EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52016AR5807

Advies van het Europees Comité van de Regio's over de hervorming van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel — Tweede pakket en een EU-kader voor hervestiging

OJ C 207, 30.6.2017, p. 67–79 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

30.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 207/67


Advies van het Europees Comité van de Regio's over de hervorming van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel — Tweede pakket en een EU-kader voor hervestiging

(2017/C 207/13)

Rapporteur:

Vincenzo BIANCO (PSE/IT), burgemeester van Catania

Referentiedocumenten:

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking)

COM(2016) 465 final

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, en tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen

COM(2016) 466 final

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van Richtlijn 2013/32/EU

COM(2016) 467 final

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een EU-kader voor hervestiging en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad

COM(2016) 468 final

I.   AANBEVELINGEN VOOR WIJZIGINGEN

COM(2016) 466 final (Toekenningscriteria voor bescherming)

Wijzigingsvoorstel 1

Artikel 8, lid 3 — Binnenlandse bescherming

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Wat betreft de beoordeling of een verzoeker een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt, of toegang heeft tot bescherming tegen vervolging of ernstige schade in een deel van het land van herkomst overeenkomstig lid 1, houden de beslissingsautoriteiten bij hun beslissing over het verzoek rekening met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker overeenkomstig artikel 4. Te dien einde zorgen de beslissingsautoriteiten ervoor dat nauwkeurige en actuele informatie wordt verzameld van alle relevante bronnen, met inbegrip van de informatie over landen van herkomst die op Unieniveau beschikbaar is en de gemeenschappelijke analyse van informatie over landen van herkomst als bedoeld in de artikelen 8 en 10 van Verordening (EU) XXX/XX [Verordening inzake het Asielagentschap van de Europese Unie] evenals de informatie en aanwijzingen van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen.

Wat betreft de beoordeling of een verzoeker een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt, of toegang heeft tot bescherming tegen vervolging of ernstige schade in een deel van het land van herkomst overeenkomstig lid 1, houden de beslissingsautoriteiten bij hun beslissing over het verzoek rekening met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker overeenkomstig artikel 4. Te dien einde zorgen de beslissingsautoriteiten ervoor dat nauwkeurige en actuele informatie wordt verzameld van alle relevante bronnen, met inbegrip van de informatie over landen van herkomst die op Unieniveau beschikbaar is en de gemeenschappelijke analyse van informatie over landen van herkomst als bedoeld in de artikelen 8 en 10 van Verordening (EU) XXX/XX [Verordening inzake het Asielagentschap van de Europese Unie] evenals de informatie en aanwijzingen van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen. Ook informatie en richtsnoeren van onafhankelijke instellingen en deskundigen kunnen hier dienstig zijn.

Motivering

Zulks als aanvulling op en gegevens die niet altijd via officiële kanalen te verkrijgen zijn.

Wijzigingsvoorstel 2

Artikel 15 — Opnieuw beoordelen van de vluchtelingenstatus

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Ten behoeve van de toepassing van artikel 14, lid 1, onderwerpt de beslissingsautoriteit de vluchtelingenstatus aan een nieuwe beoordeling met name:

Ten behoeve van de toepassing van artikel 14, lid 1, onderwerpt de beslissingsautoriteit de vluchtelingenstatus aan een nieuwe beoordeling met name:

(a)

wanneer uit de informatie over landen van herkomst die op Unieniveau beschikbaar is en de gemeenschappelijke analyse van informatie over landen van herkomst als bedoeld in de artikelen 8 en 10 van Verordening (EU) XXX/XX [Verordening inzake het Asielagentschap van de Europese Unie] blijkt dat er zich op het gebied van de situatie in het land van herkomst een aanzienlijke verandering heeft voorgedaan die relevant is voor de beschermingsbehoeften van de verzoeker;

(a)

wanneer uit de informatie over landen van herkomst die op Unieniveau beschikbaar is en de gemeenschappelijke analyse van informatie over landen van herkomst als bedoeld in de artikelen 8 en 10 van Verordening (EU) XXX/XX [Verordening inzake het Asielagentschap van de Europese Unie] blijkt dat er zich op het gebied van de situatie in het land van herkomst een aanzienlijke verandering heeft voorgedaan die relevant is voor de beschermingsbehoeften van de verzoeker;

(b)

wanneer een aan een vluchteling afgegeven verblijfstitel voor de eerste keer wordt verlengd.

(b)

wanneer een aan een vluchteling afgegeven verblijfstitel voor de eerste keer via een vereenvoudigde procedure wordt verlengd. Indien tijdens die procedure elementen opduiken zoals bedoeld onder (a) die kunnen leiden tot een eventuele weigering van de verlenging, dan moet de procedure terstond in een normale procedure worden omgezet en wordt dit aan betrokkene medegedeeld. Verder moet betrokkene in ieder geval de mogelijkheid hebben om tegen een weigering in beroep te gaan.

Motivering

De Commissie stelt voor dat de vluchtelingenstatus wordt heronderzocht a) automatisch wanneer via het EASO bekend wordt dat er zich op het gebied van de situatie in het land van herkomst een aanzienlijke verandering heeft voorgedaan; b) regelmatig wanneer er geen veranderingen zijn geconstateerd. In dat geval moet er via de vereenvoudigde procedure worden gewerkt om de vluchteling niet met loodzware rompslomp op te zadelen en hem vergaande onzekerheid te besparen.

COM(2016) 467 final (Gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming)

Wijzigingsvoorstel 3

Artikel 7, lid 4 — Plichten van verzoekers

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De verzoeker stelt de beslissingsautoriteit van de lidstaat waar hij verplicht is zich te bevinden, in kennis van zijn verblijfplaats of adres, of een telefoonnummer waarop hij door de beslissingsautoriteit of andere verantwoordelijke autoriteiten kan worden bereikt. Hij brengt de beslissingsautoriteit van elke verandering op de hoogte. De verzoeker aanvaardt iedere kennisgeving op de recentste verblijfplaats die of het recentste adres dat hij dienovereenkomstig heeft aangegeven, in het bijzonder wanneer hij overeenkomstig artikel 28 een verzoek indient.

