Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52013AE3456

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (Herschikking) COM(2013) 162 final — 2013/0089 (COD)

OJ C 327, 12.11.2013, p. 42–46 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

12.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 327/42


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (Herschikking)

COM(2013) 162 final — 2013/0089 (COD)

2013/C 327/09

Algemeen rapporteur: Bernardo HERNÁNDEZ BATALLER

De Raad en het Europees Parlement hebben op resp. 15 en 16 april 2013 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité, overeenkomstig art. 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (Herschikking)

COM(2013) 162 final — 2013/0089 (COD).

Op 16 april 2013 heeft het bureau de afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie met de voorbereidende werkzaamheden belast.

Tijdens zijn op 10 en 11 juli 2013 gehouden 491e zitting (vergadering van 11 juli 2013) heeft het Comité wegens de urgentie van de werkzaamheden de heer Hernández Bataller als algemeen rapporteur aangewezen en onderstaand advies uitgebracht, dat met 116 stemmen vóór, bij 2 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Gezien het onbetwistbare economische belang van merken en de positieve impact daarvan op de werking van de interne markt, is het huidige rechtskader voor supranationale bescherming duidelijk ontoereikend. Met dit voorstel voor een richtlijn wordt echter een stap vooruitgezet ten opzichte van de huidige situatie, die wordt gekenmerkt door grote verschillen tussen de regelingen voor gemeenschapsmerken en die voor nationale merken.

1.2

Het EESC pleit derhalve voor een betere bescherming van de intellectuele eigendomsrechten die zijn verbonden aan het rechtmatig gebruik van een handelsmerk, alsook, voor zover mogelijk, voor een Europese registratie van merken. Tevens moedigt het EESC de Commissie ertoe aan het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) te steunen bij het toezicht op de naleving van deze rechten.

1.3

Volgens het recht van de Unie beschikt de houder van een merk zowel over het uitsluitende recht om het merk voor winstgevende doeleinden te gebruiken (ius utendi) als over de mogelijkheid om te voorkomen dat het gebruik ervan wordt gehinderd door acties van derden door middel van imitatie of wederrechtelijke toeëigening van de onderscheidende kenmerken (ius prohibendi). Het EESC zou graag zien dat er preventieve en herstelmaatregelen worden genomen tegen piraterij, waardoor de concurrentiepositie van Europese bedrijven wordt ondermijnd.

1.4

Maar in de huidige regelgeving wordt niet duidelijk aangegeven wanneer de houder van een merk de nodige actie mag ondernemen om een dergelijk gebruik te voorkomen.

1.5

Dit hele harmoniseringsproces zou de komende jaren moeten leiden tot de onderlinge afstemming van het merkenrecht en uiteindelijk tot Europese regelgeving voor merken in het kader waarvan o.a. een flexibele, uniforme en kostenefficiënte procedure zou moeten worden ingesteld die het voor de belanghebbenden gemakkelijker maakt om vrijwillig een handelsmerk te registreren en een eind maakt aan de bestaande verschillen in wetgeving.

1.6

Het EESC zou een actieve rol moeten spelen in de wetgevingsprocedure voor goedkeuring van alle handelingen betreffende intellectuele eigendom; het betreurt derhalve dat het niet is geraadpleegd over het voorstel tot wijziging van de verordening inzake het Gemeenschapsmerk.

1.7

Het EESC hoopt dat er in de toekomst een regeling bestaat die een uniforme bescherming van merken voor bedrijven en consumenten waarborgt.

2.   Inleiding

2.1

Op internationaal niveau wordt het merkenrecht geregeld door het Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom, laatstelijk herzien te Stockholm op 14 juli 1967 en gewijzigd op 28 september 1979 (1) (hierna: "Verdrag van Parijs").

2.2

Overeenkomstig artikel 19 van het Verdrag van Parijs behouden de staten waarop het van toepassing is, zich het recht voor afzonderlijk onderling bijzondere overeenkomsten te treffen tot bescherming van de industriële eigendom.

