Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52009DC0329

Groenboek - De leermobiliteit van jongeren bevorderen

/* COM/2009/0329 def. */

52009DC0329




[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 8.7.2009

COM(2009) 329 definitief

GROENBOEK

De leermobiliteit van jongeren bevorderen

GROENBOEK

De leermobiliteit van jongeren bevorderen

INLEIDING

Het toenemende belang van leermobiliteit

Leermobiliteit, d.w.z. transnationale mobiliteit met als doel nieuwe vaardigheden te verwerven, is een van de belangrijkste instrumenten voor individuen, in het bijzonder jongeren, om hun toekomstige inzetbaarheid en persoonlijke ontwikkeling te versterken[1]. Studies bevestigen dat leermobiliteit het menselijk kapitaal verhoogt, want studenten verwerven nieuwe kennis en worden taalvaardiger en intercultureel bekwamer. Bovendien erkennen en waarderen de werkgevers deze voordelen[2]. Europeanen die als jonge lerende mobiel zijn, zullen dat waarschijnlijk in hun verdere leven als werknemer ook zijn. Leermobiliteit heeft er in belangrijke mate toe bijgedragen dat stelsels en instellingen van onderwijs en opleiding meer open, meer Europees en internationaal, meer toegankelijk en efficiënt zijn geworden[3]. Leermobiliteit kan tevens de concurrentiepositie van Europa versterken door bij te dragen aan een kennisintensieve samenleving, en zo aan het bereiken van de in de Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid vastgestelde doelstellingen.

De Commissie heeft in het kader van de huidige internationale economische crisis benadrukt dat investeringen in onderwijs en opleiding cruciaal zijn. Zij heeft ook benadrukt dat, hoewel het in dergelijke omstandigheden verleidelijk kan zijn de middelen weg te halen bij dergelijke activiteiten, investeringen in kennis en vaardigheden juist in tijden van economische moeilijkheden moeten worden gevrijwaard[4]. Daarom moet de mobiliteit van lerenden deel uitmaken van een hernieuwd elan om de vaardigheden en innovatiecapaciteit van Europa te versterken en op internationaal niveau te kunnen concurreren. Dat kan ook de immobiliteitsparadox helpen overwinnen op grond waarvan zelfs vandaag, tijdens een ernstige crisis, er vanwege een gebrek aan vaardigheden in bepaalde landen en sectoren openstaande vacatures zijn.

Leermobiliteit houdt nog andere voordelen in. De mobiliteit kan bijvoorbeeld de risico’s van isolationisme, protectionisme en xenofobie die in tijden van economische crisis opgang maken, helpen bestrijden. Zij kan bij jongeren een diepgaander besef van Europese identiteit en burgerschap helpen vormen. Zij steunt ook het vrij verkeer van kennis, essentieel voor de kennisgebaseerde toekomst van Europa.

Eerder dan de uitzondering te vormen, zoals momenteel het geval is, moet leermobiliteit een inherent kenmerk van de Europeanen en een opportuniteit voor alle jongeren in Europa zijn. Op die manier kan zij in belangrijke mate de toekomstige concurrentiepositie en samenhang van de Europese Unie veiligstellen.

Waarom een Groenboek?

Er is recentelijk uitgebreid van gedachten gewisseld over leermobiliteit en het potentieel ervan om een bijdrage te leveren aan de Europese strategieën voor leren en vaardigheden. De twintigste verjaardag van het Erasmusprogramma in 2007 heeft aanleiding gegeven tot vele debatten over de voordelen van mobiliteit in het hoger onderwijs en de noodzaak om mobiliteit naar andere gebieden uit te breiden. De Raad concludeerde dat mobiliteit, in het bijzonder in het hoger onderwijs, een prioriteit was[5]. Het Lissabonverslag van de Europese Commissie van december 2007 pleitte ervoor om mobiliteit van het Erasmustype standaard in universitaire studies op te nemen[6].

In januari 2008 heeft de Europese Commissie een forum van deskundigen op hoog niveau opgericht dat moest onderzoeken hoe mobiliteit kon worden uitgebreid, niet alleen in de universiteitssector, maar bij jongeren in het algemeen. Het forum heeft in juni 2008 zijn verslag gepresenteerd waarin werd gepleit om van leermobiliteit bij Europese jongeren de regel in plaats van de uitzondering te maken[7]. In juli 2008 werd in de “Vernieuwde sociale agenda: kansen, toegang en solidariteit in het Europa van de 21e eeuw”[8] bevestigd dat de Commissie verder zou werken aan de ontwikkeling van een “vijfde vrijheid” door de belemmeringen voor het vrije verkeer van kennis weg te nemen en de mobiliteit van specifieke groepen zoals jongeren te bevorderen. Ook werd vermeld dat er over dit laatste een Groenboek was gepland voor 2009.

In november 2008 concludeerde de Raad het volgende: “elke jongere moet de kans krijgen om aan een of andere vorm van mobiliteit deel te nemen, of dit nu tijdens de studie of de opleiding, in de vorm van een werkstage of in het kader van vrijwilligersactiviteiten is”. De Raad nodigde de lidstaten en de Europese Commissie in het bijzonder uit om het concept van mobiliteit voor alle jongeren, tijdens hun studies of opleiding, in de vorm van een werkstage of in het kader van vrijwilligersactiviteiten, verder uit te werken[9].

Ten slotte stelt het Leuven Communiqué, dat op 29 april 2009 door de ministers bevoegd voor het hoger onderwijs in de landen die aan het Bolognaproces deelnemen werd aangenomen, dat in 2020 minstens 20% van de afgestudeerden uit de Europese ruimte voor hoger onderwijs een studie of opleiding in het buitenland moeten hebben genoten[10].

In de mededeling van de Commissie over werkgelegenheid van juni 2009 wordt de bevordering van mobiliteit als een van de prioriteiten beschouwd om de huidige recessie te boven te komen en het scheppen van arbeidsplaatsen te bevorderen. In de tekst werd met name benadrukt dat mobiliteit een opportuniteit is voor jonge werklozen om hun vaardigheden te ontwikkelen[11].

Kortom, er werd door deskundigen en politici veel van gedachten gewisseld over de voordelen van leermobiliteit en over hoe leermobiliteit kan worden uitgebreid. Er bestaat een duidelijke consensus over de doelstelling om de mogelijkheden inzake mobiliteit uit te breiden en ze uitdrukkelijker aan jongeren aan te bieden. Nu moet er op deze consensus worden voortgebouwd en moeten strategieën worden bepaald om deze ambities waar te maken. Dit Groenboek heeft tot doel het debat te verbreden naar belanghebbenden en het publiek, om na te gaan wat volgens hen de beste manier is om de mogelijkheden voor jongeren om een ervaring met mobiliteit op te doen aanzienlijk te versterken.

Welke mobiliteit?

Het Groenboek heeft een brede reikwijdte en is toegespitst op de situatie van alle jongeren in de verschillende leeromgevingen, met name op school, tijdens universitaire studies op bachelor-, master- en doctoraatsniveau, en tijdens stages, in het kader van leerlingenstelsels, jongerenuitwisselingen, vrijwilligerswerk of beroepsopleidingen, in de Europese Unie en daarbuiten. Leermobiliteit wordt relevant beschouwd in alle vakgebieden en domeinen, zoals cultuur, wetenschap, technologie, kunst, sport en ook voor jonge ondernemers. Het streeft ernaar onderzoek te stimuleren naar hoe bestaande en nieuwe mechanismen en instrumenten beter kunnen worden aangewend om de mobiliteit van jongeren te bevorderen en hoe de verschillende niveaus van publieke autoriteiten – Europees, nationaal, regionaal en lokaal – samen met de andere belanghebbenden – de bedrijfswereld, het maatschappelijk middenveld, particulieren – kunnen worden gemobiliseerd.