De verzoeker stelt de beslissingsautoriteit van de lidstaat waar hij verplicht is zich te bevinden, in kennis van zijn verblijfplaats of adres, en een telefoonnummer waarop hij door de beslissingsautoriteit of andere verantwoordelijke autoriteiten kan worden bereikt. Hij brengt de beslissingsautoriteit van elke verandering op de hoogte. De verzoeker aanvaardt iedere kennisgeving op de recentste verblijfplaats die of het recentste adres dat hij dienovereenkomstig heeft aangegeven, in het bijzonder wanneer hij overeenkomstig artikel 28 een verzoek indient.

Motivering

De verzoeker moet verblijfplaats, adres en een telefoonnummer opgeven zodat hij op tijd over zijn procedure geïnformeerd kan worden.

Wijzigingsvoorstel 4

Artikel 15, lid 5 — Kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging (tijdens de beroepsprocedure)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het bieden van kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging tijdens de beroepsprocedure kan worden uitgesloten indien:

Het bieden van kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging tijdens de beroepsprocedure kan worden uitgesloten indien:

(a)

de verzoeker over voldoende middelen beschikt;

(a)

de verzoeker over voldoende middelen beschikt;

(b)

het beroep geacht wordt geen reële kans van slagen te hebben;

 

(c)

het om een beroep of herziening in tweede of hogere instantie gaat, zoals bepaald in het nationale recht, met inbegrip van een nieuwe rechtszitting of een herziening van beroep.

 

Wanneer een besluit om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden, wordt genomen door een andere autoriteit dan een rechterlijke instantie, op grond van het feit dat het beroep geacht wordt geen reële kans van slagen te hebben, heeft de verzoeker recht op een doeltreffende voorziening in rechte bij een rechterlijke instantie tegen die beslissing, en daartoe heeft hij het recht om kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging te verzoeken.

als het beroep uitsluitend door kunstmatige overwegingen is ingegeven of onmiskenbaar ongegrond is, kan de rechter besluiten om de gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging te ontzeggen en de door de staat aan de bijstandverlener verschuldigde vergoeding (zelfs tot nul) te reduceren.

Motivering

Met name in beroepsprocedures (in eerste, tweede of verdere instantie) moet het weigeren van gratis rechtsbijstand op een strikt criterium berusten dat zo min mogelijk discretionaire bevoegdheid laat en verder moet er door een rechter tot die weigering worden overgegaan.

Wijzigingsvoorstel 5

Artikel 33, lid 2 — Behandeling van verzoeken

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

2.   De beslissingsautoriteit beslist over verzoeken om internationale bescherming na een passend onderzoek naar de ontvankelijkheid of de gegrondheid van een verzoek. De beslissingsautoriteit onderzoekt verzoeken objectief, onpartijdig en op individuele basis. In het kader van de behandeling van het verzoek, neemt zij het volgende in acht:

2.   De beslissingsautoriteit beslist over verzoeken om internationale bescherming na een passend onderzoek naar de ontvankelijkheid of de gegrondheid van een verzoek. De beslissingsautoriteit onderzoekt verzoeken objectief, onpartijdig en op individuele basis. In het kader van de behandeling van het verzoek, neemt zij het volgende in acht:

(a)

de door de verzoeker afgelegde verklaringen en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige schade is blootgesteld dan wel blootgesteld zou kunnen worden;

(a)

de door de verzoeker afgelegde verklaringen en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige schade is blootgesteld dan wel blootgesteld zou kunnen worden;

(b)

alle relevante, accurate en actuele informatie over de situatie in het land van herkomst van de verzoeker op het tijdstip waarop een beslissing over het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast, alsook alle andere relevante informatie van het Asielagentschap van de Europese Unie, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen en relevante internationale mensenrechtenorganisaties, of uit andere bronnen;

(b)

alle relevante, accurate en actuele informatie over de situatie in het land van herkomst van de verzoeker op het tijdstip waarop een beslissing over het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast, alsook alle andere relevante informatie van het Asielagentschap van de Europese Unie, de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen en relevante internationale mensenrechtenorganisaties, of uit andere bronnen;

(c)

de gemeenschappelijke analyse van de informatie over de landen van herkomst, zoals bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) XXX/XXX (verordening inzake het Asielagentschap van de EU);

(c)

de gemeenschappelijke analyse van de informatie over de landen van herkomst, zoals bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) XXX/XXX (verordening inzake het Asielagentschap van de EU);

(d)

de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht, leeftijd, seksuele geaardheid en genderidentiteit, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, vervolging of ernstige schade zouden inhouden;

(d)

de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht, leeftijd, seksuele geaardheid en genderidentiteit, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, vervolging of ernstige schade zouden inhouden;

(e)

de vraag of de activiteiten die de verzoeker heeft ontplooid sinds hij zijn land van herkomst heeft verlaten, door hem uitsluitend of hoofdzakelijk werden verricht om de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de betrokkene, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging of ernstige schade zou worden blootgesteld;

(e)

de vraag of de activiteiten die de verzoeker heeft ontplooid sinds hij zijn land van herkomst heeft verlaten, door hem uitsluitend of hoofdzakelijk werden verricht om de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de betrokkene, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging of ernstige schade zou worden blootgesteld;

(f)

de vraag of in redelijkheid van de verzoeker kan worden verwacht dat hij zich onder de bescherming stelt van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap zou kunnen beroepen.

