Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52016AE3427

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van een veranderende marktsituatie (COM(2016) 287 final — 2016/0151 (COD))

OJ C 34, 2.2.2017, p. 157–161 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

2.2.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 34/157


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten in het licht van een veranderende marktsituatie

(COM(2016) 287 final — 2016/0151 (COD))

(2017/C 034/26)

Rapporteur:

Raymond HENCKS

Raadpleging

Europese Commissie, 6.7.2016

Rechtsgrondslag

Artikel 53, lid 1, en artikel 62 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

(COM(2016) 287 final — 2016/0151 (COD))

Bevoegde afdeling

Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij

Goedkeuring door de afdeling

6.10.2016

Goedkeuring door de voltallige vergadering

19.10.2016

Zitting nr.

520

Stemuitslag

(voor/tegen/onthoudingen)

218/2/7

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.

Nieuwe vormen van dienstverlening, nieuwe spelers en nieuwe vormen van gebruik op aanvraag hebben hun intrede gedaan op de audiovisuele markt. In het licht van deze ontwikkelingen kan een aanpassing van het Europees regelgevingskader voor audiovisuele mediadiensten dan ook niet uitblijven. Het Comité onderschrijft bijgevolg het voorstel van de Commissie om de richtlijn inzake audiovisuele mediadiensten uit 2010 te actualiseren, maar maakt daarbij de volgende kanttekeningen.

1.2.

Audiovisuele mediadiensten mogen niet louter vanuit het oogpunt van hun handelswaarde worden bekeken. De maatregelen die erop gericht zijn minderjarigen en jongeren te beschermen en de deelname van gehandicapten, ouderen, armen en kansarmen aan het sociale en culturele leven te verzekeren, mogen niet ondergeschikt worden gemaakt aan economische overwegingen.

1.3.

Het huidige artikel 7 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten, dat betrekking heeft op de toegankelijkheid voor gehandicapten, zou worden geschrapt, aangezien daarvoor de ontwerprichtlijn betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten (COM(2015) 615 final) in de plaats zou komen. Mocht deze ontwerprichtlijn uiteindelijk niet worden goedgekeurd, dan moet artikel 7 opnieuw van kracht worden en moeten de lidstaten worden verplicht om onder meer gebarentaal, ondertiteling, audiodescriptie en gemakkelijk te begrijpen menunavigatie te bevorderen.

1.4.

Het Comité is ermee ingenomen dat de Unie in een geest van culturele diversiteit aanzet tot de verspreiding van Europese producties en dat de grote aanbieders van audiovisuele mediadiensten verplicht zijn in hun programma’s en catalogi een minimumaandeel aan Europese producties op te nemen. Wel zou het graag zien dat het aan grote aanbieders van video-op-aanvraag opgelegde minimumaandeel van 20 % aan Europese producties wordt opgetrokken tot 50 %, naar het voorbeeld van het minimumaandeel dat is vastgelegd voor televisieomroepdiensten. Tevens stelt het Comité voor een minimumaandeel van 20 % op te leggen aan aanbieders met een lage omzet of een beperkt publiek, waarbij duidelijk moet worden gemaakt wat precies wordt verstaan onder „lage omzet” en „beperkt publiek”.

1.5.

De lidstaten mogen financiële bijdragen — directe investeringen in producties of bijdragen aan nationale filmfondsen — opleggen aan diensten op aanvraag die onder hun rechtsgebied vallen alsmede aan dergelijke diensten die in een andere lidstaat zijn gevestigd maar zich richten op hun nationale publiek. Het Comité verzet zich tegen deze mogelijkheid, die kan leiden tot concurrentievervalsing, aangezien sommige lidstaten ervoor zullen kiezen dergelijke bijdragen te heffen, en andere niet; bovendien is deze regeling nadelig voor de aanbieders van audiovisuele diensten van een lidstaat die bedoeld zijn voor de burgers van dat land die in een andere lidstaat wonen.

1.6.

Wat betreft de bescherming van minderjarigen kan het Comité zich vinden in het voorstel om de beschermingsnormen waaraan de aanbieders van videoplatforms zich moeten houden, af te stemmen op die voor televisieomroepdiensten. Voorts verzoekt het Comité om verduidelijking van artikel 27 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten (2010/13/EU), dat de lidstaten opdraagt ervoor te zorgen dat tijdens de uren waarin minderjarigen kijken, geen programma’s voorkomen die hun lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling ernstig zouden kunnen schaden. Het Comité zou graag zien dat deze periode duidelijk wordt afgebakend en dat publiciteit voor alcoholhoudende dranken tijdens deze uren verboden wordt.

