EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52016IE0713

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de vorming van een coalitie van het maatschappelijk middenveld en subnationale overheden om de toezeggingen in de Overeenkomst van Parijs na te komen (initiatiefadvies)

OJ C 389, 21.10.2016, p. 20–27 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

21.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 389/20


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de vorming van een coalitie van het maatschappelijk middenveld en subnationale overheden om de toezeggingen in de Overeenkomst van Parijs na te komen

(initiatiefadvies)

(2016/C 389/03)

Rapporteur:

Lutz RIBBE

Corapporteur:

Isabel CAÑO AGUILAR

Op 21 januari 2016 heeft het Europees Economisch en Sociaal Comité besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over het onderwerp:

Vorming van een coalitie van het maatschappelijk middenveld en subnationale overheden om de toezeggingen in de Overeenkomst van Parijs na te komen

(initiatiefadvies).

De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 30 juni 2016 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 13 en 14 juli 2016 gehouden 518e zitting (vergadering van 14 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 183 stemmen vóór, bij 1 onthouding, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Het EESC is ingenomen met de besluiten van de COP 21 van Parijs, en beschouwt deze als een belangrijk keerpunt voor daadwerkelijke bestrijding van de klimaatverandering.

1.2.

Maar er zijn twee grote problemen: Enerzijds sluiten de ingediende doelstellingen voor de vermindering van de uitstoot van de lidstaten (INDC’s) niet aan op de resultaten van Parijs. Anderzijds wordt het belang van het maatschappelijk middenveld niet op zijn waarde geschat, ondanks enige vooruitgang.

1.3.

Maatschappelijke actoren worden momenteel geconfronteerd met aanzienlijke belemmeringen bij de opzet en uitvoering van maatregelen ter bestrijding van de klimaatverandering. Oorzaak is vooral dat de politiek niet inziet hoeveel het maatschappelijk middenveld kan doen om het klimaat te beschermen. Tot nu toe heeft de politiek te weinig belangstelling voor de strategieën van het maatschappelijk middenveld om het klimaat te beschermen, voor hun behoeften en de benodigde ondersteuning. Deels wordt maatschappelijke bescherming van het klimaat systematisch verhinderd door regelgevingseisen.

1.4.

Het gevolg is maar al te vaak dat maatschappelijke actoren geen operationeel kader hebben waarmee ze hun plannen voor „klimaatbescherming van onderop” kunnen uitvoeren. Dit komt ook doordat ze hun projecten niet kunnen financieren, hoewel er eigenlijk genoeg investeringsmiddelen beschikbaar zouden moeten zijn.

1.5.

In directe reactie op de besluiten van Parijs stelt het EESC daarom een coalitie voor van politiek, bestuur en maatschappelijke organisaties. Deze coalitie moet de belemmeringen voor maatschappelijke bescherming van het klimaat zoveel mogelijk terugdringen, doordat zij:

klimaatbescherming van onderaf promoot en het beginsel „think globally — act locally” nieuw leven inblaast;

rekening houdend met de vele en uiteenlopende maatschappelijke actoren het brede scala aan mogelijke maatschappelijke strategieën voor klimaatbescherming in kaart brengt;

aan multilevel governance werkt die maatschappelijke klimaatbescherming vereenvoudigt in plaats van verhindert.

1.6.

De acties van de coalitie moeten op de verschillende beleidsniveaus beginnen. In feite gaat het erom de volgende vijf taken uit te voeren:

1.

ontwikkeling van het besef welke strategieën voor klimaatbescherming maatschappelijke actoren willen, kunnen, zouden kunnen of zouden moeten en mogen uitvoeren, en wel vooral op lokaal en regionaal niveau;

2.

in kaart brengen en opheffen van structurele belemmeringen;

3.

verspreiding van geslaagde voorbeelden in heel Europa;

4.

aanduiding van voorwaarden en factoren voor succes, met name op nationaal niveau;

5.

uitwerking van een beleidskader voor de succesvolle uitvoering van klimaatbescherming door het middenveld op alle niveaus.

