Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52016PC0493

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad

COM/2016/0493 final - 2016/0238 (COD)

Brussel, 3.8.2016

COM(2016) 493 final

2016/0238(COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad

{SWD(2016) 267 final}
{SWD(2016) 272 final}


TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Motivering en doel van het voorstel

De visserijen in de Noordzee en daaraan grenzende gebieden vormen een uitermate complex geheel, met vaartuigen uit op zijn minst zeven kustlidstaten en uit Noorwegen, die tal van verschillende vistuigen inzetten op een brede waaier vis-, schaal- en schelpdiersoorten. Een essentiële factor in dit verband is dat de belangrijkste demersale soorten (soorten die op of in de nabijheid van de zeebodem leven) voor een groot deel in gemengde visserijen worden gevangen. Concreet betekent dit dat wanneer een vaartuig zijn vistuig binnenhaalt, de vangst per definitie bestaat uit een mengeling van soorten. De samenstelling van die mengeling verandert afhankelijk van welk soort vistuig wordt gebruikt en wanneer en waar dat wordt uitgezet.

Vaartuigen die vis vangen uit bestanden waarvoor een TAC (totale toegestane vangst) geldt, moeten bijgevolg met vissen stoppen zodra hun quotum voor een "TAC"bestand is opgebruikt. Vóór de vaststelling van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid 1 (de basisverordening) waren vaartuigen niet verplicht de visserij stop te zetten zodra hun quotum voor een van deze soorten was opgebruikt. Zij mochten verder vissen op andere doelsoorten en bleven bijgevolg ook de soorten vangen waarvoor hun quotum was opgebruikt, zelfs al konden zij die vangsten niet op wettige wijze aanlanden. Wat zij boven het quotum vingen, moest worden teruggegooid.

Wanneer de aanlandingsverplichting op grond van de basisverordening eenmaal volledig ten uitvoer is gelegd, wordt de teruggooi van vangsten boven het quotum illegaal. Het is dus mogelijk dat vaartuigen vroeg in het jaar met vissen moeten stoppen wanneer hun quotum voor de meest limiterende soort is opgebruikt. In dat geval wordt de meest limiterende soort een zogenoemde "knelsoort" of "verstikkingssoort" omdat deze, zodra het betrokken quotum is opgebruikt, de mogelijkheid om op andere bestanden te blijven vissen, afknelt of verstikt. Daarom is het wenselijk om bij het vaststellen van TAC's voor deze soorten in aanmerking te nemen dat in gemengde visserijen vis uit meerdere bestanden samen wordt gevangen. Een dergelijke benadering moet zowel de instandhouding als de exploitatie van de bestanden ten goede komen. In het onderhavige voorstel wordt deze benadering gevolgd.

De basisverordening heeft ten doel de problemen van overbevissing en teruggooi doeltreffender op te lossen dan met de vorige wetgeving het geval was. Het is echter noodzakelijk gebleken extra wetgeving vast te stellen, wil men voorkomen dat quota in gemengde Noordzeevisserijen onderbenut worden en geen uitzonderingen op de aanlandingsverplichting kunnen worden gemaakt na het verstrijken van de driejarige teruggooiplannen. Kortom: als geen passende maatregelen worden genomen, valt niet uit te sluiten dat de basisverordening de komende jaren negatieve economische en sociale gevolgen meebrengt voor de visserijsector.

Gezien de interacties in de gemengde demersale Noordzeevisserijen is het wenselijk de vangstmogelijkheden aan te sturen aan de hand van een modelleerperspectief dat uitgaat van gemengde visserijen. Dankzij de recente wetenschappelijke ontwikkelingen is een dergelijk model momenteel beschikbaar. Deze aanpak zou tevens in overeenstemming zijn met de ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer. De eerste stap naar zo een aanpassingsgericht beheer bestaat erin alle relevante bestanden in één beheersplan op te nemen. Hiertoe moeten onder meer streefbandbreedtes voor de visserijsterfte van elk bestand worden gehanteerd als basis voor de vaststelling van jaarlijkse TAC's voor deze bestanden. Op die manier wordt in de procedure voor het vaststellen van de TAC's de nodige flexibiliteit ingebouwd om problemen die zich in het kader van de gemengde visserij voordoen, te helpen opvangen. De vrijwaringsmaatregelen in het plan moeten dienstdoen als kader voor het herstel van bestanden die onder biologisch veilige grenzen zijn terechtgekomen.

Dit voorstel heeft ten doel een beheersplan voor demersale bestanden en de desbetreffende visserijen in de Noordzee vast te stellen. Het plan zal garanderen dat deze bestanden overeenkomstig de beginselen van de maximale duurzame opbrengst en de ecoysteemgerichte benadering van het visserijbeheer worden geëxploiteerd, en staat daardoor borg voor de duurzame exploitatie van deze bestanden. Het plan brengt bovendien stabiliteit in de vangstmogelijkheden en zorgt er tegelijkertijd voor dat bij het beheer wordt uitgegaan van de meest recente wetenschappelijke informatie over de bestanden, de gemengde visserijen en andere aspecten van het ecosysteem en het milieu. Tevens zal het plan de invoering van de aanlandingsverplichting vergemakkelijken.

Hoewel het plan geen initiatief in het kader van het programma voor gezonde regelgeving (REFIT) is, draagt het toch bij tot de vereenvoudiging van de geldende wetgeving van de Unie. Voorgesteld wordt om de twee bestaande, op één soort gebaseerde meerjarenplannen die bij afzonderlijke verordeningen zijn vastgesteld 2 , 3 , te vervangen door één verordening waarin alle meerjarenplannen voor de verschillende demersale bestanden worden gebundeld. Deze nieuwe aanpak maakt het mogelijk de instandhoudingsdoelstellingen te halen en tegelijkertijd beperkingen van de visserijinspanning af te schaffen, met als gevolg dat tal van rapportage- en controleverplichtingen komen te vervallen en de administratieve belasting aanzienlijk wordt verlicht.

Het plan zal van toepassing zijn op alle in de Noordzee vissende vissersvaartuigen van de Unie, ongeacht hun lengte over alles, aangezien zulks in overeenstemming is met de regels van het GVB en met het effect van die vaartuigen op de betrokken visbestanden.

De basisverordening met voorschriften inzake het GVB is sinds 1 januari 2014 van toepassing en bevat bepalingen over meerjarenplannen, de invoering van de aanlandingsverplichting voor TACbestanden en de zogenoemde regionalisering. In het plan wordt als volgt invulling gegeven aan deze bepalingen.

Overeenkomstig de beginselen en doelstellingen van de meerjarenplannen als uiteengezet in artikel 9 van de basisverordening, is het plan een plan voor gemengde visserijen met de MSYdoelstelling als belangrijkste basis.

In artikel 10 van de basisverordening wordt ingegaan op de inhoud van de meerjarenplannen. Als er met MSY overeenstemmende kwantificeerbare streefdoelen beschikbaar zijn, worden deze weergegeven in de vorm van door de ICES aanbevolen bandbreedtes. Deze bandbreedtes maken het mogelijk de betrokken bestanden op een op MSY gerichte wijze te beheren; dit lijkt een eventuele bijstelling in het licht van gewijzigd wetenschappelijk advies niet in de weg te staan, terwijl toch een hoge mate van voorspelbaarheid wordt gehandhaafd. De streefdoelen worden aangevuld met vrijwaringsmaatregelen die zijn gekoppeld aan een instandhoudingsreferentiepunt dat, zodra dit wordt bereikt, een interventie activeert – en dus als trigger fungeert. Deze referentiepunten worden voor de visbestanden waarvoor ze beschikbaar zijn, uitgedrukt als paaibiomassa. De gegevens daarover worden aangeleverd door de ICES, doorgaans in het kader van de benchmarkexercitie. Voor bepaalde functionele eenheden langoustines worden deze referentiepunten, waar beschikbaar, uitgedrukt als abundantie. Als geen advies over het niveau van de paaibiomassa of de abundantie voorhanden is, moet advies waaruit blijkt dat het bestand gevaar loopt, als trigger fungeren. Dit plan is weliswaar afgestemd op de specifieke kenmerken van de demersale Noordzeebestanden en de desbetreffende visserijen, maar is tegelijkertijd geënt op artikel 10 van de basisverordening. Bijgevolg zullen de structuur en bepaalde elementen ervan in vergelijkbare vorm worden overgenomen in toekomstige meerjarenplannen. Voor het bepalen van de doelstellingen, streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen van het plan en voor de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting is derhalve dezelfde aanpak gevolgd als in de recent vastgestelde Verordening (EU) 2016/... van het Europees Parlement en de Raad van ... tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad 4 .

