Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52008PC0402

Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) {SEC(2008) 2121} {SEC(2008) 2122}

/* COM/2008/0402 def. - COD 2008/0154 */

No longer in force, Date of end of validity: 25/11/2009

52008PC0402




NL

Brussel, 16.7.2008

COM(2008) 402 definitief

2008/0154 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS)

(door de Commissie ingediend)

{SEC(2008) 2121}

{SEC(2008) 2122}

TOELICHTING

1. Achtergrond van het voorstel

110

1.1. Motivering en doel van het voorstel

Het communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (hierna ‘EMAS’ genoemd) is oorspronkelijk ingesteld in 1993 [1] en is in 2001 herzien bij Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) [2], die momenteel van kracht is.

Doel van dit voorstel is het systeem te versterken door de doeltreffendheid ervan te vergroten en het aantrekkelijker te maken voor organisaties, teneinde ervoor te zorgen dat:

· meer organisaties het systeem toepassen [3],

· EMAS wordt erkend als maatgevend milieubeheersysteem,

· organisaties die andere milieubeheersystemen toepassen, in staat worden gesteld hun systeem tot EMAS op te waarderen,

· effecten tot stand worden gebracht die verder reiken dan de het kader van EMAS geregistreerde organisaties, door van die organisaties te verlangen dat zij milieuoverwegingen een rol laten spelen bij de keuze van hun leveranciers van goederen en diensten.

De voorgestelde veranderingen zijn hoofdzakelijk inhoudelijk van aard en zijn vooral gericht op de behoeften van kleine organisaties (kmo’s en kleine overheidsinstanties), de institutionele regelingen en de koppelingen met andere communautaire beleidsinstrumenten.

120

1.2. Algemene context

Krachtens artikel 15 van de EMAS-verordening is de Commissie ertoe gehouden EMAS in het licht van de opgedane ervaring te evalueren en het Europees Parlement en de Raad passende wijzigingen voor te stellen.

Het is in die context dat in 2005 een grootschalig evaluatieonderzoek van de EMAS-regeling is uitgevoerd. Dit evaluatieonderzoek heeft, in combinatie met bijdragen van de diverse belanghebbende partijen, de sterke en zwakke punten van het systeem aan het licht gebracht en heeft geresulteerd in voorstellen om de doeltreffendheid van de verordening te verbeteren.

130

1.3. Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied

Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS).

140

1.4. Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de EU

De herziening van EMAS is een onderdeel van het pakket maatregelen dat de mededeling van de Commissie over een actieplan voor duurzame consumptie en productie vergezelt, die in juni/juli 2008 zal worden aangenomen. Dat actieplan beoogt een fundamentele bijsturing van het gedragspatroon van consumenten en producenten ten gunste van betere producten, schonere en zuinigere productie en slimmere consumptie. Naast de herziening van EMAS omvat het maatregelenpakket ook een herziening van de milieukeurverordening en een mededeling over overheidsopdrachten voor een beter milieu.

2. Raadpleging van belanghebbende partijen en effectbeoordeling

2.1. Raadpleging van belanghebbende partijen

211

Wijze van raadpleging, belangrijkste geraadpleegde sectoren en algemeen profiel van de respondenten

De diensten van de Commissie houden permanent contact met vertegenwoordigers van de lidstaten en met de verschillende bij het EMAS-proces betrokken partijen teneinde de praktische toepassing van de regeling van nabij te kunnen volgen.

De instanties van de lidstaten die de EMAS-regeling beheren (de bevoegde instanties en erkenningsinstanties) hebben een aantal vergaderingen van belanghebbenden en seminars over de toekomst van EMAS georganiseerd en aanbevelingen voor de herziening van EMAS geformuleerd.

De lidstaten, vertegenwoordigd in het comité ex artikel 14 van de EMAS-verordening, zijn in elk stadium van het herzieningsproces geraadpleegd en hebben hun bijdrage geleverd tot de herziening [4].

