EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52011AE0530

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Jeugd in beweging — Een initiatief om jongeren ten volle te betrekken bij het realiseren van slimme, duurzame en inclusieve groei in de Europese Unie” (COM(2010) 477 definitief)

OJ C 132, 3.5.2011, p. 55–62 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

3.5.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 132/55


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Jeugd in beweging — Een initiatief om jongeren ten volle te betrekken bij het realiseren van slimme, duurzame en inclusieve groei in de Europese Unie”

(COM(2010) 477 definitief)

2011/C 132/10

Rapporteur: Pavel TRANTINA

Corapporteur: Juan MENDOZA CASTRO

Aan de leden van de afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap De Commissie heeft op 15 september 2010 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie te raadplegen over de

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over „Jeugd in beweging” - Een initiatief om jongeren ten volle te betrekken bij het realiseren van slimme, duurzame en inclusieve groei in de Europese Unie

COM(2010) 477 definitief.

De afdeling Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap, die met de voorbereiding van de werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 24 februari 2011 goedgekeurd.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 15 en 16 maart 2011 gehouden 470e zitting (vergadering van 15 maart) onderstaand advies uitgebracht, dat met algemene stemmen is goedgekeurd.

1.   Samenvatting van de aanbevelingen

1.1   Het Europees Economisch en Sociaal Comité is zich ervan bewust dat er dringend aandacht moet komen voor jongeren die in ernstige mate worden geconfronteerd met de gevolgen van de huidige economische crisis. Het erkent de waarde van het initiatief Jeugd in beweging, zijnde een integraal onderdeel van de Europa 2020-maatregelen, en verwelkomt de algemene bepalingen die in de mededeling uiteen zijn gezet. Het is bereid om bij te dragen aan de tenuitvoerlegging ervan door de krachten te bundelen en het initiatief bij de sociale partners en de maatschappelijke organisaties voor het voetlicht te brengen en door de hiaten in het initiatief op te vullen wat slimme, inclusieve en duurzame groei en de EU-Jeugdstrategie betreft.

1.2   Het Comité benadrukt dat er toezicht dient te zijn op de in het initiatief Jeugd in beweging omschreven doelstellingen en dat vooruitgang bij de tenuitvoerlegging ervan moet worden gemeten aan de hand van duidelijke indicatoren, zodat de lidstaten hun inspanningen kunnen verhogen als de doelstellingen niet op tijd zijn gehaald.

1.3   Nu de economische crisis tot bezuinigingen op de begroting heeft geleid, wil het Comité nogmaals een lans breken voor de instandhouding en - zo mogelijk - uitbreiding van de op nationaal en EU-niveau vastgelegde middelen voor het onderwijs, de opleiding en de tewerkstelling van jongeren. Het economische herstelbeleid dient het scheppen van stabiele banen aan te moedigen en studieonderbreking te voorkomen.

1.4   Het Comité is voorstander van de opzet van een kwaliteitskader voor stages. Ook juicht het de maatregelen toe die gericht zijn op het wegnemen van de wettelijke en administratieve belemmeringen voor het vrije verkeer van jongeren die belangstelling hebben voor opleidingen, het leerlingwezen of stages.

1.5   Het Comité verwelkomt het initiatief van de Commissie om de erkenning van niet-formeel leren aan te moedigen en de zichtbaarheid van buiten het formele onderwijssysteem verkregen vaardigheden te verhogen (bijvoorbeeld middels het Europese vaardighedenpaspoort). In de discussies over de wijze waarop deze waardering moet plaatsvinden, moet ook worden stilgestaan bij de kwaliteit van opleiding en onderwijs, evenals bij het toezicht op en de monitoring van die kwaliteit. Iedereen zou zijn voordeel moeten kunnen doen met maatregelen ter bevordering van niet-formeel onderwijs, die derhalve niet moeten worden beperkt tot kansarmere jongeren.

1.6   Het Comité verwelkomt de ontwikkeling van instrumenten op nationaal niveau, zoals de Jeugdgarantie, die jonge mensen helpt om de overstap te maken van onderwijs naar arbeidsmarkt. Het is echter wel van mening dat bepaalde maatregelen eerst verder moeten worden bestudeerd voordat ze ten uitvoer worden gelegd. Dat geldt bijvoorbeeld voor de vergelijking van de resultaten in het hoger onderwijs, de ontwikkeling van de Jeugd in beweging-kaart, de opzet van „Je eerste Eures-baan”, en de uitwerking van de Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit.

1.7   Het Comité steunt de Commissie bij haar inspanningen om de meest effectieve methoden ter bevordering van werkgelegenheid onder jongeren in kaart te brengen. Het gaat hier o.a. om opleidingsprogramma's, socialezekerheidsmaatregelen en uitkeringen, in combinatie met een activeringsbeleid, aanwervingssubsidies en passende afspraken over lonen en sociale bescherming, alsmede carrièrebegeleiding. Het Comité benadrukt dat dit alles gestalte dient te krijgen door in versterkte mate gebruik te maken van de sociale en de civiele dialoog.

1.8   Bij dit initiatief staan onderwijs en werkgelegenheid weliswaar centraal, maar er wordt niet voldoende nadruk gelegd op de ontwikkeling van sociaal kapitaal en het aan bod laten komen van jongeren in het Europese maatschappelijke middenveld. Verder zou ook het thema inclusieve groei moeten worden meegenomen als één van de prioriteiten bij de strategieën voor jongeren. Er moet derhalve het nodige worden gedaan voor de tenuitvoerlegging ervan, zoals de instandhouding en verbetering van het bestaande programma Jeugd in actie.