1.7.

In het nieuwe artikel 6 wordt bepaald dat audiovisuele mediadiensten nooit mogen aanzetten tot geweld of haat jegens een groep personen, of een lid van die groep, die op basis van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid wordt gedefinieerd. Het Comité staat achter deze wijziging. Wel wil het erop wijzen dat in het nieuwe artikel 28 bis wordt nagelaten te verwijzen naar seksuele gerichtheid en handicap, en dat de gebruikte terminologie hier en daar afwijkt. Het stelt daarom voor om in artikel 28 bis, lid 1, onder b), de formulering uit artikel 6 over te nemen.

1.8.

Het Comité is ermee ingenomen dat coregulering en zelfregulering door middel van gedragscodes worden aangemoedigd, met name waar het gaat om de bescherming van alle burgers tegen inhoud die aanzet tot geweld of haat en de bescherming van minderjarigen tegen inhoud die hun ontwikkeling zou kunnen schaden, voor zover de ERGA inderdaad wordt ingesteld en kan beschikken over de nodige middelen voor de uitoefening van haar bevoegdheden, met name zoals bedoeld in artikel 30 bis, lid 3, onder c).

1.9.

Het Comité is het niet eens met het voorstel van de Commissie om meer plaats in te ruimen voor reclame en de audiovisuele mediadiensten de kans te geven flexibel om te gaan met de regels ter zake, aangezien een en ander ten koste gaat van de consument, die zal merken dat programma’s met hoge kijkcijfers tijdens de piekuren vaker en langer onderbroken worden voor reclame. De nieuwe regels voor reclameonderbrekingen dreigen ook afbreuk te doen aan de integriteit van de producties en de morele rechten van de auteurs.

1.10.

De regels voor toezicht door de nationale regelgevende instanties schieten in de ogen van het Comité tekort waar het gaat om fictieve ondernemingen die gebruikmaken van de satellietcapaciteit van een derde land om een groot publiek in een andere lidstaat te bereiken. Deze regels moeten worden herzien en aangevuld met de bepaling dat aanbieders van audiovisuele diensten die over een vergunning in een bepaalde lidstaat beschikken maar hun diensten aanbieden in een andere lidstaat, aan de regelgeving van beide lidstaten moeten voldoen.

2.   Inleiding

2.1.

Sinds 1989 bestaat er een Europees wetgevingskader voor de audiovisuele media dat culturele diversiteit en het vrije verkeer van content in de EU verzekert. De richtlijn audiovisuele mediadiensten, die al herhaaldelijk is aangepast aan de technologische en commerciële ontwikkelingen, is gericht op de harmonisatie op Europees niveau van alle nationale wetgeving inzake audiovisuele media. Op dit moment heeft de wetgeving betrekking op televisie-uitzendingen en video-op-aanvraag (VOD).

2.2.

Het landschap van de audiovisuele media verandert echter in hoog tempo als gevolg van de steeds toenemende convergentie van televisie en via internet gedistribueerde diensten. Nieuwe economische modellen en communicatietechnologieën doen hun intrede en nieuwe spelers, met name aanbieders van video op aanvraag en videoplatforms, stellen audiovisuele inhoud beschikbaar via internet.

2.3.

Voor televisieomroepdiensten en video-op-aanvraag gelden verschillende voorschriften en de niveaus van consumentenbescherming lopen uiteen. De Commissie wil de regels voor de traditionele omroeporganisaties, de aanbieders van video op aanvraag en de videoplatforms dan ook beter op elkaar afstemmen.

3.   Inhoud van het Commissievoorstel

3.1.

In het kader van haar strategie voor een digitale eengemaakte markt stelt de Commissie een aanpassing van de richtlijn audiovisuele mediadiensten voor, om zo de regels voor alle marktspelers gelijk te trekken, de Europese culturele diversiteit en Europese films te bevorderen, minderjarigen beter te beschermen, het aanzetten tot haat en geweld te bestrijden, de onafhankelijkheid van de regelgevende instanties in de audiovisuele sector te waarborgen en de omroeporganisaties de kans te bieden flexibeler om te gaan met reclame. De gewijzigde richtlijn zal tevens van toepassing zijn op onlineplatforms en op websites voor het delen van video’s en content.

3.2.

De Commissie stelt de volgende maatregelen voor.

