rechtsstelsels moeten worden vermeden of uitgelegd. Dat zal helpen misverstanden en vertaalproblemen te vermijden.

Goede communicatie draagt bij tot een vlotte procedure, het voorkomen van misverstanden en het eerbiedigen van de in artikel 17 vermelde korte termijnen (zie punten 4.1 en 4.2 van dit handboek over termijnen).

Altijd dringend

De uitvaardigende rechterlijke autoriteit moet de verzoeken om aanvullende informatie met spoed behandelen. De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan een (redelijke) uiterste datum voor de ontvangst van die informatie vaststellen, rekening houdend met de noodzaak de in artikel 17 van het kaderbesluit betreffende het EAB gestelde termijn in acht te nemen (artikel 15, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

De bevoegde autoriteiten dienen ook rekening te houden met de vertragingen die kunnen worden veroorzaakt door de verzoeken om aanvullende informatie en trachten dergelijke vertragingen zo veel mogelijk te beperken.

Eurojust of de contactpunten van het Europees justitieel netwerk kunnen de communicatie ondersteunen

De contactpunten van het EJN of nationale leden van Eurojust kunnen de communicatie tussen de autoriteiten van de andere lidstaten ondersteunen. Zowel het EJN als Eurojust kunnen vlotte en informele communicatie verzorgen tussen de vertegenwoordigers van de rechtstelsels van alle lidstaten.

Het is met name raadzaam om een beroep te doen op het EJN of Eurojust binnen hun specifieke rollen in dringende gevallen of wanneer het moeilijk is de juiste autoriteit te bereiken.

De tools op de website van het EJN (Justitiële Atlas, Fiches belges) en de contactpunten van het EJN kunnen bijvoorbeeld helpen bij het bepalen van de bevoegde uitvoerende rechterlijke autoriteiten en informatie verstrekken over de specifieke eisen in de uitvoerende lidstaat, terwijl het nationaal lid van Eurojust dient te worden betrokken in geval van herhaalde vertragingen of weigeringen van tenuitvoerlegging, of in geval van overlappende EAB's. Bovendien kan het beveiligd telecommunicatiesysteem van het EJN worden gebruikt om EAB's te verzenden, zoals vastgelegd in artikel 10, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB. Het is een goede werkwijze om in het EAB-formulier te vermelden of contactpunten van het EJN, nationale leden van Eurojust of andere personen die met een zaak zijn belast, waren betrokken bij de voorbereiding van het EAB (30).

De rol van de Sirene-bureaus

Voor in het SIS opgenomen signaleringen met het oog op aanhouding zijn de Sirene-bureaus verantwoordelijk voor de uitwisseling van informatie vanaf het moment waarop een persoon wordt gevonden („treffer”) tot ten minste de aanvang van de formele overleveringsprocedure. Rechterlijke autoriteiten moeten het Sirene-bureau op de hoogte houden van alle ontwikkelingen die plaatsvinden tussen de treffer en de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB.

4.5.   Plicht van de uitvoerende rechterlijke autoriteit om de uitvaardigende autoriteit te informeren nadat is beslist over de overlevering

Nadat is beslist of de gezochte persoon al dan niet wordt overgeleverd, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit de uitvaardigende lidstaat informeren over de beslissing en over de periode die de persoon in hechtenis heeft doorgebracht.

4.5.1.   Informatie over de beslissing tot overlevering

De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in kennis stellen van de beslissing tot overlevering. Die kennisgeving moet onmiddellijk na het nemen van de beslissing plaatsvinden, ongeacht of de gezochte persoon zal worden overgeleverd of niet, zodat de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat passende maatregelen kunnen nemen. Die verplichte kennisgeving aan de uitvaardigende lidstaat vloeit rechtstreeks voort uit artikel 22 van het kaderbesluit betreffende het EAB.

Het is aan te raden om voor die kennisgeving het standaardformulier uit bijlage VII bij dit handboek te gebruiken. Het is bovendien aanbevolen dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de beslissing rechtstreeks aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit meedeelt, aangezien dat een vlotte en duidelijke communicatie bevordert (zie punt 4.4.2 van dit handboek).

Elke weigering om een EAB ten uitvoer te leggen wordt met redenen omkleed (artikel 17, lid 6, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Het is essentieel dat de uitvoerende rechterlijke autoriteiten duidelijk aangeven welk strafbaar feit/welke strafbare feiten de basis vormen voor de overlevering. Dat is relevant, rekening houdend met het specialiteitsbeginsel, zoals vastgelegd in artikel 27 van het kaderbesluit betreffende het EAB (zie punt 2.6 van dit handboek). Het specialiteitsbeginsel kan de uitvaardigende lidstaat verhinderen om andere, vóór de overlevering gepleegde, strafbare feiten te vervolgen dan dat feit of die feiten waarvoor de gezochte persoon is overgeleverd.

Wanneer het EAB is opgenomen in het SIS, dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit het Sirene-bureau van haar lidstaat over haar beslissing te informeren.

4.5.2.   Gegevens over de periode van vrijheidsbeneming

Alle gegevens over hoe lang de gezochte persoon de vrijheid is benomen op grond het EAB moeten aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit worden verzonden. Het kaderbesluit betreffende het EAB bepaalt dat die gegevens op het tijdstip van de overlevering moeten worden verstrekt (artikel 26, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB). Die gegevens kunnen naar de uitvoerende rechterlijke autoriteit of de aangewezen centrale autoriteit worden verzonden.

Het is belangrijk dat de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat nauwkeurige informatie hebben over de periode van vrijheidsbeneming. Die periode moet in mindering worden gebracht op de uiteindelijke vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel (artikel 26, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Het standaardformulier in bijlage VII bevat ruimte om informatie over de periode van vrijheidsbeneming te verstrekken.

In zijn arrest in zaak C-294/16 PPU, JZ (31) heeft het Hof van Justitie als volgt geoordeeld:

„47.

[…] moet het begrip „vrijheidsbeneming” in de zin van artikel 26, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584 aldus worden uitgelegd dat het naast gevangenzetting ziet op elke aan de betrokkene opgelegde maatregel of elk samenstel van aan hem opgelegde maatregelen die vanwege hun aard, duur, gevolgen en uitvoeringsmodaliteiten de betrokkene zijn vrijheid ontnemen op een wijze die vergelijkbaar is met gevangenzetting.

[…]

53.

Bij de toepassing van artikel 26, lid 1, van Kaderbesluit 2002/584 is de rechterlijke autoriteit van de lidstaat die het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, gehouden te onderzoeken of de in de uitvoerende lidstaat ten aanzien van de betrokkene genomen maatregelen moeten worden gelijkgesteld met vrijheidsbeneming, zoals deze is aangeduid in punt 47 van dit arrest, en derhalve een vrijheidsbeneming (hechtenis) in de zin van dat artikel 26, lid 1, vormt. Indien die rechterlijke autoriteit in het kader van dat onderzoek tot de slotsom komt dat dit het geval is, gebiedt genoemd artikel 26, lid 1, dat de gehele periode waarin die maatregelen van toepassing waren, in mindering wordt gebracht op de vrijheidsbeneming die deze persoon moet ondergaan in de lidstaat die het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd.

[…]

55.

Aangezien dat artikel 26, lid 1, echter enkel een minimumniveau oplegt van bescherming van de grondrechten van de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, kan dat artikel niet aldus worden uitgelegd, zoals de advocaat-generaal in punt 72 van zijn conclusie heeft opgemerkt, dat het zich ertegen verzet dat de rechterlijke autoriteit van de lidstaat die dat aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, louter op grondslag van het nationale recht de periode waarin op deze persoon in de uitvoerende lidstaat maatregelen van toepassing waren die geen vrijheidsbeneming impliceren maar een vrijheidsbeperking, geheel of gedeeltelijk in mindering kan brengen op de totale duur van de vrijheidsbeneming die de betrokkene in de uitvaardigende lidstaat moet ondergaan.

56.

Ten slotte dient in herinnering te worden gebracht dat de rechterlijke autoriteit van de lidstaat die het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, bij het in punt 53 van dit arrest bedoelde onderzoek op basis van artikel 26, lid 2, van Kaderbesluit 2002/584 de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat kan verzoeken alle gegevens te verstrekken waarvan toezending noodzakelijk wordt geacht.”

4.6.   Voortgezette hechtenis van de gezochte persoon in de uitvoerende lidstaat

Na de aanhouding van de gezochte persoon op grond van het EAB, dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit te beslissen of de betrokkene in hechtenis blijft of in vrijheid wordt gesteld tot een beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB is genomen. Hechtenis is dus niet noodzakelijk vereist en de betrokkene kan op elk tijdstip overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat in voorlopige vrijheid worden gesteld (artikel 12 van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Wanneer de betrokkene niet in hechtenis blijft, moet de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat alle maatregelen nemen die zij noodzakelijk acht om de vlucht van de gezochte persoon te voorkomen (artikel 12 van het kaderbesluit betreffende het EAB). Voorbeelden van dergelijke maatregelen zijn reisbeperkingen, de plicht zich regelmatig te melden en elektronisch toezicht.

De beslissing over de hechtenis wordt genomen overeenkomstig het nationale recht en overeenkomstig artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin is bepaald dat eenieder recht heeft op vrijheid en veiligheid van zijn persoon.

In zijn arrest in zaak C-237/15 PPU, Lanigan heeft het Hof van Justitie als volgt geoordeeld:

„De artikelen 15, lid 1, en 17 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad […] moeten aldus worden uitgelegd dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit na het verstrijken van de in dat artikel 17 gestelde termijnen nog steeds over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel dient te beslissen.

Artikel 12 van dat kaderbesluit, gelezen in samenhang met artikel 17 ervan en in het licht van artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het in een dergelijke situatie niet in de weg staat aan de voortzetting van de hechtenis van de gezochte persoon overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat, zelfs wanneer de totale duur van de hechtenis die termijnen overschrijdt, voor zover die duur niet buitensporig is in het licht van de kenmerken van de in het hoofdgeding gevolgde procedure. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan. Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit besluit een einde te maken aan de hechtenis van die persoon, dient zij zijn voorlopige invrijheidstelling vergezeld te doen gaan van de maatregelen die zij nodig acht om zijn vlucht te voorkomen, en zich ervan te vergewissen dat de materiële voorwaarden voor zijn daadwerkelijke overlevering gehandhaafd blijven zolang geen definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel is genomen.”

5.   BESLISSING OVER DE OVERLEVERING

5.1.   Algemene verplichting tot tenuitvoerlegging van EAB's

De uitvoerende rechterlijke autoriteit is in het algemeen verplicht om op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van het kaderbesluit betreffende het EAB elk EAB ten uitvoer te leggen (artikel 1). Die bepalingen worden behandeld in de punten 5 tot en met 8 van dit handboek. De beslissing over de overlevering moet binnen de in punt 4 vermelde termijnen plaatsvinden.

Bovendien moeten de bevoegde autoriteiten garanderen dat de minimale procedurele rechten van de gezochte persoon worden gerespecteerd, zoals vermeld in punt 11.

5.2.   De lijst met 32 strafbare feiten die tot overlevering leiden zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid

De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet controleren of de strafbare feiten die door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit zijn vastgesteld, vallen onder een van de 32 categorieën die zijn opgesomd in artikel 2, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB. De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan enkel de dubbele strafbaarheid toetsen voor strafbare feiten die niet in de lijst van 32 strafbare feiten zijn opgenomen.

Er moet op worden gewezen dat enkel de omschrijving van het strafbare feit en de maximale straf in het recht van de uitvaardigende lidstaat relevant is. De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet erkennen wat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in het EAB heeft aangegeven.

In zijn arrest in zaak C-289/15, Grundza is het Hof van Justitie om een uitlegging gevraagd van artikel 7, lid 3, en artikel 9, lid 1, onder d), van Kaderbesluit 2008/909/JBZ (namelijk hoe de dubbele strafbaarheid moet worden beoordeeld). Het Hof van Justitie heeft het volgende voor recht verklaard:

„38.

[…] bij de beoordeling van de dubbele strafbaarheid, de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat dient na te gaan of de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het strafbare feit, zoals die zijn weergegeven in het door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat uitgesproken vonnis, indien zij zouden hebben plaatsgevonden op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat, als zodanig ook op dat grondgebied strafrechtelijk hadden kunnen worden bestraft.

[…]

49.

In het kader van de beoordeling van de dubbele strafbaarheid dient de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat echter niet na te gaan of het door de beslissingsstaat beschermde belang geschonden is, maar of, in de situatie waarin het betrokken strafbare feit zou hebben plaatsgevonden op het grondgebied van de lidstaat waaronder die autoriteit valt, een vergelijkbaar, door het nationale recht van die staat beschermd belang zou kunnen worden geacht te zijn geschaad.”

Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit van oordeel is dat er in dat opzicht een duidelijke fout is gemaakt, dient zij contact op te nemen met de uitvaardigende rechterlijke autoriteit en om verduidelijkingen te vragen (zie punt 4.4 van dit handboek over communicatie).

5.3.   Accessoire strafbare feiten

Accessoire strafbare feiten hebben betrekking op één of meer strafbare feiten waarop een lagere straf staat dan de in artikel 2, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB vermelde grens. Dergelijke strafbare feiten kunnen in een EAB worden opgenomen als accessoire strafbare feiten. De uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan dergelijke strafbare feiten opnemen in het EAB-formulier, ook al is het EAB er niet op van toepassing (zie punt 2.3 van dit handboek).

Het EAB moet echter worden uitgevaardigd voor ten minste één strafbaar feit dat de in artikel 2, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB vastgelegde grens haalt.

In het kaderbesluit betreffende het EAB zelf wordt niet expliciet bepaald hoe de accessoire overlevering moet worden behandeld. Sommige lidstaten hebben beslist dit toe te staan, andere niet. Indien de uitvoerende lidstaat geen overlevering toestaat voor accessoire strafbare feiten, kan het specialiteitsbeginsel de uitvaardigende lidstaat verhinderen die feiten te vervolgen (zie punt 2.6 van dit handboek over het specialiteitsbeginsel).

Indien het EAB accessoire strafbare feiten bevat, is het raadzaam dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de beslissing tot overlevering duidelijk aangeeft of de overlevering ook de accessoire strafbare feiten betreft. Overlevering voor de accessoire strafbare feiten geeft de uitvaardigende lidstaat de bevoegdheid om die feiten te vervolgen of een vrijheidsstraf ten uitvoer te leggen.

Bijlage VIII bevat een lijst van lidstaten waarvan het rechtstelsel overlevering voor accessoire strafbare feiten toestaat.

5.4.   Gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging (weigering)

De algemene verplichting om EAB's uit te voeren (vastgelegd in artikel 1, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB), is beperkt door de gronden tot verplichte en facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB, m.a.w. de gronden tot weigering (artikelen 3, 4 en 4 bis, van het kaderbesluit betreffende het EAB). Er wordt op gewezen dat volgens het kaderbesluit betreffende het EAB die gronden de enige zijn waarop de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich mag beroepen als grond tot weigering van de tenuitvoerlegging. Wat de gronden voor facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging betreft, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit enkel een beroep doen op die gronden die zijn omgezet in haar nationale recht. Het Hof van Justitie heeft verduidelijkt dat de lijst met gronden volledig is (met name in zijn arrest in zaak C-123/08, Wolzenburg, punt 57, en in de gevoegde zaken C-404/15 en C-659/15 PPU, Aranyosi en Căldăraru, punt 80) (32).

De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan contact opnemen met de uitvaardigende rechterlijke autoriteit voordat zij beslist de overlevering te weigeren. Dit kan aanbevolen zijn wanneer er onzekerheid bestaat over de toepassing van een grond tot weigering van de tenuitvoerlegging. De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan ook het gesprek aangaan over de mogelijkheid van andere maatregelen, zoals de overbrenging van gevangenen, voordat zij de beslissing tot weigering neemt (zie punt 4.4 van dit handboek over communicatie en punt 2.5 van dit handboek over andere Uniemaatregelen voor justitiële samenwerking).

Nadat de beslissing tot weigering van de overlevering is genomen, mag de gezochte persoon niet langer op grond van het EAB in hechtenis blijven.

5.4.1.   Gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging

Indien een of meer van de gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging van toepassing zijn, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het EAB weigeren (artikel 3 van het kaderbesluit betreffende het EAB). Daarom moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging weigeren zodra zij heeft vastgesteld dat een van die gronden tot weigering van toepassing is. Die gronden zijn vastgesteld in artikel 3 van het kaderbesluit betreffende het EAB.

Amnestie (artikel 3, lid 1)

Het strafbaar feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, valt in de uitvoerende lidstaat onder een amnestie. Die staat moet krachtens zijn strafwetgeving bevoegd zijn om dat strafbaar feit te vervolgen.

Ne bis in idem (artikel 3, lid 2)

Uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de gezochte persoon onherroepelijk door een lidstaat is berecht voor dezelfde feiten. Het is ook vereist dat waar een sanctie is opgelegd, die sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel volgens het recht van de veroordelende lidstaat niet meer kan worden uitgevoerd.

Het Hof van Justitie heeft verschillende arresten uitgesproken in zaken over de uitlegging van het beginsel ne bis in idem met betrekking tot artikel 54 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (SUO). Die arresten zijn van toepassing op het kaderbesluit betreffende het EAB door het arrest in zaak C-261/09, Mantello (33), en ze verduidelijken begrippen zoals „definitieve beslissing”, „hetzelfde feit” en „sanctie is ondergaan”. In zijn arrest in zaak C-129/14 PPU, Spasic (34), heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat artikel 54 SUO op zich verenigbaar is met artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin dat beginsel wordt gewaarborgd.

Bijlage VI bevat samenvattingen van de arresten van het Hof van Justitie over het beginsel ne bis in idem.

Artikel 54 SUO

„Een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een overeenkomstsluitende partij is berecht, kan door een andere overeenkomstsluitende partij niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.”

Artikel 50 van het Handvest

„Recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft

Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.”

Onder de leeftijdsgrens om de betrokkene strafrechtelijk verantwoordelijk te kunnen stellen (artikel 3, lid 3)

De gezochte persoon kan krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat op grond van zijn of haar leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld voor de feiten die aan het aanhoudingsbevel ten grondslag liggen.

De lidstaten hebben de leeftijdsgrens voor strafrechtelijke verantwoordelijkheid op verschillende manieren vastgelegd. Ook het ogenblik waarop de leeftijd een rol gaat spelen in een specifieke zaak, varieert: het desbetreffende ogenblik kan bijvoorbeeld het tijdstip van het strafbare feit zijn of wanneer de betrokkene in beschuldiging wordt gesteld.

Gronden voor weigering van de tenuitvoerlegging zijn van toepassing, indien de gezochte persoon in de uitvoerende lidstaat enkel zou worden onderworpen aan civiele of bestuursrechtelijke procedures, maar geen strafrechtelijke, op basis van zijn of haar leeftijd.

5.4.2.   Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging

Wanneer een grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van toepassing is en in het nationale recht is omgezet, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het EAB weigeren, afhankelijk van de omstandigheden van de zaak. Die gronden zijn vastgesteld in artikel 4 van het kaderbesluit betreffende het EAB.

Ontbreken van de dubbele strafbaarheid (artikel 4, lid 1)

Het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, is naar het recht van de uitvoerende lidstaat niet strafbaar.

Het gaat hier enkel om strafbare feiten die niet zijn vermeld in de lijst van strafbare feiten in artikel 2, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB, waarvoor de toetsing van de dubbele strafbaarheid is afgeschaft. Echter, zelfs indien het strafbaar feit overeenstemt met een strafbaar feit dat is vermeld in artikel 2, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB, maar strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel voor een maximale periode van minder dan drie jaar volgens het recht van de uitvaardigende lidstaat, en dat feit geen strafbaar feit vormt volgens het recht van de uitvoerende lidstaat, kan die grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van toepassing zijn. In zijn arrest in zaak C-289/15, Grundza, heeft het Hof van Justitie verduidelijkt hoe de dubbele strafbaarheid moet worden beoordeeld (zie punt 5.2 van dit handboek).

Ter zake van retributies en belastingen, douane en deviezen mag de tenuitvoerlegging van het EAB niet worden geweigerd op grond van het feit dat de uitvoerende lidstaat niet dezelfde soort retributies of belastingen heft, of niet dezelfde soort regelgeving inzake retributies, belastingen, douane en deviezen kent als de uitvaardigende lidstaat.

Lopende vervolging in de uitvoerende lidstaat (artikel 4, lid 2)

De persoon tegen wie het EAB is uitgevaardigd, wordt in de uitvoerende lidstaat vervolgd wegens het feit dat aan het EAB ten grondslag ligt.

Vervolging voor hetzelfde strafbare feit onmogelijk in de uitvoerende lidstaat (artikel 4, lid 3)

De rechterlijke autoriteiten van de uitvoerende lidstaat hebben besloten geen vervolging in te stellen wegens het strafbaar feit waarvoor het EAB is uitgevaardigd, of een ingestelde vervolging te staken, dan wel wanneer in een lidstaat tegen de gezochte persoon voor dezelfde feiten een onherroepelijke beslissing is genomen die verdere vervolging onmogelijk maakt.

Zie ook punt 5.4.1 van dit handboek over het beginsel ne bis in idem.

Vervolging of straf verjaard (artikel 4, lid 4)

De strafvervolging of de straf van de gezochte persoon is volgens het recht van de uitvoerende lidstaat verjaard en de feiten vallen naar het strafrecht van die lidstaat onder zijn rechtsmacht.

Zie ook punt 5.4.1 van dit handboek over het beginsel ne bis in idem.

Onherroepelijke berechting in een derde land (artikel 4, lid 5)

Uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de gezochte persoon door een derde land onherroepelijk is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, ingeval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer ten uitvoer kan worden gelegd volgens het recht van de staat van veroordeling.

De uitvoerende lidstaat verbindt zich ertoe de straf ten uitvoer te leggen (artikel 4, lid 6)

Wanneer het EAB is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel en de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit overwegen om de straf ten uitvoer te leggen in haar lidstaat in plaats van de persoon aan de uitvaardigende lidstaat over te leveren.

Artikel 25 van Kaderbesluit 2008/909/JBZ bevat ook een specifieke bepaling betreffende de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in de uitvoerende lidstaat in situaties die onder artikel 4, lid 6, van het kaderbesluit betreffende het EAB vallen (zie punt 2.5.2 van dit handboek). Kaderbesluit 2008/909/JBZ vervangt het verdrag van 1983 en het aanvullende protocol. Kaderbesluit 2008/909/JBZ moet dus worden toegepast om de straf over te dragen aan de lidstaat waar ze wordt uitgevoerd.

Overeenkomstig Kaderbesluit 2008/909/JBZ is de instemming van de gevonniste persoon om te worden overgebracht niet langer in alle gevallen vereist.

