Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52017IE0181

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de externe dimensie van de sociale economie (initiatiefadvies)

OJ C 345, 13.10.2017, p. 58–66 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

13.10.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 345/58


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de externe dimensie van de sociale economie

(initiatiefadvies)

(2017/C 345/09)

Rapporteur:

Miguel Ángel CABRA DE LUNA

Besluit van de voltallige vergadering

22.9.2016

Rechtsgrondslag

Artikel 29, lid 2, rvo

 

Initiatiefadvies

 

 

Bevoegde afdeling

REX

Goedkeuring door de afdeling

8.6.2017

Goedkeuring door de voltallige vergadering

5.7.2017

Zitting nr.

527

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

129/1/4

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

De sociale economie speelt een relevante rol en draagt bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van al het EU-beleid met een buitenlandse dimensie: het buitenlands en veiligheidsbeleid, het handelsbeleid, het nabuurschapsbeleid en het beleid inzake de klimaatverandering, ontwikkelingssamenwerking en duurzame ontwikkeling. Zowel op Europees als op nationaal niveau ontbreekt er echter een passend regelgevingskader, wat ervoor zorgt dat deze sector zich niet ten volle kan ontwikkelen en dat de impact ervan niet wordt gemaximaliseerd.

1.2.

Het partnerschapsinstrument (1) voor samenwerking met derde landen, dat is gericht op zowel ontwikkelde landen als ontwikkelingslanden, zou kunnen bijdragen aan het internationaliseringsproces van de sociale economie van de EU, door het concurrentievermogen, innovatie en onderzoek te bevorderen.

1.3.

De EU speelt een belangrijke rol bij het wereldwijd uitbannen van armoede en stimuleren van economische en sociale ontwikkeling, hetgeen tot uiting komt in de agenda voor de periode na 2015 van de EU en de aanvaarding van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties (VN).

1.4.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is verheugd dat de Raad in de agenda voor de periode na 2015 het belang van „de sociale economie voor banencreatie en duurzame ontwikkeling” onderstreept, waardoor nieuwe perspectieven worden geopend voor de bevordering van de externe dimensie van de sociale economie (punt 43 van de agenda voor de periode na 2015). Het Comité betreurt echter dat de Commissie de sociale economie niet heeft opgenomen in haar voorstel voor een nieuwe Europese consensus over ontwikkeling.

1.5.

De succesvolle ontwikkeling van het ondernemerschap die waarneembaar is in verschillende landen buiten de EU laat zien dat de sociale economie, in haar verschillende verschijningsvormen, prominent aanwezig is in het dagelijks leven en in productieactiviteiten in uitgestrekte regio’s in Afrika, Amerika en Azië en een doorslaggevende bijdrage levert aan de verbetering van de levensomstandigheden en arbeidsvoorwaarden van miljoenen mensen.

1.6.

Onder de verschillende ondernemingsvormen van de sociale economie die in deze regio’s kunnen worden waargenomen, wordt de toon aangegeven door onder andere coöperaties en onderlinge maatschappijen, waarvan er een groot aantal actief is in de landbouw en de financiële wereld, met inbegrip van microfinanciering, maar ook op het gebied van de voorziening van schoon water, huisvesting, de integratie van personen met een handicap in de arbeidsmarkt, het terugdringen van informele arbeid door middel van collectieve ondernemerschapsinitiatieven van de sociale economie, de toetreding van jongeren tot de arbeidsmarkt, en de emancipatie van vrouwen, die een steeds grotere rol spelen in de productieactiviteiten van coöperaties en onderlinge maatschappijen.

1.7.

Naast coöperaties, onderlinge maatschappijen en andere vergelijkbare ondernemingen van de sociale economie met een verenigingsstructuur, springt de belangrijke functie van entiteiten zonder winstoogmerk, verenigingen en stichtingen in het oog, organisaties die bekend zijn onder de noemer ngo’s en die allemaal deel uitmaken van de tertiaire sector van de sociale economie, waarin socialebijstands-, gezondheids-, onderwijs- en andere diensten worden verricht en ook initiatieven worden ontplooid om het ondernemerschap in het kader van de sociale economie te bevorderen onder de lokale bevolking.

1.8.

De Commissie erkent dat ondernemingen van de sociale economie (Social Economy Enterprises — SEE’s) een belangrijke rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van de circulaire economie en dat ze hieraan een „essentiële bijdrage” kunnen leveren (2). In Europa zijn er tal van goede praktijken op dit gebied, waarbij SEE’s bijvoorbeeld een relevante rol kunnen spelen met betrekking tot de in het plan voor externe investeringen (EIP) voorziene investeringen in hernieuwbare energie in Afrika. Deze ondernemingen dragen aanzienlijk bij aan duurzame economische groei door de negatieve gevolgen voor het milieu te beperken.

1.9.

