Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52012XG0308(01)

Gezamenlijk verslag 2012 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) — „Onderwijs en opleiding in een slim, duurzaam en inclusief Europa”

OJ C 70, 8.3.2012, p. 9–18 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

8.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 70/9


Gezamenlijk verslag 2012 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020)

„Onderwijs en opleiding in een slim, duurzaam en inclusief Europa”

2012/C 70/05

1.   ONDERWIJS EN OPLEIDING IN DE CONTEXT VAN DE EUROPA 2020-STRATEGIE

In 2009 heeft de Raad het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding („ET 2020”) (1) opgesteld. Sindsdien is de economische en politieke context echter gewijzigd, waardoor nieuwe onzekerheden en moeilijkheden zijn ontstaan. De Europese Unie moest daarom verdere actie ondernemen om het hoofd te bieden aan de grootste financiële en economische crisis uit haar geschiedenis. Dientengevolge heeft de EU een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei vastgesteld: de Europa 2020-strategie.

Onderwijs en opleiding spelen in deze strategie een cruciale rol, met name in het kader van de geïntegreerde richtsnoeren, de nationale hervormingsprogramma's van de lidstaten en de landenspecifieke aanbevelingen die zijn gedaan om de hervormingen in de lidstaten te sturen. Een van de vijf kerndoelen van Europa 2020 heeft betrekking op voortijdig schoolverlaten en het behalen van een diploma hoger onderwijs of een gelijkwaardig diploma.

In de jaarlijkse groeianalyse 2012 wordt benadrukt dat Europa 2020 zich zowel moet richten op hervormingsmaatregelen met een groei-effect op de korte termijn als op het vaststellen van het juiste groeimodel voor de middellange termijn. De onderwijs- en opleidingsstelsels moeten worden gemoderniseerd om hun efficiëntie en kwaliteit te verbeteren en om mensen toe te rusten met de vaardigheden en competenties die zij nodig hebben om op de arbeidsmarkt te slagen. Dit zal het vertrouwen van de burgers versterken dat zij de huidige en toekomstige uitdagingen aankunnen. Ook wordt hierdoor een bijdrage geleverd tot het vergroten van het Europese concurrentievermogen en tot het creëren van groei en werkgelegenheid. In de jaarlijkse groeianalyse 2012 wordt ook opgeroepen bijzondere aandacht te besteden aan jongeren, aangezien zij behoren tot de groepen die het hardst door de crisis worden getroffen.

Als een van de belangrijkste instrumenten om het onderwijs en de opleidingen te moderniseren, kan ET 2020 een grote bijdrage leveren tot het verwezenlijken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie. Daartoe moeten echter de prioriteiten, de instrumenten en de governance-structuur van ET 2020 aangepast worden.

Op basis van een beoordeling van de vooruitgang die de afgelopen drie jaar op essentiële beleidsgebieden is geboekt, worden in dit ontwerp van een gezamenlijk verslag nieuwe prioriteiten voor de periode 2012-2014 voorgesteld om onderwijs en opleidingen te kunnen inzetten voor de ondersteuning van Europa 2020.

Dit ontwerp van een gezamenlijk verslag stelt ook een aantal opties vast om de governance van ET 2020 aan te passen teneinde ervoor te zorgen dat dit kader bijdraagt tot de verwezenlijking van de Europa 2020-strategie.

Het ontwerp van een gezamenlijk verslag gaat vergezeld van twee werkdocumenten van de diensten van de Commissie (2) waarin een inventaris wordt opgemaakt van de situatie in de afzonderlijke landen en van de belangrijkste thematische gebieden, op basis van de nationale verslagen van de lidstaten en andere informatie en gegevens.

2.   VOORUITGANG EN UITDAGINGEN OP PRIORITAIRE GEBIEDEN

2.1.   Investeringen in en hervorming van onderwijs en opleiding

Momenteel wordt nauwlettend toegezien op alle gebieden van de overheidsbegrotingen, ook wat onderwijs en opleiding betreft. Voor de meeste lidstaten is het moeilijk om het huidige bestedingsniveau op peil te houden, laat staan om het te verhogen.

Uit onderzoek blijkt echter dat het verbeteren van de onderwijsresultaten tot een zeer groot rendement op de lange termijn kan leiden en dat het groei en werkgelegenheid in de Europese Unie kan creëren. Door bijvoorbeeld in 2020 de Europese benchmark te verwezenlijken die inhoudt dat minder dan 15 % van de leerlingen slechte resultaten voor de basisvaardigheden behaalt, kunnen voor de Europese Unie enorme economische voordelen op de lange termijn worden gerealiseerd (3).

Dit staat haaks op het feit dat — zelfs vóór de crisis — de uitgaven op onderwijsgebied in een aantal lidstaten aan de lage kant waren: dicht bij of onder 4 % van het bbp. Het gemiddelde in de Europese Unie bedroeg bijna 5 % van het bbp, en lag daarmee onder het niveau van de Verenigde Staten (5,3 %).

Bezuinigingen op de onderwijsbegroting vormen een bedreiging van het groeipotentieel en het concurrentievermogen van de economie. In de jaarlijkse groeianalyse 2012 bevestigt de Commissie haar overtuiging dat de lidstaten bij het consolideren van hun overheidsfinanciën prioriteit moeten geven aan uitgaven voor beleidsmaatregelen die de groei stimuleren, zoals maatregelen op onderwijs- en opleidingsgebied.

