EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52012IE1587

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema „Welke veranderingen brengt de nieuwe financiële regelgeving met zich mee voor de banksector in Europa?” (initiatiefadvies)

OJ C 299, 4.10.2012, p. 6–11 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

4.10.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 299/6


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het thema „Welke veranderingen brengt de nieuwe financiële regelgeving met zich mee voor de banksector in Europa?” (initiatiefadvies)

2012/C 299/02

Rapporteur: mevrouw NIETYKSZA

Corapporteur: de heer GENDRE

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 14 juli 2011 besloten overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over het thema

Welke veranderingen brengt de nieuwe financiële regelgeving met zich mee voor de banksector in Europa?

De adviescommissie Industriële Reconversie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 11 juni 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 11 en 12 juli 2012 gehouden 482e zitting (vergadering van 12 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 135 stemmen vóór en 2 tegen, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

De belangrijkste taak van de banksector, die gemiddeld 5 % van het bbp van de EU vertegenwoordigt, moet bestaan uit het financieren van de reële economie - met name van innovatieve ondernemingen - en van de groei van kleine en middelgrote ondernemingen - die de motor zijn van de Europese economie - alsook uit het veiligstellen van spaartegoeden.

1.2

Het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) is ingenomen met de inspanningen van de Europese Commissie en de lidstaten om de banksector te versterken en nieuwe financiële crises te voorkomen door risico's te verminderen en de gevolgen van tegenspoed te verzachten.

1.3

Het EESC vindt dat er lering moet worden getrokken uit de recente financieel-economische crises en er een nieuwe aanpak moet worden gehanteerd met het oog op doeltreffender toezicht door de nationale, Europese en internationale autoriteiten en meer verantwoordelijkheidszin bij de financiële instellingen.

1.4

Het EESC steunt de maatregelen die erop gericht zijn de kapitaalstructuur van banken en hun vermogen om de economie te financieren, te versterken. Het waarschuwt het management van banken tegen winstbejag op zeer korte termijn en speculatieactiviteiten die de markten destabiliseren.

De verantwoordelijkheden van het management van banken en de nationale, Europese en interne bancaire toezichthouders moeten helder en beter worden gedefinieerd om ethisch verantwoord gedrag dat op transparante regels berust te bevorderen.

1.5

Het EESC vestigt de aandacht op de problemen die een opeenstapeling van regulerende maatregelen met zich meebrengt en op de uitdagingen waaraan de 8 000 Europese banken het hoofd moeten bieden om de economie te kunnen financieren in de huidige moeilijke economische tijden in Europa ten gevolge van de schuldencrisis, waarvan de omvang en gevolgen nog niet onder controle zijn.

1.6

De Europese banken worden geconfronteerd met een steeds grotere concurrentie van banken uit derde landen die in hun land van oorsprong niet zijn onderworpen aan dezelfde wet- en regelgeving.

1.7

In de maatregelen die erop gericht zijn de kapitaalstructuur te versterken, wordt voorzien in meer kapitaal en kapitaal van betere kwaliteit, een betere risicodekking, de invoering van een hefboomratio en een nieuwe benadering van liquiditeit. Deze maatregelen kunnen een impact hebben op de balans van banken en kunnen hun rentabiliteit gevoelig doen dalen.

1.8

Banken zullen daardoor geneigd zijn om hun omvang te verkleinen teneinde degelijker te worden, om zich te richten op de meest winstgevende activiteiten en om hun aanbod van financiële diensten te beperken teneinde hun risicoblootstelling beter te beheersen.

Volgens sommigen moeten banken zich weer gaan beperken tot het oorspronkelijke bankiersberoep: het aannemen van deposito's van klanten, het beschermen van spaarders en het financieren van de reële economie.

1.9

Het EESC vindt het wenselijk om de commerciële activiteiten en de financierings- en investeringsactiviteiten van banken geleidelijk weer van elkaar te scheiden. De huidige wereldwijde crisis laat zien dat een geglobaliseerd financieel systeem van onbeperkte vrijheid het risico loopt te ontsporen doordat de markten deze vrijheid verkeerd gebruiken:

Door hun extreme omvang zijn financiële multinationals zo moeilijk te besturen, is het voor toezichthouders dermate lastig ze te controleren en voor ratingbureaus zo moeilijk om ze te beoordelen dat een en ander ongeloofwaardig dreigt te worden.

