Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52014AE0637

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Programma „Schone lucht voor Europa” (COM(2013) 918 final), over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG (COM(2013) 920 final — 2013/0443 (COD)), over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (COM(2013) 919 final — 2013/0442 (COD)), en over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de aanvaarding van de wijziging van het Protocol van 1999 inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand (COM(2013) 917 final)

OJ C 451, 16.12.2014, p. 134–141 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

16.12.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 451/134


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Programma „Schone lucht voor Europa”

(COM(2013) 918 final),

over het

voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG

(COM(2013) 920 final — 2013/0443 (COD)),

over het

voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties

(COM(2013) 919 final — 2013/0442 (COD)),

en over het

voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de aanvaarding van de wijziging van het Protocol van 1999 inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand

(COM(2013) 917 final)

(2014/C 451/22)

Rapporteur:

Antonello PEZZINI

Het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie hebben op resp. 13 januari 2014, 15 januari 2014 en 18 december 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig de artikelen 192 en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — Programma „Schone lucht voor Europa”

COM(2013) 918 final,

over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad ter vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG

COM(2013) 920 final — 2013/0443 (COD),

over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties

COM(2013) 919 final — 2013/0442 (COD),

en over het

Voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de aanvaarding van de wijziging van het Protocol van 1999 inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand

COM(2013) 917 final.

De afdeling Landbouw, Plattelandsontwikkeling en Milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 19 juni 2014 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 9 en 10 juli 2014 gehouden 500e zitting (vergadering van 10 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 82 stemmen vóór en 1 stem tegen, zonder onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Comité stelt met klem dat een gezond klimaat en optimale kwaliteit van schone lucht gegarandeerd moeten zijn als fundamentele welzijnsvoorwaarde voor het leven en werken van alle Europese burgers, en betreurt het dat dit essentiële onderdeel niet langer tot de prioriteiten met het nodige gewicht behoort op de Europese en nationale politieke agenda.

1.2

Het EESC verzoekt het nieuwe Parlement, de nieuwe Commissie en de Raad om aan de waarborging van een gezonde en schone atmosfeer in de toekomst van de Europese instellingen de hoogste politieke prioriteit toe te kennen, met maximale inbreng van de sociale partners en maatschappelijke organisaties.

1.3

Volgens het Comité is luchtverontreiniging een van de grootste gevaren voor de gezondheid van de mens en het milieu, met erg negatieve gevolgen in verband met ademhalingsproblemen, vroegtijdige sterfte, eutrofiëring en de achteruitgang van ecosystemen. Daarom is het ingenomen met het initiatief van de Commissie om een nieuw programma „Schone lucht” in te voeren en om de verwachte daling in de levensverwachting in de EU, met 8,5 maand in 2005, terug te brengen tot 4,1 maand in 2030, wat een winst betekent van 180 miljoen levensjaar en 2 00  000 km2 die aan biodiversiteit wordt teruggegeven.

1.3.1

Om vaart te zetten achter de overgang naar een duurzamere economie in Europa is het volgens het Comité geboden om voor 2030 een doelstelling te bepalen, met een voor de middellange termijn veiliger perspectief, waar de ondernemingen en investeerders behoefte aan hebben.

1.4

Het EESC pleit voor versnelde invoering van de grenswaarden voor Euro 6 voor de emissie van stikstofoxide door lichte dieselmotoren, gemeten op basis van „feitelijke emissies tijdens het rijden”. Hetzelfde geldt voor de bepalingen ter vervanging van tweetaktmotoren, omdat het Comité betwijfelt of de toepassing van deze maatregelen al vanaf 2020 de gewenste resultaten zullen kunnen opleveren.

1.5

Het EESC onderschrijft de uiteindelijke doelstelling van de Commissie, vervat in het programma Schone lucht en in het kader Energie en Klimaat 2020-2030, om de emissiedrempel voor 2030 te bepalen op 70 % van de beperking van de kloof tussen de huidige relevante wetgeving en de maximaal haalbare emissiereductie, MTFR.

