Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52012AE1802

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — De EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel 2012-2016 (COM(2012) 286 final)

OJ C 44, 15.2.2013, p. 115–118 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

15.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/115


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — De EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel 2012-2016

(COM(2012) 286 final)

2013/C 44/20

Rapporteur: Béatrice OUIN

De Commissie heeft op 19 juni 2012 besloten om het Europees Economisch en Sociaal Comité (hierna: EESC) overeenkomstig artikel 304 van het VWEU te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's — De EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel 2012-2016

COM(2012) 286 final.

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 23 november 2012.

Het EESC heeft tijdens zijn op 12 en 13 december 2012 gehouden 485e zitting (vergadering van 13 december) onderstaand advies uitgebracht, dat met 104 stemmen vóór, bij 1 onthouding, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het EESC is ingenomen met de EU-strategie voor de uitroeiing van mensenhandel en wil meewerken aan de toepassing daarvan. Wel vindt het dat het woord „uitroeiing”, gezien de omvang die mensenhandel heeft aangenomen, de relatieve tolerantie ervoor en de zwakte van de middelen die voor de bestrijding ervan worden ingezet, hooggegrepen lijkt.

1.2

Bedoelde strategie is ondenkbaar zonder dat maatschappelijke organisaties er, in samenspraak met de slachtoffers, actief aan meewerken. Organisaties die slachtofferhulp bieden, hebben financiële steun nodig om hun taak te kunnen vervullen.

1.3

Om duidelijkheid te scheppen over wat bestreden moet worden, stelt het EESC voor om een onderscheid te maken tussen mensenhandel voor seksuele uitbuiting en mensenhandel om andere redenen (arbeid, bedelarij, schijnhuwelijk, organenhandel). Ook stelt het voor om een keurmerk in het leven te roepen voor steden die de strijd aanbinden tegen seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen.

1.4

Het EESC is voorstander van een aparte aanpak van de handel in kinderen (VN-Verdrag inzake de rechten van het kind).

1.5

De lidstaten zouden snel moeten overgaan tot de ratificatie van het IAO-Verdrag inzake fatsoenlijk werk voor huispersoneel en alle andere internationale verdragen op dit gebied.

1.6

Slachtoffers moeten voldoende bescherming krijgen om weer deel te gaan uitmaken van de wettelijke samenleving waarvan zij waren uitgesloten (bescherming bij de indiening van een klacht, toegang tot huisvesting, gezondheidszorg enz.). Het is voor de herintegratie van slachtoffers van belang dat zij de mogelijkheid krijgen om werk te vinden op een door de overheid gefinancierde inclusieve arbeidsmarkt.

1.7

De bestrijding van mensenhandel moet dwars door al het ander beleid gaan en de terugdringing van die handel moet gepaard gaan met echte sociale maatregelen. Er moet een synergiewerking tot stand worden gebracht met strategieën op alle andere gebieden: voor de integratie van de Roma en de bestrijding van armoede, verslavingen, seksueel misbruik van kinderen enz.

2.   Inleiding

2.1

Slavernij is niet alleen iets uit geschiedenisboeken, maar bestaat nog en komt voor in de meest ontwikkelde landen. Dat nog steeds handel wordt gedreven in mensen en dat die handel zich zelfs verder uitbreidt op EU-grondgebied, vreet de democratische waarden aan waarop de EU is gegrondvest. Als in een rechtsstaat mensen worden verkocht om seksueel te worden uitgebuit of om tot arbeid of bedelarij en inmiddels ook tot organenhandel of schijnhuwelijken te worden gedwongen en als de mensen die zich aan deze misdaad schuldig maken, daar heel rijk van worden, dan is dat een aantasting van de wereldwijde geloofwaardigheid van de EU als voorvechter van de naleving van de mensenrechten.

