Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52017IE0694

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Van de verklaring van Cork 2.0 naar concrete stappen” (initiatiefadvies)

OJ C 345, 13.10.2017, p. 37–44 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

13.10.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 345/37


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Van de verklaring van Cork 2.0 naar concrete stappen”

(initiatiefadvies)

(2017/C 345/06)

Rapporteur:

Sofia BJÖRNSSON

Besluit van de voltallige vergadering

26.1.2017

Rechtsgrondslag

Artikel 29, lid 2, van het reglement van orde

 

Initiatiefadvies

Bevoegde afdeling

Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu

Goedkeuring door de afdeling

15.6.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

6.7.2017

Zitting nr.

526

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

123/0/0

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met de verklaring van Cork 2.0 en met de conferentie waaruit deze verklaring in september 2016 is voortgekomen. De verklaring bevat een aanhoudend krachtig pleidooi voor een plattelandsbeleid op EU-niveau.

1.2.

De plattelandsgebieden in de EU zijn niet homogeen en de omstandigheden verschillen sterk, zowel binnen als tussen de lidstaten. Vanwege deze verschillen is het volgens het EESC belangrijk dat de beschikbare EU-fondsen op doelgerichte en strategische wijze worden gebruikt. Daarbij moet worden uitgegaan van zowel de prioriteiten van de lidstaten en hun regio’s als, en dit is het belangrijkste, de initiatieven van de plattelandsbevolking. Ook verplichte „rural proofing” van politieke besluiten en strategieën kan een manier zijn om rekening te houden met en aandacht te besteden aan de specifieke omstandigheden van het platteland.

1.3.

Plattelandsontwikkeling is een horizontale kwestie die vrijwel alle beleidsterreinen betreft. Er is een coherenter beleid voor regionale en plattelandsontwikkeling nodig, en er is eveneens een forse bijdrage uit de ESI-fondsen (Europese structuur- en investeringsfondsen) nodig. Het EESC constateert dat van alle ESI-fondsen het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) de meeste aandacht besteedt aan plattelandsontwikkeling, en onderstreept dat het aandeel van de andere ESI-fondsen, zoals het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Europees Sociaal Fonds (ESF), zou moeten worden verhoogd.

1.4.

Ook zijn er tal van mogelijkheden voor vereenvoudiging van het beleid. Het EESC wil beklemtonen dat vereenvoudiging van de regelgeving voor ESI-fondsen noodzakelijk is, zowel op EU-niveau als bij de nationale en regionale uitvoering van het beleid. Het huidige systeem is zo complex dat sommigen niet eens de moeite nemen om steun aan te vragen.

1.5.

In veel delen van Europa, vooral op het platteland, zijn nog steeds geen stabiele oplossingen voorhanden op het gebied van internetcommunicatie. Het EESC vindt dat onacceptabel. Bewoners van het platteland hebben breedband nodig, bijv. om te kunnen bellen, voor hun eigen veiligheid en ook voor hun levenskwaliteit. De toegang tot breedband kan een factor zijn die bepaalt in welke mate vooral jonge mensen ervoor kiezen om in een streek te blijven of eruit weg te trekken. Voor bedrijven en ondernemers is breedband een noodzaak.

1.6.

De landbouwsector speelt vanwege zijn sterke affiniteit met het land een zeer belangrijke rol in plattelandsgebieden. Landbouwproductie speelt niet alleen een essentiële rol als leverancier van duurzame voedingsmiddelen voor de bevolking, maar is ook een aanjager van plattelandsontwikkeling. Het EESC vindt het dan ook vanzelfsprekend dat de meeste middelen waarover het Elfpo beschikt, bestemd zijn voor landbouwactiviteiten. Goede voorwaarden voor jonge landbouwondernemers zijn een conditio sine qua non voor een duurzame landbouwproductie op lange termijn.

1.7.

Het EESC wil beklemtonen dat duurzame ontwikkeling staat of valt bij een goed investeringsklimaat.

1.8.

Het EESC stelt vast dat VN-ontwikkelingsdoel nr. 17 en de subdoelen daarvan, evenals het klimaatakkoord van Parijs (COP21) algemene doelstellingen bevatten die betrekking hebben op alle EU-beleidsgebieden, met name plattelandsontwikkeling. De lokale en regionale overheden op het platteland moeten actief worden betrokken bij de uitvoering van de desbetreffende internationale verplichtingen.