De Commissie heeft vier werkgroepvergaderingen [5] en een herzieningsworkshop [6] georganiseerd met een aantal EMAS-deskundigen (EMAS-verificateurs, consultants, erkenningsinstanties en bevoegde instanties).

De Commissie heeft een aantal lidstaten bezocht om adviezen over de herziening van de verordening in te winnen. Bij die gelegenheid hebben de lidstaten en andere belanghebbende partijen hun visie op de toekomst van de regeling uiteengezet.

Door een consortium van consultants is ten behoeve van DG Milieu een grootschalig evaluatieonderzoek over EMAS en de milieukeur uitgevoerd (het 'EVER'-onderzoek). Daarbij is gepeild naar het beeld dat Europese organisaties qua motieven, succesfactoren en voordelen van EMAS hebben, en zijn aanbevelingen voor de herziening van de regeling geformuleerd. De bevindingen zijn gepresenteerd, besproken en nader uitgewerkt tijdens twee in september 2005 gehouden workshops, waaraan is deelgenomen door deskundigen, instellingen, bedrijven, mensen uit de praktijk en ngo's.

Het REMAS-project, een driejarig project dat via het communautaire instrument LIFE (Milieu) is gefinancierd en door het Environment Agency, het Scottish Environment Protection Agency en het Institute of Environmental Management and Assessment in het Verenigd Koninkrijk en het Environmental Protection Agency in Ierland is uitgevoerd, is in mei 2006 afgerond. In het kader van dat project is via een gedetailleerde statistische analyse de invloed bepaald van verschillende types milieubeheersystemen op de milieubeheeractiviteiten op een locatie, alsook het uiteindelijke effect daarvan op de naleving van de wettelijke voorschriften en de prestaties in vergelijking met de beste beschikbare technieken.

212

Samenvatting van de reacties en de manier waarop daarmee rekening is gehouden

Het EVER-onderzoek bracht aan het licht dat EMAS wordt gezien als een manier om de zorg voor het milieu in het collectieve waardesysteem van een organisatie te integreren en het bedrijfsimago te verbeteren. EMAS wordt niet louter gezien als een systeem om de aan afvalverwijdering, energieverbruik enz. verbonden kosten te drukken, maar ook als een signaal van milieuvriendelijkheid.

Milieuverbeteringen, een versterkt imago en kostenbesparingen worden als de veruit belangrijkste voordelen van de deelneming aan EMAS aangemerkt. Hoewel bijna de helft van de respondenten in het EVER-onderzoek van mening was dat de voordelen van EMAS niet helemaal opwegen tegen de financiële kosten, beschouwde meer dan twee derde EMAS als succesvol wanneer zowel de niet-financiële als de financiële kosten en baten in aanmerking worden genomen.

Het REMAS-project toonde aan dat de toepassing van een erkend en gecertificeerd milieubeheersysteem de milieubeheeractiviteiten op een locatie ten goede komt en dat er aanwijzingen zijn dat het milieubeheer in zijn totaliteit beter is bij EMAS dan bij andere systemen [7].

Anderzijds komt uit de studies naar voren dat het volledige penetratiepotentieel van EMAS nog niet is gerealiseerd. De aan EMAS verbonden kosten, de relatieve vrijblijvendheid en de bureaucratische rompslomp werden door de respondenten in het EVER-onderzoek genoemd als de drie belangrijkste redenen om EMAS niet in te voeren. Hoewel het aantal EMAS-registraties gestaag blijft toenemen (momenteel zijn in de Gemeenschap al meer dan 5000 organisaties geregistreerd), gaat het nog steeds maar om een zeer kleine fractie van het aantal organisaties dat van EMAS gebruik zou kunnen maken.