1.7.

De uitvoering van deze vijf taken vergt een gestructureerde maar open dialoog binnen de coalitie, die in deze zin een discussieforum moet vormen. Het is dan ook belangrijk dat de deelnemers een afspiegeling moeten zijn van de verscheidenheid van de samenleving en een cultuur van openheid, creativiteit en samenwerking ontwikkelen. Het forum moet ervoor zorgen dat het uit te werken beleidskader maatschappelijke klimaatbescherming daadwerkelijk ondersteunt.

1.8.

Voor de uitvoering van de taken heeft de coalitie behoefte aan administratieve ondersteuning met behulp waarvan

zoveel mogelijk middenveldactoren betrokken worden;

systematisch onderzoek naar en analyses van al dan niet geslaagde geplande en reeds uitgevoerde acties voor klimaatbescherming door het middenveld kunnen plaatsvinden, op basis waarvan voor die actoren hun specifieke maatregelen beschreven kunnen worden, en

een voor heel Europa bestemde verspreiding van deze prototypische maatregelen kan worden opgezet en uitgevoerd.

1.9.

De coalitie van politiek en maatschappelijk middenveld moet ook het volgende, door het EESC onderschreven doel bereiken: arbeid moet rechtvaardig naar duurzaamheid evolueren, met structurele deelname van vakbonden en werknemersorganisaties.

2.   Achtergrond van het advies

2.1.

De resultaten van de COP 21 zijn een belangrijk keerpunt in de onderhandelingen over klimaatbescherming, want het is de eerste internationaal bindende overeenkomst waarbij alle verdragsstaten toezeggen de als bedreigend erkende klimaatverandering actief aan te pakken.

2.2.

De wereldgemeenschap heeft de verplichting op zich genomen om de opwarming van de aarde tot maximaal 2 graden — indien mogelijk zelfs tot 1,5 graad — Celsius te beperken.

2.3.

De overeenkomst bevat nog een belangrijk, concreet streefdoel, te weten: de wereld in de tweede helft van de eeuw broeikasgasneutraal te maken.

2.4.

Het EESC is ingenomen met deze resultaten (1), maar ontwaart ook twee grote problemen:

2.4.1.

Ten eerste stroken de door de lidstaten ingediende nationale bijdragen voor de reductie (INDC) niet met het resultaat van de COP: de uitvoering hiervan zou de opwarming van de aarde niet tot 2 graden Celsius beperken, maar met 2,5, en eventueel zelfs met meer dan 3 graden Celsius laten stijgen.

2.4.2.

Ten tweede wordt het belang van het maatschappelijk middenveld niet voldoende ingezien. In het verleden is weliswaar enige vooruitgang geboekt wat betreft transparantie en medewerking, maar de eigenlijke rol van het maatschappelijk middenveld in het klimaatbeleid wordt nog onvoldoende beseft: niet de onderhandelaars van de COP, maar de maatschappelijke organisaties moeten de resultaten van Parijs uitvoeren en handen en voeten geven.

2.5.

Een strategie die het maatschappelijk middenveld benut als strategische partner voor de uitvoering van de COP-besluiten, ontbreekt of is niet te bespeuren. Dit geldt ook voor de Europese Unie, waarvan het klimaatbeleid derhalve samen met de „klimaatdiplomatie” een tweede pijler dient te krijgen. Deze moet ervoor zorgen het belang en de rol van het maatschappelijk middenveld te begrijpen, uit te breiden en het de vele maatschappelijke actoren gemakkelijker te maken om strategieën voor klimaatbescherming in hun sector te formuleren en uit te voeren.

„Bottom-up”-acties voor een succesvolle klimaatbescherming

2.6.

Klimaatbeleid kan en mag dus niet alleen „van bovenaf” worden opgelegd, maar zal alleen succesvol zijn als het kan rekenen op een breed draagvlak en actieve participatie van de meeste bedrijven, lokale en regionale overheden en burgers. Het wordt dus in eerste instantie „van onderaf” uitgevoerd, of het zal mislukken.

