Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52009AE0333

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG

OJ C 218, 11.9.2009, p. 30–35 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

11.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 218/30


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG

COM(2008) 627 final — 2008/0190 (COD)

2009/C 218/06

De Raad heeft op 30 oktober 2008 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 47, lid 2, eerste en derde zin, en artikel 95 van het EG-Verdrag te raadplegen over het

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG

De gespecialiseerde afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 3 februari 2009 goedgekeurd. Rapporteur was de heer MORGAN.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 25 en 26 februari 2009 gehouden 451e zitting (vergadering van 26 februari) onderstaand advies met 156 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 10 onthoudingen, goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

De steeds grotere toepassing van elektronische gegevensverwerking in de financiële dienstverlening doet vermoeden dat er al elektronisch geld bestaat. Cheques worden elektronisch gescand en gesorteerd en debetkaarten en creditcards worden door geld-, betaalautomaten en andere betalingsapparatuur elektronisch uitgelezen. Maar al deze toepassingen staan of vallen met de toereikendheid van een via een bankrekening beschikbaar krediet, waarvan de hoogte wordt bepaald door tegoeden of (zoals bij creditcards) vastgesteld is door een bank. Banken doen altijd onderzoek naar de kredietwaardigheid en betrouwbaarheid van hun klanten en verstrekken op basis daarvan chequeboekjes, debetkaarten en creditcards. De toegang tot dit elektronische kredietsysteem hangt dus af van kredietwaardigheid, waardoor een aantal bevolkingsgroepen daaraan niet mee kunnen doen. Dat zijn de banklozen en degenen die slechts gedeeltelijk gebruik kunnen maken van de beschikbare bankdiensten.

1.2

Elektronisch geld (e-geld) is in dit opzicht anders: het is niet gebaseerd op krediet, maar vereist een vooruitbetaling. Het vooruitbetaalde bedrag wordt vervolgens omgezet in een elektronisch tegoed (een substituut voor contant geld), dat wordt bewaard op een elektronisch medium en beheerd door een uitgever van e-geld. Het elektronisch medium met het tegoed kan een (kleine) informatiedrager zijn (meestal in de vorm van een prepaidkaart) of een online rekening die toegankelijk is via internet. Met e-geld kunnen op meerdere plaatsen (zoals verkooppunten) of online (via mobiele telefoon of internet) bedragen zonder contant geld te gebruiken, worden betaald. Meestal zijn die bedragen relatief klein. Het bezit van e-geld houdt niet direct verband met kredietwaardigheid. Er wordt alleen een vooruitbetaling vereist.

1.3

E-geld zal nooit volledig in de plaats kunnen komen van contant geld. Het zal waarschijnlijk niet het kistje met biljetten van 500 euro kunnen vervangen dat iemand onder zijn matras bewaart, maar het zou wel kunnen worden gebruikt voor de transacties waarvoor mensen nu nog munten en bankbiljetten bij zich dragen. Toch wordt e-geld tot nu toe nog maar erg weinig gebruikt. Succesvolle initiatieven hielden verband met ontwikkelingen in de informatiemaatschappij. Toepassingen van e-geld moeten daarom gelijke tred houden met de evolutie van de informatiemaatschappij. E-geld moet het geld van de informatiemaatschappij worden. De mate waarin in de toekomst van e-geld gebruik zal worden gemaakt, hangt af van initiatieven van ondernemers en technische innovaties in de informatiemaatschappij. Het doel van de voorgestelde richtlijn is om obstakels die uitvindingen en innovaties belemmeren, uit de weg te ruimen. Het EESC staat achter die doelstelling.

1.4

Eind jaren negentig constateerde de Europese Commissie dat alleen kredietinstellingen optraden als uitgevers van e-geld, en trachtte ze de kring van bedrijven die deze dienst aanboden, te vergroten. Om de markt te ontwikkelen voerde ze de Richtlijn Elektronisch Geld (REG; nr. 2000/46/EG) in. Doel van die Richtlijn was de toegang tot de e-geldmarkt voor niet-kredietinstellingen (e-geldinstellingen) te vergemakkelijken.

