EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52011AE1610

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake energie-efficiëntie en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (COM(2011) 370 definitief — 2011/0172 (COD))

OJ C 24, 28.1.2012, p. 134–138 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

28.1.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/134


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake energie-efficiëntie en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG

(COM(2011) 370 definitief — 2011/0172 (COD))

2012/C 24/30

Rapporteur: André MORDANT

Corapporteur: Thierry LIBAERT

De Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement hebben op resp. 15 juli en 1 augustus 2011 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig de artikelen 194, lid 2, en 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake energie-efficiëntie en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG

COM(2011) 370 definitief.

De afdeling Vervoer, energie, infrastructuur, informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 7 oktober 2011 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 26 en 27 oktober 2011 gehouden 475e zitting (vergadering van 26 oktober) onderstaand advies uitgebracht, dat met 165 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 6 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Aanbevelingen en conclusies

1.1   Het EESC beveelt de Raad en het Parlement aan dat de Commissie zo snel mogelijk nagaat of de Unie het doel om een besparing van 20 % op energie te verwezenlijken kan halen. Ook raadt het aan om de inspanningen te richten op het boeken van concrete resultaten

1.2   Het EESC verzoekt de Commissie om bekendheid te geven aan de bestaande goede praktijken in de lidstaten, met name op het gebied van de verbetering van de energie-efficiëntie van het gebouwenbestand, en deze te benutten.

1.3   Het EESC beveelt de Commissie tevens aan om extra Europese financieringsmogelijkheden te vinden voor de maatregelen die ertoe bij moeten dragen dat de doelstellingen van de richtlijn worden verwezenlijkt, en erop toe te zien dat zij worden uitgevoerd.

1.4   Het EESC dringt er bij de Commissie op aan zo snel mogelijk na te gaan waarom er weinig gebruik wordt gemaakt van de beschikbare middelen en, indien nodig, over te gaan tot een herziening van de financieringsregels. Tevens zou de Commissie moeten nagaan hoe de rol van het onlangs opgerichte Fonds voor energie-efficiëntie kan worden vergroot, zowel op het vlak van financieringsbronnen als met het oog op de criteria voor het toekennen van financiële middelen, waarmee zowel milieu- als economische en sociale doelstellingen moeten worden nagestreefd.

1.5   Ook vraagt het EESC de Commissie te onderzoeken of het „Europa 2020-initiatief inzake EU-projectobligaties” eveneens kan worden toegepast op de investeringen die nodig zijn om de in het onderhavige voorstel opgenomen doelstellingen te realiseren.

1.6   Bovendien zou het een goede zaak zijn indien de Commissie snel zou kunnen nagaan over hoeveel ruimte de industrie nog beschikt voor verbetering van de energie-efficiëntie, zodat kan worden vastgesteld welke maatregelen moeten worden genomen om deze ruimte te benutten.

1.7   Het EESC raadt de Commissie aan na te gaan in hoeverre en op welke voorwaarden de benchmarkinginstrumenten voor CO2-uitstoot en andere verontreinigende gassen (zoals omschreven in de BREF-documenten) kunnen worden gebruikt als in de richtlijn betreffende emissies door de industrie en in het kader van een beheersstelsel waarbij alle belanghebbenden zijn betrokken, m.n. werkgevers, vakbonden en ngo’s.

1.8   Het EESC is voorstander van striktere voorwaarden voor de eventuele plaatsing van slimme meters en dringt aan op de inachtneming van de beginselen van universaliteit en toegankelijkheid van energie voor de consument, alsook van de bescherming van persoonsgegevens.

1.9   Het EESC zou in het voorstel voor een richtlijn graag zien opgenomen dat de lidstaten moeten bekijken in hoeverre de kosten van de maatregelen op het vlak van energie-efficiëntie worden doorberekend aan de consument, met name de kosten van slimme meters, en dat zij ervoor moeten zorgen dat al deze maatregelen gratis zijn voor huishoudens met lage inkomens, met inachtneming van de door de lidstaten vast te stellen regels.