1.9   Het Comité betreurt dat er geen maatregelen in het initiatief zijn opgenomen die de maatschappelijke en burgerdimensie van jongeren in Europa kracht bij zetten. De titel „Jeugd in beweging” mag niet alleen slaan op acties „over” of „voor” jongeren, het moet eerder gaan om acties „met” jongeren, waarbij er dus uitgegaan wordt van een actieve deelname van de jeugd bij de tenuitvoerlegging van de voorgestelde maatregelen. Het Comité dringt er derhalve bij de Commissie op aan om het initiatief aan te vullen met een aantal activiteiten.

1.10   Het Comité pleit ervoor om een nieuw informatiepakket toe te voegen aan PLOTEUS, YOUTH en andere bestaande portalen. Om jongeren te bereiken, zou het wel eens nuttiger en handiger zou kunnen zijn om nieuwe informatie op al bestaande websites te plaatsen.

1.11   Stages zouden aantrekkelijker moeten worden gemaakt en hierin zou recht moeten worden gedaan aan de belangen van alle betrokkenen. De lidstaten zouden via allerlei stimulerende maatregelen werkgevers moeten stimuleren om meer stageplaatsen en indirect dus ook meer en betere banen voor jongeren te creëren.

1.12   Het is een goede zaak dat er wordt stilgestaan bij het belang van het Europees Sociaal Fonds (ESF). Wanneer er met de lidstaten wordt overlegd over de middelenverdeling binnen de nieuwe financiële vooruitzichten, dient de Commissie met name oog te hebben voor de vraag of er wel voldoende middelen zijn voor de ESF-initiatieven, met name als het gaat om initiatieven voor jongeren.

1.13   Het Comité zal nauwgezet kijken naar de potentiële bijdrage van de Europese studiefinancieringsfaciliteit in het licht van de reeds beschikbare mogelijkheden en instrumenten.

2.   De kern van het initiatief van de Commissie

2.1   In de Europa 2020-strategie zijn ambitieuze doelstellingen voor slimme, duurzame en inclusieve groei in de EU geformuleerd. De rol van jongeren is hier van doorslaggevend belang. Hoogwaardig onderwijs en opleiding, succesvolle en duurzame integratie op de arbeidsmarkt, fatsoenlijk en naar behoren betaald werk en meer mogelijkheden voor de mobiliteit van jongeren zijn essentiële elementen om „alle jongeren ten volle te betrekken (1) en zo de Europa 2020-doelstellingen te realiseren. De maatregelen die worden voorgesteld in het initiatief Jeugd in beweging, maken het tot één van de belangrijkste voorstellen in het kader van de strategie.

2.2   Met Jeugd in beweging wordt beoogd de doelstellingen en prioriteiten uit het strategisch kader voor de Europese samenwerking inzake onderwijs en opleiding (Onderwijs en opleiding 2020) kracht bij te zetten en om maatregelen door te voeren met het oog op de volgende doelstellingen:

jongeren betere perspectieven bieden om tot de arbeidsmarkt te kunnen toetreden en daar te blijven;

meer jongeren toegang bieden tot hoger onderwijs;

onderwijs en opleiding dusdanig aanpassen dat ze beter zijn afgestemd op de behoeften van jongeren;

erop toezien dat elke Europese burger tegen 2020 een studie of opleiding in het buitenland kan volgen;

jeugdwerkloosheid verminderen, het aantal voor jongeren toegankelijke banen verhogen, studenten meer kansen bieden op het volgen van bedrijfsstages en opdoen van werkervaring zodat hun ondernemersgeest wordt gestimuleerd;

meer en betere informatie bieden over EU-instrumenten die de mobiliteit bevorderen, met name cursussen, opleidingen of stages in het buitenland, enz.

2.3   Voor elk van de prioritaire terreinen is een reeks belangrijke nieuwe acties ontwikkeld. Deze omvatten voorstellen die specifiek zijn bedoeld om de prioriteiten te kunnen verwezenlijken.

3.   Algemene opmerkingen van het Comité over de mededeling van de Commissie

3.1   Het vlaggenschipinitiatief „Jeugd in beweging” is in overeenstemming met de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Het benadrukt de nieuwe holistische benadering waarbij onderwijs en werkgelegenheid voor jongeren wordt gezien als een beleidsonderdeel dat nauw aansluit op andere vlaggenschipinitiatieven en de vijf centrale doelstellingen op EU-niveau. Het EESC onderstreept het belang van samenhang tussen Europees en nationaal beleid en wijst op de sleutelrol die non-gouvernementele organisaties hier dienen te spelen.

3.2   Het Comité wil benadrukken dat het initiatief moet worden gezien in de context van de meest diepgaande economische crisis die Europa sinds jaren heeft gekend. Dat mag niet over het hoofd worden gezien, met name omdat met „Jeugd in beweging” nadrukkelijk wordt beoogd om „jongeren ten volle te betrekken bij het realiseren van slimme, duurzame en inclusieve groei in de Europese Unie.” We moeten ons inderdaad afvragen wat deze crisis momenteel voor gevolgen heeft voor de werkzekerheid, de sociale rechten en alle plannen en projecten voor studie- en werkmobiliteit. Het Comité acht het van belang om het verband aan te tonen tussen de economisch georiënteerde maatregelen die worden aangenomen, en de impact die deze kunnen hebben op bestaande Europese plannen en programma's die van groot belang zijn voor jongeren. Bezuinigingen moeten worden voorkomen. Sterker nog, de beschikbare middelen dienen doelgerichter te worden ingezet en zo mogelijk nog aanzienlijk worden uitgebreid.

