Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52016XC1108(01)

Mededeling van de Commissie inzake bepaalde artikelen van Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen

C/2016/6997

OJ C 411, 8.11.2016, p. 3–14 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

8.11.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 411/3


Mededeling van de Commissie inzake bepaalde artikelen van Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen

(2016/C 411/03)

INLEIDING

Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen (1) („de richtlijn”) harmoniseert het nationaal recht inzake de octrooieerbaarheid van uitvindingen die verband houden met biologisch materiaal. Hiertoe legt ze principes vast betreffende de octrooieerbaarheid van het menselijk lichaam en de delen ervan, van dieren en van planten.

Het proces dat leidde tot de goedkeuring van de richtlijn nam meer dan 10 jaar in beslag: het aanvankelijke voorstel (2), dat dateerde van 1988, werd begin 1995 door het Europees Parlement verworpen (3). De Commissie diende in december 1995 een nieuw voorstel in (4), waardoor de medewetgevers van de EU („de wetgever”) begin 1998 een overeenkomst konden bereiken, met name over octrooieerbare materie voor dergelijke uitvindingen en de reikwijdte van bescherming.

De richtlijn bestrijkt heel wat verschillende categorieën van biologische materialen, gaande van onderdelen die geïsoleerd zijn van het menselijk lichaam, tot planten (5) en dieren, en tot het kweken van planten (inclusief de octrooieerbaarheid van genetisch gemodificeerde organismen). Sinds eind de jaren 1990 is er sprake van een belangrijke technologische vooruitgang in de plantensector, via de invoering van genetische merkers (6) bij de kruising en selectie van nieuwe planten/plantenrassen. Deze merkers maken veel snellere — en betere — resultaten mogelijk dan kon worden bereikt met de klassieke technieken van het selecteren en kruisen van planten. Daar genetische merkers nog maar in ontwikkeling waren toen de richtlijn werd goedgekeurd, sprak ze niet specifiek over het probleem van de octrooieerbaarheid van de voortbrengsels die uit het gebruik van genetische merkers voortkomen.

In maart 2015 heeft de uitgebreide kamer van beroep („de uitgebreide kamer”) van het Europees Octrooibureau („het EOB”) beslist dat voortbrengsels die uit het gebruik van wezenlijk biologische werkwijzen voortkomen, mogelijk octrooieerbaar zijn, ook als de werkwijze die wordt gebruikt om het voortbrengsel te verkrijgen (d.w.z. selecteren en kruisen van de planten) wezenlijk biologisch en dus niet octrooieerbaar is (7). De octrooieerbaarheid van dergelijke voortbrengsels is echter potentieel strijdig met de rechtsbescherming die wordt verstrekt aan plantenrassen krachtens de wetgeving inzake plantenrassen van de EU wat de toegang tot genetische rijkdommen betreft (8).

In december 2015 keurde het Europees Parlement een resolutie goed waarin de Commissie werd gevraagd de octrooieerbaarheid van voortbrengsels te bekijken die uit wezenlijk biologische werkwijzen voortkomen; het probleem van wederzijdse licenties tussen octrooien en kwekersrechten; en toegang tot gedeponeerd biologisch materiaal, mogelijk door middel van interpretatieve richtlijnen (9). De Raad van zijn kant heeft de kwestie besproken tijdens verscheidene bijeenkomsten van de Raad Landbouw en visserij (10) en de Raad Concurrentievermogen (11). Daarnaast organiseerde het Nederlandse voorzitterschap, in samenwerking met de Commissie, op 18 mei 2016 een symposium (12). De belanghebbenden op dat symposium waren het eens dat snelle en pragmatische oplossingen nodig waren om de vastgestelde rechtsonzekerheid aan te pakken. Voorafgaand aan het symposium werd het eindverslag van de groep van deskundigen over biotechnologie en genetische manipulatie gepubliceerd (13).

Met het oog op het bovenstaande zet deze kennisgeving de standpunten uiteen van de Commissie over de octrooieerbaarheid van voortbrengsels die uit wezenlijk biologische werkwijzen voortkomen (zie artikel 4 van de richtlijn). In de kennisgeving komen ook zaken als dwanglicenties wegens afhankelijkheid tussen houders van kwekersrechten en van octrooien (artikel 12 van de richtlijn) en toegang tot biologisch materiaal door een derde (artikel 13) kort aan bod. De kennisgeving is bedoeld als hulp bij de toepassing van de richtlijn en is geen indicatie van een toekomstig standpunt van de Commissie hierover. Alleen het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd om het recht van de Unie te interpreteren.

Naast deze kennisgeving kunnen de relevante actoren ook maatregelen nastreven om te helpen zorgen voor meer zekerheid op dit gebied. Deze omvatten een verbeterde transparantie (via de PINTO-database (14)), toegang tot genetische rijkdommen (via het International Licensing Platform (15)) en versterkte samenwerking tussen het Communautair Bureau voor plantenrassen en het Europees Octrooibureau.

1.   UITSLUITING VAN OCTROOIEERBAARHEID VAN VOORTBRENGSELS VERKREGEN DOOR WEZENLIJK BIOLOGISCHE WERKWIJZEN

1.1.   Te overwinnen problemen

In artikel 4 van de richtlijn wordt de octrooieerbaarheid van planten en dieren behandeld, en worden planten- en dierenrassen specifiek worden uitgesloten van de reikwijdte van octrooieerbare materie (16). Het bepaalt ook dat „wezenlijk biologische werkwijzen voor de voortbrenging van planten en dieren” niet octrooieerbaar zijn (17). Artikel 2 van de richtlijn definieert een wezenlijk biologische werkwijze als volledig bestaande uit natuurlijke verschijnselen zoals kruising en selectie (18). De richtlijn zegt evenwel niet of planten of plantenmateriaal (vruchten, zaden, enz.), of dieren/dierlijk materiaal verkregen door wezenlijk biologische werkwijzen, kunnen worden geoctrooieerd.

Ofschoon de Europese Octrooiorganisatie niet als dusdanig verplicht was de voornaamste bepalingen van de richtlijn om te zetten in haar rechtscorpus, besliste de Administratieve Raad ervan op 16 juni 1999 om de uitvoeringsregels van het Europees Octrooiverdrag (EOV) in die zin te wijzigen (19). Terwijl artikel 53 onder b), van het EOV reeds planten- en dierenrassen en wezenlijk biologische werkwijzen voor de voortbrenging van planten of dieren uitsloot, besliste de Administratieve Raad de andere belangrijke relevante bepalingen van de richtlijn in te voegen in de uitvoeringsverordeningen van het EOV in plaats van in de tekst van het EOV. Het gevolg van die beslissing is dat met bepalingen van de twee teksten rekening moet worden gehouden wanneer het EOB de octrooieerbaarheid van plant-gerelateerde uitvindingen beoordeelt (20). Bij tegenstrijdigheid tussen deze twee reeksen bepalingen krijgt het EOV echter voorrang (21).