Krachtens artikel 15 van de basisverordening geldt de aanlandingsverplichting in de Noordzee vanaf 2016 voor bepaalde demersale visserijen en visserijbepalende soorten, en met ingang van 1 januari 2019 voor de visserij op alle andere soorten waarvoor vangstbeperkingen zijn vastgesteld. Overeenkomstig artikel 16, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt van de lidstaten verlangd dat zij bij de verdeling van de TAC's over de vaartuigen die hun vlag voeren, rekening houden met de waarschijnlijke samenstelling van de vangsten en met de aanlandingsverplichting. De lidstaten kunnen daartoe nationale maatregelen vaststellen, bijvoorbeeld een zeker deel van de beschikbare nationale TAC als reserve achter de hand houden of quota uitwisselen met andere lidstaten.

Overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer gemeenschappelijke aanbevelingen indienen, bijvoorbeeld met betrekking tot bepaalde te treffen maatregelen, wanneer de Commissie gemachtigd is om uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de doelstellingen van een meerjarenplan te verwezenlijken. Hiertoe voorziet het plan in regionale samenwerking tussen lidstaten bij het vaststellen van bepalingen inzake de aanlandingsverplichting en specifieke instandhoudingsmaatregelen voor bepaalde bestanden.

Overeenkomstig het WTECV-advies 5 , 6 zijn in het plan geen jaarlijkse beperkingen van de visserijinspanning (aantal zeedagen) opgenomen.

Dit plan heeft geen betrekking op zeebaars. Dit bestand is weliswaar aanwezig in de Noordzee, maar de exploitatie ervan vindt grotendeels buiten de Noordzee plaats. De Commissie erkent echter dat een beheersplan noodzakelijk is waarin ook zeebaars is opgenomen. Het plan dient van toepassing te zijn op de visserijen die dat bestand exploiteren in de ICESgebieden IVb en c, VIIa en VIId–h, en op de recreatievisserij op zeebaars.

Samenhang met de huidige bepalingen op dit beleidsgebied

Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 204/585/EG van de Raad1 stelt het algemene kader voor het GVB vast en omschrijft de situaties waarin de Raad en het Europees Parlement meerjarenplannen moeten vaststellen.

Bij Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/20042 zijn de regels voor de duurzame exploitatie van de kabeljauwbestanden in de Noordzee en daaraan grenzende wateren vastgesteld.

Bij Verordening (EG) nr. 676/2007 van de Raad van 11 juni 2007 tot vaststelling van een beheersplan voor de bevissing van de schol- en tongbestanden in de Noordzee3 zijn de voorschriften voor de duurzame exploitatie van de schol en tongbestanden in de Noordzee vastgesteld.

Bij Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen 7 zijn technische instandhoudingsmaatregelen vastgesteld, zoals voorschriften inzake vangstsamenstelling, minimummaaswijdte, minimummaat bij aanlanding en voor de visserij gesloten gebieden en seizoenen. Bij deze verordening is tevens een beperking op het gebruik van drijfnetten ingesteld. De verordening wordt momenteel herzien en zal eventueel worden vervangen door het nog vast te stellen voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006, (EG) nr. 1098/2007 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1343/2011 en (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad 8 . 

Bij jaarlijkse verordeningen van de Raad tot vaststelling van vangstmogelijkheden en vangstvoorschriften voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Noordzee worden de TAC's voor de betrokken bestanden bepaald (de meest recente, die momenteel van kracht is, is Verordening (EU) 2016/72 van de Raad van 22 januari 2016 tot vaststelling, voor 2016, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Uniewateren en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2015/104 9 ).

Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 10 (hierna "Verordening (EG) nr. 1224/2009") stelt de algemene controlevereisten voor visserijen alsook specifieke controlevereisten voor meerjarenplannen vast. 

Samenhang met andere beleidsgebieden van de Unie

Dit voorstel en de doelstellingen ervan zijn in overeenstemming met het beleid van de Unie, met name op het gebied van milieu, sociale aangelegenheden, markt en handel.

2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID

Rechtsgrondslag

Artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Subsidiariteitsbeginsel

Het voorstel heeft betrekking op de instandhouding van mariene biologische hulpbronnen en dergelijke maatregelen vallen onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing.

Evenredigheidsbeginsel

De voorgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel aangezien zij passend en noodzakelijk zijn en de nagestreefde beleidsdoelstellingen niet kunnen worden bereikt met andere maatregelen die minder restrictief zijn.

Keuze van het instrument

Voorgesteld instrument: een verordening van het Europees Parlement en de Raad.

3.RESULTATEN VAN EX-POSTEVALUATIES, RAADPLEGINGEN VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELINGEN

Op verschillende niveaus heeft overleg plaatsgevonden: met belanghebbenden, wetenschappers, het publiek (waaronder overheden) en diensten van de Commissie. Het voorstel heeft een volledig evaluatieproces doorlopen waarin de aanvankelijke taken en probleemstelling voor rekening van DG MARE kwam, maar de essentiële input in alle stadia van het gehele proces werd gegeven door experts uit wetenschappelijke en andere hoek en door belanghebbende partijen.

Raadplegingen van belanghebbenden

De belanghebbende partijen zijn gericht geraadpleegd tijdens het verkennend onderzoek en in het kader van het overleg met de adviesraad voor de Noordzee (NSAC) 11 . Adviesraden zijn organisaties van belanghebbenden 12 die zijn opgericht bij de vorige GVBhervorming in 2002 en die vertegenwoordigers van de sector (visserij, verwerking en afzet) en andere belangengroeperingen (zoals milieu- en consumentenorganisaties) samenbrengen. Elke adviesraad is bevoegd voor een specifiek zeegebied. Zoals bepaald in bijlage III bij de basisverordening, bestrijkt de adviesraad voor de Noordzee (NSAC) ICES-deelgebied IV en ICESsector IIIa 13 .

DG MARE heeft in het kader van het verkennend onderzoek twee workshops gehouden. Voor de eerste workshop (in Brussel, op 27 februari 2014 14 ) waren onder meer wetenschappelijke experts en vertegenwoordigers van de aan de Noordzee gelegen lidstaten, de NSAC en pelagische adviesraden uitgenodigd voor een eerste bespreking over de ontwikkeling en toepassing van een meerjarenplan voor de gemengde Noordzeevisserij.

De tweede workshop (in Brussel, op 29 en 30 september 2014 15 ) werd bijgewoond door onder meer wetenschappelijke deskundigen, vertegenwoordigers van de aan de Noordzee gelegen lidstaten en vertegenwoordigers van de NSAC en had vooral ten doel tot een gemeenschappelijke kijk op het nieuwe wets en beleidskader voor meerjarenplannen te komen, een schets met de grote lijnen van het toekomstige meerjarenplan voor de Noordzee te bespreken en in kleinere groepen samen na te denken over mogelijke "bouwstenen" voor het toekomstige plan.

Daarnaast zijn in oktober 2015 in Amsterdam en in maart 2015 in Kopenhagen besprekingen gevoerd met de NSAC, via de focusgroep gemengde visserijen11 van die organisatie.

Van 9 februari tot 4 mei 2015 heeft een breed opgezette, openbare raadpleging plaatsgevonden via het internet 16 . In totaal werden 25 uitvoerige bijdragen ingeleverd door lidstaten, adviesraden, belangenorganisaties van de sector, ngo's en het brede publiek. Hieronder worden de voornaamste conclusies gedistilleerd.

De bestaande beheersplannen zijn te prescriptief en te complex. Ze moeten worden vervangen door wetgeving die is gebaseerd op strategische doelstellingen en algemene beginselen.

Nieuwe beheersplannen moeten oog hebben voor de interacties in gemengde visserijen.

De aanlandingsverplichting stelt niet alleen de visserijsector voor een grote uitdaging, maar ook de lidstaten, meer bepaald bij het toewijzen van quota aan de vloten.

Gedetailleerde voorschriften moeten op regionaal niveau worden beheerd, maar moeten tevens consistent zijn met beheersplannen voor aangrenzende gebieden.