De wijze waarop de lidstaten in hun onderwijsbegrotingen op de crisis hebben gereageerd, vertoont geen duidelijk patroon. Er is een breed scala aan maatregelen genomen teneinde de uitgaven om te buigen: veel lidstaten hebben op de personeelskosten bezuinigd (BE nl, BG, EL, ES, FR, HU, IE, LV, PT, RO, SI) of op de voorzieningen voor infrastructuur, onderhoud en materiaal (BE nl, BG, IE, RO). Sommige lidstaten hebben de onderwijsfaciliteiten in het pre-primaire onderwijs beperkt (voor tweejarigen in FR), de uitvoering van de hervormingen in het onderwijs uitgesteld of vertraagd (BG), dan wel andere maatregelen genomen, zoals een vermindering van de financiële bijdragen aan leerlingen en studenten (BE nl, IE, PT).

Aan deze tendensen moet politieke aandacht worden gegeven. ET 2020 moet gebruikt worden om te bespreken hoe het best in onderwijs en opleiding geïnvesteerd kan worden om doelmatigheid en doeltreffendheid te combineren met een groeivriendelijk effect. Slimme investeringen gaan hand in hand met slimme beleidshervormingen die de kwaliteit van onderwijs en opleidingen verbeteren. Er kan een brede bezinning met alle belanghebbenden worden opgezet om vast te stellen op welke wijze de financiële lasten efficiënt verdeeld kunnen worden en nieuwe financieringsbronnen gevonden kunnen worden.

2.2.   Voortijdig schoolverlaten

De crisis beperkt de vooruitzichten voor jongeren in ernstige mate. De jeugdwerkeloosheid is gestegen van 15,5 % in 2008 tot 20,9 % in 2010, terwijl het aantal 15- tot 24-jarigen zonder baan, onderwijs of opleiding met twee procentpunten is gestegen. Van de voortijdige schoolverlaters is 53 % werkloos.

Tegen deze achtergrond is met name het Europa 2020-streefcijfer om het aandeel van 18- tot 24-jarigen die het onderwijs- en opleidingsstelsel voortijdig verlaten uiterlijk in 2020 terug te dringen tot minder dan 10 %, van essentieel belang. Indien de huidige tendensen doorzetten, wordt dat streefcijfer echter niet gehaald. Ondanks enige vooruitgang bedroeg het percentage voortijdige schoolverlaters in 2010 in de Europese Unie gemiddeld nog steeds 14,1 %, waarbij tussen de lidstaten aanzienlijke verschillen optraden. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat jongens (16 %) een groter risico lopen dan meisjes (12,6 %) om het onderwijsstelsel voortijdig te verlaten.

Het verlagen van het percentage voortijdige schoolverlaters tot onder de 10 % is een lastige uitdaging. In de aanbeveling van de Raad van 2011 (4) inzake beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten worden de lidstaten opgeroepen om samenhangende, alomvattende en op feitenmateriaal gebaseerde strategieën uit te voeren, met name de lidstaten die op dit gebied in 2011 een landenspecifieke aanbeveling hebben ontvangen (AT, DK, ES, MT). Landen die dicht bij de verwezenlijking van het streefcijfer staan (DK, IE, HU, NL, FI), moeten echter eveneens hun inspanningen vergroten om verdere vooruitgang te boeken en/of stagnatie te overwinnen. Alle lidstaten moeten doelgerichte maatregelen uitvoeren om jongeren te bereiken die tot de risicogroep van voortijdige schoolverlaters behoren.

Op enkele opvallende uitzonderingen na is het beleid van de lidstaten onvoldoende gebaseerd op actuele gegevens en op een analyse van de oorzaken en de incidentie van voortijdig schoolverlaten. Slechts enkele landen hanteren een systematische aanpak voor het verzamelen, monitoren en analyseren van gegevens met betrekking tot voortijdig schoolverlaten (EE, FR, HU, IT, LU, NL, UK).

Preventie en vroeg ingrijpen zijn cruciaal voor het aanpakken van het probleem, maar de lidstaten besteden te weinig aandacht aan preventie. Gedeeltelijke, compenserende maatregelen, zoals tweedekansonderwijs, zijn weliswaar belangrijk, maar ontoereikend om de basisoorzaken van het probleem weg te nemen. Er moet in het kader van de lerarenopleiding, permanente beroepsontwikkeling en kwalitatief hoogwaardig onderwijs en zorg voor kleine kinderen een sterkere nadruk worden gelegd op maatregelen inzake preventie en vroegtijdig ingrijpen.

Het verstrekken van meer mogelijkheden voor initieel beroepsonderwijs en initiële beroepsopleiding van hoge kwaliteit, toegesneden op de behoeften van jongeren, met inbegrip van duaal leren, waarbij beroepsonderwijs en -opleiding en voortgezet onderwijs met elkaar worden verbonden, kan het voortijdig schoolverlaten terugdringen. Dit vormt een alternatief en voor sommige leerders meer motiverend leertraject. Tegelijkertijd is het echter wel nodig dat het aantal leerlingen dat voortijdig het beroepsonderwijs of de beroepsopleiding verlaat, daalt.

Veel landen gebruiken een breed scala aan maatregelen om de verschillende aspecten van het voortijdig schoolverlaten aan te pakken, maar dat betekent niet dat zij over een alomvattende strategie beschikken. Belanghebbenden uit de verschillende onderwijssectoren en beleidsterreinen, zoals het jongerenbeleid en de sociale diensten en diensten voor arbeidsvoorziening, moeten nauwer samenwerken. De samenwerking met ouders en lokale gemeenschappen moet worden geïntensiveerd. Samenwerking tussen scholen en bedrijfsleven, extracurriculaire en buitenschoolse activiteiten en „jongerengaranties” bieden mogelijkheden om de verschillende lokale actoren bij de maatregelen te betrekken.