Op basis van dit rechtskader bleek in december 2010 uit beslissingen genomen door de uitgebreide kamer dat wezenlijk biologische werkwijzen die gebruikmaken van genetische merkers voor selectie, geen octrooieerbare materie waren, ofschoon deze beslissingen geen uitspraak deden over uit deze werkwijzen verkregen voortbrengsels (22). In haar latere beslissingen van maart 2015 besloot de uitgebreide kamer (23) dat een octrooi kan worden verleend voor door wezenlijk biologische werkwijzen verkregen planten/plantenmateriaal als aan de basisvereisten van octrooieerbaarheid is voldaan (24). De voornaamste beweegreden voor de beslissingen van de uitgebreide kamer van maart 2015 is dat uitsluitingen van het algemene principe van octrooieerbaarheid nauw moeten worden geïnterpreteerd in de wet. Op basis van haar analyse van de officiële achtergronddocumenten voor de onderhandelingen die hebben geleid tot het EOV in 1973, heeft de uitgebreide kamer bepaald dat er niets kon worden geïnterpreteerd in de zin dat door wezenlijk biologische werkwijzen verkregen planten of plantaardige materialen moesten worden uitgesloten van octrooieerbaarheid.

Hoewel deze beslissingen van maart 2015 stroken met de bedoelingen van de opstellers van het EOV, is het maar de vraag of hetzelfde resultaat zou zijn bereikt in de context van de EU. Richtlijn 98/44/EG maakt geen onderscheid tussen verschillende lagen van bepalingen, en de bepalingen ervan moeten samen als één geheel worden geïnterpreteerd. Als men probeert de bedoelingen van de Europese wetgever te beoordelen bij de goedkeuring van de richtlijn, is het relevante voorbereidende werk waarmee rekening moet worden gehouden niet het werk dat voorafging aan de ondertekening van het EOV in 1973, maar het werk dat verband houdt met de goedkeuring van de richtlijn.

1.2.   Onderhandeling van de richtlijn

Na de verwerping door het Europees Parlement van de gezamenlijke tekst die was voorgesteld door het bemiddelingscomité (op basis van het originele voorstel van 1988) in maart 1995, heeft de Commissie in december 1995 een nieuw voorstel op tafel gelegd. De octrooieerbaarheid van planten en dieren werd gedekt door bepaalde artikelen en overwegingen.

Artikel 4 van het voorstel van 1995, dat het meest relevante artikel is voor de octrooieerbaarheid van voortbrengsels die uit wezenlijk biologische werkwijzen voortkomen, luidde als volgt:

„1.

Het voorwerp van een uitvinding wordt niet van octrooieerbaarheid uitgesloten op loutere grond dat het uit biologisch materiaal bestaat, daarvan gebruikmaakt of daarop wordt toegepast.

2.

Biologisch materiaal, met inbegrip van planten en dieren en delen van planten en die door een werkwijze van niet wezenlijk biologisch aard zijn verkregen, met uitzondering van planten- en dierenrassen als zodanig, is octrooieerbaar.”.

Dit voorgestelde artikel ging gepaard met drie andere relevante artikelen en twee overwegingen, die achtergrond verstrekten betreffende de octrooieerbaarheid van biologisch materiaal met de nadruk op planten en dieren (25). Uit deze voorgestelde formulering kan redelijkerwijze worden begrepen dat het de bedoeling van de Commissie was dat planten en dieren die zijn verkregen door een wezenlijk biologische werkwijze niet als octrooieerbare materie werden beschouwd. Zij zouden echter octrooieerbaar kunnen zijn als de wezenlijk biologische werkwijze ten minste één niet-biologische stap bevatte (zoals een microbiologische stap (26)). In tegenstelling tot de daaropvolgende gedetailleerde discussies van de lidstaten in de eerste helft van 1996 betreffende de mogelijkheid om een plantenras te octrooieren via een uitvinding die planten zou omvatten, bevatte het voorstel van de Commissie weinig of niets over wezenlijk biologische werkwijzen en de voortbrengsels van deze werkwijzen.

Bij de eerste lezing (juni 1997) stelde het Europees Parlement echter voor de meeste van deze artikelen en overwegingen uit het voorstel van december 1995 te wijzigen of te schrappen (27). Het Parlement stemde voor wijziging van het artikel met definities, met inbegrip van de term „wezenlijk biologische werkwijzen”. Het stelde ook artikelen voor over de octrooieerbaarheid van biologisch materiaal en een specifieke bepaling over de octrooieerbaarheid van planten en dieren en de beperkingen daarvan. Al deze artikelen gingen gepaard met overwegingen die de bedoelingen van het Parlement gedetailleerder verklaarden.

Met betrekking tot deze specifieke algemene bepaling in verband met de octrooieerbaarheid van biologisch materiaal is het zinvol te benadrukken dat biologisch materiaal dat geïsoleerd is van zijn natuurlijke omgeving, of wordt verwerkt door middel van een technische werkwijze, het voorwerp kan zijn van een uitvinding. Daarom werd de specifieke verwijzing naar de niet-octrooieerbaarheid van door een wezenlijk biologische werkwijze verkregen planten en dieren uit de tekst geschrapt. Deze veranderingen betekenen evenwel niet dat het Parlement de bedoeling had door wezenlijk biologische werkwijzen verkregen planten/dieren uit te sluiten van octrooieerbaarheid. In de toelichting bij het verslag van het Parlement zei de rapporteur:

„Werkwijzen van wezenlijk biologische aard”, d.w.z. de kruising en selectie van het hele genoom […] voldoen niet aan de algemene voorwaarden voor octrooieerbaarheid, daar zij noch op een uitvinding berusten, noch reproduceerbaar zijn. Het fokken of kweken is een reïteratief proces waarbij een genetisch stabiel eindproduct met de gewenste eigenschappen pas na herhaalde kruisingen en selectie wordt bereikt. Dit proces wordt door de uitgesproken kenmerken van het uitgangs- en tussenmateriaal zo sterk beïnvloed dat bij een herhaling geen identiek resultaat kan worden gewaarborgd. De octrooibescherming is voor dergelijke werkwijzen en de voortbrengsels ervan  (28) niet geschikt.

In haar gewijzigde voorstel accepteerde de Commissie het verslag en het merendeel van de door het Parlement voorgestelde wijzigingen (29); in de plenaire vergadering van het Parlement liet de verantwoordelijke Commissaris weten dat alle door de rapporteur voorgestelde wijzigingen ongewijzigd of met kleine wijzigingen konden worden overgenomen.