Uit een groot aantal bijdragen blijken de betrokkenen het eens te zijn met de vaststelling van kabeljauw, schelvis, zwarte koolvis, wijting, tong, schol en Nephrops als voornaamste doelsoorten. Over de opname van aanvullende doelsoorten en over het beschermingsniveau voor andere soorten lopen de meningen uiteen. Over het algemeen pleiten de lidstaten en de visserijsector voor een aanpak die toegespitst is op de voornaamste doelsoorten, terwijl de ngo's specifieke doelstellingen voorstaan voor elke soort die in de Noordzee wordt geoogst.

Over technische maatregelen die op basis van het beheersplan worden ingevoerd, moet op regionaal niveau overeenstemming worden bereikt.

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid 

Het grootste deel van het werk en overleg voor de evaluatie van de bestaande wetgeving is verricht door wetenschappers onder auspiciën van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) 17 en de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) 18 , alsmede door de Marine Resources Assessment Group (MRAG), op grond van een kadercontract met de Commissie.

Ex-postevaluaties/geschiktheidscontroles van bestaande wetgeving

Het WTECV, de ICES en de MRAG hebben voorafgaand aan de hervorming van het GVB een aantal evaluaties verricht van het bestaande beheersplan voor kabeljauwbestanden2 (hierna "kabeljauwplan") en voor Noordzeetong en schol3 (hierna "platvisplan"). Voor het platvisplan heeft de MRAG in 2009 een effectbeoordeling van de opties vanaf de eerste "herstelfase" tot de tweede "beheersfase" van het plan uitgevoerd 19 , aangezien het plan zelf in een dergelijke herziening voorziet zodra wordt geconstateerd dat beide bestanden zich twee opeenvolgende jaren binnen biologisch veilige grenzen bevinden. In oktober 2010 heeft een deskundigengroep van het WTECV op een vergadering in Vigo het platvisplan eveneens geëvalueerd 20 .

In 2011 hebben twee vergaderingen plaatsgevonden die betrekking hadden op een expostherziening van een aantal beheersplannen, waaronder dat voor kabeljauw2. Het ging om een gezamenlijke vergadering van experts van het WTECV en de ICES (in Kopenhagen, in februari/maart 2011 21 ) en een followupvergadering (in Hamburg, in juni 20115). Beide vergaderingen mochten worden bijgewoond door deelnemers van de NSAC en overheden van de lidstaten. Uit deze analyses werd onder meer geconcludeerd dat het kabeljauwplan2 gebaat zou zijn bij een verbinding met de plannen voor Nephrops en schelvis, wijting, zwarte koolvis, tong en schol in de Noordzee, en dat het plan niet tot de verwachte beheersing van de visserijsterfte had geleid.

De diensten van de Commissie hebben destijds vanwege een interinstitutioneel geschil over beheersbevoegdheden geen stappen gezet om deze plannen te herzien. Zodra de interinstitutionele taskforce die voor het oplossen van dit geschil was ingesteld, haar conclusies had gepresenteerd 22 en het nieuwe GVB was vastgesteld, kon in de evaluatiewerkzaamheden rekening worden gehouden met de nieuwe beleidscontext.

In 2014 heeft een deskundigengroep van het WTECV zich in het Italiaanse Varese van 10 tot 14 maart gebogen over de voorbereiding van een expostevaluatie van het platvisplan. Het WTECV heeft de evaluatie later in maart 2014 onder de loep genomen tijdens zijn plenaire vergadering in Brussel 23 .

De huidige beheersplannen worden door lidstaten, de visserijsector, wetenschappers 24 , 25 , 26 , 27 , 28 , 29 , 30 , 31 , 32 , 33 , 34  en milieuorganisaties afgedaan als ondoeltreffend, overdreven prescriptief, nodeloos bureaucratisch en economisch schadelijk voor de visserijsector in de EU. Met name de zeedagenregeling moet het ontgelden. In zijn evaluatie van het kabeljauwplan2 concludeert het WTECV dat het plan niet tot de verwachte beheersing van de visserijsterfte heeft geleid en dat de economische gevolgen van het beheersplan voor de korte termijn onduidelijk zijn. Met betrekking tot het platvisplan bestempelt het WTECV als onwaarschijnlijk dat het geconstateerde herstel van tong en schol terug te voeren was op beperkingen van de zeedagen25.

Voorts is het kabeljauwplan2 zwaar bekritiseerd omdat de mogelijkheid van extra beperkingen werd geboden hoewel de kabeljauwstand in de Noordzee zich de afgelopen jaren begon te herstellen. Het plan heeft niet alleen tot gevolg gehad dat de Noordzeevisserij op kabeljauw (ca. 5 % van de aangelande vis) is beperkt, maar ook dat vissersvaartuigen de haven niet mochten verlaten hoewel ze voor de resterende 95 % van de vis over visserijquota beschikten. Deze situatie wordt door de gehele visserijsector aan de kaak gesteld als zijnde uitermate onbillijk en buitenproportioneel.

Ook de zeedagenregeling kreeg kritiek van een aantal belanghebbende partijen, omdat ze schade aan het milieu zou toebrengen veeleer dan de visstand te beschermen, onder meer omdat vaartuigen met een beperkt aantal visdagen dicht onder de kust moet vissen, waar jonge vis samenschoolt. In diezelfde lijn heeft de Noordzeevisserijsector in de openbare raadpleging over dit initiatief aangevoerd dat het voor vissersvaartuigen die fors beperkt worden in de tijd die zij op zee mogen doorbrengen, moeilijker is visserijgebieden met een lagere abundantie van kabeljauw op te zoeken. Kortom: de beperkingen verscherpen het probleem van het ongewenst vangen van kabeljauw in gemengde visserijen. Bovendien brengt de regeling voor beheer aan de hand van zeedagen een aanzienlijke administratieve belasting voor de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten met zich mee.

Effectbeoordeling

De effecten van een meerjarenplan voor de Noordzee zijn beoordeeld in het kader van het nieuwe GVB en het herschrijven van de verordeningen inzake technische maatregelen. Het nieuwe GVB behelst, onder meer, een nieuwe aanlandingsverplichting, een tijdspad voor het bereiken van MSY en regionalisering. Voor de omkadering van deze kwesties is gebruikgemaakt van een aantal rapporten, studies en contracten die onder meer betrekking hebben op:

de hervorming van het GVB24;

de effecten van de invoering van de aanlandingsverplichting25,26;

de sociaal-economische dimensies van het GVB27,28;

de ontwikkeling van een nieuwe verordening inzake technische maatregelen29;

kwesties in verband met gemengde visserijen in de EU30, waaronder de aanpak van verstikkingseffecten31;

overwegingen inzake beheersgebieden voor de nieuwe meerjarenplannen32;

overwegingen over beheer aan de hand van MSY33.

Twee wetgevingsopties zijn nader onderzocht: optie 1 (beheer aan de hand van de basisverordening) en optie 2 (vaststelling van één meerjarig beheersplan voor gemengde visserij). Voor optie 2 is bovendien een aantal subopties onder de loep gelegd, met betrekking tot: i) de afbakening van de gebieden, ii) de keuze van de methode om de invoering van de aanlandingsverplichting te vergemakkelijken, iii) de keuze van de FMSY-bandbreedtes, iv) de keuze van de onder het plan vallende soorten, v) de datum voor het bereiken van FMSY, en vi) het tijdspad voor het herstel van de bestanden tot op voorzorgsniveau. De keuze voor de eerste vier variabelen is gemaakt op basis van een kwalitatieve analyse. De laatste twee variabelen werden onderzocht in het kader van een kwantitatieve effectbeoordeling en vergeleken met optie 1.

De voorkeur gaat uit naar optie 2 (één meerjarig plan voor gemengde visserij), met als doel uiterlijk in 2020 FMSY te bereiken en de bestanden spoedig te herstellen tot op voorzorgsniveau. Zodra een bestand FMSY bereikt, mag het niet meer boven FMSY worden geëxploiteerd. Met de voorkeursoptie (één meerjarig plan voor gemengde visserij voor de demersale Noordzeevisserijen) zullen de doelstellingen van dit initiatief op veel doeltreffender wijze kunnen worden bereikt dan met optie 1 (toepassing van de basisverordening). In vergelijking met optie 1 heeft optie 2 positieve gevolgen voor het milieu. Ook op economisch en sociaal gebied pakt optie 2 gunstiger uit dan optie 1. De positieve gevolgen worden nog versterkt door de gekozen subopties "2020 als termijn voor het bereiken van FMSY" en "korte herstelperiode". Op economisch vlak zal de rendabiliteit er gemiddeld op vooruitgaan, vooral vanwege de lagere variabele kosten en de beschikbaarheid van de visserijhulpbronnen. Op sociaal vlak zal de administratieve belasting voor het mkb afnemen en zullen banen behouden blijven. Uit milieuoogpunt leidt een "korte herstelperiode" tot een afnemend gevaar van instorting van het bestand en een toenemende gemiddelde biomassa.