Aangezien Europa niet op koers ligt om dit kerndoel te verwezenlijken, is het dringend nodig dat de beleidsaanpak wordt versterkt. In de komende jaren moet het terugdringen van het voortijdig schoolverlaten als een van de hoofdprioriteiten van ET 2020 worden aangemerkt, waarbij de aanbeveling van de Raad van juni 2011 als uitgangspunt genomen moet worden.

Voortijdig schoolverlaten: Percentages in 2010  (5) en nationale streefcijfers

—   Prestaties in 2010 (%)

Image

—   Nationaal streefcijfer voor 2020 (%)

 

9,5

11

5,5

10

10

9,5

8

9,7

15

9,5

15

16

10

13,4

9

10

10

29

8

9,5

4,5

10

11,3

5

6

8

10

:

2.3.   Tertiair of gelijkwaardig onderwijs

Om sterker uit de crisis te komen, moet Europa op basis van kennis en innovatie economische groei creëren. Het tertiair of gelijkwaardig onderwijs kan hieraan een krachtige impuls geven. Dat onderwijs levert de hooggekwalificeerde arbeidskrachten die Europa nodig heeft om qua onderzoek en ontwikkeling vooruitgang te boeken en biedt mensen de vaardigheden en kwalificaties die zij in een kennisintensieve economie nodig hebben.

In de Europa 2020-strategie is een van de kerndoelen dat het percentage 30-34-jarigen met een tertiaire of gelijkwaardige opleiding in 2020 40 % moet bedragen. In 2010 bedroeg het percentage in deze leeftijdsgroep met een tertiaire of gelijkwaardige opleiding gemiddeld 33,6 %. De opleidingspercentages, de nationale streefcijfers en de ambitieniveaus lopen tussen de landen aanzienlijk uiteen.

Om het streefcijfer te halen, moeten de lidstaten hun hervormingsinspanningen voortzetten, zoals is overeengekomen in de conclusies van de Raad van 28 november 2011 over de modernisering van het hoger onderwijs (6), en in overeenstemming met de landenspecifieke aanbevelingen die dienaangaande aan vijf landen zijn gedaan (BG, CZ, MT, PL, SK).

Die hervormingen moeten het aantal afgestudeerden vergroten en tegelijkertijd de kwaliteit en de relevantie van het onderwijs en onderzoek handhaven en verbeteren.

Naast inspanningen om de financiering en de governance te optimaliseren, moet de participatie van alle ondervertegenwoordigde groepen in de lidstaten worden vergroot, ook van mensen met een kansarme sociaaleconomische of geografische achtergrond, bepaalde etnische groepen en mensen met een handicap.

De toegang tot hoger onderwijs voor volwassenen moet vereenvoudigd worden. Er is een aanzienlijk potentieel aanwezig om mensen die al op de arbeidsmarkt actief zijn te ondersteunen bij het (opnieuw) volgen van hoger onderwijs, om de overstap van beroepsonderwijs en beroepsopleidingen naar hoger onderwijs te bevorderen en om de erkenning van opleidingen die eerder in een niet-formele context zijn gevolgd, te verbeteren.

Te veel studenten maken het hoger onderwijs niet af. Om het risico van voortijdig afbreken van een opleiding te voorkomen en te verminderen, is begeleiding en advisering over de onderwijs- en carrièremogelijkheden essentieel, omdat hiermee de motivatie in stand wordt gehouden om opleidingen daadwerkelijk af te ronden.

Het aantrekken van getalenteerde buitenlandse studenten is een andere manier om de participatie en het aantal gediplomeerden te verhogen.

Het moderniseren van het hoger onderwijs zal een significante bijdrage leveren tot het verwezenlijken van de doelstellingen van Europa 2020. Dit moet een verdere topprioriteit worden voor uitwisselingen in de volgende ET 2020-periode, naast de tenuitvoerlegging van de mededeling van de Commissie van 2011 over het hoger onderwijs en de conclusies van de Raad over de modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen.

Tertiair of gelijkwaardig onderwijs: niveaus in 2010 en nationale streefcijfers  (7)

—   Prestaties in 2010 (%)

Image

—   Nationaal streefcijfer voor 2020 (%)

 

47

36

32

40

42

40

60

32

44

50

26

27

46

34

36

40

40

30,3

33

45

38

45

40

26,7

40

40

42

40

45

:

2.4.   Strategieën voor een leven lang leren

Voor de meerderheid van de Europeanen is een leven lang leren geen realiteit. Terwijl het aantal mensen dat in de vroege levensjaren onderwijs en opleidingen volgt, is toegenomen, blijkt uit recente gegevens over het aantal volwassenen tussen de 25 en 64 jaar die een leven lang leren in praktijk brengen, dat er sprake is van een lichte daling. Het huidige niveau van 9,1 % (2010) ligt ver beneden de ET 2020-benchmark van 15 % die uiterlijk in 2020 verwezenlijkt zou moeten zijn.

Deze zwakke prestatie is bijzonder ernstig gezien de huidige crisis. Werkloze jongeren en laaggeschoolde volwassenen moeten erop kunnen vertrouwen dat zij via onderwijs en opleidingen betere kansen op de arbeidsmarkt krijgen. Wanneer niet in hun competenties wordt geïnvesteerd, wordt hun kans op een baan kleiner en wordt het potentieel van Europa om groei en werkgelegenheid te creëren beperkt. Tegelijkertijd moeten we ook kijken naar de bijdrage die onderwijs aan de economische ontwikkeling van Europa levert door de arbeidskrachten meer vaardigheden te leren en plannen voor volwassenenonderwijs voor economische ontwikkeling en innovatie te integreren.