Dit Groenboek bevat met name de volgende elementen:

- het streeft naar meer georganiseerde leermobiliteit. Dit betekent dat mobiliteit aan specifieke leerresultaten moet worden gekoppeld en moet leiden tot het behalen van kwalificaties, studiepunten en/of beroepservaring. Het kan hier tevens gaan om vrijwilligerswerk en niet-formele leerervaringen – beide kunnen zeer doeltreffend jongeren bereiken die anders het risico lopen buiten de programma's voor leermobiliteit te vallen – op voorwaarde dat de activiteiten passend worden gevalideerd. Naast de aandacht voor mobiliteit in het kader van de Europese programma's, behandelt het Groenboek ook andere door de lidstaten ondersteunde vormen van leermobiliteit, en particuliere initiatieven;

- het behandelt overeenkomstig de wensen van de Raad in haar conclusies van november 2008 in de eerste plaats de mobiliteit tussen de landen die momenteel aan de EU-programma's deelnemen, maar streeft terzelfder tijd naar uitwisselingen met de rest van de wereld. De nadruk ligt op transnationale mobiliteit op basis van het gegeven dat een verblijf in een ander land doorgaans uitdagender en verrijkender is en een passend onderwerp vormt voor een EU-raadpleging van deze aard;

- het bevordert niet alleen de grensoverschrijdende mobiliteit “tussen gelijken”, binnen dezelfde sector (scholen, universiteiten, bedrijven enz.). Het behandelt ook sectoroverschrijdende bewegingen: van de onderwijswereld naar de bedrijfswereld en vice versa, van het onderwijs naar vrijwilligerswerk, van de beroepsopleidingen naar de academische wereld, van publieke onderzoeksinstellingen naar de bedrijfswereld;

- het spitst zich toe op fysieke mobiliteit , maar erkent ook de waarde van virtuele mobiliteit – het gebruik van ICT voor twinning en uitwisseling tussen jongeren in leeromgevingen – zowel als een middel om fysieke mobiliteitsbewegingen voor te bereiden, te verrijken en op te volgen, als een activiteit die op zijn minst enkele van de voordelen van fysieke mobiliteit integreert. Virtuele mobiliteit, die bijvoorbeeld via Comenius eTwinning of via sociaal netwerken wordt ondersteund, kan in het bijzonder waardevol zijn om schoolgaande kinderen nieuwe contacten te laten leggen en kennis te laten maken met nieuwe culturen;

- het is toegespitst op de mobiliteit van jongeren , wat niet betekent dat leermobiliteit niet voor alle leeftijdsgroepen belangrijk is. In het kader van een leven lang leren worden er geen precieze leeftijdsbeperkingen vastgesteld, maar de 16- tot 35-jarigen vormen de grootste doelgroep.

De huidige stand van zaken

De EU heeft al veel ervaring met het ondersteunen van leermobiliteit via verschillende programma’s en initiatieven, en in het bijzonder via het programma Een Leven Lang Leren 2007-2013, die een breed scala aan gebieden behandelen[12]. Ook de Structuurfondsen ondersteunen leermobiliteit. Mobiliteit en uitwisselingen van personeel en studenten tussen universiteiten binnen en buiten Europa worden door de programma’s Erasmus Mundus en Tempus ondersteund.

De Europese Commissie heeft bovendien een aantal instrumenten helpen ontwikkelen om mobiliteit te vergemakkelijken, zoals de Europass, het Europees systeem voor het verzamelen en overdragen van studiepunten (ECTS, voor het hoger onderwijs), het diplomasupplement, een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren, een Europees systeem van studiepuntenoverdracht voor beroepsonderwijs en -opleiding (ECVET), de Jongerenpas, EURAXESS, de richtlijn “studentenvisa”[13] en het pakket “wetenschappelijk visum"[14].

Bij elkaar genomen richten de huidige mobiliteitprogramma's, instrumenten en initiatieven zich tot de verschillende lagen van de Europese jongeren. Mobiliteit blijft echter eerder de uitzondering dan de regel en is meer toegankelijk voor bepaalde groepen, bijvoorbeeld studenten, dan voor andere, bijvoorbeeld leerlingen in leerlingenstelsels en beroepsopleidingen, die nog steeds op vele praktische hindernissen stuiten. In 2006 hebben ongeveer 310 000 jongeren een ervaring met mobiliteit kunnen opdoen in het kader van de Europese programma’s, oftewel slechts 0,3% van de 16- tot 29-jarigen in de EU. Er is duidelijk nog veel te doen op dit gebied.

Structuur

Dit Groenboek bestaat uit drie delen. Het eerste deel behandelt aspecten betreffende de voorbereiding van een mobiliteitsperiode, met name informatie, motivatie, taalkundige voorbereiding, enz. Het tweede deel behandelt de werkelijke in het buitenland verbleven periode (waaronder huisvesting en mentoringaspecten) en onderzoekt de follow-up van een mobiliteitsperiode, zoals validatie en erkenning van de ervaring. Het derde deel doet voorstellen voor een nieuw partnerschap inzake mobiliteit van jongeren.

1. EEN PERIODE VAN LEERMOBILITEIT VOORBEREIDEN

Een zorgvuldige voorbereiding is de sleutel tot succesvolle leermobiliteit en moet centraal staan in elk project of programma. Wanneer jongeren de mogelijkheden inzake mobiliteit bestuderen, moeten ze beschikken over informatie over de opties, de financiering en de begeleiding met betrekking tot hun keuze en over praktische kwesties.

1.1 Informatie en begeleiding

Aan de hand van het internet en andere elektronische vormen van informatie en communicatie kunnen jongeren een verblijf in het buitenland voorbereiden, de taal leren, zich vertrouwd maken met het gastland en zijn cultuur en met hun toekomstige gastinstelling, rechtstreekse contacten leggen, enz. Er is een zee aan informatie en advies beschikbaar over mobiliteitgerelateerde kwesties, die in drie groepen kunnen worden ingedeeld:

- financieringsmogelijkheden : de mobiliteitsondersteunende programma’s van de EU, waarvan vele onder de koepel van het programma Een Leven Lang Leren of het programma Jeugd in Actie ressorteren, werden reeds opgesomd. De initiatieven van de Commissie worden aangevuld door talrijke nationale en regionale initiatieven, waaronder programma’s van bedrijven, stichtingen, enz.

- leermogelijkheden voor jongeren (onderwijs- en opleidingsprogramma's) : de Commissie heeft verschillende informatieportalen ontwikkeld, zoals PLOTEUS, het portaal voor leermogelijkheden in de Europese ruimte[15], het jongerenportaal[16], Study in Europe[17], Euraxess – Onderzoekers in beweging[18], de Marie Curie-website voor alle Marie Curie-acties[19], Uw Europa[20], Euroguidance[21], EURES[22] en Eurodesk[23], Erasmus voor jonge ondernemers[24] en ondersteuning voor opleiding en mobiliteit voor kmo’s[25].

- praktische begeleiding inzake huisvesting, financiering, levensonderhoud, en juridische aspecten zoals visumvoorschriften, werkvergunningen, verzekering, enz.

Deze informatiebronnen richten zich niet alleen op individuen maar ook op instellingen en verenigingen die jongerenmobiliteit hebben opgenomen in hun opleiding, studieprogramma, vrijwilligersproject, enz.

Hoewel er momenteel nuttige informatie-initiatieven worden genomen, zijn de bestaande instrumenten en programma’s duidelijk nog steeds onvoldoende bekend en is er geen besef van de mogelijkheden en ondersteuning voor jongerenmobiliteit in haar geheel. Informatie moet beter bijgewerkt worden en toegankelijker zijn. Dit werd steeds opnieuw benadrukt, in november 2008 nog door de Raad. Jongeren zijn vaak niet op de hoogte van de bestaande mogelijkheden. Dit geldt voor studenten uit het hoger onderwijs en voor onderzoekers, maar des te meer voor scholieren, leerlingen uit het beroepsonderwijs en beroepsopleidingen, vrijwilligers, leerlingen in leerlingenstelsels, enz.

Beproefde methode: Study in Germany De website study-in-germany.de is een “one stop shop” die in acht talen informatie biedt over studiemogelijkheden en -beurzen in Duitsland, en nuttige informatie verstrekt over algemene levensomstandigheden zoals huisvesting, voeding en sport. www.study-in-germany.de Euronaver Euronaver.net is een Europees netwerk ter versterking van de transnationale mobiliteit in het beroepsonderwijs en tijdens beroepsopleidingen. Het biedt toegang tot een Europees expertiseplatform en de uitwisseling van beproefde methoden op het gebied van mobiliteit. Het richt zich tot de specifieke behoeften van leerlingenstelsels en initieel beroepsonderwijs en initiële beroepsopleidingen binnen ambachtelijke en kleine en middelgrote ondernemingen. Het richt zich voornamelijk op bedrijfsorganisaties, aanbieders van beroepsonderwijs en –opleiding, tussenpersonen, en bedrijven. www.euronaver.net |

Hoe kan de beschikbaarheid van informatie en begeleiding met betrekking tot mobiliteit worden vergroot?

Geef voorbeelden van beproefde methoden , zoals passende instrumenten en manieren om deze informatie ter beschikking te stellen.

1.2 Bevordering en motivering

Vele besluitvormers zijn het erover eens dat leermobiliteit goed is voor jongeren. De jongeren zelf zijn zich evenwel niet voldoende bewust van de voordelen van leermobiliteit.