1.10   Het EESC verzoekt de Commissie er mede voor te zorgen dat (Europese) ondernemingsraden voortaan ook bevoegd zijn voor energie-efficiëntie, zodat zij de doelstellingen van de richtlijn kunnen helpen realiseren.

1.11   Het EESC verzoekt de Commissie nauwkeuriger aan te geven welke ondernemingen op grond van hun omvang en werkzaamheden als „kleine en middelgrote ondernemingen” worden beschouwd. Een te ruime definitie van dit begrip kan er immers toe leiden dat een groot aantal ondernemingen geen energieaudit hoeft te laten uitvoeren en niet hoeft bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de richtlijn, en dit dient te worden vermeden.

1.12   Het EESC verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de vervoerssector meer betrokken wordt en om in het kader van de onderhavige richtlijn maatregelen te nemen teneinde bij te dragen tot de realisatie van het beoogde doel.

1.13   Het EESC verzoekt de Commissie de lidstaten ertoe aan te sporen na te denken over scherpere en mogelijk bindende maatregelen voor hun volledige gebouwenbestand en pleit in dit verband voor de vaststelling van een streefcijfer in combinatie met gepaste financierings-, stimulerings- en ondersteunende maatregelen.

1.14   Het EESC vraagt de Commissie de verbetering van leerplannen van scholen en universiteiten en van opleidings- en O&O-programma's in Europees verband te helpen coördineren om ervoor te zorgen dat deze worden afgestemd op de uitdagingen en doelstellingen die in de richtlijn worden genoemd en te bevorderen dat met het oog hierop partnerschappen tot stand worden gebracht.

1.15   Tot slot wijst het EESC op de fundamentele rol die lokale en regionale openbare nutsbedrijven kunnen spelen op het vlak van energieaudits om particulieren te helpen en te stimuleren om de energie-efficiëntie van hun huis te verbeteren.

1.16   Het EESC is van mening dat consumenten een sleutelrol spelen in de vermindering van het energieverbruik. De Europese Commissie moet ervoor zorgen dat er nationale strategieën worden uitgewerkt waarbij de consumenten betrokken worden en in die zin worden aangemoedigd, zodat zowel voor de consumenten als voor de hele maatschappij de best mogelijke resultaten worden behaald. Maatregelen met het oog op energie-efficiëntie moeten worden ondersteund met behulp van de juiste (financiële) prikkels die voor de consumenten aantrekkelijk moeten zijn om door hen te worden aanvaard. De aanpak van de behoeften van kwetsbare groepen consumenten moeten integrerend deel uitmaken van alle beleid inzake energie-efficiëntie.

2.   Inleiding

Dit advies gaat over het voorstel voor een richtlijn inzake energie-efficiëntie (COM(2011) 370 definitief), dat gebaseerd is op de richtlijn warmtekrachtkoppeling en de energiedienstenrichtlijn en deze wil bundelen in één enkel algemeen wetgevingsbesluit over energie-efficiëntie in de energievoorziening en het eindverbruik van energie.

3.   Essentie van het voorstel voor een richtlijn inzake energie-efficiëntie en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG

3.1   De EU heeft zich tot doel gesteld in 2020 een besparing op primaire energie van 20 % te verwezenlijken. Deze doelstelling is een van de vijf centrale doelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei.

3.2   Volgens de meest recente ramingen van de Commissie, waarin rekening wordt gehouden met de nationale energie-efficiëntiestreefcijfers voor 2020 die de lidstaten vastgelegd hebben in het kader van de Europa 2020-strategie, zal de EU in 2020 slechts de helft van de beoogde 20 % bereiken. De Europese Raad en het Europees Parlement hebben er bij de Commissie op aangedrongen een nieuwe ambitieuze strategie voor energie-efficiëntie vast te stellen met krachtige maatregelen om het aanzienlijke bestaande potentieel aan te boren.

3.3   Om energie-efficiëntie een nieuwe impuls te geven, heeft de Commissie op 8 maart 2011 een nieuw energie-efficiëntieplan (EEP) gepresenteerd. Dit plan omvat maatregelen om verdere besparingen te realiseren in energievoorziening en -verbruik.

