EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52009AE1200

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (COM(2008) 817 definitief — 2008/0237 (COD))

OJ C 317, 23.12.2009, p. 99–102 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

23.12.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/99


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming

(COM(2008) 817 definitief — 2008/0237 (COD))

(2009/C 317/18)

Rapporteur: mevrouw DARMANIN

De Raad heeft op 19 januari 2009 besloten, overeenkomstig art. 71 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 betreffende samenwerking tussen de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming

COM (2008) 817 final - 2008/0237 (COD).

De gespecialiseerde afdeling Vervoer, energie, infrastructuur en informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 26 juni 2009 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw Darmanin.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 15 en 16 juli 2009 gehouden 455e zitting (vergadering van 16 juli) onderstaand advies uitgebracht, dat met 75 stemmen vóór en 3 tegen werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1.   Het EESC verwelkomt het voorstel van de Commissie over de rechten van passagiers in het autobus- en touringcarvervoer. Deze vorm van vervoer, waarvan op grote schaal gebruik wordt gemaakt, biedt mensen een goedkopere manier om zich te verplaatsen.

1.2.   In het voorstel worden verscheidene grondrechten geschetst die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend, zoals het vrij verkeer van personen, non-discriminatie op grond van een handicap en consumentenbescherming. Het EESC kan zich dan ook in grote lijnen vinden in de verordening die de Commissie voorstelt, maar geeft ook aan welke verbeteringen nog aangebracht kunnen worden.

1.3.   Zo zou de tekst op een aantal punten verduidelijkt moeten worden om verkeerde interpretaties te voorkomen. Het gaat om de volgende punten:

De plicht om voor dienstverlening aan gehandicapten te zorgen; in de tekst moet worden verduidelijkt dat het er de Commissie vooral om gaat discriminatie i.v.m. de informatieverstrekking aan passagiers (of het ontbreken daarvan) over diensten waarvan gehandicapten gebruik kunnen maken, te bestrijden.

De aansprakelijkheid van de vervoersondernemer in geval van verlies van bagage moet duidelijk worden aangegeven en er moet een of andere vorm van inchecksysteem worden ingevoerd.

Het is erg moeilijk om na aanvang van de reis nog informatie op de busstopplaatsen te geven; daarom moet worden nagegaan of het opstellen en doorgeven van dergelijke informatie in de praktijk wel een haalbare kaart is.

Het woord „terminal” kan beter niet worden gebruikt bij het autobus- en touringcarvervoer: het gaat vaak niet om echte terminals, maar slechts om stopplaatsen. De terminals die wel bestaan vallen niet onder de bevoegdheid van de vervoersondernemer.

1.4.   Het EESC wijst erop dat de dienstverlening en het imago van de sector erop vooruit zouden gaan als de bepalingen inzake passagiersrechten uitgebreid zouden worden tot het stads- en streekvervoer. Wel zijn er bepaalde verschillen tussen het stadsbusvervoer en het internationaal busvervoer; daarom is het wellicht praktischer om de rechten van passagiers bij deze twee verschillende vormen van vervoer los van elkaar te behandelen en aparte passagiersrechten voor het gehele stads- en streekvervoer vast te stellen. De bepalingen van de voorgestelde verordening hoeven dan ook niet per se van toepassing te zijn op het stads- en streekvervoer.

1.5.   Opleiding van het personeel is van het grootste belang bij de dienstverlening aan gehandicapten. Het EESC is dan ook zeer ingenomen met artikel 18, waarin wordt aangegeven welke opleiding bestuurders van autobussen en touringcars moeten krijgen.

2.   Voorstel van de Commissie

2.1.   In 2005 lanceerde de Commissie een raadpleging over de rechten van passagiers in het internationale autobus- en touringcarvervoer. Daarop kwamen tal van reacties van gespecialiseerde organisaties, het maatschappelijk middenveld, nationale agentschappen en lidstaten.

2.2.   De Commissie heeft ook een effectbeoordeling uitgevoerd, waarbij de volgende beleidsopties werden onderzocht:

het handhaven van de status quo;

het bieden van minimumbescherming;

het bieden van maximale bescherming;

vrijwillige verbintenissen en zelfregulering.

Op basis van deze beoordeling is gekozen voor een combinatie van opties voor de verschillende aspecten van de bescherming van passagiers.

2.3.   Doel van het voorstel is de rechten van autobus- en touringcarpassagiers vast te leggen om de aantrekkelijkheid van en het vertrouwen in dit vervoer te vergroten en gelijke concurrentievoorwaarden tot stand te brengen tussen vervoerders uit verschillende lidstaten en tussen de verschillende vervoerswijzen.