In zijn arrest in zaak C-66/08, Kozłowski (35), heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard dat de begrippen „ingezetene” en „verblijven” als bedoeld in artikel 4, lid 6, van het kaderbesluit betreffende het EAB eenvormig moeten worden uitgelegd, aangezien het autonome begrippen van het recht van de Unie betreft. De begrippen betreffen respectievelijk situaties waarin de gezochte persoon ofwel zijn werkelijke verblijfplaats in de uitvoerende lidstaat heeft gevestigd, ofwel, op grond van een duurzaam periode van verblijf in die staat een band met die staat heeft opgebouwd die vergelijkbaar is met die van een ingezetene. Om vast te stellen of het begrip „verblijven” van toepassing is, moet een globale beoordeling van verschillende objectieve elementen worden gemaakt, waaronder met name de duur, de aard en de voorwaarden van het verblijf van de persoon, alsook de familiale en economische bindingen die hij met de uitvoerende lidstaat heeft.

Zoals door het Hof van Justitie is geoordeeld in zijn arrest in zaak C-123/08 Wolzenburg, betreffende artikel 4, lid 6, van het kaderbesluit betreffende het EAB en het beginsel van gelijke behandeling van burgers van de Unie, waren nationale regels die voorzien in de weigering van de tenuitvoerlegging van een EAB in het geval van geïmmigreerde burgers van de Unie, met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf en enkel als zij gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar wettelijk op het nationaal grondgebied hadden verbleven, verenigbaar met artikel 12 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (nu artikel 18 VWEU). Een lidstaat kan de toepassing van de in artikel 4, lid 6, van het kaderbesluit betreffende het EAB vastgestelde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van een EAB echter niet onderwerpen aan aanvullende administratieve eisen, zoals het beschikken over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

In zijn arrest in zaak C-42/11, Lopes da Silva Jorge (36), heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat artikel 4, lid 6, van het kaderbesluit betreffende het EAB en artikel 18 VWEU aldus moeten worden uitgelegd dat een lidstaat bij de omzetting van artikel 4, lid 6, van het kaderbesluit betreffende het EAB weliswaar kan beslissen de gevallen te beperken waarin een uitvoerende rechterlijke autoriteit kan weigeren een binnen de werkingssfeer van die bepaling vallende persoon over te leveren, doch dat hij staatsburgers van andere lidstaten die op zijn grondgebied verblijven of er ingezetenen van zijn, niet volledig en automatisch van de werkingssfeer van dat artikel kan uitsluiten, ongeacht de banden welke die staatsburgers met die lidstaat hebben. Om de volle werking van het kaderbesluit betreffende het EAB te verzekeren, dienen de nationale rechterlijke instanties het nationale recht zo veel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en de doelstellingen van dat kaderbesluit.

Extraterritoriaal karakter (strafbare feiten gepleegd buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat) (artikel 4, lid 7)

Het EAB betreft strafbare feiten die:

a)

naar het recht van de uitvoerende lidstaat geacht worden geheel of ten dele te zijn gepleegd op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat of op een daarmee gelijk te stellen plaats; of

b)

buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat zijn gepleegd en er naar het recht van de uitvoerende lidstaat geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien dezelfde feiten buiten het grondgebied van de uitvoerende lidstaat zou zijn gepleegd.

5.5.   Verstekprocedures

Kaderbesluit 2009/299/JBZ heeft het kaderbesluit betreffende het EAB gewijzigd door artikel 5, lid 1, te schrappen en een nieuw artikel 4 bis in te voegen over verstekvonnissen. Die bepalingen hebben betrekking op situaties waarin een uitvoerende rechterlijke autoriteit een EAB heeft ontvangen voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf naar aanleiding van een procedure in de uitvaardigende lidstaat waarbij de persoon niet aanwezig was.

Artikel 4 bis van het kaderbesluit betreffende het EAB bevat een grond voor facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, waarbij het EAB dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel mag worden geweigerd indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid (een verstekvonnis).

Er zijn echter enkele uitzonderingen op die regel. Een uitvoerende rechterlijke autoriteit mag de tenuitvoerlegging van een EAB niet weigeren op grond van een verstekvonnis wanneer in het EAB is vermeld dat, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedurevoorschriften:

a)

de betrokkene tijdig:

i)

persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij of zij op de hoogte was van het voorgenomen proces; en

ii)

ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij of zij niet op het proces verschijnt; of dat

b)

de betrokkene, die op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn of haar verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd; of dat

c)

de betrokkene, nadat de beslissing aan hem of haar was betekend en hij of zij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij of zij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing:

i)

uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij of zij de beslissing niet betwist; of

ii)

niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend; of dat

d)

de beslissing niet persoonlijk aan de betrokkene is betekend, maar:

i)

hem of haar na overlevering onverwijld persoonlijk zal worden betekend en hij of zij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn of haar recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij of zij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en

ii)

dat de betrokkene wordt geïnformeerd over de termijn waarover hij of zij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

Het arrest in zaak C-399/11, Melloni (37), betrof de vraag of artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit in de in die bepaling omschreven gevallen de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, uitgevaardigd voor de tenuitvoerlegging van een straf, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de veroordeling bij verstek in de uitvaardigende lidstaat kan worden herzien.

Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat artikel 4 bis, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB voorziet in een facultatieve grond om een EAB, uitgevaardigd voor de tenuitvoerlegging van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel, niet ten uitvoer te leggen indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de veroordeling heeft geleid. Op die mogelijkheid worden echter vier uitzonderingen gemaakt, die zijn neergelegd in letters a) tot en met d) van artikel 4 bis, lid 1. Het Hof heeft geoordeeld dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit in die vier gevallen de overlevering van een bij verstek veroordeelde niet afhankelijk mag stellen van de voorwaarde dat de veroordeling in zijn of haar aanwezigheid kan worden herzien.

In zijn arrest in zaak C-108/16 PPU, Dworzecki (38) heeft het Hof van Justitie als volgt geoordeeld:

„Artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van Kaderbesluit 2002/584 […] moet in die zin worden uitgelegd dat een dagvaarding als aan de orde in het hoofdgeding, die niet rechtstreeks aan de betrokkene is betekend maar op diens adres is uitgereikt aan een volwassen huisgenoot van hem, die heeft toegezegd deze aan hem te overhandigen, zonder dat uit het Europees aanhoudingsbevel blijkt dat en, in voorkomend geval, wanneer deze volwassene die dagvaarding daadwerkelijk aan de betrokkene heeft overhandigd, niet zonder meer voldoet aan de in die bepaling genoemde voorwaarden.”

5.6.   Overwegingen van de uitvoerende rechterlijke autoriteit met betrekking tot de grondrechten

Het kaderbesluit betreffende het EAB bevat geen bepalingen over weigering van de tenuitvoerlegging op grond van een schending van de grondrechten van de gezochte persoon in de uitvaardigende lidstaat.

Artikel 1, lid 3, gelezen in samenhang met overwegingen 12 en 13 van het kaderbesluit betreffende het EAB, verduidelijkt dat in het kader van het EAB de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen moeten worden geëerbiedigd.

In zijn arrest in gevoegde zaken C-404/15 en C-659/15 PPU, Aranyosi en Căldăraru heeft het Hof van Justitie als volgt voor recht verklaard:

„Wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit wordt geconfronteerd met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens die, wat de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat betreft, duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen, moet zij concreet en nauwkeurig nagaan of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf, vanwege de omstandigheden van zijn detentie in die lidstaat een reëel gevaar zal lopen te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, in de zin van artikel 4 van het Handvest, wanneer hij wordt overgeleverd aan voornoemde lidstaat.

Daartoe dient zij te verzoeken om aanvullende gegevens van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, die — na zo nodig om bijstand te hebben verzocht van de centrale autoriteit of een van de centrale autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, in de zin van artikel 7 van het kaderbesluit — deze gegevens binnen de in een dergelijk verzoek gestelde termijn dient te verstrekken. De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet haar beslissing over de overlevering van de betrokkene uitstellen totdat zij aanvullende gegevens verkrijgt op grond waarvan zij het bestaan van een dergelijk gevaar kan uitsluiten.

Indien het bestaan van dit gevaar niet binnen een redelijke termijn kan worden uitgesloten, dient deze autoriteit te beslissen of de overleveringsprocedure moet worden beëindigd.”

Indien de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat bewijzen heeft dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend zullen worden behandeld vanwege de algemene detentieomstandigheden, moet zij de procedure volgen die is vastgelegd in het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-404/15 en C-659/15 PPU Aranyosi en Căldăraru (punten 89-104).

Procedurele stappen die de nationale uitvoerende rechterlijke autoriteiten moeten nemen indien zij over bewijzen beschikken dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend zullen worden behandeld

De onderstaande stappen moeten worden genomen:

1.

Verificatie of er een reëel gevaar bestaat dat de gezochte persoon onmenselijk of vernederend zal worden behandeld vanwege de algemene detentieomstandigheden:

gebaseerd op objectieve, betrouwbare, specifieke en naar behoren bijgewerkte gegevens, die kunnen blijken uit, onder meer, internationale rechterlijke beslissingen, zoals arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, uit rechterlijke beslissingen van de uitvaardigende lidstaat, alsook uit besluiten, rapporten en andere documenten die zijn opgesteld door organen van de Raad van Europa of organen die onder de bescherming van de Verenigde Naties staan.

2.

Indien het bestaan van een dergelijk gevaar is vastgesteld op basis van de algemene detentieomstandigheden: verificatie of er wezenlijke gronden bestaan om aan te nemen dat voor de gezochte persoon, in de specifieke omstandigheden van het geval, dergelijk reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling bestaat:

verplichting om de uitvaardigende rechterlijke autoriteit — op grond van artikel 15, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB — te verzoeken om dringend alle noodzakelijke aanvullende gegevens te verstrekken met betrekking tot de omstandigheden waaronder de betrokkene naar verwachting zal worden gedetineerd;

mogelijkheid om informatie op te vragen over het bestaan van eventuele mechanismen waarmee de detentieomstandigheden kunnen worden gemonitord;

mogelijkheid om een uiterste datum vast te stellen voor het antwoord, rekening houdend met de tijd die is vereist om de informatie te verzamelen en met de termijnen neergelegd in artikel 17 van het kaderbesluit betreffende het EAB.

3.

Indien, gelet op de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verstrekte gegevens en op alle andere gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, die autoriteit vaststelt dat de gezochte persoon een reëel risico loopt onmenselijk of vernederend te worden behandeld (en er nog geen definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB is genomen):

verplichting tot uitstel van de tenuitvoerlegging van dat EAB. Eurojust wordt daarvan in kennis gesteld (overeenkomstig artikel 17, lid 7, van het kaderbesluit betreffende het EAB);

mogelijkheid om de hechtenis van de betrokkene te handhaven, maar enkel wanneer de procedure voor de tenuitvoerlegging van het EAB op voldoende voortvarende wijze is gevoerd en de hechtenis bijgevolg niet buitensporig lang duurt (overeenkomstig het arrest in zaak C-237/15, Lanigan, punten 58, 59 en 60), en naar behoren rekening houdend met het door artikel 48 van het Handvest gegarandeerde onschuldvermoeden en het in artikel 52, lid 1, van het Handvest neergelegde evenredigheidsbeginsel;

mogelijkheid of zelfs verplichting om de gezochte persoon in voorlopige vrijheid te stellen, vergezeld van maatregelen om zijn of haar vlucht te voorkomen.

4.

Definitieve beslissing:

wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit, op grond van gegevens verkregen van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, kan concluderen dat er geen reëel gevaar bestaat dat de gezochte persoon onmenselijk of vernederend zal worden behandeld, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit zijn beslissing nemen over de tenuitvoerlegging van het EAB;

wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit constateert dat het risico op een onmenselijke of vernederende behandeling niet binnen een redelijke termijn kan worden uitgesloten, dient die autoriteit te beslissen of de overleveringsprocedure moet worden beëindigd.

5.7.   Evenredigheid — de rol van de uitvoerende lidstaat

Het kaderbesluit betreffende het EAB voorziet niet in de mogelijkheid om de evenredigheid van een EAB door de uitvoerende lidstaat te laten evalueren. Dit stemt overeen met het beginsel van wederzijdse erkenning. Indien de uitvoerende lidstaat ernstige vragen heeft over de evenredigheid van het ontvangen EAB, worden de uitvaardigende en uitvoerende rechterlijke autoriteiten aangemoedigd om rechtstreeks contact met elkaar op te nemen. Naar verwachting zullen dergelijke gevallen enkel uitzonderlijk voorkomen. Na raadpleging kunnen de bevoegde rechterlijke autoriteiten misschien een meer geschikte oplossing vinden (zie punt 4.4 van dit handboek over communicatie tussen bevoegde autoriteiten). Afhankelijk van de omstandigheden van de zaak kan het EAB bijvoorbeeld worden herroepen en kunnen andere maatregelen uit het nationale recht of het recht van de Unie worden gebruikt.

In dergelijke situaties kunnen de rechterlijke autoriteiten ook Eurojust of de contactpunten van het EJN raadplegen. Die organen kunnen de communicatie ondersteunen en helpen oplossingen te vinden.

5.8.   Garanties die de uitvaardigende lidstaat dient te geven

Artikel 5 van het kaderbesluit betreffende het EAB bepaalt dat de tenuitvoerlegging van het EAB door de uitvoerende rechterlijke autoriteit door het recht van de uitvoerende lidstaat afhankelijk kan worden gesteld van bepaalde voorwaarden. Die voorwaarden kunnen betrekking hebben op de herziening van een levenslange vrijheidsstraf en de terugzending van onderdanen naar de uitvoerende lidstaat om daar hun vrijheidsstraf te ondergaan.

Die garanties kunnen rechtstreeks in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat zijn opgenomen of in een overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende en uitvoerende lidstaten. Ze mogen echter enkel betrekking hebben op de onderwerpen die in artikel 5 van het kaderbesluit betreffende het EAB zijn gespecifieerd, wat is bevestigd door het Hof van Justitie (met name in zijn arresten in gevoegde zaken C-404/15 en C-659/15 PPU, Aranyosi en Căldăraru, punt 80, en in zaak C-237/15 PPU, Lanigan, punt 36).

Noot: De garantie met betrekking tot een nieuw proces naar aanleiding van een verstekvonnis vermeld in artikel 5, lid 1, is geschrapt in Kaderbesluit 2009/299/JBZ en vervangen door het nieuwe artikel 4 bis, dat meer uitgebreide bepalingen over verstekvonnissen bevat (zie punt 5.5 van dit handboek).

In zijn arrest in zaak C-306/09, I.B. (39) heeft het Hof van Justitie het volgende geoordeeld:

„De artikelen 4, punt 6, en 5, punt 3, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad […] moeten aldus worden uitgelegd dat, wanneer de betrokken uitvoerende lidstaat artikel 5, punten 1 en 3, van dit kaderbesluit heeft omgezet in nationaal recht, de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een bij verstek opgelegde straf in de zin van artikel 5, punt 1, afhankelijk kan worden gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene, die de nationaliteit van de uitvoerende lidstaat heeft of aldaar verblijft, naar deze lidstaat wordt teruggezonden om in voorkomend geval aldaar de straf te ondergaan die na een nieuwe berechting in zijn aanwezigheid tegen hem zou worden uitgesproken in de uitvaardigende lidstaat.”

5.8.1.   Herziening van een levenslange vrijheidsstraf of een maatregel welke levenslange vrijheidsbeneming meebrengt

Indien het feit dat aan het EAB ten grondslag ligt strafbaar is gesteld met een levenslange vrijheidsstraf of een maatregel welke levenslange vrijheidsbeneming meebrengt, kan de uitvoerende lidstaat van de uitvaardigende lidstaat een garantie tot herziening vereisen(artikel 5, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Een levenslange vrijheidsstraf verwijst naar straffen die in de gevangenis worden ondergaan. Een maatregel welke levenslange vrijheidsbeneming meebrengt verwijst naar andere soorten vrijheidsbeneming, bijvoorbeeld in een psychiatrische instelling.

De garantie kan door de uitvaardigende lidstaat worden verstrekt door aan te tonen dat de opgelegde straf of maatregel volgens zijn rechtsstelsel op verzoek of ten minste na twintig jaar kan worden herzien. Daarnaast geldt ook als voldoende garantie dat de persoon het recht heeft te verzoeken om de toepassing van gratiemaatregelen volgens het recht of de praktijk van de uitvaardigende lidstaat, strekkende tot niet-uitvoering van die straf of maatregel.

5.8.2.   Terugzending van onderdanen en ingezetenen

Het EAB staat de mogelijkheid toe om de gezochte persoon terug te zenden om de vrijheidsstraf in zijn of haar thuisland te ondergaan. Volgens artikel 5, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB geldt dat indien de persoon tegen wie een EAB ter fine van een strafvervolging is uitgevaardigd, onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is, de uitvoerende lidstaat als voorwaarde mag stellen dat die persoon wordt teruggezonden naar het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat.

Die voorwaarde moet duidelijk worden vermeld door de uitvoerende lidstaat. Wanneer mogelijk moeten de uitvaardigende en uitvoerende lidstaat tot een akkoord komen over de invulling van die voorwaarde voordat de uitvoerende lidstaat over de overlevering beslist.

Wanneer reeds vóór de uitvaardiging van het EAB bekend is dat de gezochte persoon een onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is, kan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit al op het EAB-formulier haar toestemming voor een voorwaarde tot eventuele terugzending aanduiden.

Het is de verantwoordelijkheid van de uitvaardigende lidstaat om te garanderen dat aan die voorwaarde wordt voldaan. Wanneer een op de overgeleverde persoon toepasselijke uitspraak over de vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel definitief wordt, moet de uitvaardigende lidstaat contact opnemen met de uitvoerende lidstaat om de terugzending te regelen. De uitvaardigende lidstaat dient ervoor te zorgen dat het vonnis is vertaald in de taal van de uitvoerende lidstaat.

Artikel 25 van Kaderbesluit 2008/909/JBZ bevat tevens een specifieke bepaling betreffende de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in de uitvoerende lidstaat in situaties die onder artikel 5, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB vallen. Voor de overdracht van de straf aan de uitvoerende lidstaat waar die zal worden uitgevoerd, zijn de procedure en voorwaarden van Kaderbesluit 2008/909/JBZ van toepassing (zie punt 2.5.2 van dit handboek).

5.9.   Opschorting of tijdelijke overlevering

5.9.1.   Ernstige humanitaire redenen

Nadat de uitvoerende rechterlijke autoriteit heeft beslist het EAB uit te voeren, gaat de termijn van tien dagen voor de overlevering van de betrokken persoon in (zoals uitgelegd in punt 4.2 van dit handboek). De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan echter bij wijze van uitzondering beslissen om de overlevering tijdelijk op te schorten om ernstige humanitaire redenen, bijvoorbeeld wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat die overlevering het leven of de gezondheid van de gezochte persoon ernstig in gevaar zou brengen (artikel 23, lid 4, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

De tenuitvoerlegging van het EAB moet plaatsvinden zodra die redenen niet langer bestaan. De uitvoerende rechterlijke autoriteit dient de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis te stellen en in onderlinge overeenstemming een nieuwe datum voor de overlevering vast te stellen. In dat geval moet de overlevering plaatsvinden binnen tien dagen te rekenen vanaf de aldus vastgestelde nieuwe datum. Nadat die uiterste datum is verstreken, mag de persoon niet langer door de uitvoerende lidstaat in hechtenis worden gehouden op grond van het EAB en moet de persoon in vrijheid worden gesteld (artikel 23, lid 5, van het kaderbesluit betreffend het EAB).

Wanneer dergelijke humanitaire redenen voor onbepaalde duur of permanent bestaan, kunnen de uitvaardigende en uitvoerende rechterlijke autoriteiten overleggen en alternatieven voor het EAB in overweging nemen. Zo kunnen bijvoorbeeld mogelijkheden om de procedure of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf aan de uitvoerende lidstaat over te dragen of het EAB te herroepen (bv. in geval van een ernstige blijvende ziekte), worden onderzocht.

5.9.2.   Lopende strafprocedure of uitvoering van een vrijheidsstraf

De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan, nadat zij tot tenuitvoerlegging van het EAB heeft besloten, de overlevering van de gezochte persoon uitstellen opdat de betrokkene in de uitvoerende lidstaat kan worden vervolgd wegens een ander feit (artikel 24, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

In dergelijke situaties moet de overlevering plaatsvinden onmiddellijk na de vervolging, op een datum die de uitvaardigende en uitvoerende rechterlijke autoriteiten zijn overeengekomen.

Indien de gezochte persoon reeds wegens een ander feit is veroordeeld, kan de overlevering worden uitgesteld zodat de betrokkene de straf voor dat feit in de uitvoerende lidstaat kan ondergaan (artikel 24, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

In dergelijke gevallen moet de overlevering plaatsvinden nadat de betrokkene de straf heeft ondergaan, op een datum die de uitvaardigende en uitvoerende rechterlijke autoriteiten zijn overeengekomen.

Noot: Indien de strafprocedure in de uitvoerende lidstaat betrekking heeft op hetzelfde strafbare feit dat aan het EAB ten grondslag ligt, kan de uitvoerende lidstaat de uitvoering van het EAB weigeren (voor dat feit) (zie artikel 4, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB en punt 5.4.2 van dit handboek). Wanneer aan de voorwaarden van artikel 3, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB is voldaan, moet de uitvoering van het EAB worden geweigerd (zie punt 5.4.1 van dit handboek).

5.9.3.   Tijdelijke overlevering in plaats van uitstel

In de situaties die in punt 5.9.2 van dit handboek zijn beschreven, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de gezochte persoon tijdelijk overleveren aan de uitvaardigende lidstaat in plaats van de overlevering uit te stellen (artikel 24, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB). Dat kan worden gedaan om de betrokkene te vervolgen of om een straf ten uitvoer te leggen waartoe de betrokkene reeds is veroordeeld.

De uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten moeten onderling schriftelijk en ondubbelzinnig tot een overeenkomst komen over de voorwaarden voor die tijdelijke overlevering. De overeenkomst is bindend voor alle autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat (artikel 24, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

De tijdelijke overlevering maakt het mogelijk lange vertragingen in de procedure in de uitvaardigende lidstaat te vermijden, die het gevolg zijn van het feit dat de betrokkene in de uitvoerende lidstaat wordt vervolgd of reeds is veroordeeld, worden vermeden.