Een leven lang leren is een continu proces dat het gehele leven van een persoon kan duren, van kwaliteitsonderwijs in de vroege kinderjaren tot opleidingen na de pensionering. Bovendien vindt leren ook buiten de formele opleidingscontext plaats, met name op de werkplek.

Recentelijk is enige vooruitgang geboekt ten opzichte van de Europese benchmarks die erop zijn gericht het aantal leerlingen dat inzake basisvaardigheden slecht presteert terug te dringen (20 % in 2009 ten opzichte van een benchmark van minder dan 15 % in 2020) alsmede bij het vergroten van de onderwijsparticipatie bij kleine kinderen (92 % in 2009 ten opzichte van een benchmark van 95 % in 2020). De inspanningen op beide terreinen moeten voortgezet worden.

Er bestaan nog steeds obstakels voor een leven lang leren, zoals een beperkt opleidingsaanbod dat slecht is afgestemd op de behoeften van de verschillende doelgroepen, een gebrek aan toegankelijke informatie- en ondersteuningssystemen en onvoldoende flexibele leertrajecten (bijvoorbeeld tussen het beroeps- en het hoger onderwijs). De problemen worden vaak verergerd door het feit dat potentiële studenten een lage sociaaleconomische status of geringe vooropleiding hebben.

Voor het slechten van deze obstakels zijn geleidelijke hervormingen in specifieke onderwijssectoren niet toereikend. Hoewel de lidstaten al een decennium geleden onderkend hebben dat veranderingen op dit gebied noodzakelijk zijn, bestaat het segmenteringsprobleem nog steeds. Op dit moment beschikken slechts enkele landen over een alomvattende strategie ter ondersteuning van een goed onderwijscontinuüm (AT, CY, DK, SI, UK SC).

Positief is dat obstakels voor samenwerking tussen onderwijssectoren kunnen worden geslecht door het gebruik van instrumenten zoals Europese en nationale kwalificatiekaders (BE nl, CZ, DK, EE, FI, FR, IE, LT, LV, LU, MT, NL, PT, UK), mechanismen voor het valideren van niet-formeel en formeel leren (DE, DK, ES, FI, FR, LU, NL, PT, RO, SE, UK) en een beleid ter ondersteuning van een leven lang leren (AT, DK, DE, EE, ES, FI, FR, HU, IE, LT, LU, LV, NL).

De onderwijs- en opleidingsstelsels moeten een ieder mogelijkheden voor een leven lang leren bieden. De lidstaten moeten hun systemen evalueren om de obstakels voor een leven lang leren in kaart te brengen. In samenwerking met de sociale partners en andere belangrijke belanghebbenden moeten zij alomvattende strategieën ontwikkelen en maatregelen nemen ter bevordering van de toegang tot een leven lang leren. Een en ander moet geschieden in overeenstemming met de Europese verbintenissen en voortbouwen op de transparantie-instrumenten en -kaders (het Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren (8), ECVET/ECTS (9), EQAVET en het kader voor sleutelcompetenties (10)). Daarbij moet de nadruk liggen op het verwerven van basisvaardigheden voor iedereen en op een betere integratie van de voorzieningen voor een leven lang leren, met name om de participatie van laaggeschoolde volwassenen te bevorderen.

2.5.   Leermobiliteit

Door mobiliteit wordt het Europese fundament voor een toekomstige op kennis gebaseerde groei versterkt, evenals de mogelijkheden om te innoveren en op internationaal niveau te concurreren (11). Daarnaast worden door die mobiliteit de inzetbaarheid en de persoonlijke ontwikkeling bevorderd, hetgeen door werkgevers op prijs wordt gesteld. Onderwijsinstellingen, onderwijs- en opleidingenstelsels en het bedrijfsleven profiteren alle van de leerervaringen, de persoonlijke contacten en de netwerken die dankzij mobiliteit tot stand komen. Het bevorderen van de transnationale leermobiliteit is een uitstekend voorbeeld van Europese meerwaarde.

De huidige mobiliteitsniveaus vormen echter geen afspiegeling van die waarde. Circa 10-15 % van de afgestudeerden in het hoger onderwijs volgt een deel van hun studie in het buitenland omdat in het hoger onderwijs de meerwaarde van mobiliteit in het algemeen wordt erkend. Daarentegen verblijft slechts ongeveer 3 % van de afgestudeerden van het initiële beroepsonderwijs en de initiële beroepsopleidingen een tijd in het buitenland. Daarom moeten meer inspanningen geleverd worden om de mobiliteit in het beroepsonderwijs/de beroepsopleiding te vergroten. De leermobiliteit wordt met name belemmerd door beperkte financiële middelen en een inadequate talenkennis. Mobiliteit wordt niet altijd erkend of gevalideerd. Er is vaak een gebrek aan informatie over beschikbare mogelijkheden. Daarnaast wordt er ontoereikend ingespeeld op de specifieke situatie van leerders met speciale behoeften (bijvoorbeeld mensen met een handicap).

De meeste landen bevorderen vooral de mobiliteit van leerders. Hoewel sommige landen (BG, IE, MT, SE, BE nl, DE, EE, EL, ES, FI, NL, RO, LT, FR) zich ook op andere groepen richten, zoals docenten of stagiairs, moet er zowel op nationaal als op Europees niveau op dit gebied nog veel meer worden gedaan.