(f)

de vraag of in redelijkheid van de verzoeker kan worden verwacht dat hij zich onder de bescherming stelt van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap zou kunnen beroepen;

 

(g)

door verzoeker afgelegde verklaringen, indien gestaafd met officiële documenten, en overlegde documenten aangaande zijn voorkeuren, familiebanden, banden met de gemeenschap in zijn land van oorsprong, talen en beroepsvaardigheden die inclusie in één of meerdere lidstaten zouden kunnen vergemakkelijken.

Motivering

Dit voorstel hangt samen met het door de commissie CIVEX goedgekeurde advies over de herziening van de verordening van Dublin (…) . Daarin wordt opgemerkt dat er bij de bepaling van de lidstaat van opvang rekening moet worden gehouden met de voorkeuren en banden van verzoeker.

Wijzigingsvoorstel 6

Artikel 34 — Duur van de behandelingsprocedure

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Het onderzoek van de ontvankelijkheid van een verzoek overeenkomstig artikel 36, lid 1, duurt niet langer dan één maand vanaf het tijdstip van indiening van het verzoek.

1.   Het onderzoek van de ontvankelijkheid van een verzoek overeenkomstig artikel 36, lid 1, duurt niet langer dan één maand vanaf het tijdstip van indiening van het verzoek.

De termijn voor een dergelijk onderzoek bedraagt tien werkdagen indien, in overeenstemming met artikel 3, lid 3, onder a), van Verordening (EU) XXX/XXX (Dublinverordening), de lidstaat waar het eerst een verzoek is ingediend het begrip eerste land van asiel of veilig derde land, als bedoeld in artikel 36, lid 1, onder a) en b), toepast.

 

2.   De beslissingsautoriteit zorgt ervoor dat een behandelingsprocedure ten gronde zo spoedig mogelijk wordt afgerond, en in elk geval niet later dan zes maanden vanaf de indiening van het verzoek, zonder afbreuk te doen aan de behoorlijkheid en de volledigheid van de behandeling.

2.   De beslissingsautoriteit zorgt ervoor dat een behandelingsprocedure ten gronde zo spoedig mogelijk wordt afgerond, en in elk geval niet later dan zes maanden vanaf de indiening van het verzoek, zonder afbreuk te doen aan de behoorlijkheid en de volledigheid van de behandeling.

3.   De beslissingsautoriteit kan die termijn van zes maanden verlengen met een termijn van niet meer dan drie maanden, indien:

3.   De beslissingsautoriteit kan die termijn van zes maanden verlengen met een termijn van niet meer dan zes maanden , indien:

(a)

een onevenredig groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden;

(a)

een onevenredig groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden;

(b)

complexe feitelijke of juridische kwesties aan de orde zijn.

(b)

complexe feitelijke of juridische kwesties aan de orde zijn.

Motivering

De hoeveelheid termijnen die door verzoeker en zijn bijstandverlener in de gaten moeten worden gehouden vormt een zware last en kan ten koste gaan van de waarborging van zijn rechten.

Daarom moet, met het oog crisissituaties of een tsunami van verzoeken en op extra ondersteuning in die gevallen door het EASO of door andere lidstaten, worden overwogen om de maximale procestermijn (zeker in complexe zaken) van negen tot twaalf maanden op te trekken.

Wijzigingsvoorstel 7

Artikel 36, lid 2 — Beslissing over de ontvankelijkheid van het verzoek

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Een verzoek wordt niet ten gronde behandeld indien een verzoek niet wordt behandeld overeenkomstig Verordening (EU) XXX/XXX (Dublinverordening), ook niet wanneer een andere lidstaat de verzoeker internationale bescherming heeft verleend, of indien een verzoek niet-ontvankelijk is verklaard overeenkomstig lid 1.

Een verzoek wordt niet ten gronde behandeld indien een verzoek niet wordt behandeld overeenkomstig Verordening (EU) XXX/XXX (Dublinverordening), ook niet wanneer een andere lidstaat de verzoeker internationale bescherming heeft verleend, of indien een verzoek niet-ontvankelijk is verklaard overeenkomstig lid 1. Hetzelfde geldt wanneer verzoeker op basis van artikel 7 van Verordening (EU) XXX/XXX (Dublinverordening) een voorkeur heeft uitgesproken voor een of meer lidstaten die, volgens de per kwartaal door het EASO verstrekte gegevens, niet aan de eisen van de artikelen 7 en 35 van die verordening voldoen.

Motivering

Ook dit wijzigingsvoorstel sluit aan bij het reeds door CIVEX goedgekeurde advies over de „Dublinherziening”. Als criterium voor de lidstaat van opvang gelden voorkeuren en banden, en niet de eerste lidstaat van aankomst. Aan de hand van eerstgenoemd criterium moet verzoeker worden doorgestuurd.

Wijzigingsvoorstel 8

Artikel 39 — Impliciete intrekking van verzoeken

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   De beslissingsautoriteit wijst een verzoek af als een verzoek waarvan impliciet is afgezien wanneer:

1.   De beslissingsautoriteit wijst een verzoek af als een verzoek waarvan impliciet is afgezien wanneer:

[…]

[…]

2.   In de gevallen bedoeld in lid 1, beëindigt de beslissingsautoriteit de behandeling van het verzoek en stuurt zij de verzoeker een schriftelijke kennisgeving op de woonplaats of het adres als bedoeld in artikel 7, lid 4, waarbij hem wordt meegedeeld dat de behandeling van zijn verzoek is beëindigd en dat het verzoek definitief zal worden afgewezen op grond dat daarvan impliciet is afgezien tenzij de verzoeker binnen een termijn van één maand , te rekenen vanaf de datum van verzending van de schriftelijke kennisgeving zich bij de beslissingsautoriteit meldt.