2.4.   Het voorstel bevat bepalingen over de volgende aspecten:

aansprakelijkheid bij overlijden of letsel van passagiers en bij verlies of beschadiging van hun bagage;

verbod op discriminatie op basis van nationaliteit of woonplaats in de vervoersvoorwaarden;

bijstand voor mensen met een handicap of mobiliteitsbeperking;

verplichtingen van de vervoersondernemer bij annulering of vertraging;

informatieplicht;

klachtenafhandeling;

algemene handhavingsvoorschriften.

3.   Algemene opmerkingen

3.1.   Het EESC verwelkomt het voorstel van de Commissie over de rechten van passagiers in het autobus- en touringcarvervoer, die momenteel sterk van lidstaat tot lidstaat verschillen. Er is behoefte aan duidelijke richtsnoeren om de rechten van deze passagiers te beschermen, vooral omdat het autobus- en touringcarvervoer in de meeste landen de minst gereguleerde vorm van vervoer uitmaakt.

3.2.   Het EESC is te spreken over de manier waarop het principe van non-discriminatie in het voorstel wordt versterkt en mensen met een handicap of mobiliteitsbeperking worden gesteund. Wel zou het EESC graag zien dat bepaalde punten in de tekst van de Commissie worden verduidelijkt om het aantal vage passages dat verkeerd geïnterpreteerd kan worden terug te dringen.

3.3.   Aangezien sommige verplichtingen zijn overgenomen uit het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap zouden de lidstaten een sanctieregeling voor vervoersbedrijven moeten invoeren voor het geval deze rechten worden geschonden.

3.4.   Het Comité is ervan overtuigd dat maximale bescherming de juiste benadering is op het gebied van de rechten van gehandicapte passagiers. Met deze benadering worden het respect voor en de waardigheid en de rechten van het individu ook echt gewaarborgd. Het Comité maakt zich echter zorgen over de uitvoering van de regels; het is van cruciaal belang dat de eisen zo spoedig mogelijk worden ingevoerd en nauwlettend bewaakt worden.

3.5.   Het voorstel bevat terecht bepalingen m.b.t. autobus- en touringcardiensten. Artikel 2, lid 2, van de voorgestelde verordening garandeert dat de rechten in de hele Unie op hetzelfde niveau liggen; dit sluit aan bij het subsidiariteitsbeginsel en er wordt rekening gehouden met de uiteenlopende omstandigheden.

3.6.   Wat de aansprakelijkheid van autobus- en touringcarondernemers voor passagiers en bagage betreft zou duidelijk gemaakt moeten worden dat de hoogte van de in het voorstel aangegeven schadevergoedingen de betrokken klanten niet mag beletten zo nodig rechtsbescherming te zoeken. Er zou een soort schadevergoedingsregeling ingevoerd moeten worden, naar voorbeeld van de regelingen voor andere vervoerswijzen.

3.7.   Het EESC wijst erop dat vaak juist de kwetsbaarste bevolkingsgroepen voor dit soort grensoverschrijdend vervoer kiezen. Het Comité is dan ook ingenomen met de nieuwe beschermingsmaatregelen die de Commissie voorstelt.

3.8.   Het EESC vindt dat er actieplannen opgesteld moeten worden om ervoor te zorgen dat mensen met een mobiliteitsbeperking de nodige hulp krijgen in busstations, bij stopplaatsen en in de bus zelf. Daarbij is een sleutelrol weggelegd voor vertegenwoordigers van gehandicapten en vertegenwoordigers van autobus- en touringcarbedrijven.

3.9.   Aangezien er in de eerste plaats altijd naar gestreefd moet worden de overlast voor passagiers zoveel mogelijk te beperken, zouden bij schadevergoeding en terugbetaling de volgende aspecten in acht genomen moeten worden:

letsel of overlijden als gevolg van het gebruik van het vervoer;

annulering, vertraging of omleiding;

verlies van eigendommen door de vervoersondernemer; en

gebrek aan informatie.

3.10.   In alle bovengenoemde gevallen is het echter absoluut noodzakelijk dat de verantwoordelijkheid van de vervoersondernemer wordt aangetoond en dat de last van de schadevergoeding niet zodanig hoog is dat de vervoersondernemer daardoor failliet zou gaan. Schadevergoedingen moeten dus wel realistisch zijn en worden uitgekeerd binnen een termijn die voor consument én vervoersondernemer aanvaardbaar is.

3.11.   Schadeclaims moeten gemakkelijk aangevraagd kunnen worden. In de desbetreffende regelingen moet worden aangegeven dat de passagier zowel in zijn eigen lidstaat als in de lidstaat van bestemming een schadeclaim kan indienen.