2.   Algemene opmerkingen

Cork 2.0

2.1.

In 1996 hield de Commissie een conferentie in Cork, Ierland. Deze conferentie resulteerde in de verklaring van Cork, die de basis legde voor de tweede pijler van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en de programma’s voor plattelandsontwikkeling. In het najaar van 2016 hield de Commissie opnieuw een conferentie in Cork, waar de „verklaring van Cork 2.0” werd aangenomen.

2.2.

Deze verklaring werd met een ruime meerderheid aangenomen op een conferentie die was georganiseerd door het directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling en waaraan werd deelgenomen door ongeveer 340 vertegenwoordigers van het maatschappelijke middenveld uit een groot aantal EU-lidstaten en van nationale, regionale en Europese overheidsinstanties, evenals door afgevaardigden van het EESC. Tijdens de sluitingsceremonie werd deze verklaring, getiteld „Een betere levenskwaliteit in plattelandsgebieden”, na stilzwijgende goedkeuring van de deelnemers gepresenteerd.

2.3.

De verklaring gaat vooral over het landbouw- en plattelandsbeleid in de EU, maar ook de VN-doelstellingen voor duurzame ontwikkeling (Agenda 2030) (1) en het klimaatakkoord van Parijs (COP 21) (2) komen erin aan bod.

2.4.

Na een aantal inleidende overwegingen worden tien beleidslijnen uiteengezet:

Punt 1: De welvaart op het platteland bevorderen

Punt 2: De waardeketens op het platteland versterken

Punt 3: Investeren in de levensvatbaarheid van het platteland

Punt 4: De landelijke omgeving in stand houden

Punt 5: Natuurlijke hulpbronnen beheren

Punt 6: Klimaatactie aanmoedigen

Punt 7: Kennis en innovatie stimuleren

Punt 8: Plattelandsbestuur verbeteren

Punt 9: Beleidsuitvoering en -vereenvoudiging bevorderen

Punt 10: Prestaties en toerekenbaarheid verbeteren

2.5.

De verklaring vertrekt vanuit een brede kijk op plattelandsontwikkeling en haar kracht ligt in haar omvang en inhoud, omdat alle aspecten die essentieel zijn voor een levensvatbare en duurzame landbouw in de EU erin worden behandeld. Het EESC stelt echter vast dat de omvang meteen ook het zwakke punt is van de verklaring, die hierdoor complex wordt en geen ruimte biedt voor een EU-focus. Gezien de belangrijke uitdagingen waarmee de plattelandsgebieden worden geconfronteerd, is het volgens het EESC belangrijk dat de beschikbare middelen doelgericht worden ingezet om te zorgen voor concrete resultaten. Daarbij moet worden uitgegaan van zowel de prioriteiten van de betreffende lidstaat of regio als, en dit is het belangrijkste, de initiatieven van de plattelandsbevolking.

2.6.

De verklaring van Cork 2.0 lijkt inhoudelijk grotendeels op de verklaring uit 1996, met dien verstande dat er hoofdstukken over klimaat en digitalisering aan toegevoegd zijn.

2.7.

Het EESC beschouwt zichzelf als een natuurlijke partner bij de uitvoering van de verklaring en verzoekt de Commissie om voortgangsverslagen op te stellen over hoe de uitvoering vordert.

EU-middelen voor plattelandsontwikkelingsbeleid

2.8.

Alle EU-landen hebben nationale of regionale programma’s voor plattelandsontwikkeling, die deels door het Elfpo en deels uit nationale (publieke of particuliere) bron worden gefinancierd. Deze programma’s bevatten maatregelen die duurzame ontwikkeling in drie opzichten — economisch, sociaal en milieuopzicht — beogen te stimuleren. Ze zijn opgesteld door de betreffende lidstaat of regio en goedgekeurd door de Commissie.

2.9.

Het Elfpo is een van de zogeheten „ESI-fondsen” (Europese structuur- en investeringsfondsen), waartoe ook het Cohesiefonds (CF), het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) behoren. Voor de praktische toepassing van de ESI-fondsen zijn gemeenschappelijke bepalingen opgesteld (3). Bovendien heeft elk land voor alle fondsen partnerschapsovereenkomsten met beleidsprioriteiten gesloten, die in aanmerking moeten worden genomen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie. Er is dus een nauw verband tussen de fondsen onderling en er is een strategie voor de coördinatie.