Een aantal factoren kunnen vele jongeren ervan weerhouden om een verblijf in het buitenland zelfs ook maar te overwegen: de tijdsdruk om hun studies of opleiding af te maken, hun werk, een gebrek aan financiering, taalvaardigheid en interculturele kennis, en een algemene tegenzin om het ouderlijk huis te verlaten. Jongeren zullen meer openstaan voor mobiliteit als hun de voordelen van leermobiliteit beter worden uitgelegd. Leraars, opleiders, jongerenwerkers en managers in het bijzonder hebben een sleutelrol in het aanmoedigen en het bevorderen van mobiliteit, en in het geven van het goede voorbeeld door de toegevoegde waarde van leermobiliteit in hun activiteiten te erkennen. Een andere kwestie is hoe de motivatie te vergroten van degenen die deelnemers aan mobiliteit, waaronder jonge ondernemers en leerlingen, opnemen.

Jongeren moeten ook vertrouwen hebben in een positief resultaat van hun periode van mobiliteit. Een cruciaal aspect is de erkenning die ze voor hun verblijf in het buitenland kunnen verwachten. Worden de studiepunten formeel erkend via de systemen ECTS, ECVET of een vergelijkbaar systeem? Worden de nieuw verworven vaardigheden op adequate wijze opgetekend, bijvoorbeeld in het diplomasupplement, de Europass of de Jongerenpas? Evaluaties tonen aan dat studenten na een periode van leermobiliteit ondanks langlopende afspraken al te vaak moeilijkheden ondervinden om de verwachte erkenning te krijgen. Dit is nadelig voor de rechtstreeks betrokkenen en tempert ongetwijfeld het enthousiasme voor leermobiliteit in het algemeen. De erkenningskwesties worden in deel 2.2 besproken.

Europese netwerken van regio’s, bedrijven, instellingen, Europese beroeps- en studentenverenigingen en andere relevante netwerken kunnen worden aangemoedigd om jongerenmobiliteit te gaan stimuleren en om de rol van de lokale en regionale autoriteiten bij de bevordering en ondersteuning van mobiliteit te versterken. Jongeren moeten worden geïnformeerd over de voordelen die zij kunnen halen uit een ervaring met mobiliteit, op het gebied van persoonlijke ontwikkeling, inzetbaarheid, interculturele competenties en taalvaardigheid. De inspanningen om jongeren te motiveren moeten worden toegesneden op de verschillende groepen, van scholieren tot jonge ondernemers, die worden geconfronteerd met sterk verschillende voordelen en uitdagingen.

Hoe jongeren beter stimuleren en motiveren om voor mobiliteit te kiezen? Op welke manier kan hier een maximaal effect worden gegarandeerd? Geef concrete voorbeelden van beproefde methoden hieromtrent.

Wat zijn volgens u de belangrijkste hindernissen die jongeren ervan weerhouden om voor mobiliteit te kiezen?

1.3 Taal en cultuur

Kennis van vreemde talen en interculturele vaardigheden zijn enkele belangrijke competenties die door leermobiliteit worden verworven. Het wonen, studeren en werken in een vreemd land maakt een volledige onderdompeling in een vreemde taal en cultuur mogelijk. De kennis van vreemde talen en interculturele competenties verbreden iemands beroepsmogelijkheden, zorgen voor een opwaardering van de vaardigheden van de Europese arbeidskrachten en zijn essentiële elementen van de ware Europese identiteit. Een basisinstrument is de in 2002 door de Europese Raad bepaalde doelstelling van Barcelona, op basis waarvan kinderen vanaf zeer jonge leeftijd minstens twee vreemde talen aangeleerd moeten krijgen. De vorderingen in de richting van dat doel en het verband tussen taalvaardigheid en leermobiliteit werden in de strategische mededeling inzake meertaligheid van 2008[26] onderzocht.

Het toegenomen taalonderwijs heeft mobiliteit die anders onmogelijk zou zijn, vergemakkelijkt. Het gaat echter om een ongelijke vooruitgang en voor bepaalde groepen jongeren is taal nog steeds een grote hindernis, bijvoorbeeld in het beroepsonderwijs en de beroepsopleidingen. De taaldiversiteit van Europa is bovendien een belangrijk aspect van de rijkdom ervan, en het is belangrijk om ervoor te zorgen dat landen met minder gesproken talen ook als mogelijke bestemmingen van mobiliteit worden gepromoot.

Beproefde methode: Glossomuseums Glossomuseums draagt bij tot de bevordering van taalonderwijs en taaldiversiteit in Europa. Het is een interactief partnerschap van 12 organisaties uit Griekenland, Duitsland, Denemarken, Spanje, Frankrijk, Italië en Portugal. Het project heeft voornamelijk tot doel de scholieren vertrouwd te maken met de culturele kenmerken van een aantal van de officiële EU-talen – in het bijzonder de minder gebruikte en aangeleerde – en hen tevens te motiveren een tweede taal te leren. Het programma moedigt tevens een leven lang talen leren en de ontdekking van het collectief Europees cultureel erfgoed aan. www.ecose.org |

Hoe kunnen de taalkundige en culturele belemmeringen voor mobiliteit het best worden aangepakt?

Geef voorbeelden van beproefde methoden.

1.4 Juridische aspecten

Een belangrijk aspect tijdens de voorbereidende fase betreft de rechtspositie van jongeren die aan mobiliteit deelnemen, in het gastland. De uitbreiding van de EU heeft het geografisch gebied voor jongerenmobiliteit aanzienlijk vergroot. Op het vlak van administratie en wetgeving bestaan er echter nog vele hindernissen. Hoewel de rechtspositie van iemand die in het buitenland studeert of een werkstage loopt doorgaans vrij duidelijk is, is dit niet altijd zo voor jongeren die aan mobiliteit deelnemen maar niet precies onder een van de bovenvermelde categorieën vallen (bijvoorbeeld jonge professionals zoals kunstenaars, ontwerpers, ondernemers, die aan leermobiliteit deelnemen).

De wettelijke voorschriften in sommige landen kunnen mobiliteit in de weg staan, in het bijzonder op de middelbare school en in het beroepsonderwijs en de beroepsopleidingen. Het is wellicht nuttig een veilig kader te scheppen voor de mobiliteit van minderjarigen. Een Europees statuut voor stagiairs zou een hulpmiddel zijn om de specifieke moeilijkheden uit de weg te ruimen rond werkstages in het buitenland vanwege de zeer verschillende voorschriften die voor dit soort activiteit gelden, bijvoorbeeld met betrekking tot beloning of arbeidsovereenkomst. In de universiteitssector geldt een specifiek probleem voor promovendi/jonge onderzoekers wier status kan variëren tussen student/bursaal en werknemer. Gebrek aan duidelijkheid over hun rechtspositie heeft gevolgen voor hun aanspraken op sociale zekerheid en kan hen ontmoedigen om voor mobiliteit te kiezen[27].

Wat zijn de grootste juridische belemmeringen voor mobiliteit die u heeft ondervonden? Geef concrete voorbeelden.

Geef indien mogelijk voorbeelden van beproefde methoden om juridische belemmeringen voor mobiliteit te boven te komen.

1.5 De meeneembaarheid van beurzen en leningen

Een verblijf in het buitenland moet ook financieel worden voorbereid. Naast beurzen kunnen sociale uitkeringen en leningen van het thuisland een belangrijke bron zijn. Deze en andere directe en indirecte financiering is echter vaak, in sommige gevallen in strijd met het Gemeenschapsrecht, niet meeneembaar, wat jongeren ontmoedigt om naar het buitenland te gaan. Op het gebied van hoger onderwijs laten bijvoorbeeld zeer weinig landen volledige meeneembaarheid van beurzen en leningen toe, en vier lidstaten laten die helemaal niet toe[28].

Het Europees Hof van Justitie heeft in een uitspraak van 1990 gesteld dat de kinderen van migrerende werknemers die in een andere lidstaat dan hun gastland gaan studeren, recht hebben op de voordelen die zij in hun gastland zouden genieten[29]. In een arrest van 2007[30] heeft het Hof deze rechtspraak uitgebreid tot andere families dan die van migrerende werknemers. Het heeft namelijk gesteld dat, indien een lidstaat zijn onderdanen onderwijs- en opleidingssteun biedt en de onderdanen dit onderwijs of deze opleiding in een andere lidstaat willen volgen, de oorspronkelijke lidstaat niet kan eisen dat de in het buitenland gevolgde opleiding de voortzetting is van die van de eerste lidstaat. De Commissie zal blijven optreden tegen lidstaten die de Gemeenschapswetgeving op dit gebied schenden.