De traditionele financiële instrumenten werken niet voor SEE’s, die, zonder afbreuk te willen doen aan de activiteiten van ethische banken, behoefte hebben aan specifieke instrumenten op maat. Daarom betreurt het EESC het dat SEE’s, ondanks hun onbetwistbare hoofdrol bij het nastreven van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties (Sustainable Development Goals — SDG’s) en hun aanwezigheid in de sociale economie, niet systematisch worden beschouwd als specifiek erkende speler in de programma’s voor de bevordering van internationalisering en van ondernemerschap in het buitenland of in de ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s van de EU. Ook het EIP en het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO) bevatten geen specifieke financieringslijn voor SEE’s.

1.10.

De hernieuwing van de partnerschapsovereenkomst van Cotonou raakt meer dan honderd landen in Afrika, het Caraïbisch gebied en de Stille Oceaan (de ACS-landen), met een totale bevolking van 1,5 miljard mensen. De partnerschapsovereenkomst wordt in 2020 hernieuwd en de onderhandelingen hiervoor moeten ten laatste in augustus 2018 beginnen. Het is opvallend dat in de mededeling over een hernieuwd partnerschap, die is gebaseerd op de Agenda 2030 van de VN en de mondiale strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid, de sociale economie niet specifiek wordt genoemd als niet-overheidspartij binnen het partnerschap, maar is weggemoffeld in de generieke categorie „het maatschappelijk middenveld, de economische en sociale partners en de bedrijfswereld” (punt 4.3.3 van de mededeling).

Op grond van het voorgaande adviseert het EESC het volgende:

1.11.

Het handelsbeleid is een van de pijlers van het externe optreden van de EU. Het georganiseerde maatschappelijk middenveld wordt betrokken bij de verschillende overeenkomsten van de EU met andere landen of regio’s in de wereld (handels-, associatie- en economische-partnerschapsovereenkomsten) via de gemengde raadgevende comités en interne adviesgroepen die in het kader van deze overeenkomsten worden ingesteld. Het EESC beveelt aan om de participatie van de sociale economie in al deze structuren, die in een aantal gevallen al is gerealiseerd, te veralgemenen en tot een vaste component te maken.

1.12.

Het EFDO en de Europese Investeringsbank (EIB) dienen mee te werken aan de totstandbrenging van een specifiek financieel ecosysteem voor SEE’s, waar in het EESC-advies over de totstandbrenging van een financieel ecosysteem voor sociale ondernemingen om wordt gevraagd (3). Bovendien moet in het kader van de technischebijstands- en ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s van het EIP worden overwogen om digitale platforms voor samenwerking te bevorderen. De digitale economie opent nieuwe handelings- en ontwikkelingsruimten voor SEE’s. Zo maakt de deeleconomie het mogelijk om not-for-profit-platforms („coöperatieve platforms”) op te zetten en activiteiten te ontwikkelen die van groot belang zijn voor de externe dimensie van de sociale economie, zoals het delen van productiemiddelen (crowdfunding of peer-to-peer-lenen), op samenwerking gebaseerd bestuur en collectief leren. Wat dat laatste betreft kan leren via platforms zinnig zijn in het kader van „leren op de werkplek” door ondernemers van de sociale economie in buurlanden en zuidelijke landen, waardoor het structurerende menselijk kapitaal in die landen wordt versterkt.

1.13.

Het EESC steunt de aanbeveling van de deskundigengroep van de Commissie inzake sociaal ondernemerschap (GECES) om de rol van SEE’s in het buitenlands beleid van de EU te versterken. In dit verband dienen de Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) hun beleidsmaatregelen en -initiatieven te coördineren teneinde:

directe en indirecte financiering toe te wijzen aan ondernemingen van de sociale economie in derde landen, samen met de betrokken regeringen en met organisaties die de sociale economie ondersteunen;

concrete samenwerking met andere mondiale partners te ontwikkelen en innovatie- en investeringsfondsen op te richten om de effecten van de respectieve programma’s te versterken.

1.14.

De Commissie en de sociale economie moeten de betrokkenheid van de G7 en de G20 bevorderen bij de promotie van specifieke beleidsmaatregelen ter ondersteuning van de sociale economie (zoals besproken in het inclusief bedrijvenkader van de G20) om de verschillen in de reeks waarden, beginselen bestaansredenen tussen deze organisaties beter te weerspiegelen (aanbeveling 12 van de GECES).

1.15.

Via economische diplomatie moeten de rol van de sociale economie op internationale fora (UNTFSSE, ILGSSE, G20, G7, IAO enz.) en de samenwerking met internationale financiële organisaties worden bevorderd.

1.16.

De EU dient bij de onderhandelingen voor handelsakkoorden te waarborgen dat SEE’s niet worden gediscrimineerd ten opzichte van andere ondernemingen, door de niet-tarifaire handelsbarrières die deze discriminatie veroorzaken, op te heffen.

1.17.

Het Europees nabuurschapsinstrument (ENI) en andere financiële instrumenten moeten op systematische wijze bijdragen aan de bevordering van de sociale economie, zowel tijdens de toetredingsonderhandelingen met kandidaat-lidstaten, als in andere buurlanden die geprivilegieerde overeenkomsten hebben gesloten met de EU.

1.18.