Deze conclusies werden door de meeste geraadpleegde belanghebbenden onderschreven. Daarmee is door de diensten van de Commissie dan ook rekening gehouden bij het onderzoek van de verschillende herzieningsopties voor EMAS en het nemen van een besluit over de richting die met het systeem moet worden ingeslagen en de veranderingen die in de huidige EMAS-verordening moeten worden aangebracht.

213

Van 22.12.2006 tot 26.2.2007 heeft via het internet een openbare raadpleging plaatsgevonden. De Commissie heeft 214 reacties ontvangen.

230

2.2. Effectbeoordeling

De Commissie heeft een effectbeoordeling uitgevoerd zoals opgenomen in het werkprogramma, en drie grote opties in overweging genomen:

· voortzetting van de huidige aanpak;

· geleidelijke uitdoving van de regeling; en

· grondige wijziging van de verordening.

De optie waarbij de huidige aanpak wordt gehandhaafd, biedt het voordeel van de stabiliteit. De enige veranderingen die dan zouden worden overwogen, zijn van administratieve en/of institutionele aard; zij zouden geen andere bedoeling hebben dan de huidige regeling vlotter te laten functioneren. Deze optie zou echter maar weinig verhelpen aan de zwakke punten van het systeem en geen kansen bieden voor substantiële verbeteringen. Het totale effect ervan zou gering zijn, wat de geloofwaardigheid van de operatie niet ten goede zou komen. De zichtbaarheid van EMAS zou niet toenemen en de ongelijke penetratie in de lidstaten zou waarschijnlijk blijven bestaan.

In het scenario van de geleidelijke uitdoving van het systeem zouden financiële en personele middelen worden vrijgemaakt. Aan die optie zijn echter negatieve economische en milieueffecten verbonden. Uit het beleidsinstrumentarium van de Gemeenschap zou zo een op vrijwillige deelneming gebaseerd instrument verdwijnen. In de tussentijdse evaluatie van het zesde Milieuactieprogramma van de Gemeenschap [8] wordt over de vrijwillige instrumenten echter gezegd dat zij grote mogelijkheden hebben maar niet volledig zijn ontwikkeld, en wordt de Commissie juist opgeroepen deze regelingen te herzien om ze meer ingang te doen vinden en de administratieve belasting bij het beheer ervan te verminderen.

De optie waarbij de verordening grondig wordt herzien zou de zichtbaarheid, de relevantie en de politieke portee van EMAS vergroten, wat tot een aanzienlijk grotere participatie kan leiden. Daardoor zou de Gemeenschap zowel direct als indirect betere en meer doelgerichte milieuresultaten kunnen boeken. Het zou ook de milieusituatie van de deelnemende organisaties verbeteren en de administratieve lasten van het milieubeheer voor hen verminderen. Sommige van de voorgestelde veranderingen vereisen bepaalde initiële investeringen en het nemen van stimuleringsmaatregelen om organisaties tot EMAS-deelneming aan te sporen.

Hoe groot de toename van de penetratie van EMAS precies zal zijn, valt niet te voorspellen omdat kwantitatieve gegevens over de kosten en effecten van de verschillende maatregelen ontbreken en omdat een aantal mogelijkheden onderling gerelateerd dan wel marktafhankelijk zijn. Streefdoel is wel dat 10 jaar na de inwerkingtreding van deze verordening evenveel organisaties of locaties over een EMAS-registratie beschikken als er thans gecertificeerd zijn overeenkomstig ISO-norm 14001:2004 voor milieubeheersystemen (35 000). Een tussentijdse doelstelling bestaat erin dat het aantal locaties met een EMAS-registratie 5 jaar na de inwerkingtreding van deze verordening een peil bereikt dat overeenstemt met het gemiddelde van de drie lidstaten die in 2007 het hoogste aantal geregistreerde locaties per miljoen inwoners hadden; dat komt neer op 23 000 locaties met een EMAS-registratie [9].