1.6

In het streven naar dat resultaat, dat door alle betrokkenen moet worden onderschreven en uitgevoerd, is volgens het Comité vastberaden actie nodig, met onder andere:

verplichte reductie van de uitstoot van methaan in 2020 en van kwik in 2020, 2025 en 2030;

strengere grenzen aan de uitstoot van middelgrote stookinstallaties;

weigering van eventuele afwijkingen op de richtlijn inzake industriële uitstoot als er concreet gevaar voor de gezondheid is;

speciale acties voor de reductie van ammoniak en methaan in de landbouw;

strengere maatregelen voor de uitstoot in het vervoer, inclusief „feitelijke” meetsystemen, en de toepassing van tests in die zin in 2014, op het moment dat de Euro 6-normen worden ingevoerd;

vastbesloten invoering, vóór 2016, van de IMO-normen voor NOx en SO2 voor schepen, zoals afgesproken in 2008, voor alle maritieme gebieden rondom Europa als beheersgebieden voor emissies;

maatregelen voor strenge normen voor fijnstof — PM — voor nieuwe huishoudelijke toestellen;

ontwerp van milieuvriendelijke machines en installaties;

volledige toepassing van de levenscyclus van producten, LCA;

voorspelbaarheid, op middellange en lange termijn, en geen overlapping van interventiemaatregelen;

steun voor educatie en voorlichting van consumenten, werknemers en jongeren t.a.v. het behoud en de ontwikkeling van een wereld voor productie, recreatie en gezond wonen;

bevordering van onderzoek en investeringen in verband met innovatieve markttoepassingen (BAT), duurzame groei en gezonde en duurzame werkgelegenheid;

internationaal aspect van acties voor een duurzaam milieu;

gegarandeerde samenhang tussen deze nieuwe strategie en de overige EU-maatregelen en doelstellingen.

1.7

Het Comité staat geheel achter de integratie in de EU-wetgeving van de wijzigingen die zijn overeengekomen in het Protocol bij het Verdrag uit 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand.

1.8

Ook al staan de kwaliteitsdoelstellingen voor de lange termijn van de onderhavige NERC-richtlijn niet ter discussie, het stelt het EESC teleur dat de doelstellingen voor 2025 niet bindend zijn, zodat volledige naleving niet is gewaarborgd.

1.9

In het kader van het regionale beleid moet dus actie worden ondernomen om een gezonde en schone atmosfeer te beschermen, ervan uitgaand dat luchtkwaliteitsbeheer alleen zin heeft indien het geschraagd wordt door EU-beleid voor reductie van de uitstoot, vanwege het hoge niveau opgehoopte verontreiniging en de specifieke regionale meteorologische omstandigheden.

1.10

Permanente inzet van regeringen en lokale overheden is nodig voor de programmering van concrete maatregelen voor de beperking van schadelijke emissies, door voorbereiding van uitgebreide plannen voor de luchtkwaliteit, PRIA, regionale plannen voor luchtkwaliteitsmaatregelen, met ruime aandacht voor diverse sectoren: productie, landbouw, tertiaire en private sector, alsook opwekking en distributie van energie. Van de Commissie dient een duidelijk signaal uit te gaan over de feitelijke toepassing ervan, met niet mis te verstane maatregelen voor lidstaten die in gebreke blijven. Het EESC beseft echter dat diverse lidstaten al stappen in de goede richting hebben gezet.

1.11

Er dienen acties te worden georganiseerd voor het betrekken van maatschappelijke en bedrijfsorganisaties, ngo's, de tertiaire sector, opleidingscentra, op alle niveaus, onderzoekscentra, om te komen tot steeds schonere lucht, die onontbeerlijk is voor het welzijn van de burger en het ecosysteem.

1.12

Het EESC blijft ervan overtuigd dat de duurzame ontwikkeling van de Europese economie een nieuwe impuls nodig heeft waarmee de levenskwaliteit, de arbeid en de gezondheid van de burgers gebaat zijn, in nauwe samenhang met alle beleidsprioriteiten van Europa 2020 en ingebed in een algehele strategie voor de overgang naar een mondiaal evenwicht, gebaseerd op kwalitatieve economische groei die bijdraagt aan bestrijding van armoede en sociaal onrecht en waarbij tegelijk de natuurlijke hulpbronnen voor toekomstige generaties behouden blijven.

2.   Inleiding

2.1

Luchtverontreiniging is een ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens en het milieu: ademhalingsproblemen, vroegtijdige sterfte, eutrofiëring en de achteruitgang van ecosystemen door de afzetting van stikstof en zure stoffen zijn maar enkele van de gevolgen van dit probleem, dat tegelijk lokaal en grensoverschrijdend is.