5.9.4.   Opschorting van een EAB door de vaststelling van een reëel risico op dat de gezochte persoon onmenselijk of vernederend zal worden behandeld

In overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie in de gevoegde zaken C-404/15 en C-659/15 PPU, Aranyosi en Căldăraru, geldt dat indien, gelet op de door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit verstrekte gegevens en alle andere gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, wordt vastgesteld dat er een reëel risico bestaat dat de gezochte persoon onmenselijk of vernederend zal worden behandeld (en er nog geen definitieve beslissing over het EAB is genomen), de tenuitvoerlegging van het EAB moet worden opgeschort, maar niet afgelast. Wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit een beslissing tot dergelijke opschorting neemt, stelt de uitvoerende lidstaat Eurojust daarvan in kennis, samen met de redenen voor de vertraging, overeenkomstig artikel 17, lid 7, van het kaderbesluit betreffende het EAB (zie punten 5.6 en 4.1 van dit handboek).

5.10.   Meerdere EAB's voor dezelfde persoon

5.10.1.   Beslissen welk EAB wordt uitgevoerd

Er kunnen gelijktijdig meerdere EAB's voor dezelfde persoon bestaan, al dan niet voor dezelfde feiten, en ze kunnen uitgevaardigd zijn door de autoriteiten van een of meer lidstaten. De volgende richtsnoeren zijn van toepassing, ongeacht of de EAB's voor dezelfde dan wel voor verschillende feiten zijn uitgevaardigd.

In het geval van meerdere EAB's voor dezelfde persoon beslist de uitvoerende rechterlijke autoriteit welk EAB zij ten uitvoer wenst te leggen, rekening houdend met alle omstandigheden (artikel 16 van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Het is raadzaam dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, alvorens zij een beslissing neemt, tracht te coördineren met de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten die de EAB's hebben uitgevaardigd. Indien de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten vooraf onderling al hebben gecoördineerd, moet hiermee rekening worden gehouden door de uitvoerende rechterlijke autoriteit, maar zij is niet gebonden aan enig akkoord dat uit hoofde van het kaderbesluit betreffende het EAB is gesloten.

De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan tevens advies van Eurojust inwinnen (artikel 16, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB). Eurojust kan de coördinatie ondersteunen en versnellen en kan om een oordeel worden gevraagd over de samenloop van de EAB's. Idealiter wordt de beslissing over welk EAB wordt uitgevoerd gebaseerd op de toestemming van alle uitvaardigende rechterlijke autoriteiten.

De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet bij het overwegen welk EAB wordt uitgevoerd en of de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten tot een akkoord komen, in het bijzonder rekening houden met de volgende factoren (artikel 16, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB):

a)

de ernst van de strafbare feiten;

b)

de plaats waar de strafbare feiten zijn gepleegd;

c)

de data van de onderscheiden EAB's;

d)

het feit dat het bevel is uitgevaardigd ter fine van een strafvervolging of voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.

Deze lijst is niet limitatief. Bovendien zijn er geen duidelijke regels over welke van die factoren prioriteit moet krijgen — dit moet per geval worden overwogen. Artikel 16 van het kaderbesluit betreffende het EAB vereist in elk geval dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit rekening houdt met de situatie. Daarom moet een eenvoudige beslissing op basis van chronologie worden vermeden.

De uitvoerende rechterlijke autoriteiten kunnen zich ook beroepen op De richtlijnen van Eurojust bij het beslissen over concurrerende EAB's, opgenomen in het Eurojust-jaarverslag 2004 (beschikbaar op www.eurojust.europa.eu).

Wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit een beslissing tot overlevering neemt, is het essentieel dat zij duidelijk aangeeft welk EAB de basis vormt voor de overlevering. Bovendien moet het Sirene-bureau van de uitvoerende lidstaat dan een G-formulier naar elke betrokken lidstaat verzenden (punt 3.2 van het Sirene-handboek).

De beoordeling over welke EAB's worden uitgevoerd, mag enkel betrekking hebben op die EAB's die ten uitvoer kunnen worden gelegd. Daarom kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit eerst elk EAB beoordelen om vast te stellen of het op zichzelf kan worden uitgevoerd. Indien op een van de EAB's een grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van toepassing is, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit voor de duidelijkheid een afzonderlijke beslissing nemen om de uitvoering van dat EAB te weigeren.

5.10.2.   „Parallelle procedures”

Wanneer twee of meer lidstaten EAB's uitvaardigen voor dezelfde strafbare feiten en dezelfde persoon, moeten de bevoegde autoriteiten daarover communiceren en samenwerken. Die plicht volgt uit Kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad van 30 november 2009 over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures (40). In die situaties wordt de bevoegde autoriteiten aangeraden hun nationale wetgeving te raadplegen die dit kaderbesluit ten uitvoer legt.

Wanneer er geen akkoord wordt gevonden, moeten de betrokken bevoegde autoriteiten de zaak voorleggen aan Eurojust indien Eurojust bevoegd is om op te treden (41). Eurojust kan ook in andere situaties worden geraadpleegd.

Lidstaten die dergelijk parallelle EAB's ontvangen, dienen de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende staten van de parallelle procedures op de hoogte te stellen.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten die de EAB's hebben uitgevaardigd, dienen de uitvoerende rechterlijke autoriteit in kennis te stellen van hun samenwerking om het geschil over de uitoefening van rechtsmacht op te lossen en van enige toestemming die in die procedure is verkregen.

6.   VERREKENING VAN DE PERIODE VAN VRIJHEIDSBENEMING IN DE UITVOERENDE LIDSTAAT

Na de overlevering van de gezochte persoon moet de uitvaardigende lidstaat de perioden van vrijheidsbeneming ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het EAB in acht nemen. Elke periode van vrijheidsbeneming moet in mindering worden gebracht op de totale duur van de vrijheidsstraf of vrijheidsbeneming die in de uitvaardigende lidstaat moet worden ondergaan (artikel 26 van het kaderbesluit betreffende het EAB). Indien de betrokkene wordt vrijgesproken, kunnen bepalingen van de uitvaardigende lidstaat tot schadevergoeding van toepassing zijn.

Zoals beschreven in punt 4.5.2 van dit handboek moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit of de centrale autoriteit van de uitvoerende lidstaat daarom de gegevens over de duur van de vrijheidsbeneming van de gezochte persoon op grond van het EAB verstrekken. Die informatie moet worden verstrekt op het tijdstip van de overlevering (zie ook het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-294/16 PPU JZ).

7.   VERDERE OVERLEVERING

7.1.   Aan een andere lidstaat

Na de overlevering van de gezochte persoon aan de uitvaardigende lidstaat op grond van een EAB, kan het nodig zijn dat die lidstaat dient te beslissen over de uitvoering van een ander EAB dat door een andere lidstaat is uitgevaardigd voor dezelfde persoon. Overeenkomstig artikel 28, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB kan de uitvaardigende lidstaat de persoon daarna aan een andere lidstaat overleveren zonder de toestemming van de eerste uitvoerende lidstaat in de volgende gevallen:

a)

indien de gezochte persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij was overgeleverd, heeft verlaten, of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd;

b)

indien de gezochte persoon instemt met overlevering aan een andere lidstaat dan de uitvoerende lidstaat krachtens een EAB.

De toestemming door de gezochte persoon dient te worden gegeven ten overstaan van de bevoegde rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat. De toestemming dient te worden opgetekend overeenkomstig het nationale recht van die staat. De toestemming moet aldus worden opgesteld dat daaruit duidelijk blijkt dat de betrokkene uit vrije wil heeft gehandeld en in bewustzijn van de gevolgen;

c)

indien de gezochte persoon niet onder het specialiteitsbeginsel valt. Het specialiteitsbeginsel, wanneer het van toepassing is, verhindert de vrijheidsbeneming van de gezochte persoon voor strafbare feiten waarvoor hij niet is overgeleverd, en dus ook de verdere overlevering (zie punt 2.6 van dit handboek).

In andere gevallen is het nodig de toestemming van de eerste uitvoerende lidstaat te vragen alvorens tot verdere overlevering wordt overgegaan (42). De toestemming dient te worden verleend indien het strafbaar feit waarvoor de toestemming wordt verzocht op zichzelf de verplichting tot overlevering overeenkomstig de bepalingen van het kaderbesluit betreffende het EAB meebrengt, tenzij verplichte of facultatieve gronden voor weigering van de tenuitvoerlegging van toepassing zijn.

De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan, wanneer van toepassing, haar toestemming afhankelijk stellen van een van de voorwaarden inzake levenslange vrijheidsstraffen en de terugzending van onderdanen en ingezetenen zoals vastgelegd in artikel 5 van het kaderbesluit betreffende het EAB (zie punt 5.8 van dit handboek). In dergelijke gevallen moet de uitvaardigende lidstaat de gepaste garanties geven (artikel 28, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Wanneer een persoon voorwerp is geweest van meer dan één overlevering tussen lidstaten krachtens opeenvolgende EAB's, is de verdere overlevering van die persoon aan een andere lidstaat dan die welke hem als laatste heeft overgeleverd, uitsluitend onderworpen aan toestemming van de lidstaat die tot die laatste overlevering is overgegaan (zie het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-192/12 PPU, West) (43).

Procedure

Het verzoek tot toestemming moet met dezelfde procedure worden ingediend en moet dezelfde informatie bevatten als een normaal EAB. De bevoegde rechterlijke autoriteit zendt het verzoek tot toestemming rechtstreeks naar de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de persoon heeft overgeleverd. De informatie die in het verzoek moet zijn opgenomen, zoals uiteengezet in artikel 8, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB, moet worden vertaald volgens dezelfde regels als bij een EAB. De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet de beslissing over de toestemming uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek nemen (artikel 28, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Arrest van het Hof van Justitie in zaak C-192/12 PPU, West

„Artikel 28, lid 2, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad […] moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer een persoon voorwerp is geweest van meer dan één overlevering tussen lidstaten krachtens opeenvolgende Europese aanhoudingsbevelen, de verdere overlevering van deze persoon aan een andere lidstaat dan die welke hem als laatste heeft overgeleverd uitsluitend onderworpen is aan toestemming van de lidstaat die tot die laatste overlevering is overgegaan.”

7.2.   Aan een derde land

Een persoon die op grond van een EAB is overgeleverd, mag niet worden overgeleverd aan een land dat geen lidstaat is (derde land) zonder toestemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de gezochte persoon heeft overgeleverd. De toestemming wordt gegeven overeenkomstig de uitleveringsverdragen waardoor die lidstaat is gebonden, en overeenkomstig zijn interne wetgeving (artikel 28, lid 4, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

8.   VERPLICHTINGEN TEGENOVER DERDE LANDEN

8.1.   Gelijktijdige EAB's en uitleveringsverzoeken voor dezelfde persoon

8.1.1.   Verzoeken van derde landen

Een lidstaat kan gelijktijdig een EAB en een uitleveringsverzoek van een derde land ontvangen voor dezelfde persoon die op zijn grondgebied verblijft. Het kan gaan om dezelfde of verschillende feiten. De lidstaat heeft mogelijk verschillende autoriteiten verantwoordelijk gesteld om te beslissen over de tenuitvoerlegging van EAB's enerzijds en uitleveringsverzoeken anderzijds. In dergelijke gevallen moeten die autoriteiten samenwerken om te beslissen over hoe te werk te gaan op basis van de onderstaande criteria. De betrokken staten kunnen ook Eurojust of het EJN verzoeken advies en hulp bij de coördinatie te verlenen.

Er staan geen regels in het kaderbesluit betreffende het EAB waaraan prioriteit moet worden verleend. Volgens artikel 16, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB moet de lidstaat rekening houden met alle omstandigheden, en met name met de criteria vermeld in artikel 16, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB, om te beslissen welk EAB ten uitvoer moet worden gelegd wanneer meerdere EAB's dezelfde persoon betreffen.

Daartoe moeten de bevoegde autoriteiten rekening houden met de volgende factoren:

a)

de ernst van de strafbare feiten;

b)

de plaats waar ze zijn gepleegd;

c)

de data van het EAB en het uitleveringsverzoek;

d)

het feit dat het bevel is uitgevaardigd ter fine van een strafvervolging of voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.

De uitvoerende rechterlijke autoriteiten kunnen zich ook beroepen op De richtlijnen van Eurojust bij het beslissen over concurrerende EAB's, opgenomen in het Eurojust-jaarverslag 2004 (beschikbaar op www.eurojust.europa.eu).

Bovendien moeten de in het relevante uitleveringsverdrag vermelde criteria in acht worden genomen. Die criteria kunnen met name betrekking hebben op de gronden tot weigering van uitlevering en de regels voor meerdere uitleveringsverzoeken.

Wanneer het uitleveringsverzoek van een derde land gericht is aan een lidstaat die regels heeft volgens dewelke de eigen onderdanen bescherming tegen uitlevering genieten en het verzoek een onderdaan van een andere lidstaat betreft, moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit de lidstaat waarvan de burger in kwestie een onderdaan is daarvan in kennis stellen en, indien van toepassing, de betrokkene aan die lidstaat overleveren op grond van het EAB, in overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-182/15, Petruhhin (44).

„De artikelen 18 en 21 VWEU moeten aldus worden uitgelegd dat, indien een derde land een lidstaat waarnaar een Unieburger die onderdaan is van een andere lidstaat, zich heeft begeven, om uitlevering verzoekt, en er tussen het derde land en de aangezochte lidstaat een uitleveringsverdrag bestaat, de aangezochte lidstaat de lidstaat waarvan deze onderdaan de nationaliteit heeft op de hoogte dient te brengen en deze onderdaan in voorkomend geval op verzoek van deze laatste lidstaat aan hem dient over te leveren overeenkomstig Kaderbesluit 2002/584/JBZ […] op voorwaarde dat deze laatste lidstaat ingevolge zijn nationale recht bevoegd is om deze persoon te vervolgen voor buiten zijn nationale grondgebied gepleegde feiten.

In het geval waarin een derde land een lidstaat verzoekt om uitlevering van een onderdaan van een andere lidstaat, moet deze eerste lidstaat nagaan of de uitlevering geen afbreuk doet aan de in artikel 19 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde rechten.”

8.1.2.   Verzoeken van het Internationaal Strafhof (ICC)

Indien een lidstaat gelijktijdig een EAB en een uitleveringsverzoek van het ICC ontvangt voor dezelfde persoon, moet(en) de bevoegde autoriteit(en) rekening houden met alle omstandigheden die in punt 8.1.1 van dit handboek zijn vermeld. De verplichtingen van lidstaten uit hoofde van het Statuut inzake het Internationaal Strafhof hebben echter voorrang op de uitvoering van het EAB (artikel 16, lid 4, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

8.2.   Voorafgaande uitlevering uit een derde land en het specialiteitsbeginsel

Indien de gezochte persoon aan de uitvoerende lidstaat is uitgeleverd door een derde land, kan, afhankelijk van de regels van het toepasselijke uitleveringsverdrag, de uitlevering onderworpen zijn aan het specialiteitsbeginsel. Volgens het specialiteitsbeginsel kan de uitgeleverde persoon enkel worden vervolgd of de vrijheid worden ontnomen voor (het) strafbare feit(en) waarvoor hij is uitgeleverd. Het kaderbesluit betreffende het EAB laat de verplichtingen van de uitvoerende lidstaat onverlet om het specialiteitsbeginsel in dergelijke situaties te respecteren (artikel 21 van het kaderbesluit betreffende het EAB). Dit wil zeggen dat de uitvoerende lidstaat de betrokkene mogelijk niet verder kan overleveren zonder de toestemming van het land dat de betrokkene heeft uitgeleverd.

Om dergelijke situaties op te lossen, schrijft het kaderbesluit betreffende het EAB voor dat de uitvoerende lidstaat alle nodige maatregelen neemt om onmiddellijk om de toestemming te verzoeken van het derde land (dat de gezochte persoon heeft uitgeleverd), met het oog op diens overlevering aan de lidstaat die het EAB heeft uitgevaardigd (artikel 21 van het kaderbesluit betreffende het EAB).

De in artikel 17 van het kaderbesluit betreffende het EAB gestelde termijnen (zie punt 4.1 van dit handboek) beginnen pas te lopen vanaf de datum waarop het specialiteitsbeginsel niet langer van toepassing is. In afwachting van de beslissing van het derde land dat de gezochte persoon heeft uitgeleverd, moet de uitvoerende lidstaat zich ervan vergewissen dat de materiële voorwaarden die voor een daadwerkelijke overlevering nodig zijn, gehandhaafd blijven (artikel 21 van het kaderbesluit betreffende het EAB). Het kan in het bijzonder nodig zijn maatregelen te nemen om te voorkomen dat de betrokkene onderduikt.

9.   DOORTOCHT

9.1.   Doortocht via een andere lidstaat

Doortocht (artikel 25 van het kaderbesluit betreffende het EAB) betreft de situatie waarin de gezochte persoon van de uitvoerende lidstaat naar de uitvaardigende lidstaat wordt overgebracht via het grondgebied, over land of water, van een derde lidstaat. In die gevallen moet de derde lidstaat de doortocht toestaan. De bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat moet echter de volgende informatie aan de derde lidstaat verstrekken:

a)

de identiteit en nationaliteit van de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd;

b)

het bestaan van een EAB;

c)

de aard en de wettelijke omschrijving van het strafbare feit;

d)

de omstandigheden waaronder het strafbaar feit is gepleegd, met inbegrip van tijd en plaats.

Om de doortocht te bevorderen, moet die informatie zo snel mogelijk worden verstrekt voordat de doortocht wordt georganiseerd. De uitvaardigende rechterlijke autoriteit wordt daarom aangeraden om nog voordat een datum voor overlevering met de uitvoerende rechterlijke autoriteit wordt overeengekomen, rekening te houden met de mogelijke noodzaak van een doortocht. Dat is ook cruciaal om de in artikel 23 van het kaderbesluit betreffende het EAB vastgelegde strikte termijnen voor overlevering van de betrokkene te respecteren (normaliter tien dagen).

De informatie moet worden verstrekt aan de autoriteit die in de lidstaat in kwestie verantwoordelijk is voor de ontvangst van verzoeken om doortocht. Informatie over die autoriteiten per lidstaat is beschikbaar op de website van het EJN (justitiële atlas, fiches belges). De informatie kan aan de desbetreffende autoriteit worden verstrekt op elke wijze die een schriftelijke melding oplevert, met inbegrip van e-mail. De lidstaat van doortocht moet vervolgens op dezelfde wijze kennis geven van zijn beslissing (artikel 25, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

Het kaderbesluit betreffende het EAB stelt geen termijn vast voor verzoeken tot doortocht, maar het land van doortocht moet ze onverwijld behandelen.

Wanneer het vervoer door de lucht plaatsvindt en er geen tussenlanding is voorzien gelden die regels niet. In geval van een onvoorziene tussenlanding verstrekt de uitvaardigende lidstaat evenwel aan de aangewezen autoriteit in het land van doortocht de voornoemde gegevens, net zoals dat het geval is bij doortocht over land of water (artikel 25, lid 4, van het kaderbesluit betreffende het EAB).

9.2.   Onderdanen en ingezetenen van de lidstaat van doortocht

De uitzonderingen op de plicht de doortocht toe te staan, hebben betrekking op situaties waarin de persoon tegen wie een EAB is uitgevaardigd een onderdaan of ingezetene is van de lidstaat van doortocht. Wanneer een EAB ter fine van een strafvervolging is uitgevaardigd, kan de lidstaat van doortocht de doortocht afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de persoon, na gehoord te zijn, wordt teruggezonden naar de lidstaat van doortocht om daar de vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem of haar is opgelegd in de uitvaardigende lidstaat (artikel 25, lid 1, het kaderbesluit betreffende het EAB). In dat verband moet artikel 5, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB mutatis mutandis worden toegepast (zie punt 5.8.2 van dit handboek). Indien het EAB is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, kan de lidstaat van doortocht de doortocht weigeren.

9.3.   Uitlevering door een derde land aan een lidstaat

Hoewel het kaderbesluit betreffende het EAB de uitlevering door derde landen niet expliciet behandelt, zijn de regels voor doortocht in artikel 25 van het kaderbesluit betreffende het EAB, zoals beschreven in de punten 9.1 en 9.2 van dit handboek, mutatis mutandis van toepassing op uitlevering door een derde land aan een lidstaat. In dit verband moet het begrip „Europees aanhoudingsbevel” in artikel 25 van het kaderbesluit betreffende het EAB worden gelezen als „uitleveringsverzoek” (artikel 25, lid 5).

10.   NIET-UITGEVOERDE EAB's

10.1.   Waarborgen dat de persoon niet opnieuw wordt aangehouden in dezelfde lidstaat

Wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist de uitvoering van het EAB te weigeren, dient de bevoegde autoriteit van die lidstaat te waarborgen dat het geweigerde EAB op zijn grondgebied niet langer kan leiden tot de aanhouding van de gezochte persoon. Om dat te waarborgen, moeten volgende stappen worden ondernomen:

a)

de overeenkomstige signalering in het SIS wordt gemarkeerd; en

b)

de eventuele overeenkomstige signaleringen in nationale systemen worden geannuleerd. Zie punt 2.6 van het Sirene-handboek voor meer informatie over de markeringsprocedure.

10.2.   Communicatie met de uitvaardigende lidstaat

De uitvoerende rechterlijke autoriteit moet haar beslissing betreffende de te ondernemen actie inzake het EAB meedelen aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit (artikel 22 van het kaderbesluit betreffende het EAB). Het is aan te raden om voor die kennisgeving het standaardformulier uit bijlage VII bij dit handboek te gebruiken. Wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist de tenuitvoerlegging van het EAB te weigeren, kan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit op basis van die kennisgeving overwegen of zij het EAB wil handhaven of herroepen.

10.3.   Overweging van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit of zij het EAB al dan niet handhaaft

Het kaderbesluit betreffende het EAB vereist niet dat het EAB wordt herroepen indien een lidstaat weigert het EAB ten uitvoer te leggen — andere lidstaten kunnen het EAB mogelijk nog uitvoeren. Daarom blijven het EAB en de overeenkomstige signalering in het SIS geldig, tenzij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit beslist het EAB te herroepen.

Er moeten echter altijd legitieme gronden zijn voor een bestaand EAB. Wanneer de uitvaardigende rechterlijke autoriteit overweegt of zij het EAB al dan niet zal handhaven nadat de lidstaat heeft geweigerd het ten uitvoer te leggen, moet zij rekening houden met de omstandigheden van de zaak en het toepasselijke nationale en Unierecht, met inbegrip van de grondrechten. Met name de volgende vragen kunnen in aanmerking worden genomen:

a)

is het waarschijnlijk dat de grond tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging die de uitvoerende rechterlijke autoriteit heeft toegepast, ook door andere lidstaten wordt toegepast? Dit is in het bijzonder relevant voor het beginsel ne bis in idem (artikel 3, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB);

b)

is het nog evenredig het EAB te handhaven (zie punt 2.4 van dit handboek)?;

c)

is het EAB de enige maatregel die doeltreffend kan zijn (zie punt 2.5 van dit handboek)?.

