Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52009IP0316

Parlementaire immuniteit in Polen Resolutie van het Europees Parlement van 24 april 2009 over de parlementaire immuniteit in Polen (2008/2232(INI))

OJ C 184E , 8.7.2010, p. 72–74 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

8.7.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 184/72


Vrijdag, 24 april 2009
Parlementaire immuniteit in Polen

P6_TA(2009)0316

Resolutie van het Europees Parlement van 24 april 2009 over de parlementaire immuniteit in Polen (2008/2232(INI))

2010/C 184 E/15

Het Europees Parlement,

gelet op de artikelen 9 en 10 van het Protocol van 8 april 1965 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen,

gelet op artikel 12, lid 3, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden in het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

gelet op artikel 105 van de Grondwet van de Republiek Polen van 2 april 1997,

gelet op artikel 7 ter van de Poolse wet van 9 mei 1996 over de uitvoering van het mandaat van afgevaardigde of senator,

gelet op de artikelen 9 en 142 van de Poolse wet van 23 januari 2004 inzake de verkiezingen voor het Europees Parlement,

onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 juni 2005 over de wijziging van het besluit van 4 juni 2003 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (1),

gelet op de artikelen 6, 7 en 45 van zijn Reglement,

gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A6-0205/2009),

A.

overwegende dat tijdens de huidige zittingsperiode van het Europees Parlement, het Parlement en de Commissie juridische zaken, als bevoegde commissie, verzoeken om opheffing van de immuniteit van in Polen verkozen leden hebben behandeld en bepaalde problemen zijn tegengekomen bij de interpretatie van wettelijke bepalingen die van toepassing zouden kunnen zijn in het geval van de desbetreffende leden,

B.

overwegende dat de bevoegde commissie met name het verzoek heeft gekregen te beslissen over de ontvankelijkheid van verzoeken om opheffing van immuniteit die rechtstreeks door particulieren aan de Voorzitter van het Europees Parlement zijn gericht; overwegende dat naar Pools recht een particulier het recht heeft een rechtstreeks verzoek aan het Poolse parlement (Sejm of Senat) te richten om opheffing van de immuniteit van een van de leden van het parlement in het geval van strafbare feiten naar aanleiding waarvan vervolging op aanklacht van een particulier kan worden ingesteld, en overwegende dat de desbetreffende bepalingen van het Poolse recht niet duidelijk rekening lijken te houden met alle mogelijke scenario's in het geval van vervolging met betrekking tot strafbare feiten naar aanleiding waarvan vervolging op aanklacht van een particulier kan worden ingesteld,

C.

overwegende dat deze bepalingen ook van toepassing zijn op in Polen verkozen leden van het Europees Parlement, maar dat de ontvankelijkheid van dergelijke verzoeken ingewikkelde vraagstukken oproept met betrekking tot het Reglement, en met name artikel 6, lid 2, dat naar de „bevoegde autoriteit” verwijst,

D.

overwegende dat ingevolge artikel 7, lid 7, van het Reglement de bevoegde commissie bevoegd is de ontvankelijkheid van een verzoek om opheffing van immuniteit, waaronder begrepen de vraag of de nationale autoriteit bevoegd is om het desbetreffende verzoek in te dienen te onderzoeken; overwegende echter dat onder de bestaande bepalingen de duidelijke tegenstrijdigheid tussen de desbetreffende bepalingen van de Poolse wetgeving en het Reglement in deze, zou moeten worden opgelost door verzoeken om opheffing van immuniteit die door particulieren worden ingediend, niet-ontvankelijk te verklaren,

E.

overwegende dat artikel 6, lid 2, beoogt te waarborgen dat het Parlement alleen verzoeken ontvangt in het kader van procedures waaraan de autoriteiten van een lidstaat aandacht hebben besteed; overwegende dat deze bepaling voorts waarborgt dat verzoeken om opheffing van immuniteit die het Parlement ontvangt zowel inhoudelijk als procedureel aan de nationale wetgeving voldoen, hetgeen vervolgens weer extra zekerheid biedt dat het Parlement bij besluitvormingsprocedures inzake immuniteiten zowel het nationale recht van een lidstaat als de eigen voorrechten in acht neemt; overwegende dat het concept „autoriteit” duidelijk genoemd wordt in andere bepalingen van de artikelen 6 en 7 in het kader van immuniteitsprocedures,

F.

overwegende dat het onbevredigend zou zijn om verzoeken om opheffing van immuniteit die door particulieren zijn ingediend, niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien dit zou kunnen indruisen tegen hun rechten in gerechtelijke procedures en de aanklagers bij bepaalde strafbare feiten de mogelijkheid zou ontnemen een verzoek om opheffing van immuniteit in te dienen; overwegende dat men zou kunnen stellen dat dit aanleiding geeft tot een onrechtvaardige en ongelijke behandeling van verzoekers,

G.

overwegende echter dat het aan de lidstaten staat om te voorzien in een regeling voor het uitoefenen van dergelijke rechten met betrekking tot leden van het Europees Parlement, in het licht van de regels en procedures met betrekking tot de werking ervan,

H.

overwegende dat 25 lidstaten door middel van een schrijven op 29 september 2004 en 9 maart 2005 werden verzocht om ingevolge artikel 7, lid 12, aan te geven welke autoriteiten bevoegd zijn om een verzoek om opheffing van immuniteit van een lid in te dienen; overwegende dat tot dusverre alleen Oostenrijk, België, Tsjechië, Cyprus, Denemarken, Estland, Finland, Duitsland, Griekenland, Hongarije, Italië, Litouwen, Nederland, Portugal, Slovenië, Zweden en het Verenigd Koninkrijk hebben gereageerd,