4.   Algemene opmerkingen over het voorstel voor een richtlijn

4.1   Dit advies bouwt voort op het advies (1180/2011) dat het EESC op 14 juli 2011 heeft uitgebracht over de „Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s – Energie-efficiëntieplan 2011”. Daarin formuleerde het EESC o.m. standpunten ten aanzien van warmte- en elektriciteitsopwekking, warmtekrachtkoppeling (5.3) en energiediensten (5.4). Ook verzocht het de Commissie uit te zoeken of er problemen bestaan met energieprestatiecertificaten voor gebouwen, milieukeuren voor apparaten en slimme meters en, indien nodig, de desbetreffende regels te herzien.

4.2   Het EESC kan zich vinden in het streven en de doelstellingen van het richtlijnvoorstel, nl. het vastleggen van „een gemeenschappelijk kader voor de bevordering van energie-efficiëntie binnen de Unie om ervoor te zorgen dat de Unie in 2020 het streefcijfer van 20 % besparingen op primaire energie haalt en om de weg te effenen voor verdere verbeteringen van de energie-efficiëntie na die datum”. De bevordering van energie-efficiëntie in de Unie is van groot belang omdat er nog heel wat ruimte voor verbetering is en omdat de Unie er zowel in milieuopzicht als op economisch en sociaal vlak baat bij zal hebben dat het beoogde doel wordt gerealiseerd. Het EESC erkent dat er de laatste jaren tal van wetgevende en andere „initiatieven” zijn genomen m.b.t. „groene gebouwen” en „groene” producten in de bouwsector. Er ontbreekt evenwel een algemeen plan voor „groene gebouwen” met als gevolg dat acties onvoldoende gecoördineerd zijn en middelen verkwist worden. Het zou een goede zaak zijn als de Europese Commissie met een Groenboek over „groene gebouwen” zou komen waarin alle initiatieven m.b.t. gebouwen en materialen zouden zijn opgenomen.

4.3   Het Comité steunt dit voorstel voor een richtlijn tot intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG inzake warmtekrachtkoppeling en 2006/32/EG inzake energiediensten. Een geïntegreerde aanpak kan immers synergie bevorderen, met name op het punt van warmtekrachtkoppeling en elektriciteit, en kan aldus de verwezenlijking van de beoogde doelstellingen dichterbij brengen. Het Comité vindt dat ook naar een betere integratie van de transportsector moet worden gestreefd, en van de in het kader van de onderhavige richtlijn beoogde maatregelen, om het beoogde doel te helpen verwezenlijken.

4.4   Het Comité acht het cruciaal dat het streefcijfer van 20 % besparing op primaire energie tegen 2020 wordt gehaald en stelt voor dat de Commissie al in 2013 beoordeelt of de Unie dit doel in het kader van de geldende bepalingen kan halen. Er zouden zo veel mogelijk inspanningen moeten worden gericht op het boeken van concrete resultaten.

4.5   Aangezien het belangrijk is dat de voorgestelde maatregelen ook op het werk worden ingevoerd en toegepast, betreurt het Comité dat niet wordt gesproken over de werkplek noch over het belang van de bevordering van de sociale dialoog om de gestelde doelen te kunnen realiseren. De betrokkenheid en medewerking van werknemers bij de energie-efficiëntieprogramma’s zijn essentieel om de doelstellingen te bereiken. Dat geldt ook voor het opzetten en realiseren van cursussen en training op dit gebied en voor maatregelen om goede arbeidsomstandigheden en gezondheid en veiligheid op het werk te bevorderen. Werknemers moeten hierover worden geïnformeerd en geraadpleegd in het kader van de sociale dialoog, die moet worden gestimuleerd.

4.5.1   Het EESC zou ook graag zien dat, net als bij Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, in een bijlage wordt aangegeven op basis van welke opleiding de dienstverleners waarop de onderhavige richtlijn van toepassing is worden gecertificeerd of gekwalificeerd.

