Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52012AE1294

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen (COM(2011) 862 final — 2011/0418 (COD))

OJ C 229, 31.7.2012, p. 55–59 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

31.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 229/55


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen

(COM(2011) 862 final — 2011/0418 (COD))

2012/C 229/10

Rapporteur: Ariane RODERT

De Raad en het Europees Parlement hebben op respectievelijk 20 januari 2012 en 17 januari 2012 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen

COM(2011) 862 final — 2011/0418 (COD).

De afdeling Interne Markt, Productie en Consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 17 april 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 23 en 24 mei 2012 gehouden 481e zitting (vergadering van 23 mei) het volgende advies uitgebracht, dat met 194 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 9 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1   Het EESC is ingenomen met het voorstel van de Europese Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen, dat de ontwikkeling van dit soort fondsen beoogt te regelen door duidelijkheid en zekerheid voor alle partijen te scheppen en tevens grensoverschrijdende kapitaalwerving te vergemakkelijken.

1.2   Sociale ondernemingen zijn een opkomende sector, die een belangrijke bijdrage levert aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie. Het EESC is verheugd dat de Commissie aandacht besteedt aan deze sector en bereid is de ontwikkeling en groei ervan te ondersteunen.

1.3   Een betere toegang tot passend kapitaal voor sociale ondernemingen heeft de hoogste prioriteit. Het EESC wil echter benadrukken dat dit initiatief beschouwd moet worden als slechts één van de vele noodzakelijke, doelgerichte financiële instrumenten die nog ontwikkeld moeten worden.

1.4   Het EESC verzoekt de Commissie om vast te houden aan de definitie van sociale ondernemingen die in het „Initiatief voor sociaal ondernemerschap” wordt gehanteerd in plaats van een nieuwe definitie vast te stellen. Vooral de andere benadering in de verordening van mogelijke winstuitkeringen aan eigenaren verdient nadere uitleg en enige aanpassing om duidelijk te maken op welke punten sociale ondernemingen afwijken van bedrijven die puur op winstmaximalisatie zijn gericht, alsook om aan te geven hoe deze fondsen zich verhouden tot andere, meer traditionele durfkapitaalfondsen.

1.5   Volgens het EESC bestaat het risico dat sommige van de voorgestelde eigenvermogensinstrumenten een beperkte impact hebben op beleggingen in sociale ondernemingen, omdat de structuur van de voorgestelde instrumenten een vorm van eigendom veronderstelt die veelal niet verenigbaar is met de rechtsvorm die veel sociale ondernemingen hebben aangenomen. Voor deze rechtsvormen zijn de voorgestelde langlopende leningen of „andere types van participatie” meer geschikt en daarom moeten deze instrumenten verder worden ontwikkeld.

1.6   Ook moet rekening worden gehouden met andere specifieke kenmerken van sociale ondernemingen. Daarbij valt te denken aan de overdracht van participaties in ondernemingen die zich inzetten voor kwetsbare groepen in de samenleving, de impact op de mate waarin sociale ondernemingen zichzelf als onafhankelijk beschouwen, hun speciale bestuursvormen, de grotere behoefte aan langlopende in plaats van kortlopende beleggingen en hun lagere rentabiliteitsvooruitzichten.

1.7   Om de impact van dit soort fondsen op sociale ondernemingen te vergroten is het wellicht beter dat zij worden beschouwd als onderdeel van een hybride kapitaaloplossing, die de meest geschikte vorm van financiering voor een sociale onderneming is. Hybride kapitaal combineert subsidies met langlopende leningen, geduldkapitaal en andere instrumenten waarvan het langetermijnperspectief en de duurzaamheid via staatseigendom of garanties worden gewaarborgd. Ook een combinatie met andere vormen van particuliere financiering zoals giften en donaties moet in overweging worden genomen, evenals meer specifieke vormen van participatie in „portefeuillemaatschappijen” (zoals de entiteiten waarin wordt geïnvesteerd in de verordening worden genoemd, nl. de sociale ondernemingen), zoals aandelen zonder stemrecht.

1.8   In de verordening wordt voorgesteld dat de nieuwe fondsen in eerste instantie moeten worden gericht op professionele beleggers en vermogende particulieren, die minimaal 100 000 euro willen beleggen. Het EESC wil er echter op wijzen dat dit soort fondsen ook toegankelijk moet zijn voor het grote publiek, zij het in de vorm van een veiliger, meer betrouwbare belegging en voor een lager bedrag.