2.10.

In het kader van Elfpo zijn er plattelandsnetwerken opgericht, deels op Europees niveau via het Europees Netwerk voor plattelandsontwikkeling, deels op nationaal en regionaal niveau. Netwerken creëren platforms voor bijeenkomsten en voor het uitwisselen van ervaringen, en leggen daarmee de basis voor een effectieve uitvoering en goede verwezenlijking van de doelstellingen van de programma’s voor plattelandsontwikkeling.

2.11.

Het Comité van de Regio’s heeft onderzoek laten doen naar de mate waarin de ESI-fondsen voor plattelandsontwikkeling worden gebruikt (4). Het wekt geen verbazing dat de meeste middelen voor dit doel uit het Elfpo komen. Het aandeel van de andere fondsen is relatief klein tot zeer klein. Aangezien plattelandsontwikkeling een horizontale aangelegenheid is en belangrijk is voor de cohesie in de EU, moet dat aandeel volgens het EESC dringend worden vergroot.

2.12.

De ESI-fondsen zijn tot dusver de belangrijkste middelen op EU-niveau geweest om de doelstellingen van de verklaringen van Cork uit te voeren, en zullen dat in de toekomst ook blijven. De volgende financieringsperiode van de EU start in 2021 en het zal van de formulering van het beleid voor deze periode afhangen in hoeverre de doelstellingen van Cork 2.0 kunnen worden verwezenlijkt. Het EESC constateert bovendien dat er een forse bijdrage uit de ESI-fondsen nodig is om de verklaring in de praktijk te brengen en de beleidsdoelstellingen te halen.

3.   Maatregelen

Erkenning van het potentieel van het platteland

3.1.

In het eerste punt van de verklaring staat dat er een toetsingsmechanisme voor het platteland moet komen dat ervoor zorgt dat het potentieel van het platteland wordt erkend in het beleid en de strategieën van de Unie. Het plattelands- en landbouwbeleid moet voortbouwen op de identiteit en de dynamiek van plattelandsgebieden door multisectoriële benaderingen te hanteren en moet meerwaarde geven aan duurzaamheid en sociale inclusie, alsook de lokale ontwikkeling verbeteren.

3.2.

Erkenning van het potentieel van het platteland betekent dat er objectief en systematisch rekening wordt gehouden met en aandacht wordt besteed aan de specifieke omstandigheden van plattelandsgebieden. Het kan een instrument zijn om na te gaan wat de impact van beleidsbesluiten op het platteland is en te voorkomen dat deze besluiten een negatieve invloed hebben.

3.3.

Erkenning van het potentieel van het platteland vindt bijvoorbeeld plaats in Finland, het Verenigd Koninkrijk en Canada. Dit kan zowel verplicht als op vrijwillige basis gebeuren. In Noord-Ierland bestaat er sinds 2016 een wet op basis waarvan het potentieel van het platteland moet worden erkend. In andere landen wordt een soortgelijk systeem gehanteerd.

3.4.

Om resultaat te boeken, moet erkenning van het potentieel van het platteland verplicht zijn. De mensen die de besluiten nemen, moeten hiervoor over een goede basis beschikken. Het heeft geen zin als de erkenning van het potentieel van het platteland alleen resulteert in conclusies en verslagen en geen invloed heeft op de besluitvorming.

3.5.

Ook moet worden ingezien dat er niet één platteland is in de EU en de lidstaten, maar meerdere plattelandsgebieden met verschillende mogelijkheden en verschillende omstandigheden. Om plattelandsontwikkeling te doen slagen moet hiermee ook rekening worden gehouden bij de erkenning van het potentieel van het platteland en in het Europees en nationaal beleid. Ook de plattelandsbevolking speelt een rol in de vaststelling van een identiteit voor het platteland en de ontwikkeling daarvan, evenals in de discussie en besluitvorming over de mate waarin het landelijke karakter moet worden behouden.

Leader en door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling

3.6.

In punt 8 van de verklaring wordt gesteld dat moet worden voortgebouwd op het succes van Leader en van de „bottom-up- en lokale initiatieven” die aan dit programma ten grondslag liggen. Het EESC heeft in tal van documenten uiting gegeven aan zijn standpunt ten aanzien van het cohesiebeleid van de EU, de partnerschappen die in het kader hiervan zijn aangegaan, de Leader-methode en de nieuwe benadering van door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling.

3.7.