3. Juridische elementen van het voorstel

305

3.1. Samenvatting van de voorgestelde maatregel

Doel is de herziening van EMAS, zoals voorgeschreven bij artikel 15 van de EMAS-verordening, teneinde de continue verbetering van de milieuprestaties van alle organisaties optimaal te stimuleren.

Met het oog daarop wordt de herziening van de EMAS-verordening toegespitst op een aanscherping van de politieke portee van de regeling en zodoende op een fikse toename van het aantal organisaties dat EMAS toepast. De voorgestelde fundamentele veranderingen zijn hoofdzakelijk inhoudelijk van aard en vooral gericht op de behoeften van kleine organisaties (kmo’s en kleine overheidsinstanties), de institutionele regelingen en de koppelingen met andere communautaire beleidsinstrumenten, inzonderheid de "overheidsopdrachten voor een beter milieu".

310

3.2. Rechtsgrondslag

Deze verordening is ingegeven door milieubeleidsoverwegingen als vervat in artikel 175 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, dat reeds de rechtsgrondslag vormde voor Verordening (EG) nr. 761/2001.

320

3.3. Subsidiariteit en evenredigheid

Om één enkel geloofwaardig systeem op te zetten en het ontstaan van een veelheid van nationale systemen te vermijden, is het noodzakelijk dat de EMAS-regeling op Gemeenschapsniveau wordt vastgesteld. Dit voorstel verandert niets aan de bestaande situatie wat betreft de interne markt. Het neemt ook het subsidiariteitsbeginsel in acht doordat de technische uitvoering van de verordening aan de lidstaten wordt toevertrouwd via de werking van de bevoegde instanties en erkenningsinstanties. De doeltreffendheid van het systeem als bijdrage tot betere milieuprestaties van organisaties is dus gegarandeerd, terwijl de maatregelen die op toereikende wijze op nationaal niveau kunnen worden uitgevoerd, aan de lidstaten worden overgelaten.

3.4. Keuze van instrumenten

341

Het voorgestelde instrument is een verordening omdat alleen een verordening voldoende garanties biedt voor toereikende harmonisatie van de regels en procedures inzake registratie, verificatie en erkenning die de kern uitmaken van EMAS.

4. Gevolgen voor de begroting

401

De financiële bijdrage van de Gemeenschap is over het geheel genomen beperkt. De jaarlijks vereiste financiële middelen ten laste van de EU-begroting worden geraamd op 1,5 miljoen euro. Zij zijn hoofdzakelijk bestemd voor het opstellen van referentiedocumenten voor specifieke sectoren, de intercollegiale toetsing van de erkenningsinstanties en bevoegde instanties alsmede informatie en communicatie. Tot 2013 zullen deze kosten worden gedragen door het financieringsinstrument LIFE+ [10].

5. Aanvullende informatie

510

5.1. Vereenvoudiging

511

Het voorstel vereenvoudigt de wetgeving door een nieuwe redactie van de tekst van de huidige verordening en de integratie daarin van nuttige elementen van diverse richtsnoeren.

Het voorstel vereenvoudigt de administratieve procedures voor de organisaties, onder meer dankzij de volgende elementen:

· Er worden prikkels geboden voor een verdere verlichting van de regelgevings- en administratieve formaliteiten. Dat gebeurt door de invoering van elementen die synergieën en betere operationele koppelingen mogelijk maken tussen EMAS en andere EU-wetgeving en instrumenten, waardoor de administratieve rompslomp voor organisaties met een EMAS-registratie wordt verminderd. Die versoepeling kan de vorm aannemen van regelgevingsverlichting (vervanging van wettelijke voorschriften zonder wijziging van de milieuwetgeving als zodanig) dan wel van deregulering (veranderingen in de wetgeving zelf).

· Er worden naast de bestaande registratie van individuele organisaties twee nieuwe elementen ingevoerd, namelijk de registratie van clusters van organisaties en de mogelijkheid tot collectieve registratie, die directe kostenbesparingen opleveren en deelneming aan EMAS aantrekkelijker maken.