2.2

In artikel 5 van het Handvest van de grondrechten van de EU wordt mensenhandel verboden. Mensenhandel zou beter moeten kunnen worden bestreden als Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan eenmaal door de lidstaten in nationale wetgeving is omgezet (op zijn laatst op 6 april 2013). Met deze Richtlijn is voor een totaalaanpak gekozen, met de nadruk op mensenrechten en slachtoffers en aandacht voor de genderdimensie. Mensenhandel kan ook worden bestreden met behulp van nog andere rechtsinstrumenten. Daarbij gaat het om instrumenten inzake de rechten van slachtoffers, gelijkheid van behandeling voor vrouwen en mannen en de bestrijding van de seksuele uitbuiting van kinderen, of om instrumenten die worden ingezet tegen werkgevers die willens en wetens niet-EU-onderdanen zonder papieren voor zich laten werken.

2.3

Kortom, verschillende en versnipperde rechtsinstrumenten die elkaar kunnen overlappen of dubbelop kunnen werken en niet samen één beleid vormen. Daarom is er behoefte aan een strategie waardoor prioriteiten worden gesteld en leemten worden ingevuld en er samenhang wordt gebracht in de diverse teksten. Daarin wordt voorzien met onderhavige strategie.

2.4

Er gaapt momenteel een diepe kloof tussen beginselverklaringen en de reële situatie in het veld. De EU, de lidstaten en de burgers zijn in beginsel felle tegenstanders van mensenhandel, ook wel „moderne slavernij” genoemd. In de praktijk kan iedereen (gewoon als burger, maar ook als sociaal werker, arts, politiebeambte of politicus) overal slachtoffers van mensenhandel tegenkomen (bv. heel jonge buitenlandse straatprostituees in Europa's steden of bedelende kinderen) of indirect meewerken aan mensenhandel door producten te kopen die zo goedkoop zijn dat er ergens in de productieketen wel sprake moet zijn van arbeidsuitbuiting. In werkelijkheid is de collectieve tolerantie groot en hangt er rond mensenhandel een overdonderende stilte. De meeste mensen willen het niet zien en willen er niets mee te maken hebben, terwijl iedereen toch een rol te spelen heeft.

2.5

De Commissie stelt in onderhavige Mededeling een strategie voor om de bestrijding van mensenhandel doeltreffender aan te pakken. Het EESC, dat zich al in die zin had uitgesproken in zijn advies over het richtlijnvoorstel (1), kan dit alleen maar toejuichen.

2.6

Die strategie is tot mislukken gedoemd als het maatschappelijk middenveld daarin niet de belangrijkste partner is. Immers, maatschappelijke organisaties hebben de meeste inzichten op dit gebied en kunnen slachtoffers helpen opsporen en mensenhandel helpen voorkomen. Politie, justitie en arbeidsinspectie e.d. zijn onmisbaar, maar als de mensenhandel had kunnen worden „uitgeroeid” door overheidsinstanties alléén, dan was dat al lang gebeurd. De bestrijding van mensenhandel kan alleen doel treffen als maatschappelijke organisaties bij de toepassing van de strategie worden betrokken. Organisaties die slachtofferhulp bieden, moeten financiële steun krijgen.

2.7

In onderhavige Mededeling worden vijf prioriteiten voorgesteld: slachtoffers van mensenhandel opsporen, beschermen en helpen; zorgen voor een betere preventie van mensenhandel; mensenhandelaars vervolgen; de coördinatie en samenwerking verbeteren en meer samenhang brengen in beleid; oplossingen vinden voor nieuwe problemen, zoals met name het gebruik van internet door misdadige organisaties.

3.   Opmerkingen van het EESC

3.1

Het EESC heeft al meerdere adviezen over mensenhandel uitgebracht, zoals het advies over de seksuele uitbuiting van kinderen (2), het advies over de rechten van slachtoffers (3) en het advies over de totaalaanpak van migratie en mobiliteit (4).