De Commissie dient haar leidersrol te versterken op het gebied van internationale samenwerking en de bevordering en erkenning van SEE’s als particuliere actoren die een sleutelrol spelen bij de verwezenlijking van de SDG’s en als onderdeel van de buitenlandse agenda van de EU. Daartoe moeten de werkzaamheden van de verschillende afdelingen van de Commissie en van de EDEO worden gecoördineerd en programma’s voor gezamenlijke actie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking worden opgezet met andere internationale financiële instellingen, zoals de Wereldbank, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, de Aziatische Ontwikkelingsbank en andere publieke en private entiteiten, waaronder lokale, op zoek naar multilaterale investeringen, en moeten er stimulansen worden gecreëerd om deze financieringskanalen te laten werken. SEE’s moeten dringend en over de hele linie een effectieve rol krijgen in de „economische diplomatie” van de EU. De Commissie dient de samenwerkingsverbanden met internationale organisaties (VN, IAO, OESO enz.) te versterken op het gebied van de sociale economie.

1.19.

De Commissie dient de sector van de sociale economie uitdrukkelijk op te nemen als actor van de EU bij initiatieven voor de toetreding tot markten in derde landen en bij alle programma’s voor ontwikkelingssamenwerking, evenals bij de tenuitvoerlegging van de agenda voor de periode na 2015, en indicatoren en specifieke doelstellingen te ontwerpen voor coöperaties en andere, soortgelijke ondernemingen van de sociale economie. In concrete zin is het belangrijk dat de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de sociale economie in de volgende partnerschapsovereenkomst van Cotonou uitdrukkelijk erkennen als een van de niet-overheidspartijen, en dat in het EIP en het EFDO specifieke financieringslijnen voor SEE’s worden gecreëerd.

1.20.

Voor de follow-up en evaluatie van de SDG’s moet regelmatig verslag worden uitgebracht over het partnerschapsbeleid tussen staten, andere overheidsinstanties en de sociale economie, met inbegrip van coöperaties, aangezien die een cruciale rol spelen bij de tenuitvoerlegging van de SDG’s. Bovendien zouden de staten moeten worden aangemoedigd gegevens te verzamelen en statistieken op te stellen.

1.21.

De Commissie dient te zorgen voor de opname van de sociale economie in de gestructureerde dialoog die ze via een platform voor duurzaam ondernemerschap voor Afrika met de Europese en Afrikaanse particuliere sector zal opzetten.

1.22.

De Commissie moet de preferentiële steun voor de aan de circulaire economie verbonden SEE’s opvoeren. Deze SEE’s boeken aanzienlijke successen in Europa en kunnen belangrijke actoren zijn wat betreft duurzame groei in landen buiten Europa, door op lokaal niveau banen te scheppen voor jongeren en vrouwen.

1.23.

De Commissie en de lidstaten dienen de deelname en raadpleging van ondernemingen en de coördinatie van hun activiteiten in het buitenland te bevorderen, evenals de ontwikkelingssamenwerking met Europese en nationale entiteiten, alsook entiteiten uit partnerlanden die de sociale economie vertegenwoordigen, en met internationale organisaties van de sociale economie die integrerende noord-zuid- en zuid-zuidverbindingen tot stand brengen. Het EESC herhaalt zijn oproep (4) tot de oprichting van een „Europees forum van het maatschappelijk middenveld voor duurzame ontwikkeling” dat de uitvoering van de Agenda 2030 moet bevorderen en monitoren, met als sleutelspelers de Raad, de Commissie, het Parlement, de vertegenwoordigende entiteiten van de sociale economie en het overige maatschappelijk middenveld.

1.24.

Voor de technischebijstands- en ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s van de Commissie moet de deelname, als tussenpersonen en strategische actoren, van de netwerken van de sociale economie en van organisaties die de sociale economie vertegenwoordigen, worden overwogen voor de tenuitvoerlegging van investerings- en samenwerkingsprogramma’s in buur- en ontwikkelingslanden, en moeten overheden worden ondersteund bij het creëren van een voor SEE’s gunstige institutionele omgeving. Het zuidelijke Middellandse Zeegebied en de Balkan zijn een absolute prioriteit.

1.25.

De Commissie en de EDEO dienen in derde landen zowel de identificatie van de verschillende soorten SEE’s als de totstandbrenging van een passend wettelijk kader, dat het geheel aan SEE’s zichtbaar maakt, te bevorderen. Aangezien dit een ingewikkeld middellange-/langetermijnproces is, moet de nadruk komen te liggen op coöperaties en onderlinge maatschappijen. Zij zijn actoren die overal ter wereld te vinden zijn, met welbepaalde wettelijke activiteitssferen in alle takken van de economie en met een inspirerend waarden- en bestuursstelsel, waardoor ze als de ruggengraat van de sociale economie kunnen worden beschouwd.

1.26.

Met dit advies wil het EESC de Europese Commissie aanmoedigen snel aan haar toezegging te voldoen om de kennis van autoriteiten over de sociale economie te verbeteren, door interne briefings te organiseren voor de relevante directoraten-generaal en de delegaties van de Europese Unie in derde landen.

2.   Inleiding

2.1.