3.12.   Toegang tot informatie is van groot belang en het EESC is dan ook verheugd dat op dit gebied voor maximale bescherming is gekozen, met name omdat informatie een belangrijk instrument is om overlast voor passagiers te beperken.

4.   Specifieke opmerkingen

4.1.   Stadsvervoer

4.1.1.   Het EESC steunt het voorstel van de Commissie aangezien de desbetreffende verordening in het algemeen zal leiden tot een versterking van de interne markt en van de passagiersrechten, met name de rechten van gehandicapten.

Het EESC is erover te spreken dat de lidstaten het vervoer in steden, voorsteden en regio's, dat onder Verordening 1370/2007 van 23 oktober 2007 valt, van de voorgestelde verordening mogen uitsluiten.

Het EESC meent wel dat de mate van bescherming van de consumentenrechten zoals die in de voorgestelde verordening wordt bepleit, betekent dat een grote hoeveelheid openbare-dienstverleningcontracten die in het kader van Verordening 1370/2007 zijn gesloten, gewijzigd zou moeten worden. Gezien de grote verschillen tussen de voorwaarden, infrastructuur en uitrusting in het wegvervoer (dat onder Verordening 1370/2007 valt) en die in het internationale autobus- en touringcarvervoer, kunnen deze vormen van vervoer eigenlijk niet met elkaar vergeleken worden.

Het EESC zou liever zien dat de rechten van passagiers in het vervoer in steden, voorsteden en regio's volledig buiten het toepassingsgebied van deze verordening vallen en in een aparte verordening worden behandeld.

4.2.   Toegankelijkheid

4.2.1.   Het EESC betreurt dat de situatie van mensen met een handicap niet op specifieke en uitgebreidere wijze worden erkend in de voorgestelde verordening en dat er geen strengere normen worden vastgesteld voor de bescherming van de rechten van mensen met een handicap of mobiliteitsbeperking. Het is van essentieel belang dat de toegang van deze groepen tot vervoer wordt gegarandeerd.

Handhaving van de rechten van gehandicapten zou vervoersondernemers in de praktijk niet met nieuwe lasten opzadelen, aangezien de meeste verplichtingen in de voorgestelde verordening zijn afgeleid van bepalingen van andere communautaire wetgevingsinstrumenten, zoals Richtlijn 2001/85/EEG (1), waarin in de elfde overweging het volgende staat: „… is het eveneens noodzakelijk, in overeenstemming met het sociaal en het vervoerbeleid van de Gemeenschap, technische voorschriften vast te stellen om onder de richtlijn vallende voertuigen toegankelijk te maken voor personen met een mobiliteitshandicap; alles dient in het werk te worden gesteld om de toegankelijkheid van deze voertuigen te verbeteren.”

4.2.2.   Het EESC meent dan ook dat de nieuwe verplichtingen voor de vervoersondernemers beschouwd moeten worden als openbaredienstverplichtingen, waar een financiële compensatie tegenover moet staan, zoals vastgesteld door Verordening 1370/2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg.

4.2.3.   Doel is mensen met een mobiliteitsbeperking, met inbegrip van mensen die aan zwaarlijvigheid lijden, in staat te stellen om net als anderen met autobus en touringcar te reizen. Daarom steunt het EESC de voorgestelde regels om discriminatie te voorkomen en deze passagiers onderweg bijstand te verlenen, al schiet de verordening op dit punt nog wel tekort. Het EESC acht het in dit verband noodzakelijk dat verenigingen van vervoersondernemers en gehandicaptenverenigingen zich samen buigen over de toegankelijkheid van de vervoersdiensten.

4.2.4.   Als er spake is van een geldige reden, zoals de verkeersveiligheid, mag een vervoersondernemer weigeren een dienst toegankelijk te maken voor gehandicapten. Dit mag niet gebeuren uit louter economische overwegingen. Toegang mag alleen worden geweigerd om objectieve redenen die geen discriminatie inhouden, in verhouding staan tot het doel, op voorhand bekendgemaakt zijn en in beperkte zin geïnterpreteerd worden, aangezien er sprake is van een belemmering van het vrij verkeer van personen. Dit zijn onvervreemdbare rechten, zoals correct is vastgesteld in artikel 5 van de voorgestelde verordening.

4.2.5.   Het EESC roept de Commissie de procedure in te leiden voor standaardisering van de productie van rolstoelen en systemen voor het vastzetten van rolstoelen, zodat zij veilig in autobussen en touringcars gebruikt kunnen worden.