1.5

De REG was erop gericht een regelgevingskader in te voeren dat was afgestemd op het risico dat was verbonden met nieuwe e-geldinstellingen en waarin technologie en innovatie tot bloei zouden kunnen komen. Dit initiatief was echter geen onverdeeld succes. E-geld levert nog lang niet de potentiële voordelen op die ervan verwacht worden, en wordt nog niet als een reëel alternatief voor contant geld beschouwd.

1.6

Naar aanleiding hiervan heeft de Commissie de ontwikkelingen inzake e-geld uitvoerig geëvalueerd en geconcludeerd dat een aantal bepalingen uit de REG de ontwikkeling van de e-geldmarkt en technologische innovaties belemmert. Uit het raadplegings- en evaluatieproces kwamen twee belangrijke knelpunten naar voren. Ten eerste de onduidelijke definitie van e-geld en het toepassingsgebied van de REG. Ten tweede het regelgevingskader, waaronder de prudentiële voorschriften en de toepassing van antiwitwasbepalingen op e-gelddiensten. De Commissie stelde vast dat de meeste bepalingen uit de REG zouden moeten worden gewijzigd. Daarom besloot ze de bestaande richtlijn te vervangen door een nieuwe. Het voorstel hiertoe, COM(2008) 627 final, is onderwerp van dit advies.

1.7

De nieuwe richtlijn moet de ontwikkeling van nieuwe, innovatieve en veilige e-gelddiensten mogelijk maken, nieuwkomers toegang bieden tot de markt en echte, doeltreffende concurrentie tussen alle marktdeelnemers bevorderen. Volgens het EESC komt dit initiatief op het juiste moment, omdat de deelname van consumenten aan de informatiemaatschappij sinds een jaar of tien explosief is gegroeid en er daarom nu onder de oppervlakte een grote, nog onbeantwoorde behoefte bestaat aan gebruiksvriendelijke e-geldtoepassingen. Met de nieuwe richtlijn wordt onder meer beoogd de obstakels uit de weg te ruimen die ondernemers belemmeren initiatieven te nemen om aan deze behoefte te voldoen.

1.8

De invoering van een nieuw regelgevingskader in de financiële sector is echter een netelige kwestie in het licht van de huidige bankencrisis en de algemene bezorgdheid over de effectiviteit van de bestaande regelgeving voor de bancaire sector. Desondanks is het EESC tevreden over het voorgestelde kader, dat adequaat en van de juiste omvang is. De nieuwe regelgeving is niet van toepassing op banken, de instellingen die verantwoordelijk zijn voor de kredietcrisis. De verlaging van het vereiste aanvangskapitaal is alleen bedoeld om de e-geldmarkt toegankelijker te maken. De kapitaalreserves van een e-geldinstelling zullen in verhouding staan tot die van banken. Middelen afkomstig uit tegoeden van cliënten zullen specifiek worden beschermd en mogen lang niet overal in worden geïnvesteerd. Met e-geldtransacties zijn zeer geringe bedragen gemoeid. Voor het geval e-geldinstellingen echt belangrijke spelers op de betalingsmarkt worden is er voorzien in bepalingen waarmee de richtlijn op grond van praktijkervaringen kan worden gewijzigd.

1.9

Het EESC betwijfelt of de richtlijn de consument wel voldoende beschermt. Het verzoekt de Commissie daarom de in de ontwerptekst geformuleerde beperkingen aan de investeringen die met kasmiddelen kunnen worden gedaan, te wijzigen, in de richtlijn een bepaling op te nemen inzake de onmiddellijke omzetting van ontvangen geldsommen in e-geld alsmede de kasmiddelen van hybride instellingen specifiek te beschermen en de vergoeding voor vervroegde terugbetaling af te schaffen.