2.2

In de afgelopen decennia heeft het door de EU en de internationale gemeenschap gevoerde beleid al successen geoogst en is de luchtverontreiniging in bepaalde opzichten afgenomen, zoals in het geval van de emissie van zwaveldioxide — de bron van zure regen — die met ruim 80 % is teruggedrongen.

2.3

Ondanks deze vooruitgang is de EU nog ver verwijderd van de doelstelling op lange termijn, te weten de luchtkwaliteit zó verbeteren dat mens en milieu geen gevaar meer lopen. Kleine deeltjes en ozon in de troposfeer blijven echter voor ernstige problemen zorgen die volgens ramingen van de Commissie (1) jaarlijks tot 4 06  000 sterfgevallen leiden.

2.4

Met name fijne zwevende deeltjes en ozon blijven een ernstig risico voor de gezondheid: de grenswaarden voor deze substanties worden regelmatig overschreden.

2.5

De Commissie schat dat het totaal van externe medische kosten ten gevolge van luchtverontreiniging 330 tot 940 miljard euro per jaar beloopt, terwijl de doelstellingen voor 2030 voordelen van 44 à 140 miljard euro zouden opleveren.

2.6

Luchtverontreiniging leidde in de EU in 2010 volgens de Commissie niet alleen tot honderdduizenden vroegtijdige sterfgevallen; ook stond bijna twee derde van het grondgebied bloot aan schadelijke vervuiling. En dat vanwege de emissies.

2.7

De kosten van ziekenhuisopnames van Europese burgers worden op ruim 4 miljard euro geschat en jaarlijks gaan er zo'n 100 miljoen arbeidsdagen verloren.

2.8

In december 2012 hebben de VS de jaarlijkse normen voor luchtkwaliteit gewijzigd. Voor fijn stof is de limiet 12 microgram/m3, ofwel ruim onder de huidige EU-norm van 25 microgram/m3. In China heeft de regering beslist de komende vijf jaar alleen al voor Peking 160 miljard euro te investeren voor het controleren van de luchtkwaliteit. De EU loopt dus achter op de internationaal genomen maatregelen.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het EESC staat in het algemeen achter het streven naar een wezenlijke verbetering van de luchtkwaliteit dankzij de overgang naar een koolstofarme economie, om zowel de gezondheid als het milieu te beschermen, zoals vervat in de strategie tegen luchtverontreiniging uit 2005, en door de Commissie herzien in het programma „Schone lucht voor Europa”.

3.2

Vanaf het begin werden de doelstellingen voor een geringere uitstoot voor elke lidstaat toegewezen op basis van kostenefficiëntie in verband met de uiteenlopende milieuomstandigheden. De vereiste emissiereducties verschillen van land tot land, uitgaande van een „gedifferentieerde aanpak in plaats van een gelijke belasting”.

3.2.1

Gezien de schade van luchtverontreiniging voor de gezondheid en de levenskwaliteit, alsook voor de ecosystemen, vreest het Comité dat dit thema niet langer met het nodige gewicht tot de prioriteiten behoort op de Europese en nationale politieke agenda. Om vaart te zetten achter de overgang naar een duurzamere economie in Europa is het geboden om voor 2030 een doelstelling te bepalen met een perspectief voor de middellange termijn, waar de ondernemingen en investeerders behoefte aan hebben.

3.3

Bij de herziening van de strategie tegen luchtverontreiniging wordt getracht een eind te maken aan de huidige schendingen van bestaande kwaliteitsnormen om uiterlijk in 2020 te komen tot volledige naleving, door de NOx-uitstoot van lichte dieselmotoren te verlagen aan de hand van Euro 6, gemeten op basis van de „reële uitstoot tijdens het rijden”. Het EESC betwijfelt of zulke maatregelen al vanaf 2020 tot het gewenste resultaat zullen kunnen leiden, aangezien de verplichting pas in 2017 ingaat en de vervanging van het huidige wagenpark in 2020 waarschijnlijk nog niet voltooid zal zijn.

3.4

Die strategie is voorts gebaseerd op acties die op lokaal en regionaal niveau worden uitgevoerd, met alle beperkingen die met zulke maatregelen gepaard gaan: tot nu toe waren regionale maatregelen in beperkte mate doeltreffend, vooral voor het hoge niveau van luchtverontreiniging en voor bepaalde regionale meteorologische omstandigheden. Het EESC is ervan overtuigd dat het beheer van de luchtkwaliteit op dit niveau slechts kan werken met steun van EU-beleid voor reductie van de emissies aan de bron.