Het EESC stemde in met de analyse van de Commissie in haar derde cohesieverslag uit 2004, nl. dat naar een evenwichtiger ontwikkeling werd gestreefd door de bestaande verschillen terug te dringen, territoriale onevenwichtigheden te voorkomen en meer samenhang te brengen in het regionaal en sectorieel beleid (5).

3.8.

Het Comité constateert echter dat dit doel niet is bereikt en dat er behoefte is aan een meer samenhangend beleid voor regionale en plattelandsontwikkeling.

3.9.

Het EESC heeft zich ook positief uitgesproken over het partnerschapsbeginsel als effectieve manier om de ESIF-programma’s te promoten. Het partnerschapsbeginsel houdt in dat niet alleen de traditionele economische en sociale actoren een bijdrage leveren, maar ook organisaties van het maatschappelijk middenveld, milieupartners, niet-gouvernementele organisaties en instanties die gelijke kansen van mannen en vrouwen bevorderen.

3.10.

De Leader-methode is een beproefd ontwikkelingsinstrument waardoor de publieke sector en het maatschappelijk middenveld deelnemen aan lokale partnerschappen. Het EESC constateerde al in 2011 dat voor deze methode ook gebruik zou moeten kunnen worden gemaakt van middelen uit alle ESI-fondsen. Het is ook een positieve factor geweest voor het verbeteren van de verbindingen tussen stad en platteland (6). De methode kan ook in een stedelijke omgeving worden toegepast, maar het EESC wil erop wijzen dat zulks niet ten koste van de ontwikkeling van het platteland mag gaan.

3.11.

Tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 is „door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling” („Community-Led Local Development” (CLLD)) in het kader van de Leader-methode ontstaan als nieuw instrument waaraan de vier ESI-fondsen gezamenlijk bijdragen. Lokale ontwikkeling kan het meest doeltreffend tot stand worden gebracht door wie in het gebied woont en werkt en de situatie kent.

3.12.

Minstens 5 % van de Elfpo-middelen moet via CLLD moet worden besteed. De opzet van de methode is echter zodanig — de vier pakketten regels moeten door elk fonds afzonderlijk worden gevolgd — dat de mogelijkheden om er op eenvoudige, rationele wijze gebruik van te maken beperkt zijn. Voor de volgende programmeringsperiode moet de Commissie een ingrijpende vereenvoudiging voorstellen, zodat het potentieel van door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling als instrument voor zowel stedelijke als plattelandsgebieden volledig kan worden benut, evenals een minimumhoeveelheid fondsen voor deze methode.

Diensten en werkgelegenheid

3.13.

Factoren als diensten en werkgelegenheid zijn van invloed op de mate waarin mensen willen of kunnen blijven wonen in plattelandsgebieden of daarheen willen verhuizen. De algemene tendens in de EU is dat mensen vertrekken uit plattelandsgebieden, waardoor een neerwaartse spiraal ontstaat en de kans dat gemeenschappelijke doelstellingen en de VN-doelen voor duurzame ontwikkeling worden gehaald afneemt. Ook de demografische ontwikkeling kan een uitdaging zijn, en er moet worden gestreefd naar goede levensomstandigheden voor zowel jonge als oude mensen op het platteland.

3.14.

Er kunnen verschillen tussen stad en platteland bestaan voor wat betreft elementaire publieke en commerciële diensten als onderwijs, gezondheidszorg, postdiensten, supermarkten en openbaar vervoer. Dit kan een bepalende factor zijn voor de keuze van mensen voor de plaats waar zij willen of kunnen wonen. Voor gezinnen met kinderen kan de aanwezigheid van goede kinderopvang van invloed zijn op de mate waarin ouders kunnen werken. In sommige delen van de EU is de toegang tot diensten in het algemeen slechter in plattelandsgebieden dan in stedelijke gebieden. Met dit probleem moet rekening worden gehouden in de ruimtelijke ordening om ervoor te zorgen dat de levenskwaliteit van de plattelandsbevolking hierdoor niet in het gedrang komt.

3.15.

In diverse EU-landen is de werkloosheid hoger op het platteland dan in de stad. Maar de verschillen zijn groot, hetgeen ook blijkt uit de statistische gegevens van Eurostat (7). Sommige bedrijven hebben moeite met het vinden van geschoold personeel in plattelandsgebieden. Aan beide zijden kan er dus sprake zijn van een mismatch tussen vraag en aanbod. Jongeren die willen gaan studeren, trekken naar steden waar een universiteit of hogeschool is en keren vervolgens niet meer terug.