Bovendien zal de afschaffing van de onpopulaire zeedagenregeling en van de eis tot visserij in één enkel gebied het rechtskader vereenvoudigen en de administratieve lasten voor de lidstaten en het bedrijfsleven verlichten.

Gezonde regelgeving en vereenvoudiging

Zelfs zonder in het REFIT-programma te zijn ingebed, verlicht dit plan de regeldruk omdat het twee verordeningen bundelt, die bijgevolg worden ingetrokken.

Bij Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/20042 zijn de regels voor de duurzame exploitatie van de kabeljauwbestanden in de Noordzee en daaraan grenzende wateren vastgesteld.

Bij Verordening (EG) nr. 676/2007 van de Raad van 11 juni 2007 tot vaststelling van een beheersplan voor de bevissing van de schol- en tongbestanden in de Noordzee zijn de voorschriften voor de duurzame exploitatie van de schol- en tongbestanden in de Noordzee vastgesteld3.

De demersale vangst- en verwerkingssector in het Noordzeegebied bestaat voor het overgrote deel uit kmo's en microbedrijven (98 %). Het huidige systeem, met zijn complexe regels, jaagt de bedrijven en in het bijzonder het mkb op zware kosten, die in de toekomst als rechtstreeks gevolg van de vereenvoudiging zullen worden voorkomen. Duurzame exploitatie zal leiden tot een grotere rendabiliteit en betere economische prestaties. Bovendien krijgen de vissers meer vrijheid om te beslissen waar en wanneer ze zullen vissen. De afschaffing van de visserijinspanningsregeling zal niet alleen de administratieve belasting, waaronder de zware verslaglegging, verlichten, maar ook de last die voor de nationale overheden gepaard gaat met de verwerking en monitoring van deze verslagen.

Grondrechten

Niet van toepassing.

4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

Geen

5.OVERIGE ELEMENTEN

Uitvoeringsplanning en regelingen betreffende monitoring, evaluatie en rapportage

Verordening (EG) nr. 1224/200910 fungeert als rechtskader voor de controle, inspectie en handhaving die vereist is om de naleving van de voorschriften van het GVB te waarborgen. Op grond van artikel 43 van die verordening dienen in de meerjarenplannen drempels te worden vastgesteld bij overschrijding waarvan vangsten uit bestanden die onder meerjarenplannen vallen, in een aangewezen haven moeten worden aangeland. Bovendien worden bij het plan gebieds- en visserijspecifieke voorschriften ingevoerd met betrekking tot de vereisten voor voorafgaande kennisgeving als bedoeld in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

Het plan voorziet in een op wetenschappelijke adviezen gebaseerde periodieke evaluatie van de gevolgen van het plan voor de betrokken bestanden. Het is van het grootste belang dat een passende periode voor deze evaluatie wordt bepaald: een periode die het mogelijk maakt geregionaliseerde maatregelen vast te stellen en uit te voeren en zicht te krijgen op de gevolgen voor de bestanden en de visserij. Tevens moet rekening worden gehouden met de werkmethode van wetenschappelijke instanties, onder meer op het gebied van regelmatige benchmarking. Onlangs kon geen wetenschappelijk advies worden uitgebracht omdat er onvoldoende gegevens en tendensen voorhanden waren voor een evaluatie over een periode van drie jaar. Daarom is voor de evaluatie van dit plan geopteerd voor een periodiciteit van vijf jaar.

In dit verband zij erop gewezen dat de periodieke evaluatie van de gevolgen van het plan de wetgevers niet belet het plan te wijzigen wanneer zulks in het licht van nieuwe wetenschappelijke, politieke of sociaal-economische ontwikkelingen noodzakelijk blijkt.

Toelichting bij de specifieke bepalingen van het voorstel

Overeenkomstig de algemene doelstelling van het GVB inzake de instandhouding van visbestanden en specifiek gelet op de artikelen 9 en 10 van de basisverordening, op grond waarvan meerjarenplannen moeten worden opgesteld, zijn de belangrijkste elementen van het plan de volgende.

Het plan is van toepassing op demersale Noordzeebestanden en de visserijen die deze bestanden exploiteren.

Doelstellingen en streefdoelen (het bereiken van een visserijsterfte die in overeenstemming is met het beginsel van de maximale duurzame opbrengst). Krachtens artikel 10 van de basisverordening moeten de streefdoelen kwantificeerbaar zijn. De voorgestelde streefdoelen worden uitgedrukt als streefbandbreedtes voor de visserijsterfte rond FMSY conform het advies van de ICES. Deze FMSY-bandbreedtes maken het mogelijk de betrokken bestanden op een op MSY gerichte wijze te beheren; dit lijkt een eventuele bijstelling in het licht van gewijzigd wetenschappelijk advies niet in de weg te staan, terwijl toch een hoge mate van voorspelbaarheid wordt gehandhaafd.

De in het plan opgenomen instandhoudingsreferentiepunten, uitgedrukt in ton paaibiomassa of als abundantie in aantallen, worden bepaald door de ICES, doorgaans in het kader van de benchmarkingexercitie. Als geen advies over referentiepunten voor paaibiomassa of abundantie beschikbaar is, moeten maatregelen worden genomen wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat het bestand gevaar loopt.

Met de instandhoudingsreferentiepunten zijn vrijwaringsmaatregelen en specifieke instandhoudingsmaatregelen verbonden. Als een van de bestanden in kwestie zich volgens wetenschappelijk advies onder dat punt bevindt, moet de TAC voor dat bestand worden verlaagd. Deze maatregel kan zo nodig worden aangevuld met onder meer technische maatregelen of noodmaatregelen van de Commissie of de lidstaat.

Het moet mogelijk zijn om in het kader van de regionalisering bepalingen in verband met de aanlandingsverplichting vast te stellen teneinde in het licht van voortschrijdend wetenschappelijk advies te voorzien in uitzonderingen op de aanlandingsverplichting voor soorten met een wetenschappelijk aangetoonde hoge overlevingskans, en in "de-minimisvrijstellingen".

Er worden controlebepalingen vastgesteld op het gebied van voorafgaande kennisgevingen, logboeken en aangewezen havens. Voor de vereisten inzake voorafgaande kennisgevingen en logboeken moeten de algemene voorschriften van Verordening (EG) nr. 1224/2009 worden aangepast aan de specifieke kenmerken van de Noordzee en de demersale Noordzeevisserijen. Wat aangewezen havens betreft, moeten in de meerjarenplannen op grond van Verordening (EG) nr. 1224/2009 drempels worden vastgesteld bij overschrijding waarvan vangsten uit demersale bestanden alleen mogen worden aangeland in havens met verscherpte controle.

Periodieke, op wetenschappelijke adviezen gebaseerde evaluatie van het plan: om de vijf jaar. Een dergelijke periode biedt in eerste instantie voldoende ruimte om de aanlandingsverplichting volledig ten uitvoer te leggen, om geregionaliseerde maatregelen vast te stellen en uit te voeren en om zicht te krijgen op de gevolgen voor de bestanden en de visserij. Een kortere periode zou bovendien onwerkbaar zijn voor de wetenschappelijke instanties. Onlangs kon geen wetenschappelijk advies worden uitgebracht omdat er onvoldoende gegevens en tendensen voorhanden waren voor een evaluatie over een periode van drie jaar.

2016/0238 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité 35 ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)In het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982, waarbij de Unie partij is, zijn instandhoudingsverplichtingen vastgesteld, onder meer betreffende het behoud of het herstel van populaties van geoogste soorten op een niveau dat de maximale duurzame opbrengst (MSY) kan opleveren.