3.5

De Commissie moet volgens het Comité rekening houden met tal van gelijkwaardige en even belangrijke factoren:

beoordeling kosten/doeltreffendheid van voorgestelde maatregelen;

duurzaam concurrentievermogen en innovaties;

internationaal aspect van een duurzaam milieu;

bestrijding van bureaucratie en vereenvoudiging van procedures;

samenhang en coördinatie tussen de diverse relevante EU-beleidsgebieden;

EU- en nationale steun voor educatie en opleiding op dit gebied;

toespitsing van de EU- en nationale onderzoeks- en innovatie-inspanningen (O&I) op de toepassing van de beste markttechnologieën;

onverkorte toepassing van nieuwe kwaliteitsnormen in alle betrokken sectoren.

3.5.1

Volgens het Comité moet de politieke prioriteit in Europa en de lidstaten blijven uitgaan naar: onderzoek en innovatie en opleiding en educatie, die gericht moeten zijn op herstel van de groei en duurzame banen, alsook op een betere, kwalitatieve herindustrialisering van de Europese economie, met name voor kleine, middelgrote en startende ondernemingen, zonder gebukt te gaan onder de huidige Europese begrotingsbeperkingen.

3.6

Voorts moet de samenhang worden gewaarborgd tussen deze nieuwe, herziene strategie en de overige beleidsgebieden van de Unie. Het is immers een feit dat, hoewel het verbranden van hout in woningen tot een fijnstofuitstoot van PM 2,5 leidt, het gebruik ervan als alternatieve bron van energie wordt aangemoedigd. Dit zou een emissieclassificatie van apparaten vereisen, en een evaluatie van het rendement.

3.7

In ieder geval moet volgens het EESC vóór 2015 in het internationale klimaatakkoord rekening worden gehouden met een reeks gelijkwaardige en even belangrijke factoren.

3.8

Het is van belang op Europees niveau de publiek-private partnerschappen (PPP) te stimuleren, zoals de gemeenschappelijke onderneming voor het initiatief Clean Sky 2 2014-2020, voor de reductie van luchtvaartemissies en als bijdrage aan het onderzoek in het kader van Verordening 71/2008/EG en het kaderprogramma Horizon 2020.

4.   Specifieke opmerkingen (I)

4.1   Het Verdrag uit 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand

4.1.1

Het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand is gesloten onder auspiciën van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) en vormt het belangrijkste internationale rechtskader voor samenwerking en acties om luchtverontreiniging te beperken en geleidelijk te verminderen aan de hand van de acht protocollen, waaronder het protocol van 1999.

4.1.2

Het EESC onderschrijft de omzetting van de wijzigingen op het protocol in EU-wetgeving.

4.2   Het herziene richtlijnvoorstel voor de nationale limieten voor NERC-emissies

4.2.1

Het richtlijnvoorstel bepaalt nationale emissiereductiedoelstellingen („NERC's”) voor 2020, 2025 en 2030 voor elke lidstaat, uitgedrukt in een reductiepercentage van de jaarlijkse emissie van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), ammoniak (NH3), vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan, fijn stof (PM 2,5) en methaan (CH4), afgezet tegen de totale uitstoot van elk van deze verontreinigende stoffen door elke lidstaat in 2005.

4.2.2

De voorbije 20 jaar is de luchtkwaliteit fors verbeterd en de antropogene atmosferische uitstoot gedaald dankzij Unie- en lidstaatbeleid en -strategieën inzake luchtverontreiniging, met als doel op lange termijn een luchtkwaliteit te bereiken zonder negatieve gevolgen of ernstige risico's voor de gezondheid van de mens of voor het milieu, zoals vastgelegd in het 7e Milieuactieprogramma (2).

4.2.3

Dit lijkt vanzelfsprekend, ook al is de vooruitgang van de luchtkwaliteit duidelijk vertraagd. In feite zijn de nu voorgestelde doelen minder ambitieus dan het niveau dat de lidstaten zouden bereiken als ze de verplichtingen uit de bestaande EU-wetgeving volledig zouden toepassen.

4.2.4

Ook al staan de kwaliteitsdoelstellingen voor de lange termijn vrijwel niet ter discussie, het stelt het EESC teleur dat de doelstellingen voor 2025 niet bindend zijn, gezien de moeilijkheden om de huidige normen na te leven.

4.2.5

Volgens het EESC zijn uitgebreide platforms geboden voor specifieke en interactieve dialogen om de bepalingen uit het richtlijnvoorstel op hun waarde te schatten.