Info: Gevoegde zaken C-11/06 Rhiannon Morgan v Bezirksregierung Köln en C-12/06 Iris Bucher v Landrat des Kreises Düren, arrest van 23 oktober 2007 Het Europees Hof van Justitie stelde dat, hoewel de inhoud van het onderwijs en de opzet van de respectieve onderwijssystemen tot de bevoegdheid van de lidstaten behoren, deze bevoegdheid niettemin moet worden uitgeoefend met eerbiediging van het Gemeenschapsrecht, in het bijzonder in overeenstemming met het in artikel 18 van het EG-Verdrag neergelegde recht van vrij verkeer voor burgers van de Unie. Wanneer een lidstaat derhalve een stelsel van studietoelagen hanteert waarbij studenten voor een dergelijke toelage in aanmerking komen indien zij in een andere lidstaat studeren, dient hij ervoor te zorgen dat de modaliteiten voor de toekenning van die toelage geen ongerechtvaardigde beperking van het recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven in het leven roepen. |

Hoewel de lidstaten doorgaans van de Europese regelgeving op dit gebied op de hoogte zijn en schendingen eerder uitzondering dan regel zijn, is de Commissie overtuigd van het nut om aan publieke autoriteiten en belanghebbenden in de lidstaten een leidraad ter beschikking te stellen, met daarin de belangrijkste gevolgen van de tot dusver door het Hof vastgestelde rechtspraak. Deze leidraad zou kwesties kunnen behandelen zoals de toegang tot onderwijsinstellingen, de erkenning van diploma’s, de meeneembaarheid van beurzen en andere rechten van studenten in het gastland of het land van oorsprong.

Wat voor belemmeringen heeft u ondervonden met betrekking tot de meeneembaarheid van beurzen en leningen en de toegang tot uitkeringen? Geef concrete voorbeelden.

1.6 Mobiliteit van en naar de Europese Unie

De mobiliteit van jonge Europeanen bevorderen en jongeren van derde landen naar Europa halen, zijn belangrijke elementen van de toekomstige Europese concurrentiekracht. Visumproblemen vormden in de eerste fase van het programma Erasmus Mundus een grote belemmering voor de vlotte mobiliteit van studenten naar de EU[31]. Krachtens Richtlijn 2004/114/EG (de “studentenrichtlijn”)[32] moeten de EU-lidstaten de toelatingsprocedure voor studenten, waaronder de tijdige afgifte van de nodige visa, vereenvoudigen. Ook is voorzien in de mogelijkheid voor studenten van derde landen om in meerdere EU-lidstaten te studeren. De richtlijn is door bijna alle EU-landen in nationale wetgeving omgezet en studenten van derde landen kunnen zich op de bepalingen ervan beroepen wanneer zij ernstige vertragingen ondervinden bij de afgifte van hun visum of verblijfsvergunning.

Specifieke hindernissen – vooral visumproblemen – worden ook door andere groepen ondervonden wanneer zij kiezen voor extra-EU-mobiliteit, bijvoorbeeld deelnemers aan vrijwilligersprogramma's van de EU, scholierenuitwisselingen of onbezoldigde opleidingen. De EU-lidstaten hebben dan ook de mogelijkheid om de studentenrichtlijn 2004/114/EG ook op deze groepen toe te passen. De Commissie zal de toepassing van deze richtlijn in de lidstaten in de loop van 2010 beoordelen en hierover rapporteren.

Richtlijn 2005/71/EG[33] van de Raad voorziet in een specifieke verblijfsvergunning voor buitenlandse onderzoekers, ongeacht hun contractueel statuut (werknemer, zelfstandige, bursaal). Op basis van een eenvoudig contract (“gastovereenkomst”) met een erkende publieke of private Europese onderzoeksorganisatie dat de wetenschappelijke vaardigheden, financiële middelen en ziektekostenverzekering van de onderzoeker vaststelt, wordt spoedig een verblijfsvergunning afgegeven. Deze regeling heeft talrijke voordelen, zoals de vrijstelling van een werkvergunning, een eenvoudigere gezinshereniging, snellere toelatingsprocedures, en een vlottere intra-EU-mobiliteit[34].

Beproefde methode: Versnelde visumprocedure voor AIESEC-stagiairs in Denemarken De Deense afdeling van de studentenvereniging AIESEC is met de Deense minister van Buitenlandse zaken een versnelde visumprocedure overeengekomen voor AIESEC-leden van niet-EU-landen die voor een opleiding naar Denemarken komen. De procedure voor visumaanvragen voor AIESEC-leden is hierdoor versneld van 2-3 maanden naar 3-4 weken. http://www.aiesec.org |

Wat kan nog meer worden gedaan om de mobiliteit van en naar de Europese Unie te bevorderen? Hoe moet dit gebeuren?

Geef voorbeelden van beproefde methoden.

1.7 Voorbereiding van de periode van mobiliteit en kwaliteitsborging

Mobiliteit werkt duidelijk het best bij jongeren en zij zullen het makkelijkst van de waarde van mobiliteit te overtuigen zijn indien er een grondige voorbereiding aan voorafgaat en de ervaring in het algemeen goed beheerd wordt. De organisatoren van leermobiliteit moeten de deelnemers aan de hand van de passende mechanismen selecteren. Dit moet eerlijk en transparant gebeuren. De thuis- en gastinstellingen moeten samenwerken bij het bij elkaar brengen van deelnemers en gastinstellingen. In dit stadium moeten deelnemers grondig worden voorbereid, zoals op het vlak van taalvaardigheid en culturele kennis. Een verblijf in het buitenland in het kader van mobiliteit moet zoveel mogelijk aansluiten op het eigen leertraject, de vaardigheden en motivatie van de deelnemer en moet deze verder ontwikkelen of aanvullen. Het Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit kan hierbij een hulp zijn. Het bevat namelijk een lijst met algemene beginselen waarmee rekening moet worden gehouden (zie infokader hieronder). Voor onder andere de volgende specifieke sectoren werden andere handvesten ontwikkeld: beroepsopleiding (Leonardo da Vinci Mobility Quality Commitment), onderzoek (Europees handvest voor onderzoekers en de gedragscode[35]), hoger onderwijs (Erasmus-studentenhandvest[36]), vrijwilligerswerk (Handvest van het Europees vrijwilligerswerk[37]) en ondernemingen (verbintenis in het kader van Erasmus voor jonge ondernemers[38]). Algemeen moet er een duidelijke kwaliteitsverbintenis zijn van zowel de thuis- als de gastinstelling/organisatie.

Het strekt ook tot aanbeveling om, rekening houdende met het niveau van kennis en vaardigheden en de taalkundige voorbereiding van de deelnemer, een leer- of opleidingsovereenkomst op te stellen en deze door de thuis- en gastorganisaties en door de deelnemer te laten onderschrijven. De overeenkomst bevat een omschrijving van de doelstellingen en de verwachte leerresultaten, en van de manier waarop deze kunnen worden gehaald, toegepast en erkend.

Info: Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit De aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 2006 over transnationale mobiliteit in het onderwijs en de beroepsopleiding in de Europese Gemeenschap bevat een bondige omschrijving van de problemen rond dit soort mobiliteit. Het Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit, dat deel uitmaakt van de aanbeveling, bevat een controlelijst met de belangrijkste zaken waarmee rekening moet worden gehouden bij het organiseren van leermobiliteit, en kan worden aangepast aan verschillende contexten, van scholen tot leerlingenstelsels, enz. Het behandelt in het bijzonder de noodzaak van een “leerplan” waarmee alle partijen akkoord moeten gaan (thuisinstelling, gastinstelling, betrokken persoon). http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/site/en/oj/2006/l_394/l_39420061230en00050009.pdf |

Beproefde methode: Ap n’ go Ap n’ go is een platform waar leerlingen zich kunnen opgeven voor een plaatsing in het buitenland, en waar bedrijven die interesse hebben voor het opnemen van jongeren die aan een plaatsing deelnemen, hun eisen kenbaar kunnen maken. De website vergemakkelijkt het in contact brengen van de twee. De website verstrekt bovendien praktisch advies en informatie voor leerlingen en bedrijven en online-instrumenten in verschillende talen, en maakt het mogelijk ervaringen en beproefde methoden van leerlingen en bedrijven te delen. www.ap-and-go.eu |

Hoe kan de hoge kwaliteit van de periode van mobiliteit worden gegarandeerd?

Geef voorbeelden van beproefde methoden.

1.8 Kansarme groepen bereiken

Groepen die vaak niet kunnen kiezen voor mobiliteit, verdienen extra aandacht. De argumenten ten voordele van leermobiliteit – omgaan met globalisering, concurrentie verhogen en sociale samenhang versterken – gelden nog meer voor kansarme groepen aangezien zij het meest kwetsbaar zijn. Maatregelen ter bevordering van mobiliteit moeten in het bijzonder trachten die groepen te bereiken die al specifieke moeilijkheden ondervinden, zoals economisch of sociaal achtergestelde groepen, mensen met specifieke behoeften, en sociaal zwakke migrantengemeenschappen. De programma’s Een Leven Lang Leren, Jeugd in Actie en Erasmus Mundus bieden specifieke ondersteuning voor mensen met specifieke behoeften. Deze praktijk zou kunnen worden uitgebreid tot andere programma's en mobiliteitsacties want persoonlijkheidsontwikkeling, een positief aspect van leermobiliteit, is voor deze groepen in het bijzonder belangrijk.