3.2.1.   Videoplatforms moeten verantwoordelijkheid nemen

Videoplatforms moeten minderjarigen beschermen tegen schadelijke inhoud en alle burgers tegen het aanzetten tot geweld, haat of racisme. De Commissie zal alle videoplatforms verzoeken om binnen de Vereniging voor betere bescherming van minderjarigen online, samen te werken aan een gedragscode voor het bedrijfsleven. De nationale regelgevende instanties voor de audiovisuele sector zullen verantwoordelijk zijn voor de naleving van de regels; afhankelijk van de toepasselijke nationale wetgeving zullen boeten kunnen worden uitgeschreven. De in de richtlijn elektronische handel vastgelegde bepalingen inzake consumentenbescherming zullen ook van toepassing zijn op videoplatforms.

3.2.2.   Een grotere rol voor de nationale regelgevende instanties voor de audiovisuele sector

Met de inwerkingtreding van de richtlijn zullen de regelgevende instanties onafhankelijk kunnen optreden. De rol van de Europese groep van regelgevende instanties voor audiovisuele mediadiensten (ERGA), die bestaat uit de 28 nationale autoriteiten voor de audiovisuele sector, zal worden vastgelegd in de EU-wetgeving. De ERGA zal de gedragscodes op het vlak van coregulering onder de loep nemen en advies uitbrengen aan de Commissie.

3.2.3.   Meer Europese creativiteit

De Commissie dringt erop aan dat omroeporganisaties ten minste de helft van de kijktijd voor Europese producties reserveren; aanbieders van diensten op aanvraag zullen worden verplicht om een aandeel van ten minste 20 % aan Europese producties op te nemen in hun catalogi. Voorts wordt bepaald dat de lidstaten de aanbieders van diensten op aanvraag die op hun grondgebied beschikbaar zijn of worden uitgezonden, kunnen verzoeken om een financiële bijdrage te leveren aan de totstandbrenging van Europese producties.

3.2.4.   Reclame door omroeporganisaties: meer flexibiliteit

Met de nieuwe regelgeving voor de audiovisuele sector wordt de totale toegestane reclametijd tijdens de periode van 7 tot 23 uur weliswaar niet vergroot, maar krijgen de omroeporganisaties meer flexibiliteit en kunnen zij grotendeels zelf beslissen wanneer zij reclame invoegen. Zo wordt voorgesteld de beperking per uur af te schaffen en de dagelijkse hoeveelheid reclame in de periode van 7 tot 23 uur tot 20 % te beperken. Voorts zullen omroeporganisaties en aanbieders van diensten op aanvraag ook vlotter gebruik kunnen maken van sponsoring en productplaatsing.

4.   Algemene opmerkingen

4.1.

Het Comité hecht groot belang aan de diversiteit van de audiovisuele mediadiensten en is voorstander van het vrije verkeer van informatie, culturele ontwikkeling en vrije meningsvorming; daarbij mag niet worden geraakt aan de pluriformiteit van de informatie en de culturele en taalkundige verscheidenheid.

4.2.

Het Comité is ermee ingenomen dat in de richtlijn rekening wordt gehouden met de door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende grondrechten en beginselen, met name de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en de rechten van het kind.

4.3.

Het steunt de inspanningen van de Commissie om het Europees erfgoed te benutten, de creatie van Europese audiovisuele inhoud te bevorderen, en de productie en verspreiding van Europese kwaliteitsprogramma’s te stimuleren; daarbij mag niet worden geraakt aan het beginsel van de menselijke waardigheid, moet een hoog niveau van bescherming van minderjarigen, consumenten en persoonsgegevens worden geboden en moet eerlijke en billijke concurrentie worden gegarandeerd.

4.4.

Nieuwe vormen van dienstverlening, nieuwe communicatie-instrumenten, nieuwe spelers en nieuwe vormen van gebruik op aanvraag hebben hun intrede gedaan op de audiovisuele markt. In het licht van deze ontwikkelingen kan een aanpassing van het Europees regelgevingskader voor audiovisuele mediadiensten dan ook niet uitblijven.

4.5.

Gezien de complexiteit van de wetgevende bepalingen inzake audiovisuele mediadiensten zou het Comité graag zien dat de voorstellen van de Commissie om Richtlijn 2010/13/EU van 10 maart 2010 betreffende audiovisuele mediadiensten te wijzigen en aan te vullen, worden opgenomen in een geconsolideerde versie, om zo de tekst te verduidelijken en logischer te maken.

4.6.