1.10

Contant geld is anoniem. Bij eenvoudige contante transacties blijft de identiteit van de betaler onbekend. Transacties met e-geld kunnen zowel anoniem als niet-anoniem zijn. De verhoging van de voor klantenonderzoeksmaatregelen geldende limiet naar 500 euro maakt e-geld aantrekkelijker voor potentiële gebruikers, met name banklozen en degenen die slechts gedeeltelijk gebruik kunnen maken van de beschikbare bankdiensten. Hoewel deze nieuwe limiet er begrijpelijkerwijs niet toe zal leiden dat er enorme sommen contant geld kunnen worden witgewassen, heeft het EESC daar toch enkele bedenkingen bij.

1.11

De productie van bankbiljetten en munten kost geld en het gebruik ervan brengt ook kosten met zich mee voor banken, winkeliers en handelaars. Het staat echter vast dat de Europese burgers gehecht zullen blijven aan contant geld als betaalmiddel en waardereserve. Zo valt er in de huidige periode van onzekerheid een enorme stijging waar te nemen van het aantal in omloop zijnde bankbiljetten.

1.12

Daar zal de richtlijn in zijn eentje geen verandering in kunnen brengen. De richtlijn zal wel obstakels uit de weg kunnen ruimen die het bedrijfsleven hinderen en technologische innovatie belemmeren. Geen enkele overheid kan haar burgers verplichten e-geld te gebruiken. De banken bevinden zich in de positie om het voortouw te nemen, maar afgezien van het relatieve succes van de protonkaart (chipknip) in België hebben ze nog maar weinig vooruitgang geboekt. Chipkaarten voor het openbaar vervoer, telefoonkaarten en de handel via internet laten duidelijk zien dat IT-toepassingen bijdragen aan een grootschaliger gebruik van e-geld. Bovendien is e-geld vaak een bijproduct van een andere activiteit; de uitgever ervan is dikwijls een hybride bedrijf dat zich ook met andere zaken bezighoudt. De combinatie van de uitgifte van e-geld met andere bedrijfsactiviteiten lijkt essentieel te zijn voor de opkomst van e-geld. De richtlijn beoogt om ontwikkelingen op dit vlak te stimuleren en kan daarom rekenen op de steun van het EESC.

1.13

De voorstellen t.a.v. de antiwitwasregels baren het EESC grote zorgen. Het is onaanvaardbaar dat er op grond van twee richtlijnen verschillende limieten gelden, hetgeen leidt tot rechtsonzekerheid. Als de limieten uit deze richtlijn primeren, dan moet de Antitwitwasrichtlijn worden aangepast.

1.14

Het EESC roept alle lidstaten met klem op om bij de uitvoering van de nieuwe richtlijn een positief beleid te voeren. Het is belangrijk dat regels in overleg met het bedrijfsleven worden ontwikkeld en zo worden vormgegeven dat ze geen last zijn voor uitgevers van e-geld of hun cliënten, omdat met de transacties geringe bedragen zijn gemoeid. Nationale overheden kunnen afhankelijk van de aanpak die zij kiezen, de ontwikkeling van deze opkomende sector bevorderen of de kop indrukken. Het EESC is van mening dat e-geldondernemingen in alle lidstaten moeten worden ondersteund.

1.15

Deze richtlijn is belangrijk. Zij heeft mogelijk verstrekkende gevolgen. Het EESC pleit ervoor dat de huidige en potentiële spelers op de e-geldmarkt hun sterke en zwakke punten, en hun kansen en bedreigingen in het licht van deze richtlijn opnieuw tegen elkaar afwegen. De markt krijgt nu een tweede kans.

2.   Inleiding

2.1

In de paragrafen 2.2, 2.3 en 2.4 komen de belangrijkste kenmerken van e-geld aan de orde en wordt de verwevenheid tussen e-geld en de informatiemaatschappij besproken. Er bestaan tal van voorbeelden van hoe de deelname van consumenten aan de informatiemaatschappij leidt tot het gebruik van e-geld.