(2)Tijdens de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling die in 2015 in New York heeft plaatsgevonden, hebben de Unie en haar lidstaten zich ertoe verbonden om tegen 2020 het oogsten van vis doeltreffend te reglementeren, een einde te maken aan overbevissing, aan illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij en aan destructieve visserijpraktijken, en wetenschappelijk gefundeerde beheersplannen uit te voeren teneinde de bestanden in zo kort mogelijke tijd te herstellen tot op zijn minst het niveau dat de door hun biologische kenmerken bepaalde MSY kan opleveren.

(3)Bij Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad 36 zijn de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) vastgesteld in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie. Het GVB moet bijdragen tot de bescherming van het mariene milieu, tot het duurzame beheer van alle commercieel geëxploiteerde soorten en in het bijzonder tot het bereiken, uiterlijk in 2020, van een goede milieutoestand, als vastgesteld in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad 37 .

(4)Het GVB heeft onder meer ten doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, de voorzorgsbenadering toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen.

(5)Met het oog op de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen moeten instandhoudingsmaatregelen als meerjarenplannen, technische maatregelen en vangstmogelijkheden (vaststelling en toewijzing), zo nodig met elkaar gecombineerd, worden vastgesteld.

(6)Overeenkomstig de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten meerjarenplannen gebaseerd zijn op wetenschappelijke, technische en economische adviezen en moeten ze doelstellingen, kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten en vrijwaringsmaatregelen bevatten.

(7)Bij de Verordeningen (EG) nr. 1342/2008 38 en (EG) nr. 676/2007 39 van de Raad zijn de regels voor de duurzame exploitatie van de kabeljauw-, schol- en tongbestanden in de Noordzee en daaraan grenzende wateren vastgesteld. Vis uit deze en andere demersale bestanden wordt geoogst in het kader van gemengde visserijen. Daarom dient één meerjarenplan te worden vastgesteld waarin rekening wordt gehouden met zulke technische interacties.

(8)Een dergelijk meerjarenplan moet van toepassing zijn op alle demersale bestanden en de desbetreffende visserijen in de Noordzee.

(9)Sommige demersale bestanden worden zowel in de Noordzee als in daaraan grenzende wateren geëxploiteerd (grensoverschrijdende bestanden). Daarom moet de werkingssfeer van de bepalingen in het plan die betrekking hebben op streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen voor bestanden die voornamelijk in de Noordzee worden geëxploiteerd, worden uitgebreid tot de betrokken gebieden buiten de Noordzee. Bovendien moeten voor grensoverschrijdende bestanden die voornamelijk buiten de Noordzee worden geëxploiteerd, de streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen worden vastgesteld in meerjarenplannen voor gebieden buiten de Noordzee waar deze voornamelijk worden geëxploiteerd en dient de werkingssfeer van die plannen te worden uitgebreid tot de Noordzee.

(10)Dit plan moet erop gericht zijn bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het GVB, en met name het bereiken en behouden van MSY voor de betrokken bestanden, door bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting voor demersale bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden en door bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van de ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer.

(11)Krachtens artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten de vangstmogelijkheden worden vastgesteld overeenkomstig de in de meerjarenplannen bepaalde streefdoelen.

(12)Het streefdoel voor de visserijsterfte (F) dat in overeenstemming is met de doelstelling om MSY te bereiken en te behouden, dient te worden vastgesteld in de vorm van een bandbreedte van waarden die in overeenstemming zijn met het bereiken van de maximale duurzame opbrengst (FMSY). Deze op wetenschappelijk advies gebaseerde bandbreedtes zijn noodzakelijk om op flexibele wijze te kunnen inspelen op ontwikkelingen in het wetenschappelijk advies, bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting en rekening te houden met de kenmerken van de gemengde visserijen. De FMSY-bandbreedtes zijn berekend door de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en zijn zo bepaald dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan MSY 40 . De bovengrens van de bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder Blim of Abundancelimit terechtkomt, niet meer dan 5 % bedraagt. Deze bovengrens komt ook overeen met de adviesregel van de ICES 41 , die inhoudt dat, wanneer de toestand op het gebied van paaibiomassa of abundantie slecht is, F moet worden verminderd tot een waarde die niet hoger is dan een bovengrens gelijk aan de FMSY-puntwaarde vermenigvuldigd met de paaibiomassa of de abundantie in het TAC-jaar, gedeeld door MSY Btrigger of Abundancelimit. De ICES hanteert deze overwegingen en deze adviesregel wanneer hij wetenschappelijk advies verstrekt over visserijsterfte en vangstopties.

(13)Met het oog op de vaststelling van de vangstmogelijkheden moet er een bovendrempel komen voor FMSYbrandbreedtes bij normaal gebruik en, mits het betrokken bestand als in goede staat verkerend wordt beschouwd, een bovengrens voor bepaalde gevallen. De vangstmogelijkheden mogen alleen op de bovengrens worden vastgesteld indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening in het geval van gemengde visserijen, of indien dat noodzakelijk is om schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te voorkomen of om de jaarlijkse schommelingen op het gebied van de vangstmogelijkheden te beperken.

(14)Bij gebrek aan streefdoelen in verband met MSY moet de voorzorgsbenadering worden toegepast.

(15)Voor bestanden waarvoor die beschikbaar zijn en met het oog op de toepassing van vrijwaringsmaatregelen moeten instandhoudingsreferentiepunten worden vastgesteld die in het geval van visbestanden worden uitgedrukt als triggerniveaus voor de biomassa, en in het geval van langoustines als triggerniveaus voor de abundantie.

(16)Voor functionele eenheden langoustines moeten, waar die beschikbaar zijn, de volgende triggerniveaus voor abundantie worden gebruikt: minimale abundantie (Abundancebuffer) die overeenstemt met het Bbuffer -referentiepunt als gedefinieerd door de adviesraad voor de Noordzee in het langetermijnbeheersplan voor NoordzeeNephrops 42 , en grensabundantie (Abundancelimit) die overeenstemt met MSY Btrigger voor abundantie (gelijkwaardig aan Blim) als gedefinieerd door de ICES7.

(17)Wanneer de bestandsomvang tot onder die niveaus daalt, moeten passende vrijwaringsmaatregelen worden overwogen. Vrijwaringsmaatregelen moeten onder meer inhouden dat de vangstmogelijkheden worden gereduceerd en dat er specifieke instandhoudingsmaatregelen worden genomen wanneer luidens wetenschappelijk advies herstelmaatregelen vereist zijn. Deze maatregelen moeten worden aangevuld met alle andere passend geachte maatregelen, zoals maatregelen van de Commissie overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 of maatregelen van de lidstaten overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(18)Om te waarborgen dat de toegewezen TAC's voor alle bestanden in gemengde visserijen niet worden overschreden, moeten bepaalde aanvullende maatregelen worden vastgesteld.

(19)De TAC voor langoustine in de ICESzones IIa en IV dient te worden vastgesteld als de som van de vangstbeperkingen voor elke functionele eenheid en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden in dat TACgebied. Dit sluit het vaststellen van maatregelen ter bescherming van specifieke functionele eenheden evenwel niet uit.

(20)Met het oog op de naleving van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting dient het plan te voorzien in aanvullende beheersmaatregelen.

(21)Voor de indiening van gemeenschappelijke aanbevelingen van lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer moet een uiterste termijn worden vastgesteld, zoals voorgeschreven bij Verordening (EU) nr. 1380/2013. 

(22)Met het oog op de handhaving van de in deze verordening vervatte maatregelen dienen specifieke controlemaatregelen te worden aangenomen naast die waarin Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad 43 voorziet.

(23)Omdat de Noordzee een gebied is waar een groot aantal kleine vaartuigen korte visreizen maken, moet het krachtens artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 voorgeschreven gebruik van de voorafgaande kennisgeving worden uitgebreid tot alle vaartuigen met een lengte over alles van acht meter of meer, en moet de voorafgaande kennisgeving ten minste één uur vóór het geraamde tijdstip van aankomst in de haven worden gedaan. Rekening houdend met het effect dat visreizen waarmee zeer kleine hoeveelheden vis zijn gemoeid, hebben op de betrokken bestanden, en rekening houdend met de administratieve last die gepaard gaat met de desbetreffende voorafgaande kennisgevingen, is het passend een drempelwaarde voor dergelijke voorafgaande kennisgevingen vast te stellen.

(24)Evenzo moet het gebruik van het visserijlogboek zoals voorgeschreven in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1224/2009, worden uitgebreid tot vaartuigen met een lengte over alles van acht meter of meer.