3.3   Het Comité erkent de waarde van het initiatief Jeugd in beweging, als zijnde een integraal onderdeel van de Europa 2020-maatregelen, en verwelkomt de algemene bepalingen die in de mededeling uiteen zijn gezet. Het initiatief zou echter wel beter moeten aansluiten op de verschillende bestaande en toekomstige maatregelen en projecten, teneinde de kansen op de verwezenlijking van de eerder omschreven doelstellingen te vergroten. Het Comité betreurt dat er in het initiatief geen activiteiten zijn opgenomen ter versterking van de maatschappelijke en civiele dimensie van de jeugd in Europa. De titel „Jeugd in beweging” zou in de mededeling beter uit de verf moeten komen; het mag niet alleen gaan om acties „over” of „voor” de jeugd, maar eerder „met” de jeugd, waarbij gezocht wordt naar de actieve deelname van jonge mensen bij de tenuitvoerlegging van de voorgestelde acties. Het Comité dringt er derhalve bij de Commissie op aan om het initiatief aan te vullen met de benodigde activiteiten.

3.4   Aangezien het initiatief twee hoofdterreinen bestrijkt - werkgelegenheid en onderwijs - is het Comité ermee ingenomen dat de nadruk wordt gelegd op mobiliteit, aantrekkingskracht en kwaliteit, om zodoende de link te leggen met het strategisch kader voor Europese samenwerking inzake onderwijs en opleiding 2020 (ET 2020), met name wat de strategische doelstellingen 1 en 2 betreft. Het is van belang dat er in dit initiatief specifieke aandacht is voor een grotere leermobiliteit, de modernisering van het hoger onderwijs, de bevordering en validering van niet-formeel en informeel leren en het garanderen van doeltreffende, langdurige investeringen in onderwijs en beroepsopleiding.

3.5   Het verheugt het Comité ook dat er in dit initiatief op wordt gewezen dat er een relatie is tussen de doelstellingen en de voortgaande tenuitvoerlegging van de Europese kwalificatiekaders, meer open onderwijsstelsels, verbeterde begeleiding en partnerschappen tussen de onderwijsorganen en werkgevers (2). Het Comité dringt er bij de Commissie op aan om zich bij de tenuitvoerlegging van dit initiatief overwegend te laten leiden door het streven om de onderwijsstelsels open te stellen voor en aan te passen aan de behoeften van de maatschappij en de arbeidsmarkt, door „Jeugd in beweging” op doeltreffende wijze te integreren binnen de bestaande instrumenten voor leermobiliteit, zoals Europass en het Europees systeem voor de overdracht van studiepunten (ECTS), en de samenwerking te bevorderen van de onderwijsinstellingen met de werkgevers, en ook met de vakbonden, studenten en andere belanghebbenden.

3.6   Bij dit initiatief staan onderwijs en werkgelegenheid weliswaar centraal, maar er wordt niet voldoende nadruk gelegd op de ontwikkeling van sociaal kapitaal en het aan bod laten komen van jongeren in het Europese maatschappelijke middenveld. In die zin sluit „Jeugd in beweging” niet voldoende aan bij het streven van de nieuwe EU-Jeugdstrategie, bij het in 2009 goedgekeurde „Investeringen en empowerment”, noch bij het Lissabonverdrag (artikel 165, lid 2) dat de burgerschapsdimensie en de noodzaak om jongeren aan te moedigen deel te nemen aan het democratisch leven kracht bij zet, noch bij de voor jongeren bestemde activiteiten. Verder dienen de kernvaardigheden die rechtstreeks te maken hebben met de bedrijfswereld (zoals innovatie en ondernemingsgeest), onderwijs over burgerschap, solidariteit en consolidering van de sociale cohesie - bijv. de volledige betrokkenheid van jongeren bij heel de sociale agenda - in het initiatief te worden opgenomen en de hiervoor noodzakelijke maatregelen te worden geformuleerd en ook aan het initiatief toegevoegd.

3.7   Verder zou ook het thema inclusieve groei moeten worden meegenomen als prioriteit in voor jongeren bestemde strategieën. Er moet derhalve gewerkt worden aan de instrumenten voor de tenuitvoerlegging ervan, zoals de instandhouding en verbetering van het bestaande programma Jeugd in actie.

3.8   Sommige aspecten inzake non-discriminatie zouden meer naar voren moeten komen in het initiatief. Het Comité pleit voor de opname van maatregelen waarmee de salariskloof tussen jonge mannen en vrouwen wordt aangepakt. Ook verschillen tussen lokale werknemers en werknemers met een allochtone achtergrond en de moeilijkheden die deze ondervinden om gelijke voorwaarden en kwalificaties te bemachtigen, zouden aan de kaak moeten worden gesteld. Verder verdient ook de toetreding van gehandicapte jongeren tot de arbeidsmarkt de nodige aandacht.

3.9   Er dient toezicht te zijn op de in het initiatief omschreven doelstellingen, terwijl de vooruitgang bij de tenuitvoerlegging ervan moet worden gemeten aan de hand van duidelijke indicatoren, zodat de lidstaten hun inspanningen kunnen verhogen als de doelstellingen niet op tijd zijn gehaald.