2.   In de gevallen bedoeld in lid 1, beëindigt de beslissingsautoriteit de behandeling van het verzoek en stuurt zij de verzoeker een schriftelijke kennisgeving op de woonplaats of het adres als bedoeld in artikel 7, lid 4, waarbij hem wordt meegedeeld dat de behandeling van zijn verzoek is beëindigd en dat het verzoek definitief zal worden afgewezen op grond dat daarvan impliciet is afgezien tenzij de verzoeker binnen een termijn van twee maanden , te rekenen vanaf de datum van verzending van de schriftelijke kennisgeving zich bij de beslissingsautoriteit meldt.

3.   Indien de verzoeker zich binnen deze termijn van één maand meldt bij de beslissingsautoriteit en aantoont dat zijn verzuim te wijten was aan omstandigheden waarop hij geen invloed had, hervat de beslissingsautoriteit de behandeling van het verzoek.

3.   Indien de verzoeker zich binnen deze termijn van twee maanden meldt bij de beslissingsautoriteit en aantoont dat zijn verzuim te wijten was aan omstandigheden waarop hij geen invloed had, hervat de beslissingsautoriteit de behandeling van het verzoek.

4.   Wanneer de verzoeker zich niet binnen deze termijn van één maand meldt bij de beslissingsautoriteit en niet aantoont dat zijn verzuim te wijten was aan omstandigheden waarop hij geen invloed had, acht de beslissingsautoriteit het verzoek impliciet ingetrokken.

4.   Wanneer de verzoeker zich niet binnen deze termijn van twee maanden meldt bij de beslissingsautoriteit en niet aantoont dat zijn verzuim te wijten was aan omstandigheden waarop hij geen invloed had, acht de beslissingsautoriteit het verzoek impliciet ingetrokken.

Motivering

Gezien de moeilijkheden in de communicatie waarop de betrokkene kan stuiten, moet een langere termijn worden ingevoerd.

Wijzigingsvoorstel 9

Artikel 43 — Uitzondering op het recht te blijven bij volgende verzoeken

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Onverminderd het beginsel van non-refoulement, kunnen de lidstaten voorzien in een uitzondering op het recht op hun grondgebied te blijven en afwijken van artikel 54, lid 1, indien:

Onverminderd het beginsel van non-refoulement, kunnen de lidstaten voorzien in een uitzondering op het recht op hun grondgebied te blijven en afwijken van artikel 54, lid 1, indien:

(a)

een volgend verzoek door de beslissingsautoriteit niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is verklaard;

(a)

een volgend verzoek door de beslissingsautoriteit niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is verklaard;

(b)

een tweede of verder volgend verzoek wordt ingediend in eender welke lidstaat na een definitieve beslissing waarbij een voorgaand volgend verzoek niet-ontvankelijk, ongegrond of kennelijk ongegrond is verklaard.

(b)

een tweede of verder volgend verzoek wordt ingediend in eender welke lidstaat na een definitieve beslissing waarbij een voorgaand volgend verzoek niet-ontvankelijk, ongegrond of kennelijk ongegrond is verklaard;

het vermelde sub b) is niet van toepassing als het voorgaand verzoek is ingediend vóór de inwerkingtreding van onderhavige verordening en met name als de belanghebbende geen rechtsbijstand heeft genoten;

Motivering

Overwegende dat de verplichtingen inzake informatie, vertegenwoordiging en bijstand pas op alle niveaus worden ingevoerd met het huidige pakket voorstellen van de Commissie, mogen de staten het recht op verblijf op hun grondgebied niet weigeren indien de verzoeker tijdens zijn eerste verzoek geen rechtsbijstand heeft genoten.

Wijzigingsvoorstel 10

Artikel 45, lid 3 — Het begrip „veilig derde land”

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De beslissingsautoriteit beschouwt een derde land voor een specifieke verzoeker na een individuele behandeling van het verzoek alleen als een veilig derde land wanneer zij ervan overtuigd is dat het derde land voor die verzoeker veilig is overeenkomstig de criteria die zijn vastgesteld in lid 1 en zij heeft vastgesteld dat:

De beslissingsautoriteit beschouwt een derde land voor een specifieke verzoeker na een individuele behandeling van het verzoek alleen als een veilig derde land wanneer zij ervan overtuigd is dat het derde land voor die verzoeker veilig is overeenkomstig de criteria die zijn vastgesteld in lid 1 en zij heeft vastgesteld dat:

a)

er een band bestaat tussen de verzoeker en het betrokken derde land op grond waarvan het redelijk is dat de verzoeker naar dat land gaat, onder meer omdat de verzoeker door dat derde land is gereisd en dat land geografisch dicht bij het land van herkomst van de verzoeker ligt;

a)

er een band bestaat tussen de verzoeker en het betrokken derde land op grond waarvan het redelijk is dat de verzoeker naar dat land gaat, onder meer omdat de verzoeker een aanzienlijke periode in dat land heeft doorgebracht of als er sprake is van familiebanden of relaties met landgenoten;

b)

de verzoeker geen ernstige gronden heeft aangevoerd om dat land in zijn specifieke omstandigheden niet als een veilig derde land te beschouwen.

b)

de verzoeker geen ernstige gronden heeft aangevoerd om dat land in zijn specifieke omstandigheden niet als een veilig derde land te beschouwen.

Motivering

De reis door een derde land op weg naar de EU (of het verblijf, uitsluitend ter voorbereiding van het vertrek) mag op zich niet beschouwd worden als een voldoende criterium om de verzoeker terug te sturen naar het land in kwestie.