Financiële instrumenten zijn niet meer te controleren. Het EESC is in beginsel niet tegen financiële innovatie, maar het is onacceptabel dat een financieel product vrij en op volkomen ondoorzichtige wijze op de wereldmarkt kan worden verhandeld terwijl niemand weet wat de risico's zijn en wie de eindverantwoordelijkheid draagt.

1.10

De nieuwe verplichtingen op het vlak van kapitaal, in het bijzonder de verhoging tot 9 % van de ratio van kapitaal van bijzonder hoge kwaliteit m.i.v. 30 juni 2012 voor 60 systeembanken en tussen 2015 en eind 2018 voor de overige banken, zouden rampzalige gevolgen kunnen hebben voor plaatselijke en coöperatieve banken. Juist deze banken stellen zich inschikkelijker op tegenover het mkb en micro-ondernemingen. Kapitaalvereisten zouden specifieke groepen banken niet mogen discrimineren.

1.11

Als banken moeilijkheden ondervinden om kapitaal vrij te maken, zal het voor het mkb lastiger worden om de noodzakelijke financiering te krijgen. Voorkomen moet worden dat de voorwaarden voor kredietverstrekking worden aangescherpt en de bankkosten stijgen. Het EESC roept de Commissie, de Europese Bankautoriteit (EBA) en de nationale toezichthouders op de kapitaalbuffers voor kleinere banken af te stemmen op de bedrijfsmodellen van die banken.

1.12

De prudentiële eisen hebben al tot gevolg dat minder krediet wordt verstrekt en dat krediet duurder wordt voor kleine ondernemingen, met name voor nieuwe, innovatieve en risicovolle ondernemingen. Europa zal de doelstellingen van de 2020-strategie, de Digitale Agenda, Europe Cloud Active, het Stappenplan Energie 2050 en de Small Business Act niet kunnen realiseren als het mkb onder invloed van nieuwe prudentiële maatregelen minder financiering kan krijgen.

Het EESC roept de Commissie op om de ontwikkelingen t.a.v. kredietverstrekking en bankkosten voor ondernemingen en particulieren op de voet te volgen.

1.13

De maatregelen die erop gericht zijn het toezicht op de markten door de nationale, Europese en internationale autoriteiten doeltreffender te maken, zullen verstrekkende gevolgen hebben voor de organisatie van de banken en interne controles. Het management zal meer verantwoordelijkheid krijgen, de rentabiliteit van het kapitaal zal nauwlettender in de gaten moeten worden gehouden en de risico's zullen beter moeten worden beheerd. De banken zullen hun verkoopprognoses en hun strategieën voor de ontwikkeling van producten en bankportefeuilles verder moeten uitwerken, rekening houdende met de rentabiliteit daarvan en met de absorptiecapaciteit van hun kapitaal. Dat zal leiden tot herstructureringen, waarbij de afdelingen voor IT, controlling en risicobeheer belangrijker zullen worden - ook in termen van werkgelegenheid - ten nadele van andere, meer traditionele diensten.

1.14

De banken in de EU hebben meer dan 3 miljoen werknemers in dienst, waarvan de overgrote meerderheid in kleine banken werkt. Sinds begin 2011 zijn er meer dan 150 000 arbeidsplaatsen verdwenen en vele bankkantoren gesloten. Voor 2012 wijzen veel prognoses op het verdwijnen van nog eens 100 000 banen. Het EESC verzoekt de Commissie om zich in te spannen voor verbetering van de sectorale sociale dialoog en om te voorzien in overleg met de sociale partners over initiatieven die gevolgen hebben voor de ontwikkeling van het bankiersberoep.