4.6   Het Comité spreekt zijn bezorgdheid uit over de kwestie van de financiering van de noodzakelijke investeringen. Hoewel het erop lijkt dat de EU-bijdrage in veel gevallen te laag is om als prikkel te kunnen fungeren, zoals wordt opgemerkt in par. 6.5.1 van EESC-advies 1180/2011, wordt in par. 4 van de toelichting bij het onderhavige voorstel alleen gesteld dat de richtlijn zal „worden uitgevoerd met behulp van de bestaande begroting” en dat er „geen gevolgen zijn voor het meerjarige financiële kader”. Het is natuurlijk belangrijk dat zo veel mogelijk gebruik wordt gemaakt van de bestaande financiële instrumenten; feit is echter wel dat deze momenteel ontoereikend zijn, gezien het bescheiden gebruik door de lidstaten en de regio’s van de middelen die in het kader van de structuur- en cohesiefondsen beschikbaar zijn. Om de gestelde doelen te kunnen verwezenlijken is het volgens het Comité van primordiaal belang dat de Commissie:

zo snel mogelijk nagaat waarom er weinig gebruik wordt gemaakt van de beschikbare middelen; indien nodig, moet zij de financieringsregels herzien. Gezien de beperkingen die momenteel worden opgelegd aan de overheidsfinanciën als gevolg van de door „Europa” voorgeschreven bezuinigingsplannen, moet dit hoge prioriteit krijgen;

nagaat hoe de rol van het onlangs opgerichte Fonds voor energie-efficiëntie kan worden vergroot, zowel op het vlak van financieringsbronnen als met het oog op de criteria voor het toekennen van financiële middelen, waarmee volgens het Comité zowel milieu- als economische en sociale doelstellingen moeten worden nagestreefd;

nagaat of het „Europa 2020-initiatief inzake EU-projectobligaties” ook kan worden toegepast op de investeringen die nodig zijn om de in het onderhavige voorstel opgenomen doelstellingen te realiseren;

de overige financieringsmogelijkheden bekijkt, waaronder investeringen door derden, die later worden terugverdiend door energiebesparingen als gevolg van een betere energie-efficiëntie van de gebouwen in kwestie. Het EESC steunt in dit verband het voorstel van de Commissie om een beroep te doen op leveranciers van energiediensten (Energy Service Companies - ESCO), m.n. voor de installatie van „slimme” meters.

4.7   Het Comité wijst erop dat overheidsgebouwen, volgens het energie-efficiëntieplan 2011, slechts 12 % van het totale gebouwenbestand in de EU uitmaken. Het benadrukt dan ook het belang van de rest van het gebouwenbestand en stelt voor dat de lidstaten nadenken over scherpere en mogelijk bindende maatregelen voor hun volledige gebouwenbestand en pleit voor de vaststelling van een streefcijfer in combinatie met gepaste financierings-, stimulerings- en ondersteunende maatregelen. Dat is dringend noodzakelijk, temeer daar in overweging (15) van het voorstel voor een richtlijn wordt gesteld dat „het bestaande gebouwenbestand de grootste potentiële sector voor energiebesparingen vormt”. Bovendien zijn gebouwen van cruciaal belang om de EU-doelstelling te halen die erin bestaat de broeikasgasemissies in 2050 met 80-95 % te verminderen ten opzichte van 1990. Het Comité wil er bovendien op wijzen dat renovatie van het gebouwenbestand in de EU met het oog op energiebesparing

Europa veel werkgelegenheid oplevert. Via een betere sociale dialoog moet erop worden toegezien dat de kwaliteit van deze nieuwe banen in orde is en dat hiervoor de nodige cursussen en trainingen worden georganiseerd;

de lidstaten inkomsten oplevert (omdat de werkloosheid daalt en de belastinginkomsten stijgen);

het herstel van de Europese economie bevordert;

ook sociale doelstellingen helpt verwezenlijken, mede door middel van specifieke maatregelen voor de lagere- en middeninkomensgroepen, die een lagere energierekening gepresenteerd krijgen omdat zij minder energie nodig hebben om hun huis te verwarmen en te verlichten.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1   In artikel 4, waarin wordt bepaald dat lidstaten jaarlijks 3 % van de totale vloeroppervlakte die eigendom is van hun overheidsinstanties moeten renoveren, wordt gesproken over een totale werkbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m2. Het Comité vindt dat deze verplichting van toepassing moet zijn op de gebouwen van de Europese instellingen. Het Comité plaatst bovendien vraagtekens bij deze minimumoppervlakte van 250 m2 en vraagt zich af of dit er niet toe zal leiden dat met name woningbouwcorporaties worden uitgezonderd van deze renovatieplicht, aangezien het woonoppervlak in sociale woningen vaak kleiner is. Bij het vaststellen van doelstellingen voor energie-efficiëntie moet immers ook het maatschappelijke aspect in het oog worden gehouden door maatregelen te nemen die de energierekening van armere huishoudens kunnen helpen verminderen, bijv. door hun woning energiezuiniger te maken.