3.16.

Het onderbrengen van immigranten — en vooral hun gezinnen — is een uitdaging voor de bewoners van plattelandsgebieden en zal dat de komende jaren blijven. Het streven naar en behoud van wederzijds vertrouwen en respect moet worden aangemoedigd. Plattelandsgebieden kunnen een goede leefomgeving zijn voor immigrantengezinnen. In landen met veel immigranten — bijv. vluchtelingen en migranten — en veel arbeidsimmigratie kan het een uitdaging zijn om werk te vinden, maar het kan ook arbeidskansen creëren.

3.17.

Zaken als de kans op een baan en de opleidingsmogelijkheden komen vooral in de punten 3 en 7 van de verklaring aan bod. Het onderwerp dienstverlening wordt meer zijdelings behandeld. Het EESC is van mening dat communautaire initiatieven zowel directe als indirecte gevolgen hebben voor de ontwikkeling, vooral in het geval van banenkansen die ontstaan door bedrijfsvriendelijke maatregelen. De toegang tot diensten is eerder een kwestie die de betreffende lidstaten aangaat, zelfs indien ESF-financiering bijv. kan worden gebruikt als katalysator.

Landbouw en plattelandsontwikkeling

3.18.

Landbouwgronden en bossen beslaan ongeveer 85 % van de grondoppervlakte van de EU, met grote verschillen tussen landen en regio’s onderling. Het cultuurlandschap biedt mogelijkheden voor de productie van levensmiddelen, diervoeder, energie en vezels, maar kan ook de instandhouding en productie van collectieve goederen als een rijke flora en fauna helpen bevorderen. Het landschap is een factor die plattelandsgebieden onderscheidt van stedelijke gebieden en is een uniek aspect van de plattelandsontwikkeling in de EU; de landbouwsector speelt vanwege zijn sterke affiniteit met het land dan ook een zeer belangrijke rol in plattelandsgebieden. Kwesties als de instandhouding van de landelijke omgeving en het beheer van natuurlijke hulpbronnen komen in punt 4 en 5 van de verklaring aan de orde. De voorwaarden voor een duurzaam gebruik en beheer zijn van doorslaggevend belang voor de intrinsieke waarden van het landschap, de waterkwaliteit en de biodiversiteit.

3.19.

Landbouwproductie komt aan de orde in de verklaring, zij het indirect, en hieruit kan worden afgeleid dat landbouwproductie (in de vorm van levensmiddelen) in zekere zin als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Zoals eerder gezegd, krijgen aspecten die verband houden met de instandhouding en het beheer van het milieu en van natuurlijke hulpbronnen meer expliciete aandacht. Het EESC wil erop wijzen dat landbouwproductie deels een essentiële rol speelt als leverancier van duurzame voedingsmiddelen voor de bevolking, en deels een aanjager van plattelandsontwikkeling is. De mensen die werkzaam zijn in de land- en bosbouwsector vertegenwoordigen een groot deel van de bevolking op het platteland, scheppen werkgelegenheid en leggen de basis voor de vraag naar diensten. Een belangrijk aspect hier is de mogelijkheid voor nieuwe boeren, vooral jonge boeren, om een bedrijf over te nemen en de werkzaamheden voort te zetten. Het aandeel jonge boeren is laag en er zijn inspanningen nodig om generatie-opvolging te stimuleren.

3.20.

Voor een duurzame landbouwproductie is het noodzakelijk dat de drie dimensies van duurzame ontwikkeling — economische, sociale en milieudimensie — in acht worden genomen. De economische dimensie kan in sommige gevallen van doorslaggevend belang zijn voor het beheer. Denk bijvoorbeeld aan soortenrijke weilanden en velden die geleidelijk in omvang afnemen omdat het minder winstgevend is om er vee op te laten grazen, met alle negatieve gevolgen van dien voor de biodiversiteit. Dit voorbeeld toont aan dat als landbouwbedrijven niet economisch levensvatbaar zijn, dit van invloed is op het milieu en illustreert ook het belang van compensatie voor boeren voor de milieudiensten die zij leveren.

3.21.