De Raad stond grotendeels achter het daaruit voortvloeiende gewijzigde voorstel van de Commissie (d.w.z. waarin het standpunt van het Parlement was meegenomen) (30). Deze steun kwam tot uiting in de tekst van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 26 februari 1998 (31). De discussies in de instanties van Raad gingen in hoofdzaak over de definitie van wezenlijk biologische werkwijzen, en geen van de lidstaten heeft de interpretatie van het Parlement van door wezenlijk biologische werkwijzen verkregen voortbrengsels in vraag gesteld.

1.3.   Bepalingen van de richtlijn

De definitieve formulering van de richtlijn bevat geen bepaling over de octrooieerbaarheid van door wezenlijk biologische werkwijzen verkregen voortbrengsels.

Enerzijds kan worden aangevoerd dat als de wetgever van plan was geweest deze materie uit te sluiten van octrooieerbaarheid, artikel 4, lid 1, onder b), uitdrukkelijk naar een dergelijke uitsluiting had kunnen verwijzen. Daarenboven zegt artikel 3, lid 1, duidelijk dat uitvindingen die nieuw zijn, waarbij een inventieve stap wordt gebruikt en die mogelijk industriële toepassingen hebben, octrooieerbaar zijn, zelfs als ze een voortbrengsel betreffen dat bestaat uit biologisch materiaal of dat biologisch materiaal bevat. Zo bestaan planten of fruit die zijn verkregen door wezenlijk biologische werkwijzen duidelijk uit biologisch materiaal; er zou dan ook kunnen worden aangevoerd dat er geen reden is om octrooien op dergelijke voortbrengsels te verbieden.

Anderzijds, gelet op het voorbereidende werk dat met de richtlijn gepaard gaat, zoals hiervoor samengevat, zijn sommige bepalingen van de richtlijn alleen consequent als door wezenlijk biologische werkwijzen verkregen planten/dieren worden begrepen als zijnde uitgesloten van de reikwijdte ervan.

Ten eerste luidt artikel 3, lid 2, dat door het Parlement werd ingevoegd en door de Commissie en de Raad werd aanvaard, als volgt:

„Biologisch materiaal dat met behulp van een technische werkwijze uit zijn natuurlijke milieu wordt geïsoleerd of wordt verkregen, kan ook dan het voorwerp van een uitvinding zijn, wanneer het in de natuur reeds voorhanden is.”.

Dit artikel zou zo kunnen worden geïnterpreteerd dat, om het voorwerp van een uitvinding te zijn, biologisch materiaal geïsoleerd moet zijn van zijn natuurlijke omgeving, wat voor door wezenlijk biologische werkwijzen verkregen voortbrengsels zeker niet het geval is. Ook de tweede optie in deze bepaling (d.w.z. voortbrenging door middel van een technische werkwijze) zou niet van toepassing zijn: door wezenlijk biologische werkwijzen verkregen voortbrengsels kunnen niet worden beschouwd als biologisch materiaal dat door middel van technische werkwijzen is voortgebracht. Een biologische werkwijze die bestaat uit selectie en kruising is per definitie geen technische werkwijze. Het logische gevolg daarvan is dat planten of dieren, die onder de generische term „biologisch materiaal” vallen, maar die verkregen zijn door een niet-technische werkwijze (d.w.z. een wezenlijk biologische werkwijze), niet het voorwerp kunnen zijn van een uitvinding en dus geen aanleiding kunnen geven tot een octrooi. Het is redelijk aan te nemen dat de wetgever het niet noodzakelijk achtte deze uitsluiting expliciet te vermelden.

Ten tweede omschrijft artikel 4, lid 1, van de richtlijn het basisprincipe van uitsluiting van octrooieerbaarheid van planten- en dierenrassen, en van wezenlijk biologische werkwijzen voor de voortbrenging van planten of dieren. Als uitzondering op deze regel zegt artikel 4, lid 2, dat uitvindingen die planten of dieren betreffen, octrooieerbaar zijn als de technische haalbaarheid van de uitvinding niet beperkt is tot één bepaald plantenras (d.w.z. een groepering van planten die groter is dan een plantenras). Deze uitzondering doet de uitsluiting in lid 1 van dit artikel niet teniet. Een voorbeeld van artikel 4, lid 2, is het geval van een gen dat wordt ingebracht in het genoom van planten en leidt tot de totstandbrenging van een nieuwe groepering van planten die wordt gekenmerkt door dit specifieke gen (d.w.z. genetische manipulatie). De kruising van het hele genoom van plantenrassen die overeenstemt met een wezenlijk biologische werkwijze, zou daarentegen uitgesloten zijn van octrooieerbaarheid (32).

Ten derde verstrekt overweging 32 de uitleg van artikel 4 door de wetgever. Deze overweging luidt als volgt:

„[…] indien de uitvinding beperkt is tot een genetische verandering van een plantenras, en indien er een nieuw plantenras verkregen is, zij zelfs dan van octrooieerbaarheid uitgesloten blijft als deze genetische verandering niet het resultaat is van een wezenlijk biologische werkwijze  (33), maar van een biotechnologische werkwijze;”

Uit deze overweging kan worden begrepen dat, als er een nieuw plantenras wordt gekweekt door een wezenlijk biologische werkwijze, dit plantenras (d.w.z. het verkregen voortbrengsel) dan is uitgesloten van octrooieerbaarheid. Deze overweging verduidelijkt de bedoeling van de wetgever. Het startpunt voor het verzekeren van de octrooieerbaarheid van ofwel een plant, ofwel een dier is de technische werkwijze, zoals bijvoorbeeld het inbrengen van een gen in een genoom. Wezenlijk biologische werkwijzen zijn niet van een technische aard en kunnen daarom, volgens door de wetgever ingenomen standpunt, niet door een octrooi worden gedekt.

Artikel 4, lid 3, van de richtlijn specificeert ten slotte dat octrooien toegestaan zijn voor uitvindingen die het resultaat zijn van een microbiologische werkwijze. Deze bepaling verwijst expliciet naar artikel 4, lid 1, onder b), d.w.z. de uitsluiting van octrooieerbaarheid van wezenlijk biologische werkwijzen voor de voortbrenging van planten en dieren. De wetgever zou het alleen noodzakelijk hebben geacht te vermelden dat een microbiologische werkwijze octrooieerbare materie was als hij van mening was dat het door dergelijke werkwijze verkregen voortbrengsel octrooieerbaar was. Het feit dat artikel 4, lid 3, bestaat benadrukt enerzijds de octrooieerbaarheid van door microbiologische werkwijzen verkregen voortbrengsels en strookt anderzijds met het standpunt dat het de bedoeling van de wetgever was om door microbiologische werkwijzen verkregen voortbrengsels uit te sluiten van octrooieerbaarheid.