2.7.

Inderdaad zijn in het verleden in het duurzaamheids- en klimaatbeleid belangrijke successen geboekt omdat vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld — en „eenvoudige” burgers in hun rol van staatsburger horen daar nadrukkelijk bij — niet alleen op politieke doelstellingen reageerden of zich als „instrument voor uitvoering” zagen. Uitgerekend zij hebben veeleer een rol als pioniers van verandering vervuld en zijn actief opgetreden en hebben zo, binnen de hun gegeven mogelijkheden, essentiële successen behaald en politieke druk uitgeoefend. Dit geldt zowel op het gebied van technologie als van economie, maar vooral in integraal maatschappelijk opzicht (acceptatie van en omgang met deze technologieën, maar in het bijzonder bij het populariseren van de verandering, dus bij het sociale leren en bij het „learning from community”).

2.8.

Terwijl bijvoorbeeld de mede voor de klimaatverandering verantwoordelijke energieproductie en het energiebeleid meestal op eindige energiebronnen en grote, centrale structuren met enkele spelers waren gericht en het maatschappelijk middenveld vaak slechts als „consument” optrad, zal in de toekomst klimaatvriendelijk optreden veel decentraler plaatsvinden en de inzet van iedereen veronderstellen. Het lijdt geen twijfel dat de bereidheid daartoe aanwezig is; deze moet consequent worden gebruikt en bevorderd.

2.9.

In de nu al waar te nemen acties van het maatschappelijk middenveld gaat een enorm potentieel voor innovatie schuil, wat blijkt uit de ideeën, acties en het optreden van steden en gemeenten, lokale en regionale overheden, grote ondernemingen en vakbonden, alsook van particulieren (burgers, boeren, coöperaties, mkb’s enz.).

2.10.

Deze acties staan tegenwoordig heel vaak los van organisaties en hebben een concrete projectbasis. Juist daarom is er sprake van een bijzondere maatschappelijke dynamiek. Maar de keerzijde is: als zulke initiatieven mislukken, moeten actoren volledig voor de gevolgen opdraaien. En dan gaat het niet alleen om financiële risico’s. Die acties vereisen immers behalve geld ook motivatie en betrokkenheid; ze vergen tijd. Het moet dus de „moeite waard zijn” (en niet alleen in economische zin) en het risico van mislukking moet te overzien zijn. In dit verband dienen de Europese en nationale politiek een zo breed en open mogelijk kader voor dat handelen te scheppen.

De maatschappelijke bereidheid tot actie stuit op hindernissen die uit de weg moeten worden geruimd:

2.11.

In de Europese Unie zijn er weliswaar tal van geslaagde voorbeelden die aantonen hoe belangrijk en effectief de inzet van maatschappelijke actoren voor klimaatbescherming is, maar deze voorbeelden worden nergens systematisch geregistreerd en geëvalueerd. Er vindt geen debat plaats over wat er politiek uit deze vele verschillende initiatieven kan worden geleerd, welke belemmeringen moeten worden weggenomen om ze nog succesvoller te maken en om ze te vermenigvuldigen, of waarom deze mislukken.

2.12.

Bovendien zijn er geen solide stimulerende regelingen die herfinanciering van het ingezette kapitaal mogelijk maken. Noch zijn er mechanismen waarvan het gewenste signaal uitgaat naar andere dan overheidsactoren buiten de grote industriële ondernemingen. Veeleer valt momenteel zelfs een tegenovergestelde trend te bespeuren: de uitvoering van relevante initiatieven wordt door verkeerde politieke richtsnoeren vaak extra bemoeilijkt of zelfs onmogelijk gemaakt. In veel gevallen kunnen maatschappelijke actoren dus niets (!) ondernemen om concepten voor klimaatbescherming uit te werken en — nog belangrijker — uit te voeren; ze kunnen hun ideeën niet in praktijk brengen. Soms is het niet meer dan dat het juridisch-administratieve kader gebrekkig is, soms vinden ze geen financiering voor hun projecten, en in weer andere gevallen is het een onoverkomelijke hinderpaal dat de externe kosten van fossiele brandstoffen nog steeds niet geheel doorberekend (2) worden en de koolstof, ondanks een kennisgeving die het tegendeel beweert, niet de „juiste” prijs heeft.