I.

overwegende dat de bevoegde commissie in de debatten ook is ingegaan op de vraag wat de mogelijke gevolgen zijn van de opheffing van immuniteit in het geval van in Polen verkozen leden van het Europees Parlement,

J.

overwegende dat, indien het lid door de rechter schuldig wordt bevonden aan en veroordeeld voor een opzettelijk strafbaar feit dat door het openbaar ministerie wordt vervolgd, opheffing van de immuniteit ertoe zou kunnen leiden dat het lid automatisch zijn of haar passieve kiesrecht en als gevolg daarvan zijn of haar zetel in het Parlement verliest,

K.

overwegende dat dit automatisme er de facto op neerkomt dat een veroordeling gepaard gaat met een aanvullende strafsanctie,

L.

overwegende dat in de praktijk zelfs minder ernstige strafbare feiten zouden kunnen leiden tot verlies van het passief kiesrecht, ondanks het vereiste dat een strafbaar feit pas tot het verlies van het passief kiesrecht kan leiden als het door het openbaar ministerie wordt vervolgd en het een doleus delict betreft,

M.

overwegende dat soortgelijke bepalingen ontbreken met betrekking tot leden van de Sejm of de Senat van Polen, die in dergelijke gevallen hun passief kiesrecht niet verliezen,

N.

overwegende dat het lidstaten vrij staat te voorzien in een regeling voor het intrekken van het mandaat van een lid van het Europees Parlement waarbij, als gevolg daarvan, de zetel van het lid vrijkomt; overwegende dat het beginsel van gelijke behandeling, een van de grondbeginselen van het recht van de EU, echter vereist dat vergelijkbare situaties op vergelijkbare wijze behandeld worden en dat er, waar het het verlies van het passief kiesrecht betreft, een duidelijk verschil in behandeling is van de leden van de Poolse Sejm en Senaat aan de ene kant en in Polen verkozen leden van het Europees Parlement aan de andere kant; overwegende dat het verlies van het passief kiesrecht er direct en automatisch toe leidt dat het desbetreffende lid zijn of haar zetel moet opgeven en niet herkozen kan worden,

O.

overwegende dat deze ongelijke behandeling bij de Commissie onder de aandacht is gebracht door een mondelinge vraag die namens de Commissie juridische zaken is voorgelegd door de voorzitter van die commissie en in het Europees Parlement besproken is; overwegende dat, niettegenstaande het voorgaande, de wettelijke situatie onveranderd is gebleven,

P.

overwegende dat gelijke behandeling van leden van het nationale parlement en leden van het Europees Parlement zo snel mogelijk moet worden gewaarborgd, met name met het oog op de komende verkiezingen in 2009,

1.

moedigt de Commissie ertoe aan, naar de verschillen te kijken tussen de juridische situatie van in Polen verkozen leden van het Europees Parlement en die van leden van de Poolse Sejm en Senat, en zo spoedig mogelijk in contact te treden met de bevoegde autoriteiten in Polen teneinde te bezien hoe er een einde kan worden gemaakt aan de kennelijke discriminatie tussen de leden van de twee Parlementen met betrekking tot hun passieve kiesrecht;

2.

richt een afzonderlijk verzoek tot de Republiek Polen om de huidige situatie te herzien, waarin de voorwaarden met betrekking tot het passief kiesrecht en het intrekken van het mandaat van de leden van twee verschillende parlementen duidelijk verschillen, en stappen te ondernemen om een einde te maken aan deze discriminerende behandeling;

3.

verzoekt de Commissie een vergelijkend onderzoek uit te voeren met als doel vast te stellen of er verschillen bestaan tussen de behandeling van leden van nationale parlementen en leden van het Europees Parlement in de lidstaten die op of na 1 mei 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, en de resultaten van dat onderzoek aan het Parlement mede te delen;

4.

verzoekt de lidstaten de rechten te respecteren die voortvloeien uit het burgerschap van de EU, waaronder het actieve en passieve kiesrecht in het kader van de verkiezingen voor het Europees Parlement, hetgeen met name van belang is in de aanloop naar de verkiezingen van 2009, het beginsel van gelijke behandeling van personen in een vergelijkbare situatie daaronder begrepen;

5.

verzoekt de lidstaten, en met name de Republiek Polen, erop toe te zien dat er procedurele maatregelen worden genomen om te verzekeren dat verzoeken om opheffing van de immuniteit van leden van het Europees Parlement altijd door de „bevoegde autoriteit” worden overgebracht, in overeenstemming met artikel 6, lid 2, van het Reglement, teneinde te waarborgen dat wordt voldaan aan de bepalingen van het materiële en formele nationale recht, daaronder begrepen de procedurele rechten van particulieren, alsmede de voorrechten van het Parlement;

6.

nodigt de lidstaten uit om voor alle duidelijkheid aan het Parlement door te geven welke autoriteiten bevoegd zijn om verzoeken om opheffing van de immuniteit van een lid in te dienen;

7.

herhaalt de behoefte aan een uniform Statuut van de leden van het Europees Parlement en roept in dit verband in de herinnering dat de vertegenwoordigers van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, op 3 juni 2005 hebben toegezegd zich te buigen over het verzoek van het Europees Parlement om de desbetreffende bepalingen van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen van 1965 te herzien voor wat betreft het gedeelte met betrekking tot de leden van het Europees Parlement, teneinde zo spoedig mogelijk tot een akkoord te komen;

8.

verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, de Europese Ombudsman en de regeringen en parlementen van de lidstaten.


(1)  PB C 133 E van 8.6.2006, blz. 48.


Top