Slachtoffers van mensenhandel opsporen

3.2

In zijn advies van oktober 2010 dringt het EESC erop aan dat de bescherming van slachtoffers begint zodra zij als zodanig zijn onderkend. De moeilijkheid bestaat erin dat het om kwetsbare mensen gaat die de taal niet beheersen, die in de gaten worden gehouden door degenen die hen uitbuiten, die bang zijn, die hun rechten niet kennen en die niet weten tot wie ze zich moeten richten. Juist die mensen moeten erkenning zien te krijgen als slachtoffer, waarvan de bewijslast bij hen is gelegd. Er zou vooruitgang moeten worden geboekt bij de opsporing van slachtoffers, zodat er beter naar slachtoffers kan worden geluisterd. Er zijn vakbonden die bij wijze van proef cursussen organiseren voor werknemers die in aanraking kunnen komen met dwangarbeiders. Deze werknemers wordt geleerd om slachtoffers van arbeidsuitbuiting op te sporen, aan te spreken, te begeleiden en te beschermen. Hetzelfde zou moeten worden gedaan voor werknemers die in aanraking kunnen komen met slachtoffers van mensenhandel voor seksuele uitbuiting (in 80 % van de gevallen van mensenhandel gaat het om die vorm van uitbuiting). De instrumenten die er zijn, evenals cursussen, richtsnoeren en procedurele handleidingen moeten veel breder worden verspreid, zodat bekend wordt waar iemand terecht kan die mensenhandel op het spoor denkt te zijn en hoe daarbij te werk moet worden gegaan.

3.3

Het tij moet worden gekeerd: slachtoffers die bij een hulporganisatie aankloppen, worden nu vaak doorverwezen naar een andere organisatie die competenter zou zijn. Slachtoffers moeten hun verhaal soms tientallen keren vertellen voordat zij echt worden geholpen. Daarentegen zouden werknemers van hulporganisaties zich altijd geschikt moeten voelen om naar slachtoffers te luisteren en hen te helpen. Zij moeten dus worden geïnformeerd, opgeleid en toegerust om te weten wat zij moeten zeggen en doen. Ook moeten organisaties en sociale werkers actief zijn in netwerken.

3.4

Verschillende slachtoffers moeten ook anders worden behandeld: die specialisering moet vooral gelden voor kindslachtoffers. Het belang van het kind moet voorop staan. In de Europese strategie voor de integratie van de Roma moet een onderdeel worden gewijd aan de bestrijding van gedwongen bedelarij door kinderen.

Mensenhandel beter voorkómen

3.5

De Commissie legt in onderhavige Mededeling terecht de nadruk op de genderdimensie. Immers, nagenoeg 80 % van de slachtoffers van mensenhandel zijn vrouwen van wie de meesten tot prostitutie worden gedwongen. Seksuele uitbuiting is in 76 % van de gevallen de reden waarom handel wordt gedreven in mensen. Dat mensenhandel voor seksuele uitbuiting blijft bestaan, is tekenend voor de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Dat (vaak jonge) vrouwen naar de rijkste steden van de EU worden gebracht om daar tot prostitutie te worden gedwongen, doet vragen rijzen over het beeld dat hun klanten van die vrouwen - en van vrouwen in het algemeen - hebben en werkt ondermijnend voor alle acties die elders worden ondernomen om de gelijkheid van vrouwen en mannen te bevorderen.

3.6

Er zou dan ook een duidelijk onderscheid moeten worden gemaakt tussen mensenhandel voor seksuele uitbuiting en mensenhandel om andere redenen (arbeidsuitbuiting, bedelarij, organenhandel). Belangrijk is ook dat bij seksuele uitbuiting dan weer een onderscheid wordt gemaakt tussen volwassenen en kinderen. In de meeste gevallen (80 %) gaat het bij mensenhandel om seksuele uitbuiting. Daarom is dit onderscheid zo belangrijk. Door het beestje bij de naam te noemen, wordt duidelijk wat precies bestreden wordt. Mensenhandelaars blijven een vage en verre dreiging, maar de klanten en slachtoffers kun je overal in Europa op straat tegenkomen.