De Europese financieringsprogramma's moeten daarbij een essentiële rol spelen. Binnen het nieuwe meerjarige financiële kader voor 2014-2020 heeft de Commissie voorgesteld om het aantal begunstigden van het toekomstige onderwijs- en opleidingsprogramma vrijwel te verdubbelen, van 400 000 naar bijna 700 000 begunstigden per jaar.

De financiële programma's moeten echter hand in hand gaan met beleidshervormingen. In november 2011 heeft de Raad een nieuwe benchmark voor leermobiliteit vastgesteld (20 % voor het hoger onderwijs en 6 % voor het initiële beroepsonderwijs en de initiële beroepsopleidingen in 2020). Deze politieke verbintenis moet worden nagekomen door de uitvoering van de aanbeveling van de Raad getiteld „Jeugd in beweging — de leermobiliteit van jongeren bevorderen” en door volledig gebruik te maken van de Europese transparantie-instrumenten zoals het Europees kwalificatiekader, ECTS/ECVET en Europass (12).

2.6.   Nieuwe vaardigheden en banen

De crisis heeft ertoe geleid dat de vraag naar vaardigheden tegenwoordig sneller aan wijzigingen onderhevig is. De vraag naar banen met lage kwalificaties neemt af en de op kennis gebaseerde sectoren van de toekomst hebben behoefte aan steeds hogere kwalificatieniveaus. Uit een recente prognose (13) blijkt dat het aandeel van hooggekwalificeerde banen met bijna 16 miljoen zal toenemen van 29 % (2010) tot 35 % van alle banen in 2020. Omgekeerd zal het percentage banen waarvoor een laag kwalificatieniveau is vereist naar verwachting met 12 miljoen afnemen, van 20 % tot minder dan 15 %. Sommige landen worden al met knelpunten geconfronteerd met betrekking tot die hooggekwalificeerde banen. Dit proces zal worden versterkt door de vergrijzing, waardoor de beroepsbevolking na 2012 zal beginnen te krimpen. Er is een aantal landenspecifieke aanbevelingen gedaan (BG, CY, CZ, EE, PL, SI, SK, UK) over het verbeteren van de vaardigheden op de arbeidsmarkt en over specifieke steun aan laaggeschoolde werknemers.

De lidstaten hebben vooruitgang geboekt bij het ten uitvoer leggen van methoden, instrumenten en benaderingswijzen om te anticiperen op en een beoordeling te maken van de vraag naar vaardigheden, de discrepanties tussen vraag en aanbod en de inzetbaarheid van afgestudeerden. Veel landen richten de aandacht op essentiële sectoren zoals ICT of gezondheidszorg.

Slechts enkele landen (AT, DE, FR, IE, PL, UK) beschikken echter over een gecoördineerde aanpak voor het verspreiden van de resultaten onder de belangrijkste actoren. De institutionele mechanismen worden vaak op regionaal of sectoraal niveau ontwikkeld, maar weerspiegelen en reproduceren daardoor vaker de segmentering van de onderwijs- en opleidingsstelsels.

Sommige landen passen hun onderwijs- en opleidingsvoorzieningen aan de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt aan via partnerschappen met belangrijke belanghebbenden (EE, FI, SE), kwaliteitsbewakingsmechanismen en initiatieven die zijn gericht op de vaardigheden die op de arbeidsmarkt zijn vereist, met name: lezen en schrijven, wiskunde, wetenschappen en technologie (AT, BE nl, DE, FR, PL, LT, IE), talen, digitale competenties en initiatief en ondernemerschap (ES, EE, BG, LT, FR).

Door jongens en meisjes te stimuleren om voor een loopbaan te kiezen in sectoren waarin zij ondervertegenwoordigd zijn, zal de genderkloof in de onderwijs- en opleidingssector worden verkleind en kan het tekort aan vaardigheden op de arbeidsmarkt mede worden verminderd.

ET 2020 moet de tenuitvoerlegging van het vlaggenschipinitiatief „Een agenda voor nieuwe vaardigheden en banen” ondersteunen. De Commissie heeft een mededeling aangenomen over het „Initiatief „Kansen voor jongeren” ” (14), waarin wordt benadrukt dat onderwijs en opleiding belangrijke factoren zijn voor het voorkomen van jeugdwerkloosheid, en de Commissie komt later in 2012 met een mededeling met een nieuwe visie op vaardigheden en met een actievoorstel om de sleutelcompetenties te verbeteren en om nauwere banden tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt te bevorderen. De activiteiten in het kader van ET 2020 zullen gericht blijven op het bevorderen van de sleutelcompetenties voor alle burgers, het verbeteren van de monitoring door het ontwikkelen van een nieuwe Europese benchmark voor inzetbaarheid, het bevorderen van regelmatige bijscholing en omscholing en het anticiperen op de toekomstige behoefte aan vaardigheden op de arbeidsmarkt, met name via het Europese vaardighedenpanorama.

3.   DE BIJDRAGE VAN ET 2020 AAN EUROPA 2020

Bovenstaande beoordeling van de cyclus 2009-2011, met inbegrip van de trage vorderingen bij de verwezenlijking van het kerndoel voor het onderwijs en de ET 2020-benchmarks, onderstreept dat in de hervorming van onderwijs en opleidingen moet worden geïnvesteerd ter ondersteuning van een duurzame groei en werkgelegenheid en ter bevordering van de sociale insluiting.