Wijzigingsvoorstel 11

Artikel 53, lid 6 — Recht op een doeltreffende voorziening in rechte

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Het beroep tegen de in lid 1 bedoelde beslissingen wordt ingesteld:

Het beroep tegen de in lid 1 bedoelde beslissingen wordt ingesteld:

a)

binnen één week in het geval van een beslissing waarbij een volgend verzoek niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond wordt verklaard;

a)

binnen twee weken in het geval van een beslissing waarbij een volgend verzoek niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond wordt verklaard;

b)

binnen twee weken in het geval van een beslissing waarbij een verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard, een beslissing waarbij een verzoek wordt afgewezen als expliciet ingetrokken of als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, of een beslissing waarbij een verzoek wordt afgewezen als ongegrond of kennelijk ongegrond met betrekking tot de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus na een versnelde behandelingsprocedure of grensprocedure of gedurende de detentie van de verzoeker;

b)

binnen twee weken in het geval van een beslissing waarbij een verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard, een beslissing waarbij een verzoek wordt afgewezen als expliciet ingetrokken of als een verzoek waarvan impliciet is afgezien, of een beslissing waarbij een verzoek wordt afgewezen als ongegrond of kennelijk ongegrond met betrekking tot de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus na een versnelde behandelingsprocedure of grensprocedure of gedurende de detentie van de verzoeker;

c)

binnen één maand in het geval van een beslissing waarbij een verzoek ongegrond wordt verklaard met betrekking tot de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus wanneer de behandeling niet is versneld of in het geval van een beslissing tot intrekking van internationale bescherming.

c)

binnen één maand in het geval van een beslissing waarbij een verzoek ongegrond wordt verklaard met betrekking tot de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus wanneer de behandeling niet is versneld of in het geval van een beslissing tot intrekking van internationale bescherming.

Voor de toepassing van punt b) kunnen de lidstaten voorzien in een ambtshalve toetsing van beslissingen naar aanleiding van een grensprocedure.

Voor de toepassing van punt b) kunnen de lidstaten voorzien in een ambtshalve toetsing van beslissingen naar aanleiding van een grensprocedure.

De in dit lid bedoelde termijnen beginnen te lopen vanaf de datum waarop de beslissing van de beslissingsautoriteit aan de verzoeker is meegedeeld of vanaf het moment waarop de juridische adviseur of raadsman is benoemd als de verzoeker een verzoek om kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging heeft ingediend.

De in dit lid bedoelde termijnen beginnen te lopen vanaf de datum waarop de beslissing van de beslissingsautoriteit aan de verzoeker is meegedeeld of vanaf het moment waarop de juridische adviseur of raadsman is benoemd als de verzoeker een verzoek om kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging heeft ingediend.

Motivering

Ook gezien de jurisprudentie van het Hof van Justitie dienen gelijke, onderling niet verschillende minimumtermijnen te worden ingevoerd.

COM(2016) 465 final (opvangvoorzieningen)

Wijzigingsvoorstel 12

Artikel 7, lid 5 — Verblijf en vrij verkeer

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

De lidstaten verlangen van verzoekers dat zij hun verblijfplaats of adres of een telefoonnummer waarop zij bereikbaar zijn, bekendmaken bij de bevoegde autoriteiten en eventuele wijzigingen van dit adres of telefoonnummer onverwijld aan die autoriteiten doorgeven.

De lidstaten verlangen van verzoekers dat zij hun verblijfplaats, adres en een telefoonnummer waarop zij bereikbaar zijn, bekendmaken bij de bevoegde autoriteiten en eventuele wijzigingen van dit adres en telefoonnummer onverwijld aan die autoriteiten doorgeven.

Motivering

De verzoeker moet verblijfplaats, adres en een telefoonnummer opgeven zodat hij op tijd over zijn procedure geïnformeerd kan worden.

Wijzigingsvoorstel 13

Artikel 19 — Vervanging, beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

1.   Ten aanzien van verzoekers die krachtens Verordening (EU) XXX/XXX [Dublinverordening] geacht worden zich op hun grondgebied te bevinden, kunnen de lidstaten in de in lid 2 omschreven situaties:

1.   Ten aanzien van verzoekers die krachtens Verordening (EU) XXX/XXX [Dublinverordening] geacht worden zich op hun grondgebied te bevinden, kunnen de lidstaten in de in lid 2 omschreven situaties:

(a)

de verstrekking van huisvesting, voeding, kleding en andere essentiële non-foodartikelen in de vorm van uitkeringen en tegoedbonnen vervangen door de verstrekking van materiële opvangvoorzieningen in natura; of

(a)

de verstrekking van huisvesting, voeding, kleding en andere essentiële non-foodartikelen in de vorm van uitkeringen en tegoedbonnen vervangen door de verstrekking van materiële opvangvoorzieningen in natura; of

(b)

de dagvergoedingen beperken of, in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen, intrekken.

(b)

de dagvergoedingen beperken.

2.   Lid 1 is van toepassing indien een verzoeker:

2.   Lid 1 is van toepassing indien een verzoeker:

(a)

de door de bevoegde instanties vastgestelde verblijfplaats verlaat zonder deze instanties op de hoogte te stellen of, indien toestemming vereist is, zonder toestemming, dan wel onderduikt; of

(a)

de door de bevoegde instanties vastgestelde verblijfplaats verlaat zonder deze instanties op de hoogte te stellen of, indien toestemming vereist is, zonder toestemming, dan wel gedurende een in het nationale recht vastgestelde redelijke termijn onderduikt; of

(b)

gedurende een in het nationale recht vastgestelde redelijke termijn niet voldoet aan de meldingsplicht of aan verzoeken om informatie te verstrekken of te verschijnen voor een persoonlijk onderhoud betreffende de asielprocedure; dan wel

(b)

gedurende een in het nationale recht vastgestelde redelijke termijn niet voldoet aan de meldingsplicht of aan verzoeken om informatie te verstrekken of te verschijnen voor een persoonlijk onderhoud betreffende de asielprocedure; dan wel

(c)

een volgend verzoek als omschreven in artikel [4, lid 2, onder i),] van Verordening (EU) XXX/XXX [verordening asielprocedures] heeft ingediend; of