10.4.   Toetsing van lang bewaarde EAB's in het SIS

Elke uitvaardigende rechterlijke autoriteit moet haar signaleringen in het SIS blijven opvolgen. Mogelijks moet ze de verjaringstermijn van de betrokken strafbare feiten, evenals eventuele wijzigingen in het strafrechtelijke proces en de nationale wetgeving die van invloed zijn op de situatie van de gezochte persoon in acht nemen.

Overeenkomstig het SIS II-besluit worden signaleringen van personen niet langer in het SIS bewaard dan nodig is voor het nagestreefde doel (artikel 44, lid 1, van het SIS II-besluit). Zodra er geen grond meer is voor een EAB, moet de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat het EAB uit het SIS verwijderen. EAB's die in het SIS zijn opgenomen, blijven maximaal drie jaar in het systeem (tenzij ze zijn uitgevaardigd voor een kortere termijn) en worden daarna automatisch gewist (artikel 44, lid 5, van het SIS II-besluit). Daarom moet de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in elk geval binnen drie jaar na het opnemen van het EAB in het SIS beslissen of de duur moet worden verlengd. De lidstaten kunnen kortere toetsingstermijnen vaststellen (artikel 44, lid 3, van het SIS II-besluit).

Signaleringen moeten uit het SIS worden gewist wanneer de persoon is overgeleverd.

11.   PROCEDURELE RECHTEN VAN DE GEZOCHTE PERSOON

Het kaderbesluit betreffende het EAB kent de gezochte persoon verschillende procedurele rechten toe. Overeenkomstig artikel 11 van het kaderbesluit betreffende het EAB heeft de gezochte persoon het recht in kennis te worden gesteld van het bestaan en de inhoud van het EAB, van de mogelijkheid om met overlevering in te stemmen, en van het recht op bijstand van een raadsman en van een tolk. Die rechten moeten worden verleend overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat. Bovendien verlenen verschillende bepalingen van het kaderbesluit betreffende het EAB rechten aan de gezochte persoon, met name artikel 4 bis, lid 2 (recht op informatie over verstekvonnissen), artikel 13, lid 2 (bijstand door een raadsman voor de beslissing tot instemming), artikel 14 en artikel 19 (het recht te worden gehoord), artikel 23, lid 5 (invrijheidstelling na het verstrijken van de termijnen voor overlevering van de betrokkene).

Die rechten worden versterkt door de specifieke instrumenten voor procedurele garanties, zoals hieronder beschreven in de punten 11.1-11.8.

11.1.   Recht op vertolking en vertaling

Het recht op vertolking en vertaling is van toepassing op de uitvoering van een EAB, zoals vastgesteld in Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (45).

Artikel 2, lid 7, van Richtlijn 2010/64/EU vereist dat de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende lidstaat de volgende rechten toekennen aan personen tegen wie een EAB-procedure wordt gevoerd en die de taal van de procedure niet spreken of verstaan:

a)

het recht op vertolking, onverwijld, tijdens strafprocedures, voor onderzoeks- en rechterlijke autoriteiten, onder meer tijdens politieverhoren, alle zittingen voor een rechterlijke instantie en alle noodzakelijke tussentijdse zittingen;

b)

het recht op vertolking voor communicatie tussen de verdachte of beklaagde en zijn raadsman die rechtstreeks verband houdt met een verhoor of zitting tijdens de procedure, met de instelling van een beroep of met andere procedurele verzoeken;

c)

het recht een besluit aan te vechten waarbij wordt vastgesteld dat er geen vertolking nodig is en de mogelijkheid om een klacht te formuleren omdat de kwaliteit van de vertolking onvoldoende is om het eerlijke verloop van de procedure te garanderen.

Artikel 3, lid 6, van Richtlijn 2010/64/EU bepaalt dat de bevoegde autoriteiten van de uitvoerende lidstaat een schriftelijke vertaling van het EAB verstrekken aan eenieder tegen wie procedures betreffende de tenuitvoerlegging van een EAB worden gevoerd en die de taal waarin het EAB is gesteld niet verstaat. Bij wijze van uitzondering kan, in plaats van een schriftelijke vertaling, een mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting worden verstrekt, op voorwaarde dat die mondelinge vertaling of mondelinge samenvatting het eerlijke verloop van de procedure onverlet laat.

Vertolking en vertaling moeten van voldoende kwaliteit zijn om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen, met name door ervoor te zorgen dat de verdachte of beklaagde geïnformeerd is over de zaak tegen hem en in staat is zijn recht van verdediging uit te oefenen. Het is ook belangrijk op te merken dat de lidstaten de kosten van vertolking en vertaling voor hun rekening moeten nemen, ongeacht de uitkomst van de procedure.

11.2.   Recht op informatie

Het recht op schriftelijke informatie over rechten bij aanhouding, zoals bepaald in Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (46), geldt voor personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een EAB.

Artikel 5 van Richtlijn 2012/13/EU vereist dat personen die zijn aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van een EAB onverwijld een passende verklaring van rechten ontvangen met informatie over hun rechten zoals voorzien in de wetgeving van de uitvoerende lidstaat tot uitvoering van het kaderbesluit betreffende het EAB. Bijlage II bij Richtlijn 2012/13/EU bevat een indicatief model van een dergelijke verklaring (hernomen in bijlage IX bij dit handboek).

Wanneer informatie wordt verstrekt, wordt dit geregistreerd volgens de registratieprocedure waarin het recht van de betrokken lidstaat voorziet. Verdachten en beklaagden hebben het recht om, overeenkomstig de procedures in het nationale recht, op te komen tegen elke weigering of elk verzuim om informatie te verstrekken.

11.3.   Recht op toegang tot een advocaat

Overeenkomstig Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (47) is het recht op toegang tot een advocaat van toepassing op personen tegen wie een EAB is uitgevaardigd.

Personen tegen wie een EAB is uitgevaardigd, hebben vanaf hun aanhouding op grond van het EAB recht op toegang tot een advocaat in de uitvoerende lidstaat (artikel 10, leden 1, 2 en 3, van Richtlijn 2013/48/EU). Met betrekking tot de inhoud van dat recht op toegang tot een advocaat in de uitvoerende lidstaat, hebben gezochte personen de volgende rechten:

a)

het recht op toegang tot een advocaat op een zodanig moment en op een zodanige wijze dat de gezochte personen hun rechten daadwerkelijk en in ieder geval zonder onnodig uitstel na de vrijheidsbeneming kunnen uitoefenen;

b)

het recht om te communiceren met de advocaat die hen vertegenwoordigt en deze te ontmoeten;

c)

het recht dat hun advocaat aanwezig is bij en, overeenkomstig procedures in het nationale recht, deelneemt aan een verhoor door de uitvoerende rechterlijke instantie.

Bovendien hebben gezochte personen het recht om in de uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen (artikel 10, leden 4, 5 en 6, van Richtlijn 2013/48/EU). De rol van die advocaat is de advocaat in de uitvoerende lidstaat bij te staan, door die advocaat informatie en advies te verstrekken teneinde de gezochte personen hun rechten uit hoofde van het kaderbesluit betreffende het EAB daadwerkelijk te laten uitoefenen.

11.4.   Recht om een derde op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbeneming

Personen tegen wie een EAB is uitgevaardigd, hebben vanaf hun aanhouding in de uitvoerende lidstaat het recht om ten minste één door hen aangeduide persoon, bijvoorbeeld een familielid of een werkgever, zonder onnodig uitstel op de hoogte te laten brengen van hun vrijheidsbeneming (48).

11.5.   Recht om met derden te communiceren

Personen tegen wie een EAB is uitgevaardigd, hebben vanaf hun aanhouding in de uitvoerende lidstaat het recht om zonder onnodig uitstel met ten minste één door hen aangeduide derde, zoals een familielid, te communiceren (49).

11.6.   Recht op communicatie met de consulaire autoriteiten

Personen tegen wie een EAB is uitgevaardigd en die geen onderdaan zijn, hebben vanaf hun aanhouding in de uitvoerende lidstaat het recht om de consulaire autoriteiten van de lidstaat waarvan zij de nationaliteit hebben, zonder onnodig uitstel op de hoogte te laten brengen van de vrijheidsbeneming, en met die autoriteiten te communiceren (50).

Ze hebben tevens het recht door hun consulaire autoriteiten te worden bezocht, zich met hen te onderhouden en met hen te corresponderen en het recht om hun vertegenwoordiging in rechte door hun consulaire autoriteiten geregeld te zien.

11.7.   Specifieke rechten voor kinderen

Er zijn voor kinderen tegen wie een EAB is uitgevaardigd specifieke waarborgen van toepassing vanaf hun aanhouding op basis van een EAB in de uitvoerende lidstaat (51). Die waarborgen hebben met name betrekking op:

a)

het recht op informatie;

b)

het recht om de persoon die het ouderlijk gezag heeft te laten informeren;

c)

het recht op bijstand door een advocaat;

d)

het recht op een medisch onderzoek;

e)

het recht op specifieke behandeling bij vrijheidsbeneming;

f)

het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

g)

het recht om tijdens procedures te worden vergezeld door de persoon die het ouderlijk gezag heeft.

11.8.   Recht op rechtsbijstand

Het recht op rechtsbijstand is van toepassing op personen tegen wie een EAB is uitgevaardigd, zoals bepaald in Richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (52).

Personen tegen wie een EAB is uitgevaardigd, hebben vanaf hun aanhouding uit hoofde van een EAB tot hun overlevering, of tot de beslissing inzake niet-overlevering definitief geworden is, in de uitvoerende lidstaat recht op rechtsbijstand (artikel 5, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/1919).

Bovendien hebben gezochte personen die hun recht uitoefenen om in de uitvaardigende lidstaat een advocaat aan te wijzen om de advocaat in de uitvoerende lidstaat bij te staan, overeenkomstig artikel 10, leden 4 en 5, van Richtlijn 2013/48/EU, ook in de uitvaardigende lidstaat recht op rechtsbijstand, voor zover rechtsbijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen (artikel 5, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/1919).

De lidstaten kunnen in beide gevallen criteria toepassen in het kader van een draagkrachttoets overeenkomstig artikel 4, lid 3, van Richtlijn (EU) 2016/1919, die mutatis mutandis toepassing zijn op rechtsbijstand in EAB-procedures (artikel 5, lid 3, van die Richtlijn). Bij een dergelijke draagkrachttoets dient daarom rekening te worden gehouden met alle relevante en objectieve factoren, waaronder inkomen, vermogen en gezinssituatie van de betrokkene, alsook de kosten van de bijstand van een advocaat en de levensstandaard in die lidstaat, om overeenkomstig de in die lidstaat toepasselijke criteria te bepalen of een gezochte persoon onvoldoende middelen heeft om voor de bijstand van een advocaat te betalen.


(1)  8216/2/08 REV 2 COPEN 70 EJN 26 EUROJUST 31.

(2)  17195/1/10 REV 1 COPEN 275 EJN 72 EUROJUST 139.

(3)  Protocol (nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen.

(4)  PB L 190 van 18.7.2002, blz. 1.

(5)  PB C 78 van 30.3.1995, blz. 2.

(6)  PB C 313 van 23.10.1996, blz. 12.

(7)  PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19.

(8)  Arrest van het Hof van Justitie van 10 november 2016, Poltorak, C-452/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:858.

(9)  Arrest van het Hof van Justitie van 10 november 2016, Kovalkovas, C-477/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:861.

(10)  PB L 205 van 7.8.2007, blz. 63.

(11)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1209 van de Commissie van 12 juli 2016 tot vervanging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2013/115/EU tot vaststelling van het Sirene-handboek en andere uitvoeringsmaatregelen voor het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 4283) (PB L 203 van 28.7.2016, blz. 35).

(12)  Arrest van het Hof van Justitie van 11 januari 2017, Grundza, C-289/15, ECLI:EU:C:2017:4, punt 38.

(13)  Kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 tot wijziging van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, Kaderbesluit 2005/214/JBZ, Kaderbesluit 2006/783/JBZ, Kaderbesluit 2008/909/JBZ en Kaderbesluit 2008/947/JBZ en tot versterking van de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen gegeven ten aanzien van personen die niet verschenen zijn tijdens het proces (PB L 81 van 27.3.2009, blz. 24).

(14)  Beschikking van het Hof van Justitie van 25 september 2015, A., C-463/15 PPU, ECLI:EU:C:2015:634.

(15)  PB L 327 van 5.12.2008, blz. 27.

(16)  Arrest van het Hof van Justitie van 1 juni 2016, Bob-Dogi, C-241/15, ECLI:EU:C:2016:385.

(17)  Arrest van het Hof van Justitie van 10 november 2016, Özçelik, C-453/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:860.

(18)  Arrest van het Hof van Justitie van 3 mei 2007, Advocaten voor de Wereld, C-303/05, ECLI:EU:C:2007:261, punten 48-61.

(19)  PB L 130 van 1.5.2014, blz. 1.

(20)  Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie (PB C 197 van 12.7.2000, blz. 3).

(21)  PB L 294 van 11.11.2009, blz. 20.

(22)  PB L 337 van 16.12.2008, blz. 102.

(23)  PB L 76 van 22.3.2005, blz. 16.

(24)  Arrest van het Hof van Justitie van 14 november 2013, Baláz, C-60/12, ECLI:EU:C:2013:733.

(25)  Arrest van het Hof van Justitie van 1 december 2008, Leymann en Pustovarov, C-388/08 PPU, ECLI:EU:C:2008:669.

(26)  Een algemene inleiding op de taken van Eurojust en het EJN is te vinden in het document „Steun bij internationale samenwerking in strafzaken voor praktijkmensen — Europees justitieel netwerk en Eurojust — Wat kunnen zij betekenen?”, beschikbaar op zowel de website van het EJN (https://www.ejn-crimjust.europa.eu) als de website van Eurojust (http://www.eurojust.europa.eu).

(27)  Arrest van het Hof van Justitie van 30 mei 2013, Jeremy F., C-168/13 PPU, ECLI:EU:C:2013:358.

(28)  Arrest van het Hof van Justitie van 16 juli 2015, Lanigan, C-237/15 PPU, ECLI:EU:C:2015:474.

(29)  Arrest van het Hof van Justitie van 25 januari 2017, Vilkas, C-640/15, ECLI:EU:C:2017:39.

(30)  Een algemene inleiding op de taken van Eurojust en het EJN is te vinden in het document „Steun bij internationale samenwerking in strafzaken voor praktijkmensen — Europees justitieel netwerk en Eurojust — Wat kunnen zij betekenen?”, beschikbaar op zowel de website van het EJN (https://www.ejn-crimjust.europa.eu) als de website van Eurojust (http://www.eurojust.europa.eu).

(31)  Arrest van het Hof van Justitie van 28 juli 2016, JZ, C-294/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:610.

(32)  Arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 2009, Wolzenburg, C-123/08, ECLI:EU:C:2009:616; arrest van het Hof van Justitie van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, gevoegde zaken C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198.

(33)  Arrest van het Hof van Justitie van 16 november 2010, Mantello, C-261/09, ECLI:EU:C:2010:683.

(34)  Arrest van het Hof van Justitie van 27 mei 2014, Spasic, C-129/14 PPU, ECLI:EU:C:2014:586.

(35)  Arrest van het Hof van Justitie van 17 juli 2008, Kozłowski, C-66/08, ECLI:EU:C:2008:437.

(36)  Arrest van het Hof van Justitie van 5 september 2012, Lopes da Silva Jorge, C-42/11, ECLI:EU:C:2012:517.

(37)  Arrest van het Hof van Justitie van 26 februari 2013, Melloni, C-399/11, ECLI:EU:C:2013:107.

(38)  Arrest van het Hof van Justitie van 24 mei 2016, Dworzecki, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346.

(39)  Arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2010, I.B., C-306/09, ECLI:EU:C:2010:626.

(40)  PB L 328 van 15.12.2009, blz. 42.

(41)  Zie Besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken (PB L 63 van 6.3.2002, blz. 1).

(42)  Artikel 28, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB voorziet in de mogelijkheid dat lidstaten kunnen aangeven dat, in hun betrekkingen met andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht, hun toestemming voor een dergelijke overlevering of verdere uitlevering wordt geacht te zijn gegeven. Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, heeft enkel Roemenië dergelijke kennisgeving gedaan.

(43)  Arrest van het Hof van Justitie van 28 juni 2012, West, C-192/12 PPU, ECLI:EU:C:2012:404.

(44)  Arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2016, Petruhhin, C-182/15, ECLI:EU:C:2016:630.

(45)  PB L 280 van 26.10.2010, blz. 1. Denemarken is niet gebonden door die richtlijn.

(46)  PB L 142 van 1.6.2012, blz. 1. Denemarken is niet gebonden door die richtlijn.

(47)  PB L 294 van 6.11.2013, blz. 1. De omzettingstermijn voor deze richtlijn was 27 november 2016. Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk zijn niet gebonden door deze richtlijn.

(48)  Richtlijn 2013/48/EU, artikel 5.

(49)  Richtlijn 2013/48/EU, artikel 6.

(50)  Richtlijn 2013/48/EU, artikel 7.

(51)  Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (PB L 132 van 21.5.2016, blz. 1). De omzettingstermijn voor die richtlijn is 11 juni 2019 voor de lidstaten. Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk zijn niet gebonden door die richtlijn.

(52)  PB L 297 van 4.11.2016, blz. 1. De omzettingstermijn voor die richtlijn is 25 mei 2019. Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk zijn niet gebonden door die richtlijn.


BIJLAGE I

Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel, officieuze consolidatie  (1)

Tekst in het Nederlands van het kaderbesluit betreffende het EAB

KADERBESLUIT VAN DE RAAD

van 13 juni 2002

betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten

(2002/584/JBZ)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name op artikel 31, onder a) en b), en artikel 34, lid 2, onder b),

Gezien het voorstel van de Commissie (2),

Gezien het advies van het Europees Parlement (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, en met name punt 35, moet voor personen die na een definitieve veroordeling aan de rechtspleging proberen te ontkomen, de formele uitleveringsprocedure tussen de lidstaten worden afgeschaft en moeten voor personen die ervan verdacht worden een strafbaar feit te hebben begaan, de uitleveringsprocedures worden versneld.

(2)

Het programma van maatregelen om uitvoering te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke beslissingen zoals vermeld in punt 37 van de conclusies van de Europese Raad van Tampere, dat door de Raad is aangenomen op 30 november 2000 (4), bevat de wederzijdse tenuitvoerlegging van aanhoudingsbevelen.

(3)

Alle of sommige lidstaten zijn partij bij verdragen inzake uitlevering, waaronder het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 en het Europees Verdrag ter bestrijding van terrorisme van 27 januari 1977. De noordse landen hebben identiek geformuleerde uitleveringswetten vastgesteld.

(4)

Daarnaast hebben de lidstaten de drie akten goedgekeurd, welke geheel of gedeeltelijk op uitlevering betrekking hebben en die deel uitmaken van het acquis van de Unie: de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985 betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (in betrekkingen tussen de lidstaten die partij bij die overeenkomst zijn) (5), de Overeenkomst van 10 maart 1995 aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (6) en de Overeenkomst van 27 september 1996 betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (7).

(5)

De opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden, brengt mee dat uitlevering tussen de lidstaten moet worden afgeschaft en vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten. Met de invoering van een nieuwe en vereenvoudigde regeling van overlevering van veroordeelde of verdachte personen ter fine van tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en vervolging kan tevens een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de huidige uitleveringsprocedures. De klassieke samenwerking die tot dusverre in de betrekkingen tussen de lidstaten overheerste, moet worden vervangen door een vrij verkeer van beslissingen in strafzaken, zowel in de onderzoeks- als in de berechtingsfase, in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.

(6)

Het Europees aanhoudingsbevel waarin dit kaderbesluit voorziet, vormt de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning, welk beginsel de Europese Raad als hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking beschouwt.

(7)

Daar de beoogde vervanging van het multilaterale uitleveringsstelsel, gebaseerd op het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 niet voldoende door de lidstaten op unilaterale wijze kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de dimensie en effecten ervan beter op het niveau van de Unie haar beslag kan krijgen, kan de Raad overeenkomstig het in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in artikel 5 van het EG-Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, zoals in laatstgenoemd artikel neergelegd, gaat dit kaderbesluit niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(8)

Beslissingen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel mogen pas worden genomen na een toereikende controle, hetgeen betekent dat een rechterlijke autoriteit van de lidstaat waar de gezochte persoon is aangehouden, dient te beslissen of deze al dan niet wordt overgeleverd.

(9)

De rol van de centrale autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel moet beperkt blijven tot het verlenen van praktische en administratieve bijstand.

(10)

De regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. De toepassing ervan kan slechts worden opgeschort in geval van een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde beginselen, welke schending door de Raad is geconstateerd overeenkomstig artikel 7, lid 1, en volgens de procedure van artikel 7, lid 2, van dat Verdrag.

(11)

De regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel dient in de onderlinge betrekkingen van de lidstaten in de plaats te treden van alle eerdere rechtsinstrumenten inzake uitlevering, met inbegrip van de uitleveringsbepalingen van titel III van de Schengenuitvoeringsovereenkomst.

(12)

Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend bij artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en zijn weergegeven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (8), met name in hoofdstuk VI. Niets in dit kaderbesluit staat eraan in de weg dat de overlevering kan worden geweigerd van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, indien er objectieve redenen bestaan om aan te nemen dat het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op vervolging of bestraffing van die persoon op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, etnische afstamming, nationaliteit, taal, politieke overtuiging of seksuele geaardheid of dat de positie van die persoon kan worden aangetast om een van deze redenen.

Dit kaderbesluit laat de toepassing door de lidstaten van hun grondwettelijke bepalingen betreffende het recht op een eerlijke rechtsgang, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van drukpers en de vrijheid van meningsuiting in andere media, onverlet.

(13)

Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar dan wel uitgeleverd aan een staat waarin een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.

(14)

Alle lidstaten hebben het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens geratificeerd. De bij de toepassing van dit kaderbesluit verwerkte persoonsgegevens dienen in overeenstemming met de beginselen van dit Verdrag te worden beschermd,

HEEFT HET VOLGENDE KADERBESLUIT VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

Algemene beginselen

Artikel 1

Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel

1.   Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

2.   De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.

3.   Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.

Artikel 2

Toepassingsgebied van het Europees aanhoudingsbevel

1.   Een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, met een maximum van ten minste twaalf maanden of, wanneer een straf of een maatregel is opgelegd, wegens opgelegde sancties met een duur van ten minste vier maanden.