2.2

Eén van die voorbeelden is de RFID-kaart (1). Op de in deze kaart geïntegreerde RFID-chip kunnen geldbedragen worden opgeslagen, een toepassing die al veel door openbaarvervoersmaatschappijen wordt benut. Zo werd in 1997 in Hongkong de Octopus-kaart ingevoerd. Dat is een oplaadbare contactloze chipkaart waarop een tegoed wordt bewaard. Met de Octopus-kaart kan niet alleen worden betaald voor bijna al het openbaar vervoer in Hongkong, maar ook in winkeltjes, supermarkten, fastfoodrestaurants, parkeermeters, drank- en snoepautomaten enz. 95 % van de inwoners van Hongkong (16-65 jaar) maakt gebruik van de Octopus-kaart. Die vormt een illustratie van hoe de benutting door consumenten van een IT-toepassing leidt tot een grootschaliger gebruik van e-geld. In Londen is de Oyster-kaart nu algemeen ingevoerd in het openbaar vervoer. Ook dat is een contactloze RFID-kaart. Houders van de Oyster-kaart hopen dat die ook gebruikt zal kunnen gaan worden in krantenkiosken, winkeltjes en fastfoodcorners in en rond vervoersknooppunten en stations. Omdat RFID-kaarten op steeds grotere schaal worden toegepast, zullen dit soort ontwikkelingen in het Verenigd Koninkrijk en andere lidstaten zeker plaatsvinden.

2.3

Een ander, bekender voorbeeld zijn de prepaidkaarten voor mobiele telefoons. Daarmee kan al worden betaald voor allerlei zeer uiteenlopende diensten, zoals bijstand door computerhelpdesks, deelname aan prijsvragen, liefdadigheidsacties en interactieve spelletjes, volwassenenentertainment en nieuws- en informatiediensten. Prepaid chipkaarten voor het openbaar vervoer en prepaid telefoonkaarten worden beschouwd als e-geld wanneer het tegoed op de kaart ook wordt geaccepteerd door andere ondernemingen dan de vervoersmaatschappij resp. telefoonaanbieder.

2.4

Het internet bevordert ook het gebruik van e-geld, want e-geld voldoet aan twee grote behoeften. Als consumenten door een bedrijf aangeboden goederen of diensten via het internet willen kopen, moeten zij daar meestal meteen voor betalen. Voor banklozen is het dan direct einde verhaal, omdat zij niet over een debetkaart of creditcard beschikken. Dankzij e-geld kunnen ook zij profiteren van internetkoopjes. Op het internet vinden ook steeds meer transacties tussen consumenten plaats (c2c), onder invloed van veilingsites zoals e-Bay. Consumenten kunnen elkaar niet betalen met debetkaarten of creditcards, maar moeten voor hun onderlinge transacties het veilige e-geld gebruiken. Dit verklaart de opkomst van systemen zoals PayPal (2), dat een symbiotische relatie heeft met e-Bay.

2.5

Chipkaarten voor het openbaar vervoer, telefoonkaarten en de handel via internet laten zien dat IT-toepassingen bijdragen aan een grootschaliger gebruik van e-geld. Ze laten ook zien dat e-geld het bijproduct kan zijn van een andere activiteit; de uitgever ervan is dikwijls een hybride bedrijf. De combinatie van de uitgifte van e-geld met andere bedrijfsactiviteiten lijkt essentieel te zijn voor de opkomst van e-geld. In de nieuwe richtlijn is daarmee rekening gehouden.

2.6

Kredietinstellingen zoals banken hebben alle noodzakelijke kenmerken om als uitgevers van e-geld op te treden en zijn bovendien onderworpen aan adequate regelgeving. Tot op zekere hoogte hebben kredietinstellingen het initiatief genomen tot de uitgifte van e-geld. Zo is de Belgische protonkaart het product van een bankconsortium. Deze kaart is een combinatie van een debetkaart en een chipkaart (voor betalingen met e-geld) en wordt door bankrekeninghouders op grote schaal gebruikt. Er is een kans dat meer van dergelijke gecombineerde kaarten met een contactloze e-geldfunctie (RFID-technologie) op de markt komen. Desondanks is het duidelijk dat e-geld en andere producten van kredietinstellingen, zoals debetkaarten en creditcards, elkaars concurrenten zijn.