(c)

een volgend verzoek als omschreven in artikel [4, lid 2, onder i),] van Verordening (EU) XXX/XXX [verordening asielprocedures] heeft ingediend; of

(d)

financiële middelen verborgen heeft gehouden en daardoor ten onrechte van materiële opvangvoorzieningen gebruik heeft gemaakt; of

(d)

financiële middelen verborgen heeft gehouden en daardoor ten onrechte van materiële opvangvoorzieningen gebruik heeft gemaakt; of

(e)

ernstig inbreuk heeft gemaakt op de regels van het opvangcentrum of zich aan ernstig geweld schuldig heeft gemaakt; of

(e)

ernstig inbreuk heeft gemaakt op de regels van het opvangcentrum of zich aan ernstig geweld schuldig heeft gemaakt; of

(f)

niet meewerkt aan verplichte integratiemaatregelen; of

(f)

niet meewerkt aan verplichte integratiemaatregelen; of

(g)

niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel [4, lid 1] van Verordening (EU) XXX/XXX [Dublinverordening] en zich zonder passende verantwoording naar een andere lidstaat heeft begeven en daar een verzoek heeft gedaan; of

(g)

niet heeft voldaan aan de verplichting van artikel [4, lid 1] van Verordening (EU) XXX/XXX [Dublinverordening] en zich zonder passende verantwoording naar een andere lidstaat heeft begeven en daar een verzoek heeft gedaan; of

(h)

is teruggezonden nadat hij is ondergedoken en naar een andere lidstaat is vertrokken.

(h)

is teruggezonden nadat hij is ondergedoken en naar een andere lidstaat is vertrokken.

In de onder a) en b) bedoelde gevallen, wanneer de verzoeker wordt opgespoord of zich vrijwillig bij de betrokken instantie meldt, wordt een met redenen omklede, op de redenen voor de verdwijning gebaseerde beslissing genomen inzake het opnieuw verstrekken van sommige of alle vervangen, beperkte of ingetrokken materiële opvangvoorzieningen.

In de onder a) en b) bedoelde gevallen, wanneer de verzoeker wordt opgespoord of zich vrijwillig bij de betrokken instantie meldt, wordt een met redenen omklede, op de redenen voor de verdwijning gebaseerde beslissing genomen inzake het opnieuw verstrekken van sommige of alle vervangen, beperkte of ingetrokken materiële opvangvoorzieningen.

3.   De beslissingen tot vervanging, beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen worden objectief en onpartijdig genomen, naar aanleiding van de beoordeling van elk specifiek geval, en met redenen omkleed. De beslissingen worden genomen op grond van de specifieke situatie van de betrokkene, met name voor verzoekers met bijzondere opvangbehoeften, en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. De lidstaten zien erop toe dat verzoekers te allen tijde toegang hebben tot medische zorg overeenkomstig artikel 18 en zorgen ervoor dat alle verzoekers een waardige levensstandaard genieten.

3.   De beslissingen tot vervanging, beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen worden objectief en onpartijdig genomen, naar aanleiding van de beoordeling van elk specifiek geval, en met redenen omkleed. De beslissingen worden genomen op grond van de specifieke situatie van de betrokkene, met name voor verzoekers met bijzondere opvangbehoeften, en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. De lidstaten zien erop toe dat verzoekers te allen tijde toegang hebben tot medische zorg overeenkomstig artikel 18 en zorgen ervoor dat alle verzoekers een waardige levensstandaard genieten.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat er geen materiële opvangvoorzieningen vervangen, beperkt of ingetrokken worden voordat er een beslissing genomen is overeenkomstig lid 3.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat er geen materiële opvangvoorzieningen vervangen, beperkt of ingetrokken worden voordat er een beslissing genomen is overeenkomstig lid 3.

Motivering

Er is pas sprake van onderduiken als men een relevante termijn afwezig is; zo wordt vermeden dat sporadische afwezigheid of noodzakelijke afwezigheid tot een buitensporige straf kan leiden. Voor de vergoedingen wordt voorgesteld deze alleen te beperken; intrekking zou tot sociaal instabiele situaties kunnen leiden.

Wijzigingsvoorstel 14

Artikel 23 — Niet-begeleide minderjarigen

Door de Commissie voorgestelde tekst

Wijzigingsvoorstel van het CvdR

Niet-begeleide minderjarigen

Niet-begeleide minderjarigen

De lidstaten nemen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk vijf werkdagen nadat een niet-begeleide minderjarige een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan, maatregelen om ervoor te zorgen dat de niet-begeleide minderjarige wordt vertegenwoordigd en bijgestaan door een voogd, zodat hij aanspraak kan maken op de rechten en kan voldoen aan de verplichtingen die in deze richtlijn zijn vastgesteld.

De lidstaten nemen uiterlijk vijf werkdagen nadat een niet-begeleide minderjarige een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan, of in ieder geval zo snel mogelijk maatregelen om ervoor te zorgen dat de niet-begeleide minderjarige wordt vertegenwoordigd en bijgestaan door een bijstandsverlener of een vertegenwoordiger , zodat hij aanspraak kan maken op de rechten en kan voldoen aan de verplichtingen die in deze richtlijn zijn vastgesteld.

 

De lidstaten zorgen ervoor dat in de aanloop naar de aanwijzing van een bijstandsverlener of een vertegenwoordiger alle vormen van nationaal bestaande (ook wettelijke) vertegenwoordiging ter bescherming van het belang van het kind in urgente zaken die onherstelbare schade kunnen veroorzaken ook voldoen voor de doelstellingen van deze richtlijn.

Motivering

In tijden waarin de EU een groot aantal niet-begeleide minderjarigen ontvangt, kan het nodig blijken om geen bindende termijnen vast te leggen voor het aanwijzen van een voogd. Het begrip voogd en de term zelf kunnen misleidend zijn en afwijken van het recht van vele lidstaten: derhalve het verzoek om dit te wijzigen in „vertegenwoordiger”.