2.   Tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel kunnen leiden, onder de voorwaarden van dit kaderbesluit en zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit, de navolgende strafbare feiten, indien daarop in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar en zoals omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat:

deelneming aan een criminele organisatie,

terrorisme,

mensenhandel,

seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie,

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen,

illegale handel in wapens, munitie en explosieven,

corruptie,

fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen,

witwassen van opbrengsten van misdrijven,

vervalsing met inbegrip van namaak van de euro,

informaticacriminaliteit,

milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en bedreigde planten- en boomsoorten,

hulp aan illegale binnenkomst en illegaal verblijf,

moord en doodslag, zware mishandeling,

illegale handel in menselijke organen en weefsels,

ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling,

racisme en vreemdelingenhaat,

georganiseerde of gewapende diefstal,

illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen,

oplichting,

racketeering en afpersing,

namaak van producten en productpiraterij,

vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten,

vervalsing van betaalmiddelen,

illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars,

illegale handel in nucleaire en radioactieve stoffen,

handel in gestolen voertuigen,

verkrachting,

opzettelijke brandstichting,

misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen,

kaping van vliegtuigen/schepen,

sabotage.

3.   De Raad kan te allen tijde met eenparigheid van stemmen en na raadpleging van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie besluiten andere categorieën van strafbare feiten aan de lijst van lid 2 van dit artikel toe te voegen. De Raad overweegt in het licht van het door de Commissie overeenkomstig artikel 34, lid 3, ingediende verslag of deze lijst moet worden uitgebreid of gewijzigd.

4.   Ten aanzien van andere dan de in lid 2 van dit artikel bedoelde strafbare feiten kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat het Europees aanhoudingsbevel berust op een naar het recht van de uitvoerende lidstaat strafbaar feit, ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan.

Artikel 3

Gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging

De rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat, hierna „de uitvoerende rechterlijke autoriteit” genoemd, weigert de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel in de volgende gevallen:

1.

het strafbaar feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, valt in de uitvoerende staat onder een amnestie en deze staat was krachtens zijn strafwetgeving bevoegd om dat strafbaar feit te vervolgen;

2.

uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de gezochte persoon onherroepelijk door een lidstaat is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer kan worden uitgevoerd volgens het recht van de veroordelende lidstaat;

3.

de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, kan krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat op grond van zijn leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld voor de feiten die aan dit bevel ten grondslag liggen.

Artikel 4

Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging

De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren in de volgende gevallen:

1.

in een van de in artikel 2, lid 4, bedoelde gevallen is het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt naar het recht van de uitvoerende lidstaat niet strafbaar; ter zake van retributies en belastingen, douane en deviezen mag de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel niet worden geweigerd op grond van het feit dat de uitvoerende lidstaat niet dezelfde soort retributies of belastingen heft, of niet dezelfde soort regelgeving inzake retributies, belastingen, douane en deviezen kent als de uitvaardigende lidstaat;

2.

de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, wordt in de uitvoerende lidstaat vervolgd wegens het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt;

3.

de uitvoerende rechterlijke autoriteiten van de lidstaat hebben besloten geen vervolging in te stellen wegens het strafbaar feit waarvoor het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, of een ingestelde vervolging te staken, dan wel wanneer in een lidstaat tegen de gezochte persoon voor dezelfde feiten een onherroepelijke beslissing is genomen die verdere vervolging onmogelijk maakt;

4.

de strafvervolging of de straf is volgens de wet van de uitvoerende lidstaat verjaard en de feiten vallen naar het strafrecht van deze lidstaat onder zijn rechtsmacht;

5.

uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de gezochte persoon door een derde land onherroepelijk is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, ingeval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer ten uitvoer kan worden gelegd volgens het recht van de staat van veroordeling;

6.

het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen;

7.

het Europees aanhoudingsbevel betreft een strafbaar feit dat

a)

naar het recht van de uitvoerende lidstaat geacht wordt geheel of ten dele te zijn gepleegd op het grondgebied van die lidstaat of op een daarmee gelijk te stellen plaats;

b)

buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat is gepleegd en er naar het recht van de uitvoerende lidstaat geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien een zelfde feit buiten het grondgebied van de uitvoerende lidstaat zou zijn gepleegd.

Artikel 4 bis

Beslissingen gegeven na een proces waarop de betrokkene niet in persoon is verschenen

1.   De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel ook weigeren, indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedurevoorschriften:

a)

de betrokkene tijdig

i)

persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces;

en

ii)

ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;

of dat

b)

de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd;

of dat

c)

de betrokkene nadat de beslissing aan hem was betekend en hij uitdrukkelijk was geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing:

i)

uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist;

of

ii)

niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend;

of dat

d)

de beslissing niet persoonlijk aan de betrokkene is betekend, maar:

i)

hem na overlevering onverwijld persoonlijk zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarop hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing;

en

ii)

dat de betrokkene wordt geïnformeerd over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

2.   Ingeval het Europees aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel onder de voorwaarden van lid 1, onder d), en de betrokkene nog niet officieel van de tegen hem bestaande strafprocedure in kennis is gesteld, kan hij wanneer hij van de inhoud van het Europees aanhoudingsbevel in kennis wordt gesteld, verzoeken een afschrift van het vonnis te ontvangen alvorens te worden overgeleverd. De uitvaardigende autoriteit overhandigt het afschrift onmiddellijk na van het verzoek in kennis te zijn gesteld via de uitvoerende autoriteit aan de betrokkene. Het verzoek van de betrokkene mag noch de overleveringsprocedure noch de beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel vertraging doen oplopen. De overhandiging van het vonnis aan de betrokkene geschiedt louter ter kennisgeving, is niet te beschouwen als officiële betekening van het vonnis en doet geen termijnen voor het aantekenen van verzet of hoger beroep ingaan.

3.   Ingeval de betrokkene wordt overgeleverd onder de voorwaarden van lid 1, onder d), en verzet of hoger beroep heeft aangetekend, wordt diens vrijheidsbeneming in afwachting van de procedure van verzet of hoger beroep en zolang deze niet is voltooid, herzien overeenkomstig het recht van de uitvaardigende staat, hetzij op regelmatige basis, hetzij op verzoek van de betrokkene. Bij die herziening wordt in het bijzonder de mogelijkheid tot schorsing of onderbreking van de vrijheidsbeneming overwogen. Het verzet of hoger beroep wordt na de overlevering tijdig ingeleid.

Artikel 5

Garanties van de uitvaardigende lidstaat in bijzondere gevallen

De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan door het recht van de uitvoerende lidstaat afhankelijk worden gesteld van een van de volgende voorwaarden:

1.

[geschrapt]

2.

indien het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, strafbaar is gesteld met een levenslange vrijheidsstraf of een maatregel welke levenslange vrijheidsbeneming meebrengt, kan de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat in het rechtsstelsel van de uitvaardigende lidstaat de mogelijkheid van herziening van de opgelegde straf of maatregel — op verzoek of ten minste na twintig jaar — bestaat, dan wel van toepassing van gratiemaatregelen waarvoor de betrokkene krachtens de nationale wetgeving of praktijk van die lidstaat in aanmerking kan komen, strekkende tot niet-uitvoering van die straf of maatregel;

3.

indien de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel ter fine van een strafvervolging is uitgevaardigd, onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is, kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de garantie dat de persoon, na te zijn berecht, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat.

Artikel 6

Bevoegde rechterlijke autoriteiten

1.   De uitvaardigende rechterlijke autoriteit is de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende lidstaat die bevoegd is om een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen krachtens het recht van de uitvaardigende lidstaat.

2.   De uitvoerende rechterlijke autoriteit is de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat die bevoegd is het Europees aanhoudingsbevel uit te voeren krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat.

3.   Iedere lidstaat deelt het secretariaat-generaal van de Raad mee welke rechterlijke autoriteit volgens zijn interne recht bevoegd is.

Artikel 7

Inschakeling van de centrale autoriteit

1.   Iedere lidstaat kan één of, indien zijn rechtsorde daarin voorziet, meer centrale autoriteiten aanwijzen om de bevoegde rechterlijke autoriteiten bij te staan.

2.   Een lidstaat kan, indien zijn interne rechterlijke organisatie zulks vereist, zijn centrale autoriteit(en) belasten met het toezenden en administratief in ontvangst nemen van de Europese aanhoudingsbevelen en van elke andere formele correspondentie dienaangaande.

De lidstaat die van deze mogelijkheid gebruik wil maken, stelt het secretariaat-generaal van de Raad in kennis van de gegevens met betrekking tot de centrale autoriteit(en). Die gegevens zijn bindend voor alle autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat.

Artikel 8

Inhoud en vorm van het Europees aanhoudingsbevel

1.   In het Europees aanhoudingsbevel worden overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model de navolgende gegevens vermeld:

a)

de identiteit en de nationaliteit van de gezochte persoon;

b)

de naam, het adres, het telefoon- en het faxnummer en het e-mailadres van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit;

c)

de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2;

d)

de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbaar feit, met name rekening houdend met artikel 2;

e)

een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit;

f)

de opgelegde straf, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafmaat;

g)

indien mogelijk, andere gevolgen van het strafbaar feit.

2.   Het Europees aanhoudingsbevel wordt vertaald in de officiële taal of in één van de officiële talen van de uitvoerende lidstaat. Elke lidstaat kan, bij de aanneming van dit kaderbesluit of op een later tijdstip, in een bij het secretariaat-generaal van de Raad neergelegde verklaring meedelen dat hij een vertaling in één of meer andere officiële talen van de instellingen van de Europese Gemeenschappen aanvaardt.

HOOFDSTUK 2

Overleveringsprocedure

Artikel 9

Toezending van een Europees aanhoudingsbevel

1.   Wanneer de plaats waar de persoon zich bevindt bekend is, kan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit het Europees aanhoudingsbevel rechtstreeks toezenden aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit.

2.   De uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan ook altijd besluiten om de gezochte persoon in het Schengeninformatiesysteem (SIS) te signaleren.

3.   Deze signalering vindt plaats overeenkomstig artikel 95 van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen. Een signalering in het SIS vergezeld van de gegevens vermeld in artikel 8, lid 1, geldt als Europees aanhoudingsbevel.

Tot het tijdstip waarop het SIS in staat zal zijn gesteld alle in artikel 8 vermelde gegevens mee te delen, geldt de signalering bij wijze van overgangsmaatregel als Europees aanhoudingsbevel in afwachting dat het origineel in de voorgeschreven vorm door de uitvoerende rechterlijke autoriteit is ontvangen.

Artikel 10

Wijze van toezending van een Europees aanhoudingsbevel

1.   Indien de uitvaardigende rechterlijke autoriteit niet weet wie de bevoegde uitvoerende rechterlijke autoriteit is, verricht zij de nodige naspeuringen, met name via de contactpunten van het Europees justitieel netwerk (9), om de informatie te verkrijgen van de uitvoerende lidstaat.

2.   Indien de uitvaardigende rechterlijke autoriteit zulks wenst, kan de toezending plaatsvinden via het beveiligd telecommunicatiesysteem van het Europees justitieel netwerk.

3.   Indien geen gebruik kan worden gemaakt van het SIS, kan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit voor de toezending van het Europees aanhoudingsbevel een beroep doen op de diensten van Interpol.

4.   De uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan het Europees aanhoudingsbevel toezenden op elke wijze die veilig is en die een schriftelijke melding oplevert en ten aanzien waarvan de uitvoerende lidstaat zich van de echtheid kan vergewissen.

5.   Wanneer moeilijkheden rijzen in verband met de toezending of de echtheid van een voor de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel noodzakelijk document, worden deze moeilijkheden opgelost door middel van rechtstreeks contact tussen de betrokken rechterlijke autoriteiten of in voorkomend geval door tussenkomst van de centrale autoriteiten van de betrokken lidstaten.

6.   Indien de autoriteit die een Europees aanhoudingsbevel ontvangt, niet bevoegd is om er gevolg aan te geven, zendt zij het Europees aanhoudingsbevel ambtshalve door aan de bevoegde autoriteit van haar lidstaat en stelt zij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan in kennis.

Artikel 11

Rechten van de gezochte persoon

1.   Wanneer een gezochte persoon wordt aangehouden, stelt de bevoegde uitvoerende rechterlijke autoriteit hem, overeenkomstig haar nationaal recht, in kennis van het bestaan en de inhoud van het Europees aanhoudingsbevel en van de mogelijkheid om met overlevering aan de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in te stemmen.

2.   Een gezochte persoon die ter fine van tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt aangehouden, heeft recht op bijstand van een raadsman en van een tolk, overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat.

Artikel 12

Voortgezette hechtenis van de persoon

Wanneer een persoon wordt aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel, beslist de uitvoerende rechterlijke autoriteit of betrokkene in hechtenis blijft overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat. Deze persoon kan op elk tijdstip overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat in voorlopige vrijheid worden gesteld, onverminderd de maatregelen die de bevoegde autoriteit van die lidstaat noodzakelijk acht om de vlucht van de gezochte persoon te voorkomen.

Artikel 13

Instemming met overlevering

1.   Indien de aangehouden persoon te kennen geeft dat hij instemt met zijn overlevering, wordt die instemming en, in voorkomend geval, de uitdrukkelijke afstand van de bescherming van het in artikel 27, lid 2, omschreven specialiteitsbeginsel gegeven ten overstaan van de uitvoerende rechterlijke autoriteit overeenkomstig het nationaal recht van de uitvoerende lidstaat.

2.   Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de instemming en, in voorkomend geval, de afstand, als bedoeld in lid 1, wordt verkregen onder omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene uit vrije wil handelt en zich volledig bewust is van de gevolgen. De gezochte persoon heeft te dien einde het recht zich te laten bijstaan door een raadsman.

3.   De instemming en, in voorkomend geval, de afstand, als bedoeld in lid 1, worden opgetekend in een proces-verbaal overeenkomstig het nationaal recht van de uitvoerende lidstaat.

4.   De instemming kan in beginsel niet worden herroepen. Elke lidstaat kan bepalen dat de instemming en, in voorkomend geval, de afstand overeenkomstig de toepasselijke regels van zijn nationaal recht kan worden herroepen. In dat geval wordt het tijdvak tussen de datum van instemming en de datum van afstand niet in aanmerking genomen voor het bepalen van de in artikel 17 gestelde termijnen. Een lidstaat die gebruik wenst te maken van deze mogelijkheid stelt het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie hiervan in kennis bij de aanneming van dit kaderbesluit en vermeldt de nadere regels volgens welke herroeping van de instemming mogelijk is, alsook iedere wijziging.

Artikel 14

Horen van de gezochte persoon

Indien de aangehouden persoon niet instemt met zijn overlevering als bedoeld in artikel 13, heeft hij het recht overeenkomstig het nationale recht van de uitvoerende staat door de uitvoerende rechterlijke autoriteit te worden gehoord.

Artikel 15

Beslissing over de overlevering

1.   De uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist, binnen de termijnen en onder de voorwaarden die in dit kaderbesluit zijn gesteld, over de overlevering van de betrokkene.

2.   Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit van oordeel is dat de door de uitvaardigende lidstaat meegedeelde gegevens onvoldoende zijn om haar in staat te stellen een beslissing te nemen over de overlevering, verzoekt zij dringend om aanvullende gegevens, met name in verband met de artikelen 3 tot en met 5 en artikel 8 en kan zij een uiterste datum voor de ontvangst ervan vaststellen, rekening houdend met de noodzaak de in artikel 17 gestelde termijn in acht te nemen.

3.   De uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan te allen tijde alle aanvullende dienstige inlichtingen aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit toezenden.

Artikel 16

Beslissing in geval van samenloop van verzoeken

1.   Indien twee of meer lidstaten ten aanzien van eenzelfde persoon een Europees aanhoudingsbevel hebben uitgevaardigd, houdt de uitvoerende rechterlijke autoriteit bij het nemen van haar beslissing over welk van deze aanhoudingsbevelen ten uitvoer zal worden gelegd, rekening met alle omstandigheden en met name met de ernst van de strafbare feiten en de plaats waar ze zijn gepleegd, met de data van de onderscheiden Europese aanhoudingsbevelen alsmede met het feit dat het bevel is uitgevaardigd ter fine van een strafvervolging of voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.

2.   De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan met het oog op een beslissing als bedoeld in lid 1 advies van Eurojust inwinnen (10).

3.   In geval van samenloop van een Europees aanhoudingsbevel en een uitleveringsverzoek van een derde land, houdt de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat bij het nemen van haar beslissing of aan het Europees aanhoudingsbevel dan wel aan het verzoek om uitlevering voorrang wordt gegeven, rekening met alle omstandigheden, met name die bedoeld in lid 1 alsmede die bedoeld in het toepasselijke verdrag.

4.   Dit artikel doet geen afbreuk aan de verplichtingen van de lidstaten krachtens het Statuut van het Internationaal Strafgerechtshof.

Artikel 17

Termijnen en modaliteiten van de beslissing

1.   Europese aanhoudingsbevelen worden met spoed behandeld en ten uitvoer gelegd.

2.   Indien de gezochte persoon met zijn overlevering instemt, zou de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel binnen tien dagen na deze instemming moeten worden genomen.

3.   In de andere gevallen zou de definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel binnen 60 dagen na de aanhouding van de gezochte persoon moeten worden genomen.

4.   Indien het Europees aanhoudingsbevel in specifieke gevallen niet binnen de in de leden 2 en 3 bepaalde termijnen ten uitvoer kan worden gelegd, stelt de uitvoerende rechterlijke autoriteit de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis en met opgave van redenen. In dat geval kunnen de termijnen met 30 dagen worden verlengd.

5.   Zolang de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende staat geen definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft genomen, verzekert zij zich ervan dat de materiële voorwaarden voor daadwerkelijke overlevering gehandhaafd blijven.

6.   Elke weigering om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen wordt met redenen omkleed.

7.   Wanneer een lidstaat in uitzonderlijke omstandigheden de in dit artikel gestelde termijnen niet kan naleven, stelt hij Eurojust daarvan in kennis, samen met de redenen voor de vertraging. Daarenboven stelt een lidstaat waarvan de Europese aanhoudingsbevelen bij herhaling door een andere lidstaat te laat ten uitvoer zijn gelegd, de Raad daarvan in kennis met het oog op een beoordeling van de uitvoering door de lidstaten van dit kaderbesluit.

Artikel 18

Situatie in afwachting van de beslissing

1.   Wanneer een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd ter fine van strafvervolging, dient de uitvoerende rechterlijke autoriteit ermee in te stemmen dat:

a)

de gezochte persoon wordt gehoord overeenkomstig artikel 19; of

b)

de gezochte persoon tijdelijk wordt overgebracht.

2.   De voorwaarden en de duur van de tijdelijke overbrenging worden in onderlinge overeenstemming tussen de uitvaardigende en de uitvoerende rechterlijke autoriteit vastgesteld.

3.   In geval van een tijdelijke overbrenging moet de persoon in het kader van de overleveringsprocedure naar de uitvoerende staat kunnen terugkeren om aanwezig te kunnen zijn bij de zittingen inzake zijn overlevering.

Artikel 19

Horen van de persoon in afwachting van de beslissing

1.   De gezochte persoon wordt gehoord door een rechterlijke autoriteit, bijgestaan door een andere persoon, die overeenkomstig het recht van de lidstaat van het verzoekende gerecht wordt aangewezen.

2.   De gezochte persoon wordt overeenkomstig het recht van de uitvoerende verzoekende lidstaat gehoord en onder de omstandigheden welke in onderlinge overeenstemming tussen de uitvaardigende en de uitvoerende rechterlijke autoriteit worden vastgesteld.

3.   De bevoegde uitvoerende rechterlijke autoriteit kan een andere rechterlijke autoriteit van de lidstaat waartoe zij behoort opdragen medewerking te verlenen aan het horen van de gezochte persoon met het oog op de juiste toepassing van dit artikel en de vastgestelde voorwaarden.

Artikel 20

Voorrechten en immuniteiten

1.   Indien de gezochte persoon in de uitvoerende staat een voorrecht of immuniteit ter zake van tenuitvoerlegging of rechtsmacht geniet, beginnen de in artikel 17 bedoelde termijnen slechts te lopen indien en vanaf de datum waarop de uitvoerende rechterlijke autoriteit ervan in kennis is gesteld dat dit voorrecht of deze immuniteit is opgeheven.

Indien de persoon geen immuniteit ter zake van tenuitvoerlegging of rechtspraak geniet, vergewist de uitvoerende staat zich ervan dat de materiële voorwaarden die voor een daadwerkelijke overlevering nodig zijn, vervuld blijven.

2.   Indien een autoriteit van de uitvoerende lidstaat bevoegd is voor de opheffing van het voorrecht of de immuniteit, verzoekt de uitvoerende rechterlijke autoriteit onverwijld hierom. Indien een autoriteit van een andere staat of van een internationale organisatie bevoegd is tot opheffing van het voorrecht of van de immuniteit, verzoekt de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarom.

Artikel 21

Samenloop van internationale verplichtingen

Dit kaderbesluit laat de verplichtingen van de uitvoerende lidstaat onverlet, indien de gezochte persoon aan die lidstaat is uitgeleverd door een derde staat die geen lid is van de Europese Unie en de gezochte persoon de bescherming geniet van de specialiteitsbepalingen van het instrument op grond waarvan hij is uitgeleverd. De uitvoerende lidstaat neemt alle nodige maatregelen om onverwijld om de toestemming te verzoeken van de staat die de gezochte persoon heeft uitgeleverd, met het oog op diens overlevering aan de uitvaardigende lidstaat. De in artikel 17 gestelde termijnen beginnen pas te lopen vanaf de datum waarop bescherming van het specialiteitsbeginsel niet langer geldt. In afwachting van de beslissing van de staat die de gezochte persoon heeft uitgeleverd, vergewist de uitvoerende lidstaat zich ervan dat de materiële voorwaarden die voor een daadwerkelijke overlevering nodig zijn, gehandhaafd blijven.

Artikel 22

Kennisgeving van de beslissing

De uitvoerende rechterlijke autoriteit stelt de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in kennis van de beslissing inzake het aan het Europees aanhoudingsbevel gegeven gevolg.

Artikel 23

Termijn voor overlevering van de persoon

1.   De gezochte persoon wordt zo spoedig mogelijk overgeleverd, op een datum die de betrokken autoriteiten in onderlinge overeenstemming vaststellen.

2.   De gezochte persoon wordt overgeleverd niet later dan tien dagen na de definitieve beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.

3.   Indien de uitvoerende lidstaat de gezochte persoon door omstandigheden buiten de macht van enige lidstaat niet binnen de in lid 2 gestelde termijn kan overleveren, nemen de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onmiddellijk contact met elkaar op en wordt in onderlinge overeenstemming een nieuwe datum voor de overlevering vastgesteld. In dat geval vindt overlevering plaats binnen tien dagen te rekenen vanaf de aldus vastgestelde nieuwe datum.