(25)Vastgesteld moet worden boven welke drempelwaarde een vissersvaartuig zijn vangsten uit demersale bestanden overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 in een aangewezen haven of op een plaats dicht bij de kust moet aanlanden. Bovendien moeten de lidstaten bij de aanwijzing van die havens of plaatsen dicht bij de kust de criteria van artikel 43, lid 5, van die verordening op zodanige wijze toepassen dat een doeltreffende controle op de onder deze verordening vallende bestanden gewaarborgd is.

(26)Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten bepalingen worden vastgesteld inzake de periodiciteit waarmee de Commissie de toereikendheid en doeltreffendheid van de toepassing van deze verordening dient te evalueren. Voorafgaand aan deze evaluatie moet het plan op basis van wetenschappelijk advies periodiek worden geëvalueerd: die laatstbedoelde evaluatie dient om de vijf jaar plaats te vinden. Een dergelijke periode biedt voldoende ruimte om de aanlandingsverplichting volledig ten uitvoer te leggen, om geregionaliseerde maatregelen vast te stellen en uit te voeren en om zicht te krijgen op de gevolgen voor de bestanden en de visserij. Het is tevens de tijd die de wetenschappelijke instanties op zijn minst nodig hebben.

(27)Met het oog op een tijdige en evenredige aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, om flexibiliteit te waarborgen en om de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, dient de Commissie overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te worden gemachtigd om in aanvulling op deze verordening handelingen vast te stellen met betrekking tot herstelmaatregelen en de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Om een gelijke betrokkenheid bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen te waarborgen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die de gedelegeerde handelingen voorbereiden.

(28)De Verordeningen (EG) nr. 1342/2008 en (EG) nr. 676/2007 van de Raad dienen te worden ingetrokken.

(29)Overeenkomstig artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 zijn vóór het opstellen van het plan de verwachte economische en sociale effecten ervan naar behoren geëvalueerd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I
ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1. Bij deze verordening wordt een meerjarenplan (hierna "het plan") vastgesteld voor de demersale bestanden in wateren van de Unie van de ICESzones IIa, IIIa en IV (hierna "de Noordzee") en de visserijen die deze bestanden exploiteren.

2. Onverminderd lid 1 zijn de artikelen 4, 5, 6 en 8 van toepassing op de bestandsgebieden voor de bestandsgroepen 1 tot en met 4 als gedefinieerd in artikel 2.

Artikel 2 

Definities

Met het oog op de toepassing van deze verordening gelden naast de definities die zijn vastgesteld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad, artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en artikel 3 van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad, de volgende definities:

(1) "demersale bestanden": de rondvis en platvisssoorten en langoustines die op of in de nabijheid van de bodem van de waterkolom leven;

(2) "groep 1": de volgende demersale bestanden waarvoor in dit plan FMSY-bandbreedtes en vrijwaringsmaatregelen inzake biomassa zijn vastgesteld:

a)kabeljauw (Gadus morhua) in deelgebied IV en de sectoren VIId en IIIa West (Noordzee, oostelijk deel van het Kanaal, Skagerrak) (hierna "Noordzeekabeljauw");

b)schelvis (Melanogrammus aeglefinus) in deelgebied IV en de sectoren VIa en IIIa West (Noordzee, gebied ten westen van Schotland, Skagerrak) (hierna "schelvis");

c)schol (Pleuronectes platessa) in deelgebied IV (Noordzee) en sector IIIa (Skagerrak) (hierna "Noordzeeschol");

d)zwarte koolvis (Pollachius virens) in de deelgebieden IV en VI en sector IIIa (Noordzee, Rockall en gebied ten westen van Schotland, Skagerrak en Kattegat) (hierna "zwarte koolvis");

e)tong (Solea solea) in deelgebied IV (Noordzee) (hierna "Noordzeetong");

f)tong (Solea solea) in sector IIIa en de subsectoren 22–24 (Skagerrak en Kattegat, westelijk deel van de Oostzee) (hierna "Kattegattong");

g)wijting (Merlangius merlangus) in deelgebied IV en sector VIId (Noordzee, oostelijk deel van het Kanaal) (hierna "Noordzeewijting");

(3)    "groep 2": de volgende functionele eenheden (FU) langoustine (Nephrops norvegicus) waarvoor in dit plan streefdoelen zijn bepaald als FMSY-bandbreedtes en vrijwaringsmaatregelen inzake abundantie:

i)Nephrops in sector IIIa (FU 3-4); 

ii)Nephrops in deelgebied IV (Noordzee) per FU:

-Nephrops in Farn Deeps (FU 6);

-Nephrops in Fladen Ground (FU 7);

-Nephrops in Firth of Forth (FU 8);

-Nephrops in Moray Firth (FU 9);

(4)"groep 3": demersale bestanden die in de Noordzee onder vangstbeperkingen vallen en die niet behoren tot groep 1;

(5)"groep 4": functionele eenheden en statistische rechthoeken langoustine (Nephrops norvegicus) buiten de functionele eenheden in ICESzone IIa en deelgebied IV die onder vangstbeperkingen vallen en die niet behoren tot groep 2;

(6)"groep 5": demersale bestanden die in de Noordzee niet onder vangstbeperkingen vallen.

(7)"groep 6": verboden soorten, die niet mogen worden bevist en die als dusdanig worden omschreven in een rechtshandeling van de Unie op het gebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid in de Noordzee;

(8)"groep 7": demersale bestanden waarvoor in andere wetgeving van de Unie dan deze verordening FMSY-bandbreedtes en vrijwaringsmaatregelen inzake biomassa zijn vastgesteld;  

(9)"totale toegestane vangst" (TAC): de hoeveelheid van elk bestand die in een jaar mag worden gevangen;

(10)"MSY Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn MSY kan opleveren.

HOOFDSTUK II
DOELSTELLINGEN

Artikel 3

Doelstellingen

1. Het plan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met name door middel van de toepassing van de voorzorgsbenadering bij het visserijbeheer, en beoogt ervoor te zorgen dat de levende mariene biologische rijkdommen zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de geoogste soorten worden hersteld en gehandhaafd boven een niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.

2. Het plan draagt bij tot het uitbannen van teruggooi door ongewenste vangsten zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken, alsook tot de tenuitvoerlegging van de bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de onder deze verordening vallende bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden.

3. Het plan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer teneinde ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het is in overeenstemming met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG vastgestelde doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken.

4. Het plan heeft met name ten doel:

a)ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de in beschrijvend element 3 van bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG beschreven voorwaarden, en

b)bij te dragen tot de vervulling van de beschrijvende elementen in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG, in verhouding tot de rol die visserijen voor de vervulling ervan spelen.

HOOFDSTUK III
STREEFDOELEN

Artikel 4

Streefdoelen voor de groepen 1 en 2

1. De visserijsterfte voor de bestanden van de groepen 1 en 2 bereikt het streefdoel zo spoedig mogelijk en, op basis van een geleidelijke toename, uiterlijk in 2020 en wordt van dan af gehandhaafd binnen de in bijlage I vermelde bandbreedtes.

2. Conform artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 zijn de vangstmogelijkheden in overeenstemming met de streefbandbreedtes voor de visserijsterfte die zijn opgenomen in kolom A van bijlage I bij de onderhavige verordening.

3. Onverminderd de leden 1 en 2 kunnen de vangstmogelijkheden worden vastgesteld op niveaus die overeenkomen met lagere visserijsterfteniveaus dan die welke in kolom A van bijlage I zijn opgenomen.

4. Onverminderd de leden 2 en 3 kunnen de vangstmogelijkheden voor een bestand worden vastgesteld in overeenstemming met de bandbreedtes voor de visserijsterfte als opgenomen in kolom B van bijlage I, mits het betrokken bestand zich bevindt boven het in kolom A van bijlage II opgenomen referentiepunt voor minimale paaibiomassa:

a)indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserijen;

b)indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is om ernstige schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te beperken, of

c)om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken.

Artikel 5

Streefdoelen voor de groepen 3 en 4

1. De vangstmogelijkheden voor de bestanden van de groepen 3 en 4 zijn in overeenstemming met wetenschappelijk advies over de maximale duurzame opbrengst.

2. Bij gebrek aan wetenschappelijk advies over een visserijsterfte die in overeenstemming is met de maximale duurzame opbrengst, zijn de vangstmogelijkheden in overeenstemming met wetenschappelijk advies ter waarborging van de duurzaamheid van de bestanden overeenkomstig de voorzorgsbenadering.