· De lidstaten worden aangespoord om de verbanden en de complementariteit tussen EMAS en andere milieubeheersystemen te verduidelijken, zodat registratie bij of deelneming aan nationale milieubeheersystemen in aanmerking kan worden genomen wanneer een organisatie een EMAS-registratie aanvraagt en omgekeerd.

Het voorstel komt dus tegemoet aan de doelstellingen van het initiatief “Vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving” dat tot stand is gekomen in samenhang met de vernieuwde strategie van Lissabon. Die is erop gericht de bestaande regelgeving te vereenvoudigen en te verbeteren, nieuwe regelgeving beter te ontwerpen en terzelfder tijd de naleving en de doeltreffendheid van de regels aan te scherpen en de administratieve lasten te verlichten.

Het voorstel is in het wetgevings- en werkprogramma van de Commissie opgenomen onder referentienummer 2006/ENV/053. De Commissie komt hiermee de verbintenis na die zij in haar lopend programma is aangegaan [11].

520

5.2. Intrekking van bestaande wetgeving

De vaststelling van het voorstel heeft de intrekking van bestaande wetgeving tot gevolg.

5.3. Toetsings-/herzienings-/uitdovingsclausule

531

Het voorstel bevat een toetsingsclausule.

560

5.4. Europese Economische Ruimte

De voorgestelde maatregel betreft een onderwerp dat onder de EER-overeenkomst valt en moet daarom worden uitgebreid tot de Europese Economische Ruimte.

570

5.5. Het voorstel nader bekeken

De operationele regeling inzake EMAS en de algemene deelnemingsvoorwaarden blijven in wezen dezelfde als onder de vigerende verordening: organisaties kunnen aan EMAS deelnemen mits zij een milieubeleid ontwikkelen, een milieuanalyse uitvoeren, een milieubeheersysteem opzetten, een interne milieuaudit uitvoeren en een milieuverklaring opstellen. Zodra deze milieuverklaring door een onafhankelijke milieuverificateur is geverifieerd en gevalideerd, kan de organisatie bij een bevoegde instantie een registratieaanvraag indienen. Om geregistreerd te kunnen blijven, moet de organisatie geregeld verslag uitbrengen over de verbetering van haar milieuprestaties en het bewijs leveren dat zij de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften naleeft.

De belangrijkste wijzigingen zijn erop gericht om:

– ervoor te zorgen dat EMAS een uitmuntend milieubeheersysteem is dat belanghebbende derden en nationale handhavingsautoriteiten de garantie biedt dat organisaties met een EMAS-registratie alle relevante milieuwetgeving naleven en hun milieuprestaties continu verbeteren; en

– EMAS aantrekkelijker wordt gemaakt voor deelnemende organisaties, en met name voor kleine organisaties (kmo’s en kleine overheidsinstanties), door het verlichten van de administratieve lasten en het vergroten van de zichtbaarheid van deelneming aan EMAS.

Deze wijzigingen betreffen:

– Het milieubeheersysteem. EMAS blijft gebaseerd op het milieubeheersysteem zoals vormgegeven in ISO-norm 14001, aangevuld met de volgende elementen:

– Versterkt nalevingsmechanisme. Een organisatie die de EMAS-registratie aanvraagt, moet vóór de eerste registratie aantonen dat zij de toepasselijke milieuwetgeving naleeft. Overleg tussen de organisatie en de nationale handhavingsautoriteiten wordt aangemoedigd. De verificateurs krijgen een grotere rol toebedeeld bij de controle op de naleving. De definitie van “niet-naleving” wordt verduidelijkt en de procedures van de bevoegde instanties inzake registratie en deregistratie wegens niet-naleving worden geharmoniseerd.