4.   De overlevering kan bij wijze van uitzondering tijdelijk worden opgeschort om ernstige humanitaire redenen, bijvoorbeeld indien er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat die overlevering het leven of de gezondheid van de gezochte persoon ernstig in gevaar zou brengen. De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel vindt plaats zodra deze gronden niet langer bestaan. De uitvoerende rechterlijke autoriteit stelt de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis en in onderlinge overeenstemming wordt een nieuwe datum voor overlevering vastgesteld. In dat geval vindt overlevering plaats binnen tien dagen te rekenen vanaf de aldus vastgestelde nieuwe datum.

5.   Indien de persoon na het verstrijken van de in de leden 2 tot en met 4 bedoelde termijnen nog steeds in hechtenis verkeert, wordt hij in vrijheid gesteld.

Artikel 24

Uitgestelde of voorwaardelijke overlevering

1.   De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan, nadat zij tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft besloten, de overlevering van de gezochte persoon uitstellen opdat betrokkene in de uitvoerende staat kan worden vervolgd of, indien hij reeds is veroordeeld, aldaar een straf kan ondergaan wegens een ander feit dan het in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feit.

2.   In plaats van de overlevering uit te stellen kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de gezochte persoon tijdelijk aan de uitvaardigende staat overleveren onder de door de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onderling overeengekomen voorwaarden. De overeenstemming wordt schriftelijk vastgelegd en de voorwaarden zijn bindend voor alle autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat.

Artikel 25

Doortocht

1.   Iedere lidstaat staat, tenzij hij gebruikmaakt van de mogelijkheid tot weigering wanneer om de doortocht van een onderdaan of een ingezetene met het oog op de uitvoering van een straf wordt verzocht, de doortocht over zijn grondgebied toe van een gezochte persoon die wordt overgeleverd, mits aan deze lidstaat informatie is verstrekt over:

a)

de identiteit en de nationaliteit van de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd;

b)

het bestaan van een Europees aanhoudingsbevel;

c)

de aard en de wettelijke omschrijving van het strafbare feit;

d)

de omstandigheden waaronder het strafbaar feit is gepleegd, met inbegrip van tijd en plaats.

Wanneer de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel ter fine van een strafvervolging is uitgevaardigd, een onderdaan of een ingezetene van de lidstaat van doortocht is, kan de doortocht afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de persoon, na gehoord te zijn, wordt teruggezonden naar de lidstaat van doortocht om daar de straf of veiligheidsmaatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat.

2.   Iedere lidstaat wijst een autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de ontvangst van verzoeken tot doortocht, van de nodige stukken en van alle andere ambtelijke briefwisseling in verband met die verzoeken. De lidstaten delen de naam van die autoriteit mee aan het secretariaat-generaal van de Raad.

3.   Het verzoek om doortocht, alsmede de in lid 1 bedoelde gegevens, kunnen aan de overeenkomstig lid 2 aangewezen autoriteit worden toegezonden op elke wijze die een schriftelijke melding oplevert. De lidstaat van doortocht geeft op dezelfde wijze kennis van zijn beslissing.

4.   Dit kaderbesluit is niet van toepassing wanneer het vervoer door de lucht plaatsvindt en er geen tussenlanding is voorzien. In geval van een onvoorziene tussenlanding verstrekt de verzoekende lidstaat evenwel aan de overeenkomstig lid 2 aangewezen autoriteit de in lid 1 bedoelde gegevens.

5.   Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op de doortocht van een persoon die door een derde land aan een lidstaat wordt uitgeleverd. Met name moet de term „Europees aanhoudingsbevel” worden vervangen door de term „uitleveringsverzoek”.

HOOFDSTUK 3

Gevolgen van de overlevering

Artikel 26

Verrekening van de periode van vrijheidsbeneming in de uitvoerende staat

1.   De uitvaardigende lidstaat brengt elke periode van vrijheidsbeneming ten gevolge van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in mindering op de totale duur van de vrijheidsbeneming die in de uitvaardigende lidstaat moet worden ondergaan in geval van veroordeling tot een tot vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.

2.   Daartoe verstrekt de uitvoerende rechterlijke autoriteit of de krachtens artikel 7 aangewezen centrale autoriteit de gegevens over de duur van de vrijheidsbeneming van de gezochte persoon op grond van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel aan de uitvaardigende autoriteit op het tijdstip van de overlevering.

Artikel 27

Eventuele vervolging wegens andere strafbare feiten

1.   Elke lidstaat kan het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie ervan in kennis stellen dat, in zijn betrekking met andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht, de toestemming geacht kan worden te zijn gegeven voor de vervolging, berechting of detentie met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, van de persoon wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest, tenzij de uitvoerende rechterlijke autoriteit in een specifiek geval in haar beslissing tot overlevering anders heeft beschikt.

2.   Behoudens in de in lid 1 en lid 3 bedoelde gevallen wordt een overgeleverd persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest.

3.   Lid 2 is niet van toepassing in gevallen waarin:

a)

de gezochte persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij was overgeleverd, heeft verlaten, of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd;

b)

de feiten niet strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel;

c)

de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die zijn persoonlijke vrijheid beperkt;

d)

de gezochte persoon zal worden onderworpen aan de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel die geen vrijheidsbeneming meebrengt, met inbegrip van een geldboete, of een daarvoor in de plaats komende maatregel, zelfs indien deze kan leiden tot beperking van zijn persoonlijke vrijheid;

e)

de gezochte persoon heeft ingestemd met zijn overlevering, in voorkomend geval op hetzelfde tijdstip waarop hij afstand heeft gedaan van de bescherming van het specialiteitsbeginsel, overeenkomstig artikel 13;

f)

de gezochte persoon na zijn overlevering uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van bescherming van het specialiteitsbeginsel voor bepaalde, vóór zijn overlevering gepleegde feiten. De afstand wordt gedaan ten overstaan van de bevoegde rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat en wordt opgetekend in een proces-verbaal dat wordt opgemaakt overeenkomstig het nationaal recht van die staat. De afstand wordt verkregen onder omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene uit vrije wil handelt en zich volledig bewust is van de gevolgen. De gezochte persoon heeft te dien einde het recht zich door een raadsman te doen bijstaan;

g)

de uitvoerende rechterlijke autoriteit die de gezochte persoon overgeleverd heeft, overeenkomstig lid 4 daartoe toestemming geeft.

4.   Een verzoek tot toestemming wordt bij de uitvoerende rechterlijke autoriteit ingediend, bevat de gegevens bedoeld in artikel 8, lid 1, en gaat vergezeld van een vertaling als bedoeld in artikel 8, lid 2. De toestemming wordt verleend indien het strafbaar feit waarvoor zij wordt verzocht op zichzelf de verplichting tot overlevering overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit meebrengt. Toestemming wordt geweigerd op de in artikel 3 genoemde gronden en kan in de overige gevallen alleen op de in artikel 4 genoemde gronden worden geweigerd. De beslissing wordt uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek genomen.

Voor de in artikel 5 bedoelde situaties dient de uitvaardigende lidstaat de daarin bedoelde garanties te geven.

Artikel 28

Verdere overlevering of uitlevering

1.   Elke lidstaat kan het secretariaat-generaal van de Raad ervan in kennis stellen dat in zijn betrekkingen met andere lidstaten die dezelfde kennisgeving hebben verricht de toestemming voor de overlevering aan een andere lidstaat dan de uitvoerende lidstaat op grond van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens enig vóór de overlevering begaan feit geacht wordt te zijn gegeven, tenzij de uitvoerende rechterlijke autoriteit in een specifiek geval in haar beslissing tot overlevering anders beschikt.

2.   Een persoon die op grond van een Europees aanhoudingsbevel aan de uitvaardigende lidstaat is overgeleverd kan hoe dan ook, zonder toestemming van de uitvoerende lidstaat, in de volgende gevallen aan een andere lidstaat dan de uitvoerende staat worden overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd wegens enig vóór de overlevering gepleegd feit:

a)

indien de gezochte persoon, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, niet binnen 45 dagen na zijn definitieve invrijheidstelling het grondgebied van de lidstaat waaraan hij was overgeleverd, heeft verlaten, of indien hij na dit gebied verlaten te hebben daarnaar is teruggekeerd;

b)

indien de gezochte persoon instemt met overlevering aan een andere lidstaat dan de uitvoerende lidstaat krachtens een Europees aanhoudingsbevel. De toestemming wordt door betrokkene gegeven ten overstaan van de bevoegde rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat en opgetekend in een proces-verbaal overeenkomstig het nationale recht van die staat. De toestemming wordt verkregen onder omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkene uit vrije wil handelt en zich volledig bewust is van de gevolgen. De gezochte persoon heeft te dien einde het recht zich door een raadsman te doen bijstaan;

c)

indien de gezochte persoon, overeenkomstig artikel 27, lid 3, onder a), e), f) en g), niet de bescherming van het specialiteitsbeginsel geniet.

3.   De uitvoerende rechterlijke autoriteit stemt overeenkomstig de volgende regels toe in de overlevering aan een andere lidstaat:

a)

het verzoek tot toestemming wordt ingediend overeenkomstig artikel 9, vergezeld van de gegevens bedoeld in artikel 8, lid 1, en van een vertaling als bedoeld in artikel 8, lid 2;

b)

de toestemming wordt gegeven indien het strafbaar feit waarvoor zij verzocht wordt op zichzelf de verplichting tot overlevering overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit meebrengt;

c)

de beslissing wordt uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek genomen;

d)

de toestemming wordt geweigerd op de in artikel 3 genoemde gronden en kan in de overige gevallen alleen op de in artikel 4 genoemde gronden worden geweigerd.

Voor de in artikel 5 bedoelde situaties moet de uitvaardigende lidstaat de daarin bedoelde garanties geven.

4.   Onverminderd lid 1 wordt een persoon die op grond van een Europees aanhoudingsbevel is overgeleverd, niet aan een derde staat uitgeleverd zonder toestemming van de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de gezochte persoon heeft overgeleverd. De toestemming wordt gegeven overeenkomstig de verdragen waardoor de lidstaat die de gezochte persoon heeft overgeleverd gebonden is, en overeenkomstig zijn interne wetgeving.

Artikel 29

Overdracht van voorwerpen

1.   De uitvoerende rechterlijke autoriteit neemt, overeenkomstig haar nationaal recht, op verzoek van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit of op eigen initiatief de voorwerpen in beslag die:

a)

als bewijsstuk kunnen dienen; of

b)

van het strafbaar feit afkomstig zijn en zich in het bezit van de gezochte persoon bevinden en draagt deze over.

2.   Overdracht van de in lid 1 bedoelde voorwerpen vindt ook plaats wanneer het Europees aanhoudingsbevel wegens overlijden of ontsnapping van de gezochte persoon niet ten uitvoer kan worden gelegd.

3.   Indien de in lid 1 bedoelde voorwerpen op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat vatbaar zijn voor inbeslagneming of confiscatie, kan deze lidstaat, als het in verband met een lopende strafvervolging noodzakelijk is over die voorwerpen te beschikken, deze tijdelijk behouden of onder voorwaarde van teruggave aan de uitvaardigende lidstaat overdragen.

4.   Eventueel door de uitvoerende lidstaat of door derden op de in lid 1 bedoelde voorwerpen verkregen rechten blijven onverlet. Indien dergelijke rechten bestaan, geeft de uitvaardigende lidstaat de voorwerpen zo spoedig mogelijk na beëindiging van het strafrechtsgeding kosteloos aan de uitvoerende lidstaat terug.

Artikel 30

Kosten

1.   De op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat voor de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel gemaakte kosten worden door deze lidstaat gedragen.

2.   Alle overige kosten worden door de uitvaardigende lidstaat gedragen.

HOOFDSTUK 4

Algemene en slotbepalingen

Artikel 31

Verhouding tot andere rechtsinstrumenten

1.   Onverminderd de toepassing daarvan in de betrekkingen tussen de lidstaten en derde staten, komen de bepalingen van dit kaderbesluit per 1 januari 2004 in de plaats van de overeenkomstige bepalingen van de ter zake van uitlevering toepasselijke verdragen in de betrekkingen tussen de lidstaten:

a)

het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957, het Aanvullend Protocol bij dit Verdrag van 15 oktober 1975, het Tweede Aanvullend Protocol bij dit Verdrag van 17 maart 1978 en, voor zover het op uitlevering betrekking heeft, het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme van 27 januari 1977;

b)

de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschappen betreffende de vereenvoudiging en de modernisering van de wijze van toezending van uitleveringsverzoeken van 26 mei 1989;

c)

de Overeenkomst aangaande de verkorte procedure tot uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie van 10 maart 1995;

d)

de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie van 27 september 1996;

e)

titel III, hoofdstuk 4, van de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen.

2.   De lidstaten mogen de bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die op het tijdstip van de aanneming van dit kaderbesluit van kracht zijn, blijven toepassen voor zover deze verder reiken dan de doelstellingen van het kaderbesluit en ertoe bijdragen de procedures voor de overlevering van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd verdergaand te vereenvoudigen of te vergemakkelijken.

De lidstaten kunnen vóór de inwerkingtreding van dit kaderbesluit bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen sluiten voor zover deze verder reiken dan de voorschriften van het kaderbesluit en ertoe bijdragen de procedures voor de overlevering van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd verdergaand te vereenvoudigen of te vergemakkelijken, met name door de vaststelling van kortere dan de in artikel 17 gestelde termijnen, door uitbreiding van de in artikel 2, lid 2, vastgelegde lijst van strafbare feiten, door verdere beperking van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde weigeringsgronden, of door verlaging van de in artikel 2, lid 1 of lid 2, bepaalde drempel.

De in de tweede alinea bedoelde overeenkomsten laten in ieder geval de betrekkingen met de lidstaten die daarbij geen partij zijn, onverlet.

De lidstaten geven de Raad en de Commissie kennis van iedere in de tweede alinea bedoelde bestaande overeenkomst of regeling die zij willen blijven toepassen, binnen drie maanden na de ondertekening daarvan.

De lidstaten geven de Raad en de Commissie ook kennis van iedere nieuwe in de tweede alinea bedoelde overeenkomst of regeling, binnen drie maanden na de ondertekening daarvan.

3.   Voor zover de in lid 1 vermelde verdragen of overeenkomsten van toepassing zijn op grondgebieden van lidstaten of op grondgebieden waarvan de buitenlandse betrekkingen door een lidstaat worden behartigd, waarop dit kaderbesluit niet van toepassing is, blijven zij de betrekkingen tussen deze grondgebieden en de overige lidstaten beheersen.

Artikel 32

Overgangsbepaling

Vóór 1 januari 2004 ontvangen uitleveringsverzoeken worden verder beheerst door de bestaande instrumenten betreffende uitlevering. Na 1 januari 2004 ontvangen verzoeken vallen onder de bepalingen die de lidstaten in overeenstemming met dit kaderbesluit aannemen. Elke lidstaat kan evenwel op het tijdstip van aanneming van dit kaderbesluit door de Raad verklaren dat hij als uitvoerende staat verzoeken betreffende feiten die zijn gepleegd voor een door hem bepaalde datum zal behandelen overeenkomstig de vóór 1 januari 2004 geldende uitleveringsregeling. De bedoelde datum mag niet later vallen dan 7 augustus 2002. De verklaring wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Zij kan te allen tijde worden ingetrokken.

Artikel 33

Bepaling betreffende Oostenrijk en Gibraltar

1.   Totdat Oostenrijk artikel 12, lid 1, van het „Auslieferungs- und Rechtshilfegesetz” heeft gewijzigd en uiterlijk tot 31 december 2008, kan het zijn rechterlijke autoriteiten toestaan de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te weigeren, indien de gezochte persoon een Oostenrijks onderdaan is en het feit waarvoor het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd niet strafbaar is naar Oostenrijks recht.

2.   Dit kaderbesluit is van toepassing op Gibraltar.

Artikel 34

Uitvoering

1.   De lidstaten nemen de maatregelen die noodzakelijk zijn om uiterlijk op 31 december 2003 aan dit kaderbesluit te voldoen.

2.   De lidstaten delen aan het secretariaat-generaal van de Raad en aan de Commissie de tekst mede van alle bepalingen waarmee zij hun verplichtingen uit hoofde van dit kaderbesluit in hun nationaal recht omzetten. Bij deze mededeling kan iedere lidstaat laten weten dat hij dit kaderbesluit onmiddellijk zal toepassen in zijn betrekkingen met de lidstaten die daarvan op dezelfde wijze kennis hebben gegeven.

Het secretariaat-generaal van de Raad deelt de lidstaten en de Commissie de gegevens mee die het overeenkomstig artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 13, lid 4, en artikel 25, lid 2, ontvangt. Het maakt deze ook bekend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

3.   Op grond van de door het secretariaat-generaal van de Raad verstrekte gegevens, dient de Commissie uiterlijk op 31 december 2004 een verslag over de werking van dit kaderbesluit bij het Europees Parlement en de Raad in, indien nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen.

4.   De Raad evalueert in de tweede helft van 2003 met name de praktische toepassing van de bepalingen van dit kaderbesluit door de lidstaten alsmede de werking van het SIS.

Artikel 35

Inwerkingtreding

Dit kaderbesluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Gedaan te Luxemburg, 13 juni 2002.

Voor de Raad

De voorzitter

M. RAJOY BREY


(1)  Deze officieuze consolidatie bevat enkel de overwegingen van Kaderbesluit 2002/548/JBZ. Zij bevat niet de overwegingen van Kaderbesluit 2009/299/JBZ, dat Kaderbesluit 2002/584/JBZ heeft gewijzigd.

(2)  PB C 332 E van 27.11.2001, blz. 305.

(3)  Advies uitgebracht op 9 januari 2002 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(4)  PB C 12 E van 15.1.2001, blz. 10.

(5)  PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19.

(6)  PB C 78 van 30.3.1995, blz. 2.

(7)  PB C 313 van 13.10.1996, blz. 12

(8)  PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.

(9)  Gemeenschappelijk Optreden 98/428/JBZ van 29 juni 1998 tot oprichting van een Europees justitieel netwerk (PB L 191 van 7.7.1998, blz. 4).

(10)  Besluit 2002/187/JBZ van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken (PB L 63 van 6.3.2002, blz. 1).


BIJLAGE II

EAB-FORMULIER, neergelegd in de bijlage bij het kaderbesluit betreffende het EAW

EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL (1)

Dit bevel is uitgevaardigd door een bevoegde rechterlijke autoriteit. Ik verzoek om aanhouding en overlevering van de hieronder genoemde persoon met het oog op strafvervolging of tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.

Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld

(1)  Dit bevel moet gesteld of vertaald zijn in één van de officiële talen van de uitvoerende staat, indien die staat bekend is, of in een andere taal die door die staat is aanvaard.


BIJLAGE III

Aanwijzingen voor het invullen van het EAB-formulier

Dit bevel is uitgevaardigd door een bevoegde rechterlijke autoriteit. Ik verzoek om aanhouding en overlevering van de hieronder genoemde persoon met het oog op strafvervolging of tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.

Opmerkingen

Het wordt aanbevolen om het Compendium op de website van het EJN te gebruiken bij de opstelling van een EAB. Die e-tool maakt het invullen van het formulier even gemakkelijk als het invullen van het formulier in Word, maar dan met enkele moderne en gebruiksvriendelijke functies zoals: de mogelijkheid om de bevoegde uitvoerende rechterlijke autoriteiten direct uit de Justitiële Atlas van het EJN te importeren; de vaste tekst uit het formulier onmiddellijk in de taal/talen verkrijgen die door de uitvoerende lidstaat wordt/worden aanvaard; het formulier opslaan en per e-mail verzenden.

Het is echter raadzaam de Word-versie van het formulier te downloaden van de EJN-website (sectie Juridische Bibliotheek) in de taal van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit (uw taal) en het op uw computer op te slaan voor het geval dat de website niet toegankelijk is en u het formulier dringend nodig heeft.

Het wordt ook aanbevolen om het formulier in alle talen van de EJN-website (Juridische Bibliotheek) te downloaden, met name die talen die het vaakst door andere lidstaten worden aanvaard, en de taalversies op uw computer op te slaan.

Indien u de Word-versie gebruikt, vul dan het formulier in uw taal met de computer in (niet handgeschreven). Wanneer u het Compendium gebruikt, wordt het formulier altijd met de computer ingevuld.

Indien een vak niet van toepassing is, schrijf dan „niet van toepassing” of geef duidelijk aan (bv. met —) dat het niet van toepassing is. U mag nooit een vak verwijderen of het EAB-formulier op enige andere manier wijzigen.

Indien het EAB betrekking heeft op verschillende strafbare feiten, gelieve die dan te nummeren met 1, 2, 3 enz., en die nummering in het gehele EAB en in het bijzonder in vak b), aan te houden.

Vak a)

Gegevens betreffende de identiteit van de gezochte persoon:

Opmerking:

Gelieve zo mogelijk alle velden in te vullen.

a)

Gegevens betreffende de identiteit van de gezochte persoon:

Naam: Opmerking: verplicht veld. Vermeld ook de vorige officiële naam, indien bekend, en schrijf de naam in de landstaal, vertaal hem niet. Zorg ervoor dat de volgorde correct is en dat u dus niet de voornaam bij „naam” invult. Controleer zorgvuldig de namen wanneer er twee of meer personen met soortgelijke namen (bv. delen van de naam in een andere volgorde of met slechts kleine verschillen) in hetzelfde dossier voorkomen.

Voornaam of voornamen: Opmerking: verplicht veld.

Meisjesnaam, in voorkomend geval:

Bijnamen, in voorkomend geval: Opmerking: vermeld ook valse namen. Vermeld bijnamen tussen haakjes. Indien de persoon een valse identiteit gebruikt, dient deze in alle velden te worden vermeld (valse geboortedatum, vals adres enz.).

Geslacht: Opmerking: verplicht veld.

Nationaliteit: Opmerking: verplicht veld. Geef alle nationaliteiten aan indien de persoon meer dan één nationaliteit heeft.

Geboortedatum: Opmerking: verplicht veld.

Geboorteplaats: Opmerking: verplicht veld indien informatie beschikbaar is.

Verblijfplaats en/of bekend adres: Opmerking: verplicht veld indien informatie beschikbaar is. Schrijf „onbekend” als er geen informatie is.

Indien bekend: taal/talen die de gezochte persoon begrijpt:

Bijzondere kenmerken/beschrijving van de gezochte persoon: Opmerking: verplicht veld, indien informatie beschikbaar is. Vermeld ook of de betrokkene gevaarlijk is en/of mogelijk gewapend is.

Foto en vingerafdrukken van de gezochte persoon, indien die beschikbaar zijn en mogen worden verzonden, of contactadres van de persoon die gecontacteerd moet worden om die informatie of een DNA-profiel te verkrijgen (indien die gegevens beschikbaar zijn en toegezonden mogen worden, maar niet zijn opgenomen) Opmerking: die gegevens moeten verplicht via Interpol of SIS beschikbaar worden gesteld indien beschikbaar. Dit is essentieel om ervoor te zorgen dat de juiste persoon wordt aangehouden.