2.7

Het geringe aantal e-geldinstellingen met een volledige vergunning (20 e-geldinstellingen en 127 entiteiten met een ontheffing) en de geringe hoeveelheid uitgegeven e-geld (op dit moment bedraagt de totale hoeveelheid e-geld in de EU 1 miljard euro, tegenover meer dan 600 miljard euro aan contant geld) laten zien dat e-geld in de meeste lidstaten nog niet is aangeslagen. Bovendien is sinds de invoering van de euro in 2002 de hoeveelheid contant geld die in omloop is, gestaag toegenomen.

2.8

Naar aanleiding hiervan heeft de Commissie de ontwikkelingen rondom e-geld uitvoerig geëvalueerd. Uit het raadplegings- en evaluatieproces kwamen twee belangrijke knelpunten naar voren t.a.v. de bestaande Richtlijn Elektronisch Geld (REG). Ten eerste de onduidelijke definitie van e-geld en het toepassingsgebied van deze richtlijn. Ten tweede het regelgevingskader, waaronder de prudentiële voorschriften en de toepassing van antiwitwasbepalingen op e-gelddiensten.

2.9

Bovendien wordt in november 2009 de Betalingsdienstenrichtlijn (BDR; nr. 2007/64/EG) van kracht. Die richtlijn is hier van belang omdat daarmee een speciale regeling wordt ingevoerd voor betalingsinstellingen, vergelijkbaar met die voor e-geldinstellingen. De BDR is niet verenigbaar met de REG, hetgeen onvermijdelijk tot meer rechtsonzekerheid zal leiden, tenzij de REG wordt herzien.

2.10

Op basis van dit alles stelde de Commissie vast dat de meeste bepalingen uit de REG zouden moeten worden gewijzigd. Daarom besloot ze de bestaande richtlijn te vervangen door een nieuwe. Het voorstel daartoe is onderwerp van dit advies.

3.   Samenvatting van het richtlijnvoorstel

3.1   Deze richtlijn moet de ontwikkeling van nieuwe, innovatieve en veilige e-gelddiensten mogelijk maken, nieuwkomers toegang bieden tot de markt en echte, doeltreffende concurrentie tussen alle marktdeelnemers bevorderen. Verwacht wordt dat innovatie op de betalingsmarkt de consument, het bedrijfsleven en de economie als geheel tastbare voordelen zal opleveren. Creatieve oplossingen zouden moeten leiden tot snellere betalingen, meer gebruiksgemak en nieuwe mogelijkheden voor de e-samenleving van de 21e eeuw.

3.2   De definitie van elektronisch geld wordt in het voorstel verduidelijkt: „een monetaire waarde vertegenwoordigd door een vordering op de uitgever, welke elektronisch is opgeslagen en is uitgegeven in ruil voor ontvangen geld” (art. 2, lid 2). Hieronder vallen niet prepaid instrumenten die voor slechts één doel zijn bestemd (gesloten netwerk) en die slechts op beperkte schaal kunnen worden gebruikt (art. 1, lid 3 en 4).

3.3   Het toepassingsgebied van de nieuwe richtlijn maakt de markt toegankelijker, omdat daaronder ook online (server based) e-geld valt alsmede uitgevers van multifunctionele elektronische instrumenten, zoals RFID-kaarten en mobiele telefoonkaarten (open netwerk).

3.4   De activiteiten van e-geldinstellingen worden in de artikelen 8 en 9 ruimer gedefinieerd. Daarbij vallen twee zaken op. Ten eerste mogen meer uiteenlopende betalingsdiensten worden aangeboden, die zijn omschreven in de bijlage bij de BDR, zoals kredietverstrekking, bepaalde bijkomende diensten en de exploitatie van betalingssystemen. Ten tweede mogen de uitgevers van e-geld in het kader van hun gewone bedrijfsuitoefening nog andere activiteiten ontplooien, bijvoorbeeld op het vlak van detailhandel of telecommunicatie. Is dit laatste het geval, dan hoeft niet langer een onafhankelijke e-geldinstelling te worden opgezet, maar zullen de e-geldmiddelen beschermd moeten worden overeenkomstig de bepalingen uit de BDR. Aldus worden hybride e-geldinstellingen op de markt toegelaten, wat de uitgifte van e-geld zal bevorderen.