3.10   In het volgende onderdeel buigt het Comité zich over de prioritaire terreinen die in de mededeling zijn geformuleerd, en geeft het zijn mening hierover, naast aanvullende informatie voor elk van de voorgestelde belangrijke acties.

4.   Moderne onderwijs- en opleidingsstelsels ontwikkelen om kerncompetenties en expertise te leveren

4.1   Voorstel voor een ontwerpaanbeveling van de Raad inzake het terugdringen van schooluitval (2010)

4.1.1   Het terugdringen van schooluitval is een heel wezenlijke kwestie, met name voor bepaalde lidstaten. Het is ook één van de hoofddoelstellingen van de Europa 2020-strategie en komt rechtstreeks voort uit de in het Europese strategische kader voor onderwijs en opleiding 2020 geformuleerde benchmarks. Nu de economische crisis tot bezuinigingen op de begroting heeft geleid, wil het Comité nogmaals een lans breken voor de instandhouding en - zo mogelijk - uitbreiding van de op nationaal niveau vastgelegde middelen ter voorkoming van schooluitval.

4.2   Instelling van een groep deskundigen op hoog niveau inzake analfabetisme (2010)

4.2.1   Het Comité staat achter beproefde methoden voor de verbetering van de vaardigheden van schoolkinderen en leerlingen en het uitroeien van analfabetisme in de EU. Het benadrukt daarbij het belang van programma's die gericht zijn op jonge mensen uit maatschappelijk achtergebleven groepen en jongeren met een allochtone achtergrond. Het is van belang dat de groep deskundigen op hoog niveau ruimte maakt voor dialoog en overleg met de sociale partners en de maatschappelijke organisaties.

4.3   De aantrekkingskracht, het aanbod en de kwaliteit van beroepsonderwijs en -opleiding verbeteren

4.3.1   Overleg met Cedefop heeft het Comité duidelijk gemaakt dat onze onderwijs-, opleidings- en leerstrategieën dringend aan herziening toe zijn, met inbegrip van beroepsonderwijs en -opleiding. Er bestaat behoefte aan:

meer toegespitste opleidings- en trainingsprogramma's;

de bevordering en waardering van een breder scala aan kennis, vaardigheden en competenties;

verkleining van de kennis- en kwalificatiekloof;

ondersteuning van nieuwe leeromgevingen;

het openstellen van onderwijs- en opleidingsstructuren en -instellingen;

het oog hebben voor de individuele behoeften.

4.3.2   Het Comité verwelkomt derhalve het Communiqué van Brugge, waarmee een verbeterde Europese samenwerking rond beroepsonderwijs en -opleiding wordt beoogd en waarin elf strategische langetermijndoelstellingen voor het komende decennium (2011-2020) zijn neergelegd. Het Comité is voorstander van de verbetering van de kwaliteit van het beroepsonderwijs binnen de EU. Beroepsonderwijs en -opleiding zouden één van de eerste nieuwe terreinen moeten zijn waar de mobiliteit wordt aangezwengeld.

4.4   Een kwaliteitskader voor stages voorstellen

4.4.1   Het Comité is ingenomen met maatregelen die wettelijke en administratieve belemmeringen voor het vrije verkeer van jongeren die stage willen lopen, wegnemen. Uit de gestructureerde dialoog met jongeren is ook naar voren gekomen dat er per lidstaat grote verschillen in kwaliteit zijn m.b.t. de stages. Binnen het Europese kader zou derhalve een nationaal debat moeten worden gestart over stages, leerlingwezen en de kwaliteit van de aan jongeren aangeboden arbeidscontracten. Stages zouden onderdeel moeten zijn van het onderwijspakket en een duidelijk educatief karakter moeten hebben, waardoor jongeren in staat zijn om nadien stabiele, hooggekwalificeerde en fatsoenlijk betaalde banen te vinden zonder discriminerend karakter.

4.4.2   De eis voor een kwaliteitskader voor stages zou van toepassing moeten zijn voor alle leervormen in een echte werkomgeving, ongeacht de vraag of deze wel of niet binnen de formele onderwijsprogramma's vallen en al dan niet doelbewust buiten het formele onderwijskader worden gehouden. Stages zouden niet per se een vervanging moeten zijn voor banen, maar zouden stagiaires de vaardigheden moeten bieden voor een soepele overgang naar het beroepsleven. Jonge stagiaires moeten ook een vergoeding ontvangen wanneer ze echte beroepstaken uitvoeren en dienen gedekt te zijn door de sociale zekerheid. Willen deze stages efficiënt zijn en relevant voor de arbeidsmarkt, dan is het van belang dat de sociale partners bij de opzet, organisatie, uitvoering en financiering worden betrokken.

4.4.3   Stages zouden aantrekkelijker moeten worden gemaakt en hierin zou recht moeten worden gedaan aan de belangen van alle betrokkenen. De lidstaten zouden via allerlei stimulerende maatregelen werkgevers moeten stimuleren om meer stageplaatsen en indirect dus ook meer en betere banen voor jongeren te creëren, waarbij de door de Europese sociale partners goedgekeurde „kaderovereenkomst voor inclusieve arbeidsmarkten” ook in aanmerking wordt genomen.