– Versterkte milieurapportage. Milieuprestatierapportage aan de hand van kernindicatoren van milieuprestaties is verplicht voor organisaties met een EMAS-registratie. Dergelijke indicatoren zijn vastgesteld voor de volgende milieuaspecten: energie-efficiëntie, efficiëntie van materiaal- en hulpbronnengebruik, afval, emissies en biodiversiteit/bodemgebruik.

– Richtsnoeren voor beste praktijken inzake milieubeheer. Ter ondersteuning van een beter geharmoniseerde toepassing van de beste praktijken inzake milieubeheer maakt de Commissie een begin met de opstelling van referentiedocumenten. Deze documenten hebben betrekking op specifieke sectoren en zijn toegespitst op de directe milieuaspecten van productieprocessen maar ook op indirecte aspecten zoals het ontwerp van producten en de milieueffecten van activiteiten in de toeleverings- en afzetketens.

Het gebruik van de referentiedocumenten is facultatief, maar aan EMAS deelnemende organisaties worden aangemoedigd om er gebruik van te maken bij het opzetten van hun milieubeheersysteem en de omschrijving van hun milieutaakstellingen. De verificateurs moeten deze documenten gebruiken als toetssteen voor doeltreffende milieubeheersystemen.

– De regels en procedures inzake erkenning en verificatie. Deze regels worden geharmoniseerd en gespecificeerd teneinde iets te doen aan de niet-uniforme toepassing ervan door de afzonderlijke lidstaten, die de geloofwaardigheid van het systeem ondermijnt. Verordening (EG) nr. xxxx/2008 van het Europees Parlement en de Raad van [……………. datum] tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het in de handel brengen van producten organiseert de accreditatie (erkenning) op nationaal en Europees niveau. Die verordening benadrukt dat accreditatie gezien haar aard een taak van de overheid is en het hoogste niveau van overheidstoezicht vormt, en biedt het kader voor de erkenning van de bestaande organisatie European co-operation for Accreditation (EA), teneinde te zorgen voor een goed functionerend systeem van nauwgezette intercollegiale toetsing. Die verordening geeft het algemene kader voor de voltooiing van de bestaande wetgeving inzake accreditatie. Dit voorstel voor een herziene EMAS-verordening vult deze regels voor zover nodig aan, waarbij rekening wordt gehouden met de specificiteit van de op vrijwilligheid gebaseerde EMAS-regeling en indien passend specifiekere regels worden vastgesteld.

– Geografische werkingssfeer. Ook organisaties van buiten de Gemeenschap kunnen aan EMAS deelnemen. Een buiten de Gemeenschap gevestigde organisatie kan zich in een lidstaat laten registreren. Zij dient haar milieubeheersysteem te laten verifiëren en valideren door een verificateur die is erkend in de lidstaat waar de organisatie haar aanvraag tot registratie zal indienen.

– Maatregelen om de administratieve lasten te verlichten en deelneming aan EMAS te stimuleren:

– Vereenvoudiging van de procedure voor registratie van clusters van organisaties.

– Verlaging van de registratievergoeding voor kleine organisaties (kmo’s en kleine overheidsinstanties) [12] .

– De nationale overheden in de lidstaten zijn ertoe gehouden de gebieden in kaart te brengen waar de administratieve formaliteiten in samenhang met milieuregelgeving voor organisaties met een EMAS-registratie kunnen worden verlicht, bijv. via een langere geldigheidsduur van milieuvergunningen, enz. In de lidstaten wordt een proces van geregeld overleg tussen de voor EMAS bevoegde instanties en de regelgevingsautoriteiten op gang gebracht. De Commissie organiseert de uitwisseling van informatie daaromtrent.

– De nationale overheden moeten mogelijkheden onderzoeken en, voor zover passend en onverminderd de regels inzake staatssteun van het Verdrag, benutten om organisaties tot EMAS-registratie te stimuleren, zoals toegang tot financiering of fiscale prikkels in het kader van regelingen ter ondersteuning van de milieuprestaties van het bedrijfsleven.