3.5   De bepalingen omtrent het recht op terugbetaling beschermen de consument. Dit recht wordt in artikel 5 toegelicht: „de lidstaten zien erop toe dat uitgevers van elektronisch geld de nominale monetaire waarde van het aangehouden elektronisch geld steeds terugbetalen wanneer de houder daarom verzoekt”. De bepalingen inzake terugbetaalbaarheid leidden in het verleden tot problemen voor mobieletelefonieaanbieders die prepaid telefoonkaarten verkochten met de optie die ook in winkels te gebruiken, maar dergelijke kaarten vallen nu onder artikel 5.

3.6   De prudentiële voorschriften zijn in het algemeen in overeenstemming met de desbetreffende artikelen uit de BDR. Er zijn echter specifieke bepalingen geformuleerd om deze voorschriften beter af te stemmen op de potentiële risico’s. Die bepalingen betreffen een aantal aspecten.

3.6.1

De REG bepaalde dat een e-geldinstelling over een aanvangskapitaal van 1 miljoen euro moest beschikken. Dit bedrag wordt nu als veel te hoog beschouwd in verhouding tot de potentiële risico’s en gezien als belemmering voor de oprichting van innovatieve mkb’s in de e-geldsector. Daarom wordt in de nieuwe richtlijn een aanvangskapitaal vereist van slechts 125 000 euro.

3.6.2

Naast het vereiste aanvangskapitaal moeten e-geldinstellingen ook een bepaald percentage van hun uitstaande financiële verplichtingen aanhouden als kasmiddelen (eigen vermogen). In de REG bedroeg dit percentage 2 %. Dat wordt nu 5 %, maar dit percentage neemt geleidelijk af als de hoeveelheid e-geld groeit – te berekenen op basis van het bedrag aan uitstaand e-geld of het maandelijks betalingsvolume, als dat hoger is.

3.6.3

Er zijn beperkingen gesteld aan het doen van investeringen met kasmiddelen die een uitstaande elektronische waarde vertegenwoordigen, maar uitsluitend wanneer de uitgever zich bezighoudt met activiteiten die niets met betalingen te maken hebben (artikel 9).

3.6.4

De voorgestelde wijzigingen op de derde Antiwitwasrichtlijn zijn in overeenstemming met de behoeften van het bedrijfsleven en met de praktijk in de sector. De inzake klantenonderzoek gestelde limiet aan de hoeveelheid e-geld die op een niet-oplaadbare drager mag worden uitgegeven in ruil voor contant geld, wordt verhoogd van 150 naar 500 euro (art. 16).

3.6.5

Op grond van de REG konden de lidstaten ontheffingen verlenen van veel vergunningsvereisten om voor nieuwe spelers de markt toegankelijker en innovatie gemakkelijker te maken. De lidstaten pasten deze ontheffingen echter niet consequent toe, wat tot ongelijke concurrentievoorwaarden voor de marktpartijen leidde. De nieuwe richtlijn voorziet nog steeds in ontheffingen (art. 10), maar – zoals aangegeven in de desbetreffende artikelen van de BDR – mogen e-geldinstellingen met een ontheffing niet over de lidstaatsgrenzen heen opereren. Bij ontheffingen gelden er met andere woorden geen „paspoortprocedures”.

4.   Het economische en sociale perspectief

4.1   Het EESC hecht veel belang aan ontwikkelingen die de verwezenlijking van de Lissabondoelstellingen dichterbij brengen. Het steunt dan ook dit richtlijnvoorstel, omdat het de Lissabondoelstellingen voor groei en werkgelegenheid bevordert door stimulering van onder meer technologische innovatie, ondernemerschap, creativiteit op het internet en de oprichting van mkb’s. Dit alles draagt tevens bij aan de ontwikkeling van de e-samenleving van de 21e eeuw.