2.13.

Maar al te vaak is sprake van „verliezers” van een ambitieus klimaatbeleid en net zo vaak wordt de indruk gewekt als zou klimaatbescherming in de eerste plaats betekenen dat we iets moeten opgeven. Natuurlijk moeten de problemen die de overgang naar een vrijwel koolstofvrije economie met zich meebrengt, voldoende aandacht krijgen en aangepakt worden. De positieve elementen moeten echter ook minstens evenzeer worden benadrukt om voor een maatschappelijke draagvlak voor verandering te zorgen. De technologische en economische vooruitgang van de laatste jaren (bijv. in de energieopwekking uit hernieuwbare energiebronnen en de opslag van energie, maar vooral ook bij digitale toepassingen, die een flinke vooruitgang mogelijk maken bij efficiënt en intelligent gebruik van middelen) zijn tenminste argumenten hiervoor.

2.14.

Europa zit nu technisch en economisch zo in elkaar dat klimaatbescherming en duurzaamheid voor iedereen winst kunnen betekenen. Juist deze gedachte neemt de energie-unie als uitgangspunt. Voorwaarde is dat de politiek zulke initiatieven ondersteunt of ten minste mogelijk maakt en niet probeert te verhinderen, bijvoorbeeld door bestaande structuren in twijfel te trekken. Het in principe makkelijk aan te boren potentieel voor verandering en vooruitgang in de klimaatbescherming wordt dan bij lange na niet benut.

3.   Dringend behoefte aan een coalitie van politiek, bestuur en maatschappelijk middenveld

3.1.

Er is behoefte aan een nieuwe opzet van multilevel governance. Het EESC stelt daarom een ambitieuze coalitie voor van maatschappelijke actoren, lokale en regionale overheden en de verantwoordelijke politieke en bestuurlijke structuren op nationaal en Europees niveau.

3.2.

De coalitie moet:

de initiatieven op de verschillende beleidsniveaus van de Europese Unie coördineren om andere dan overheidsmaatregelen ter bescherming van het klimaat te stimuleren;

Het potentieel en het effect van deze maatregelen verduidelijken en

een forum voor een gestructureerde dialoog tussen maatschappelijke organisaties en de beleidsmakers op EU- en nationaal niveau vormen, waar maatschappelijke actoren hun ideeën en de ondervonden uitvoeringsproblemen onder de aandacht brengen, de politiek aanbevelingen voor acties voorleggen en waar zij een degelijk antwoord krijgen op de door hen opgeworpen vragen en problemen.

3.3.

Zo kan de coalitie, als voorbeeld van multilevel governance, ertoe bijdragen om met succes het klimaat te beschermen.

Klimaatverandering behelst veranderingen in het dagelijks leven

3.4.

De doelstellingen van de COP zijn welomschreven en de Europese Raad heeft een verstrekkende visie voor een koolstofarm, hulpbronnenefficiënt Europa geformuleerd. Op grond daarvan moeten in 2050 80-95 % minder broeikasgassen worden uitgestoten dan nu. Dit zal enorme gevolgen hebben voor het leven van elke Europese burger, elke onderneming en het personeel.

3.5.

Het EESC heeft in zijn verkennend advies (3) over duurzame ontwikkeling al aangegeven hoe belangrijk het is om juist de kwestie van de praktische gevolgen van toekomstige fundamentele beleidsuitdagingen zeer serieus te nemen.

3.6.