3.7

Betere preventie betekent om te beginnen terugdringing van de vraag. Zolang er nog klanten zijn voor prostituees, zijn er mensenhandelaars. De vraag verminderen, impliceert dat mensen van jongs af aan en in alle maatschappelijke kringen wordt geleerd dat vrouwen en mannen gelijkwaardig zijn. Wat betekent dat beroepen ook vaker zowel door mannen als door vrouwen moeten worden uitgeoefend. Als mannen en vrouwen dezelfde beroepen hebben en evenveel verantwoordelijkheid dragen, dan wordt het moeilijker om seksuele fantasieën over vrouwen te hebben waarbij vrouwen seksuele objecten zijn die kunnen worden gekocht. Waar het op aan komt, is dat bij seksuele voorlichting ook aandacht wordt geschonken aan het gevoelsmatige aspect van seksualiteit en aan iemands waardigheid als mens. Als ouders geen seksuele voorlichting geven, gaan jongeren hun informatie op het internet zoeken, met het risico van een negatieve beeldvorming waardoor hun verwachtingen van de betrekkingen tussen mannen en vrouwen worden beïnvloed.

3.8

De genderdimensie is belangrijk, maar er moet ook verschil worden gemaakt tussen de manier waarop het probleem wordt aangepakt als het gaat om kinderen of om volwassenen. Seks hebben met kinderen, is een misdaad. Nu er steeds vaker op het internet kinderporno is te zien, zijn volwassenen soms geneigd om te vergeten dat er wetten zijn of om die wetten aan hun laars te lappen. Kinderen moet ook worden geleerd wat seksualiteit is en dat ze er recht op hebben te worden gerespecteerd (5).

3.9

Preventie betekent ook dat maatregelen moeten worden genomen tegen de armoede waardoor mensen huis en have verlaten en een gemakkelijke prooi worden voor mensenhandelaars die daarvan profiteren. Illegale immigranten, die werden aangetrokken door de droom van een beter leven in het rijke westen, zijn in hun kwetsbaarheid - zij hebben geld noch papieren, kunnen met niemand communiceren en leven voortdurend in angst om te worden opgepakt door de politie - weerloos tegenover handelaars die slaven van hen maken, terwijl het toch om mensen gaat die uit vrije wil zijn gekomen: niemand heeft hen gedwongen om te emigreren.

3.10

Dwangarbeid neemt zorgwekkende proporties aan. Zo moet worden nagedacht over manieren om misbruik tegen te gaan door voor „au pair”-werk en werk als „pelgrim” voor bepaalde religieuze organisaties heldere statuten uit te werken, omdat het verschil tussen vrijwilligerswerk en dwangarbeid niet altijd even duidelijk is.

Mensenhandelaars vervolgen

3.11

Het EESC heeft in zijn eerdere advies de nadruk gelegd op onderzoek naar de financiële kant van mensenhandel: die invalshoek heeft nog niets aan actualiteit ingeboet. Immers, het gaat hier om een van de meest winstgevende vormen van misdaad. Op wereldbasis wordt ieder jaar met mensenhandel voor arbeidsuitbuiting naar schatting 31,6 miljard dollar verdiend. Daarvan wordt 15,5 miljard dollar (49 %) binnengehaald in industrielanden (6). In Europa is onderzoek naar de financiële kant van mensenhandel onlosmakelijk onderdeel van de bestrijding ervan. Het EESC pleit ervoor dat de activa van mensenhandel in beslag worden genomen en dat dit geld wordt gebruikt om slachtoffers schadeloos te stellen en de bestrijding van mensenhandel te financieren.