Audiovisuele mediadiensten zijn cruciale openbare diensten van economische, sociale en culturele aard, die waarden en zin overdragen en grotendeels onder de mensenrechten vallen, en niet mogen worden behandeld als diensten van louter commerciële waarde. Dit is met name belangrijk waar het gaat om minderjarigen en jongeren, aangezien de media een steeds grotere rol spelen in onderwijs en opvoeding en audiovisuele mediadiensten mede bepalend zijn voor de manier waarop luisteraars en kijkers zich een mening vormen; daarnaast echter zijn toegankelijke en betaalbare mediadiensten van cruciaal belang voor de deelname van gehandicapten, ouderen, armen en kansarmen aan het sociale en culturele leven.

4.7.

Het huidige artikel 7 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten, dat uiterst vaag en weinigzeggend is, wordt geschrapt en zou worden vervangen door de richtlijn betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten (COM(2015) 615 final), een tekst die zich echter nog in de ontwerpfase bevindt.

4.8.

Mocht de Commissie niet slagen in haar voornemen om een algemeen wetgevingskader voor de toegankelijkheid van producten en diensten uit te werken, conform het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, dan moeten meer bindende wetgevende bepalingen worden opgenomen in een nieuw artikel 7 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten, waarbij de lidstaten worden verplicht om onder meer gebarentaal, ondertiteling, audiodescriptie en gemakkelijk te begrijpen menunavigatie te bevorderen, overeenkomstig overweging 46 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten van 2010. Er zij in dit verband op gewezen dat het aantal twee- of meertaligen opvallend hoog is in de lidstaten waar ondertiteling gebruikelijk is.

4.9.

Het Comité is ermee ingenomen dat de Unie in een geest van culturele diversiteit aanzet tot de verspreiding van Europese producties en dat de grote aanbieders van audiovisuele mediadiensten verplicht zijn in hun programma’s en catalogi een bepaald percentage aan Europese producties op te nemen.

4.10.

Grote aanbieders van VOD-diensten worden verplicht ten minste 20 % Europese producties op te nemen; zij hoeven daarvoor echter geen extra inspanningen te doen aangezien dit streefdoel nu al behaald wordt (zie de statistieken van het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector). Bovendien gaat het om een zeer bescheiden percentage in vergelijking met het minimumaandeel aan Europese producties waaraan de aanbieders van lineaire televisieomroepdiensten zich moeten houden, nl. 50 %. Het minimumaandeel voor VOD-diensten zou dus gelijk moeten worden getrokken met het aandeel voor televisieomroepdiensten.

4.11.

Het Comité plaatst vraagtekens bij de mogelijkheid om in dit verband uitzonderingen toe te staan voor kleine en middelgrote ondernemingen met een lage omzet of een klein publiek, aangezien dat zou kunnen neerkomen op concurrentievervalsing. Er zou een minimumaandeel van 20 % moeten worden opgelegd, en de Commissie zou moeten verduidelijken wat precies wordt verstaan onder „lage omzet” en „klein publiek”.

4.12.

De lidstaten mogen financiële bijdragen — directe investeringen in producties of bijdragen aan nationale filmfondsen — opleggen aan diensten op aanvraag die onder hun rechtsgebied vallen alsmede aan dergelijke diensten die in een andere lidstaat zijn gevestigd maar zich richten op hun nationale publiek.

4.13.

Het Comité verzet zich tegen het facultatieve karakter van deze maatregel, die kan leiden tot concurrentievervalsing, aangezien sommige lidstaten ervoor zullen kiezen dergelijke bijdragen te heffen en andere niet, en bovendien nadelig kan zijn voor de audiovisuele diensten van een lidstaat die bedoeld zijn voor zijn burgers in een andere lidstaat.

4.14.

Wat betreft de bescherming van minderjarigen kan het Comité zich vinden in het voorstel uit de ontwerprichtlijn om de normen inzake bescherming waaraan de aanbieders van videoplatforms zich moeten houden, af te stemmen op die voor televisieomroepdiensten. Wel verzoekt het Comité om verduidelijking van artikel 27 van de richtlijn audiovisuele mediadiensten (2010/13/EU), op grond waarvan de lidstaten ervoor moeten zorgen dat wanneer minderjarigen kijken, geen programma’s mogen worden uitgezonden die hun lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling ernstig zouden kunnen schaden. Het Comité zou graag zien dat deze periode duidelijk wordt afgebakend en dat het tijdens deze uren verboden wordt publiciteit uit te zenden voor alcoholhoudende dranken, vrij verkrijgbare geneesmiddelen en voedingsmiddelen die als schadelijk worden beschouwd omdat ze obesitas bij kinderen in de hand werken.