Beproefde methode: Spread the sign

Gebarentaal is een absoluut noodzakelijk communicatiemiddel voor doven of slechthorenden. Gebarentaal is echter in tegenstelling tot wat meestal wordt gedacht geen universele taal en het is voor dove leerlingen steeds moeilijk geweest om in het buitenland te gaan studeren. “Spread the sign”, een woordenboek voor gebarentaal op het web, geeft voor het eerst visuele ondersteuning aan personen die willen weten hoe bepaalde termen in andere gebarentalen uit te drukken. Het werd ontwikkeld om personen die tijdens een beroepsopleiding voor een stage naar het buitenland trekken, te ondersteunen. Momenteel is de gebarentaal van 11 landen beschikbaar.

www.spreadthesign.com

Wat zijn de grootste moeilijkheden die kansarme groepen met betrekking tot leermobiliteit ondervinden?

Geef voorbeelden van beproefde methoden van hoe dergelijke moeilijkheden overwonnen kunnen worden.

2. HET VERBLIJF IN HET BUITENLAND EN DE FOLLOW-UP

Meer jongeren naar het buitenland sturen is slechts één zijde van de medaille. Er moeten ook regelingen worden getroffen om hen op gepaste wijze op te nemen. Het gebrek aan betaalbare huisvesting, vooral in de grote steden, en van opvangfaciliteiten (adviesbureaus, kantines, gezondheidszorg, enz.) blijft een probleem, en kan nog groter worden als de verwachte sterke stijging in de mobiliteitscijfers werkelijkheid wordt.

2.1 Mentorschap en integratie

De gastorganisatie (onderwijsinstelling, jongerenorganisatie, onderneming, enz.) moet onder meer voorzien in regelingen voor mentoren om deelnemers te adviseren en te helpen bij een doeltreffende integratie in de nieuwe omgeving, en als contactpunt voor permanente ondersteuning te fungeren.

Geef zo mogelijk concrete voorbeelden van beproefde methoden hiervan.

2.2 Erkenning en validatie

Het is essentieel om periodes van leermobiliteit op passende wijze te registreren, erkennen en valideren. Het Bolognaproces (voor hoger onderwijs), het proces van Kopenhagen (voor beroepsonderwijs en –opleiding) en de Europese onderzoekruimte hebben de transparantie helpen vergroten en de erkenning van kwalificaties en studiepunten, die een nationale bevoegdheid blijft, voor onderwijskundige doeleinden vereenvoudigd. Momenteel bestaan de volgende Europese instrumenten:

- het Europees systeem voor het verzamelen en overdragen van studiepunten ECTS (voor hoger onderwijs);

- het Europees systeem van studiepuntenoverdracht voor beroepsonderwijs en -opleiding (ECVET, goedgekeurd in 2009);

- het Europees kwalificatiekader (EQF);

- één enkel communautair kader voor transparantie op het gebied van kwalificaties en competenties, Europass (Beschikking nr. 2241/2004/EG). Dit omvat de Europass-mobility, een verslag van mobiliteitservaringen, het diplomasupplement voor hoger onderwijs (gezamenlijk ontwikkeld door UNESCO-CEPES, de Raad van Europa en de Europese Commissie), en het certificaatsupplement voor beroepsopleiding;

- het Jongerenpas-certificaat voor jongerenuitwisselingen en vrijwilligerswerk;

- het Europees handvest voor kwaliteit bij mobiliteit.

Voor hoger onderwijs is er ook de Overeenkomst inzake de erkenning van kwalificaties van instellingen van hoger onderwijs in de Europese regio (Erkenningsovereenkomst van Lissabon), die in 1997 door de Raad van Europa en UNESCO is ontwikkeld.

De nationale autoriteiten zijn verantwoordelijk voor de goede uitvoering van de meeste van deze instrumenten. De vooruitgang op het vlak van erkenning zou worden versneld als de bestaande instrumenten werden gebruikt om op regionaal en sectoraal niveau erkenningsovereenkomsten tot stand te brengen. Door de huidige gerichtheid van onderwijsgevenden en opleiders op leerresultaten[39] en door het ontstaan van kwalificatiekaders zullen scholen, universiteiten, bedrijven, jongerenorganisaties, enz. gemakkelijker overeenkomsten kunnen opstellen over de erkenning van ervaringen in mobiliteit. Het hoger onderwijs staat het verst in het garanderen van de erkenning, maar ook daar zijn er nog problemen.

Een goede follow-up van mobiliteit gaat echter verder dan de formele erkenning. Niet alleen de opgedane formele kennis moet correct worden geregistreerd, in bijvoorbeeld de Europass-mobility, de Jongerenpas of het diplomasupplement, maar in de geest van een leven lang leren moet ook niet-formeel en informeel leren worden gevalideerd[40].

Info: Europees systeem voor het verzamelen en overdragen van studiepunten ECTS ECTS is een systeem op basis waarvan leerlingen studiepunten kunnen verzamelen voor het in het hoger onderwijs bereikte leren. ECTS is een systeem waarin de lerende centraal staat en dat de transparantie van leerresultaten en leerprocessen wil verhogen. Het systeem heeft tot doel de planning, aflevering, beoordeling, erkenning en validatie van kwalificaties en leereenheden, en studentenmobiliteit, te vereenvoudigen. ECTS is zeer gangbaar in formeel hoger onderwijs en kan ook op andere activiteiten in het kader van een leven lang leren worden toegepast. Het werd oorspronkelijk ontwikkeld in het kader van het Erasmusprogramma en is een van de centrale instrumenten geworden van de Europese ruimte voor hoger onderwijs (Bolognaproces). http://ec.europa.eu/education/lifelong-learning-policy/doc48_en.htm |

Heeft u de validatie en erkenning van zowel formeel als niet-formeel leren nog steeds als een belangrijke hindernis voor mobiliteit ervaren?

Geef concrete voorbeelden en uw mening over hoe de situatie kan worden verbeterd.

3. EEN NIEUW PARTNERSCHAP VOOR MOBILITEIT

3.1 Mobiliserende actoren en middelen

Geen enkele actor kan in zijn eentje de mogelijkheden van jongerenmobiliteit die door de bestaande programma’s worden geboden, aanzienlijk uitbreiden. Om de voortdurende hindernissen voor mobiliteit te overwinnen, moeten alle sectoren, van taalonderwijs tot vrijwilligersdiensten, samenwerken. Er is een nieuw partnerschap nodig waarin overheden samenwerken met partners uit het maatschappelijk middenveld en de bedrijfswereld. Beroepsverenigingen, ngo’s en jongerenorganisaties kunnen worden aangemoedigd jongerenmobiliteit te gaan promoten. Mobiliteit kan worden geïntegreerd in alle relevante beleidsterreinen, van onderwijs, opleiding en cultuur tot onderzoek, ondernemingsbeleid en innovatie[41]. Organisaties uit het maatschappelijk middenveld zouden, in navolging van de jumelages tussen steden, kunnen worden aangemoedigd aan twinning te doen en een kader voor dialoog te scheppen. Dit kan via de bestaande Europese programma’s worden gestimuleerd. De Europese regio’s kunnen in dit nieuwe partnerschap voor mobiliteit een belangrijke rol spelen. Vele zijn nu al belangrijke actoren bij het ondersteunen van mobiliteit en bieden onder meer financiering, opvangfaciliteiten en advies over juridische problemen.

Beproefde methode: Interregionale samenwerking De regio’s Toscane, Catalonië en Västra Götaland hebben bilaterale overeenkomsten ondertekend om de onderlinge mobiliteit te bevorderen in verschillende sectoren, met name in scholen, leerlingenstelsels, in het postsecundair onderwijs, voor jong afgestudeerden of voor ondernemers. Deze regio’s hebben een handvest voor de kwaliteit van interregionale mobiliteit opgesteld, om tot meer transparantie te komen op het vlak van kwaliteit bij het plannen van mobiliteitsstromen. http://www.mob-reg.eu |

Scholen en universiteiten kunnen samen activiteiten ontwikkelen die scholieren helpen voorbereiden op mobiliteit tijdens hun studententijd, bijvoorbeeld zomeruniversiteiten voor scholieren uit het hoger secundair onderwijs in specifieke vakken. Voortbouwend op het initiatief Comenius-Regio[42] en de mobiliteitsaspecten van het programma Jeugd in Actie, kan de interactie met andere actoren van de niet-formele onderwijssector worden versterkt.