1.9   De grootste uitdaging in dit voorstel is de behoefte aan het meten van de sociale effecten en de invloed op de samenleving die door portefeuillemaatschappijen wordt veroorzaakt. Het EESC pleit voor een gemeenschappelijk onderzoek en een EU-basiskader dat als uitgangspunt dient, en voor het samen met alle stakeholders ontwikkelen van criteria en indicatoren op nationaal niveau die zijn afgestemd op de vorm, de aanpak en het doel van de activiteiten.

1.10   De Commissie moet zo snel mogelijk gebruik maken van haar bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen om sleutelconcepten te definiëren; dit moet gebeuren op basis van een brede en open discussie met vertegenwoordigers van de betrokken partijen – instellingen voor collectieve belegging, investeerders en sociale ondernemingen.

1.11   Er moeten programma's ter bevordering van de investeringsbereidheid en andere vormen van capaciteitsopbouw voor alle partijen worden opgezet om vertrouwen te scheppen en voor gemeenschappelijke structuren te zorgen die zijn afgestemd op dit soort sociaalondernemerschapsfondsen.

2.   Inleiding

2.1   De Commissie heeft zich er in de Single Market Act  (1) toe verplicht diverse maatregelen te nemen om de ontwikkeling en groei van sociaal ondernemerschap in Europa te steunen. Het voorstel voor een Europees kader voor sociaalondernemerschapsfondsen is een van die maatregelen en is ook een kernactie van het „Initiatief voor sociaal ondernemerschap” (2).

2.2   Sociale ondernemingen zijn een opkomende sector binnen de EU en volgens bepaalde ramingen zouden sociale beleggingen snel kunnen leiden tot de creatie van een markt die goed is voor meer dan 100 miljard euro (3), wat het potentieel van deze opkomende sector onderstreept. Daarom wordt met het streven naar aanhoudende groei van deze sector een waardevolle bijdrage geleverd aan het bereiken van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie. De regelgevingsvereisten op Europees en nationaal niveau zijn echter niet ontworpen om de kapitaalwerving door dit soort fondsen te vergemakkelijken. Het EESC heeft hierop duidelijk gewezen in het verkennend advies over sociaal ondernemerschap en sociale ondernemingen (INT/589 (4)).

2.3   Het doel van het voorstel voor Europese sociaalondernemerschapsfondsen (hierna „de verordening”) is uniforme regels en vereisten vast te stellen voor instellingen voor collectieve belegging in effecten die gebruik wensen te maken van de benaming „Europees sociaalondernemerschapsfonds”. In de verordening worden regels vastgesteld voor deze fondsen om het vertrouwen van beleggers te winnen en meer zekerheid te bieden, en om de groei van sociale ondernemingen te stimuleren door het aantrekken van middelen van particuliere beleggers doeltreffender te maken. Het voorstel werd voorafgegaan door een openbare raadpleging en een effectbeoordeling in 2011.

2.4   In dit advies worden prioriteiten vastgesteld en suggesties voor verbeteringen aangedragen om ervoor te zorgen dat het voorstel voor Europese sociaalondernemerschapsfondsen het beoogde resultaat bereikt.

3.   Opmerkingen van het EESC bij het voorstel voor een verordening

3.1   Hoofdstuk I - Onderwerp, toepassingsgebied en definities

3.1.1   Het EESC is verheugd dat de Commissie sociaal ondernemerschap in Europa onder de aandacht wil brengen en wil steunen, en dat zij de toegang tot kapitaal voor ontwikkeling en groei als prioritair beschouwd. Het EESC is van mening dat het voorstel voor een verordening het aantrekken van particulier kapitaal voor bepaalde sociale ondernemingen gemakkelijker kan maken en dat het, samen met andere voorstellen in het „Initiatief voor sociaal ondernemerschap”, waarin de behoefte aan andere financieringsoplossingen ook wordt genoemd, een noodzakelijk initiatief is.

3.1.2   Kapitaal is van essentieel belang voor de ontwikkeling en groei van een sociale onderneming, maar sommige vormen van financiering die in de verordening worden beschreven zijn vanwege hun aard bijzonder moeilijk toegankelijk voor sociale ondernemingen, vooral wanneer deze deel uitmaken van de sociale economie. Daarom moet deze verordening worden beschouwd als een van de vele noodzakelijke maatregelen om de toegang tot ontwikkelingskapitaal voor sociale ondernemingen te verbeteren.