2.3

Deze bepaling heeft gediend als rechtsgrondslag voor het vaststellen van de Overeenkomst van Nice betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten voor de inschrijving van merken, die door de diplomatieke conferentie van Nice is aangenomen op 15 juni 1957, laatstelijk herzien te Genève op 13 mei 1977 en gewijzigd op 28 september 1979 (2). De classificatie van Nice wordt om de vijf jaar door een comité van deskundigen herzien.

2.4

Volgens de database van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO) zijn enkel de Republiek Cyprus en de Republiek Malta geen partij bij de Overeenkomst van Nice; wel gebruiken zij de classificatie van Nice.

2.5

Merkenrechtelijke bescherming is in wezen territoriaal. Een merk is immers een eigendomsrecht dat een teken in een bepaald gebied beschermt.

2.5.1

De bescherming van intellectuele eigendom is opgenomen in artikel 17, lid 2, van het Europees Handvest van de grondrechten, dat tot het primaire recht van de Unie behoort.

2.5.2

Ook wordt in artikel 118 VWEU bepaald dat het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure, in het kader van de totstandbrenging en de werking van de interne markt de maatregelen vaststellen voor de invoering van Europese titels om een eenvormige bescherming van de intellectuele eigendomsrechten in de hele Unie te bewerkstelligen, en voor de instelling van op het niveau van de Unie gecentraliseerde machtigings-, coördinatie- en controleregelingen.

2.6

In de Europese Unie bestaan bescherming van nationale merken en bescherming van gemeenschapsmerken naast elkaar. Een houder van een nationaal merk kan de aan dit merk verbonden rechten uitoefenen op het grondgebied van de lidstaat krachtens het nationale recht, dat het merk bescherming biedt. Een houder van een gemeenschapsmerk kan hetzelfde doen op het grondgebied van de achtentwintig lidstaten omdat het merk op dit hele grondgebied wordt beschermd.

2.7

Het merkenrecht van de lidstaten is gedeeltelijk geharmoniseerd door Richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988, later gecodificeerd als Richtlijn 2008/95/EG.

2.8

Naast en gekoppeld aan de nationale systemen voor handelsmerken, werd bij Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 zake het Gemeenschapsmerk, gecodificeerd als Verordening (EG) nr. 207/2009, een op zichzelf staand systeem ingevoerd voor de registratie van unitaire rechten die in de hele EU gelijke werking hebben. In deze context werd het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) opgericht, dat verantwoordelijk is voor de inschrijving en het beheer van gemeenschapsmerken.

2.9

In de afgelopen jaren heeft de Commissie een openbare discussie over intellectuele eigendom aangezwengeld, waaraan is deelgenomen door het EESC, en in 2011 heeft zij een herziening van het stelsel van merken in Europa aangekondigd, teneinde dit stelsel, zowel op EU- als op nationaal niveau te moderniseren door het in zijn geheel effectiever, efficiënter en consistenter te maken.

2.10

In zijn resolutie van 25 september 2008 betreffende een algemeen Europees plan ter bestrijding van namaak en piraterij heeft de Raad gepleit voor herziening van Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22 juli inzake het optreden van de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten (3). Het EESC hoopt dat het rechtskader op bepaalde punten wordt verbeterd om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door douaneautoriteiten te versterken en passende rechtszekerheid te garanderen.

2.11

Het Europese merkenstelsel is gebaseerd op het beginsel van coëxistentie en complementariteit tussen nationale bescherming van merken en bescherming van merken op het niveau van de Unie.

2.12

Terwijl de verordening betreffende het Europees merk voorziet in een algeheel stelsel waarin alle kwesties van materieel en formeel recht worden bestreken, is het huidige niveau van onderlinge aanpassing van wetgevingen waarin de richtlijn voorziet, beperkt tot een aantal welbepaalde materiële regels, en daarom wil de Commissie er met dit voorstel voor zorgen dat de materiële regels wezenlijk overeenstemmen en de voornaamste procedureregels ten minste verenigbaar zijn.