De mondiale strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid heeft als twee topprioriteiten de veiligheid van de EU en investeren in de veerkracht van de landen en samenlevingen in het oostelijke deel van Europa en in het zuiden, tot aan Centraal Afrika. Bij de tenuitvoerlegging van deze prioriteiten en van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) kan de sociale economie relevante functies vervullen door processen in verband met inclusieve ontwikkeling en duurzame groei te helpen bevorderen.

2.2.

Het ENB, dat is gericht op de landen ten oosten en zuiden van de EU, en het bijbehorende financieringsinstrument, het ENI, vormen samen een cruciaal element voor het bevorderen van de betrekkingen met de 16 landen waarop het ENB van toepassing is, zes in Oost-Europa en tien in het zuidelijke Middellandse Zeegebied, met een EU-begroting van 15,4 miljard EUR voor de ontwikkeling van deze landen in de periode 2014-2020.

2.3.

Het EIP en het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO) zullen in de periode 2016-2020 in Afrika en de buurlanden van de EU investeringen ten belope van 44 miljard EUR, en mogelijk tot 88 miljard EUR, bevorderen, waarbij als tegenpartijen voor de investeringsprojecten organisaties uit de publieke sector en particuliere investeerders in aanmerking zullen komen.

2.4.

Internationale handel is een van de pijlers van de nieuwe strategie Europa 2020 om de Unie concurrerender en groener te maken. De vrijhandels- en investeringsovereenkomsten van de EU kunnen bijdragen tot een dynamischere economische groei in de Unie, overwegende dat 90 % van de toekomstige economische groei buiten Europa zal plaatsvinden. De EU zou bij de onderhandelingen voor handelsakkoorden moeten waarborgen dat ondernemingen van de sociale economie niet worden gediscrimineerd ten opzichte van andere ondernemingen, door de niet-tarifaire handelsbarrières die deze discriminatie veroorzaken, op te heffen. De sociale economie moet deze overeenkomsten gebruiken om haar ondernemingen te internationaliseren, zowel in de landen van Oost- en Zuid-Europa als in de rest van de wereld.

2.5.

De EU speelt een relevante rol bij het wereldwijd uitbannen van armoede en stimuleren van economische en sociale ontwikkeling. In 2015 bedroeg de officiële ontwikkelingshulp van de EU en de lidstaten 68 miljard EUR (5), meer dan 50 % van die hulp wereldwijd.

2.6.

De Raad heeft in zijn vergadering van 26 mei 2015 het standpunt van de EU inzake de agenda voor de periode na 2015 („Een nieuw wereldwijd partnerschap voor de uitbanning van armoede en voor duurzame ontwikkeling na 2015”) vastgesteld. Deze agenda voor de periode na 2015 is door de EU verdedigd in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van september 2015, die de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling aannam. In de agenda voor de periode na 2015 onderstreept de Raad „het belang van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en ondernemingen van de sociale economie voor banencreatie en duurzame ontwikkeling” (paragraaf 43).

3.   Ondernemingen en organisaties van de sociale economie (SEE’s)

3.1.

SEE’s omvatten een grote verscheidenheid aan actoren, die allemaal een gemeenschappelijke identitaire kern bezitten, met beginselen en waarden die kenmerkend voor ze zijn als entiteiten met een vrij en vrijwillig karakter en democratische en participatieve bestuursvormen, die door het maatschappelijk middenveld zijn opgericht met als prioritair doel om op basis van solidariteit tegemoet te komen aan de behoeften van de personen en sociale groepen die er lid van zijn voordat de inbrengers van kapitaal worden beloond (6). Een goed voorbeeld hiervan is de Duitse coöperatie, die door de Unesco tot immaterieel werelderfgoed is verheven.

3.2.

De actoren van de sociale economie zijn door de EU-instellingen en door die actoren zelf, alsmede in de wetenschappelijke literatuur, goed in kaart gebracht en afgebakend. In dit verband zij met name gewezen op de resolutie van het Europees Parlement over de sociale economie (2008/2250(INI)) van 25 januari 2009, de door de Commissie bevorderde handleiding voor het opstellen van de satellietrekeningen voor coöperaties en onderlinge maatschappijen („Manual for drawing up the Satellite Accounts of Co-operatives and Mutual Societies”) (2006), de adviezen van het EESC (7) en het verslag van het EESC over „De sociale economie in de Europese Unie” (8). In al deze documenten wordt de sector van de sociale economie, die bestaat uit een verscheidenheid aan ondernemingen en entiteiten, gekenschetst als een „universum van organisaties dat gebaseerd is op voorrang van mensen op kapitaal, en […] [dat] organisatievormen als coöperaties, onderlinge maatschappijen, stichtingen en verenigingen [omvat], alsook nieuwere vormen van sociale ondernemingen” (Conclusies van de Raad van de Europese Unie van 7 december 2015 over „De bevordering van de sociale economie als belangrijkste motor van economische en sociale ontwikkeling in Europa”) (9).

4.   Sociale economie, het Europees nabuurschapsbeleid en de mondiale strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid

4.1.