Het risico dat duurzame ontwikkeling als een bedreiging en niet als een kans voor de toekomst wordt gezien, kan met een eenvoudige boodschap tegemoet worden getreden: klimaatbescherming betekent veranderingen, maar elk lid van de samenleving heeft de mogelijkheid om alleen of met anderen actief aan deze veranderingen mee te werken, en wel zo dat niet alleen het klimaat profiteert, maar ook de levensomstandigheden ter plaatse verbeteren.

3.7.

Deze boodschap moet gericht zijn tot degenen die onvermijdelijk „negatieve” veranderingen rechtstreeks zullen merken (bijv. de gehele sector fossiele energiebronnen), en tot het in de samenleving aanwezige potentieel dat actie wil ondernemen en voor anderen als model kan fungeren.

De vele actoren herkennen, aanvaarden en benutten

3.8.

Ons maatschappelijk middenveld is uiterst heterogeen. Bij klimaatbescherming valt dit te bespeuren: wat voor de ene actor gemakkelijk is, is voor de andere maar moeilijk te verwezenlijken. Deze diversiteit moet serieus worden genomen en deze veelvoud moet als kans opgevat en gebruikt worden.

3.9.

In principe gaat het erom het klimaat concreet te beschermen. Hier bestaat ook een gebrek aan kennis. Er zijn weliswaar vele casestudy’s opgesteld, maar het ontbreekt aan een systematisering, bijvoorbeeld op grond van categorieën van actoren. Dit lijkt nodig omdat de verschillende middelen van afzonderlijke actoren ook tot geheel verschillende strategieën leiden. Enkele voorbeelden:

op het gebied van hernieuwbare energie initiatieven van huiseigenaren, collectieven van huurders of ondernemers die hun eigen elektriciteit opwekken;

ondernemers, startende ondernemingen en kmo’s kunnen aanzienlijk bijdragen aan een koolstofarme samenleving door nieuwe technologieën, digitale toepassingen enz. te ontwikkelen en te gebruiken en nieuwe bedrijfsmodellen (bijv. gebaseerd op de „deeleconomie”), hoogwaardige producten, diensten en banen te creëren;

vakbonden die met hun leden projecten ter bescherming van het klimaat ontwikkelen en uitvoeren voor de werknemers;

transition town-initiatieven voor de ontwikkeling van koolstofputten (groenvoorzieningen) in hun buurten.

3.10.

De lijst met voorbeelden maakt duidelijk dat de logica in de aanpak steeds dezelfde is, ook al zijn de hulpbronnen van de maatschappelijke actoren heel verschillend. Zij zullen hun eigen, materiële en financiële middelen en tijd alleen inzetten als ze een realistische mogelijkheid zien om onmiddellijk resultaten te boeken. Omgekeerd betekent dit ook: waar geen positieve invloed kan ontstaan, dreigt inactiviteit of zelfs weerstand (bijv. tegen nieuwe investeringsprojecten).

3.11.

De voorbeelden maken ook duidelijk dat het spectrum van strategieën, die in Europa voornamelijk door niet-overheidsactoren ontworpen en ten uitvoer gebracht worden, even breed en veelzijdig is als het maatschappelijk middenveld zelf.

Klimaatbescherming leren begrijpen als een open proces en sociale zekerheid waarborgen

3.12.

Het is volstrekt verkeerd als de politiek de maatschappelijke actoren in het kader van topdownbenaderingen geen eigen rol zou gunnen.

3.13.

Bij de aanstaande veranderingen moet bijzondere aandacht uitgaan naar het behoud van de sociale zekerheid. „Klimaatbescherming van onderaf” betekent weliswaar dat het particuliere initiatief aan betekenis wint en voor belangrijke economische impulsen zorgt, maar dit mag niet ten koste gaan van de sociale zekerheid.

3.14.