4.2.6.   Het EESC steunt initiatieven zoals vervoer op aanvraag, dat gehandicapten vaak een goed alternatief kan bieden. Het Comité zou dan ook graag zien dat dergelijke diensten in vervoersaanbestedingen worden opgenomen.

4.2.7.   Hoofdstuk III van de voorgestelde verordening bevat een verbod op het weigeren van toegang alsook bepalingen over het recht op bijstand in terminals en aan boord, de voorwaarden waaronder bijstand wordt verleend, het mededelen van informatie, en compensatie voor rolstoelen of mobiliteitshulpmiddelen. Deze bepalingen zijn weliswaar passend, maar nog wel voor verbetering vatbaar. Het EESC pleit voor het instellen van een prijs voor vervoersondernemers die meer doen dan datgene waartoe zij verplicht zijn en echt gehandicaptenvriendelijke vervoersdiensten aanbieden.

4.3.   Opleiding van personeel

4.3.1.   Volgens het EESC is opleiding van het grootste belang bij de dienstverlening aan gehandicapten. Het Comité hecht dan ook zijn volledige steun aan artikel 18. Dit biedt verenigingen van vervoersondernemers en gehandicaptenverenigingen ook een uitstekende gelegenheid om verder samen te werken, waarbij de gehandicaptenverenigingen de desbetreffende opleidingen zouden kunnen verzorgen.

4.4.   Schadevergoeding in geval van overlijden

4.4.1.   Het EESC erkent dat het nu soms te lang kan duren voordat afhankelijke nabestaanden van verkeersslachtoffers een voorschot op de schadevergoeding ontvangen. Anderzijds beschouwt het EESC vijftien dagen als een redelijke termijn voor de uitbetaling van een voorschot om de urgente economische nood te lenigen van de nabestaande gezinsleden, rekening houdend met de schade die zij hebben geleden, of van het slachtoffer zelf dat door een ongeval lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen.

4.4.2.   In dit verband pleit het EESC de verduidelijking in artikel 8 op te nemen dat onder afhankelijke nabestaande een minderjarige wordt verstaan die een ouder (resp. voogd) heeft verloren die in zijn levensonderhoud voorzag.

4.5.   Verlies van bagage

4.5.1.   Het EESC erkent dat de rechten van passagier bij verlies of diefstal van bagage in acht genomen moeten worden en dat zij dus recht hebben op schadevergoeding. Autobus- en touringcarondernemers zouden aansprakelijk gesteld moeten worden voor verlies van bagage die aan hun zorg is toevertrouwd. Ten behoeve van de rechtszekerheid zou de Commissie de bepalingen van artikel 9 van de voorgestelde verordening moeten verduidelijken; de huidige formulering is onduidelijk en kan in verschillende situaties verschillend worden uitgelegd.

4.5.2.   Het EESC wijst er in dit verband op dat de vervoersondernemer niet verplicht is de klant een incheckservice te bieden.

4.5.3.   Het EESC vindt ook dat er speciale bepalingen moeten komen voor verlies of beschadiging van uitrusting van gehandicapten.

4.6.   Informatie bij onderbreking van de reis

4.6.1.   Het EESC vindt dat alles in het werk gesteld moet worden om ervoor te zorgen dat passagiers tijdig op de hoogte worden gebracht van vertragingen of onderbrekingen. Dit neemt niet weg dat het soms bijzonder moeilijk is om dergelijke informatie door te geven. Gezien de aard van de stopplaatsen en het feit dat daar meestal geen personeel aanwezig is, is artikel 21 onpraktisch en uitermate moeilijk uit te voeren.

4.6.2.   Het EESC stelt voor dat de Commissie O&O-middelen aanwendt voor de ontwikkeling en invoering van ICT-instrumenten voor passagiersinformatiesystemen, waarmee tijdig betrouwbare informatie gegeven kan worden en die veilig op stopplaatsen geïnstalleerd kunnen worden. Ook pleit het voor de ontwikkeling van lichte, in de voertuigen te installeren informaticasystemen (ITS – intelligent transportation systems).

4.7.   Terminals in het autobus- en touringcarvervoer

4.7.1.   In de mededeling wordt meermalen verwezen naar terminals op de route van autobussen of touringcars. Er zij op gewezen dat dergelijke terminals nauwelijks bestaan; de weinige busterminals die er zijn behoren meestal toe aan een treinstation of een luchthaven. In de meeste andere gevallen is geen sprake van een terminal, maar slechts van een stopplaats waar geen personeel aanwezig is.

Brussel, 16 juli 2009.

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  PB L 42 van 13.2.2002, pag. 1-102


Top