De sociale economie kan een bijzonder relevante rol spelen in het externe optreden van de EU. De geschiedenis van de sociale economie is een geschiedenis van successen, niet alleen in Europa, maar ook in een groot aantal buurlanden in het zuidelijke Middellandse Zeegebied en in uitgestrekte regio’s in Afrika. Dat heeft de IAO duidelijk gemaakt in Aanbeveling 193 van 20 juni 2002 over de bevordering van de coöperatieve verenigingen door deze aan te merken als een van de pijlers van economische en sociale ontwikkeling die, op basis van hun waarden en bestuursstelsels, een zo groot mogelijke deelname van de hele bevolking aan die ontwikkeling bevorderen en de stabiliteit, het vertrouwen en de sociale cohesie versterken.

4.2.

Het belang van coöperaties en de sociale economie in het externe optreden van de EU is door de Commissie en de Raad meermaals onderstreept. Zo worden coöperaties in de mededeling van de Commissie van 12 september 2012 („Aan de basis van democratie en duurzame ontwikkeling: het maatschappelijke engagement van Europa in de externe betrekkingen”) beschreven als relevante actoren van het maatschappelijk middenveld die „bijzonder actief [zijn] voor het bevorderen van ondernemerschap en het creëren van werkgelegenheid door de gemeenschappen aan de basis te mobiliseren”. In de agenda voor de periode na 2015 kent de Raad de sociale economie een betekenisvolle rol toe op het gebied van banencreatie en duurzame ontwikkeling (paragraaf 43 van de agenda voor de periode na 2015).

4.3.

De mondiale strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid heeft als twee topprioriteiten de veiligheid van de EU en investeren in de veerkracht van de landen en samenlevingen in het oostelijke deel van Europa en in het zuiden, tot aan Centraal Afrika.

4.4.

Het ENB is een cruciaal element voor het verwezenlijken van de prioriteiten van de mondiale strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid. Een van de prioriteiten voor het externe optreden in het kader van deze strategie is investeren in de veerkracht van de landen en samenlevingen in het oostelijke deel van Europa en in het zuiden, tot aan Centraal Afrika, zowel in landen die onder het ENB vallen als in andere landen.

4.5.

De consolidatie van veerkrachtige staten in de onmiddellijke omgeving van de Unie, een prioriteit van het externe optreden van de EU, kan niet worden gerealiseerd zonder sterke, samenhangende en weerbare samenlevingen. De sociale economie, die is gebaseerd op door en voor mensen opgerichte ondernemingen, vormt een dynamische expressie van het maatschappelijk middenveld. SEE’s zijn de vrucht van burgerinitiatieven voor collectief ondernemerschap waarin economische en sociale doeleinden met elkaar verenigd zijn in een gemeenschappelijk project dat mensen verantwoordelijk maakt en hun eigen lot laat bepalen en hen in staat stelt hun levensomstandigheden te verbeteren en hoop voor de toekomst te voeden. Dat is de beste garantie voor de consolidatie van veerkrachtige staten ten oosten en ten zuiden van de EU en andere landen binnen en buiten het ENB, zoals wordt verklaard in de mondiale strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid. En het is de beste garantie om het succes van de eerste van de vijf grote prioriteiten van het externe optreden van de EU, „de veiligheid van ons gemeenschappelijk huis, Europa”, duurzaam te maken en voor de lange termijn veilig te stellen, en derhalve om radicaliseringsprocessen een halt toe te roepen.

4.6.

Tot slot kan de externe dimensie van de sociale economie een bijzonder nuttige rol spelen bij het scheppen van banen met rechten in landen met een relatief omvangrijke grijze economie of landen die een transitie naar een ander economisch model doormaken, alsook bij het voorkomen van bedrijfssluitingen door werknemers de kans te geven het bedrijf over te nemen en in een coöperatieve rechtsvorm en organisatie te besturen.

5.   De sociale economie en het handels- en investeringsbeleid van de EU

5.1.

Het handelsbeleid is een van de pijlers van het externe optreden van de EU. Het georganiseerde maatschappelijk middenveld wordt betrokken bij de verschillende overeenkomsten van de EU met andere landen of regio’s in de wereld (handels-, associatie- en economische-partnerschapsovereenkomsten) via de gemengde raadgevende comités en interne adviesgroepen die in het kader van deze overeenkomsten worden ingesteld. De sociale economie maakt al deel uit van verschillende van deze overeenkomsten, en het EESC beveelt aan dat dit wordt veralgemeend en dat de sociale economie een vast onderdeel ervan wordt. Het Comité stelt voor om in de hoofdstukken van deze overeenkomsten over duurzame ontwikkeling gebruik te maken van de ervaringen van de sociale economie voor de creatie van ondernemingen met waarden en kenmerken die eigen zijn aan de sociale economie. Bovendien stelt het voor dat organisaties van de sociale economie regelmatig deel uitmaken van de in deze hoofdstukken voorziene interne adviesgroepen van het maatschappelijk middenveld en van de handelsmissies van de Commissie in derde landen.

5.2.

De aanwezigheid van de sociale economie in de gemengde raadgevende comités en interne adviesgroepen kan bijdragen tot het dichten van de kenniskloof en het versterken van de banden en de samenwerking tussen de sociale economieën van verschillende regio’s, zoals reeds gebeurt tussen de sociale economie van de EU en haar evenknieën in Latijns-Amerika en landen ten zuiden van de Middellandse Zee.