Het is dan ook belangrijk dat de „klimaatbeschermers van onderaf” deel blijven uitmaken van de solidaire gemeenschap. In sommige gevallen zal dit betekenen dat opnieuw moet worden bepaald hoe deze gemeenschap eruit ziet en wie welke bijdrage levert. Dit is alleen daarom al nodig omdat tot nu toe verbranding en verbruik van fossiele grondstoffen essentiële pijlers van de sociale welvaartsstaat waren. Maar de afwijzing hiervan en de overgang naar een vrijwel koolstofvrije economie mag niet ten koste gaan van de in de Europese Unie bereikte sociaalpolitieke normen en welzijn. Daar moet de coalitie van politiek, bestuur en maatschappelijk middenveld nadrukkelijk op letten. Sterker nog: hieruit dienen geheel nieuwe strategieën voort te komen.

Een voorbeeld:

3.15.

Energie uit hernieuwbare bronnen kan ondertussen decentraal zo goedkoop geproduceerd worden dat, in combinatie met maatregelen voor energie-efficiëntie, zelfs het probleem van de (sociale) energiearmoede kan worden opgelost. De politiek zou voor dergelijke initiatieven in ieder geval een solide wetgevingskader en toegang tot investeringskapitaal moeten scheppen.

De coalitie van politiek, bestuur en het maatschappelijk middenveld moet het beginsel „think globally, act locally”” nieuw leven inblazen

3.16.

Maatschappelijk engagement op het gebied van klimaatbescherming is meestal lokaal of regionaal gericht. De COP-onderhandelingen en tal van politieke discussies worden echter op mondiaal niveau gevoerd. Maar nergens meer dan op dit gebied geldt het beginsel „Denk mondiaal, handel lokaal”. De gevolgen van maatschappelijke activiteit mogen niet in een globale ruimte verloren gaan, ze moeten rechtstreeks, d.w.z. ter plaatse te beleven, te merken en waar te nemen zijn.

3.17.

Voor het Europese beleid betekent dit dat er nieuwe wegen moeten worden ingeslagen: met de logica van JI/CDM van het Kyotoprotocol bijvoorbeeld kunnen lokale initiatieven maar weinig beginnen. Het is een principieel probleem: het optreden van maatschappelijke organisaties vindt regelmatig lokaal en regionaal plaats, terwijl de randvoorwaarden hiertoe hoofdzakelijk op nationaal en Europees niveau geformuleerd worden. Het EESC stelt bezorgd vast dat tussen deze niveaus een kloof gaapt.

3.18.

Actieve, praktische klimaatbescherming door maatschappelijk handelen als tweede pijler van het Europese klimaatbeleid moet ter plaatse werken en duidelijk worden, anders gaan maatschappelijke actoren helemaal niet tot actie over.

3.19.

Een belangrijke rol vervullen de regio’s, steden en gemeenten. Het EESC stelt zeer tevreden vast dat op dit gebied tal van initiatieven genomen zijn om deze activiteiten te coördineren. Te denken valt o. a. aan de „World Summit on Climate and Territories”, het Burgemeestersconvenant, het netwerk ICLEI enz. Dat zijn vaak initiatieven die ondertussen in diverse landen ook op overheidssteun kunnen rekenen.

3.20.

Regionale ontwikkeling en energiebeleid dat het klimaat ontziet, kunnen elkaar goed aanvullen als de decentrale energieproductie via lokale of regionale structuren zou plaatsvinden en de waardeschepping via het plaatselijk gebruik van wind, zon en biomassa geschiedt. Uitbreiding van het aantal actoren is dus zinvol, maar in geen enkel officieel document van de EU wordt tot nu toe op deze strategische combinatie voldoende ingegaan.

3.21.

Dit voorbeeld toont duidelijk aan dat de EU het potentieel van het maatschappelijk middenveld niet genoeg benut. Zo wordt ook het Burgemeestersconvenant als een belangrijke pijler voor de uitvoering van EU-doelstellingen beschouwd. De rol van het Convenant als bron van nieuwe beleidsinitiatieven krijgt daarentegen onvoldoende aandacht en wordt niet stelselmatig benut.

4.   De vijf taken van een coalitie van politiek, bestuur en maatschappelijk middenveld

4.1.

De coalitie krijgt vijf taken:

4.1.1.

ten eerste moeten we beter begrijpen welke acties maatschappelijke actoren in hun verschillende rollen voornemens zijn uit te voeren om het klimaat te beschermen.