– De regels voor het gebruik van het EMAS-logo worden vereenvoudigd en bestaande beperkingen worden opgeheven.

– Promotieactiviteiten voor EMAS. Deze omvatten de EMAS-prijs alsook informatiecampagnes op Gemeenschaps- en lidstaatniveau.

2008/0154 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie [13],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [14],

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s [15],

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [16],

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In artikel 2 van het Verdrag wordt bepaald dat de Gemeenschap onder andere tot taak heeft binnen de hele Gemeenschap een duurzame groei te bevorderen.

(2) In Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap [17] wordt de verbetering van samenwerking en partnerschap met bedrijven genoemd als een strategische benadering voor het realiseren van milieudoelstellingen. Vrijwillige verbintenissen zijn een essentieel onderdeel daarvan. De bevordering van een grotere deelneming aan het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) en de ontplooiing van initiatieven om organisaties ertoe aan te zetten nauwkeurige en door onafhankelijke derden geverifieerde rapporten over hun prestaties op milieugebied of inzake duurzame ontwikkeling te publiceren, worden in dit verband noodzakelijk geacht.

(3) In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de tussentijdse evaluatie van het zesde Milieuactieprogramma van de Gemeenschap [18] wordt erkend dat het functioneren van de vrijwillige instrumenten die voor het bedrijfsleven in het leven zijn geroepen, moet worden verbeterd en dat deze instrumenten grote mogelijkheden hebben maar niet volledig zijn ontwikkeld. De Commissie wordt er aangespoord deze instrumenten te herzien om ze meer ingang te doen vinden en de administratieve last bij het beheer ervan te verminderen.

(4) EMAS heeft ten doel voortdurende verbeteringen van de milieuprestaties van organisaties te stimuleren middels de instelling en toepassing van milieubeheersystemen door die organisaties, de stelselmatige, objectieve en periodieke beoordeling van de prestaties van die systemen, het verstrekken van informatie over de milieuprestaties, een open dialoog met het publiek en andere belanghebbenden en actieve betrokkenheid van de werknemers van de organisaties en passende opleiding.

(5) Teneinde de samenhang van de op communautair niveau ontwikkelde wetgeving inzake milieubescherming te bevorderen, dienen de Commissie en de lidstaten te onderzoeken welke rol voor EMAS-registratie is weggelegd bij de ontwikkeling van die wetgeving of hoe bedoelde registratie kan worden gebruikt als instrument ter handhaving van die wetgeving. Ook dienen zij, om EMAS aantrekkelijker te maken voor organisaties, rekening te houden met EMAS in hun beleid inzake overheidsopdrachten en dienen zij, waar passend, naar EMAS of gelijkwaardige milieubeheersystemen te verwijzen als prestatiegerelateerde contractvoorwaarde voor werkzaamheden en diensten.

(6) Krachtens artikel 15 van Verordening (EG) nr. 761/2001 van de Raad en het Europees Parlement inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) [19] is de Commissie ertoe gehouden EMAS in het licht van de opgedane ervaring te evalueren en het Europees Parlement en de Raad passende wijzigingen voor te stellen.

(7) Verordening (EG) nr. 761/2001 heeft haar doeltreffendheid bij de bevordering van verbeteringen van de milieuprestaties van organisaties bewezen en de ervaring die met de uitvoering van die verordening is opgedaan, moet worden benut om van EMAS een krachtiger instrument te maken om de algehele milieuprestaties van de organisaties te verbeteren.

(8) Organisaties moeten worden aangemoedigd om op vrijwillige basis aan EMAS deel te nemen; zij kunnen daaraan een meerwaarde ontlenen in termen van controle op de naleving van regelgeving, kostenbesparingen en imago.