3.12

De bescherming van slachtoffers, met inachtneming van de genderdimensie, is een uitdaging die moet worden aangegaan. Strafrechtelijke procedures tegen mensenhandelaars kunnen zonder de slachtoffers onmogelijk tot een goed einde worden gebracht. Daarom moeten slachtoffers erop kunnen vertrouwen dat zij worden beschermd. Bescherming houdt ook in: toegang tot huisvesting, toegang tot gezondheidszorg en waarborging van de persoonlijke veiligheid. Om aan hun herintegratie een blijvend karakter te geven, zouden slachtoffers werk moeten kunnen vinden op een door de overheid gefinancierde inclusieve arbeidsmarkt: daar kunnen zij werkervaring opdoen en zich de arbeidsgewoonten eigen maken, wat een voorwaarde is waaraan moet zijn voldaan voordat de overstap naar de open arbeidsmarkt met goed gevolg kan worden gemaakt. Slachtoffers moeten, na een gedwongen leven aan de zelfkant van de maatschappij, worden geholpen om weer deel te gaan uitmaken van de wettelijke samenleving.

3.13

Er moeten met de landen van herkomst van illegale immigranten overeenkomsten worden gesloten waardoor die landen worden geholpen om doeltreffender tegen mensensmokkelaars op te treden. Mensensmokkelaars worden niet vervolgd voor mensenhandel, terwijl zij het toch zijn die zorgen voor de aanvoer van potentiële slachtoffers.

Verbetering van coördinatie en samenwerking, en vergroting van de samenhang in beleid

3.14

Het EESC is goed te spreken over het plan om in Europa een bondgenootschap te vormen van ondernemingen die tegen mensenhandel strijden. De inzet van die ondernemingen is onmisbaar voor de strijd tegen mensenhandel in landen buiten, maar ook binnen de EU. Dit bondgenootschap zou bedrijven moeten bestrijken die toeleverancier zijn voor grote concerns in sectoren waarvan bekend is dat daar veel zwart wordt gewerkt: de horeca, de bouw en de landbouw. De strijd tegen mensenhandel is wezenlijk onderdeel van MVO (maatschappelijk verantwoord ondernemen) en betreft ook illegaal werk of dwangarbeid in landen buiten de EU, bij toeleveranciers in alle stadia van de productieketen. Productieprocessen zijn gemondialiseerd. Daarom moeten vooral multinationale ondernemingen goed in de gaten houden hoe de producten die zij gebruiken, tot stand zijn gebracht.

3.15

In handelsovereenkomsten moeten uitdrukkelijk bepalingen worden opgenomen waarin de handel in uit dwangarbeid verkregen producten of diensten wordt verboden.

3.16

Er is nog steeds sprake van slavernij in de dienstensector, vooral bij huispersoneel. De IAO heeft in juni 2011 Verdrag 189 „Fatsoenlijk werk voor huispersoneel” (7) goedgekeurd als instrument om misbruik tegen te gaan. Het EESC adviseert alle 27 lidstaten van de EU om dit Verdrag, maar ook alle andere internationale instrumenten tegen mensenhandel (8), zo spoedig mogelijk te ratificeren.

3.17

Het EESC is voor de oprichting van een platform van het maatschappelijk middenveld waardoor het mogelijk wordt om in alle maatschappelijke organisaties die te maken kunnen krijgen met mensenhandel en over de nodige expertise beschikken, informatie te laten geven en cursussen te laten organiseren over de omvang van mensenhandel.

3.18

Van het grootste belang zijn de instelling van nationale rapporteurs en de verbetering van de vergaring van informatie. Hoe gegevens worden verzameld, moet worden gelijkgetrokken voor alle lidstaten, zodat iedereen op dezelfde manier te werk gaat. De nationale rapporteurs, die als eersten verantwoordelijk zullen worden gesteld voor de strijd tegen de mensenhandel, kunnen het optreden gaan coördineren van de diverse diensten en organisaties die betrokken zijn, maar niet altijd samenwerken, op gebieden als immigratie, kinderbescherming en bescherming van de jeugd, arbeidsinspectie en de bestrijding van geweld tegen vrouwen. Europol heeft een belangrijke rol te spelen, omdat mensenhandel geen grenzen kent.