Artikel 6

Streefdoelen voor groep 5

De bestanden van groep 5 worden beheerd op basis van de voorzorgsbenadering overeenkomstig wetenschappelijk advies.

HOOFDSTUK IV
VRIJWARINGSMAATREGELEN

Artikel 7

Instandhoudingsreferentiepunten voor de groepen 1 en 2

De instandhoudingsreferentiepunten om de volledige reproductiecapaciteit van de betrokken bestanden niet aan te tasten, zijn opgenomen in bijlage II:

a)    de minimale paaibiomassa (MSY Btrigger) voor visbestanden;

b)    de grenspaaibiomassa (Blim) voor visbestanden;

c)    de minimale abundantie (Abundancebuffer) voor langoustine;

d)    de grensabundantie (Abundancelimit) voor langoustine.

Artikel 8

Vrijwaringsmaatregelen voor de groepen 1 en 2

1. Wanneer wetenschappelijk advies erop wijst dat de paaibiomassa van een bestand van groep 1 voor een bepaald jaar lager is dan MSY Btrigger of dat de abundantie van een functionele eenheid in groep 2 lager is dan Abundancebuffer als opgenomen in kolom A van bijlage II, worden alle passende herstelmaatregelen vastgesteld om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel terugkeert boven het niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. In het bijzonder worden, in afwijking van artikel 4, lid 2, de vangstmogelijkheden vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die is teruggebracht op een waarde onder de in kolom A van bijlage I opgenomen bandbreedte, rekening houdend met de afname van de biomassa of de abundantie.

2. Wanneer wetenschappelijk advies erop wijst dat de paaibiomassa van een betrokken bestand lager is dan Blim of dat de abundantie van een functionele eenheid langoustine lager is dan Abundancelimit als opgenomen in kolom B van bijlage II, worden aanvullende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel terugkeert boven het niveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. In het bijzonder houden deze herstelmaatregelen, in afwijking van artikel 4, leden 2 en 4, in dat de gerichte visserij op het betrokken bestand wordt opgeschort en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.

Artikel 9

Specifieke instandhoudingsmaatregelen voor de groepen 3 tot en met 7

Wanneer luidens wetenschappelijk advies herstelmaatregelen nodig zijn voor de instandhouding van een demersaal bestand van de groepen 3 tot en met 7 of wanneer de paaibiomassa van een bestand van groep 1 of de abundantie van een functionele eenheid van groep 2 voor een bepaald jaar lager is dan de in kolom A van bijlage II bij de onderhavige verordening opgenomen instandhoudingsreferentiepunten, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 18 van de onderhavige verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a)de kenmerken van het vistuig, met name de maaswijdte, de haakgrootte, de constructie van het vistuig, de twijndikte en de afmetingen van het vistuig of het gebruik van voorzieningen voor selectiviteit, om de selectiviteit te waarborgen of te verbeteren;

b)het gebruik van het vistuig, met name de onderwatertijd en de diepte waarop het vistuig wordt ingezet, om de selectiviteit te waarborgen of te verbeteren;

c)een verbod op of beperking van het vissen in specifieke gebieden, om paaiende en jonge vis of vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of andere soorten dan de doelvissoorten te beschermen;

d)een verbod op of beperking van het vissen of het gebruik van bepaalde soorten vistuig gedurende specifieke perioden, om paaiende vis of vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of andere soorten dan de doelvissoorten te beschermen;

e)minimuminstandhoudingsreferentiegrootten, om jonge exemplaren van mariene organismen te beschermen;

f)andere kenmerken gerelateerd aan selectiviteit.

Artikel 10

Totale toegestane vangsten

1. De lidstaten zien erop toe dat de soortensamenstelling van de quota waarover vissersvaartuigen die actief zijn in gemengde visserijen beschikken, in overeenstemming is met de samenstelling van de waarschijnlijke vangst van die vaartuigen.

2. Onverminderd artikel 8 is de TAC voor het langoustinebestand in de ICESzones IIa en IV de som van de vangstbeperkingen voor de functionele eenheden en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden.

HOOFDSTUK V
BEPALINGEN IN VERBAND MET DE AANLANDINGSVERPLICHTING

Artikel 11

Bepalingen in verband met de aanlandingsverplichting voor de groepen 1 tot en met 7

De Commissie is bevoegd om voor demersale bestanden van de groepen 1 tot en met 7 overeenkomstig artikel 18 van de onderhavige verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a)vrijstellingen van de toepassing van de aanlandingsverplichting voor soorten met een wetenschappelijk aangetoonde hoge overlevingskans, rekening houdend met de kenmerken van het vistuig, van de visserijpraktijken en van het ecosysteem, om de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting te faciliteren, en

b)de-minimisvrijstellingen, om de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting te faciliteren; die de-minimisvrijstellingen worden verleend voor in artikel 15, lid 5, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde gevallen, overeenkomstig de voorwaarden van dat artikel;

c)specifieke bepalingen betreffende het documenteren van vangsten, in het bijzonder met het oog op het toezicht op de tenuitvoerlegging van de aanlandingsverplichting, en

d)het vaststellen van minimuminstandhoudingsreferentiegrootten, om jonge exemplaren van mariene organismen te beschermen.

HOOFDSTUK VI
REGIONALISERING

Artikel 12

Regionale samenwerking

1. Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in de artikelen 8 en 10 van de onderhavige verordening genoemde maatregelen.

2. Voor de toepassing van lid 1 van het onderhavige artikel kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer gemeenschappelijke aanbevelingen indienen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor de eerste keer niet later dan twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 17. De lidstaten kunnen dergelijke aanbevelingen ook indienen wanneer zij dat noodzakelijk achten, met name wanneer de toestand van een van de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, plotseling verandert. Gemeenschappelijke aanbevelingen inzake maatregelen betreffende een bepaald kalenderjaar worden uiterlijk op 1 juli van het voorgaande jaar ingediend.

3. De bij de artikelen 9 en 11 van de onderhavige verordening toegekende bevoegdheden laten de bevoegdheden die krachtens andere bepalingen van het Unierecht, onder andere bij Verordening (EU) nr. 1380/2013, aan de Commissie zijn verleend, onverlet.

HOOFDSTUK VII
CONTROLEMAATREGELEN

Artikel 13

Verhouding tot Verordening (EG) nr. 1224/2009

Voor demersale bestanden van de groepen 1 tot en met 7 zijn de in dit hoofdstuk vastgestelde controlemaatregelen van toepassing ter aanvulling van die van Verordening (EG) nr. 1224/2009, tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald.

Artikel 14

Voorafgaande kennisgevingen

1. In afwijking van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 wordt de in dat artikel bedoelde voorafgaande kennisgeving ten minste een uur vóór het geplande tijdstip van aankomst in de haven gedaan. De bevoegde autoriteiten van de kustlidstaten kunnen per geval toestemming geven om de haven op een vroeger tijdstip binnen te varen.

2. In aanvulling op de in artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgestelde verplichting tot voorafgaande kennisgeving stellen kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van acht tot twaalf meter de bevoegde autoriteiten van de kustlidstaat ten minste een uur vóór het geplande tijdstip van aankomst in de haven in kennis van de in artikel 17, lid 1, onder a) to en met f), van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedoelde gegevens wanneer zij op zijn minst een van de volgende hoeveelheden vis aan boord hebben:

a)groep 1: 1000 kg; en/of

b)groepen 2 en 4: 500 kg; en/of

c)groep 3: 1000 kg; en/of

d)groep 7: 1000 kg.

Artikel 15 
Logboekvoorschriften voor de groepen 1 tot en met 7

In afwijking van artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 houden de kapiteins van op demersale bestanden vissende vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van acht meter of meer overeenkomstig artikel 14 van die verordening een logboek van hun activiteiten bij.

Artikel 16

Aangewezen havens voor de groepen 1, 2, 3, 4 en 7

De in levend gewicht uitgedrukte drempel voor de onder het meerjarenplan vallende soorten, bij overschrijding waarvan een vissersvaartuig zijn vangsten overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 in een aangewezen haven of op een plaats dicht bij de kust moet aanlanden, bedraagt:

a)groep 1: 2 ton;

b)groepen 2 en 4: 1 ton;

c)groep 3: 2 ton;

d)groep 7: 2 ton.