Het EESC is van mening dat de landbouwsector een terrein van plattelandsontwikkeling is waarvoor het Elfpo de hoofdverantwoordelijkheid draagt en moet dragen. De meeste middelen waarover het Elfpo beschikt zijn — terecht — bestemd voor landbouwactiviteiten, bijv. in de vorm van milieucompensatie, bij- en nascholing, steun voor gebieden met natuurlijke beperkingen en investeringssteun. Andere onderdelen van het Elfpo — bijv. energie, breedband en innovatiesteun — hebben een positief effect op de landbouw in meer algemene zin. Anderzijds is de landbouw een bedrijfsactiviteit als elke andere en mag de doelgroep niet worden uitgesloten van inspanningen die via andere ESI-fondsen worden geleverd.

3.22.

De landbouw- en bosbouwbedrijven van vandaag kunnen worden beschouwd als zowel scheppers van een nieuw landschap als beheerders van een landschap dat door vroegere generaties is gebruikt. Voor veel mensen is het cultuurlandschap een belangrijke factor voor een betere levenskwaliteit, en het belang ervan voor vrijetijdsbesteding, recreatie in de open lucht en toerisme mag niet worden onderschat. Door de intrinsieke waarde van het landschap en de grond kunnen op veel verschillende manieren kansen voor bedrijven en andere kansen ontstaan.

3.23.

Een evenwichtiger territoriale ontwikkeling moet ook een overgang naar duurzame voedselsystemen omvatten (8). De ontwikkeling van een totaalaanpak van voedselsystemen is essentieel om de economische, milieu- en sociale uitdagingen in verband met voedselproductie en -consumptie het hoofd te bieden en de initiatieven op verschillende niveaus en in verschillende sectoren in goede banen te leiden. Dergelijke initiatieven omvatten bijvoorbeeld de bevordering van korte toeleveringsketens met als doel verbetering van de plattelandsontwikkeling door de toegang tot gezond en vers voedsel voor consumenten te vergemakkelijken (9). Dit kan ook de lokale economie en de landbouwproductie ten goede komen.

Innovation

3.24.

Het belang van innovatie voor plattelandsontwikkeling, om nieuwe ideeën te genereren en uit te voeren, kan niet worden overschat. Innovatieve oplossingen creëren de voorwaarden voor een duurzame samenleving, bijv. voor de bijdrage van het platteland tot een meer circulaire, biogebaseerde economie en klimaatvriendelijke oplossingen en de mogelijkheid tot de productie van meer met minder middelen. De overdracht van en de toegang tot kennis zijn een bepalende factor voor het realiseren van innovatieve nieuwe ideeën.

3.25.

Nieuwe technieken en nieuwe innovatieve productievormen bieden een goede basis voor een duurzamere landbouwproductie die resulteert in beter dierenwelzijn en de mogelijkheid om meer te produceren met minder middelen in de vorm van bijv. plantenvoeding of gewasbeschermingsmiddelen. Voor de toepassing van nieuwe technieken en het realiseren van innovaties zijn in veel gevallen omvangrijke investeringen nodig die een risico met zich mee kunnen brengen voor landbouwondernemers. Dat risico kan vaak niet door één persoon worden gedragen. Investeringssteun uit bijv. het programma voor plattelandsontwikkeling kan een optie zijn om technieken en methoden te gebruiken waar de samenleving om vraagt. Er kan een inherent conflict zijn tussen de ontwikkeling van landbouwtechnologie en het aantal beschikbare banen, omdat meer mechanisering en structurele veranderingen in veel gevallen tot een daling van de werkgelegenheid leiden, hoewel de ontwikkeling ook tot meer economisch stabiele werkgelegenheid kan leiden.

3.26.

Bij het vaststellen van strategieën voor en het realiseren van innovatie moet worden uitgegaan van de aanwezige behoefte in plaats van de hoeveelheid beschikbare middelen. In punt 7 van de verklaring wordt de behoefte aan meer kennis en zowel technische als sociale innovatie onderstreept, evenals de behoefte aan samenwerking tussen belanghebbenden bij het gebruiken en delen van informatie. Hier kunnen communautaire initiatieven, zoals Europese innovatiepartnerschappen (EIP), bijv. EIP-Agri, van nut zijn vanwege hun bottom-upbenadering waardoor netwerkcommunicatie en uitwisseling tussen belanghebbenden op verschillende niveaus, met name op het gebied van de bedrijfspraktijk, worden gestimuleerd. Om innovatie op landbouwgebied nog meer te stimuleren kan het handig zijn om steun te verlenen aan „innovatiemakelaars”.