4.3   Richtlijnvoorstel over de emissies van middelgrote stookinstallaties

4.3.1

Uitbreiding van de controle van emissies van voor de atmosfeer verontreinigende stoffen uit stookinstallaties met een nominaal thermisch vermogen van 1 tot 50 MW, die voor allerlei toepassingen worden gebruikt, moet gepaard gaan met vereenvoudigde, niet al te belastende procedures om de ontwikkeling van het midden-en kleinbedrijf en starters te ondersteunen, alsook van minder omvangrijke infrastructuurwerken.

5.   Specifieke opmerkingen (II)

5.1

Verontreinigende stoffen kunnen worden uitgestoten door diverse bronnen en over lange afstand verplaatst worden.

5.2

Om het programma „Schone lucht voor Europa” volledig uit te voeren, zouden de regio's na raadpleging van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld Actieplannen voor de luchtkwaliteit (APL) moeten voorbereiden en goedkeuren, waarin vooral rekening gehouden wordt met:

weg-, zee- en luchtvervoer en mobiliteit;

energieopwekking en -verbruik;

het productiesysteem;

de tertiaire sector;

landbouw, veeteelt en bosbouw;

de particuliere sector.

5.3

Het door de Commissie goedgekeurde pakket „Schone lucht” bouwt voort op het tot nu toe ontwikkelde beleid om de bestrijding van de luchtverontreiniging, in weerwil van de politieke agenda, voort te zetten en te intensiveren.

5.3.1

Het is essentieel dat het regionale, lokale en nationale niveau bij dit proces betrokken wordt, samen met de sociale partners en maatschappelijke organisaties.

5.4   Voorstellen voor plaatselijke omzetting van het pakket Schone lucht

5.4.1

Lokale uitvoering van het pakket Schone lucht vergt de nodige synergie met diverse niveaus:

afval, terugwinning van energie, beperking van de afvalproductie per persoon, herwinning van materiaal;

vervoer en mobiliteit, ontwikkeling van openbaar vervoer, fietspaden, bevordering van mobiliteit en lage CO2-emissie, integratie van vervoerswijzen, maritiem en luchtverkeer;

ruimtelijke ordening en stadsplanning, bodemgebruik, ontwikkeling van nieuwe vestigingsmodellen, herijking van gebouwen;

landbouw en veeteelt, hout-, bos- en energieketen (nul km), biomassa en biogas, terugdringing van ammoniakuitstoot, koolstofputten;

industrie, technologische ontwikkeling met beperkte milieu-impact, innovatie en kwaliteitscertificering (ISO 14  000 en EMAS), aandacht voor milieuvriendelijk ontwerpen, milieukeurmerken voor producten, energiebeheersystemen en naleving van verordeningen inzake verbruik van elektromotoren;

5.4.2

De omzetting op lokaal niveau moet ook rekening houden met dringender acties, in verband met de plaatselijke economie en productiesector en regels vaststellen voor de verbranding van biomassa, naast verplichtingen en prikkels om het wagenpark te vernieuwen.

5.5

Maatregelen ter verdere beperking van de emissie van SO2 (zwaveldioxide) zijn geboden, vooral in regio's met veel industriële verbrandingsinstallaties, waar energie wordt opgewekt of brandstoffen worden verwerkt.

5.6   Maatregelen in de landbouw

5.6.1

In de gehele EU, met name in de regio's met veel landbouw, dienen maatregelen te worden ingevoerd ter beperking van NH3 (ammoniak), N2O (distikstofoxide), CH4 (methaan) en VOS (vluchtige organische stoffen), naar analogie van de maatregelen die al in diverse lidstaten gelden. Het gebruik van stikstofmeststoffen en meststoffen uit de mestcyclus is de belangrijkste bron (98 %) van de uitstoot van NH3, dat, door te reageren met SO2 en NO2, ammoniumzouten vormt, het hoofdbestanddeel van fijn stof.

5.6.2

Uiterst belangrijk lijken: volledige naleving van de Nitraatrichtlijn (Richtlijn 91/676/EEG), verplichte afdekking van de opslagtanks voor dierlijke mest, scheppen van recyclagesystemen via anaërobe vergisting voor de productie van digestaat, dat enigszins vergelijkbaar is met kunstmest, adequaat beheer van mest en van spreiding van het voor de gezondheid schadelijke mestvocht. Maar bij die maatregelen moet goed worden gekeken naar het evenwicht tussen economische, sociale en ecologische belangen: het terugdringen van emissies in de landbouw is bijzonder complex en vereist meer middelen voor onderzoek en innovatie.