3.1.3   Van de beleggingsinstrumenten die in de verordening worden genoemd (artikel 3, lid 1, onder c)) moet de nadruk liggen op schuldinstrumenten als laagrentende leningen of zogeheten geduldkapitaal („patient capital” in het Engels), omdat eigenvermogensinstrumenten voor bepaalde ondernemingen moeilijker te verkrijgen zijn. Veel sociale ondernemingen in Europa zijn eigendom van hun leden, partners, stichtingen of non-profitorganisaties, wat externe deelnemingen in het kapitaal in veel gevallen lastig maakt. Andere, meer aangepaste vormen van eigendom die al in sommige lidstaten bestaan, zoals speciale vrij overdraagbare aandelen en verschillende schuldinstrumenten, moeten beschouwd worden als effecten en andere financiële activa in sociale ondernemingen. Verder moet ook worden nagegaan in hoeverre fiscale stimuleringsmaatregelen kunnen worden meegenomen aan de inkomstenzijde.

3.1.4   Bij de beleggingsinstrumenten die in de Verordening (artikel 3, lid 1, onder c)) worden genoemd moet meer nadruk worden gelegd op de instrumenten die gewoonlijk door sociale ondernemingen worden gebruikt en die beter afgestemd zijn op hun specifieke kenmerken, zoals effecten met een aandelenkarakter, speciale initiatieven in de financiële sector (coöperatieve banken (5), ethische en sociale banken (6) en commerciële banken met sociale programma's (7)) innovatieve instrumenten zoals „obligaties met sociale impact (8)” of gunstige met belastinggeld gefinancierde oplossingen. Deze en andere financiële activa kunnen deel uitmaken van „hybride kapitaal”, dat bij uitstek wordt gebruikt door sociale ondernemingen

3.1.5   Overheidsparticipatie in deze fondsen, bijv. via een „fund of funds”-constructie of via pensioenfondsen, moet worden gestimuleerd als garantie voor het langetermijnperspectief van de beleggingen. Het EESC wil echter beklemtonen dat het belangrijk is dat publieke verbintenissen niet worden gecombineerd met structuurfondsmiddelen waarmee een ander politiek doel wordt gediend.

3.1.6   In de definitie van een „in aanmerking komende portefeuillemaatschappij”, zoals sociale ondernemingen in de verordening worden genoemd, wordt een maximale jaaromzet van 50 miljoen euro vastgesteld (artikel 3, lid 1, onder d)). Het zou geen slecht idee zijn om deze limiet te schrappen, omdat de wil om te groeien hierdoor wordt afgeremd. Bovendien zouden sociale ondernemingen in bepaalde branches, zoals de gezondheidszorg en sociale huisvesting, hierdoor buiten de boot vallen.

3.1.7   Het EESC vindt dat de definitie van sociaal ondernemerschap en sociale ondernemingen moet overeenstemmen met de definitie in het „Initiatief voor sociaal ondernemerschap”. In de verordening wordt een enigszins aangepaste definitie van een „in aanmerking komende portefeuillemaatschappij” voorgesteld (artikel 3, lid 1, onder d)). Het verschil zit hem o.m. in de beschrijving van de werkzaamheden (artikel 3, lid 1, onder d)(i)). Volgens het EESC zou het doel van de onderneming beter moeten worden omschreven, omdat sociale ondernemingen een complexe sector vormen die verschillende activiteiten omvat.

3.1.8   Wat winst betreft (artikel 3, lid 1, onder d)(ii)) wil het EESC verwijzen naar INT/589, waarin met klem wordt gewezen op het feit dat sociale ondernemingen „meestal niet op winst gericht” zijn en dat „overschotten in de eerste plaats opnieuw worden geïnvesteerd en niet verdeeld onder particuliere aandeelhouders of eigenaars”. De vaststelling in de verordening dat winst is toegestaan en kan worden uitgekeerd aan aandeelhouders en eigenaars moet worden verduidelijkt door eraan toe te voegen dat de winst moet worden gebruikt om het primaire sociale doel van de onderneming te realiseren en dat, in de weinige gevallen waarin hierop een uitzondering kan worden toegestaan, duidelijk moet worden bepaald dat het sociale doel hierdoor niet in gevaar mag worden gebracht. Dit uitgangspunt en de bijbehorende regels moeten duidelijk tot uiting komen in deze verordening, met name om deze te onderscheiden van de eveneens in voorbereiding zijnde verordening over Europese durfkapitaalfondsen, die op kleine en middelgrote ondernemingen is gericht (9).