3.19

Mensenhandel is een verschijnsel dat maar al te vaak wordt verdoezeld of onderschat. Door de externe activiteiten van de EU te coördineren en zonder daar doekjes om te winden, mensenhandel in vrijhandelsovereenkomsten aan de orde te stellen, wordt de aandacht alsnog op mensenhandel gevestigd.

3.20

Lokale overheden, en dan vooral gemeentelijke besturen van grote steden, die heel dicht bij de realiteit in het veld staan, zijn bij uitstek aangewezen om maatregelen tegen de seksuele uitbuiting van slachtoffers van mensenhandel te nemen. Het EESC pleit voor de invoering door een onafhankelijke instantie van een keurmerk voor steden die het hardnekkigst tegen mensenhandel, prostitutie en gedwongen bedelarij strijden. Er bestaan al keurmerken voor de kwaliteit van lucht en water. Waarom zou een menswaardige leefomgeving niet net zo belangrijk zijn?

3.21

Wat beslist moet gebeuren, is dat achteraf wordt nagegaan hoe doeltreffend EU-subsidies zijn geweest, dat handleidingen voor geslaagd gebleken methoden worden opgesteld, verspreid en vertaald en dat er voor de diverse actoren op dit gebied (politiek, justitie, gemeenten en organisaties) aangepaste procedures worden uitgewerkt.

Oplossingen voor nieuwe problemen

3.22

Een nieuw risico is dat slachtoffers en klanten op het internet worden geronseld. Dit risico moet worden geanalyseerd, maar er moet ook in de tegenaanval worden gegaan: het internet en de sociale media moeten worden gebruikt om iedereen op zijn verantwoordelijkheid te wijzen en de aandacht op het concept van menselijke waardigheid te vestigen. Het gaat niet aan alleen maar op de reële gevaren van het internet te wijzen en niet stil te staan bij het internet als nieuw middel om positieve boodschappen uit te dragen en preventief tegen mensenhandel op te treden.

Brussel, 13 december 2012

De voorzitter van het Europees Economisch een Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  PB C 51 van 17.2.2011, blz. 50-54.

(2)  PB C 48 van 15.2.2011, blz. 138-144.

(3)  PB C 43 van 15.2.2012, blz. 39-46.

(4)  PB C 191 van 29.6.2012, blz. 134-141.

(5)  PB C 24 van 28.1.2012, blz. 154-158.

(6)  Patrick Belser, „Forced Labour and Human Trafficking: Estimating the Profits”, werkdocument, Genève, Internationaal Arbeidsbureau, 2005

(7)  IAO-Verdrag dat nog door geen enkel Europees land is geratificeerd (het is geratificeerd door twee landen: Uruguay en de Filippijnen)

(8)  Aanvullend protocol bij het VN-Verdrag tegen georganiseerde internationale misdaad, waarvan het doel is om de handel in mensen, en dan vooral in vrouwen en kinderen, te voorkomen, te onderdrukken en te bestraffen, bundeling van verdragen, deel 2237, blz. 319; Verdrag van de Raad van Europa betreffende de strijd tegen mensenhandel (STCE nr. 197), Warschau, 16 mei 2005; VN-Verdrag tegen iedere vorm van discriminatie van vrouwen, New York, 18 december 1979, bundeling van verdragen, deel 1249, blz. 13; VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, 20 november 1989, VN, bundeling van verdragen, deel 1577, blz. 3; IAO-Verdrag inzake dwangarbeid, 1930 (nr. 29); IAO-Verdrag inzake de afschaffing van dwangarbeid, 1957 (nr. 105); IAO-Verdrag inzake de ernstige vormen van kinderarbeid, 1999 (nr. 182).


Top