Controleer zorgvuldig de gegevens wanneer er twee of meer personen met soortgelijke namen (bv. delen van de naam in een andere volgorde of met slechts kleine verschillen) in hetzelfde dossier voorkomen.

Vak b)

Informatie betreffende het besluit dat aan dit aanhoudingsbevel ten grondslag ligt

Opmerkingen:

Het formulier moet worden ingevuld voor het beoogde doel van het EAB — strafvervolging en/of veroordeling. Vak b) gebruikt het begrip „Besluit dat aan dit aanhoudingsbevel ten grondslag ligt”, dat verwijst naar een rechterlijke beslissing die duidelijk onderscheiden is van het EAB. Het begrip „rechterlijke beslissing” heeft betrekking op beslissingen van de autoriteiten van de lidstaten die deelnemen aan de strafrechtsbedeling, met uitsluiting van de politiediensten. Wanneer het aan de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel ten grondslag liggende besluit is omgezet, bijvoorbeeld in een verstekvonnis, moet een nieuw EAB (met een nieuwe titel) worden uitgevaardigd.

 

Fase voor het strafproces (het EAB is uitgevaardigd ter fine van strafvervolging)

b) 1. Vermeld het besluit dat aan het EAB ten grondslag ligt (bv. een rechterlijk of een aanhoudingsbevel van dd/mm/jjjj dat geleid heeft tot een dwangmaatregel of voorlopige hechtenis). Als vak b) 1. wordt ingevuld, moet vak c) 1. ook worden ingevuld.

 

Fase na het strafproces (het EAB is uitgevaardigd ter fine van tenuitvoerlegging van een vonnis of een bij verstek gewezen vonnis)

b) 1. Gelieve de rechterlijke beslissing te vermelden als het EAB een verstekzaak betreft.

b) 2. Vermeld het betrokken vonnis of besluit dat definitief is geworden op dd/mm/jjjj en vermeld het nummer van de zaak en de naam van de rechterlijke instantie die de beslissing heeft gewezen. In sommige lidstaten is het mogelijk dat vonnissen nog niet ten uitvoer kunnen worden gelegd, maar een beroep wel al mogelijk is vóór de uitspraak definitief is. In dat geval wordt vak b) 1. ingevuld, maar vak b) 2. NIET.

Als vak b) 2. wordt ingevuld, moet vak c) 2. ook worden ingevuld.

b)

Besluit dat aan dit aanhoudingsbevel ten grondslag ligt:

1.

Aanhoudingsbevel of een gelijkwaardige rechterlijke beslissing:

Soort: Opmerking: vermeld het soort rechterlijke beslissing of ander rechterlijk bevel, de datum en het zaaknummer.

2.

Voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis: Opmerking: indien het vonnis vatbaar is voor tenuitvoerlegging, vermeld tevens de datum van de definitieve uitspraak.

Referentie: Opmerking: vermeld de datum, het zaaknummer en het soort beslissing. Vertaal de referenties niet.

Vak c)

Gegevens betreffende de duur van de straf/vrijheidsstraf

Opmerkingen:

De bedoeling van dit vak is vermelden dat het EAB is opgesteld conform de vereisten voor de strafmaat zoals bepaald in artikel 2, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB. Voor de fase vóór het strafproces wordt uitgegaan van de strafmaat die in beginsel zou kunnen worden opgelegd. Voor de fase na de veroordeling wordt uitgegaan van de duur van de werkelijk opgelegde straf. Vul zoals bij vak b) het punt/de punten in die relevant is/zijn, rekening houdend met de fase van de strafprocedure.

 

Fase vóór het strafproces (het EAB is uitgevaardigd ter fine van strafvervolging)

c) 1. Geef de maximale strafmaat aan die kan worden opgelegd. Er zij aan herinnerd dat een EAB volgens artikel 2, lid 1, kan worden uitgevaardigd wegens feiten die strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste twaalf maanden. Als vak b) 1. wordt ingevuld, moet vak c) 1. ook worden ingevuld.

 

Fase na het strafproces (het EAB is uitgevaardigd ter fine van tenuitvoerlegging van een vonnis of een bij verstek gewezen vonnis)

c) 2. Vermeld de duur van de opgelegde vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel. Er zij aan herinnerd dat een EAB volgens artikel 2, lid 1, wanneer een straf of een maatregel is opgelegd, kan worden uitgevaardigd wegens opgelegde sancties met een duur van ten minste vier maanden. Als vak b) 2. wordt ingevuld, moet vak c) 2. ook worden ingevuld.

c) 2. Vermeld jaar, maand, dag. Opgemerkt zij dat het kaderbesluit betreffende het EAB geen bepaling bevat over een minimumreststraf. Aanbevolen wordt de evenredigheid van het uitvaardigen van een EAB zorgvuldig te overwegen wanneer de resterende straf minder dan vier maanden bedraagt, ook wanneer de oorspronkelijke straf vier maanden of meer bedroeg.

c)

Gegevens betreffende de duur van de straf

1.

Maximumduur van de vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel die voor het strafbare feit/de strafbare feiten kan worden opgelegd:

2.

Duur van de opgelegde vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel: Opmerking: wanneer een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel is opgelegd, kan de duur ervan onbepaald zijn, bijvoorbeeld levenslange opsluiting of een straf die psychiatrische zorg omvat.

Nog uit te zitten straf: Opmerking: indien de duur van de straf onbepaald is maar ten minste vier maanden bedraagt, vermeld dan dat de resterende straf ten minste vier maanden bedraagt.

Vak d)

Bij verstek gewezen vonnissen

d)

Gelieve te vermelden of de betrokkene in persoon is verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing:

1.

☐ Ja, de betrokkene is in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing.

2.

☐ Neen, de betrokkene is niet in persoon verschenen op het proces dat heeft geleid tot de beslissing.

3.

Indien u het vakje „neen” (keuzemogelijkheid 2) heeft aangekruist, gelieve een van de volgende gevallen te bevestigen:

3.1. a)

☐ de betrokkene is persoonlijk gedagvaard op … (dag/maand/jaar) en is daarbij op de hoogte gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid, en is ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;

OF

3.1. b)

☐ de betrokkene is niet persoonlijk gedagvaard, maar is anderszins daadwerkelijk officieel in kennis gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces, en is ervan in kennis gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;

OF

3.2.

☐ de betrokkene was op de hoogte van het voorgenomen proces, heeft een zelf gekozen of van overheidswege toegewezen raadsman gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en is op het proces ook werkelijk door die raadsman verdedigd;

OF

3.3.

☐ de beslissing is op … (dag/maand/jaar) aan de betrokkene betekend, en hij is uitdrukkelijk geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing

de betrokkene heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij de beslissing niet betwist;

OF

de betrokkene heeft niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep aangetekend;

OF

3.4.

☐ de beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar

de beslissing zal hem na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend; en

de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing; en

de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, namelijk … dagen.

4.

Gelieve voor het in punt 3.1 b), 3.2 of 3.3 aangekruiste vakje te vermelden op welke wijze aan de desbetreffende voorwaarde is voldaan:

Vak e)

Betrokken strafbare feiten

Opmerkingen:

Of het strafbare feit onder een van de 32 categorieën valt waarop de toetsing van de dubbele strafbaarheid niet van toepassing is, wordt beslist door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in overeenstemming met de definitie van het strafbare feit in het strafrecht van de uitvaardigende lidstaat. Het is niet nodig tekst uit het nationale recht in het EAB op te nemen of erbij te voegen. Zo wordt ook onnodig vertaalwerk van wetteksten vermeden.

De omstandigheden van de zaak moeten altijd volledig worden beschreven, met alle relevante gegevens, zodat de autoriteiten van de uitvoerende staten de toepassing van het specialiteitsbeginsel en eventuele gronden voor weigering van de tenuitvoerlegging, zoals het ne bis in idem-beginsel en de verjaring, kunnen beoordelen.

Fase voor en fase na het strafproces

Vul in op hoeveel strafbare feiten het bevel betrekking heeft.

Wees consistent met de beschreven feiten.

Gelieve de opmerkingen over accessoire strafbare feiten in het handboek in acht te nemen bij de beslissing deze al dan niet op te nemen (punt 2.3).

Geef een nauwkeurige beschrijving van de feiten die ten grondslag liggen aan het EAB:

Leg de nadruk op de feiten met betrekking tot de over te leveren persoon.

Beschrijf altijd de benodigde feiten voor dat doel (verantwoordelijke, mate van betrokkenheid of uitvoering, plaats, tijdstip, hoeveelheid, middelen, resulterende schade of letsels, intentie of bedoeling, winst enz.).

De feitenbeschrijving moet beperkt blijven tot een korte samenvatting. Er mogen geen volledige bladzijden uit het dossier worden overgenomen. In ingewikkelder gevallen en vooral in geval van dubbele strafbaarheid (strafbare feiten die niet in de lijst staan), kan een langere beschrijving vereist zijn om de voornaamste aspecten van de zaak toe te lichten. Verstrek in dat geval de gegevens die voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit onmisbaar zijn om een beslissing te nemen over het EAB, met name om mogelijke weigeringsgronden op het spoor te komen of het specialiteitsbeginsel te kunnen toepassen.

Beschrijf in geval van meerdere strafbare feiten indien mogelijk de feiten op zodanige wijze dat de beschrijving overeenstemt met de overeenkomstige wettelijke kwalificatie.

Gebruik korte en eenvoudige zinnen die gemakkelijk te vertalen zijn.

Een korte beschrijving is ook nuttig voor de SIS-signaleringen die door het nationale Sirene-bureau worden opgenomen.

Vermeld de wettelijke kwalificatie van het strafbaar feit (welke bepaling van de strafwet erdoor worden overtreden). Het is echter niet nodig de wetteksten bij het EAB te voegen. Dat zou alleen maar leiden tot overbodige vertalingen.

Indien de uitvaardigende rechterlijke autoriteit het strafbare feit erkent als een strafbaar feit uit de lijst van 32 feiten hieronder en het strafbare feit brengt een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van maximaal ten minste drie jaar met zich mee, moet zij het desbetreffende vakje op de lijst aanvinken.

Aanbevolen wordt om, waar mogelijk, per persoon maar één EAB-formulier te gebruiken. Indien het betrekking heeft op verschillende strafbare feiten, geef dan duidelijk aan op welk strafbaar feit een aangevinkt vakje betrekking heeft (bv. door te verwijzen naar „feit nr. 1”, „feit nr. 2”, „feit nr. 3” enz.) (zie met name vak b)). In het SIS kan maar één signalering met het oog op aanhouding worden ingevoerd. Het is echter wel mogelijk om meer dan één EAB aan een signalering met het oog op aanhouding toe te voegen.

Indien eenzelfde lidstaat verschillende EAB's betreffende dezelfde persoon heeft uitgevaardigd, dienen die niet als strijdig te worden beschouwd.

e)

Strafbare feiten:

Dit bevel heeft betrekking op in totaal …strafbare feiten.

Beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd/de strafbare feiten zijn gepleegd, met inbegrip van het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit/de strafbare feiten Opmerking: indien er bv. drie strafbare feiten zijn, gebruik dan voor de duidelijkheid de nummers 1, 2 en 3. Gebruik korte zinnen, maar geef een volledige feitenbeschrijving. Wees nauwkeurig.

Aard en wettelijke kwalificatie van het strafbare feit/de strafbare feiten en toepasselijke wettelijke bepaling/wetboek:

Opmerking: vermeld de wettelijke kwalificatie van het strafbaar feit en welke bepalingen van het toepasselijk nationaal recht erdoor worden overtreden.

I.

Geef in voorkomend geval aan of het gaat om één of meer van de volgende strafbare feiten waarop in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar en zoals omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat (vakje aankruisen):

Deelneming aan een criminele organisatie

Terrorisme

Mensenhandel

Seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Illegale handel in wapens, munitie en explosieven

Corruptie

Fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad in de zin van de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen

Witwassen van opbrengsten van misdrijven

Valsemunterij met inbegrip van namaak van de euro

Informaticacriminaliteit

Milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en de illegale handel in bedreigde planten- en boomsoorten

Hulp aan illegale binnenkomst en illegaal verblijf

Moord en doodslag, zware mishandeling

Illegale handel in menselijke organen en weefsels

Ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling

Racisme en vreemdelingenhaat

Georganiseerde of gewapende diefstal

Illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen

Oplichting

Racketeering en afpersing

Namaak van producten en productpiraterij

Vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten

Vervalsing van betaalmiddelen

Illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars

Illegale handel in nucleaire en radioactieve stoffen

Handel in gestolen voertuigen

Verkrachting

Opzettelijke brandstichting

Misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen

Kaping van vliegtuigen/schepen

Sabotage

II.

Volledige omschrijving van het strafbare feit of de strafbare feiten die niet onder de in punt I genoemde strafbare feiten vallen: Opmerking: feiten die boven in vak e) zijn beschreven, hoeven niet te worden herhaald in punt II. Buiten de volledige omschrijving, is geen informatie over de nationale wetgeving vereist.

Indien de omstandigheden al zijn vermeld, dienen ze niet te worden herhaald. Neem geen wetteksten op als de omstandigheden hierboven duidelijk zijn aangegeven. Gebruik dit vak alleen als de omstandigheden nadere toelichting behoeven in het geval van dubbele strafbaarheid. De rechter heeft voor de toetsing van de dubbele strafbaarheid de wettekst niet nodig, maar alleen de precieze omstandigheden van de zaak, hoewel in sommige jurisdicties kopieën van de wettekst vereist zijn.

Vak f)

Andere voor de zaak relevante omstandigheden (facultatieve informatie)

Opmerkingen:

Dit vak hoeft niet te worden ingevuld.

Het kan worden gebruikt voor opmerkingen over extra-territorialiteit, stuiting van de verjaring en andere gevolgen van het strafbare feit. Meestal is het niet nodig een stuiting van de verjaring te vermelden, maar indien het strafbare feit lang geleden is gepleegd, kan dit nuttig zijn.

Het kan ook worden gebruikt wanneer er bijzondere omstandigheden zijn aangaande de uitvoering van het EAB en het verstrekken van aanvullende gegevens de uitvoering van het EAB kan vergemakkelijken, ondanks de mogelijkheid tot rechtstreekse communicatie, bijvoorbeeld:

opmerkingen over beperkingen van het contact met derden na de aanhouding, of de vermelding dat er gevaar voor vernietiging van bewijsmateriaal of voor recidive bestaat;

duiding van omstandigheden die uit hoofde van Kaderbesluit 2008/909/JBZ ertoe kunnen leiden dat de gezochte persoon later wordt overgebracht om de eventueel opgelegde vrijheidsstraf in de uitvoerende lidstaat te ondergaan (artikel 5, lid 3, van het kaderbesluit betreffende het EAB) (bv. verblijfplaats, baan, familiebanden enz. in de uitvoerende lidstaat);

verzoek tot toestemming overeenkomstig artikel 27, lid 4, van het kaderbesluit betreffende het EAB;

andere verzoeken tot justitiële samenwerking, bijvoorbeeld een Europees onderzoeksbevel dat gelijktijdig moet worden uitgevoerd;

verband met andere EAB's;

akkoorden over gelijktijdige EAB's tussen de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten, zodat de uitvoerende rechterlijke autoriteit onmiddellijk op de hoogte is en hen in overweging kan nemen, met name die akkoorden die op coördinatiebijeenkomsten bij Eurojust zijn bereikt;

informatie over een advocaat in de uitvaardigende staat die de advocaat van de uitvoerende staat kan bijstaan (zelf aangewezen of door de rechterlijke instantie aangestelde advocaat) overeenkomstig Richtlijn 2013/48/EU;

informatie over een eventuele eerdere toezichtmaatregel (schending van toezichtmaatregelen) overeenkomstig artikel 22 van Kaderbesluit 2009/829/JBZ.

f)

Andere voor de zaak relevante omstandigheden (facultatieve informatie):

(Noot: bijvoorbeeld opmerkingen over extra-territorialiteit, stuiting van de verjaring en andere gevolgen van het strafbare feit)

Vak g)

Inbeslagneming

Opmerkingen:

Fase voor het strafproces (het EAB is uitgevaardigd ter fine van strafvervolging)

Geef een korte omschrijving van het voorwerp waarop het verzoek om inbeslagname betrekking heeft (bv. mobiele telefoon, laptop, tablet, wapen, identiteitspapieren, reisdocumenten enz.). Indien die vorm van samenwerking niet is vereist, schrijf dan „niet van toepassing”.

Beschrijf bijvoorbeeld het in beslag te nemen wapen.

Indien beschikbaar, verstrek dan alle informatie over een eventueel Europees onderzoeksbevel of een eventuele afzonderlijke bevriezingsbeslissing.

Vak g) heeft geen betrekking op „persoonlijke bezittingen”; vermeld objecten die als bewijsmateriaal kunnen dienen, bv. een laptop, persoonlijke documenten of mobiele telefoons, zodat inbeslagneming mogelijk is.

g)

Dit bevel heeft tevens betrekking op de inbeslagneming en de overdracht van voorwerpen die als bewijsmiddel moeten dienen.

Dit bevel heeft tevens betrekking op de inbeslagneming en de overdracht van voorwerpen die de gezochte persoon uit het strafbare feit heeft verkregen:

Beschrijving en plaats van de voorwerpen (indien bekend):

Vak h)

Opmerkingen:

De streepjes zijn veranderd in vakjes die dienen te worden aangevinkt als ze van toepassing zijn. Schrijf „niet van toepassing” indien de wet levenslange vrijheidsstraffen verbiedt.

 

Fase voor het strafproces (het EAB is uitgevaardigd ter fine van strafvervolging)

Vink aan indien van toepassing.

 

Fase na het strafproces (het EAB is uitgevaardigd ter fine van tenuitvoerlegging van een vonnis of een bij verstek gewezen vonnis)

Vink aan indien van toepassing.

h)

Het strafbare feit/de strafbare feiten dat/die aan dit bevel ten grondslag ligt/liggen, is(zijn) strafbaar gesteld met/heeft(hebben) geleid tot een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel welke levenslange vrijheidsbeneming meebrengt:

de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat voorziet in de herziening van de opgelegde straf — op verzoek of ten minste na twintig jaar — strekkende tot niet-uitvoering van de straf,

en/of

de rechtsorde van de uitvaardigende lidstaat voorziet in de toepassing van gratiemaatregelen waarvoor de betrokkene krachtens de wetgeving of praktijk van de uitvaardigende lidstaat in aanmerking komt, en die strekken tot niet-uitvoering van de straf.

Vak i)

Gegevens betreffende de uitvaardigende rechterlijke autoriteit

Opmerkingen:

Naam van haar vertegenwoordiger: in de verschillende taalversies wordt een verwijzing naar de „drager” van de rechterlijke autoriteit opgenomen.

Vul het adres van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in.

Vul het telefoonnummer/faxnummer/e-mailadres van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in, bij voorkeur die gegevens waarmee de autoriteit 24 uur per dag bereikbaar is.

Contactgegevens voor praktische afspraken: vermeld indien mogelijk de naam en de contactgegevens van een gerechtelijk functionaris die een relevante vreemde taal beheerst.

i)

Rechterlijke autoriteit die het bevel heeft uitgevaardigd:

Officiële naam: …

Naam van haar vertegenwoordiger: …

Functie (titel/rang): …

Dossiernummer: …

Adres: …

Tel. (landnummer) (netnummer) …

Fax (landnummer) (netnummer) …

E-mailadres: Opmerking: vermeld een officieel e-mailadres dat vaak wordt gecontroleerd

Adresgegevens van de persoon die moet worden gecontacteerd om de nodige praktische afspraken te maken voor de overlevering:

Contactgegevens van de centrale autoriteit

Indien een centrale autoriteit is belast met de administratieve toezending en ontvangst van Europese aanhoudingsbevelen:

 

Naam van de centrale autoriteit: …

 

Contactpersoon, in voorkomend geval (titel/rang en naam): …

 

Adres:…

 

Tel. (landnummer) (netnummer) …

 

Fax (landnummer) (netnummer) …

 

E-mailadres: …

Handtekening van en informatie betreffende de uitvaardigende rechterlijke autoriteit

Opmerking:

Dit kan de rechterlijke autoriteit zijn of bijvoorbeeld een griffier die namens de rechterlijke instantie ondertekent.

Handtekening van de verzoekende rechterlijke autoriteit en/of haar vertegenwoordiger:

Naam:

Functie (titel/rang): …

Datum: …

Officieel stempel (indien beschikbaar) Opmerking: dit is het officiële stempel van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit naar intern recht. Steeds te gebruiken indien beschikbaar.