4.1.2.

Ten tweede moeten structurele problemen en belemmeringen die een succesvolle uitvoering in de weg staan, in kaart gebracht en opgelost worden. Daarmee krijgt de politiek de taak om bureaucratische belemmeringen en complexe procedures uit de weg te ruimen die bepalend zijn voor het niet-handelen van maatschappelijke organisaties of het handelen aanzienlijk bemoeilijken. Met de mededeling „Een „new deal” voor energieconsumenten” (4) heeft de Commissie een eerste stap in deze richting gezet. Deze gaat echter nog lang niet ver genoeg, onder andere omdat het begrip prosument veel te eng (5) geïnterpreteerd wordt.

4.1.3.

Ten derde moeten de „succesverhalen” nog meer onder de aandacht worden gebracht.

4.1.4.

Ten vierde moeten de doorslaggevende voorwaarden en factoren voor succes vermeld worden.

4.1.5.

Ten vijfde dient er een beleidskader te komen dat de nodige omstandigheden schept zodat maatschappelijke actoren strategieën voor klimaatbescherming kunnen ontwikkelen en uitvoeren. De verspreiding van het actiekader is op te vatten als een taak van de multilevel governance. Voor de uitvoering van het actiekader is immers gemeenschappelijk begrip bij beleidsmakers op Europees, nationaal en subnationaal niveau net zo vereist als voor hun gecoördineerde optreden.

4.2.

De uitvoering van de taken vereist extra administratieve ondersteuning, waarmee de volgende werkzaamheden als basis voor het debat in de coalitie van politiek, bestuur en maatschappelijk middenveld moeten worden uitgevoerd:

volledige beschrijving van de maatschappelijke actoren die voor acties voor klimaatbescherming van onderaf in aanmerking komen;

systematisch onderzoek van voorbeelden van reeds uitgevoerde klimaatacties van maatschappelijke organisaties, in de eerste plaats op regionaal of lokaal niveau, op grond waarvan in het discussieforum prototypes voor specifieke groepen actoren kunnen worden gedefinieerd;

ontwikkeling en uitvoering van een pan-Europese, later ook wereldwijde communicatiestrategie voor de als prototype aangewezen handelingsmodellen, ingedeeld naar groepen actoren;

analyse van de op het discussieforum als prototypisch aangeduide handelingsmodellen voor de belangrijkste succesvoorwaarden en -factoren, met passende wetenschappelijke methoden en verwerking van de resultaten van de analyse;

ondersteuning van maatschappelijke actoren die over weinig hulpbronnen beschikken zodat zij actief aan de coalitie kunnen deelnemen.

4.3.

Het komt de politiek en het bestuur toe om deze coalitie, eventueel in samenwerking met het EESC, te coördineren, zich over de vermelde hinderpalen te buigen en deze zo mogelijk te verwijderen; of ten minste duidelijke antwoorden te formuleren op de vraag waarom volgens hen bepaalde initiatieven gewoonweg niet uitvoerbaar zijn.

Het vereiste actiekader — gevolgen voor de financiering van klimaatbescherming door het maatschappelijk middenveld en de ontwikkeling van nieuwe economische modellen

4.4.

Slechts wanneer er een actiekader is dat de veelzijdige rollen van de maatschappelijke actoren op zijn waarde schat, de uiteenlopende hulpbronnen erkent, rekening houdt met succesfactoren en positieve randvoorwaarden schept, zullen de maatschappelijke actoren ook toegang tot kapitaal en verdere investeringsmiddelen krijgen. Dit is nog steeds een relevant praktisch probleem dat van de politiek te weinig aandacht krijgt. De overeenkomst van Parijs heeft immers enorme financiële gevolgen, die ver uitstijgen boven het Groene Klimaatfonds ter hoogte van 100 miljard dollar per jaar.

4.5.