2.13

Het doel van dit voorstel is het bevorderen van innovatie en economische groei door de stelsels voor merken in de hele EU voor bedrijven toegankelijker en efficiënter te maken in de zin van lagere kosten en grotere eenvoud, snelheid, voorspelbaarheid en rechtszekerheid.

2.14

Het initiatief om de richtlijn te herschikken is ingegeven door de volgende doelstellingen:

modernisering en verbetering van de bestaande bepalingen van de richtlijn door het wijzigen van verouderde bepalingen, het vergroten van de rechtszekerheid en het verduidelijken van merkenrechten wat betreft de werkingssfeer en de grenzen daarvan;

grotere harmonisatie van nationale merkenwetgevingen en -procedures om deze beter verenigbaar te maken met het stelsel van Gemeenschapsmerken, door:

a)

verdere materiële regels toe te voegen;

b)

in de richtlijn belangrijke procedurele regels op te nemen in overeenstemming met de bepalingen van de verordening, vooral regels die gericht zijn op bestaande verschillen die uit het oogpunt van de gebruikers aanzienlijke problemen veroorzaken en waar stroomlijning absoluut noodzakelijk wordt geacht om in Europa een harmonieus, complementair systeem van merkenbescherming tot stand te brengen;

bevorderen van samenwerking tussen de bureaus van de lidstaten en het BHIM teneinde de convergentie van praktijken en de ontwikkeling van gemeenschappelijke instrumenten te bevorderen, door aan deze samenwerking een rechtsgrond te bieden.

2.15

Het voorstel voor een richtlijn beoogt verbeteringen aan te brengen in de bepalingen betreffende:

de definitie van een merk, door te voorzien in de mogelijkheid zaken te registreren die kunnen worden voorgesteld met technische middelen die voldoende waarborgen bieden;

de rechten die verbonden zijn aan het merk, zoals omschreven in de artikelen 10 en 11 inzake onverminderd oudere rechten verleende rechten; gevallen van dubbele gelijkheid; gebruik als handelsnaam of maatschappelijke benaming; gebruik voor vergelijkende reclame; verzendingen van commerciële aanbieders; in het douanegebied binnengebrachte waren, voorbereidende handelingen en beperking van de aan het merk verbonden rechtsgevolgen.

2.16

Voorts beoogt het voorstel een grotere harmonisering van het materiële recht, middels de bescherming van geografische aanduidingen en traditionele aanduidingen, de bescherming van bekende merken, aandacht voor het recht van merken als vermogensbestanddelen, zoals overdracht of zakelijke rechten, en regulering van collectieve merken.

2.17

Wat het op één lijn brengen van de voornaamste procedureregels betreft, komen zaken aan de orde als de aanduiding en classificatie van waren en diensten, ambtshalve onderzoek, cijfers, de oppositieprocedure, het niet-gebruiken als verweer in een oppositieprocedure, de vordering tot vervallen- of nietigverklaring, en het niet-gebruiken als verweer in een procedure tot nietigverklaring.

2.18

Ook wordt gestreefd naar de bevordering van de samenwerking tussen diensten en biedt artikel 52, in aanvulling op het rechtskader voor samenwerking dat bij de herziening van de verordening, een rechtsgrond voor de bevordering van de samenwerking tussen het BHIM en de diensten voor intellectuele eigendom van de lidstaten.

3.   Algemene opmerkingen

3.1

Het EESC is ingenomen met het voorstel voor een richtlijn van de Commissie, dat zeer gelegen komt op een moment dat de wereldeconomie gekenmerkt wordt door felle concurrentie en door economische terugval in Europa.

3.1.1

Een merk zorgt enerzijds voor het creëren van bedrijfswaarde en voor klantenbinding en anderzijds voor bescherming van de consument.

3.1.2

Dit laatste is erg belangrijk, en wel om verschillende redenen:

ten eerste, omdat de bescherming van merken de consument zoekkosten bespaart;

ten tweede, omdat een merk de consument een constant kwaliteitsniveau garandeert, waardoor de producent verplicht is zorg te besteden aan het product of de dienst;

ten derde, omdat investeringen in verbetering en innovatie noodzakelijk zijn, waardoor het vertrouwen van consumenten in ondernemingen toeneemt.