Info: Comenius Regio-partnerschappen Deze partnerschappen bieden financiering ter ondersteuning van regionale samenwerking op het gebied van schoolonderwijs en de uitwisseling van ervaringen en beproefde methoden tussen regio's en gemeenten in Europa. Samen met scholen en andere relevante partners uit hun regio of gemeente, worden regionale autoriteiten die bevoegd zijn voor schoolonderwijs, verzocht met andere regio's partnerschappen te sluiten en op onderwerpen van gemeenschappelijk belang samen te werken. Een voorbeeld van een activiteit in het kader van de Comenius Regio-partnerschappen is het ondersteunen van de mobiliteit tussen de twee partnerregio’s en het ontwikkelen van duurzame stelsels voor mobiliteit voor de leerlingen. De eerste Comenius Regio-partnerschappen zullen in de herfst van 2009 ingaan. http://ec.europa.eu/education/comenius/doc1002_en.htm |

Een belangrijk aspect van jongerenmobiliteit is de financiering. Hoewel de beschikbaarheid van financiering niet de enige – en vaak niet de belangrijkste – hindernis is voor de uitbreiding van mobiliteit, moet de financieringsgrond, wil men aan alle jongeren mogelijkheden voor mobiliteit bieden, duidelijk aanzienlijk worden verbreed, over de bestaande en mogelijke limieten van de Europese programma’s voor mobiliteit heen. Sommige regio’s wenden het Europees Sociaal Fonds al aan om mobiliteit te ondersteunen, vooral in de beroepssector. In het kader van de Marie Curie-acties werd een nieuw financieringsmechanisme (COFUND) ontwikkeld ter ondersteuning van bestaande of nieuw ontwikkelde regionale, nationale of internationale programma’s om de transnationale mobiliteit voor opleiding en loopbaanontwikkeling te steunen. De Structuurfondsen zullen misschien nog andere mogelijkheden bieden om mobiliteit in de toekomst te ondersteunen. De Europese Investeringsbank ondersteunt momenteel een aantal nationale en regionale initiatieven voor de verstrekking van leningfaciliteiten voor studenten in het hoger onderwijs. Er is potentieel om middelen van de Investeringsbank aan te wenden om meer financiering voor mobiliteit beschikbaar te stellen. Deze verschillende financieringsbronnen helpen de EU om haar sleutelrol in het bevorderen van leermobiliteit te spelen. Om het streefdoel te bereiken, namelijk deze mogelijkheid uitbreiden tot een grotere groep, zal de Europese financiering wellicht geherstructureerd en de huidige instrumenten geheroriënteerd moeten worden om deze activiteiten zichtbaarder en doeltreffender te maken. De Europese financiering zal desondanks echter niet volstaan en er zal een veel bredere financieringsgrond moeten worden gevonden. Europese, nationale en regionale autoriteiten moeten met onderwijsinstellingen, organen van het maatschappelijk middenveld en lokale autoriteiten die bij mobiliteit betrokken zijn, samenwerken om hun financieringscapaciteiten voor mobiliteit te bundelen.

Hoe kunnen de nationale, regionale en lokale actoren en middelen beter worden ingezet ten behoeve van jongerenmobiliteit?

Geef voorbeelden van succesvolle territoriale partnerschappen.

Geef goede voorbeelden en innovatieve ideeën over de financiering van jongerenmobiliteit.

3.2 Actievere betrokkenheid van de bedrijfswereld

De motivatie en de inzet van de bedrijfswereld voor jongerenmobiliteit heeft nog groeipotentieel. Stages, onderzoeksprogramma's en samenwerkingsprojecten, in het kader waarvan jongeren, alleen of in interdisciplinaire groepen, met of in een bedrijf kunnen werken, moeten in alle disciplines en sectoren worden aangemoedigd. Ondernemingen moeten worden overtuigd van de waarde van leermobiliteit zodat zij de extra inspanningen zullen leveren die nodig zijn om meer stageplaatsen te bieden voor jongeren. Bedrijven kunnen ook, in samenwerking met Europese, nationale en regionale autoriteiten, jongerenmobiliteit helpen financieren[43].

De mobiliteit van jonge ondernemers komt de internationalisering en de concurrentiekracht van de Europese ondernemingen ten goede. Het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) zal, zodra het volledig operationeel is, voorbeelden geven van versterkte mobiliteit van studenten, academici en onderzoekers op de verschillende werkterreinen[44].

Info: Marie Curie-acties

Marie Curie-acties bieden een heel scala aan mogelijkheden voor geografische en intersectorale mobiliteit van onderzoekers. De Initial Training Networks (ITN) geven beginnende onderzoekers bijvoorbeeld de kans om hun onderzoeksvaardigheden te verbeteren, samen te werken met gevestigde, in internationale netwerken georganiseerde onderzoeksteams en hun carrièrekansen te verruimen. De netwerken nemen onderzoekers in dienst, bieden gespecialiseerde opleidingsmodules aan en zorgen voor publiciteit naar de private sector toe. Een ander voorbeeld zijn de Marie Curie-trajecten en partnerschappen tussen het bedrijfsleven en de academische wereld (IAPP), waarbij universiteiten en bedrijven van alle soorten en maten die werken aan gezamenlijke onderzoeksprojecten, betrokken zijn. IAPP heeft tot doel om via de detachering van personeelsleden een sterkere uitwisseling van vaardigheden tussen de commerciële en niet-commerciële sector tot stand te brengen.

http://ec.europa.eu/mariecurieactions/

Beproefde methode: Go for Europe Dit gezamenlijk initiatief van de kamers van koophandel en ambachten en de metaal- en elektriciteitsindustrie van Baden-Württemberg/Duitsland heeft tot doel de stages van leerlingen in het buitenland te ondersteunen en de opleiding van leerlingen te internationaliseren om hen beter op de Europese arbeidsmarkt voor te bereiden. http://www.goforeurope.de/home.html |

Hoe bedrijven aansporen om meer betrokken te raken bij jongerenmobiliteit? Geef voorbeelden van beproefde methoden.

3.3 Virtueel netwerken en eTwinning

Virtuele mobiliteit, met name het gebruik van het internet en andere elektronische informatie- en communicatievormen, is vaak een katalysator om een periode van fysieke mobiliteit aan te vatten. Hoewel de virtuele de fysieke variant niet vervangt, kunnen jongeren met behulp van deze virtuele mobiliteit een verblijf in het buitenland voorbereiden en de voorwaarden scheppen voor toekomstige fysieke mobiliteit omdat het vriendschappen, contacten en sociaal netwerken, enz., vergemakkelijkt. Daarnaast kan met behulp van virtuele mobiliteit het contact met het gastland worden onderhouden als de periode van mobiliteit voorbij is. En deze mobiliteit biedt een internationale dimensie aan lerenden die, om uiteenlopende redenen, niet naar het buitenland kunnen of willen gaan. In die context kan ICT worden gebruikt voor “elektronische twinning” en voor virtuele platformen, voor leraars, andere “multiplicatoren”, geïnteresseerde individuen, interactieve gemeenschappen, open source initiatieven, enz. Virtuele mobiliteit kan ook een gepaste en praktische vorm van mobiliteit zijn voor jonge scholieren, die misschien nog niet naar het buitenland kunnen reizen. Elektronische twinning kan de kwaliteit van initiatieven inzake mobiliteit versterken (bijvoorbeeld via een betere voorbereiding) en duurzamer maken.

Info: Comenius eTwinning In het kader van het Comeniusprogramma wordt eTwinning ontwikkeld om het gebruik van informatie- en communicatietechnologie te integreren en zo op samenwerking gebaseerd leren, de Europese dimensie, het uitwisselen van middelen en praktijkervaring en het pedagogisch gebruik van ICT op de Europese scholen te bevorderen. Bij eTwinning brengen lagere en middelbare scholen een internetsamenwerkingsverband tot stand met een partnerschool elders in Europa. Het belangrijkste resultaat van eTwinning zijn de gezamenlijke pedagogische projecten die de deelnemende scholen ontwikkelen met behulp van de hun via de Europese portaalsite over eTwinning ter beschikking gestelde instrumenten en internetruimte. Het meest originele aspect van eTwinning is dat het geen individuele projecten financiert, maar steun, diensten, ideeën, instrumenten en erkenning biedt om de samenwerking tussen scholen te vergemakkelijken. In heel Europa doen meer dan 50 000 scholen aan eTwinning. http://www.etwinning.net/en/pub/index.htm |

Beproefde methode: Virtuele campus voor digitale studenten Dit Europees netwerk van verstrekkers van open en afstandsonderwijs werkt aan een virtuele campus voor “digitale studenten” waar open onderwijsbronnen en instrumenten worden aangeboden en de compatibiliteit van de verschillende in de partneruniversiteiten gebruikte e-learningomgevingen wordt verzekerd. www.vicadis.net |

Hoe kunnen we met behulp van ICT waardevolle mogelijkheden inzake virtuele mobiliteit bieden die de fysieke mobiliteit verrijken?

Kan de eTwinning-aanpak ook in andere leeromgevingen zoals vrijwilligerswerk of de beroepssector worden toegepast?