Digitalisering

3.27.

Tegenwoordig is de toegang tot hogesnelheidsbreedband een onmisbaar onderdeel van de infrastructuur en een vereiste voor een goed functionerende samenleving in zowel stedelijke als plattelandsgebieden en een belangrijke factor voor zowel het aanbod van arbeidskrachten als het aanbod van werk. De trend is dat er steeds meer online gebeurt. In veel delen van Europa, vooral op het platteland, zijn echter nog steeds geen stabiele oplossingen voorhanden. Het EESC vindt dat onacceptabel. Bewoners van het platteland hebben breedband nodig voor hun eigen veiligheid (bijv. om te kunnen bellen) en voor hun levenskwaliteit (bijv. om tv te kunnen kijken). De toegang tot breedband kan een factor zijn die bepaalt in welke mate vooral jonge mensen ervoor kiezen om in een streek te blijven of eruit weg te trekken. Voor bedrijven is breedband een noodzaak, omdat ze in de meeste gevallen hun werk niet kunnen doen zonder een functionerende breedbandverbinding. Denk bijvoorbeeld aan betaalmogelijkheden in een samenleving waarin steeds minder contant geld wordt gebruikt, accounting, internethandel of communicatie met klanten. Landbouwondernemingen zijn een voorbeeld, omdat ICT steeds belangrijker wordt in nieuwe technologische oplossingen.

3.28.

De verklaring besteedt aandacht aan de behoefte aan, en de kansen die worden geboden door, digitalisering. Als de marktkrachten niet voldoende zijn om de uitbreiding van breedband te stimuleren, wat vaak het geval is op het platteland, moeten er mogelijkheden voor steun zijn, vindt het EESC. Het EESC is van mening dat het EFRO de belangrijkste bron moet zijn van infrastructuursteun en dat het Elfpo moet kunnen worden gebruikt voor meer fijnmazige en doelgerichte projecten. Daarbij kunnen de Europese Investeringsbank en het Europees Fonds voor strategische investeringen een rol spelen, bijv. door innovatieve financiële instrumenten te verstrekken.

De rol van het platteland in de circulaire economie en de klimaatverandering

3.29.

Plattelandsgebieden spelen een belangrijke rol in een kringloop- of circulaire economie. De circulaire economie wordt genoemd in punt 6 („Klimaatactie aanmoedigen”) van de verklaring, maar de circulaire economie heeft nog andere positieve aspecten, die ook in het EESC-advies over het „Pakket circulaire economie” (10) worden besproken. Er is een duurzame kringloop tussen stad en platteland nodig, niet alleen voor wat hulpbronnen betreft, maar ook om de landbouw te versterken en de invoer van productiemiddelen te verminderen. Plattelandsgebieden beschikken dus over een groot potentieel voor het leveren van een bijdrage aan een meer circulaire economie, deels omdat ze restproducten als bron kunnen gebruiken, bijv. als meststoffen en grondverbeteraars, en deels omdat ze hernieuwbare energie en biomateriaal produceren.

3.30.

Door minder gebruik te maken van fossiele energie en meer van hernieuwbare energie kunnen klimaatemissies worden teruggedrongen. Ook hier kunnen plattelandsgebieden een bijdrage aan leveren, vooral door de productie van zonne-, wind- en waterenergie, evenals bio-energie. De productie van hernieuwbare energie kan echter van grote invloed zijn op zowel de lokale bevolking als het milieu, en daarom moet rekening worden gehouden met alle elementen van duurzame ontwikkeling.

3.31.

Wanneer het om klimaatverandering gaat, moeten wij zowel de gevolgen ervan verminderen als ons hieraan aanpassen. Plattelandsgebieden zijn, dankzij hun uitgestrekte land- en bosbouwgronden, zeer geschikt om koolstof op te slaan en daarmee bij te dragen aan de vermindering van klimaatemissies, maar leveren door hun eigen productie ook een bijdrage aan diezelfde emissies. Om die emissies tot een minimum te beperken, moet bij de productie gebruik worden gemaakt van de beste beschikbare technieken. Er is behoefte aan opleiding op alle niveaus — van producenten tot besluitvormers — in combinatie met investeringsmogelijkheden.

3.32.