4.15.

Het Comité is ermee ingenomen dat coregulering en zelfregulering door middel van gedragscodes worden aangemoedigd, met name waar het gaat om de bescherming van alle burgers tegen inhoud die aanzet tot geweld of haat en de bescherming van minderjarigen tegen inhoud die hun ontwikkeling zou kunnen schaden; dergelijke gedragscodes moeten breed worden gedragen door de belangrijkste spelers. Het Comité herinnert eraan (1) dat zelfregulering en coregulering pas juridische erkenning kunnen krijgen als geldige instrumenten als hun vorm en toepassingsgebied uitdrukkelijk en expliciet zijn vastgelegd in dwingende en juridisch toepasselijke rechtsbepalingen, hetzij op nationaal hetzij op EU-niveau; daarbij mag niet worden geraakt aan de aard van deze instrumenten, en dient met name rekening te worden gehouden met het feit dat het om vrijwillige overeenkomsten gaat. Het is in dit verband van bijzonder belang dat de ERGA wordt ingesteld en kan beschikken over de nodige middelen voor de uitoefening van haar bevoegdheden, met name zoals bedoeld in artikel 30 bis, lid 3, onder c).

4.16.

De Commissie wil meer plaats inruimen voor reclame en op dat vlak meer flexibiliteit inbouwen, en dat voor alle audiovisuele mediadiensten. Dat houdt in dat televisiefilms, cinematografische producties en nieuwsprogramma’s één keer per geprogrammeerd tijdvak van ten minste 20 minuten kunnen worden onderbroken voor reclame of telewinkelen, terwijl er op dit moment nog ononderbroken tijdvakken van ten minste 30 minuten zijn; dat komt neer op één mogelijke extra onderbreking per uur. Waar op dit moment per uur maximum 20 % van de tijd aan reclame mag worden besteed, oftewel 12 minuten per uur, bedraagt het dagelijkse aandeel van televisiereclame- en telewinkelspots in het nieuwe voorstel maximaal 20 % tijdens de periode van 7 tot 23 uur, of 192 minuten in totaal. Daarnaast worden afzonderlijke spots toegestaan en worden de bepalingen inzake sponsoring en productplaatsing flexibeler.

4.17.

Een en ander komt erop neer dat de uitzendingen in kwestie tijdens door omroeporganisaties gekozen uren vaker en langer kunnen worden onderbroken, op voorwaarde dat tussen 7 en 23 uur in totaal niet meer dan 192 minuten worden besteed aan reclame.

4.18.

Het moge duidelijk zijn dat voortaan voornamelijk de programma’s met hoge kijkcijfers tijdens de piekuren zullen worden onderbroken voor reclame, terwijl er ’s ochtends vroeg en ’s avonds laat nauwelijks reclame zal worden uitgezonden, zodat het maximum van 20 % reclame op een dag niet wordt overschreden. Deze nieuwe regels voor reclameonderbrekingen dreigen afbreuk te doen aan de integriteit van de producties en de morele rechten van de auteurs.

4.19.

Het Comité wijst deze nieuwe regels inzake reclame van de hand en pleit voor behoud of zelfs verscherping van de huidige bepalingen ter zake, zoals al in eerder adviezen te lezen staat.

4.20.

Ook wijst het erop dat kan worden afgestapt van het verschil tussen lineaire en niet-lineaire diensten, dat door de digitale ontwikkelingen is vervaagd.

4.21.

De maatregelen ter waarborging van de onafhankelijkheid van de onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties voor de audiovisuele sector, kunnen de goedkeuring van het Comité wegdragen; in bepaalde lidstaten was de juridische en functionele scheiding van andere particuliere entiteiten namelijk niet verzekerd, wat aanleiding gaf tot misbruik.

4.22.

De regels inzake toezicht door de nationale regelgevende instanties schieten tekort waar het gaat om fictieve ondernemingen die gebruikmaken van de satellietcapaciteit van een derde land om een groot publiek in een andere lidstaat te bereiken. Om dergelijk misbruik te voorkomen dient in de richtlijn te worden bepaald dat aanbieders van audiovisuele diensten die over een vergunning in een bepaalde lidstaat beschikken maar hun diensten aanbieden in een andere lidstaat, aan de regelgeving van beide lidstaten moeten voldoen.

Brussel, 19 oktober 2016.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Georges DASSIS


(1)  PB C 248 van 25.8.2011, blz. 118.


Top