3.1.9   De definitie van de soorten diensten of goederen, de productiemethoden van diensten of goederen en de doelgroepen die een sociale doelstelling belichamen (artikel 3, lid 1, onder d)(i) en artikel 3, lid 2) moet samen met een werkgroep van vertegenwoordigers van sociale ondernemingen worden vastgesteld. Het is belangrijk dat de verscheidenheid die kenmerkend is voor sociale ondernemingen in Europa in deze werkgroep wordt weerspiegeld.

3.1.10   Een „in aanmerking komende portefeuillemaatschappij” moet aan een vierde eis voldoen. In geval van ontbinding van de sociale onderneming mag de meerderheid van haar eigen vermogen (bijv. minstens 60-70 %) niet onder partners, aandeelhouders, eigenaren of werknemers worden verdeeld, maar moet worden gebruikt voor doeleinden met een sociale impact.

3.1.11   De verordening is in eerste instantie gericht op professionele beleggers en „vermogende individuen”. Hieronder moeten ook gespecialiseerde beleggers uit de publieke en de non-profit-sector worden verstaan, bijv. coöperatieve banken en sociaal georiënteerde financiële instellingen. Het EESC zou echter graag zien dat de Commissie zo snel mogelijk aangeeft wanneer het fonds wordt opengesteld voor het grote publiek, omdat deze vorm van participatie voor iedereen heel interessant is.

3.2   Hoofdstuk II: Voorwaarden voor het gebruik van de benaming „Europees sociaalondernemerschapsfonds”

3.2.1   Het aandeel in aanmerking komende portefeuillemaatschappijen in een fonds, die ten minste 70 % van de activa van het fonds moeten uitmaken, is volgens het EESC als eerste stap redelijk te noemen. Wel zou gereguleerd moeten worden welke activa niet tot de overige 30 % van de activa van het fonds mogen behoren, om de nadruk van het fonds op sociaal ondernemerschap kracht bij te zetten. Er dient altijd een beoordeling geëist te worden van de geschiktheid van de verwerving van andere activa dan in aanmerking komende beleggingen (artikel 5, lid 1). Stabiele en duurzame beleggingen, zoals staatsobligaties, zouden aanbevolen moeten worden ten behoeve van de stabiliteit van het fonds. Om dezelfde redenen zou de definitie van cashequivalenten verduidelijkt moeten worden.

3.2.2   Er zijn tal van overeenkomsten tussen de voorgestelde verordening inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen en de icbe-richtlijn (10). De overeenkomsten en verschillen tussen deze twee zouden verduidelijkt moeten worden. Dit geldt in de eerste plaats voor de definitie van professionele cliënten (artikel 6), de activiteiten van beheerders (artikel 7) en de werking van het fonds (artikel 8). Aangezien sociale ondernemingen vaak klein en alleen plaatselijk actief zijn, is het van belang om het kleinere fondsen gemakkelijker te maken deze markt te betreden. De vereiste minimuminvestering van 100 000 euro zou dan ook op termijn heroverwogen moeten worden (artikel 6, sub a).

3.2.3   Eventuele belangenconflicten moeten zo snel mogelijk vastgesteld, voorkomen, beheerd, gemonitord en gemeld worden. Voordat de verordening in werking treedt dienen maatregelen vastgesteld te worden om belangenconflicten te voorkomen. De Commissie zou nu al moeten aangeven waar zij bij deze maatregelen aan denkt (artikel 8, lid 5). Ook dient duidelijk gemaakt te worden welke regels van toepassing zijn indien er belangenconflicten tussen portefeuillemaatschappijen en beleggers en/of fondsbeheerders ontstaan (artikel 8, lid 2).

3.2.4   De verordening inzake sociaalondernemerschapsfondsen leunt zwaar op het vermogen om sociale effecten en invloed op de samenleving te kunnen meten, wat zeer moeilijk is. Momenteel is er geen eenduidige methode die eenvoudig aangepast kan worden aan de omgeving waarin Europese sociaalondernemerschapsfondsen actief zijn. Het is van belang om de sociale impact (zowel in kwalitatieve als in kwantitatieve zin) van de activiteiten in plaats van de ondernemingen in de portefeuille te meten. In plaats van één gemeenschappelijke methode voor de follow-up en evaluatie van de sociale impact na te streven kan beter een EU-basiskader worden gecreëerd met criteria en meetbare indicatoren die op nationaal niveau worden uitgewerkt. De Commissie zou nu al moeten verduidelijken wat haar bedoelingen zijn met het meten van sociale effecten en de invloed op de samenleving, door onderzoek te laten doen naar de verschillende meetmethodes en de ervaringen, in overleg met sociale ondernemingen, onderzoekers en kapitaalverstrekkers.