1.15

Het EESC wenst dat er bij de tenuitvoerlegging van de nieuwe regelgeving rekening wordt gehouden met de diversiteit van de lidstaten en in het bijzonder met de nieuwe EU-lidstaten, waar de kredietmarkten hun potentieel nog niet volledig benutten en de meeste banken in handen zijn van grote Europese en mondiale bankconcerns. Om hun balans te verbeteren en aan de nieuwe verplichtingen te voldoen, zouden deze concerns geneigd kunnen zijn om middelen over te hevelen vanuit hun filialen en om minder te investeren, wat de financiering van de economie in de desbetreffende landen aanzienlijk zou beperken. Het EESC wijst in dit verband op de uit het initiatief van Wenen voortvloeiende afspraken om de liquiditeit niet te verkrappen. Het is noodzakelijk om bepaalde originele modellen, zoals de coöperatieve banken in Duitsland en in Polen, te beschermen. Alleen al in Polen maken meer dan 300 banken deel uit van deze sector, waarin de grondige hervorming die de nieuwe regels inhouden niet doorgevoerd zal kunnen worden zonder een overgangsperiode.

1.16

De harmonisering moet gepaard gaan met een versterking van de bevoegdheden van de EBA. Het EESC herinnert eraan dat het vrij verkeer van kapitaal op Europees niveau verzekerd is, terwijl de bescherming van deposito's en de solvabiliteit van de banken onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten vallen. De kredietmarkt verschilt van lidstaat tot lidstaat. In landen waar de kredietverstrekking onvoldoende ontwikkeld is, kan het te snel inlopen van de achterstand t.a.v. schulden een speculatieve zeepbel doen ontstaan. Als de prudentiële regels op uniforme wijze op Europees niveau worden toegepast, zullen de nationale autoriteiten niet tijdig kunnen ingrijpen. Aandacht moet evenwel worden geschonken aan het voorstel van een aantal Europese bestuurders om een Europese bankunie op te richten om op dat niveau toezicht op systeembanken uit te oefenen en depositogaranties in te voeren voor het geval van faillissementen.

1.17

Op mondiaal niveau lopen de Europese banken het risico steeds minder concurrentiekrachtig te worden ten opzichte van hun concurrenten. Banken die aanvullend kapitaal zoeken, zullen dat vooral vinden bij staatsfondsen en banken in Azië en het Midden-Oosten. Er is een reëel gevaar dat de EU-lidstaten de controle over het Europese banksysteem zullen verliezen. Daarom verzoekt het EESC de Europese autoriteiten om hun inspanningen te intensiveren teneinde dezelfde prudentiële regels op internationaal niveau te doen gelden en zo echte mondiale regelgeving tot stand te brengen.

1.18

Nieuwe informatietechnologieën - e-banking, homebanking, beveiligde virtuele transacties (elektronische handtekening) en cloud-computing - brengen revolutionaire veranderingen met zich mee voor de traditionele bancaire dienstverlening. Banken zullen de zware taak krijgen om de reële economie te financieren en tegelijkertijd het hoofd te bieden aan hogere financieringskosten door de invoering van nieuwe technologieën en aan een lagere rentabiliteit. Het EESC is van mening dat alle actoren in de banksector begeleid en ondersteund moeten worden tijdens deze grote veranderingen.

2.   Inleiding

2.1

De financiële crisis en de gevolgen daarvan voor de economie hebben regeringen en financiële autoriteiten gedwongen om na te denken over de onderliggende oorzaken van de instorting van een financieel systeem waarvan men dacht dat het permanent was en goed gereglementeerd en doeltreffend gecontroleerd werd.

2.2

De eerste maatregelen werden inderhaast genomen en waren financieel en monetair van aard (aanzienlijke verlaging van de basisrente, liquiditeit, staatssteun). De maatregelen voor de langere termijn hadden tot doel de marktstructuur te versterken en toekomstige systeemcrises te vermijden: hierbij ging het dan ook vooral om regelgevings-, voorzorgs- of fiscale maatregelen. De supranationale organisaties - IMF, G-20, BIB, de Commissie - hebben zich bereid verklaard om samen te werken, maar hun standpunten lopen uiteen.

2.3

Sinds de crisis van 2008 heeft de EU meer dan 50 wetgevingsmaatregelen genomen. 99 % van de hervormingen zal eind 2011 uitgevoerd zijn, zodat ze van kracht kunnen worden in 2013, met uitzondering van de ratio voor het kernkapitaal, "Tier One" (T1), die m.i.v. 30 juni 2012 in de praktijk moet worden gebracht door de 60 instellingen die worden beschouwd als systeembanken. De overige banken zouden deze ratio tussen 2015 en 2018 moeten gaan toepassen.