4.5   Een ontwerpaanbeveling van de Raad over de bevordering en validatie van niet-formeel en informeel leren voorstellen (2011)

4.5.1   Het Comité hecht al sinds lange tijd veel belang aan dit onderwerp en is daarom ook voorstander van aanvullende maatregelen op dit gebied. Het kan zich vooral vinden in de nadrukkelijke aandacht voor de waardering van niet-formele onderwijsresultaten. In de discussies over de wijze waarop deze waardering moet plaatsvinden, moet ook worden stilgestaan bij de kwaliteit van niet-formeel onderwijs, evenals bij het toezicht op die kwaliteit. Iedereen zou zijn voordeel moeten kunnen doen met maatregelen ter bevordering van niet-formeel onderwijs en deze zouden derhalve niet moeten worden beperkt tot kansarme jongeren zoals de Commissie voorstelt. Het proces van niet-formeel leren, dat met name wordt geboden via vrijwilligersactiviteiten van NGO's, is een interessante manier voor jongeren om vaardigheden die van pas komen in de huidige wereld, op te doen, vooral als het gaat om creativiteit, teamwork, probleemoplossend vermogen, taalvaardigheden, multicultureel bewustzijn, empathie en een gevoel voor initiatief en verantwoordelijkheid.

4.5.2   Voor de geleidelijke erkenning van informeel leren spelen met name de werkgevers een belangrijke rol, evenals het beroepsonderwijs en het hoger onderwijs.

4.5.3   Er bestaan al een aantal goede nationale praktijken ten aanzien van de erkenning van niet-formeel en informeel leren, zoals de „Profilpass” in Duitsland en de „Sleutels voor het leven” in de Tsjechische republiek. Deze dienen in aanmerking te worden genomen bij de formulering van de Aanbeveling van de Raad. De Commissie zou moeten bijdragen tot de analyse en verspreiding van goede praktijken en hierbij oog moeten hebben voor de brede variatie in ontwikkeling, tradities en realiteiten in de EU.

5.   De aantrekkingskracht van het hoger onderwijs voor de kennismaatschappij bevorderen

5.1   De hervorming en modernisering van het hoger onderwijs ondersteunen door het voorstellen van een mededeling in 2011 voor een nieuwe, versterkte agenda voor het hoger onderwijs

5.1.1   De hervorming van het hoger onderwijs moet een veel belangrijkere rol spelen bij het verwezenlijken van de doelstellingen van de 2020-strategie; hiermee wordt beoogd om de Europese samenleving tot wereldleider te maken op het gebied van kennis, innovatie en ontwikkeling. De modernisering van het hogeronderwijsstelsel, de verwezenlijking van de Europese ruimte voor hoger onderwijs en de doelstellingen van het Bolognaproces, een grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de privésector, de herziening en versterking van de kwaliteitsborgingsstelsels in het hoger onderwijs en de erkenning van het belang van de sociale dimensie in het onderwijs – dit alles zou jonge afgestudeerden moeten helpen om op succesvolle wijze tot de arbeidsmarkt toe te treden en de belemmeringen die een gelijke deelname aan het onderwijs nog altijd in de weg staan, zoals sociale ongelijkheid, gender, nationaliteit, enz., moeten wegnemen.

5.2   Vergelijking van de resultaten in het hoger onderwijs

5.2.1   Eén van de doelstellingen is om benchmarks op te stellen teneinde inzicht te verkrijgen in de resultaten en verwezenlijkingen van het hoger onderwijs. Het Comité wijst er in dit verband wel op dat de criteria zorgvuldig moeten worden gekozen, in nauw overleg met de onderwijsdeskundigen, maatschappelijke organisaties en de particuliere sector - het gaat immers om een gevoelige sector. Het deelt de punten van zorg inzake de potentiële extrapolatie van op andere terreinen gehanteerde beoordelings- of classificeringsmethoden en vraagt zich af het creëren van een nieuwe multidimensionele ranglijst van universiteiten wel onder de EU-bevoegdheden valt.

5.3   Een meerjarige strategische innovatieagenda (2011) voorstellen

5.3.1   Wat de strategische innovatieagenda (2011) betreft, verwijst het Comité graag naar de talrijke adviezen en aanbevelingen die het de afgelopen jaren over dit thema heeft opgesteld. (3)

6.   Een krachtige ontwikkeling van transnationale leer- en arbeidsmobiliteit voor jongeren ondersteunen

6.1   Een speciale website voor Jeugd in beweging opzetten met informatie over de leer- en mobiliteitsmogelijkheden in de EU (2010)

6.1.1   Het Comité pleit ervoor om een nieuw informatiepakket toe te voegen aan PLOTEUS, YOUTH en andere bestaande portalen. Om jongeren te bereiken, zou het wel eens nuttiger en handiger kunnen zijn om nieuwe informatie op al bestaande websites te plaatsen. Ook zou er één enkele databank voor stageplekken en vrijwilligerswerk moeten worden ontwikkeld en opgenomen moeten worden op deze websites.

6.2   Een voorstel indienen voor een ontwerpaanbeveling van de Raad over de bevordering van de leermobiliteit van jongeren (2010)

6.2.1   Het is een goede zaak dat specifieke maatregelen die gericht zijn op een grotere leermobiliteit, kracht worden bijgezet en dat de conclusies van de openbare hoorzittingen betreffende de voorstellen uit het groenboek over de Bevordering van de leermobiliteit van jongeren ten uitvoer worden gelegd. Het Comité heeft in dit verband in 2009 een actieve rol gespeeld en verschillende waardevolle aanbevelingen geformuleerd. (4) Er zou moeten worden gezorgd voor flankerende maatregelen voorafgaand, tijdens en na de periode van mobiliteit.