5.1.1   Gezien de huidige economische situatie zou het echter wel eens kunnen dat de doelstellingen van de artikelen 4 en 6 niet binnen de gestelde termijnen gehaald worden. De Commissie zou moeten nadenken over een vorm van Europese solidariteit voor lidstaten die niet in staat zijn om in hun eentje de doelstellingen te halen.

5.2   De in artikel 6 voorziene verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie zijn weliswaar noodzakelijk maar brengen extra kosten met zich. Het Comité vindt dat moet worden bekeken in hoeverre de kosten van de maatregelen op het vlak van energie-efficiëntie worden doorberekend aan de eindgebruikers (zie par. 4.5.5 van EESC-advies 1180/2011). Zo zouden verbeteringen met name gratis moeten zijn voor lage-inkomensgroepen, zoals het in par. 6.7.2 van ditzelfde advies 1180/2011 heeft opgemerkt.

5.3   In artikel 7, lid 1, staat dat de lidstaten met name kleine en middelgrote ondernemingen aanzetten tot het laten uitvoeren van energieaudits. Volgens het Comité zou het nuttig zijn om in artikel 2 te definiëren wat onder „kleine en middelgrote ondernemingen” wordt verstaan.

5.4   In artikel 7, lid 2, wordt bepaald dat ondernemingen die niet als „kleine” of „middelgrote onderneming” kunnen worden aangemerkt, vóór 30 juni 2014 en vervolgens elke drie jaar vanaf de datum van de voorgaande energieaudit een energieaudit dienen te ondergaan. Volgens het Comité bestaan er, zoals gezegd in par. 5.5.1 van EESC-advies 1180/2011, in de industrie soms nog mogelijkheden om de energie-efficiëntie te verbeteren, ook al is er reeds grote vooruitgang geboekt en ook al bestaan er EU-maatregelen voor energie-intensieve industrieën, zoals de regeling voor de handel in emissierechten. Om zo snel mogelijk te weten te komen hoeveel ruimte voor verbetering er nog is in de industrie en welke maatregelen moeten worden genomen om hiervan gebruik te maken, stelt het Comité voor om:

energieaudits vroegtijdig en doeltreffend ten uitvoer te leggen;

traditionele en nieuwe instrumenten waarmee de energie-efficiëntie van installaties van zowel energie-intensieve industrieën als kleine en middelgrote bedrijven gericht en consequent kan worden verbeterd, op grote schaal te ondersteunen, te gebruiken en onder de aandacht te brengen;

audits gaan over zowel managements- als structurele kwesties. Managementveranderingen zijn relatief eenvoudig door te voeren, maar structurele veranderingen (vloeren, daken, wijziging van de bestemming van een gebouw, zware materialen) zijn duur en tijdrovend, vooral omdat er voor de omzetting van de aanbevelingen van de audit een kosten-batenstudie en een uitvoeringsplan moeten worden gemaakt om een offerte met precieze parameters en een budget voor te bereiden. Daarbij komt dat er vaak vergunningen vereist zijn, waardoor het renovatieproces nog langer duurt. Om deze redenen, en wanneer op basis van de aanbevelingen van de audit grootschalige werkzaamheden geboden zijn, moet de uitvoeringstermijn hiervoor worden verlengd.