3.4 De “multiplicatoren” inschakelen

Zoals kort vermeld in deel 1.2, kan een enthousiaste leraar, opleider of jongerenwerker die zelf een ervaring met mobiliteit heeft, een belangrijke motivator zijn voor jongeren om een periode van mobiliteit in het buitenland aan te vatten. Deze personen zijn voldoende geloofwaardig om de voordelen van mobiliteit toe te lichten en als ambassadeur voor jongerenmobiliteit op te treden.

Zelf actief zijn op het vlak van mobiliteit en jongeren begeleiden bij hun buitenlandse ervaring vereist in de meeste gevallen echter een aanzienlijke persoonlijke investering van de leraars, opleiders en jongerenwerkers. Periodes van mobiliteit van leraars en opleiders op school, aan de universiteit en in het beroepsonderwijs moeten worden aangemoedigd en erkend als een integrerend deel van hun loopbaanontwikkeling, net als mobiliteit van jongerenwerkers in jongerenorganisaties.

Evenzo moet de tijd en inspanning die leraars, opleiders en jongerenwerkers investeren in het helpen van jongeren met de voorbereiding van hun verblijf in het buitenland, dienovereenkomstig in hun taakomschrijving en werkplan worden erkend. Al te vaak vloeien mogelijkheden inzake mobiliteit voort uit de persoonlijke inzet van een leraar, opleider of jongerenwerker die zijn vrije tijd en private middelen aanwendt om deze mogelijkheden te scheppen. Deze groep heeft een stimulans en erkenning nodig voor het waardevolle werk dat ze verrichten.

Hiertoe kunnen bijvoorbeeld voor opvoeders en opleiders in alle doelgebieden mogelijkheden voor mobiliteit worden ontwikkeld, zoals regelingen voor de wederzijdse uitwisseling van leraars. Bijzondere aandacht kan gaan naar de opleiding van opleiders in door het initiatief “Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen”[45] bepaalde strategisch belangrijke gebieden waar een tekort is aan vaardigheden.

Taalleraars zijn een bijzonder belangrijke groep multiplicatoren. Hoewel het echter elementair kan lijken dat taalleraars gedurende een periode in het land verbleven waarvan zij de taal onderwijzen, is dit geenszins overal in Europa het geval. Ook zouden taalleraars hun moedertaal moeten kunnen onderwijzen in het buitenland.

Een andere groep waar in dit verband een beroep op kan worden gedaan, zijn zij die zelf ervaring met mobiliteit hebben, zoals alumni van het hoger onderwijs en netwerken van scholieren, studenten en voormalige vrijwilligers.

Beproefde methode: Marie Curie Fellows Association MCFA is de vereniging van jonge wetenschappers die van de Europese Gemeenschap een beurs voor opleiding door onderzoek hebben gekregen. Zij biedt informatie en een discussieforum aan jonge Europese onderzoekers. http://mcfa.eu Erasmus Student Network Het Erasmus Student Network (ESN) is een internationale non-profitorganisatie voor studenten die tot taak heeft studentenmobiliteit in het hoger onderwijs aan te moedigen volgens het beginsel “Studenten helpen studenten”. Het netwerk biedt diensten en informatie aan 150 000 studenten. www.esn.org Erasmus Mundus Alumni Association Het doel van de Erasmus Mundus Students and Alumni Association (EMA) is een forum ter beschikking te stellen om te netwerken, te communiceren en samen te werken, en om Erasmus Mundus te promoten als een Europees uitmuntendheidsprogramma in internationaal onderwijs. De EM Alumni hebben bewezen de meest doeltreffende ambassadeurs te zijn om het EM-programma in hun thuisland te promoten gezien hun kennis uit de eerste hand van de behoeften, problemen en taal van studenten. www.em-a.eu |

Moeten mogelijkheden inzake mobiliteit voor “multiplicatoren” (leraars, opleiders, jongerenwerkers, enz.) meer ondersteuning genieten en prominenter aanwezig zijn in de Europese programma's?

Wat zijn volgens u de belangrijkste hindernissen voor een grotere inzet van leraars en opleiders bij het promoten van mobiliteit?

3.5 Doelstellingen op het gebied van mobiliteit

Tijdens de Raad Onderwijs van november 2008 hebben de ministers hun brede steun verleend aan een nieuw streven om mobiliteit te verhogen. Nu moet deze brede steun in concrete doelstellingen worden omgezet. Concrete doelstellingen op een specifiek gebied kunnen een krachtig instrument zijn om de lidstaten, regionale autoriteiten, instellingen en organisaties aan te sporen hun strategie uit te werken. Op het gebied van onderwijs en opleiding zijn er momenteel doelstellingen als onderdeel van de Lissabonstrategie, maar tot dusver hoort mobiliteit daar niet bij. De bestaande doelstellingen zijn een nuttig instrument gebleken in het kader van de open coördinatiemethode, in het bijzonder om belanghebbenden aan te sporen nieuwe doelstellingen te halen. In het kader van de hernieuwde onderwijs- en opleidingsstrategie worden momenteel specifieke doelstellingen inzake mobiliteit besproken. In april 2009 werd een aanzienlijke doorbraak gerealiseerd toen in het kader van het Bolognaproces een doelstelling inzake mobiliteit in het hoger onderwijs werd goedgekeurd. Krachtens deze doelstelling moet tegen 2020 minstens 20% van de afgestudeerden in de Europese ruimte voor hoger onderwijs een studie- of opleidingsperiode in het buitenland hebben doorgebracht (zie voetnoot 10). Op basis hiervan heeft de Europese Raad de Commissie in mei 2009 verzocht om na te gaan of het mogelijk is een dergelijk criterium uit te breiden tot het beroepsonderwijs en de beroepsopleidingen en tot lerarenmobiliteit[46].

Boven op de Europese en nationale criteria kan het ook nuttig zijn voor regio’s, universiteiten, scholen, bedrijven en verenigingen om zelf overeenkomstig hun onderwijs- en vaardighedenstrategie strategische criteria te bepalen. Dit doet een besef van ownership en motivatie ontstaan om aan die criteria te voldoen.

Beproefde methode: nationale en organisationele doelstellingen inzake mobiliteit in het hoger onderwijs Een nieuw ontwikkelde “strategie voor de internationalisering van hoger onderwijsinstellingen in Finland 2009-2015” bepaalt doelstellingen inzake mobiliteit voor 2015: de uitgaande mobiliteit van studenten en stagiairs moet in universiteiten naar 6% (2007: 3,8%) en in polytechnische hogescholen naar 8% (2007: 6,1%). De Oostenrijkse regering stelt tot doel dat tegen 2020 50% van de afgestudeerden een voor hun studies relevante ervaring met mobiliteit moet hebben. Er zijn niet alleen doelstellingen op regeringsniveau: de Deutsche Akademische Austauschdienst DAAD pleit er ook voor dat “op middellange termijn” minstens 50% van de afgestudeerden een ervaring met mobiliteit heeft. |

Kunnen doelstellingen volgens u helpen bij het bepalen van een strategie inzake mobiliteit en zo ja, op welk niveau (Europees, nationaal, institutioneel, sectoraal, enz.)?

Geef voorbeelden van beproefde methoden.

CONCLUSIE

Dit Groenboek wordt voorgelegd om een groot aantal kwesties op tafel te brengen in verband met de leermobiliteit van jonge Europeanen in alle disciplines en contexten.

De Europese Commissie roept nu alle belanghebbenden, van regeringen tot particulieren, op om haar te steunen in haar inspanningen om jongerenmobiliteit tot de regel in plaats van de uitzondering te verheffen. Leermobiliteit is gezien de huidige economische context inderdaad een uitdagende doelstelling, maar het is ook een sleutelelement in de algemene strategie om ervoor te zorgen dat Europa in de toekomst over de nodige vaardigheden beschikt.

Dit Groenboek noemt een aantal gebieden waarop de inspanningen moeten worden versterkt. Vele van deze inspanningen vergen actie op nationaal, regionaal en institutioneel niveau, alsook de actieve betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld, de bedrijfswereld en andere belanghebbenden.

Er worden voorstellen gedaan voor mogelijke acties die op verschillende niveaus zouden kunnen worden bekeken. Deze zijn niet volledig, maar moeten aansporen tot feedback. Alle belanghebbenden worden uitgenodigd aan dit debat deel te nemen en hun opties voor de toekomst naar voren te brengen. De Commissie zal de feedback op de raadpleging zorgvuldig evalueren en een voorstel voor praktisch vervolg voorbereiden.

Hoe kan ik mijn stem laten horen?

Antwoorden op dit Groenboek zullen op twee niveaus worden verzameld.

Om te beginnen nodigt de Commissie de belanghebbenden uit de in de tekst gestelde open vragen te beantwoorden, en verdere overwegingen en voorbeelden van beproefde methoden te verstrekken.