II.   BELEIDSAANBEVELINGEN

HET EUROPEES COMITÉ VAN DE REGIO'S

Algemene opmerkingen

1.

onderstreept de noodzaak van een brede en alomvattende aanpak, ten gunste van een duurzaam beleid op het gebied van asiel en integratie, dat de Unie in haar geheel hierbij betrekt, in het kader van een, ook tussen de lidstaten onderling, daadwerkelijk solidair stelsel.

2.

Verder zij gewezen op de cruciale rol van de regionale en lokale overheden als noodzakelijke partners van de lidstaten en de Unie voor het beheer en de opvang van asielzoekers. Geboden is billijke en transparante regelgeving met oog voor maatschappelijke integratie en de grondrechten van de betrokkenen. Benadrukt wordt voorts dat de lokale overheden, die in het algemeen op de bres staan voor de burgerrechten, zich beter van deze taak kunnen kwijten als zij over gemeenschappelijke normen en passende middelen kunnen beschikken om de veiligheid van de burgers en de fundamentele rechten van asielzoekers te garanderen.

3.

Het Europees Comité van de Regio's (CvdR) heeft reeds in een advies over het eerste pakket aangedrongen op duurzame en structurele oplossingen en aanbevolen om af te stappen van het idee dat het hier om eenmalige verschijnselen gaat. Hoewel het werk van de Commissie wordt gewaardeerd om gezien de urgentie en de hiermee verbonden politieke druk oplossingen te bieden, acht het Comité een bredere analyse nodig, die het probleem uitgebreid beschrijft, rekening houdend met internationale verplichtingen, de rechten van de migranten en de behoeften van de verschillende bestuursniveaus, in alle regio’s van de Unie, zonder de buitengrenslidstaten, de meest blootgestelde of door asielzoekers geambieerde lidstaten over te belasten met officiële en principiële motiveringen.

4.

Het op elkaar afstemmen, of zelfs gelijktrekken, van de aan verzoekers toegekende opvangvoorzieningen, ook bedoeld om secundaire bewegingen binnen de EU te ontmoedigen, verdient bijval. Een benadering die uitsluitend gebaseerd is op het gelijktrekken van de materiële voorwaarden en op sancties in verband met secundaire bewegingen, wordt echter onvoldoende geacht.

5.

Om de integratie te bevorderen en zo veel mogelijk de oorzaken van secundaire bewegingen weg te nemen is het van belang en noodzakelijk rekening te houden met daadwerkelijke banden, arbeidsvaardigheden en voorkeuren van de verzoekers wat betreft een of meer lidstaten. Het Comité heeft dit al benadrukt in het advies over het eerste pakket voorstellen van de Commissie en wijst hiertoe op het belang om samen met de belanghebbenden relevante gegevens te verzamelen om hun sociale en professionele integratie mogelijk te maken.

6.

Het is een goede zaak dat de procedures voor de behandeling van de verzoeken om internationale bescherming worden versneld; dit mag er echter niet toe leiden dat fundamentele rechten in de verdrukking komen. De in het pakket voorstellen vermelde summiere procedures moeten met uiterste terughoudendheid worden gebruikt en na uitgebreide controle van de criteria die de toepassing ervan toestaan.

7.

Het Comité is verbijsterd over de wettelijke oplossing die bij het Uniekader voor hervestiging — COM(2016) 468 final — is goedgekeurd (vaststelling van het referentiekader bij akte van de Raad en uitvoering bij besluit van de Commissie), die het Europees Parlement buitenspel zet, hetgeen op dit gebied zelden voorkomt, afgezien van het buitenlands en veiligheidsbeleid.

8.

Positief zijn de voorstellen van de Commissie die degenen die internationale bescherming genieten, toegang bieden tot de arbeidsmarkt en tot (beroeps)opleidingen. Daarnaast verzoekt het CvdR de Commissie en de lidstaten flexibele en doeltreffende mechanismen in het leven te roepen voor de officiële erkenning van diploma's en beroepskwalificaties, zodat de arbeidsmarkt gemakkelijker toegankelijk wordt voor mensen die om internationale bescherming vragen.

9.

De uitbreiding van de rol van het EASO in de ondersteuning aan de lidstaten acht het Comité een goede zaak.

10.

Het Comité verwelkomt het uitdrukkelijk voorziene algemene recht op rechtsbijstand; dit kan ook een positief effect hebben op de beperking van de duur en het aantal beroepen bij de rechter.

11.

De uitvoering van de maatregelen inzake de opvangvoorzieningen dient gepaard te gaan met een ruimere toegang tot en ruimere gemeenschappelijke middelen. De regio’s en de lokale overheden zouden hiertoe vlotter toegang moeten krijgen en zouden asielzoekers en nieuwkomers onder de juiste voorwaarden een goede opvang moeten kunnen bieden.

12.

Het is goed dat de Commissie in haar voorstellen oog heeft voor de belangen van niet-begeleide minderjarigen en met name voorstelt dat er zo snel mogelijk een vertegenwoordiger of bijstandsverlener moet worden aangesteld. In tijden waarin de EU een groot aantal niet-begeleide minderjarigen ontvangt, kan het nodig blijken om geen bindende termijnen vast te leggen voor de aanwijzing tijdens een gerechtelijke procedure. Een dergelijke procedure is met waarborgen omgeven, zoals de aanwijzing van een tolk en onderzoekstermijnen. Maar voor die laatste bieden de Commissievoorstellen te weinig ruimte.

13.