5.3.

In het kader van het ENB is via het ENI voor de periode 2014-2016 15,4 miljard EUR uitgetrokken voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het beleid. Het EIP (10), dat een algemeen kader biedt om de investeringen in Afrika en de buurlanden van de EU te verhogen, kan een geschikt instrument zijn om de sociale economie in deze geografische gebieden te bevorderen.

5.4.

In november 2017 vindt de vijfde top Afrika-EU plaats, waar het Partnerschap Afrika-EU opnieuw vorm zal worden gegeven en zal worden uitgediept (11). De Commissie dient te zorgen voor de opname van de sociale economie in de gestructureerde dialoog die ze via een platform voor duurzaam ondernemerschap voor Afrika met de Europese en Afrikaanse particuliere sector zal opzetten.

5.5.

De Commissie erkent dat SEE’s een belangrijke rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van de circulaire economie en dat ze hieraan een „essentiële bijdrage” kunnen leveren (12). In Europa zijn er tal van goede praktijken op dit gebied, met name op het gebied van hernieuwbare energie.

5.6.

Vanwege hun kenmerken en waarden kunnen SEE’s een relevante rol spelen met betrekking tot de in het EIP voorziene investeringen in hernieuwbare energie in Afrika. Ze hebben namelijk een concurrentievoordeel dankzij een beter beheer van middelen en grondstoffen en dankzij hun lokale banden, waardoor ze op lokaal niveau banen kunnen scheppen voor met name jongeren en vrouwen. De preferentiële steun voor de aan de circulaire economie verbonden SEE’s zal ervoor zorgen dat de economische groei duurzamer wordt, waardoor er minder negatieve gevolgen voor het milieu zullen zijn dankzij een beter beheer van middelen en minder winning en vervuiling.

5.7.

Het partnerschapsinstrument (13) voor samenwerking met derde landen, dat is gericht op zowel ontwikkelde landen als ontwikkelingslanden, zou kunnen bijdragen aan het internationaliseringsproces van de sociale economie van de EU, door het concurrentievermogen, innovatie en onderzoek te bevorderen.

5.8.

Zoals bij herhaling is opgemerkt, zijn er weinig raakvlakken tussen de logica van de financiële markten en ondersteuning van de ontwikkeling van SEE’s. De traditionele financiële instrumenten werken niet voor SEE’s, die behoefte hebben aan specifieke, aan hun doeleinden aangepaste instrumenten. Daarom kan het echte potentieel van SEE’s alleen worden geconcretiseerd wanneer de toegang tot financiering wordt opgenomen in een op maat gesneden en volledig geïntegreerd ecosysteem (14).

5.9.

Ook de GECES heeft gewezen op de noodzaak dat de Commissie „specifieke directe en indirecte financiële middelen [uittrekt] voor organisaties van de sociale economie, met inbegrip van sociale ondernemingen, in derde landen, samen met regeringen en ondersteunende en sociale financieringsorganisaties” (aanbeveling 13 van het verslag van de GECES getiteld „Sociale ondernemingen en de sociale economie in de toekomst”).

5.10.

In dit opzicht zouden het ENB en andere financiële instrumenten systematisch moeten bijdragen aan de bevordering van de sociale economie, zowel tijdens de toetredingsonderhandelingen met kandidaat-lidstaten, als in andere buurlanden die geprivilegieerde overeenkomsten hebben gesloten met de EU.

5.11.

Recentelijk zijn vanuit de Commissie enkele externe initiatieven ontplooid, zoals de kaderpartnerschapsovereenkomst tussen de Europese Commissie en de Internationale Coöperatieve Alliantie (ICA) voor het bevorderen van de coöperatieve sector wereldwijd door middel van een programma waarvan de begroting 8 miljoen EUR bedraagt (2016-2020). Zowel in het ENB als in de mondiale strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid wordt echter verzuimd om SEE’s uitdrukkelijk aan te merken als actoren in het externe beleid en de externe programma’s van de EU; noch in het EIP, noch in het EFDO, die beide kunnen rekenen op omvangrijke middelen, wordt voorzien in specifieke financieringslijnen voor SEE’s, en ook in de acties voor de internationalisering van Europese bedrijven wordt er geen rekening mee gehouden.

5.12.

De Commissie en de sociale economie moeten de betrokkenheid van de G7 en de G20 bevorderen bij de promotie van specifieke beleidsmaatregelen ter ondersteuning van inclusieve bedrijven/activiteiten en sociale ondernemingen (zoals besproken in het inclusief bedrijvenkader van de G20) om de verschillen in de reeks waarden, beginselen bestaansredenen tussen deze organisaties beter te weerspiegelen (aanbeveling 12 van de GECES).

5.13.

Via economische diplomatie moeten de rol van de sociale economie op internationale fora (UNTFSSE, ILGSSE, G20, G7, IAO enz.) en de samenwerking met internationale financiële organisaties zoals de GSG (Global Social Impact Investment Steering Group) worden bevorderd, bijvoorbeeld door deel te nemen aan door de ILGSSE georganiseerde evenementen inzake financiering.