3.2

Met dit voorstel voor een richtlijn wordt het huidige juridische kader voor merken in de lidstaten op de volgende drie punten aanzienlijk verbeterd:

het registreren van merken wordt in de hele EU gemakkelijker, en dus goedkoper, en neemt minder tijd in beslag;

de rechtszekerheid neemt toe omdat de interne en supranationale regels op dit vlak beter op elkaar aansluiten en de bevoegde autoriteiten hun werkzaamheden beter coördineren;

de bescherming van de intellectuele eigendom wordt op een hoger niveau gebracht, met name doordat de regeling voor goederen in doorvoer duidelijker wordt, er nieuwe criteria worden opgenomen voor de registratie van bijvoorbeeld klankmerken en er bepaalde eisen worden gesteld aan de bescherming van o.a. geografische aanduidingen of van niet-EU-talen.

3.3

Het voorstel bevat eveneens, in het licht van de economische, commerciële en juridische ontwikkelingen, belangrijke nieuwe elementen als de definitie van een merk, op grond waarvan een merk ook door andere dan grafische middelen kan worden weergegeven en nauwkeuriger kan worden aangeduid; dit biedt de mogelijkheid merken te registreren die kunnen worden voorgesteld met technische middelen die voldoende waarborgen bieden.

3.4

Het is een goede zaak dat het voorstel een grotere harmonisering van het materiële recht beoogt, middels de bescherming van geografische aanduidingen en traditionele aanduidingen, de bescherming van bekende merken, de behandeling van merken als vermogensbestanddelen, zoals overdracht, en de belangrijkste aspecten van de commerciële exploitatie van merken. De invoering van collectieve en garantiemerken door middel van dit voorstel is een hele belangrijke stap voor zowel ondernemingen als consumenten.

3.5

Tot slot is het EESC blij dat de belangrijkste procedures op elkaar worden afgestemd omdat hiermee gemeenschappelijke regels worden vastgesteld voor de aanduiding en classificatie van goederen en diensten, overeenkomstig de door het Hof vastgestelde beginselen, alsook voor het ambtshalve onderzoek en voor de procedures voor oppositie en vervallen- en nietigverklaring.

3.6

Het EESC is ook verheugd over het feit dat het opstellen van dit voorstel voor een richtlijn met veel publiciteit gepaard is gegaan en dat de desbetreffende sectoren van het maatschappelijk middenveld erbij zijn betrokken.

3.7

Toch plaatst het EESC enkele vraagtekens bij het onderwerp en de inhoud van dit voorstel, zonder afbreuk te doen aan het voorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 207/2009 waarin een op zichzelf staand systeem werd ingevoerd voor de registratie van unitaire rechten, dat samen met het voorstel voor een richtlijn één wetgevingspakket vormt.

3.8

In verband hiermee is het EESC verbaasd dat het niet is geraadpleegd over het voorstel COM(2013) 161 final van 27 maart 2013 tot wijziging van de genoemde verordening inzake het Gemeenschapsmerk.

3.9

Aangezien dit voorstel rechtstreeks van invloed is op de werking van de interne markt (artikel 118 VWEU) en op het niveau van consumentenbescherming (artikel 169 VWEU), moet het EESC - volgens een contextuele en samenhangende interpretatie van de verdragsbepalingen, die het EESC uitdrukkelijk een adviserende rol toewijzen op dit gebied - absoluut worden betrokken bij de wetgevingsprocedure tot goedkeuring van dit voorstel.

3.10

Volgens het recht van de Unie beschikt de houder van een merk zowel over het uitsluitende recht om het merk voor winstgevende doeleinden te gebruiken (ius utendi) als over de mogelijkheid om te voorkomen dat het gebruik ervan wordt gehinderd door acties van derden door middel van imitatie of wederrechtelijke toeëigening van de onderscheidende kenmerken (ius prohibendi), artikel 9 van Verordening (EG) nr. 207/2009.