De jaarlijkse groeianalyse 2012 onderstreept de noodzaak van een aantoonbare uitvoering van de beleidsrichtsnoeren van de EU door de lidstaten. ET 2020 zou ter ondersteuning van de lidstaten gebruikt kunnen worden om te reageren op de uitdagingen die in de verschillende landenspecifieke aanbevelingen vermeld staan met betrekking tot voortijdige schoolverlaters (AT, DK, ES, MT) en tertiair onderwijs (BG, CZ, MT, PL, SK), een leven lang leren, beroepsonderwijs en vaardigheden voor de arbeidsmarkt (AT, CY, DK, EE, ES, FI, FR, LU, MT, PL, SI, SK, UK) en over (kleuter-)onderwijs en kwesties op het gebied van de kansengelijkheid (BG, DE, EE).

Op basis van de beoordeling van de Commissie en de raadpleging van de lidstaten en Europese organisaties bevestigen de Raad en de Commissie dat de vier strategische doelstellingen die in 2009 voor ET 2020 zijn geformuleerd, onverminderd van kracht blijven. De lijst van prioritaire gebieden voor de middellange termijn die in 2009 zijn overeengekomen, wordt vervangen door een nieuwe lijst die beter geschikt is om onderwijs en opleiding in te zetten voor de bevordering van de economische groei en werkgelegenheid (zie bijlage).

Daarnaast stelt de Commissie voor om de werkregelingen in het kader van ET 2020 te herzien die vóór de goedkeuring van Europa 2020 en het Europees semester zijn vastgesteld. ET 2020 moet ook beter afgestemd worden op Europa 2020; ET 2020 moet een mechanisme zijn om de belanghebbenden te mobiliseren, om hun betrokkenheid te vergroten en om hun expertise ter ondersteuning van Europa 2020 in te zetten, daarbij ook gebruik makend van het feitenmateriaal en andere gegevens van relevante Europese agentschappen en netwerken (15).

Om de bijdrage van ET 2020 aan Europa 2020 te vergroten, kunnen de governance van ET 2020 en de bijbehorende werkinstrumenten als volgt worden aangepast:

1.

De Raad Onderwijs, Jeugdzaken, Cultuur en Sport zou tijdens het Europees en tijdens het nationaal semester aandacht kunnen besteden aan de onderwijs- en opleidingsdimensie van Europa 2020. De Raad zou de jaarlijkse groeianalyse in beschouwing kunnen nemen en verslag kunnen uitbrengen aan de Europese Raad in maart, zou de gemeenschappelijke kwesties kunnen bestuderen die voortvloeien uit de richtsnoeren van de Europese Raad en kunnen onderzoeken hoe die richtsnoeren via de nationale hervormingsprogramma's ten uitvoer kunnen worden gelegd, en zou aandacht kunnen besteden aan de follow-up van de resultaten van het Europees semester.

2.

Gezien de geïntegreerde aard van Europa 2020 moet meer aandacht worden besteed aan de intensivering van de samenwerking tussen het Onderwijscomité, het Comité voor de economische politiek, het Comité voor de werkgelegenheid en het Comité voor sociale bescherming. Door die samenwerking wordt gewaarborgd dat de activiteiten van ET 2020 beter op het Europa 2020-proces zijn afgestemd, ook wat het gebruik van indicatoren voor de monitoring betreft.

3.

Het instrument voor intercollegiaal leren zou effectiever ingezet kunnen worden en nauwer op Europa 2020 afgestemd kunnen worden. In de eerste plaats zou er, met het oog op de voorbereiding en de onderbouwing van het debat in de Raad, elk jaar in september/oktober een collegiale toetsing kunnen plaatsvinden, georganiseerd in nauwe samenwerking met het voorzitterschap van de Raad. Bij deze multilaterale aanpak zou de nadruk op essentiële beleidskwesties gelegd kunnen worden die tijdens het voorgaande Europees semester naar voren zijn gekomen en die aanleiding zijn voor een groot aantal landenspecifieke aanbevelingen. In de tweede plaats zouden de lidstaten die dat wensen, de mogelijkheid moeten krijgen om collega's uit te nodigen voor een diepgaande discussie over specifieke kwesties in hun land. De Commissie kan dan passende financiële instrumenten ter ondersteuning van deze activiteit gebruiken, mede door het ondersteunen van de participatie van internationaal erkende deskundigen.

4.

Om de band tussen Europa 2020 en ET 2020 te versterken, zou de Commissie elk jaar een gedachtewisseling tussen de belanghebbenden op het gebied van onderwijs en opleiding kunnen organiseren. In het kader van dit nieuwe Forum voor onderwijs en opleidingen zou begin oktober de vooruitgang met betrekking tot de modernisering van de onderwijs- en opleidingsstelsels besproken kunnen worden op basis van de discussie over onderwijskwesties gedurende het Europees semester.

5.

De Raad zal de lijst van indicatoren op het gebied van onderwijs en opleiding (16) toetsen om ervoor te zorgen dat de indicatoren voor ET 2020 afgestemd zijn op de doelstellingen daarvan. Ter vervanging van het bestaande voortgangsverslag (17) zal de Commissie elk najaar een nieuwe Onderwijs- en opleidingenmonitor publiceren. In een beknopt document zal de voortgang met betrekking tot de benchmarks van ET 2020 en de kernindicatoren worden beschreven, met inbegrip van het kerndoel van Europa 2020 op het gebied van onderwijs en opleiding. Dit document kan gebruikt worden ter onderbouwing van het debat op het niveau van de Raad.

Ten slotte moeten alle instrumenten worden ingezet voor de verwezenlijking van de doelstellingen van Europa 2020 en ET 2020, met inbegrip van de huidige en de toekomstige programma's op het gebied van onderwijs en opleiding, de Structuurfondsen en Horizon 2020.


(1)  PB C 119 van 28.5.2009, blz. 2.