Het dient benadrukt dat dezelfde redenering opgaat voor dieren. Ook al is er strikt genomen geen intellectuele-eigendomsrecht dat dierenrassen op EU-niveau dekt, dezelfde uitzondering is van toepassing op dierenrassen, namelijk dat noch dierenrassen, noch wezenlijk biologische werkwijzen voor de voortbrenging van dieren kunnen worden geoctrooieerd. Dezelfde benadering — d.w.z. uitsluiting van octrooieerbaarheid — zou aldus van toepassing zijn op dieren die rechtstreeks door wezenlijk biologische werkwijzen zijn verkregen.

De Commissie is van mening dat het bij de goedkeuring van Richtlijn 98/44/EG de bedoeling van de EU-wetgever was om voortbrengsels (planten/dieren en onderdelen van planten/dieren) die verkregen zijn door middel van wezenlijk biologische werkwijzen, uit te sluiten van octrooieerbaarheid.

2.   DWANGLICENTIE WEGENS AFHANKELIJKHEID

Het voorstel van 1995 introduceerde het systeem van dwanglicentie wegens afhankelijkheid voor gevallen waarin een kweker niet in staat zou zijn een ras te verwerven of te exploiteren zonder inbreuk te plegen op een eerder octrooi en omgekeerd (34). Het voorgestelde artikel 14, lid 3, luidde als volgt:

„De aanvrager van de in de leden 1 en 2 bedoelde licenties moet aantonen:

a)

dat hij zich vergeefs tot de octrooihouder, respectievelijk de houder van het kwekersrecht, heeft gewend om een contractuele licentie te verkrijgen;

b)

dat het openbaar belang de exploitatie van het planteras of de uitvinding waarvoor de licentie wordt aangevraagd, vergt en dat het planteras of de uitvinding een belangrijke technische vooruitgang vertegenwoordigt.”

Deze basisprincipes voor de exploitatie van een plantenras of een uitvinding werden als volgt uitgelegd in de voorgestelde overwegingen 32 en 33:

„(32)

Overwegende dat, op het gebied van de exploitatie van de via genetische manipulatie verkregen nieuwe plantekenmerken, tegen betaling van een vergoeding een gewaarborgde toegang in een lidstaat in de vorm van een dwanglicentie moet worden verleend wanneer ten opzichte van het betrokken geslacht of de betrokken soort het openbaar belang de exploitatie van het planteras waarvoor de licentie wordt aangevraagd, vereist en het planteras een aanzienlijke technische vooruitgang vertegenwoordigt;

(33)

Overwegende dat op het gebied van het gebruik voor genetische manipulatie van uit nieuwe planterassen verkregen nieuwe plantekemerken, tegen betaling van een vergoeding een gewaarborgde toegang in de vorm van een dwanglicentie moet worden verleend wanneer het openbaar belang de exploitatie van de uitvinding waarvoor de licentie wordt aangevraagd, vereist en de uitvinding een aanzienlijke technische vooruitgang vertegenwoordigt;”

In artikel 12, lid 3, van de richtlijn werden er twee voorwaarden vastgesteld voor het activeren van de toegang tot dwanglicentie (35). De eerste verplichting voorzag dat een aanvrager moest aantonen dat hij zich vergeefs tot de octrooihouder, respectievelijk de houder van het kwekersrecht, had gewend om een contractuele licentie te verkrijgen; De tweede voorwaarde betekent dat de exploitatie van het kwekersrecht een aantoonbare belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang moet vormen.

Het criterium van de verplichting dat aan de aanvrager wordt opgelegd om een „belangrijke” technische vooruitgang van een plantenras aan te tonen (vergeleken met de „technische informatie van een octrooi”) is echter een sterkere vereiste dan het criterium van „onderscheidbaarheid” dat vereist is krachtens de wetten ter bescherming van plantenrassen (36).

Het aantonen van een belangrijke technische vooruitgang zou moeilijker kunnen zijn in het geval van plantenrassen dan in het geval van octrooien. Krachtens artikel 12, lid 3, zouden dwanglicenties wegens afhankelijkheid alleen moeten worden verleend in gevallen waarin het nieuwe ras een echte vooruitgang op het gebied van landbouw vormt. Toenemende verbeteringen aan rassen die aanvankelijk werden ontwikkeld uit een geoctrooieerde plant, zouden het voorwerp zijn van dwanglicentie wegens afhankelijkheid. Op dezelfde manier moeten kwekers die een wezenlijk gewonnen ras hebben ontwikkeld, ook toestemming krijgen van de houder van het eerste ras om het nieuwe plantenras in de handel te kunnen brengen.

Het dient benadrukt dat de voorwaarde die verband houdt met aanzienlijk economisch belang werd geïntroduceerd tijdens de discussies binnen de Raad. Dit vond plaats tegen de achtergrond van de TRIPS-overeenkomst (37), die destijds zelf nog maar pas van kracht was geworden.

Onder verwijzing naar de goedkeuring van de richtlijn werd Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad (38) inzake het communautaire kwekersrecht gewijzigd door Verordening (EG) nr. 873/2004 van de Raad (39), teneinde de bepalingen van de verordening van 1994 inzake de dwanglicenties in overeenstemming te brengen met de richtlijn.

De dubbele voorwaarde die verband houdt met technische vooruitgang en economische waarde kan omslachtig zijn om aan te tonen voor de houder van een kwekersrecht. Deze formulering was ingegeven door artikel 31, lid l, van TRIPS, dat gaat over de situatie waarin een octrooi niet kan worden geëxploiteerd zonder inbreuk te plegen op een ander octrooi. De manier waarop plantenrassen worden beoordeeld door plantenrasbureaus verschilt immers aanzienlijk van de aanpak van de octrooibureaus: terwijl plantenrasbureaus ervoor zorgen dat het nieuwe ras onderscheiden (van andere algemeen bekende rassen), uniform, stabiel en nieuw is vergeleken met bestaande rassen, spitsen octrooibureaus zich louter toe op technische informatie die voortvloeit uit de uitvinding vanuit een theoretisch standpunt. Het is bovendien moeilijk om, voordat een nieuw plantenras op de markt wordt gebracht, te voorspellen of het een economisch succes zal zijn.

Niettegenstaande deze uitdagingen valt te verwachten dat dwanglicentie wegens afhankelijkheid geen grote problemen zal stellen in het geval van beschermde rassen vanwege van de verplichte vrijstelling van de kweker zoals enerzijds voorzien in artikel 27, onder c), van de Overeenkomst betreffende een eengemaakt octrooigerecht, en anderzijds in artikel 15, onder c), van de verordening inzake het kwekersrecht. In artikel 15, onder c), van die verordening staat dat het communautair kwekersrecht zich niet uitstrekt tot „handelingen met als doel het kweken of ontdekken en ontwikkelen van andere rassen”. Op die manier wordt de vrije toegang tot de ruimst mogelijke bron van genetisch materiaal verzekerd, waardoor innovatie wordt gestimuleerd.