6.   Het belang van de sociale economie voor de verwezenlijking van de SDG’s

6.1.

In de Agenda 2030 van de VN zijn 17 SDG’s opgenomen, binnen drie pijlers: een economische pijler, een sociale pijler en een milieupijler. Voor de verwezenlijking van al deze doelstellingen is de sociale economie relevant. De verscheidenheid aan actoren die samen de sociale economie vormen en de vele rechtsvormen die binnen de sociale economie kunnen worden waargenomen, maken het verkrijgen van geaggregeerde gegevens over de activiteiten van de sociale economie moeilijk, ofschoon uit de beschikbare gegevens over coöperaties, onderlinge maatschappijen en andere vergelijkbare entiteiten kan worden afgeleid dat de sociale economie, en dan vooral de coöperaties, van fundamenteel belang zijn voor het bereiken van de SDG’s van de Agenda 2030.

6.2.

In dit opzicht moet voor de follow-up en evaluatie van de SDG’s regelmatig verslag worden uitgebracht over het partnerschapsbeleid tussen staten, andere overheidsinstanties en de sociale economie, met inbegrip van coöperaties, aangezien die een cruciale rol spelen bij de tenuitvoerlegging van de SDG’s. Bovendien zouden de staten moeten worden aangemoedigd gegevens te verzamelen en statistieken op te stellen.

6.3.

Bij het verwezenlijken van het doel om armoede terug te dringen en duurzame ontwikkeling te bevorderen spelen coöperaties een cruciale rol in uitgestrekte regio’s in Afrika, Azië en Amerika, met name spaar- en kredietcoöperaties en coöperaties voor de productie, de levering en het in de handel brengen van landbouwproducten (door de FAO onderstreepte functie). In landen als Tanzania, Ethiopië, Ghana, Rwanda of Sri Lanka vervullen spaar- en kredietcoöperaties een belangrijke functie bij het verstrekken van financiering aan personen met een laag inkomen voor de aanschaf van productiemiddelen, werkkapitaal of duurzame consumptiegoederen. Ook vervullen de coöperaties van deze landen een voortrekkersrol op het gebied van vrouwenemancipatie (15). Afrika telt 12 000 spaar- en kredietcoöperaties, met in totaal 15 miljoen gebruikers in 23 landen (16).

6.4.

Coöperaties en onderlinge maatschappijen zijn in de hele wereld een relevante factor in de gezondheidszorg, zowel in ontwikkelde als in opkomende landen. Wereldwijd bedienen gezondheidszorgcoöperaties meer dan 100 miljoen gezinnen (17).

6.5.

Een sector waar coöperaties een doorslaggevende bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de SDG’s is de toegang tot schoon water en sanitaire voorzieningen. In Bolivia (Santa Cruz de la Sierra) is ’s werelds grootste drinkwatervoorzieningscoöperatie gevestigd, die schoon water van hoge kwaliteit levert aan 1,2 miljoen personen. In de Filipijnen, India en een aantal Afrikaanse landen voorzien drinkwatercoöperaties tienduizenden huishoudens van schoon water. In sommige gevallen hebben coöperatieleden putten gegraven en lokale groepen opgezet om deze putten te beheren. In de Verenigde Staten leveren circa 3 300 coöperaties water voor menselijk gebruik of brandbeschermings-, irrigatie- en afvalwaterverwerkingsdiensten (18).

6.6.

Voor het voorzien in waardige huisvesting en het opknappen van ongezonde woonwijken zijn coöperaties een bijzonder doeltreffend instrument. In India heeft de nationale vereniging van woningcoöperaties, samen met arme gezinnen in stedelijke gebieden, 92 000 woningcoöperaties opgericht, met in totaal 6,5 miljoen leden en 2,5 miljoen woningen, waarvan de grote meerderheid is bestemd voor gezinnen met een laag inkomen. In Kenia heeft de nationale vereniging van woningcoöperaties een stadsvernieuwingsprogramma voor ongezonde woonwijken geïnitieerd door de bewoners te organiseren in coöperaties om op die manier toegang tot waardige huisvesting te krijgen (19).

6.7.

Coöperaties vormen een waardevol instrument voor het terugdringen van hoge percentages informele arbeid (50 % van alle arbeid wereldwijd is van informele aard), die altijd samenhangen met onwaardige levensomstandigheden en arbeidsvoorwaarden. De initiatieven voor collectief ondernemerschap die coöperaties ontplooien hebben een grote maatschappelijke waarde, omdat ze de waardigheid en de levensomstandigheden (fatsoenlijk werk) van personen verbeteren en een antwoord vormen op een model dat onzekerheid en ongelijkheid in de hand werkt. SEE’s vervullen een belangrijke rol bij het verbeteren van de positie van de meest kwetsbare groepen, met name vrouwen, jongeren en personen met een handicap, genereren duurzame inkomsten en bevorderen met succes sociale-innovatieprocessen.

6.8.