6.3   Een Jeugd in beweging-kaart ontwikkelen

6.3.1   Dit initiatief is niet duidelijk genoeg geformuleerd: gaat het om de ontwikkeling van een nieuwe kaart of om een nieuw jasje voor de bestaande Jeugd‹26-kaart? Er moet hoe dan ook duidelijk worden uitgelegd wat de meerwaarde is van een nieuwe kaart en deze dient te worden vergeleken met bestaande kaarten.

6.4   Richtsnoeren publiceren over de uitspraken van het Europese Hof van Justitie inzake de rechten van mobiele studenten (2010)

6.4.1   Het Comité beschouwt dit als een positieve maatregel; het wijst erop dat de rechten in flexibele, eenvoudig toegankelijke en begrijpelijke formats gepubliceerd moeten worden. Ook leerlingen van de middelbare school moeten er gemakkelijk wijs uit kunnen worden.

6.5   Een Europees vaardighedenpaspoort voorstellen (2011)

6.5.1   Het Comité staat achter de uitgave van een Europees vaardighedenpaspoort. Het is van oordeel dat de bestaande paspoorten (Europass en het jeugdpaspoort) samengevoegd moeten worden tot één overkoepelend instrument, waardoor op één kaart het traditionele cv, het genoten formele onderwijs (Europass) en het genoten non-formele en informele onderwijs zijn opgenomen. Jonge mensen zien niet veel heil in een hele reeks van instrumenten die voortdurend worden veranderd en die uiteindelijk weinig nut hebben. Het succes van het Europese vaardighedenpaspoort zal onder meer afhangen van de beeldvorming die zal ontstaan onder werkgevers, en hoe het gebruik onder jongeren zich ontwikkelt; voor deze jongeren dienen advies en flankerende maatregelen derhalve in voldoende mate voorhanden te zijn.

6.6   Het initiatief „Je eerste Eures-baan” ten uitvoer leggen

6.6.1   Het Comité verwelkomt elke vorm van steun die de perspectieven op werkgelegenheid voor jongeren kan vergroten. Het Comité denkt dat de verbetering van EURES en andere webportaals, evenals van de kwaliteit van de dienstverlening, in dit opzicht behulpzaam kunnen zijn.

6.7   Een Europese vacaturemonitor creëren in 2010

6.7.1   Het Comité verwelkomt de geregelde publicatie van de Europese vacaturemonitor aangezien deze een waardevol en geactualiseerd overzicht biedt van de ontwikkelingen op de Europese banenmarkt.

6.8   Toezicht houden op de toepassing van de EU-wetgeving inzake het vrije verkeer van werknemers

6.8.1   Het Comité beschouwt het in principe als een goede zaak dat de toepassing van de EU-wetgeving inzake het vrije verkeer van werknemers ten goede komt aan jonge mensen, en dringt aan op een zorgvuldig toezicht op deze maatregel (die al sinds enige tijd is ingevoerd). De Commissie geeft echter niet duidelijk aan hoe het toezicht op deze wetgeving kan worden verbeterd en hoe deze initiatieven voor jongeren in beweging werkelijk ten uitvoer kunnen worden gelegd.

7.   Een kader voor jeugdwerkgelegenheid

7.1   Bepalen wat de meest doeltreffende ondersteuningsmaatregelen zijn

7.1.1   De jeugdwerkloosheid, die al alarmerend hoog was vóór de crisis, is een van de meest zorgwekkende aspecten geworden van de Europese arbeidsmarkt. „Met bijna 21 % is de jeugdwerkloosheid onacceptabel hoog” , zo wordt gesteld in het initiatief. Teneinde het doel te bereiken van 75 % werkgelegenheid voor de bevolkingsgroep tussen 20 en 64 jaar, moet de integratie van jongeren op de arbeidsmarkt drastisch worden verbeterd  (5) ”. Het mag niet onderschat worden wat de betekenis kan zijn van maatregelen die jonge mensen meteen aan hoogwaardige, fatsoenlijk betaalde en duurzame banen kunnen helpen. Het Comité is verheugd over de voorgestelde initiatieven en dringt er bij de Commissie op aan, de lidstaten aan te zetten tot serieuze afspraken met het oog op het creëren van banen voor jonge mensen, zulks in overleg met de sociale partners en andere belanghebbenden. Het staat ook achter de verklaring in de mededeling die als volgt luidt: Afspraken over lonen en indirecte loonkosten (…) een stimulans [kunnen] vormen voor het aannemen van nieuwkomers, maar mogen niet bijdragen tot precaire arbeidsverhoudingen. Ook collectieve onderhandelingen kunnen een positieve rol spelen door de vastlegging van overeengekomen gedifferentieerde lonen voor nieuwkomers.” Hierbij zal rekening moeten worden gehouden met het beginsel van gelijke betaling voor gelijk of gelijkwaardig werk.

7.1.2   Voor de versterking van het Europese concurrentievermogen is het van groot belang dat de situatie van de jongeren op de arbeidmarkt wordt verbeterd. Om succes te garanderen moeten we er uiteindelijk voor zorgen dat de talenten van de jongere generaties niet worden verspild en beter worden benut.