Er kan evenwel enige onzekerheid ontstaan wanneer een octrooiaanspraak gericht is op inheemse trekken, omdat kwekers dan zouden kunnen worden verhinderd nieuwe rassen te ontwikkelen. Dit specifieke probleem overstijgt de reikwijdte van onderhavige kennisgeving, en zou baat hebben bij verder denkwerk, waaronder, indien gepast, de publicatie van een ander verslag over de ontwikkeling en implicaties van het octrooirecht op het gebied van biotechnologie en genetische manipulatie (40).

Wat de voorwaarden voor dwanglicentie wegens afhankelijkheid betreft die vermeld staan in artikel 12, lid 3, onder b), van Richtlijn 98/44/EG, kan de Commissie problemen die verband houden met „belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang” voor het plantenras of de uitvinding aan verdere analyse onderwerpen.

3.   TOEGANG TOT EN DEPOT VAN BIOLOGISCH MATERIAAL

Het voorstel van 1995 regelde het depot van, de toegang tot en het nieuwe depot van biologisch materiaal ten behoeve van octrooiwerkwijzen. Deze regels waren gebaseerd op de principes die vallen onder het Verdrag van Boedapest van 1977 van de WIPO inzake de internationale erkenning van het depot van micro-organismen ten dienste van de octrooiverlening (41).

Om te voldoen aan de fundamentele vereiste om een ontsluitende openbaarmaking te verstrekken in een octrooiaanvraag die een vakkundige de kans geeft de uitvinding uit te voeren, vereist het octrooirecht het depot van het biologisch materiaal waarvoor octrooibescherming wordt gevraagd. In het geval van biotechnologische uitvindingen moet de schriftelijke beschrijving van de uitvinding worden aangevuld met een fysieke component, die ten minste toegankelijk is voor de internationale depositarissen die deze status hebben verworven in hoofde van artikel 7 van het Verdrag van Boedapest.

Daar niet alle lidstaten het Verdrag van Boedapest hebben ondertekend toen de richtlijn werd onderhandeld en goedgekeurd, was het de bedoeling van de EU-wetgever om de octrooiverlening van biotechnologische octrooiaanvragen in de lidstaten te harmoniseren. Dit werd bereikt door het depot van biologisch materiaal te eisen als bijkomende vereiste bij die van een adequate beschrijving van de uitvinding.

Overeenkomstig de depotvereiste legde het voorstel van 1995 ook de regels vast voor toegang tot biologisch materiaal, waarbij een uitvinding het gebruik van biologisch materiaal betreft of behelst dat niet beschikbaar is voor de bevolking en dat niet afdoende kan worden beschreven in een octrooiaanvraag.

Toegang tot het gedeponeerd biologisch materiaal wordt verstrekt door een monster te verstrekken:

a)

aan degenen die krachtens het nationaal octrooirecht gemachtigd zijn tot de eerste publicatie van de octrooiaanvraag;

b)

aan iedereen die het aanvraagt of, op verzoek van de aanvrager, alleen aan een onafhankelijke deskundige tussen de eerste publicatie van de aanvraag en de verlening van het octrooi; alsmede

c)

aan iedereen die het aanvraagt nadat het octrooi werd verleend, op voorwaarde dat het octrooi niet is ingetrokken of geannuleerd (42).

Artikel 15, lid 3, van het voorstel van 1995 legt de plichten vast van degenen die een monster van het gedeponeerd materiaal aanvragen en de rechten van de octrooiaanvrager of -eigenaar om uitdrukkelijk afstand te doen van het gebruik ervan of van enig materiaal dat eruit gewonnen wordt, alleen voor experimentele doeleinden, als volgt:

„Het monster wordt slechts dan ter beschikking gesteld indien de verzoeker zich ertoe verplicht voor de geldigheidsduur van het octrooi:

a)

geen monster van het gedeponeerde biologisch materiaal of van een daarvan afgeleid materiaal aan derden beschikbaar te stellen, en

b)

geen monster van het gedeponeerde biologisch materiaal of van een daarvan afgeleid materiaal behoudens voor experimentele doeleinden te gebruiken, tenzij de aanvrager of de houder van het octrooi uitdrukkelijk van een dergelijke verplichting afziet.”.

De Raad wenste een nieuwe overweging toe te voegen met betrekking tot artikelen 15 en 16, waarbij hij uitlegde dat het depot van biologisch materiaal bij een erkende depotinstelling bedoeld was als een manier om informatie beschikbaar te maken voor de bevolking betreffende het materiaal waarvoor een octrooibescherming werd gevraagd. Dit idee is uiteindelijk echter gesneuveld.

Artikel 15 van het voorstel, in het gewijzigde voorstel van de Commissie hernummerd als artikel 13, lid 3, heeft tijdens de daarop volgende discussies in de Raad en het Parlement, kleine wijzigingen aan de tekst ondergaan. Met name de „tenzij”-clausule, die eerder van toepassing was op punten a) en b), is nu alleen van toepassing op punt b):

„Het monster wordt slechts dan ter beschikking gesteld indien de verzoeker zich ertoe verplicht voor de geldigheidsduur van het octrooi:

a)

geen monster van het gedeponeerde biologisch materiaal of van een daarvan afgeleid materiaal aan derden beschikbaar te stellen, en

b)

geen monster van het gedeponeerde biologisch materiaal of van een daarvan afgeleid materiaal behoudens voor experimentele doeleinden te gebruiken, tenzij de aanvrager of de houder van het octrooi uitdrukkelijk van een dergelijke verplichting afziet.”.

Het gemeenschappelijk standpunt van de Raad gaf aan dat artikel 13 (artikel 15 van het voorstel van 1995) onveranderd bleef. Omdat de formulering voor zich spreekt, zou ze geen aanleiding mogen geven tot meerdere interpretaties.

De Commissie is van mening dat de formulering van artikel 13, lid 3, van Richtlijn 98/44/EG zorgt voor een evenwichtige en voldoende toegankelijkheid tot een monster van geoctrooieerd biologisch materiaal dat krachtens het Verdrag van Boedapest van het WIPO gedeponeerd is bij een erkende depotinstelling.


(1)  PB L 213 van 30.7.1998, blz. 13.

(2)  COM(88) 496 (PB C 10 van 13.1.1989, blz. 3).

(3)  PB C 68 van 20.3.1995, blz. 15.

(4)  COM(1995) 661 van 13 december 1995 (PB C 296 van 8.10.1996, blz. 4).

(5)  Wat planten betreft lag de nadruk van de onderhandelingen die hebben geleid tot de goedkeuring van de richtlijn, voornamelijk op de octrooieerbaarheid van ggo’s (een procedure waarbij een specifiek gen in een plant wordt ingebracht, waardoor die plant de eigenschap krijgt die met het gen verbonden is). De richtlijn zegt weliswaar niets over regelgevende aspecten zoals de commercialisering van deze voortbrengsels binnen de EU, maar bepaalde wel dat dergelijke ggo’s konden worden geoctrooieerd als aan de octrooieerbaarheidscriteria werd voldaan, daar ze op zichzelf beschouwd biologisch materiaal zijn.