Alle gegevens met betrekking tot personen blijven anoniem. Als u namens een organisatie antwoordt, vermeld dan de naam en het soort organisatie dat u vertegenwoordigt. Beroepsorganisaties wordt verzocht zich te registreren in het Register van belangenvertegenwoordigers van de Commissie (http://ec.europa.eu/transparency/regrin).

U kunt uw bijdrage toezenden per e-mail:

EAC-GREEN-PAPER-MOBILITY@ec.europa.eu,

of per post:

GROENBOEK EAC MOBILITEIT

DG EAC/B3

MADO 11/14

Europese Commissie

B-1049 Brussel

Verder is er een online meerkeuzevragenlijst voor het grote publiek, via de volgende link:

http://ec.europa.eu/dgs/education_culture/consult/index_nl.html

De openbare raadpleging loopt af op 15 december 2009 .

[1] Dit Groenboek gaat niet over beroepsmobiliteit maar spitst zich toe op mobiliteit voor leerdoeleinden.

[2] Een studie heeft bijvoorbeeld aangetoond dat 54% van de voormalige Erasmusstudenten ervan overtuigd is dat de buitenlandse ervaring hen heeft geholpen bij het vinden van een eerste baan. Zie Friedhelm Maiworm en Ulrich Teichler: Study Abroad and Early Career: Experiences of Former Erasmus Students, 2004; jaarlijks onderzoek van het Erasmus Student Network; eindbeoordeling van de Gemeenschapsprogramma’s Socrates II, Leonardo da Vinci II en eLearning; Analysis of the Effects of Leonardo da Vinci Mobility Measures on Young Trainees, Employees and the influence of socio-economic factors, 2007.

[3] Voor de sector van het hoger onderwijs werd dit voordeel met betrekking tot het systeem aangetoond door de volgende studie: “The impact of Erasmus on European higher education: quality, openness and internationalisation”, december 2008, http://ec.europa.eu/education/erasmus/doc/publ/impact08.pdf.Zie ook de tussentijdse evaluatie van Erasmus Mundus door CSES van juni 2007,http://ec.europa.eu/education/programmes/mundus/doc/evalreport_en.pdf.Op het gebied van onderzoek dragen de Marie Curie-acties door het versterken van de mobiliteit van onderzoekers bij tot een evenwichtige uitwisseling van wetenschappelijke talenten, niet alleen in Europa, maar over de hele wereld.

[4] Een Europees economisch herstelplan, COM(2008) 800 definitief van 26 november 2008, blz. 18.

[5] Resolutie van de Raad van 23 november 2007 over de modernisering van de universiteiten ten behoeve van het concurrentievermogen van Europa in een mondiale kenniseconomie.

[6] “Strategisch verslag over de hernieuwde Lissabon-strategie voor groei en werkgelegenheid: lancering van de nieuwe cyclus (2008-2010), COM(2007) 803.

[7] Verslag van het forum van deskundigen op hoog niveau inzake mobiliteit, juni 2008,http://ec.europa.eu/education/doc/2008/mobilityreport_en.pdf.

[8] COM(2008) 412.

[9] Conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten betreffende de mobiliteit van jongeren, 20 en 21 november 2008, PB C 320 van 16.12.2008, http://www.consilium.europa.eu/ueDocs/cms_Data/docs/pressData/en/educ/104249.pdf .

[10] http://www.ond.vlaanderen.be/hogeronderwijs/bologna/conference/documents/Leuven_Louvain-la-Neuve_Communiqué_April_2009.pdf

[11] Mededeling van de Commissie “Een gezamenlijke inzet voor de werkgelegenheid”, COM(2009) 257.

[12] De volgende elementen vallen hieronder: hoger onderwijs (Erasmus, Erasmus Mundus, Marie Curie) voor studenten, promovendi en personeel; hoger onderwijs en onderzoek (Marie Curie, mobiliteit binnen topnetwerken en technologieplatforms); van hoger onderwijs naar het bedrijfsleven (stages binnen Erasmus en Marie Curie); beroepsopleiding en leerlingenstelsels (Leonardo); middelbaar onderwijs (Comenius) volwassenenonderwijs en vrijwilligerswerk voor ouderen (Grundtvig); de culturele sector (programma Cultuur); jongerenuitwisselingen en vrijwilligerswerk (Jeugd in Actie); vrijwilligerswerk (Europees vrijwilligerswerk binnen het programma Jeugd in Actie); het maatschappelijk middenveld (programma Europa voor de burger) en de voorbereidende actie “Erasmus voor jonge ondernemers”.

[13] Richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk.

[14] Waaronder Richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek (“Wetenschappelijk visum”).

[15] http://ec.europa.eu/ploteus/home.jsp?language=nl

[16] http://europa.eu/youth/index.cfm?l_id=nl

[17] http://www.study-in-europe.org/

[18] http://ec.europa.eu/euraxess

[19] http://ec.europa.eu/mariecurieactions/

[20] http://ec.europa.eu/youreurope/index_nl.html

[21] http://www.euroguidance.net/

[22] http://ec.europa.eu/eures

[23] http://www.eurodesk.org

[24] http://www.erasmus-entrepreneurs.eu

[25] http://ec.europa.eu/enterprise/entrepreneurship/craft/craft-skills_training/skills_training_main_en.htm

[26] Meertaligheid: een troef voor Europa en een gemeenschappelijk engagement, COM(2008) 566.

[27] Zie ook de Mededeling van de Commissie “Betere loopbanen en meer mobiliteit: een Europees partnerschap voor onderzoekers”, COM(2008) 317.

[28] Zie Eurydice Report Higher Education 2009: Developments in the Bologna Process.

[29] Zaak C-308/89, di Leo, Jurispr. 1990, blz. I-4185.

[30] Gevoegde zaken C-11/06 Morgan en C-12/06 Bucher, Jurispr. 2007, blz. I-9161.

[31] Tussentijdse evaluatie van Erasmus Mundus door CSES, juni 2007http://ec.europa.eu/education/programmes/mundus/doc/evalreport_en.pdf.

[32] Richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk.

[33] Richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek, PB L 289 van 3.11.2005, blz. 15.

[34] http://ec.europa.eu/euraxess/index_en.cfm?l1=17&l2=0&l3=1&CFID=88944&CFTOKEN=69293189

[35] http://ec.europa.eu/euraxess/index_en.cfm?l1=0&l2=3

[36] http://ec.europa.eu/education/archive/million/charter_en.html

[37] http://ec.europa.eu/youth/pdf/doc716_en.pdf

[38] Zie bijlage van de leidraad voor Erasmus voor jonge ondernemers via de volgende link:http://www.erasmus-entrepreneurs.eu/upload/H840-290%20Erasmus%20Guide.pdf

[39] Leerresultaat: een verklaring van wat een lerende na afloop van een leerproces weet, begrijpt en kan.

[40] Op Europees niveau worden de volgende definities gehanteerd: formeel leren vindt normaliter plaats in een onderwijs- of opleidingsinstelling en kent gestructureerde doelstellingen en een gestructureerde duur en begeleiding. Het is doelbewust van de kant van de lerende en leidt tot een certificaat of diploma. Niet-formeel leren vindt niet in een onderwijs- of opleidingsinstelling plaats en leidt normaliter niet tot een certificaat of diploma. Het is echter doelbewust van de kant van de lerende en heeft gestructureerde doelstellingen, en een gestructureerde duur en begeleiding. Informeel leren is leren dat voortvloeit uit de dagelijkse bezigheden op het werk, in het gezin of in de vrije tijd. Het is niet gestructueerd en leidt doorgaans niet tot een certificaat of diploma. Meestal is het niet doelbewust van de kant van de lerende.

[41] Op onderzoeksgebied wordt een partnerschap opgericht op basis van de Conclusies van de Raad betreffende betere loopbanen en grotere mobiliteit: een Europees partnerschap voor onderzoekers van 26 september 2008, te raadplegen via de volgende link:

http://register.consilium.europa.eu/pdf/nl/08/st13/st13671.nl08.pdf

[42] “Comenius Regio”-partnerschappen: nieuwe mogelijkheden voor regionale samenwerking op het gebied van schoolonderwijs, 3.11.2008,http://europa.eu/rapid/pressReleasesAction.do?reference=IP/08/1621&format=HTML&aged=0&language=NL&guiLanguage=fr.

[43] Zie ook de Mededeling van de Commissie “Een nieuw partnerschap voor de modernisering van de universiteiten: het EU-forum voor dialoog tussen universiteiten en bedrijven”, COM(2009) 158.

[44] http://eit.europa.eu/.

[45] Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen – Anticipatie op en onderlinge afstemming van de arbeidsmarkt- en vaardigheidsbehoeften, SEC(2008) 3058, http://ec.europa.eu/education/lifelong-learning-policy/doc/com868_nl.pdf.

[46] Conclusies van de Raad betreffende een strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding, http://register.consilium.europa.eu/pdf/nl/09/st09/st09845.nl09.pdf.

Top