BIJLAGE IV

Talen waarin een EAB door de lidstaten wordt aanvaard

Overeenkomstig artikel 8, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB hebben de lidstaten de volgende verklaringen neergelegd betreffende de talen waarin zij een EAB aanvaarden:

Oostenrijk

Duits of een andere taal op basis van wederkerigheid (aanvaardt EAB's in de officiële talen van de lidstaten die door een Oostenrijkse autoriteit in het Duits uitgevaardigde EAB's aanvaarden)

België

Frans, Nederlands, Duits

Bulgarije

Bulgaars

Cyprus

Grieks, Turks, Engels

Tsjechië

Tsjechisch. Met betrekking tot Slowakije aanvaardt Tsjechië EAB's die in het Slowaaks zijn gesteld of vergezeld gaan van een vertaling in het Slowaaks. Met betrekking tot Oostenrijk aanvaardt Tsjechië in het Duits gestelde EAB's

Denemarken

Deens, Engels, Zweeds

Estland

Ests, Engels

Finland

Fins, Zweeds, Engels

Frankrijk

Frans

Duitsland

Past wederkerigheid toe (aanvaardt EAB's in de officiële talen van de lidstaten die door de Duitse autoriteiten in het Duits gestelde EAB's aanvaarden)

Griekenland

Grieks

Hongarije

Hongaars of een vertaling van het EAB in het Hongaars. Voor lidstaten die niet eisen dat de EAB's in hun eigen taal of in een van hun officiële talen zijn gesteld, aanvaardt Hongarije EAB's die gesteld zijn in het Engels, het Frans of het Duits of vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen

Ierland

Iers of Engels of een andere door het Ministerie van Justitie vast te stellen taal, en alle EAB's vergezeld van een vertaling in het Iers of Engels

Italië

Italiaans

Letland

Lets, Engels

Litouwen

Litouws, Engels

Luxemburg

Frans, Duits, Engels

Malta

Maltees, Engels

Nederland

Nederlands, Engels of een andere officiële taal van de Unie op voorwaarde dat een Engelse vertaling wordt bijgeleverd

Polen

Pools

Portugal

Portugees

Roemenië

Roemeens, Frans, Engels

Slowakije

Slowaaks of, krachtens bestaande bilaterale verdragen, Duits voor Oostenrijk, Tsjechisch voor de Tsjechische Republiek en Pools voor Polen

Slovenië

Sloveens, Engels

Spanje

Spaans. Indien het EAB via een SIS-signalering is uitgevaardigd, zorgt de uitvoerende rechterlijke autoriteit voor de vertaling van niet in het Spaans gestelde EAB's

Zweden

Zweeds, Deens, Noors, Engels of een vertaling in een van deze talen


BIJLAGE V

Lijst van arresten van het Hof van Justitie in verband met het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel

C-303/05, Advocaten voor de Wereld (arrest van 3 mei 2007)

C-66/08, Kozłowski (arrest van 17 juli 2008)

C-296/08 PPU, Santesteban Goicoechea (arrest van 12 augustus 2008)

C-388/08 PPU, Leymann en Pustovarov (arrest van 1 december 2008)

C-123/08, Wolzenburg (arrest van 6 oktober 2009)

C-306/09, I.B. (arrest van 21 oktober 2010)

C-261/09, Mantello (arrest van 16 november 2010)

C-192/12 PPU, West (arrest van 28 juni 2012)

C-42/11, Lopes da Silva Jorge (arrest van 5 september 2012)

C-396/11, Radu (arrest van 29 januari 2013)

C-399/11, Melloni (arrest van 26 februari 2013)

C-168/13 PPU, Jeremy F. (arrest van 30 mei 2013)

C-237/15 PPU, Lanigan (arrest van 16 juli 2015)

C-463/15 PPU, A. (beschikking van 25 september 2015)

C-404/15 en C-659/15 PPU, gevoegde zaken Aranyosi en Căldăraru (arrest van 5 april 2016)

C-108/16 PPU, Dworzecki (arrest van 24 mei 2016)

C-241/15, Bob-Dogi (arrest van 1 juni 2016)

C-294/16 PPU, JZ (arrest van 28 juli 2016)

C-182/15, Petruhhin (arrest van 6 september 2016)

C-452/16 PPU, Poltorak (arrest van 10 november 2016)

C-477/16 PPU, Kovalkovas (arrest van 10 november 2016)

C-453/16 PPU, Özçelik (arrest van 10 november 2016)

C-640/16, Vilkas (arrest van 25 januari 2017)

In behandeling:

 

C-579/15, Popławski

 

C-473/15, Schotthöfer & Steiner

 

C-191/16, Pisciotti

 

C-367/16, Piotrowski

 

C-496/16, Aranyosi


BIJLAGE VI

Arresten van het Hof van Justitie betreffende het ne bis in idem-beginsel

Gevoegde zaken C-187/01 en C-385/01, Gözütok en Brügge (arrest van 11 februari 2003)

Het beginsel ne bis in idem, verankerd in artikel 54 SUO is mede toepasselijk op procedures tot beëindiging van strafvervolging zoals die aan de orde in de hoofdzaken, waarbij het openbaar ministerie van een lidstaat zonder rechterlijke tussenkomst een einde maakt aan een in die lidstaat ingeleide strafprocedure, nadat de verdachte heeft voldaan aan bepaalde voorwaarden en met name een door het openbaar ministerie vastgestelde geldsom heeft betaald.

Zaak C-469/03, Miraglia (arrest van 10 maart 2005)

Het beginsel ne bis in idem, neergelegd in artikel 54 SUO, is niet van toepassing op de beslissing van de rechterlijke autoriteiten van een lidstaat waarbij zonder enige beoordeling ten gronde wordt verklaard dat een zaak is geëindigd, zulks nadat het parket heeft besloten niet verder te vervolgen op de enkele grond dat tegen dezelfde verdachte in een andere lidstaat een strafprocedure ter zake van dezelfde feiten is ingeleid.

Zaak C-436/04, Van Esbroeck (arrest van 9 maart 2006)

1.

Het beginsel ne bis in idem, dat is neergelegd in artikel 54 SUO, moet toepassing vinden op een in een overeenkomstsluitende staat ingeleide strafrechtelijke procedure wegens feiten waarvoor de betrokkene reeds in een andere overeenkomstsluitende staat is veroordeeld, zelfs al was deze overeenkomst in deze laatste staat nog niet van kracht op de datum van uitspraak van die veroordeling, voor zover de overeenkomst in de betrokken overeenkomstsluitende staten van kracht was op het tijdstip van de beoordeling van de toepassingsvoorwaarden inzake het beginsel ne bis in idem door de instantie waarbij de tweede procedure werd ingeleid.

2.

Artikel 54 van deze overeenkomst moet aldus worden uitgelegd dat:

het relevante criterium voor de toepassing van dit artikel de gelijkheid van de materiële feiten is, begrepen als het bestaan van een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang;

strafbare feiten van uitvoer en invoer van dezelfde verdovende middelen waarvoor in verschillende staten die partij zijn bij deze overeenkomst, vervolging is ingesteld, in beginsel dienen te worden beschouwd als „dezelfde feiten” in de zin van dit artikel 54, maar het aan de bevoegde nationale instanties is om dit uiteindelijk te beoordelen.

Zaak C-467/04, Gasparini e.a. (arrest van 28 september 2006)

1.

Het beginsel ne bis in idem, zoals vastgelegd in artikel 54 SUO, is van toepassing op een beslissing die een rechterlijke instantie van een overeenkomstsluitende staat na strafvervolging neemt en waarbij een verdachte definitief wordt vrijgesproken wegens verjaring van het strafbare feit waarvoor de strafvervolging werd ingesteld.

2.

Dat beginsel geldt niet voor andere personen dan die welke onherroepelijk door een overeenkomstsluitende staat zijn berecht.

3.

Een strafrechter van een overeenkomstsluitende staat mag goederen niet beschouwen als zich op zijn grondgebied in het vrije verkeer bevindend, uitsluitend op basis van het feit dat een strafrechter van een andere overeenkomstsluitende staat met betrekking tot diezelfde goederen heeft vastgesteld dat het strafbare feit smokkel verjaard is.

4.

De verhandeling van goederen in een andere lidstaat, na import daarvan in de lidstaat waar de vrijspraak is uitgesproken, vormt een handeling die deel kan uitmaken van „dezelfde feiten” in de zin van genoemd artikel 54.

Zaak C-150/05, Van Straaten (arrest van 28 september 2006)

1.

Artikel 54 SUO moet aldus worden uitgelegd dat:

het relevante criterium voor de toepassing van dit artikel de gelijkheid van de materiële feiten is, begrepen als het bestaan van een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang;

wat delicten in verband met verdovende middelen betreft, is niet vereist dat de hoeveelheden drugs in de twee overeenkomstsluitende staten of de van deelneming aan de feiten in de twee staten verdachte personen, gelijk zijn;

strafbare feiten van uitvoer en invoer van dezelfde verdovende middelen waarvoor in verschillende staten die partij zijn bij deze overeenkomst, vervolging is ingesteld, dienen in beginsel te worden beschouwd als „dezelfde feiten” in de zin van dit artikel 54, maar het is aan de bevoegde nationale instanties om dit uiteindelijk te beoordelen.

2.

Het in artikel 54 van deze overeenkomst verankerde beginsel ne bis in idem moet toepassing vinden op een beslissing van de justitiële autoriteiten van een overeenkomstsluitende staat waardoor een verdachte bij onherroepelijk vonnis is vrijgesproken omdat het feit niet is bewezen.

Zaak C-288/05, Kretzinger (arrest van 18 juli 2007)

1.

Artikel 54 SUO moet aldus worden uitgelegd dat:

het relevante criterium voor de toepassing van dit artikel de gelijkheid van de materiële feiten is, begrepen als het bestaan van een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang;

feiten bestaande in de inontvangstneming van buitenlandse gesmokkelde tabak in een overeenkomstsluitende staat en de invoer en het bezit van deze tabak in een andere overeenkomstsluitende staat, in het kader waarvan de verdachte die in twee overeenkomstsluitende staten is vervolgd, van meet af aan na de eerste inontvangstneming voornemens was de tabak via verschillende overeenkomstsluitende staten naar een eindbestemming te vervoeren, gedragingen vormen die onder het begrip „dezelfde feiten” in de zin van dit artikel 54 kunnen vallen. De definitieve beoordeling daaromtrent staat aan de bevoegde nationale instanties.

2.

De door een rechterlijke instantie van een overeenkomstsluitende staat opgelegde straf „is ondergaan” of „[wordt] daadwerkelijk ten uitvoer […] gelegd” in de zin van artikel 54 van de overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord, wanneer de verdachte overeenkomstig het recht van deze overeenkomstsluitende staat tot een voorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld.

3.

De door een rechterlijke instantie van een overeenkomstsluitende staat uitgesproken straf is niet te beschouwen als „ondergaan” of „daadwerkelijk ten uitvoer […] gelegd” in de zin van artikel 54 van de overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord, wanneer de verdachte korte tijd is aangehouden en/of in voorlopige hechtenis is genomen en deze vrijheidsbeneming naar het recht van de veroordelende staat in mindering moet worden gebracht op een latere tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf.

4.

Dat een lidstaat waar iemand naar intern recht onherroepelijk is veroordeeld, tegen hem een Europees aanhoudingsbevel kan uitvaardigen met het oog op tenuitvoerlegging van deze uitspraak krachtens het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, heeft geen gevolgen voor de uitlegging van het begrip „tenuitvoerlegging” in de zin van artikel 54 van de overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord.

Zaak C-367/05, Kraaijenbrink (arrest van 18 juli 2007)

Artikel 54 SUO moet aldus worden uitgelegd dat:

het relevante criterium voor de toepassing van dit artikel de gelijkheid van de materiële feiten is, begrepen als het bestaan van een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, onafhankelijk van de juridische kwalificatie van deze feiten of van het beschermde rechtsbelang;

verschillende feiten, met name bestaande in, enerzijds, het in een overeenkomstsluitende staat voorhanden hebben van geldsommen afkomstig uit handel in verdovende middelen, en anderzijds het omzetten in wisselkantoren in een andere overeenkomstsluitende staat van geldsommen die eveneens afkomstig zijn uit dergelijke handel, niet als „dezelfde feiten” in de zin van artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord zijn aan te merken enkel op grond dat de bevoegde nationale rechterlijke instantie vaststelt dat die feiten door hetzelfde misdadig opzet verbonden zijn;

het aan die nationale instantie staat om te beoordelen of de mate van gelijkheid en van verbondenheid van alle feitelijke omstandigheden die moeten worden vergeleken, van dien aard is dat gelet op bovengenoemd relevant criterium kan worden vastgesteld dat het om „dezelfde feiten” in de zin van artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord gaat.

Zaak C-297/07, Bourquain (arrest van 11 december 2008)

Het beginsel ne bis in idem dat is neergelegd in artikel 54 SUO is van toepassing op een strafprocedure die in een overeenkomstsluitende staat is ingeleid wegens feiten waarvoor de verdachte in een andere overeenkomstsluitende staat reeds bij onherroepelijk vonnis is berecht, ook wanneer de hem opgelegde straf volgens het recht van de staat waar hij is veroordeeld nooit onmiddellijk ten uitvoer kon worden gelegd wegens procedurele bijzonderheden zoals die aan de orde in de hoofdzaak.

Zaak C-491/07, Turanský (arrest van 22 december 2008)

Het beginsel ne bis in idem dat is verankerd in artikel 54 SUO vindt geen toepassing op een beslissing waarbij een autoriteit van een overeenkomstsluitende staat na een inhoudelijk onderzoek van de aan haar voorgelegde zaak, in een stadium waarin een verdachte van een strafbaar feit nog niet in staat van beschuldiging is gesteld, de schorsing van de strafprocedure gelast, wanneer die schorsingsbeslissing volgens het nationale recht van deze staat de strafvervolging niet definitief beëindigt en dus niet tot gevolg heeft dat voor dezelfde feiten geen nieuwe strafprocedure kan worden ingeleid in deze staat.

Zaak C-398/12, M. (arrest van 5 juni 2014)

Artikel 54 SUO moet aldus worden uitgelegd dat een beschikking houdende dat er geen grond is om de verdachte naar een vonnisgerecht te verwijzen die, in de overeenkomstsluitende staat waar deze beschikking is gegeven, in de weg staat aan hernieuwde vervolging van de persoon op wie de beschikking betrekking heeft ter zake van dezelfde feiten, tenzij nieuwe bezwaren tegen hem aan het licht komen, moet worden beschouwd als een beslissing die een onherroepelijk vonnis in de zin van dat artikel inhoudt en dientengevolge in de weg staat aan hernieuwde vervolging van dezelfde persoon ter zake van dezelfde feiten in een andere overeenkomstsluitende staat.

Zaak C-261/09, Mantello (arrest van 16 november 2010)

In het kader van de uitvaardiging en de tenuitvoerlegging van een EAB is het begrip „dezelfde feiten” dat is opgenomen in artikel 3, punt 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB een autonoom Unierechtelijk begrip.

In omstandigheden als die in het hoofdgeding, waarin de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in antwoord op een door de uitvoerende rechterlijke autoriteit ingediend verzoek om informatie in de zin van artikel 15, lid 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB, op basis van haar nationale recht en met inachtneming van de eisen die voortvloeien uit het begrip „dezelfde feiten” zoals neergelegd in artikel 3, punt 2, van het kaderbesluit betreffende het EAB, uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat het eerdere in haar rechtsorde gewezen vonnis geen onherroepelijk vonnis betreffende de in het aanhoudingsbevel omschreven feiten was en dus niet in de weg stond aan de in het aanhoudingsbevel bedoelde vervolging, bestaat er voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit geen enkele reden om in verband met een dergelijk vonnis de in artikel 3, punt 2 van het kaderbesluit betreffende het EAB, bepaalde grond tot verplichte weigering van tenuitvoerlegging toe te passen.

Zaak C-129/14 PPU, Spasic (arrest van 27 mei 2014)

1.

Artikel 54 SUO dat de toepassing van het beginsel ne bis in idem afhankelijk stelt van de voorwaarde dat in geval van veroordeling de straf „is ondergaan” of „daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd”, is verenigbaar met artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin dat beginsel wordt gewaarborgd.

2.

Artikel 54 van die overeenkomst moet aldus worden uitgelegd dat niet kan worden aangenomen dat een straf is ondergaan of ten uitvoer wordt gelegd in de zin van die bepaling, wanneer een persoon, die bij eenzelfde beslissing van een rechterlijke instantie van een andere lidstaat is veroordeeld tot een geldstraf en tot een vrijheidsstraf, alleen de hem opgelegde geldstraf betaalt, terwijl de vrijheidsstraf niet ten uitvoer is gelegd.

Zaak C-486/14, Kossowski (arrest van 29 juni 2016)

Het ne bis in idem-beginsel, dat is neergelegd in artikel 54 SUO, gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat een beslissing van het openbaar ministerie waarbij de strafvervolging wordt beëindigd en het tegen een persoon gerichte onderzoek, onder voorbehoud van de heropening of de nietigverklaring van dit onderzoek, op definitieve wijze wordt afgesloten zonder dat sancties zijn opgelegd, niet als een onherroepelijke beslissing in de zin van deze artikelen kan worden aangemerkt wanneer uit de motivering van deze beslissing blijkt dat de bedoelde procedure is beëindigd zonder dat een uitgebreid onderzoek is verricht, waarbij het feit dat het slachtoffer en een eventuele getuige niet zijn gehoord, een aanwijzing vormt dat een dergelijk onderzoek achterwege is gebleven.


BIJLAGE VII

Standaardformulier EAB-beslissing

Dit formulier geldt niet als beslissing inzake overlevering, waarvan overeenkomstig artikel 22 van Kaderbesluit 2002/584/JBZ kennis moet worden gegeven, noch als volledige tekst van de beslissing inzake het Europees arrestatiebevel, die in voorkomend geval op verzoek van de uitvaardigende autoriteit moet worden toegezonden.

I.- GEGEVENS BETREFFENDE HET EAB

UITVAARDIGINGSREF.:

TENUITVOERLEGGINGSREF.:

 

SIS REF.:

UITVAARDIGENDE AUTORITEIT:

DATUM VAN UITVAARDIGING:

UITVOERENDE AUTORITEIT:

GEZOCHTE PERSOON

NATIONALITEIT VAN DE PERSOON

 

II.- DEFINITIEVE BESLISSING INZAKE HET EAB

REF.AUTORITEIT, VONNIS OF BESLISSING Nr.

D.D.

-A- ☐ TEN UITVOER GELEGD:

INSTEMMING GEZOCHTE PERSOON (artikel 13 KB EAB)

☐ JA

AFSTAND SPECIALITEITSBEGINSEL (artikel 13, lid 2, KB EAB)

☐ JA

☐ NEEN

IN GEVAL VAN GEDEELTELIJKE OVERLEVERING, VERMELDING VAN STRAFBARE FEITEN WAARVOOR HET EAB NIET WORDT AANVAARD:

☐ NEEN

DUUR VRIJHEIDSBENEMING IN AFWACHTING VAN OVERLEVERING IN UITVOERENDE LIDSTAAT (artikel 26 KB EAB)

☐ VRIJHEIDSBENEMING

AANVANG (DATUM/UUR VAN AANHOUDING)

PROCES BIJ VERSTEK (artikel 4 bis KB EAB)

☐ JA

☐ NIEUWE KENNISGEVING

☐ NIEUW PROCES

☐ GEEN VAN BEIDE NODIG (vereisten artikel 4 bis vervuld)

EINDE (DATUM/UUR VAN OVERLEVERING)  (1) :

☐ GEEN

☐ NEEN

GARANTIES

(artikel 5 KB EAB)

☐ HERZIENING LEVENSLANGE VRIJHEIDSSTRAF

(artikel 5, lid 2, KB EAB)

UITGESTELDE OVERLEVERING

(artikel 24, lid 1, KB EAB)

☐ JA

☐ MET HET OOG OP VERVOLGING IN UITVOERENDE LIDSTAAT

☐ TERUGZENDING ONDERDAAN OF INGEZETENE VAN UITVOERENDE LIDSTAAT

(artikel 5, lid 3, KB EAB)

☐ OM STRAF TE ONDERGAAN IN UITVOERENDE LIDSTAAT

TOTALE DUUR OPGELEGDE STRAF

 

☐ NEEN

TIJDELIJKE OVERLEVERING

☐ NEEN

☐ JA

TOT (DATUM)

(artikel 24, lid 2, KB EAB)

1.1.1.

VERPLICHTE WEIGERINGSGROND:

1.1.2.

GRONDEN NAAR NATIONAAL RECHT:

☐ NE BIS IN IDEM-beginsel (artikel 3, lid 2, KB EAB)

☐ MINDERJARIG (artikel 3, lid 3, KB EAB)

☐ AMNESTIE (artikel 3, lid 1, KB EAB)

☐  GELIEVE TE SPECIFICEREN :

III.- OPMERKINGEN

 

Plaats, datum en handtekening bevoegde autoriteit uitvoerende lidstaat

AAN DE BEVOEGDE AUTORITEIT IN DE UITVAARDIGENDE LIDSTAAT


(1)  In het formulier wordt de volgende voetnoot opgenomen: „Deze datum moet zo mogelijk worden ingevuld door de overleverende autoriteit. Hij kan ook worden ingevuld door de ontvangende autoriteit.”.


BIJLAGE VIII

Lijst van lidstaten waarvan het rechtsstelsel de overlevering kan toestaan voor strafbare feiten waarop een lagere straf staat dan de in artikel 2, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het EAB vermelde grens, wanneer de feiten accessoir zijn bij de zwaardere feiten uit hoofde van het EAB  (1)

 

Tsjechië

 

Denemarken

 

Duitsland

 

Frankrijk

 

Letland

 

Litouwen

 

Hongarije

 

Oostenrijk

 

Slovenië

 

Slowakije

 

Finland

 

Zweden


(1)  De lijst is gebaseerd op de antwoorden van 20 lidstaten op een vragenlijst van de Commissie — deze is niet noodzakelijk een weergave van de situatie in alle lidstaten. De lijst geeft een overzicht van de lidstaten waar overlevering voor accessoire strafbare feiten mogelijk kan zijn. Merk op dat deze mogelijkheid afhankelijk kan zijn van verschillende factoren, bijvoorbeeld dubbele strafbaarheid en het oordeel van de uitvoerende rechterlijke autoriteit per afzonderlijke zaak.


BIJLAGE IX

INDICATIEF MODEL VOOR EEN VERKLARING VAN RECHTEN VOOR PERSONEN AANGEHOUDEN OP GROND VAN EEN EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL

BIJLAGE II bij Richtlijn 2012/13/EU betreffende het recht op informatie in strafprocedures  (1)

Image

Indicatief model voor een verklaring van rechten voor personen aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel

Dit model is uitsluitend bedoeld om de nationale autoriteiten te helpen bij de opstelling van een verklaring van rechten op nationaal niveau. De lidstaten zijn niet verplicht dit model te gebruiken. Bij het opstellen van hun verklaring van rechten kunnen de lidstaten dit model wijzigen om het in overeenstemming te brengen met hun nationale bepalingen en kunnen zij ook bijkomende nuttige informatie toevoegen.

A.   INFORMATIE OVER HET EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL

U hebt recht op informatie over de inhoud van het Europees aanhoudingsbevel op grond waarvan u bent aangehouden.

B.   BIJSTAND VAN EEN ADVOCAAT

U hebt het recht om vertrouwelijk met een advocaat te spreken. Een advocaat is onafhankelijk van de politie. Vraag de politie, indien u hulp nodig hebt, om met een advocaat in contact te komen; de politie zal u helpen. In bepaalde gevallen kan de bijstand gratis zijn. Vraag de politie om meer informatie.

C.   VERTOLKING EN VERTALING

Als u de taal niet spreekt of verstaat die wordt gesproken door de politie of de andere bevoegde autoriteiten, hebt u recht op kosteloze bijstand van een tolk. De tolk kan u helpen om met uw advocaat te spreken en moet de inhoud van dit gesprek vertrouwelijk houden. U hebt recht op een vertaling van het Europees aanhoudingsbevel in een taal die u begrijpt. In bepaalde gevallen kan een mondelinge vertaling of samenvatting worden verstrekt.

D.   MOGELIJKHEID TOT INSTEMMING

U kunt instemmen of niet instemmen met de overlevering aan het land dat u zoekt. Uw instemming zou de procedure moeten versnellen. [Mogelijke toevoeging voor bepaalde lidstaten: Het kan moeilijk of zelfs onmogelijk zijn dit besluit in een later stadium te wijzigen.] Vraag de autoriteiten of uw advocaat om meer informatie.

E.   HOORZITTING

Als u niet instemt met uw overlevering, hebt u het recht door een rechterlijke autoriteit te worden gehoord.


(1)  PB L 142 van 1.6.2012, blz. 1.


Top