5.4.1   Participatie van werknemers is absoluut noodzakelijk om de energie-efficiëntie te verbeteren. Zonder hun kennis, ervaring en inzet kunnen er geen resultaten worden behaald. Het EESC raadt daarom aan alle mogelijkheden te onderzoeken om na te gaan in hoeverre en op welke voorwaarden de benchmarkinginstrumenten voor CO2-uitstoot en andere verontreinigende gassen (BREF-documenten opgesteld door het IPTS in Sevilla ter ondersteuning van de voormalige IPPC-richtlijn en de richtlijn uit 2010 inzake emissies door de industrie, en tevens gebruikt voor het emissiehandelssysteem en voorzien van referentiewaarden voor energie-efficiëntie) op dezelfde manier kunnen worden gebruikt als in de onderhavige richtlijn en in het kader van een beheersstelsel waarbij alle belanghebbenden zijn betrokken, m.n. werkgevers, vakbonden en ngo’s. Ook zou in de analyses en voorstellen met het oog op dit beheersstelsel rekening kunnen worden gehouden met: de kosten en baten van de geplande energie-efficiëntiemaatregelen en o.m. ook met de sociale/werkgelegenheidsaspecten, de impact op de arbeidsomstandigheden, sociale analyses en waarden, de evaluatie-instrumenten voor de geraamde behoeften aan arbeidskrachten, kwalificaties en beroepsopleidingen, en de voorzieningen die met het oog hierop moeten worden getroffen.

5.5   In artikel 8, lid 1, worden de voorwaarden omschreven waaraan moet worden voldaan in het geval van plaatsing van slimme meters. Het Comité vindt deze voorwaarden ontoereikend. Het pleit ervoor dat elke lidstaat, binnen de grenzen van zijn eigen wetgeving, voorafgaand onderzoek doet naar de kosten en baten van dergelijke meters, en vindt dat in dit onderzoek rekening moet worden gehouden met de technische haalbaarheid en de kostenefficiëntie voor degene die in de installatie van slimme meters investeert (waarbij ook onderhouds-, beheers- en vervangingskosten moeten worden meegenomen), evenals met de risico’s die dergelijke meters met zich kunnen brengen voor de beginselen van universaliteit en toegankelijkheid van energie voor de consument, alsook voor de bescherming van persoonsgegevens. In het geval van elektriciteit maakt dit onderzoek deel uit van de economische evaluatie die in par. 2 van bijlage 1 bij Richtlijn 2009/72/EG van 13 juli 2009 wordt genoemd.

5.6   In artikel 10, lid 1, worden de lidstaten verplicht een nationaal verwarmings- en koelingsplan op te stellen. Hierin zouden ook concurrentieaspecten aan bod moeten komen teneinde eventuele problemen i.v.m. monopolies voor stadsverwarming aan te pakken.

5.7   In de praktijk betekent dit, volgens het Comité, dat belang moet worden gehecht aan de ontwikkeling van de energiediensten die door openbare instanties worden aangeboden of door particuliere ondernemingen worden voorgesteld, met als doel oplossingen te vinden voor het verbeteren van de energie-efficiëntie van bedrijven, overheden en particulieren. Deze diensten zouden met behulp van Europese financiering tot ontwikkeling moeten worden gebracht en zouden ter beschikking moeten worden gesteld aan particulieren en aan het mkb, overeenkomstig het algemeen belang.

5.8   Vanuit juridisch oogpunt zijn de energieprestatiecontracten die in de tekst van de Commissie worden genoemd, zij het in het kader van contractuele betrekkingen met de publieke sector, een middel om het systematisch streven naar een grotere energie-efficiëntie gemeengoed te maken.

5.9   In artikel 1 zouden historische gebouwen van het toepassingsgebied moeten worden uitgesloten daar de problemen die o.m. de installatie van slimme meters op praktisch en esthetisch vlak met zich meebrengt, over het algemeen veel groter zijn in historische dan in andere gebouwen. Zo worden eigenaars van historische gebouwen door de regelgeving i.v.m. de instandhouding van het culturele erfgoed vaak verhinderd nieuwe energiebeheerssystemen in te voeren. Het moet de lidstaten vrijstaan per geval te beslissen of een specifiek, als historisch bestempeld gebouw voor deze vrijstelling en de toepassing van een aantal flexibeler oplossingen in aanmerking komt.

Brussel, 26 oktober 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


Top