HOOFDSTUK VIII
FOLLOW-UP

Artikel 17

Evaluatie van het plan

Uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en daarna om de vijf jaar ziet de Commissie erop toe dat een evaluatie plaatsvindt van de gevolgen van het plan voor de onder deze verordening vallende bestanden en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren. Zij legt de resultaten van deze evaluatie over aan het Europees Parlement en de Raad.

HOOFDSTUK IX
PROCEDURELE BEPALINGEN

Artikel 18

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2. De in de artikelen 9 en 11 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. Uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar stelt de Commissie een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 9 en 11 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn vastgesteld in het interinstitutioneel akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven 44 .

5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6. Een overeenkomstig de artikelen 9 en 11 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van die termijn hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

HOOFDSTUK X
SLOTBEPALINGEN

Artikel 19

Intrekkingen

1. De Verordeningen (EG) nr. 1342/2008 en (EG) nr. 676/2007 worden ingetrokken.

2. Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 20

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement    Voor de Raad

De voorzitter    De voorzitter

(1)

   PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.

(2)

   PB L 348 van 24.12.2008, blz. 20.

(3)

   PB L 157 van 19.6.2007, blz. 1.

(4) xxx
(5)

    Evaluation of multi-annual plans for cod in Irish Sea, Kattegat, North Sea, and West of Scotland (STECF-11-07) .

(6) Report on Evaluation/scoping of management plans: Evaluation of the multi-annual management plan for the North Sea stocks of plaice and sole (STECF-14-03).
(7)

   PB L 125 van 27.4.1998, blz. 1.

(8) COM(2016) 134 final - 2016/074 (COD).
(9)

   PB L 22 van 28.1.2016, blz. 1.

(10) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(11) http://www.nsrac.org
(12) http://ec.europa.eu/fisheries/documentation/publications/cfp_factsheets/racs_en.pdf  
(13) Het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan is (als andere zeegebieden) opgesplitst in statistische rechthoeken. De ICES combineert deze rechthoeken op verschillende manieren tot gebieden, deelgebieden, sectoren en subsectoren. Voor het omschrijven van de visbestanden in het ICESgebied wordt gebruikgemaakt van verschillende combinaties van deze ICES"zones".
(14) Scoping workshop on mixed fisheries management for the North Sea, Brussel, 27.2.2014. Overview. Ref.Ares (2015) 2301118-02/06/2015.
(15) 2nd Scoping workshop: mixed fisheries management for North Sea demersal stocks. Overview of the discussions. Ref.Ares (2015) 2300556-02/06/2015.
(16) http://ec.europa.eu/dgs/maritimeaffairs_fisheries/consultations/north-sea-multiannual/index_en.htm
(17) Besluit 2005/629/EG van de Commissie van 26 augustus 2005 tot instelling van een Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij.  
(18) http://www.ices.dk/explore-us/what-we-do/Pages/default.aspx
(19) Economic and social impacts of multi-annual management plans for North Sea plaice and sole, Final Report Fish/2006/09
(20) Report of the Sub Group on Management Objectives and Strategies (SGMOS 10-06). Part b) Impact assessment of North Sea plaice and sole multi-annual plan.
(21) Report on Scoping for Impact Assessments for Baltic cod and Evaluation of Cod in Kattegat, North Sea, West of Scotland and Irish Sea (STECF-11-02).
(22) http://www.europarl.europa.eu/meetdocs/2009_2014/documents/pech/dv/taskfor/taskforce.pdf
(23) Report on Evaluation/scoping of management plans: Evaluation of the multi-annual management plan for the North Sea stocks of plaice and sole (STECF-14-03).
(24) http://ec.europa.eu/fisheries/reform/impact_assessments_en.htm
(25) 45th Plenary Meeting Report of the Scientific, Technical and Economic Committee for Fisheries (PLEN-14-01).
(26) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2015/540360/IPOL_STU(2015)540360_EN.pdf
(27) http://ec.europa.eu/fisheries/documentation/studies/socio_economic_dimension/index_en.htm
(28) http://www.socioec.eu/images/SOCIOEC/Media_Centre/Deliverables/SOCIOEC%20Deliverable%  206%208%20Management%20Measures%20North%20Sea%2026%2003%202012.pdf
(29) MRAG et al. (2014) . A study in support of the development of a new Technical conservation measures framework within a reformed CFP. Lot 2: retrospective and prospective evaluation on the Common fisheries policy, excluding its international Dimension. Brussels. 265 blz.
(30) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/etudes/join/2014/529053/IPOL-PECH_ET(2014)529053_EN.pdf
(31) http://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/830996/2014-11_STECF+14-19+-+Landing+Obligations+-+part+4_JRC93045.pdf
(32) http://stecf.jrc.ec.europa.eu/documents/43805/364146/2012-07_STECF+12-14+-+Management+plans+II+-+area+definitions_JRC73150.pdf
(33) http://www.myfishproject.eu/project-myfish/deliverables
(34)

    Poseidon Aquatic Resource Management Lot 2 Study. Administrative experience with effort management concerning the NE Atlantic (December 2010) .

(35)

   PB C […] van […], blz. […].

(36) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(37) Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
(38) Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2004 (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 20).
(39) Verordening (EG) nr. 676/2007 van de Raad van 11 juni 2007 tot vaststelling van een beheersplan voor de bevissing van de schol- en tongbestanden in de Noordzee (PB L 157 van 19.6.2007, blz. 1).
(40)

    Verzoek van de EU aan de ICES om FMSYbrandbreedtes te verstrekken voor bepaalde Noordzee en Oostzeebestanden.

(41) General context of ICES advice, juli 2015.
(42) A Long Term Management Plan for North Sea Nephrops
(43) Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(44) Interinstitutioneel akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven.
Top

Brussel, 3.8.2016

COM(2016) 493 final

BIJLAGEN

[…]

bij

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad

{SWD(2016) 267 final}
{SWD(2016) 272 final}


BIJLAGEN

[…]

bij

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad

BIJLAGE I

Streefdoel voor de visserijsterfte

(als bedoeld in artikel 4)

1. Groep 1

Bestand

Streefbandbreedte voor de visserijsterfte die consistent is met het bereiken van de maximale duurzame opbrengst (FMSY)

Kolom A

Kolom B

Noordzeekabeljauw

0,22 – 0,33

0,33 – 0,49

Schelvis

0,25 – 0,37

0,37 – 0,52

Noordzeeschol

0,13 – 0,19

0,19 – 0,27

Zwarte koolvis

0,20 – 0,32

0,32 – 0,43

Noordzeetong

0,11 – 0,20

0,20 – 0,37

Kattegattong

0,19 – 0,22

0,22 – 0,26

Noordzeewijting

Niet gedefinieerd

Niet gedefinieerd

2. Groep 2

Functionele eenheid langoustine (FU)

Streefbandbreedte voor de visserijsterfte die consistent is met het bereiken van de maximale duurzame opbrengst (FMSY) (als vangstniveau)

Kolom A

Kolom B

Sector IIIa FU 3 en 4

0,056 – 0,079

0,079 – 0,079

Farn Deeps FU 6

0,07 – 0,081

0,081 – 0,081

Fladen Ground FU 7

0,066 – 0,075

0,075 – 0,075

Firth of Forth FU 8

0,106 – 0,163

0,163 – 0,163

Moray Firth FU 9

0,091 – 0,118

0,118 – 0,118

BIJLAGE II

Instandhoudingsreferentiepunten

(als bedoeld in artikel 7)

1. Groep 1

Bestand

Referentiepunt voor de minimale paaibiomassa (MSY Btrigger)

Referentiepunt voor de grensbiomassa (ton) (Blim)

Noordzeekabeljauw

165 000

118 000

Schelvis

88 000

63 000

Noordzeeschol

230 000

160 000

Zwarte koolvis

200 000

106 000

Noordzeetong

37 000

26 300

Kattegattong

2 600

1 850

Noordzeewijting

Niet gedefinieerd

Niet gedefinieerd

2. Groep 2

Functionele eenheid langoustine

Referentiepunt voor de minimale abundantie (miljoen) (Abundancebuffer)

Referentiepunt voor de grensabundantie (miljoen) (Abundancelimit)

Sector IIIa FU 3 en 4

n.v.t.

n.v.t.

Farn Deeps FU 6

999

858

Fladen Ground FU 7

3583

2767

Firth of Forth FU 8

362

292

Moray Firth FU 9

262

262

Top