3.11

Maar in de huidige regelgeving wordt niet duidelijk aangegeven wanneer de houder van een merk de nodige actie mag ondernemen om een dergelijk gebruik te voorkomen.

3.11.1

Hoewel het aantal gevallen waarin de houder van een merk het gebruik daarvan door derden kan verbieden, flink wordt uitgebreid in het voorstel voor een richtlijn (artikel 10) en hiervoor zelfs een nieuwe bepaling wordt ingevoerd, nl. over inbreuk op de rechten van de houder via een aanbiedingsvorm, verpakking of andere middelen (artikel 11) of over het gebruik van het merk dat op naam van een gemachtigde of vertegenwoordiger ingeschreven is (artikel 13), komt het de bevoegde rechter toe de juiste reikwijdte van het recht te bepalen, wanneer de belanghebbende een gerechtelijke procedure aanspant.

3.11.2

Daarom is het de taak van elk gerechtelijk orgaan om na te gaan of er al dan niet sprake is van een risico van verwarring of wederrechtelijke toeëigening van het beschermde merk door derden, en mocht dit zo zijn, dan moet dit orgaan de compensatie vaststellen voor de houder overeenkomstig de vordering.

3.11.3

Bijgevolg wordt in het voorstel voor een richtlijn geen uniforme bescherming geboden voor de rechten van houders om hun merken te gebruiken noch voor consumenten wanneer zij worden getroffen door het onrechtmatige of frauduleuze gebruik van een handelsmerk.

3.12

Het complementaire karakter van het supranationale systeem en de nationale systemen voor bescherming van de rechten van merkhouders houdt derhalve een duidelijk risico in en werpt de vraag op of deze bescherming wel de meest doeltreffende en snelle oplossing is die met het voorstel voor een richtlijn wordt beoogd.

3.12.1

Zo is er bijvoorbeeld geen garantie dat de verschillen tussen landen, die het gevolg zijn van de incorrecte omzetting van de bepalingen van Richtlijn 2004/48/EG (betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten), worden weggewerkt waar het gaat om maatregelen betreffende:

het doen staken van inbreuken, met inbegrip van de mogelijkheid tot vernietiging van de goederen en de desbetreffende productiemiddelen of het opleggen van dwangsommen;

schadeloosstelling of de mogelijkheid dat de desbetreffende uitspraak wordt gepubliceerd.

3.12.2

Deze rechtsonzekerheid wordt nog groter als de rechten van de merkhouder in meerdere lidstaten worden geschonden,

3.13

om nog maar te zwijgen over het feit dat het voorstel een aantal bepalingen bevat die deze bescherming complexer maken.

3.13.1

In lid 3 van artikel 4 (absolute gronden voor weigering of nietigheid) staat bijvoorbeeld dat "een merk nietig kan worden verklaard wanneer de aanvrage om inschrijving van het merk te kwader trouw is ingediend" en dat "een lidstaat ook kan bepalen dat een dergelijk merk niet wordt ingeschreven".

3.14

Aangezien, volgens de BHIM, het ontbreken van het voornemen tot gebruik geen grond is voor het vaststellen van kwader trouw, vragen wij ons af welke autoriteit uniforme criteria gaat opstellen aan de hand waarvan de bevoegde instanties kunnen vaststellen of er andere aanwijzingen zijn voor kwade trouw?

3.15

Deze lacune in de wetgeving is paradoxaal gezien de nieuwe bepaling in artikel 10, lid 5, van het voorstel voor een richtlijn, waarin staat dat de houder van een ingeschreven merk het recht heeft derden te verhinderen waren binnen te brengen die afkomstig zijn uit landen die niet tot de douane-unie behoren zonder dat deze daar in de vrije handel worden gebracht. Dit voorstel strookt dus niet met de geldende jurisprudentie van het Hof van Justitie over goederen in doorvoer (zaak C-466/09 en C-495/09, Philips/Nokia) en maakt elk vermoeden of bewijs van goede trouw jegens derden ongeldig (4).