2.4

Volgens het derde akkoord van Bazel, dat in november 2010 gepubliceerd werd, moeten banken meer kapitaal van betere kwaliteit bezitten om het hoofd te kunnen bieden aan toekomstige crises. Dit akkoord voorziet in het bijzonder in:

de eis dat banken over een uit gewone aandelen bestaand kapitaal van 4,5 % en een T1-kapitaal van 6 % van de naar risico gewogen activa beschikken;

een verplichte kapitaalinstandhoudingsbuffer van 2,5 %;

een discretionaire anticyclische buffer, waarmee nationale regelgevende instanties kunnen eisen dat er in perioden van hoge kredietgroei nog eens 2,5 % kapitaal wordt aangehouden.

Verder behelst Bazel III de invoering van een minimale hefboomratio van 3 % en van twee ratio's voor liquiditeitsvereisten: de liquiditeitsdekkingsratio, die vereist dat een bank voldoende liquide activa van hoge kwaliteit aanhoudt om de totale netto-uitstroom van middelen gedurende 30 dagen te kunnen opvangen; de netto stabiele financieringsratio, die vereist dat banken over een hoeveelheid stabiel kapitaal beschikken die groter is dan de hoeveelheid die nodig is om een 1 jaar durende periode van aanhoudende stress te kunnen opvangen.

2.4.1

De Commissie heeft in juli 2011 voorstellen ingediend om Bazel III om te zetten in een vierde Richtlijn Kapitaalvereisten (RKV IV), teneinde de Europese banksector te versterken en de banken er tegelijkertijd toe aan te zetten de groei van de economie te blijven financieren. De Commissie heeft echter geen enkel concreet initiatief genomen om kredietverstrekking te stimuleren.

2.5

De bedoeling is de banken aan te sporen meer kapitaal in handen te houden om bestand te zijn tegen crises, en de toezichthouders een nieuw instrument te geven om de banken te controleren en op te treden als risico's worden waargenomen.

2.6

RKV IV dekt de domeinen af die onder de huidige richtlijn voor kapitaaleisen vallen, maar moet worden omgezet op een manier die telkens is aangepast aan de situatie in iedere lidstaat.

2.7

Ondanks de vertragingen en de gebreken van de goedgekeurde regels, zijn er wel degelijk stappen gezet op weg naar een nieuwe regelgeving, maar er blijft nog een aantal vragen:

Dekken de nieuwe regels alle financiële praktijken op wereldvlak af?

Zal er, zodra de regulering van de markten is vastgelegd, op kunnen worden vertrouwd dat er doeltreffende controles zullen zijn?

Gaan de nieuwe regels de situatie in de Europese banksector (structuren, consolidatie, distributiewijzen, personeel), die uit meer dan 8 000 banken bestaat, en de houding van die sector tegenover de financiering van de economie (kredietverstrekking aan ondernemingen, instellingen en particulieren) beïnvloeden en veranderen?

3.   Een aangetaste financiële en economische conjunctuur

3.1

De Europese banken moeten momenteel het hoofd bieden aan bruuske veranderingen in regelgeving en conjunctuur, die tot bezorgdheid strekken ten aanzien van hun capaciteit om hun rol te blijven vervullen als financiers van de economie in een economische situatie die aangetast is door de schuldencrisis, die in het bijzonder de eurozone zwaar treft.

3.2

Nu de bepalingen van het Bazelcomité (Bazel III) worden geïmplementeerd, zijn de banken verplicht om hun kapitaal te versterken, een bijzonder hoge netto stabiele financieringsratio (NSFR) toe te passen en prudentieel kapitaal te creëren.

3.3

De stresstests waaraan ze in twee fasen werden onderworpen hebben de twijfels over de impact van wanbetaling door een of meerdere lidstaten van de eurozone niet kunnen wegnemen.

3.4

Er is wantrouwen ontstaan bij de internationale financiële gemeenschap, wat liquiditeitsproblemen veroorzaakt op de interbancaire markt en banken ertoe aanzet zich te richten op de veiligste beleggingen.