(6)  Een genetische merker is een gen of DNA-sequentie met een bekende locatie op een chromosoom dat/die kan worden gebruikt om individuen of soorten en hun eigenschappen te identificeren (specifieke trekken). Een merker kan worden beschreven als een variatie (die zich kan voordoen als gevolg van een mutatie of wijziging in de genomische loci) die kan worden waargenomen.

(7)  PB EOB 2016, A27 (G 2/12) en A28 (G 2/13).

(8)  Artikel 15 van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (PB L 227 van 1.9.1994, blz. 1).

(9)  P8_TA-PROV(2015)0473: Resolutie van het Europees Parlement van 17 december 2015 over octrooien en kwekersrechten (2015/2981(RSP)).

(10)  Raadzittingen van 13 juli 2015 en 22 oktober 2015.

(11)  Raadzittingen van 29 februari 2016 en 29 september 2016.

(12)  http://english.eu2016.nl/events/2016/05/18/finding-the-balance---exploring-solutions-in-the-debate-surrounding-patents-and-plant-breeders%E2%80%99-rights

(13)  Het verslag is te vinden op: http://ec.europa.eu/growth/industry/intellectual-property/patents. De groep werd opgericht bij beslissing C(2012) 7686 van de Commissie van 7 november 2012 tot oprichting van een groep van deskundigen binnen de Commissie over [de] ontwikkeling en implicaties van octrooirecht op het gebied van biotechnologie en genetische manipulatie.

(14)  http://pinto.euroseeds.eu

(15)  http://www.ilp-vegetable.org

(16)  Artikel 4, lid 1, onder a), van de richtlijn.

(17)  Artikel 4, lid 1, onder b), van de richtlijn.

(18)  Artikel 2, lid 2, van de richtlijn.

(19)  PB EOB 7/1999, blz. 437.

(20)  Artikel 53, onder b), van het EOV en regels 27 tot 34 van de uitvoeringsverordeningen.

(21)  Zoals uiteengezet in artikel 164, lid 2, van het EOV.

(22)  PB EOB 2012, blz. 130 (G 2/07) en PB EOB 2012, blz. 206 (G 1/08).

(23)  Beslissingen van de uitgebreide kamer van beroep van het EOB, G2/12 („Tomaten”) en G2/13 („Broccoli II”) op 25 maart 2015, PB EOB 2016, blz. 28, die als volgt luidden: „Onder deze omstandigheden is het niet relevant dat de bescherming die door de productie-eis wordt geboden het ontstaan van het geëiste voortbrengsel omvat door middel van een wezenlijk biologische werkwijze voor de voortbrenging van planten als zodanig uitgesloten wordt krachtens artikel 53, onder b), EOV”.

(24)  Artikel 52, lid 1, van het EOV zet deze basisvereisten uiteen: nieuwigheid (uitvindingen mogen als dusdanig niet openbaar worden gemaakt in de „stand van de relevante techniek”, d.w.z. alle publicaties zijn beschikbaar voor de bevolking); inventiviteit (uitvindingen moeten gemakkelijk worden gededuceerd door een vakkundige in de relevante techniek, d.w.z. door een technicus met gemiddelde kennis); en industriële toepassing (uitvindingen kunnen mogelijk worden gebruikt in de industrie, inclusief de landbouw).

(25)  Zie de bijlage bij deze kennisgeving voor de volledige tekst van deze bepalingen.

(26)  Zie, in de bijlage, overweging 17, van het voorstel van 1995.

(27)  Advies van het Europees Parlement van 16 juli 1997 (PB C 286 van 22.9.1997, blz. 87).

(28)  Cursivering toegevoegd. Toelichting bij het verslag ROTHLEY, 25 juni 1997 (A4-0222/97), blz. 38, voetnoot 5.

(29)  COM(97) 446 van 29 augustus 1997 (PB C 311 van 11.10.1997, blz. 12). De Commissie heeft amendementen opgenomen die verband houden met biologisch materiaal en plantgerelateerde problemen die in de eerste lezing van het Parlement zijn gestemd. In deze context werden artikelen 4, 5, 6 en 7 van het aanvankelijke voorstel geschrapt overeenkomstig amendementen 50, 51, 52 en 53 van het Parlement. Deze artikelen werden opgenomen in artikelen 2, 3 en 4 van het gewijzigde voorstel. De Commissie wijzigde artikel 2 door middel van leden 2, 3 bis, 3 ter en 3 quater zoals voorgesteld door het Parlement, en de Commissie bracht een nieuw artikel 3 tot stand door middel van leden 1 en 3 van het gewijzigde artikel 2 van het Parlement. Daarnaast werd een nieuw artikel 2 bis, overeenkomstig amendement 47 van het Parlement, in het gewijzigde voorstel opgenomen in de vorm van een herschreven artikel 4. Ten slotte nam het gewijzigde voorstel de wijzigingen van het Parlement op voor overwegingen 17 en 18 (amendementen 18 en 22) en nieuwe overwegingen 17 bis, 17 ter en 17 quater.

(30)  Document van de Raad 10130/97, Codec 428, PI31.

(31)  PB C 110 van 8.4.1998, blz. 17. Het Parlement heeft dit gemeenschappelijk standpunt op 12 mei 1998 goedgekeurd en op die manier het pad geëffend voor de definitieve goedkeuring van de richtlijn op 6 juli 1998.

(32)  De aanpak werd gevolgd in Frankrijk, Duitsland en Nederland in de respectieve nationale octrooiwetgeving van deze landen.

(33)  Cursivering toegevoegd.

(34)  COM(95) 661, artikel 14, lid 3.

(35)  Artikel 14, lid 3, van het voorstel van 1995.

(36)  Zie artikelen 6 en 7 van Verordening (EG) nr. 2100/94.

(37)  Zie artikel 31, lid l, onder i), van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS) (1994).

(38)  PB L 227 van 1.9.1994, blz. 1.

(39)  PB L 162 van 30.4.2004, blz. 38.

(40)  Zoals bepaald in artikel 16, onder c), van de richtlijn.

(41)  Zie http://www.wipo.int/budapest/en

(42)  Artikel 15, lid 2, van het voorstel van 1995.


BIJLAGE

Evolutie van de interinstitutionele discussies in het kader van de medebeslissingsprocedure

(wijzigingen zijn vetgedrukt)

Voorstel van de Commissie (13.12.1995) (1)

Amendementen van het Europees Parlement (16.7.1997) (2)

Gewijzigd voorstel van de Commissie (29.8.1997) (3)

Gemeenschappelijk standpunt van de Raad (26.2.1998) (4)

Overweging 17

Overwegende dat wat de draagwijdte van de uitsluiting van de octrooieerbaarheid van planten- en dierenrassen betreft, dient te worden verduidelijkt dat die uitsluiting betrekking heeft op die rassen als zodanig en dat zij derhalve geen afbreuk doet aan de octrooieerbaarheid van planten en dieren die zijn verkregen met behulp van een werkwijze waarvan ten minste één etappe van wezenlijk microbiologische aard is, ongeacht het biologisch uitgangsmateriaal waarop deze werkwijze wordt toegepast.