7.1.3   Het is verder een goede zaak dat in kaart wordt gebracht welke de meest efficiënte maatregelen zijn voor de ondersteuning van de werkgelegenheid voor jongeren, zoals opleidingsprogramma's, socialezekerheidsmaatregelen en uitkeringen, in combinatie met een activeringsbeleid, aanwervingssubsidies en passende afspraken over lonen en sociale bescherming. De Commissie legt ook terecht de nadruk op meer carrièrebegeleiding. Wanneer jonge mensen over hun toekomstige carrière moeten beslissen, zouden ze ook de noodzakelijke informatie over de verschillende opleidingsmogelijkheden, een duidelijk beeld van de vereiste vaardigheden en competenties evenals informatie over mogelijke ontwikkelingen op de arbeidsmarkt met het oog op hun toekomstplanning moeten ontvangen. Dit is met name het geval wanneer ze zoeken naar en zich voorbereiden op een eerste baan.

7.2   Systematisch de situatie volgen van jonge mensen die noch aan de arbeidsmarkt deelnemen noch onderwijs of een opleiding volgen

7.2.1   Een ander gevolg van de huidige crisis is het groeiend aantal jongeren die geen werk hebben en ook geen opleiding of onderwijs genieten. Tot op heden is het echter erg moeilijk geweest om inzicht te krijgen in de ernst van deze situatie binnen de EU als geheel en de impact ervan op de geestelijke gezondheid en het welzijn van jongeren. Het Comité verwelkomt derhalve het voorstel om het toezicht hierop systematisch te gaan organiseren.

7.3   Met steun van het Progress-programma, een nieuw wederzijds leerprogramma voor Europese openbare diensten voor de arbeidsvoorziening (2010) invoeren

7.3.1   Het Comité staat achter deze actie en pleit ervoor dat de aandacht er vooral op gericht wordt om de bestaande activiteiten en middelen onder één noemer te brengen en om ervaringen uit te wisselen. Het is van essentieel belang dat er efficiënte, relevante openbare diensten voor de arbeidsvoorziening zijn. In sommige lidstaten worden deze echter verzorgd door particuliere instanties, die soms onvoldoende gereguleerd en gecontroleerd worden. Er dient stabiel, hooggekwalificeerd werk te worden geboden en de sociale rechten dienen te worden gerespecteerd. De bijdrage van de sociale partners op dit en op andere terreinen is van doorslaggevend belang.

7.4   De bilaterale en de regionale dialoog over beleidsmaatregelen inzake jeugdwerkgelegenheid met de strategische partners van de EU intensiveren

7.4.1   Het is een goede zaak dat de bilaterale en multilaterale samenwerking met organisaties zoals de OESO en de Unie voor het Middellandse Zeegebied, het oostelijk partnerschap, de westelijke Balkan en in de context van de EU-betrekkingen met Latijns Amerika, het Caribisch gebied en andere regio's in de wereld waarmee zou kunnen worden samengewerkt, geïntensiveerd worden. Dit is met name van belang wanneer het jonge mensen met een allochtone achtergrond betreft.

7.5   Aanmoedigen dat er meer ondersteuning komt voor jonge ondernemers via de nieuwe Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit

7.5.1   Het Comité is ingenomen met de microfinancieringsfaciliteit, een nieuwe manier om de ondernemersgeest te stimuleren en nieuwe banen te creëren in micro-ondernemingen. (6) Hoewel er geen plannen waren om het instrument verder te verspreiden als onderdeel van de nieuwe financiële vooruitzichten voor de periode na 2013, is het Comité toch van mening dat verdere verspreiding moet worden overwogen als het instrument werkelijk vruchten blijkt af te werpen.

7.5.2   De momenteel lopende gestructureerde dialoog met jongeren toont aan dat jongeren die besluiten een eigen bedrijfje te starten, ondersteuning nodig hebben op twee specifieke gebieden: i) het noodzakelijke startkapitaal, en ii) coaching, begeleiding en hulp bij praktische zaken.

7.6   Voorstellen dat alle jongeren werk krijgen, een vervolgopleiding volgen of dat er activeringsmaatregelen zijn binnen vier maanden na het verlaten van de school; dit moet als een „Jeugdgarantie” worden aangeboden

7.6.1   Het is een goed idee om een instrument te ontwikkelen op nationaal niveau dat jongeren kan helpen om de hindernissen te overwinnen die opduiken wanneer ze de overstap maken van onderwijs naar arbeidsmarkt. Er zijn enkele positieve ervaringen in lidstaten die hierbij als leidraad kunnen dienen. Op de lange termijn kan de voorgestelde „Jeugdgarantie” een cruciale bijdrage leveren aan het Europese sociale model en de Europa 2020-doelstellingen.

7.7   Een goede balans garanderen tussen rechten op uitkeringen en doelgerichte activeringsmaatregelen op basis van wederzijdse verplichtingen

7.7.1   Het Comité staat achter de maatregel inzake wederzijdse verplichtingen, met inbegrip van een activeringsbeleid voor jongeren die gemarginaliseerd dreigen te raken, modernisering van het socialezekerheidsstelsel, enz. Ook steunt het de versterking van de activerings- en motiveringsfuncties van de socialezekerheidsstelsels, teneinde te voorkomen dat jongeren te lang afhankelijk blijven van sociale uitkeringen.

7.8   In gesegmenteerde arbeidsmarkten een „enkel contract” voor onbepaalde tijd invoeren, met een voldoende lange proefperiode en een geleidelijke toename van rechten op bescherming

7.8.1   Het concept van het „enkel contract” voor onbepaalde tijd zou één van de maatregelen kunnen zijn die bijdragen tot de vermindering van de ongelijkheden tussen degenen die op de arbeidsmarkt komen, en diegenen die ervan uitgesloten blijven. Het Comité is zich bewust van de aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten ten aanzien van jonge mensen die de arbeidsmarkt betreden. In enkele van de meer rigide systemen komen jongeren überhaupt niet aan een baan; in andere zijn er meer aanbiedingen voor korte overeenkomsten, maar die zijn te flexibel en bieden geen volledige dekking door het socialezekerheidsstelsel. Het Comité benadrukt dat de goed te keuren maatregelen erop gericht moeten zijn om jongeren vaste contracten te bieden, waarbij discriminatie i.g.v. leeftijd, geslacht of andere aspecten voorkomen moet worden.