Juist kleine, lokale banken en andere investeerders verstrekken maatschappelijke initiatieven voor klimaatbescherming slechts dan krediet als de herfinanciering redelijk zeker is. Ook aan deze voorwaarde, de weinig riskante herfinanciering van investeringen in klimaatbescherming door maatschappelijke actoren, moet het beleidskader voldoen.

4.6.

Het actiekader moet plannings- en investeringszekerheid voor de lange termijn scheppen. Voor het vereiste engagement is niets schadelijker dan de onzekerheid van voortdurend veranderende politieke oriëntaties.

4.7.

Geboden zijn alternatieve investeringsmogelijkheden voor plaatselijke projecten, waarvan maatschappelijke actoren de kansen en risico’s rechtstreeks zelf kunnen beoordelen en beheren, bijvoorbeeld als lid van een coöperatie. Als het brede publiek inziet dat investeringen ook „bij hen” aankomen en niet verstrikt raken in de tentakels van financiële instellingen en grote investeerders, dan kan dit ook het geschokte vertrouwen in financiële instellingen opvijzelen.

4.8.

Voor zover er sprake is van een stabiel en solide actiekader is een andere groei in veranderde economische structuren mogelijk. Voor de nieuwe „groei” zal sociaal kapitaal waarschijnlijk net zo belangrijk worden als financieel kapitaal. De ontwikkeling van prosumentismeconcepten zal de vervreemding van de arbeid deels opheffen, terwijl de arbeidsverdeling meer in gemeenschapsstructuren georganiseerd zal worden. Hieruit vloeit een enorm potentieel voor sociale innovatie voort, dat voor een ambitieus klimaatbeleid onontbeerlijk is. Er ontstaan nieuwe rollen, die met prosumenten, platformen en aggregatoren nog maar bij benadering omschreven zijn. Juist het prosumentisme kan als een essentiële succesfactor gezien worden voor het bereiken van een duurzame levensstijl en een duurzame economie.

4.9.

Deze nieuwe vorm van economie is geen utopie, maar tekent zich nu al af in tal van vooral lokaal georganiseerde initiatieven voor klimaatbescherming en is in zoverre ook schaalbaar. Schaalbaarheid, herhaling en uitbreiding zijn niet alleen in het licht van de ambitieuze doelstellingen voor klimaatbescherming dringend geboden. Zij zijn ook een voorwaarde voor de vermindering van de kosten van de veranderingen en voor het vermijden van een conflict tussen doelstellingen op het gebied van sociaal beleid en klimaatverandering.

4.10.

In de overeenkomst van Parijs is uitdrukkelijk de noodzaak vastgelegd om de transitie van de arbeidsmarkt rechtvaardig te doen verlopen, hetgeen reeds tijdens de klimaatconferentie van Lima werd vastgesteld. In het kader van het nieuwe economische model moeten er kwalitatief hoogwaardige banen gecreëerd worden. Dit is mogelijk aan de hand van een sterke sociale dialoog en cao-onderhandelingen waar de ondernemers bij betrokken zijn en die door inhoud en maatregelen geschraagd worden, zoals bijscholingsmaatregelen voor werknemers om nieuwe vaardigheden te verwerven, die in het kader van de energie- en milieutransitie nodig zijn, en maatregelen voor de versterking van stelsels voor sociale bescherming. Ook hiervoor is een positief actiekader geboden. Slechts dan zullen maatschappelijke actoren het verlies van banen en het verlies aan concurrentievermogen in sommige sectoren, die bij een transitie onvermijdelijk zijn, kunnen opvangen en economische groei kunnen verwezenlijken die sociaal, duurzaam en inclusief is.

Brussel, 14 juli 2016.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  Zie het debat tijdens de EESC-zitting van 20 januari 2016.

(2)  Zie het werkdocument van het IMF, „How Large Are Global Energy Subsidies?” (WP/15/105).

(3)  PB C 128 van 18.5.2010, blz. 18.

(4)  COM(2015) 339 final.

(5)  PB C 82 van 3 maart 2016, blz. 22.


Top