Overweging 17 (amendement 18)

Overwegende dat deze richtlijn de uitsluiting van de octrooieerbaarheid van planten- en dierenrassen onverlet laat en dat uitvindingen betreffende planten of dieren in beginsel octrooieerbaar zijn, indien de uitvoerbaarheid van de uitvinding technisch niet tot een planten- of dierenras beperkt is.

Overweging 17

Overwegende dat deze richtlijn de uitsluiting van de octrooieerbaarheid van planten- en dierenrassen onverlet laat en dat uitvindingen betreffende planten of dieren octrooieerbaar zijn, indien de toepassing ervan technisch niet tot een planten- of dierenras beperkt is;

Overweging 29

Overwegende dat deze richtlijn de uitsluiting van de octrooieerbaarheid van planten- en dierenrassen onverlet laat en dat uitvindingen betreffende planten of dieren octrooieerbaar zijn, indien de toepassing ervan technisch niet tot een planten- of dierenras beperkt is;

 

Nieuwe overweging 17 bis (amendement 19)

Overwegende dat het begrip plantenras wordt gedefinieerd in het kwekersrecht krachtens welk een ras door zijn gehele genoom wordt gekenmerkt en bijgevolg een eigen karakter heeft en duidelijk van andere rassen kan worden onderscheiden.

Overweging 17 bis

Overwegende dat het begrip plantenras wordt gedefinieerd in het kwekersrecht krachtens welk een ras door zijn gehele genoom wordt gekenmerkt en bijgevolg een eigen karakter heeft en duidelijk van andere rassen kan worden onderscheiden;

Overweging 30

Overwegende dat het begrip plantenras wordt gedefinieerd in het kwekersrecht krachtens welk een ras door zijn gehele genoom wordt gekenmerkt en bijgevolg een eigen karakter heeft en duidelijk van andere rassen kan worden onderscheiden.

 

Overweging 17 ter (nieuw) (amendement 20)

Overwegende dat een plantengeheel dat door een bepaald gen (en niet door zijn gehele genoom) wordt gekenmerkt, niet onder het kwekersrecht valt en dus niet van octrooieerbaarheid is uitgesloten, ook indien het plantenrassen omvat.

Overweging 17 ter

Overwegende dat een plantengeheel dat door een bepaald gen (en niet door zijn gehele genoom) wordt gekenmerkt, niet onder het kwekersrecht valt en dus niet van octrooieerbaarheid is uitgesloten, ook indien het plantenrassen omvat.

Overweging 31

Overwegende dat een plantengeheel dat door een bepaald gen (en niet door zijn gehele genoom) wordt gekenmerkt, niet onder het kwekersrecht valt en dus niet van octrooieerbaarheid is uitgesloten, ook niet indien het plantenrassen omvat.

 

Overweging 17 quater (nieuw) (amendement 21)

Overwegende dat, indien een uitvinding daarentegen louter en alleen bestaat in een genetische verandering van een plantenras, zij zelfs dan van octrooieerbaarheid uitgesloten blijft als de genetische verandering niet het resultaat is van voortbrenging, maar van een gentechnische werkwijze.

Overweging 17 quater

Overwegende dat, indien de uitvinding beperkt is tot een genetische verandering van een plantenras, zij zelfs dan van octrooieerbaarheid uitgesloten blijft als deze genetische verandering niet het resultaat is van voortbrenging, maar van een biotechnologische werkwijze;

Overweging 32

Overwegende dat, indien de uitvinding beperkt is tot een genetische verandering van een plantenras, en indien er een nieuw plantenras verkregen is, zij zelfs dan van octrooieerbaarheid uitgesloten blijft als deze genetische verandering niet het resultaat is van een wezenlijk biologische werkwijze, maar van een biotechnologische werkwijze;

Overweging 18

Overwegende dat, om vast te stellen of werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten of van dieren van octrooiering zijn uitgesloten, rekening moet worden gehouden met het menselijk ingrijpen en met het effect van dit ingrijpen op het verkregen resultaat.

Overweging 18 (amendement 22)

Overwegende dat een werkwijze voor de voortbrenging van planten en dieren wezenlijk biologisch is, wanneer zij op de kruising van hele genomen (met aansluitende selectie en wellicht nieuwe volledige kruising) is gebaseerd.

Overweging 18

Overwegende dat een werkwijze voor het kweken van planten en dieren wezenlijk biologisch is wanneer zij op de kruising van hele genomen (met aansluitende selectie en wellicht nieuwe volledige kruising) is gebaseerd.

Overweging 33

Overwegende dat in deze richtlijn moet worden omschreven wanneer een werkwijze voor de voortbrenging van planten en dieren van wezenlijk biologische aard is.

Artikel 2:

Voor de doeleinden van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.

„biologisch materiaal”: iedere, een genetische informatie bevattende materie die zelfreproduceerbaar of in een biologisch systeem kan worden reproduceerbaar is;

2.

„microbiologische werkwijze”: iedere werkwijze waarbij microbiologisch materiaal wordt gebruikt, die op microbiologisch materiaal wordt verricht of die microbiologisch materiaal als uitkomst heeft. Een werkwijze die bestaat uit een aantal opeenvolgende etappen bestaat, wordt als microbiologische werkwijze aangemerkt indien ten minste één wezenlijke etappe van microbiologisch aard is;

3.

„wezenlijk biologische werkwijze voor de voortbrenging van planten of dieren”: iedere werkwijze die in haar geheel genomen in de natuur voorkomt en niet meer is dan een voor de voortbrenging van planten of dieren natuurlijke werkwijze.

Artikel 2 (amendement 48)

1.

Uitvindingen die nieuw zijn, op uitvinderswerkzaamheid berusten en industrieel toepasbaar zijn, zijn ook octrooieerbaar wanneer zij betrekking hebben op een voortbrengsel dat uit biologisch materiaal bestaat of dit bevat, of op een werkwijze waarmee biologisch materiaal wordt verkregen, bewerkt of gebruikt.

2.

Biologisch materiaal is materiaal dat genetische informatie bevat en zichzelf kan repliceren of in een biologisch systeem kan worden gerepliceerd.

3.

Biologisch materiaal dat met behulp van een technische werkwijze uit zijn natuurlijke milieu wordt geïsoleerd of wordt verwerkt, verkregen, kan ook dan het voorwerp van een uitvinding in de zin van lid 1 zijn, wanneer het in de natuur reeds voorhanden is.

3 bis.