3.5

In deze context heeft de Europese Centrale Bank (ECB) tweemaal ingegrepen en in totaal een financieringscapaciteit van 1 000 miljard euro ter beschikking gesteld van de banksector, tegen een rente van 1 % en met een looptijd van 3 jaar. Dit optreden is essentieel geweest om het vertrouwen op de interbancaire markt te herstellen en de voor de economie beschikbare hoeveelheid krediet op peil te houden. Een deel van de verstrekte financiering is echter weer teruggestort aan de ECB en met een ander gedeelte zijn overheidsschulden opgekocht. Het EESC vindt dat de ECB een mechanisme moet creëren om te achterhalen waarvoor dit soort middelen worden gebruikt.

3.6

Er bestaat een steeds dringendere behoefte aan een nieuwe kapitaalinjectie voor de banken. Daarvoor is volgens de EBA meer dan 100 miljard euro nodig.

3.7

Voor de kredietverstrekking aan instellingen, particulieren en ondernemingen, in het bijzonder aan het mkb, gelden steeds strengere eisen. De risico's van dit soort kredietverlening worden tegenwoordig ook nauwgezet geanalyseerd door de banken, waardoor de kosten van zulke financiering stijgen. Tegelijkertijd wordt het voor ondernemingen nog moeilijker om financiering te vinden op de financiële markten, wat een alternatief zou kunnen zijn voor leningen bij banken. Deze situatie, in combinatie met een beleid van bezuinigingen, leidt ertoe dat er voor de hele EU, op enkele zeldzame uitzonderingen na, nauwelijks of geen groei wordt voorspeld voor 2012.

4.   Controles en regulering van de banksector

4.1

In dit verband is het noodzakelijk de "subprime"-crisis weer in herinnering te roepen: de voortekenen van deze crisis hadden de toezichthouders moeten alarmeren. Niemand twijfelde aan de rentabiliteit van een belegging die zowel de banken als hun klanten winst zou opleveren. In 2002 waarschuwde de FDIC echter al tegen deze producten. Tussen 2002 en 2006 werden er desondanks geen maatregelen getroffen door de Federal Reserve.

4.2

Het faillissement van de bank Lehman Brothers had vermeden kunnen worden als de toezichthouders de ernstige liquiditeitsproblemen van deze bank tijdig hadden opgemerkt. Het gevaar van een hypothecair krediet dat is toegekend voor 100 % van de garantiewaarde en door financiële bemiddelaars in "pakketten" wordt herverkocht, werd tijdens het toezicht over het hoofd gezien. Om nieuwe crises te vermijden, moeten er maatregelen worden getroffen om het management van financiële instellingen persoonlijk verantwoordelijk te stellen voor gebrek aan afdoende toezicht.

4.3

De crisis is misschien inderdaad veroorzaakt door te ingewikkelde producten, de zogenaamde "toxische" producten, maar het is eveneens gebleken dat de toezichthouders op basis van de bestaande regels hadden kunnen voorkomen dat dergelijke producten gecreëerd en zelfs in omloop gebracht werden.

De nieuwe regels zullen niet met zekerheid kunnen garanderen dat een nieuwe crisis vermeden zal worden als de toezichthouders niet voldoende middelen krijgen om hun taak uit te oefenen en als interne controles inefficiënt blijven.

4.4

In het licht van de liberalisering van de financiële markten moeten regeringen hun verbintenissen tot samenwerking op internationaal niveau nakomen om verschillende regelgeving in verschillende gebieden te vermijden.

4.5

Nieuwe regelgeving zou op de volgende beginselen moeten berusten:

a)

het beroep van bankier kan vrij toegankelijk zijn, maar het toezicht op het personeel in de banksector en op de herkomst van kapitaal moet veel strikter en doeltreffender worden;

b)

werknemers die belast zijn met financiële transacties moeten worden gecertificeerd en onderworpen zijn aan regels en controles; parabancaire activiteiten en "schaduwbankieren" moeten verboden worden;

c)

nieuwe financiële producten moeten onderworpen zijn aan goedkeuring en controle door de nationale en Europese bankautoriteiten.

4.6

De activiteiten van de toezichthoudende instellingen moeten regelmatig worden beoordeeld door een onafhankelijk orgaan bestaande uit deskundigen die in de financiële sector beroepsmatig geen verantwoordelijkheden meer hebben. Bij deze beoordeling moet de nadruk met name liggen op de gevolgen van de besluiten van de toezichthouders voor het beheer van banken.