(2)  Doc. 18577/11 ADD 1 (SEC(2011) 1607 def) en doc. 18577/11 ADD 2 (SEC(2011) 1608 def).

(3)  Europees netwerk van economen en sociale wetenschappers inzake onderwijs (EENEE), Beleidsdocument 1/2011 van het EENEE: The Cost of Low Educational Achievement in the European Union.

(4)  PB C 191 van 1.7.2011, blz. 1.

(5)  Bron voor gegevens 2010: Eurostat (AKE).

(6)  PB C 372 van 20.12.2011, blz. 36.

(7)  Bron voor gegevens 2010: Eurostat (AKE). (ISCED-niveaus) 5-6. Voor DE omvat het streefcijfer ook ISCED 4, voor AT ISCED 4A.

(8)  PB C 111 van 6.5.2008, blz. 1.

(9)  Europees systeem voor de overdracht van leerresultaten voor beroepsonderwijs en –opleiding; Europees systeem voor de overdracht van studiepunten, zie: http://ec.europa.eu/education/lifelong-learning-policy/doc48_en.htm

(10)  PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.

(11)  COM(2009) 329 definitief.

(12)  PB L 390 van 31.12.2004, blz. 6.

(13)  http://www.cedefop.europa.eu/en/Files/3052_en.pdf

(14)  Doc. 5166/12 (COM(2011) 933 def.).

(15)  Met name Cedefop, de Europese Stichting voor Opleiding en het Euridyce-netwerk.

(16)  PB C 311 van 21.12.2007, blz. 13.

(17)  Laatste uitgave: SEC(2011) 526.


BIJLAGE (1)

Prioritaire gebieden voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding in 2012-2014

Met het oog op de vier strategische doelstellingen uit het kader ET 2020, moet het vaststellen van prioritaire gebieden voor een specifieke werkcyclus de efficiëntie van de Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding verbeteren, en tegelijkertijd de behoeften van de verschillende lidstaten tot uiting brengen, in het bijzonder wanneer zich nieuwe omstandigheden en uitdagingen voordoen.

De lidstaten kiezen overeenkomstig hun nationale prioriteiten de gebieden waarop zij willen deelnemen aan de gezamenlijke follow-up. Indien de lidstaten dit noodzakelijk achten kunnen de activiteiten rond specifieke prioritaire gebieden worden voortgezet in de volgende werkcycli.

1.   Een leven lang leren en mobiliteit tot realiteit maken

Strategieën voor een leven lang leren

Samenwerken om de ontwikkeling van omvattende nationale strategieën voor een leven lang leren te voltooien, die alle niveaus — van onderwijs voor jonge kinderen tot en met volwassenenonderwijs — bestrijken en waarbij de nadruk wordt gelegd op partnerschappen met belanghebbenden, de competentieontwikkeling van laaggekwalificeerde volwassenen en maatregelen om de toegang tot mogelijkheden voor een leven lang leren uit te breiden, en integreren van diensten op het gebied van een leven lang leren (richtsnoeren, validatie enz.). In het bijzonder de uitvoering van de Resolutie van de Raad van 28 november 2011 betreffende een vernieuwde Europese agenda voor volwasseneneducatie (2).

Europese referentie-instrumenten

Samenwerken om de nationale kwalificatiekaders te koppelen aan het Europees kwalificatiekader, vaststellen van alomvattende nationale regelingen om leerresultaten te valideren; creëren van koppelingen tussen kwalificatiekaders, validatieregelingen, kwaliteitsborging en systemen voor de opbouw en overdracht van leerresultaten en studiepunten (EQAVET, ECVET, ECTS); samenwerken bij het projecteren van de vraag naar vaardigheden en beter afstemmen van de vraag naar en het aanbod van leermogelijkheden (vaardighedenpanorama, Europese classificatie van vaardigheden/competenties, kwalificaties en beroepen — ESCO); verbeteren van de zichtbaarheid, de verspreiding en het gebruik van Europese referentie-instrumenten om de tenuitvoerlegging ervan te versnellen.

Leermobiliteit

De leermobiliteit van alle leerders in Europa en wereldwijd, op alle onderwijs- en opleidingsniveaus, bevorderen, met de nadruk op informatie en advisering, de kwaliteit van de leermobiliteit, het slechten van obstakels voor mobiliteit en het bevorderen van de mobiliteit van docenten. Met name uitvoering geven aan de aanbeveling van de Raad „Jeugd in beweging — de leermobiliteit van jongeren bevorderen” (3).

2.   Verbeteren van de kwaliteit en efficiëntie van onderwijs en opleiding

Basisvaardigheden (lezen en schrijven, wiskunde, wetenschappen en technologie), talen

Benutten van feitenmateriaal over lees- en schrijfvaardigheid, met inbegrip van het verslag van de deskundigengroep op hoog niveau voor geletterdheid, om de geletterdheidsniveaus onder scholieren en volwassenen te verhogen en het percentage 15-jarige leerlingen dat slecht presteert op leesgebied te verminderen. Aanpakken van de uitdagingen op het gebied van geletterdheid door gebruik te maken van verscheidene media, met name digitale media, voor iedereen. Exploiteren en ontwikkelen van de samenwerkingsresultaten om slechte prestaties op het gebied van wiskunde en wetenschappen op school aan te pakken; het uitvoeren van activiteiten om de taalvaardigheden te verbeteren, met name ter ondersteuning van de leermobiliteit en de inzetbaarheid.