Een microbiologische werkwijze is iedere werkwijze waarbij microbiologisch materiaal wordt gebruikt, een ingreep in microbiologisch materiaal plaatsvindt of microbiologisch materiaal wordt voortgebracht.

3 ter.

Een werkwijze voor de voortbrenging van planten of dieren is een werkwijze van wezenlijk biologische aard wanneer deze gebaseerd is op kruising en selectie.

3 quater.

Het begrip plantenras zal worden gedefinieerd door het kwekersrecht.

Artikel 2

1.

Voor de doeleinden van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)

„biologisch materiaal”: materiaal dat genetische informatie bevat en zichzelf kan repliceren of in een biologisch systeem kan worden gerepliceerd;

b)

microbiologische werkwijze: iedere werkwijze waarbij microbiologisch materiaal wordt gebruikt, die op microbiologisch materiaal ingrijpt of die microbiologisch materiaal als uitkomst heeft.

2.

Een werkwijze voor de voortbrenging van planten of dieren is een werkwijze van wezenlijk biologische aard wanneer deze gebaseerd is op kruising en selectie.

3.

Het begrip plantenras wordt gedefinieerd door artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2100/94.

Artikel 2

1.

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)

„biologisch materiaal”: materiaal dat genetische informatie bevat en zichzelf kan repliceren of in een biologisch systeem kan worden gerepliceerd;

b)

„microbiologische werkwijze”: iedere werkwijze waarbij microbiologisch materiaal wordt gebruikt, die op microbiologisch materiaal ingrijpt of die microbiologisch materiaal als resultaat heeft.

2.

Een werkwijze voor de voortbrenging van planten of dieren is wezenlijk biologisch als ze volledig bestaat uit natuurlijke verschijnselen zoals kruising of selectie.

3.

Het begrip plantenras wordt gedefinieerd door artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2100/94.

 

 

Artikel 3

1.

In de zin van deze richtlijn kunnen uitvindingen die nieuw zijn, op uitvinderswerkzaamheid berusten en industrieel toepasbaar zijn, ook octrooieerbaar zijn, wanneer zij betrekking hebben op een voortbrengsel dat uit biologisch materiaal bestaat of dit bevat, of op een werkwijze waarmee biologisch materiaal wordt verkregen, bewerkt of gebruikt.

2.

Biologisch materiaal dat met behulp van een technische werkwijze uit zijn natuurlijke milieu wordt geïsoleerd of wordt verkregen, kan ook dan het voorwerp van een uitvinding zijn, wanneer het in de natuur reeds voorhanden is.

Artikel 3

1.

In de zin van deze richtlijn kunnen uitvindingen die nieuw zijn, op uitvinderswerkzaamheid berusten en industrieel toepasbaar zijn, ook octrooieerbaar zijn, wanneer zij betrekking hebben op een voortbrengsel dat uit biologisch materiaal bestaat of dit bevat, of op een werkwijze waarmee biologisch materiaal wordt verkregen, bewerkt of gebruikt.

2.

Biologisch materiaal dat met behulp van een technische werkwijze uit zijn natuurlijke milieu wordt geïsoleerd of wordt verkregen, kan ook dan het voorwerp van een uitvinding zijn, wanneer het in de natuur reeds voorhanden is.

 

Artikel 2 bis (nieuw) (amendement 47)

1.

Niet octrooieerbaar zijn:

a)

planten- en dierenrassen,

b)

werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten en dieren.

2.

Een uitvinding die betrekking heeft op planten en dieren, is octrooieerbaar als de uitvoerbaarheid van die uitvinding zich technisch gezien niet beperkt tot een bepaald planten- of dierenras.

3.

Lid 1, onder b), laat de octrooieerbaarheid onverlet van uitvindingen die betrekking hebben op een microbiologische of andere technische werkwijze of op een met behulp van deze werkwijzen verkregen voortbrengsel.

Artikel 4

1.

Niet octrooieerbaar zijn:

a)

planten- en dierenrassen;

b)

werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten en dieren.

2.

Uitvindingen die betrekking hebben op planten en dieren, en waarvan de toepassing zich technisch gezien niet beperkt tot een bepaald planten- of dierenras, zijn octrooieerbaar.

3.

Lid 1, onder b), laat de octrooieerbaarheid van uitvindingen onverlet die betrekking hebben op een microbiologische of andere technische werkwijze of op een met behulp van deze werkwijzen verkregen voortbrengsel.

Artikel 4

Niet octrooieerbaar zijn:

a)

planten- en dierenrassen;

b)

werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten en dieren.

2.

Een uitvinding die betrekking heeft op planten en dieren, is octrooieerbaar als de technische uitvoerbaarheid van die uitvinding zich technisch gezien niet beperkt tot een bepaald planten- of dierenras.

3.

Lid 1, onder b), laat de octrooieerbaarheid van uitvindingen onverlet die betrekking hebben op een microbiologische of andere technische werkwijze of op een met behulp van deze werkwijzen verkregen voortbrengsel.

Artikel 4

1.

Het voorwerp van een uitvinding wordt niet van octrooieerbaarheid uitgesloten op de loutere grond dat het uit biologisch materiaal bestaat, daarvan gebruikmaakt of daarop wordt toegepast.

2.

Biologisch materiaal, met inbegrip van planten en dieren en delen van planten en dieren die door een werkwijze van niet-wezenlijk biologische aard zijn verkregen, met uitzondering van planten- en dierenrassen als zodanig, is octrooieerbaar.

Artikel 4 (amendement 50)

Geschrapt

Geschrapt

Geschrapt

Artikel 5

Microbiologische werkwijzen en hierdoor verkregen voortbrengselen zijn octrooieerbaar.

Artikel 5 (amendement 51)

Geschrapt

Geschrapt

Geschrapt

Artikel 6

Werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten of van dieren zijn niet octrooieerbaar.

Artikel 6 (amendement 52)

Geschrapt

Geschrapt

Geschrapt

Artikel 7

Gebruikswijzen van planten- of dierenrassen en de voor voortbrenging ervan noodzakelijke werkwijzen, met uitzondering van de, van wezenlijk biologische aard zijnde werkwijzen voor de voortbrenging van planten of dieren, zijn octrooieerbaar.

Artikel 7 (amendement 53)

Geschrapt

Geschrapt

Geschrapt


(1)  Voorstel van de Commissie, COM(1995) 661 van 13 december 1995 (PB C 296 van 8.10.1996, blz. 4).

(2)  Advies van het Europees Parlement van 16 juli 1997 (PB C 286 van 22.9.1997, blz. 87).

(3)  Gewijzigd voorstel van de Commissie, COM(97) 446 van 29 augustus 1997 (PB C 311 van 11.10.1997, blz. 12).

(4)  Gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 26 februari 1998 (PB C 110 van 8.4.1998, blz. 17).


Top