3.2.5   Onafhankelijkheid is een van de belangrijkste aspecten van sociale ondernemingen. Bij de procedures die de fondsbeheerders op grond van de verordening moeten hanteren – om „te meten en te monitoren in hoeverre […] het positieve sociale effect bereiken” – moet duidelijker worden aangegeven dat de fondsbeheerder verplicht is beleggers over de sociale effecten te rapporteren om te waarborgen dat werkelijk in sociale activiteiten is belegd (artikel 9, lid 1 en 2). Het gebrek aan duidelijkheid hier leidt tot misverstanden over de rol van de fondsbeheerder en dient gecorrigeerd te worden. Het is zowel ongepast als onrealistisch om te verlangen dat het sociale effect door de fondsbeheerder wordt gemeten en gemonitord, enerzijds omdat de onafhankelijkheid van sociale ondernemingen hierdoor aangetast zou worden, anderzijds omdat er geen adequate en doeltreffende meet- en monitoringmethoden voorhanden zijn.

3.2.6   De meetproblematiek wordt ook weerspiegeld in de voorschriften m.b.t. het jaarverslag en de methode die wordt gebruikt om sociale resultaten te meten (artikel 12, lid 2, sub a). Er moet worden verduidelijkt hoe deze verslaglegging zich verhoudt tot de meettechnische specificaties die de Commissie wil opstellen.

3.2.7   Het jaarverslag biedt fondsbeheerders ook de mogelijkheid tot overdrachten met betrekking tot portefeuillemaatschappijen (artikel 12, lid 2, sub b). In de verordening moet duidelijk worden aangegeven welke regels van toepassing zijn op overdrachten met betrekking tot in aanmerking komende portefeuillemaatschappijen. Een sociale onderneming die met kwetsbare doelgroepen werkt kan vanwege de delicate aard van haar werkzaamheden niet op dezelfde wijze worden overgedragen als deelnemingen in een commerciële onderneming. Beleggers en fondsbeheerders moeten bewust worden gemaakt van de specifieke kenmerken – en dus kwetsbaarheid – van deze activiteiten en dienovereenkomstig handelen. De Commissie zou ook moeten aangeven hoe men zich moet opstellen tegenover de secundaire markt die met dergelijke overdrachten ontstaat. Veel sociale ondernemingen zijn afhankelijk van duurzame langetermijninvesteringen om hun activiteiten te kunnen ontwikkelen.

3.2.8   Er dient te worden verduidelijkt hoe de methode voor het meten van de sociale effecten die de Commissie voor ogen heeft, zich verhoudt tot de methode die fondsbeheerders dienen te gebruiken voor de verslaglegging en tot hetgeen ten grondslag ligt aan de informatie die de beleggers wordt verstrekt (artikel 13, lid 1, sub c en d). Het is ook belangrijk dat een beschrijving wordt gegeven van andere activa dan in aanmerking komende portefeuillemaatschappijen en dat wordt aangegeven welke criteria bij het selecteren van deze activa worden gehanteerd. Ook voor dit deel van het fonds zou in de verordening voorschriften moeten bevatten waarin wordt aangegeven welke activa en investeringen niet in aanmerking komen (artikel 13, lid 1, sub e). Wat de waarderingsprocedure en prijsberekeningsmethode in het fonds (artikel 13, lid 1, sub g) betreft is het EESC van mening dat er een model moet worden uitgewerkt dat speciaal is afgestemd op de vormen en activiteiten van sociaal ondernemerschap.

3.3   Hoofdstuk III – toezicht en administratieve samenwerking

3.3.1   In de hele EU moeten dezelfde regels gelden betreffende administratieve maatregelen en sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van de verordening. Daarom moet de uitwerking van deze regels op EU-niveau geschieden en niet worden overgelaten aan de lidstaten (artikel 20, lid 2). De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Naast een verbod op het gebruik van de benaming „Europees sociaalondernemerschapsfonds” zijn beslist ook andere maatregelen nodig, aangezien het initiatief eveneens als doel heeft om vertrouwen op te bouwen en aldus misbruik de kop in te drukken. Er moeten beschermingsmaatregelen komen voor portefeuillemaatschappijen in het fonds, zodat de activiteiten in het geval van sancties tegen fondsbeheerders gewoon kunnen doorgaan.