8.   Het volle potentieel van de EU-financieringsprogramma's benutten

8.1   De steun die het ESF aan jongeren kan geven beter onder de aandacht brengen en dit fonds ook beter benutten

8.1.1   Het is een goede zaak dat er in de mededeling wordt stilgestaan bij de rol van het Europees Sociaal Fonds (ESF). Wanneer er met de lidstaten wordt overlegd over de verdeling van de budgettaire middelen binnen de nieuwe financiële vooruitzichten, dient er met name oog te zijn voor de vraag of het budget voor de ESF-initiatieven wel voldoende is, met name als het gaat om initiatieven voor jongeren. Ook zou moeten worden nagegaan of de jongerendimensie in andere programma's kan worden verbeterd.

8.2   Ervoor zorgen dat het ESF jongeren zo snel mogelijk ondersteuning biedt en ertoe bijdraagt dat de Europa 2020-doelstellingen spoedig worden bereikt.

8.2.1   Volgens het Comité zou er geprobeerd moeten worden om de huidige mogelijkheden die het ESF biedt, beter te benutten, maar de eerdergenoemde doelstellingen zouden ook bij andere fondsen in aanmerking moeten worden genomen als horizontale prioriteiten.

8.3   Alle EU-programma's herzien die zich richten op de verbetering van de leer- en mobiliteitsmogelijkheden op dit gebied

8.3.1   Het Comité schaart zich achter het voorstel om openbare hoorzittingen te organiseren teneinde meer zicht te krijgen op de bijdrage van mobiliteit aan het leerproces. Het zal de activiteiten op dit gebied nauwgezet volgen en daarbij rekening houden met de nieuwe financiële perspectieven.

8.3.2   In de mededeling van de Commissie wordt niet verwezen naar de rol die de Europese opleidingsprogramma's vervullen bij de ondersteuning van actief burgerschap en de betrokkenheid van jonge mensen. Het is duidelijk dat kwaliteitsonderwijs en een solide arbeidsmarkt bijdragen tot de groei in Europa, maar een en ander zou moeten worden vergezeld van instrumenten ter bevordering van de maatschappelijke participatie van jongeren, zodat jonge mensen zich daadwerkelijk betrokken voelen bij en zelf verantwoordelijkheid nemen voor relevant beleid. Jongerenwerkers en jeugdorganisaties kunnen in dat opzicht een belangrijkere rol spelen. Ook moeten de mogelijkheden op het vlak van vrijwilligerswerk worden verruimd.

8.3.3   Het Comité denkt dat crisisbestrijdingsmaatregelen niet mogen betekenen dat steun voor het niet-formele onderwijs op een zijspoor wordt gezet, aangezien deze steeds belangrijker wordt en al een doorslaggevende factor vormt voor de toekomst en de ontwikkeling van jonge mensen.

8.4   Haalbaarheidsstudie om na te gaan of een studiefinancieringsfaciliteit op EU-niveau in het leven kan worden geroepen teneinde de grensoverschrijdende mobiliteit van studenten te vergroten.

8.4.1   Het Comité zal nauwgezet kijken naar de potentiële bijdrage van deze actie in het licht van de reeds beschikbare mogelijkheden en instrumenten. Uit verslagen m.b.t. evaluatie van de mobiliteitsprogramma's blijkt dat studiefinanciering het grootste struikelblok is bij het vergroten van de mobiliteit: om de mobiliteitsdoelstelling – 20 % in 2020 – goed te ondersteunen dient echter voorrang uit te gaan naar de toegankelijkheid en de omvang van beurzen. De te volgen procedure om in aanmerking te komen voor een studiebeurs, dient zorgvuldig te worden opgesteld en uitgelegd, om te voorkomen dat studenten uiteindelijk in een negatieve spiraal van schulden terechtkomen.

Brussel, 15 maart 2011

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  COM(2010) 477 definitief.

(2)  Dit begrip moet worden opgevat in de breedste zin van het woord: iedereen die werk geeft aan een ander, in welke sector dan ook (particulier, publiek of non-gouvernementeel).

(3)  EESC-adviezen over het „Innovatiebeleid in een veranderende wereld” (PB C 354 van 28.12.2010, blz. 80) en over „Investeren in kennis en innovatie (Lissabonstrategie)“ (PB C 256 van 27.10.2007, blz. 17).

(4)  EESC-advies over het „Groenboek – De leermobiliteit van jongeren bevorderen” (PB C 255 van 22.09.2010, blz. 81).

(5)  Volgens het Eurostat-verslag van januari 2011 bedroeg het werloosheidscijfer voor de gehele EU-27 9,6 %. De werkloosheid van jongeren (onder de 25 jaar) bedroeg 21 %. De landen met de hoogste jongerenwerkloosheid waren Spanje (43,6 %), Slowakije (36,6 %) en Litouwen (35,2 %).

(6)  EESC-advies over „Investeren in kennis en innovatie (Lissabonstrategie)” (PB C 256 van 27.10.2007, blz. 17-26).


Top