5.   Met welke veranderingen heeft de banksector in Europa te maken?

5.1

De banken staan momenteel sterk onder druk omdat ze hun bedrijfsmodel moeten herzien naar aanleiding van de nieuwe regelgeving. De gecombineerde effecten van de regels en een moeilijke financiële en economische conjunctuur hebben geleid tot:

Een versterking van de kapitaalstructuur van alle financiële instellingen, waarvan de meeste reeds voldoen aan de Tier-I-ratio; zij zullen waarschijnlijk de omvang van hun balans verkleinen om degelijker te worden (voetnoot: studie van KPMG, december 2011, "Evolving Banking Regulations, A long journey ahead – the outlook for 2012").

Een toenemende behoefte aan kapitaal en de behoefte om over liquiditeitsoverschotten te beschikken, die in sommige gevallen vier keer meer bedragen dan de minimumliquiditeitsbehoefte van banken. Een en ander onder invloed van de regels van Bazel III en de verplichting om te voldoen aan de NSFR (meer dan één maand) en de liquiditeitsdekkingsratio (minder dan één maand). Deze maatregelen zullen negatieve gevolgen hebben voor de financiële resultaten en leiden tot bankbalansen van kleinere omvang.

Moeilijkheden om de kredietverlening te ontwikkelen in periodes van economische groei vanwege de "anticyclische buffer". Ondanks de hoge vraag naar krediet zullen banken het hoofd moeten bieden aan de aanscherping van de eisen voor kapitaaltoereikendheid. De toezichthouders eisen dat deze buffer wordt gehandhaafd, die mag onder invloed van kredietportefeuilles niet afnemen. De liquiditeitsbuffer die door de nationale toezichtorganen wordt vastgesteld, kan wel 2,5 % van het kapitaal bedragen.

5.2

Dat alles heeft de volgende gevolgen:

5.2.1

Een aanzienlijke daling van de gemiddelde opbrengst (ROE) van de banksector, met 10 % tot 30 % in de meest extreme gevallen; daardoor verliezen beleggers interesse in deze sector en neemt de kapitalisatie van Europese banken af.

5.2.2

Een beperking van de kredietverlening aan ondernemingen en instellingen en duurdere leningen, in het bijzonder voor kleine en middelgrote ondernemingen, die vaak beschouwd worden als risicovolle ondernemingen, aangezien zij onvoldoende waarborgen of medefinanciering kunnen voorleggen.

5.2.3

Een mogelijke beperking van de verstrekking van langlopende kredieten, ten gevolge van de invoering m.i.v. 2018 van de NSFR en de hefboomratio. Deze situatie kan negatieve gevolgen hebben voor de financiering van infrastructuurinvesteringen.

5.2.4

De verplichting om de rentabiliteit van kapitaal beter te evalueren en risico's beter te beheren. De banken moeten hun verkoopprognoses en hun strategieën voor het ontwikkelen van producten en bankportefeuilles verder uitwerken, rekening houdende met de rentabiliteit daarvan en met de absorptiecapaciteit van hun kapitaal.

5.2.5

Het risico dat banken bijzonder hoge kosten moeten betalen voor audits en verslaglegging, teneinde te voldoen aan de nieuwe regelgeving en de eisen van de nationale en internationale toezichthouders. Dit zal een impact hebben op de organisatie van banken en zal structurele veranderingen met zich meebrengen.

5.2.6

Er zal minder krediet worden verstrekt in de sectoren met een geprivilegieerde wegingsfactor. Bovendien kan de invoering van een hefboomratio op lange termijn leiden tot een beperking van de kredietverlening aan staten, decentrale overheden en andere lichamen die profiteren van geprivilegieerde wegingsfactoren.

5.2.7

Een mogelijke overheveling van een gedeelte van de activiteiten naar instellingen waarvoor de regels niet gelden, doordat krediet duurder wordt. Dit bevordert de ontwikkeling van parabancaire instellingen, die particulieren tegen zeer hoge rentes en vaak in contanten leningen verstrekken. De activiteiten van dergelijke instellingen zijn niet aan zulk strikt toezicht onderworpen als die van banken.

5.3

De nieuwe regels worden zonder onderscheid toegepast op grote en kleine bankinstellingen. Ze zijn mogelijk niet geschikt voor bepaalde landen, zoals de nieuwe Midden- en Oost-Europese lidstaten, die een sterke groei kennen.