3.4   Hoofdstuk IV – Overgangs- en slotbepalingen

3.4.1   In de ontwerpverordening staat diverse malen te lezen dat bevoegdheidsdelegatie aan de Commissie wordt toegekend voor een termijn van vier jaar met ingang van de inwerkingtreding van de verordening in 2013. Het merendeel van deze bevoegdheden is van essentieel belang voor hoe het fonds eruit komt te zien, bijvoorbeeld de terreinen die het bestrijkt (goederen, diensten en productiemethoden), eventuele winstuitkering en belangenconflicten. Alle partijen – instellingen voor collectieve belegging, investeerders en sociale ondernemingen – moeten bij het vaststellen van deze handelingen worden betrokken. De zogenoemde Stakeholder Group, waarnaar in het initiatief voor sociaal ondernemen wordt verwezen, kan hierbij een beslissende rol spelen.

4.   Overige opmerkingen

4.1   De werking van deze verordening moet op de voet worden gevolgd om er zeker van te zijn dat de belangrijkste doelgroepen van sociale ondernemingen (veelal de sociale economie) ook werkelijk gemakkelijker aan geschikt kapitaal kunnen komen. Als onderdeel van zijn activiteiten in verband met sociaal ondernemen en de sociale economie zal het EESC hier jaarlijks aandacht aan besteden.

4.2   Aangezien „sociale fondsen” in hun ruimere zin (particuliere of publieke fondsen) in de meeste lidstaten een onbekend en vrij strikt omschreven concept zijn, moet er een strategie komen om deze fondsen zichtbaarder te maken. In veel Europese landen ontbreken dergelijke fondsen, en in de landen die ze wel hebben weet men er weinig van af. Het is aan de Commissie om kennis over deze innovatieve en goed werkende instrumenten te verzamelen en te delen en zo voor (meer) groei te zorgen in sociaal ondernemen in Europa.

4.3   Ook moeten de EU en de lidstaten zorgen worden voor programma's voor capaciteitsopbouw (structuur en inzicht) en meer investeringsbereidheid, met alle partijen – investeerders, fondsbeheerders en portefeuilleondernemingen – als doelgroep. Hierbij is voor „bemiddelaars”, die al actief zijn in diverse lidstaten, een cruciale rol weggelegd; hun inbreng moet gestimuleerd worden. Er zij ook op gewezen dat investeringen in sociaal ondernemen meermaals als investeringen met een laag risico zijn aangeduid. (11) Daarvan moet in deze programma's gewag worden gemaakt.

4.4   In de Verordening wordt zeer vaak, en incorrect, over „aandeelhouders” van sociale ondernemingen gesproken, waardoor de indruk ontstaat dat sociale ondernemingen meestal naamloze vennootschappen zijn. Dat klopt niet en kan misleidend zijn. Het is beter om over de „leden” of „partners” van sociale ondernemingen te spreken, die doorgaans coöperaties, verenigingen, stichtingen en besloten vennootschappen zijn (die geen aandelen hebben, maar deelnemingen die in handen zijn van partners en/of leden).

Brussel, 23 mei 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  COM(2011) 206 final

(2)  COM(2011) 682 final

(3)  Zie J.P. Morgan, An Emerging Asset Class, 2011

(4)  PB C 24 van 28.1.2012, blz. 1.

(5)  www.eurocoopbanks.coop

(6)  www.triodos.be

(7)  www.bancaprossima.com, https://www.unicredit.it/it/chisiamo/per-le-imprese/per-il-non-profit/universo-non-profit.html en www.ubibanca.com/page/ubi-comunita

(8)  www.socialfinance.org.uk/sib.

(9)  COM(2011) 860 final.

(10)  Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009.

(11)  Volgens de Italiaanse centrale bank ligt de wanbetalingsgraad van instellingen zonder winstoogmerk op 4,3%, ver onder de wanbetalingsgraad voor alle sectoren (5,4%), voor niet-financiële bedrijven (7,9%) en voor micro-ondernemingen (10,3%). Bovendien hebben instellingen zonder winstoogmerk bij coöperatieve banken een wanbetalingsgraad van slechts 0,6% (bron: Federcasse, de Italiaanse vereniging van coöperatieve banken).


Top