3.16

Anderzijds zou dit soort illegale handelspraktijken gemakkelijker kunnen worden tegengegaan en aangepakt als het voorstel een specifieke rechtsgrond zou bevatten op basis waarvan de Commissie actie zou kunnen ondernemen en samen zou kunnen werken met instanties in derde landen waar deze handelspraktijken op grote schaal en systematisch voorkomen.

3.17

Er schort ook het een en ander aan artikel 45, lid 1, van het voorstel, waarin in algemene zin wordt bepaald dat de lidstaten een doeltreffende en snelle administratieve procedure moeten invoeren om bij hun diensten oppositie in te stellen tegen de inschrijving van een aanvrage op de in artikel 5 bedoelde gronden. Er zou meer informatie voorhanden moeten zijn over de aard van deze procedure en er zou een redelijke termijn moeten worden vastgesteld waarbinnen de bevoegde nationale instanties actie kunnen ondernemen, overeenkomstig artikel 41, lid 1, van het Europees Handvest van de grondrechten (recht op goed bestuur).

3.18

Om redenen van efficiency en voorspelbaarheid die eigen zijn aan de supranationale bescherming van merkhouders moet ook de inhoud van andere bepalingen van het voorstel, zoals de artikelen 44 en 52, worden herzien. In artikel 44 staat dat bij de inschrijving en vernieuwing van een merk een (algemene) aanvullende taks moet worden betaald voor elke klasse van waren en diensten buiten de eerste klasse; daarvoor zou een maximum moeten worden vastgesteld.

3.19

Wat artikel 52 betreft, waarin wordt bepaald dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de diensten onderling en met het Agentschap samenwerken om convergentie van praktijken en instrumenten te bevorderen en om samenhangende resultaten te bereiken in het onderzoek en de inschrijving van merken, zou een specifieke bepaling moeten worden opgesteld die de Commissie, overeenkomstig het bepaalde in artikel 291, lid 2, de bevoegdheid geeft om een dwingende "gedragscode" in te voeren.

3.20

Administratieve samenwerking tussen de BHIM en de bevoegde nationale diensten moet als een zaak van gemeenschappelijk belang worden beschouwd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 197 VWEU. In verband hiermee zou het bijzonder nuttig zijn om informatie en medewerkers uit te wisselen en opleidingsprogramma's te bevorderen, alsook hiervoor overheidsmiddelen te voorzien.

3.21

Dit hele harmoniseringsproces zou de komende jaren moeten leiden tot de onderlinge afstemming van het merkenrecht en uiteindelijk tot Europese regelgeving voor merken in het kader waarvan o.a. een flexibele, uniforme en kostenefficiënte procedure zou moeten worden ingesteld die het voor de belanghebbenden gemakkelijker maakt om vrijwillig een handelsmerk te registreren.

Brussel, 11 juli 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Henri MALOSSE


(1)  Recueil des traités des Nations Unies, deel 828, nr. 11851.

(2)  Recueil des traités des Nations Unies, deel 818, nr. I-11849.

(3)  PB L 196 van 2.8.2003, blz. 7.

(4)  Artikel 10, lid 5, van het voorstel luidt als volgt: "De houder van een merk heeft eveneens het recht derden te verhinderen waren binnen te brengen in het douanegebied van de lidstaat waar het merk is ingeschreven zonder dat deze daar in de vrije handel worden gebracht, wanneer deze waren, met inbegrip van verpakking, uit derde landen afkomstig zijn en zonder toestemming een merk dragen dat gelijk is aan het voor deze waren ingeschreven merk of in zijn belangrijkste onderdelen niet van dat merk kan worden onderscheiden." Het gaat er, kortom, dus om dat er een doeltreffend mechanisme tot stand moet worden gebracht om vervalsing van buiten de EU geproduceerde goederen aan te pakken en te voorkomen dat belanghebbenden gebruik maken van de juridische fictie dat goederen in doorvoer het douanegebied van de EU niet binnenkomen.


Top