In deze landen kunnen de nieuwe regels investeringen afremmen. De banken in die landen zijn vaak in handen van multinationals en de nationale aandeelhouders zijn er in de minderheid. De moedermaatschappijen kunnen een aanzienlijk deel van het kapitaal van hun dochtermaatschappijen weer terugvoeren naar eigen land, teneinde te voldoen aan de regelgeving op mondiaal niveau. De dochtermaatschappijen zullen daardoor flink worden verzwakt en zullen bijgevolg hun bijdrage tot de financiering van de plaatselijke economie beperken. Het EESC herinnert eraan dat het vrij verkeer van kapitaal op Europees niveau verzekerd is, terwijl de bescherming van deposito's en de solvabiliteit van de banken onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten vallen.

5.4

De kredietmarkt verschilt van lidstaat tot lidstaat. In landen waar de kredietverstrekking onvoldoende ontwikkeld is, kan het te snel inlopen van de achterstand t.a.v. schulden een speculatieve zeepbel doen ontstaan. Als de prudentiële regels op Europees niveau worden toegepast, zullen de nationale autoriteiten niet snel genoeg kunnen ingrijpen. De harmonisering moet gepaard gaan met een versterking van de bevoegdheden van de EBA.

5.5

Het is noodzakelijk om rekening te houden met bepaalde originele modellen, zoals coöperatieve banken, die gezond en zelfstandig functioneren. De hervorming die de nieuwe regels inhouden zal niet doorgevoerd kunnen worden zonder een overgangsperiode. Coöperatieve banken zijn onmisbaar voor de plaatselijke ontwikkeling aangezien zij handelen in het belang van hun leden, die ook hun spaarders en kredietnemers zijn: het mkb, landbouwers, gemeentes en tal van andere plaatselijke actoren.

5.6

De grote banken zullen op zoek gaan naar beleggingen met een beperkt risico die meer winst opleveren; daarbij komen de vrees voor een grotere belastingdruk en de verliezen op sommige uitzettingen in staatsschulden.

5.7

De consolidering zal waarschijnlijk steeds sneller gaan: spaarbanken en coöperatieve banken kunnen rekenen op "autonome" financieringsbronnen, maar de banken die voor herfinanciering een beroep doen op de markt, zullen worden gedwongen te fuseren met negatieve gevolgen voor het mkb en de consument. Sommige banken zijn opgekocht en herverkocht na de ontmanteling van hun plaatselijke of regionale netwerk. In de coöperatieve en mutualistische sector en in de sector van de spaarbanken is sprake geweest van een sterke nationale bancaire concentratie.

5.8

Een lagere rentabiliteit van de banken, onder meer ten gevolge van hogere financieringskosten, en de bijzonder beperkende beginselen die aan de basis liggen van het liquiditeitsbeheer, kunnen leiden tot een stijging van de bankkosten en van de rente op termijnbeleggingen en particuliere rekeningen van klanten.

5.9

In het licht van de nieuwe regelgeving zetten banken vaart achter herstructureringen en de toepassing van nieuwe technologieën (onlinebanking, virtueel loket, gebruik van smartphones).

De combinatie van het gebruik van nieuwe technologieën en de diversificatie van de aangeboden producten zorgt ervoor dat de netwerken van bankkantoren sneller worden hervormd en het aantal loketten waar geen transacties met contant geld worden uitgevoerd, groeit. Bankkantoren veranderen steeds meer in plekken waar alleen advies wordt verstrekt en financiële producten worden verkocht. De nieuwe manieren om geld over te schrijven en betalingen te verrichten, vereisen echter een goede beveiliging tegen cyberaanvallen, die een bedreiging vormen voor transacties die via internet of de mobiele telefoon worden uitgevoerd.

5.10

De verandering van de opzet van de distributiekanalen zal op termijn leiden tot een afname van het aantal bankkantoren en arbeidsplaatsen. De toepassing van RKV IV zal binnen de banken meer banen doen ontstaan in de afdelingen voor IT en risicobeheer, ten nadele van andere bankactiviteiten. Er moet een kwaliteitsvolle sociale dialoog op gang gebracht worden op alle niveaus over werkgelegenheids- en opleidingsvraagstukken, om zo goed mogelijk te kunnen inspelen op de huidige ontwikkelingen.