4.2   De invoering van een nieuw regelgevingskader in de financiële sector is echter een netelige kwestie in het licht van de huidige bankencrisis en de algemene bezorgdheid over de effectiviteit van de bestaande regelgeving voor de bancaire sector. Desondanks is het EESC tevreden over het voorgestelde kader – dat adequaat en van de juiste omvang is – en wel om de volgende redenen:

De regels zijn bestemd voor innovatieve kleine en middelgrote ondernemingen uit de betalingssector. De huidige bancaire crisis ontstond ten gevolge van de kredietrisico’s die banken liepen. E-geldinstellingen mogen m.b.v. de tegoeden van hun cliënten geen kredieten verstrekken, waardoor dit soort risico’s zijn uitgesloten.

De criteria inzake eigen vermogen (parr. 3.6.1 en 3.6.2) leiden ertoe dat het verplichte aanvangskapitaal van 125 000 euro geleidelijk stijgt naarmate het bedrag aan uitstaand e-geld toeneemt. De verlaging van het verlangde aanvangskapitaal is alleen bedoeld om de e-geldmarkt toegankelijker te maken. De richtlijn stelt aanzienlijke kapitaalvereisten aan grote uitstaande sommen e-geld.

De kapitaalreserves van een e-geldinstelling zullen in verhouding staan tot die van banken; middelen afkomstig uit tegoeden van cliënten zullen specifiek worden beschermd en mogen lang niet overal in worden geïnvesteerd.

Met e-geldtransacties zijn zeer geringe bedragen gemoeid. Voor het geval e-geldinstellingen echt belangrijke spelers op de betalingsmarkt worden is er is voorzien in bepalingen waarmee de richtlijn op grond van praktijkervaringen kan worden gewijzigd.

4.3   Het EESC betwijfelt of de richtlijn de consument wel voldoende beschermt en verzoekt de Commissie daarom in de ontwerptekst een aantal zaken te wijzigen.

4.3.1

De geformuleerde beperkingen aan de investeringen die met kasmiddelen kunnen worden gedaan, gelden momenteel alleen voor hybride e-geldinstellingen. Om de consument meer zekerheid te geven, zouden die beperkingen op alle e-geldinstellingen van toepassing moeten zijn.

4.3.2

E-geldinstellingen mogen geld van cliënten niet aanhouden als deposito’s. Zij moeten ontvangen geldsommen onmiddellijk omzetten in e-geld. Deze waarborg wordt in de richtlijn niet nauwkeurig omschreven.

4.3.3

In artikel 9 moet expliciet worden geformuleerd dat hybride instellingen de kasmiddelen die betrekking hebben op uitstaand e-geld specifiek moeten beschermen.

4.3.4

Artikel 5, lid 4, bepaalt dat geen vergoeding in rekening mag worden gebracht voor terugbetaling op de datum van beëindiging van de overeenkomst. Op grond van lid 5 van ditzelfde artikel mag dat wel mag gebeuren bij terugbetaling vóór het einde van de overeenkomst. Die laatste bepaling zou moeten worden geschrapt, omdat er geen verschil is tussen terugbetaling tijdens en aan het eind van de overeenkomst en hierdoor waarschijnlijk veel overeenkomsten op gezette tijden zullen worden beëindigd, hetgeen strijdig is met het prudentiële vereiste dat men de cliënt leert kennen.

4.4   Vanwege culturele verschillen lopen de opvattingen van de inwoners van de EU over contant geld en technologie uiteen. Cijfers over het gebruik van e-mail en internet zijn een indicatie voor de mate waarin e-geld waarschijnlijk zal worden geaccepteerd. Een andere belangrijke factor vormt de samenstelling van de detailhandel en dienstensector. Het is aannemelijk dat grotere bedrijven pioniers zullen zijn in het gebruik van e-geld. Gelet op deze en andere meer psychologische aspecten zou het niet verstandig zijn om uit te gaan van een uniform acceptatietempo van e-geld in de gehele EU.