Kortom, plattelandsgebieden beschikken over een groot potentieel voor het leveren van een bijdrage aan een duurzame samenleving en dus ook aan de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN (Agenda 2030) en het klimaatakkoord van Parijs (COP21), zoals duidelijk naar voren komt in de verklaring Cork 2.0. De uitdagingen zijn echter groot en er moet zowel letterlijk als figuurlijk geïnvesteerd worden om deze uitdagingen het hoofd te kunnen bieden.

Vereenvoudiging

3.33.

Bij discussies over steun uit de EU-fondsen gaat het vaak over de complexiteit hiervan, zowel voor begunstigden als voor overheden. De complexiteit van het beleid komt aan bod in punt 9 van de verklaring. Het EESC wil beklemtonen dat vereenvoudiging noodzakelijk is, zowel op EU-niveau als bij de nationale en regionale uitvoering van het beleid. Het huidige systeem is zo complex dat sommigen niet eens de moeite nemen om steun aan te vragen en de complexiteit kan de uitvoering en de verwezenlijking van de doelstellingen van het beleid in gevaar brengen. Bepaalde aanvragen kunnen in principe niet worden ingediend zonder de hulp van een consultant. Rechtszekerheid voor iedereen moet vooropstaan.

3.34.

Voor de huidige periode, 2014-2020, werden de administratieve regels voor de ESI-fondsen beschreven in een gemeenschappelijke verordening (11). In wezen was dit een positieve stap, omdat meer coördinatie tot meer efficiency in met name de uitoefening van het openbaar gezag kan leiden, maar de individuele begunstigden profiteren hier vermoedelijk minder van, vooral omdat zij meestal geen steun uit verschillende fondsen aanvragen. De voordelen kunnen mogelijk groter zijn voor door de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling in landen waar de lokale ontwikkeling steun uit verschillende fondsen krijgt. De impact van de verordening gemeenschappelijke bepalingen is iets wat wellicht verder onderzoek vereist.

3.35.

Het huidige beleid voor plattelandsontwikkeling in het kader van het Elfpo wordt uitgevoerd aan de hand van programma’s voor plattelandsontwikkeling, waarbij prioriteiten en aandachtsgebieden worden vastgesteld. Dit heeft tot een systeem geleid met een zeer gefragmenteerde programmabegroting, met aparte begrotingsposten voor alle maatregelen, aandachtsgebieden en prioriteiten. Dat is de transparantie van de programma’s allerminst ten goede gekomen en heeft tot meer administratieve rompslomp voor de overheidsinstanties geleid, die op hun beurt een beroep doen op middelen die bestemd zijn voor de uitvoering van de programma’s, waardoor de kans dat de programmadoelen worden bereikt kleiner wordt.

3.36.

Punt 10 van de verklaring bevat een pleidooi voor verbetering van prestaties en toerekenbaarheid. Dit is ook een leidend beginsel voor de begrotingsactiviteiten van de Commissie, die in 2015 het initiatief „EU Budget Focused on Result” lanceerde. Burgers en belastingbetalers moeten informatie kunnen inwinnen over de resultaten van het beleid en over de mate waarin de beleidsdoelstellingen worden bereikt.

Brussel, 6 juli 2017.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  Zie het advies over „Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst” (zie bladzijde 15 van dit Publicatieblad).

(2)  Zie het advies over „Wat na Parijs?” (PB C 75 van 10.3.2017 blz. 103).

(3)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013.

(4)  http://cor.europa.eu/en/documentation/studies/Documents/Evolution-Budget-Dedicated-Rural-Development-Policy.pdf

(5)  Zie het advies over „Territoriale samenhang” (PB C 228 van 22.9.2009, blz. 123).

(6)  Zie het advies over „Leader als instrument voor lokale ontwikkeling” (PB C 376 van 22.12.2011, blz. 15).

(7)  http://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/Unemployment_statistics_at_regional_level

(8)  Zie het advies over „Duurzamere voedselsystemen” (PB C 303 van 19.8.2016, blz. 64).

(9)  Dit is het onderwerp van een initiatiefadvies van het EESC over „De bijdrage van het maatschappelijk middenveld aan de ontwikkeling van een omvattend voedselbeleid in de EU”, dat op de agenda staat van de zitting van december 2017.

(10)  Zie het advies over het „Pakket circulaire economie” (PB C 264 van 20.7.2016, blz. 98).

(11)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013: http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?qid=1489147469173&uri=CELEX%3A32013R1303


Top