6.   Toekomstige ontwikkelingen

6.1

Het Europees Parlement heeft ingestemd met het beginsel van een belasting op financiële transacties en de Commissie bestudeert de toepassing daarvan; er bestaat geen overeenstemming onder de lidstaten en de Amerikaanse overheid staat hier negatief tegenover. De beperkte hoogte van de voorgenomen belasting zou geen buitensporige last betekenen voor de banken en ook geen handicap vormen voor de mondiale concurrentiepositie. Zoals het EESC al in twee eerdere adviezen (1) heeft benadrukt, is het doel van deze belasting tweeledig: nieuwe belastinginkomsten genereren, met name om de ontwikkelingshulp te financieren, en verandering brengen in het gedrag van banken om de financiering van de economie op middellange en lange termijn te bevorderen i.p.v. speculatieve transacties op bijzonder korte termijn.

6.2

De scheiding van de retailactiviteiten en de financierings- en investeringsactiviteiten van banken is het onderwerp van een studie die wordt uitgevoerd op initiatief van commissaris Barnier. Daarmee wordt het model van de universele bank op de helling geplaatst. De discussie gaat over een volledige scheiding, een afscheiding van de activiteiten van investeringsbanken of een verbod voor banken om voor eigen rekening te investeren. Sommige deskundigen zijn hiertegen en wijzen erop dat universele banken de diepte en liquiditeit van de markten waarborgen en beter in staat zijn de economie te financieren.

6.3

Het ontwikkelingsscenario van de financiële sector en het bankwezen is de afgelopen dertig jaar veranderd: de openstelling van de markten heeft geleid tot de mondialisering van de financiële sector, wat op zijn beurt heeft bijgedragen tot de ontwikkeling en toename van belasting- en regelgevingsparadijzen. De toenemende wereldwijde concurrentie heeft het ontstaan van nieuwe financiële instellingen, nieuwe producten en nieuwe diensten bevorderd.

6.4

De grote bankconcerns hebben de zwakheden en de beperkingen van een groei waarbij goed bestuur niet meer mogelijk is, aangetoond. Ze zullen geneigd zijn om hun omvang te verkleinen teneinde degelijker te worden, waarbij ze minder extreme en beter voorspelbare winstschommelingen zullen kennen en geen extravagante bonussen zullen uitkeren. Ze zullen hun activiteiten gaan terugvoeren tot de kern - het aannemen van deposito's en het verstrekken van krediet - waarbij ze hun andere dienstverlening en internationale expansie zullen beperken en zich zullen richten op de markten met de sterkste groei, waardoor hun rentabiliteit zal dalen.

6.5

Dankzij de nieuwe regelgeving zal het management van banken meer verantwoordelijkheid gaan dragen voor de toekenning van premies en beloningspraktijken en aan strenger toezicht worden onderworpen.

6.6

Een bancair toezicht dat geldt voor alle soorten financiële ondernemingen zal het mogelijk maken om de activiteiten van parabancaire instellingen (zoals schaduwbankieren) te controleren.

6.7

Het is noodzakelijk om regels uit te werken die de toegang tot het beroep van bankier beperken om personeel te kunnen selecteren van wie de vaardigheden klanten en beleggers geruststellen.

6.8

Wanneer de staatssteun en internationale steun naar aanleiding van de financiële crises ophoudt, zal de sector zich ongetwijfeld parallel met de conjunctuur en de komst van nieuwe technologieën gaan ontwikkelen, maar vooral ook op basis van strategieën die kenmerkend zijn voor alle goed bestuurde ondernemingen. De banken zullen de zware taak krijgen om hun geloofwaardigheid als financiers van de reële economie te behouden en tegelijkertijd het hoofd te bieden aan hogere financieringskosten en een lagere rentabiliteit.

Brussel, 12 juli 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Adviezen van het EESC van 29 maart 2012 over het "Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijk stelsel van belasting op financiële transacties en tot wijziging van Richtlijn 2008/7/EG" (PB C 181 van 21.06.2012 blz. 55) en van 15 juli 2010 over "Belasting op financiële transacties" (initiatiefadvies) (PB C 44 van 11.02.2011 blz. 81).


Top