Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52016XX1005(01)

Eindverslag van de raadadviseur-auditeur — Staalgrit voor staalstralen (Pometon) (AT.39792)

OJ C 366, 5.10.2016, p. 3–4 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

5.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 366/3


Eindverslag van de raadadviseur-auditeur (1)

Staalgrit voor staalstralen (Pometon)

(AT.39792)

(2016/C 366/03)

Deze zaak heeft betrekking op een inbreuk op artikel 101, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-overeenkomst en bestaat uit prijscoördinatie in de hele EER in de sector van staalgrit voor staalstralen.

Deze zaak is een hybride kartelzaak. De Commissie heeft op 2 april 2014 reeds een besluit vastgesteld dat gericht is tot vier ondernemingen die gekozen hebben voor de schikkingsprocedure in kartelzaken („schikkingsbesluit”) (2). Het huidige ontwerpbesluit is gericht tot Pometon S.p.A. („Pometon”), die geen verzoek tot schikking heeft ingediend.

Op 3 december 2014 heeft de Commissie een mededeling van punten van bezwaar tegen Pometon aangenomen, waarvan de kennisgeving aan Pometon plaatsvond op 5 december 2014. In deze mededeling stelde de Commissie zich op het voorlopige standpunt dat Pometon de prijs van staalgrit voor staalstralen coördineerde in de EER. Met name werd in de punten van bezwaar voorlopig geconcludeerd dat Pometon in de EER met andere partijen heeft samengespannen over een belangrijke component van de staalgritprijs, de schroottoeslag, en ook met die partijen heeft afgesproken niet te concurreren over de prijs ten aanzien van individuele afnemers. De Commissie is tot de bevinding gekomen dat de beweerde inbreuk plaatsvond van 3 oktober 2003 tot en met 16 mei 2007. In de punten van bezwaar gaf de Commissie aan dat zij voornemens was Pometon overeenkomstig artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1/2003 (3) boeten op te leggen.

Pometon verkreeg toegang tot het dossier in de lokalen van de Commissie op 18 en 19 december 2014 alsmede via cd-rom op 19 december 2014; om op de punten van bewaar te antwoorden werd haar een termijn van zes weken verleend, die op haar verzoek met twee weken werd verlengd tot 16 februari 2015. Pometon antwoordde op de punten van bezwaar op 13 februari 2015 en verzocht om mondeling te worden gehoord.

Tijdens de hoorzitting, die op 17 april 2015 plaatsvond, voerde Pometon aan, naast de argumenten die zij in haar schriftelijk antwoord op de punten van bezwaar had ontwikkeld, dat zij vragen had over de onpartijdige behandeling van haar zaak en het vermoeden van onschuld. In de eerste plaats klaagde Pometon dat het schikkingsbesluit onnodige vermeldingen bevatte wat haar betrof. In de tweede plaats klaagde Pometon dat de Commissie op 23 december 2014 op haar website een voorlopige niet-confidentiële versie van het schikkingsbesluit publiceerde waarin de naam van Pometon niet was verborgen. Die versie bleef toegankelijk op de website van de Commissie tot 6 januari 2015, toen zij vervangen werd door een nieuwe niet-confidentiële versie waarin de naam van Pometon werd vervangen door „[een andere onderneming]”. De directeur van het directoraat voor Kartels antwoordde tijdens de hoorzitting op het tweede argument van Pometon en verontschuldigde zich voor de menselijke fout die aan de oorsprong van de onachtzame bekendmaking lag, maar verzekerde Pometon dat het incident geen afbreuk zou doen aan de onpartijdige behandeling van de zaak door de Commissie.

Zoals het Gerecht onlangs bevestigde (4) in een hybride zaak, zijn de schikkingsprocedure voor de schikkende partijen en de gewone procedure voor de niet-schikkende partijen twee afzonderlijke procedures. Uit het schikkingsbesluit kunnen dus geen conclusies over de schuld van Pometon worden getrokken. Bovendien blijkt uit overweging 29 en het document dat in voetnoot 32 van het schikkingsbesluit wordt genoemd, dat de aanvangsdatum voor deelname van de schikkende partij MTS (5) aan de inbreuk, zoals vastgesteld in het schikkingsbesluit, gebaseerd is op een e-mail van een manager van Pometon van die datum. Dit leidde onvermijdelijk tot de vermelding dat Pometon een van de deelnemers was van de vergadering van 3 oktober 2003 en van de daaropvolgende contacten. Voorts vermeldt het schikkingsbesluit in voetnoot 4 dat het niet tot Pometon is gericht, dat de verwijzingen naar Pometon in de beschrijving van de feiten uitsluitend werden gebruikt om de aansprakelijkheid van de schikkende partijen vast te stellen en dat de procedure tegen Pometon nog steeds lopende was. Ik ben dus van oordeel dat het recht van Pometon op nakoming van het vermoeden van onschuld niet geschonden is door de verwijzingen naar Pometon in het schikkingsbesluit.

Ten slotte vormen de verontschuldiging en de verzekering die de diensten van de Commissie op de hoorzitting hebben gegeven, een passend antwoord op de onachtzame bekendmaking van de naam van Pometon in de voorlopige niet-confidentiële versie van het schikkingsbesluit van 23 december 2014, aangezien de bekendmaking het gevolg was van een menselijke fout.

Overeenkomstig artikel 16 van Besluit 2011/695/EU heb ik onderzocht of het ontwerpbesluit uitsluitend punten van bezwaar betreft ten aanzien waarvan Pometon in de gelegenheid is gesteld haar standpunten kenbaar te maken. Ik ben tot de conclusie gekomen dat dit inderdaad het geval is.

Alles in aanmerking genomen, concludeer ik dat de procedurele rechten in deze zaak daadwerkelijk konden worden uitgeoefend.

Gedaan te Brussel, 24 mei 2016.

Wouter WILS


(1)  Opgesteld overeenkomstig de artikelen 16 en 17 van Besluit 2011/695/EU van de voorzitter van de Europese Commissie van 13 oktober 2011 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde mededingingsprocedures (PB L 275 van 20.10.2011, blz. 29) („Besluit 2011/695/EU”).

(2)  Zie Besluit C(2014) 2074 final van de Commissie van 2 april 2014, publicatie van de samenvatting in PB C 362 van 14.10.2014, blz. 8, en eindverslag van de raadadviseur-auditeur (PB C 362 van 14.10.2014, blz. 7).

(3)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1).

(4)  Arrest Timab Industries en CFPR/Commissie, T-456/10, EU:T:2015:296, punten 71 en 72.

(5)  Metalltechnik Schmidt GmbH & Co. KG.


Top