Naast de rol van coöperaties en onderlinge maatschappijen moet ook nadrukkelijk worden gewezen op die van entiteiten zonder winstoogmerk en niet-gouvernementele organisaties (ngo’s), die allemaal deel uitmaken van de tertiaire sector van de sociale economie. Deze entiteiten mobiliseren belangrijke hulpbronnen, waaronder vrijwilligerswerk, waarmee ze sociale, gezondheids-, onderwijs- en andere diensten kunnen aanbieden en in veel gevallen initiatieven nemen ter bevordering van het sociaal ondernemerschap onder de lokale bevolking.

6.9.

De in de voorgaande paragrafen genoemde ervaringen met ondernemerschap tonen aan dat het ondernemerschapsmodel van de sociale economie zich laat inspireren door een waardensysteem en een participatief bestuursstelsel die de sociale economie bij uitstek geschikt maken om de vele maatschappelijke uitdagingen die de verwezenlijking van de SDG’s met zich meebrengt aan te gaan. Zoals het Europees Parlement heeft verklaard, moeten „voor het merendeel van de sociale problemen lokale oplossingen […] worden aangedragen om tegemoet te komen aan concrete situaties en problemen” (20). Er dient te worden gewezen op de taak van de Taskforce van de Verenigde Naties voor de sociale en solidaire economie (UNTFSSE) om de sociale en solidaire economie wereldwijd te bevorderen, evenals op de initiatieven van Cooperatives Europe en het project van de ICA en de EU inzake internationale ontwikkeling via coöperatieven.

6.10.

Door hun sterke banden met de lokale gemeenschap en omdat ze zich in de eerste plaats op de behoeften van de mensen richten, verhuizen deze ondernemingen niet, zijn ze doeltreffend bij het tegengaan van de ontvolking van plattelandsgebieden en dragen ze bij tot de ontwikkeling van achtergebleven regio’s en gemeenten (21). In dit verband moet het werk van het Global Social Economy Forum (GSEF) worden onderstreept, dat zijn volgende vergadering zal houden in de EU (Bilbao, 2018).

6.11.

Het businessmodel van de sociale economie:

genereert rijkdom in plattelands- en achterstandsgebieden door levensvatbare en duurzame economische initiatieven op middellange en lange termijn te initiëren en te ondersteunen;

bevordert en ondersteunt ondernemerschaps-, opleidings- en managementvaardigheden van groepen die te kampen hebben met sociale uitsluiting en de bevolking in het algemeen door het oprichten van overlegplatforms op nationaal niveau;

creëert financieringsinstrumenten door middel van krediet- of microkredietcoöperaties om de toegang tot financiering te waarborgen;

garandeert waardige levensomstandigheden voor kwetsbare groepen door de toegang tot voedsel en sociale basisdiensten als gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting en schoon water te verbeteren;

draagt bij tot het terugdringen van informele arbeid door het stimuleren van initiatieven voor collectief ondernemerschap, waarvoor coöperaties een uitstekend instrument vormen;

draagt bij tot duurzame economische groei door de negatieve gevolgen voor het milieu te beperken.

Brussel, 5 juli 2017.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014.

(2)  COM(2015) 614 final, 2.12.2015.

(3)  Verkennend advies van het EESC over de „Totstandbrenging van een financieel ecosysteem voor sociale ondernemingen” (PB C 13 van 15.1.2016, blz. 152).

(4)  Initiatiefadvies van het EESC over de „Agenda 2030 — Een Europese Unie die zich inzet voor wereldwijde duurzame ontwikkeling” (PB C 34 van 2.2.2017, blz. 58).

(5)  Initiatiefadvies van het EESC over de „Agenda 2030 — Een Europese Unie die zich inzet voor wereldwijde duurzame ontwikkeling” (PB C 34 van 2.2.2017, blz. 58).

(6)  Op de beginselen van coöperaties van de Internationale Coöperatieve Alliantie (ICA) gebaseerde beginselen en waarden (Manchester, 1995).

(7)  Waaronder het initiatiefadvies van het EESC over de „Diversiteit van ondernemingsvormen” (PB C 318 van 23.12.2009, blz. 22).

(8)  Verslag Monzón-Chaves van het Internationaal Centrum voor Onderzoek en Informatie over de Openbare, Sociale en Coöperatieve Economie (CIRIEC), 2012.

(9)  Werkdocument van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) van 2011 getiteld „Social and Solidarity Economy: Our common road towards Decent Work”.

(10)  Mededeling van de Commissie van 14.9.2016, COM(2016) 581 final.

(11)  JOIN(2017) 17 final, 4.5.2017 (Een vernieuwde impuls voor het Partnerschap Afrika-EU).

(12)  COM(2015) 614 final, 2.12.2015.

(13)  Verordening (EU) nr. 234/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014.

(14)  Verkennend advies van het EESC over de „Totstandbrenging van een financieel ecosysteem voor sociale ondernemingen” (PB C 13 van 15.1.2016, blz. 152).

(15)  ICA-IAO.

(16)  B. Fonteneau en P. Develtere, African Responses to the Crisis through the Social Economy.

(17)  ICA-IAO.

(18)  Idem.

(19)  Idem.

(20)  Verslag van het Europees Parlement over de sociale economie (2008/2250(INI)).

(21)  COM(2004) 18 def., („De bevordering van coöperatieve vennootschappen in Europa”), paragraaf 4.3.


Top