4.5   Van de circa twintig tot dusver erkende e-geldinstellingen hebben er vijftien in het Verenigd Koninkrijk een vergunning gekregen. Het positieve beleid van de Britse financiële toezichthouder (FSA) t.a.v. e-geld heeft daaraan bijgedragen. Zo heeft de FSA het bedrijfsleven geraadpleegd om er zeker van te zijn dat de regelgeving in de praktijk uitvoerbaar was. Die aanpak bleek erg succesvol. Het EESC roept alle lidstaten met klem op om bij de uitvoering van de nieuwe richtlijn een even positief beleid te voeren. Dergelijk beleid moet leiden tot een grotere acceptatie van e-geld in de gehele EU.

4.6   De voorstellen t.a.v. de antiwitwasregels baren het EESC grote zorgen. De derde Antiwitwasrichtlijn omvat een artikel op grond waarvan de lidstaten wat e-geld betreft klantenonderzoeksmaatregelen niet hoeven toe te passen of kunnen uitstellen (vereenvoudigde klantenonderzoeksmaatregelen) indien niet meer dan 150 euro is opgeslagen op een niet-oplaadbare drager of niet meer dan 2 500 euro per kalenderjaar op een oplaadbare drager wordt opgeslagen. De desbetreffende limieten in zowel de BDR als in de voorgestelde herziening van de REG bedragen resp. 500 en 3 000 euro. Het is onaanvaardbaar dat er op grond van twee richtlijnen verschillende limieten gelden, hetgeen leidt tot rechtsonzekerheid. Als de limieten uit deze richtlijn primeren, dan moet de Antitwitwasrichtlijn worden aangepast.

4.7   Contant geld is anoniem. Bij eenvoudige contante transacties blijft de identiteit van de betaler onbekend. Transacties met e-geld kunnen zowel anoniem als niet-anoniem zijn. Eén van de problemen met de uitvoering van de REG door de lidstaten was dat het „ken-uw-cliënt”-principe vaak te strikt werd toegepast. Veel gebruikers zullen bij transacties van geringe waarde graag anoniem willen blijven. Kenmerkend voor de uitvoering van de REG in het Verenigd Koninkrijk was dat „ken-uw-cliënt”-maatregelen pas gingen gelden als een cliënt zeer actief was. De verhoging van de voor dit soort maatregelen geldende limiet naar 500 euro maakt e-geld aantrekkelijker voor potentiële gebruikers, met name banklozen en degenen die slechts gedeeltelijk gebruik kunnen maken van de beschikbare bankdiensten. Hoewel deze nieuwe limiet er begrijpelijkerwijs niet toe zal leiden dat er enorme sommen contant geld kunnen worden witgewassen, heeft het EESC daar toch enkele bedenkingen bij.

4.8   E-geld stimuleert ook de financiële integratie. In een samenleving waar er steeds vaker van wordt uitgegaan dat betalingen met debetkaart of creditcard gebeuren, is het aantrekkelijk een kaart aan te schaffen die voor zowel credit- als debettransacties kan worden gebruikt. Sommige bevolkingsgroepen zouden veel baat hebben bij een dergelijke mogelijkheid, zoals immigranten, banklozen, degenen die slechts gedeeltelijk gebruik kunnen maken van de beschikbare bankdiensten, en in bepaalde gevallen jongeren en gehandicapten. Het EESC waarschuwt dat dit ook de meest kwetsbare groepen zijn vanuit het oogpunt van consumentenbescherming. De lidstaten moeten bij de uitvoering van de richtlijn met dit gegeven rekening houden.

Brussel, 26 februari 2009.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Mario SEPI


(1)  Bij RFID (Radio Frequency Identification) wordt gebruik gemaakt van een elektronische chip, die in verschillende soorten dragers kan worden geïntegreerd. De chip wordt door een draadloze lezer uitgelezen Daarvoor hoeft de kaart de lezer alleen maar aan te raken. Dit wordt een „contactloze” toepassing genoemd. Toegangspasjes zoals die in het EESC worden gebruikt, zijn RFID-kaarten.

(2)  PayPal begon als e-geldinstelling en stond aanvankelijk onder controle van de Britse financiële toezichthouder (FSA). In de loop der tijd ontwikkelde het zich tot kredietinstelling en is nu gevestigd in Luxemburg.


Top