De voorstellen voldoen aan het subsidiariteitsbeginsel, omdat zij volledig gericht zijn op problemen van grensoverschrijdende aard, zoals de solidariteit tussen de lidstaten, de totstandbrenging van een meer geïntegreerd asielstelsel en een betere uitwisseling van informatie tussen lidstaten: doelstellingen die de lidstaten afzonderlijk niet zouden kunnen nastreven; het CvdR erkent dat de voorgestelde maatregelen stabiele, uniforme regels behelzen die voor de hele EU gelden en het evenredigheidsbeginsel in acht nemen; het CvdR wenst voortdurend toezicht tijdens de gehele besluitvorming om de naleving van deze beginselen na te gaan.

COM(2016) 467 final

14.

De administratie dient voor het begrip „voogd” (artikel 4, lid 2, onder f) de onpartijdigheid en onafhankelijkheid aan te tonen van de persoon of organisatie die is aangewezen om een niet-begeleide minderjarige bij te staan en te vertegenwoordigen in de procedures waarin deze verordening voorziet.

15.

Het is aan te bevelen dat de minderjarige tijdens de gesprekken met de administratieve autoriteit die zijn verzoek behandelt, steeds wordt bijgestaan door een advocaat (artikel 22).

16.

Met het oog op het belang van de minderjarige zou het ook goed zijn (nog steeds onder verwijzing naar artikel 22) dat zijn vertegenwoordiger tijdens de gesprekken een ten opzichte van de administratie onafhankelijke persoon of instantie is die op wettelijke basis of door een gerechtelijke autoriteit benoemd is.

17.

Wat de volgende verzoeken (artikel 42) betreft, wordt aanbevolen om bij de voorlopige behandeling van het verzoek, in verband met de ontvankelijkheid ervan, na te gaan of de belanghebbende bij zijn voorafgaande verzoek gebruik heeft gemaakt van daadwerkelijke informatie en wettelijke bijstand en of dit, indien zulks niet het geval is, een volgend verzoek rechtvaardigt.

18.

Artikel 22, lid 4, krachtens hetwelk de persoon die als voogd optreedt, alleen wordt vervangen wanneer de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat hij zijn taken als voogd niet naar behoren heeft uitgevoerd, moet worden bijgesteld. De minderjarige kan bijv. van verblijfplaats wisselen en dan kan aanwijzing van een andere (plaatselijke) vertegenwoordiger nodig zijn.

19.

Wat betreft het begrip „eerste land van asiel” is het aan te bevelen dat de passage „bescherming heeft genoten” zo wordt uitgelegd dat die bescherming officieel erkend is en niet eenvoudigweg feitelijk is toegekend.

20.

Wat betreft de duur van het beroep in eerste instantie (artikel 55) benadrukt en beveelt het Comité aan dat de betreffende termijnen niet als bindend worden opgevat en dat zij (zoals het artikel uitdrukkelijk bepaalt) een adequate en volledige behandeling van het verzoek niet uitsluiten.

COM(2016) 466 final

21.

Het Comité is absoluut tegen de invoering van de periodieke herbehandeling en de procedure voor intrekking van de internationale bescherming: deze kunnen immers niet alleen extra lasten voor (ook lokale en regionale) overheden veroorzaken in de uitvoering van praktijken en taken voor de integratie van vluchtelingen, maar kunnen ook voor de belanghebbenden een bron van onzekerheid zijn. In dit verband veroordeelt het CvdR xenofobe en populistische politieke uitlatingen die tot geweld aanzetten en alle asielzoekers criminaliseren, hetgeen onnodige sociale spanningen veroorzaakt. Het roept overheden en politici op om zich verantwoordelijk op te stellen.

22.

Het Comité is ook zeer verbaasd over de invoering van een begrensde maximumduur van de internationale bescherming en over de wettigheid van de invoering hiervan. Het roept de medewetgevers op hierover nog eens na te denken.

23.

Indien de internationale bescherming wordt ingetrokken zou overwogen kunnen worden een langere periode (bijv. zes maanden) toe te kennen dan de in het Commissievoorstel vermelde periode voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor andere redenen (bijv. zoeken naar werk) aangezien het voorstel in een tamelijk korte periode voorziet (drie maanden).

COM(2016) 465 final

24.

Heroverweging verdient de bepaling in artikel 17 bis van het Commissievoorstel, volgens welke de verzoeker in een andere dan de bevoegde lidstaat geen enkel recht heeft op de in de verordening vermelde materiële voorzieningen voor bijstand en volgens welke deze voorzieningen, als hij zijn verwijdering op grond van noodzaak of overmacht rechtvaardigt, voor een beperkte termijn gegarandeerd kunnen worden, eventueel met de in artikel 19 genoemde beperkingen.

25.

Het Comité beveelt aan om artikel 23, lid 1, te wijzigen. Krachtens die bepaling kan uitsluitend in noodgevallen een andere voogd worden aangewezen. De minderjarige kan bijv. van verblijfplaats wisselen en dan kan aanwijzing van een andere (plaatselijke) vertegenwoordiger nodig zijn.

26.

Het CvdR verzoekt om heroverweging van het bepaalde in artikel 17 bis van het Commissievoorstel, dat stelt dat de lidstaten alle verzoekers een waardige levensstandaard waarborgen en dat de Europese Unie en de lidstaten verplicht om de lokale overheden ook financieel te steunen om alle verzoekers een waardige levensstandaard te kunnen waarborgen.

COM(2016) 468 final

27.

Heroverweging verdient voorts de keuze om verzoekers die de laatste vijf jaar de Europese Unie niet regulier zijn binnengekomen, van hervestiging uit te sluiten; gezien de wijdverbreide illegaliteit in verband met het vertrek uit aangrenzende landen, is deze keuze buitensporig bestraffend voor de verzoekers, die vaak slachtoffer van dit fenomeen zijn.

Brussel, 8 februari 2017.

De voorzitter van het Europees Comité van de Regio's

Markku MARKKULA


Top