5.6.3

De gebruikte landbouwmachines zouden weinig stof moeten uitstoten.

5.6.4

Het EESC benadrukt dat er voor de sector al een reeks bepalingen geldt, die echter nog ten volle moeten worden uitgevoerd. Het blijft erbij dat de Commissie de kans heeft gemist om een geconsolideerd regelgevingskader vast te stellen om de emissies aan banden te leggen. Runderen vallen buiten het toepassingsgebied van deze mededeling. Er zijn echter andere normen voor de runderen, die het meest aan de ammoniakuitstoot bijdragen.

5.7   Maatregelen in stadscentra

5.7.1

In stadscentra en zones met veel verkeer moet bijzondere aandacht uitgaan naar de emissie van PM 2,5, PM 10 (fijn stof met een diameter van minder dan 10 micrometer), CO en CO2 (koolstofmonoxide en koolstofdioxide) en de terugdringing van NOx. Stoffilters in dieselmotoren — en met experimentele filters ook in benzinemotoren — kunnen een efficiëntie bereiken van ruim 90 % in de reductie van de emissie.

5.7.2

In scholen en kantoren aan straten met veel verkeer dienen de zowel doorzichtige als ondoorzichtige wanden geïsoleerd te worden om de verontreiniging met VOS en fijn stof (PM10 en PM2,5) (3) te beperken.

5.8   Maatregelen in het vervoer op de verschillende niveaus (lokaal, regionaal, nationaal en Europees)

5.8.1

Bedrijfsvoertuigen en voertuigen voor personenvervoer van het type Euro 3 moeten vervangen worden door voertuigen van het type Euro 5 en 6 door beperking van het verkeer en met prikkelende maatregelen. Op dezelfde wijze dienen tweetaktmotoren (motoren, bromfietsen, motorzagen en grastrimmers) van het type Euro 1 vervangen te worden. In dit verband is het zaak om op de diverse lokale, regionale en nationale niveaus:

5.8.1.1

zonder de termijn 2017 af te wachten — zodra het mogelijk is op communautair en nationaal niveau adequate methoden in te voeren voor het meten van NOx van lichte dieselvoertuigen, vanwege de forse negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit in de steden;

5.8.1.2

op nationaal en regionaal niveau de verspreiding van methaan en LPG (liquefied petroleum gas), waterstof, vloeibaar aardgas, ethanol en andere geavanceerde biobrandstoffen te ondersteunen; de elektrische mobiliteit en het netwerk van oplaadpunten snel uit te breiden; toe te staan dat de emissieklasse van een voertuig wordt vastgesteld aan de hand van elektronische apparatuur in het voertuig;

5.8.1.3

de distributie van methaangas uit te breiden via financiële steun op EU-, nationaal en lokaal niveau aan bedrijven en/of gemeenten voor de aanleg en/of uitbreiding van bestaande netwerken;

5.8.1.4

de investeringen in lokaal openbaar vervoer te financieren aan de hand van meerjarige EU-projecten die mede op nationaal en lokaal niveau gefinancierd worden. Autobussen dienen:

milieuvriendelijk te zijn, rijdend op alternatieve brandstoffen;

hybride te worden aangedreven;

elektrisch te zijn (geheel elektrisch, met accu's) en geladen via stopcontact of met inductiesysteem (Faraday).

5.8.1.5

de interactieve mogelijkheden aan te grijpen van vaste structuren, informatica en de vervoerswijzen. Met name moet het gebruik worden gesteund van materialen die fotokatalytische stoffen met nanopigmenten van titaandioxide (TiO2) bevatten, die moleculen van verontreinigende stoffen afbreken en omzetten in voor de gezondheid onschadelijke stoffen (wegen, verkeersdrempels, bepleistering en andere bouwwerken). In dit verband zij geattendeerd op de verkeersknooppunten met een gepatenteerde deklaag „i.active COAT” van Italcementi, met een luchtzuiverende en helder retroreflecterende functie.

Brussel, 10 juli 2014.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  COM(2013) 918 final.

(2)  COM(2012) 710 final.

(3)  Zie de norm UNI EN 15242:2008 Ventilatie van gebouwen — Berekeningsmethoden voor de bepaling van de luchtvolumestroom en de infiltratie in gebouwen.


Top