Beroepsontwikkeling van leerkrachten, opleiders en schoolhoofden

Verbeteren van de kwaliteit van het onderwijzend personeel aangezien dit een sleuteldeterminant voor de kwaliteitsresultaten is, meer nadruk leggen op de kwaliteit van de docenten door de beste kandidaten op onderwijsgebied te werven en te selecteren, meer aandacht besteden aan de kwaliteit bij de continue beroepsontwikkeling, ontwikkelen van de competenties van de docenten en verbeteren van de capaciteiten van de schoolleiding.

Modernisering van het hoger onderwijs en vergroting van het aantal afgestudeerden in het tertiair onderwijs

Samenwerken om het aantal afgestudeerden te vergroten, met inbegrip van het uitbreiden van alternatieve trajecten en het ontwikkelen van tertiair beroepsonderwijs en tertiaire beroepsopleiding, verbeteren van de kwaliteit en relevantie van het hoger onderwijs, verhogen van de kwaliteit van het hoger onderwijs via mobiliteit en grensoverschrijdende samenwerking, versterken van de banden tussen hoger onderwijs, onderzoek en innovatie ter bevordering van topkwaliteit en regionale ontwikkeling en verbeteren van governance en financiering.

Aantrekkelijkheid en relevantie van beroepsonderwijs en -opleiding

Samenwerken overeenkomstig het Communiqué van Brugge over intensievere Europese samenwerking inzake beroepsonderwijs en -opleiding voor de periode 2011-2020, met name door het initiële beroeponderwijs en de initiële beroepsopleidingen aantrekkelijker te maken, de topkwaliteit en relevantie voor de arbeidsmarkt te bevorderen, mechanismen voor de kwaliteitsborging ten uitvoer te leggen en de kwaliteit van docenten, opleiders en andere professionals in het beroepsonderwijs en de beroepsopleidingen te verbeteren.

Efficiënte financiering en evaluatie

Onderzoeken van financieringsmechanismen en evaluatiesystemen met het oog op het verbeteren van de kwaliteit, met inbegrip van de doelgerichte ondersteuning van kansarme burgers en de ontwikkeling van efficiënte en billijke instrumenten voor het aantrekken van privé-investeringen voor het postsecundaire onderwijs en de postsecundaire opleidingen.

3.   Bevorderen van kansengelijkheid, sociale cohesie en een actief burgerschap

Voortijdig schoolverlaten

De lidstaten helpen bij het uitvoeren van de aanbeveling van de Raad van 2011 inzake beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten (4), en van de nationale strategieën betreffende voortijdig schoolverlaten in het algemeen onderwijs en in het beroepsonderwijs en de beroepsopleidingen.

Opvang en onderwijs voor jonge kinderen

Samenwerken overeenkomstig de conclusies van de Raad van 2011 over opvang en onderwijs van jonge kinderen (5) om een brede en gelijkwaardige toegang tot dat onderwijs en die opvang te realiseren, waarbij tegelijkertijd de kwaliteit van de voorzieningen wordt verhoogd, geïntegreerde benaderingswijzen worden bevorderd, de professionele ontwikkeling van het personeel in het onderwijs voor en de opvang van jonge kinderen wordt gestimuleerd en ouders worden ondersteund en adequate curricula, programma's en financieringsmodellen worden ontwikkeld.

Kansengelijkheid en diversiteit

Op doeltreffende wijze versterken van het wederzijds leren om de onderwijsresultaten in een steeds meer gediversifieerde samenleving te verbeteren, met name door het toepassen van inclusieve onderwijsmethoden gericht op leerders met zeer uiteenlopende achtergronden en onderwijsbehoeften, inclusief Roma en studenten met speciale behoeften, om al hun mogelijkheden te benutten; verbeteren van de leermogelijkheden voor oudere volwassenen en de uitwisseling van leerervaringen tussen generaties.

4.   Bevorderen van creativiteit en innovatie, inclusief ondernemerschap, op alle onderwijs- en opleidingsniveaus

Partnerschappen met het bedrijfsleven, de onderzoekswereld en het maatschappelijke middenveld

Ontwikkelen van doeltreffende en innovatieve vormen van netwerken, samenwerking en partnerschappen tussen aanbieders van onderwijs en opleidingen en een breed scala aan belanghebbenden, met inbegrip van sociale partners, bedrijfsorganisaties, onderzoeksinstellingen en maatschappelijke organisaties. Ondersteunen van netwerken voor scholen, universiteiten en andere aanbieders van onderwijs en opleidingen ter bevordering van nieuwe methoden voor de organisatie van het leren (inclusief open leermiddelen), capaciteitsopbouw en ontwikkeling tot leerorganisaties.

Transversale sleutelcompetenties, onderwijs op het gebied van ondernemerschap, elektronische geletterdheid, mediageletterdheid, innovatieve leeromgevingen

Samenwerken ter bevordering van het verwerven van sleutelcompetenties, zoals aangegeven in de aanbeveling van 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren, met inbegrip van digitale competenties en de wijze waarop ICT en ondernemerschap innovatie in onderwijs en opleidingen kunnen bevorderen door het stimuleren van creatieve leeromgevingen en het verhogen van het culturele bewustzijn, de culturele expressie en de mediageletterdheid.


(1)  NL: voorbehoud ten aanzien van het volgens deze delegatie buitensporig grote aantal prioritaire gebieden voor een periode van drie jaar. Deze delegatie vindt dat er meer tijd zou moeten worden besteed aan het bespreken van de inhoud van de bijlage.

(2)  PB C 372 van 20.12.2011, blz. 1.

(3)  PB C 199 van 7.7.2011, blz. 1.

(4)  PB C 191 van 1.7.2011, blz. 1.

(5)  PB C 175 van 15.6.2011, blz. 8.


Top