(9) EMAS dient toegankelijk te worden gemaakt voor alle organisaties, zowel binnen als buiten de Gemeenschap, die activiteiten ontplooien waaraan milieueffecten zijn verbonden. EMAS moet hun een instrument bieden om deze effecten te beheersen en hun algehele milieuprestatie te verbeteren.

(10) Organisaties, en met name kleine organisaties, moeten worden aangemoedigd om deel te nemen aan EMAS. Hun deelneming moet worden bevorderd door het vergemakkelijken van de toegang tot informatie, beschikbare financieringsbronnen en openbare instellingen en door het invoeren of propageren van maatregelen voor technische bijstand.

(11) Organisaties die andere milieubeheersystemen toepassen en willen overschakelen op EMAS, dient de overstap zo gemakkelijk mogelijk te worden gemaakt. Er dient aandacht te worden besteed aan koppelingen met andere milieubeheersystemen.

(12) Organisaties met vestigingsplaatsen in een of meer lidstaten dienen via één registratie al deze locaties of een deel daarvan te kunnen registreren.

(13) Het mechanisme om vast te stellen of een organisatie alle toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften naleeft, moet worden versterkt om de geloofwaardigheid van EMAS te vergroten en met name om de lidstaten in staat te stellen de administratieve last voor geregistreerde organisaties te verlichten door deregulering of het afslanken van de regelgeving.

(14) Een noodzakelijk element van de toepassing van EMAS is de betrokkenheid van de werknemers van de organisatie, aangezien dit leidt tot meer werktevredenheid en een betere kennis van milieuvraagstukken die zowel in de werkomgeving als daarbuiten kan worden toegepast.

(15) Het EMAS-logo dient voor organisaties een aantrekkelijk communicatie- en marketinginstrument te zijn dat de bewustmaking van de klant ten aanzien van EMAS bevordert. De regels voor het gebruik van het EMAS-logo moeten worden vereenvoudigd door het gebruik van één enkel logo; de bestaande beperkingen moeten worden opgeheven voor zover er geen verwarring kan bestaan met milieukeurmerken voor producten.

(16) De voor EMAS-registratie berekende kosten en vergoedingen dienen redelijk te zijn en in verhouding te staan tot de omvang van de organisatie en het door de bevoegde instanties geleverde werk. Onverminderd de regels inzake staatssteun van het Verdrag moet voor kleine organisaties een vrijstelling of vermindering van de vergoeding worden overwogen.

(17) Organisaties dienen periodieke milieuverklaringen en milieuprestatierapporten op te stellen en openbaar te maken waarin zij het publiek en andere belanghebbenden informatie verstrekken over hun naleving van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften en over hun milieuprestaties.

(18) Om de relevantie en vergelijkbaarheid van de informatie te garanderen, dient de verslaglegging over de vooruitgang inzake milieuprestaties van de organisaties te worden gebaseerd op algemene prestatie-indicatoren die specifiek betrekking hebben op cruciale milieuaspecten. Dit moet het voor de organisaties gemakkelijker maken om hun prestaties in verschillende verslagleggingsperiodes te vergelijken.

(19) Middels uitwisseling van informatie en samenwerking tussen de lidstaten dienen referentiedocumenten met een beschrijving van de beste milieubeheerpraktijk alsook milieuprestatie-indicatoren voor specifieke sectoren worden opgesteld. Die documenten kunnen de organisaties helpen om zich beter te concentreren op de belangrijkste milieuaspecten in de betrokken sector.

(20) Verordening (EG) nr. xxxx/2008 van het Europees Parlement en de Raad van [……………. datum] tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het in de handel brengen van producten organiseert de accreditatie op nationaal en Europees niveau en voorziet in een overkoepelend raamwerk voor accreditatie. Deze verordening vult die regels voor zover nodig aan, rekening houdend met de specificiteit van EMAS en met name de noodzaak om ten aanzien van de belanghebbenden en de lidstaten in het bijzonder een grote geloofwaardigheid te garanderen, en zij voert waar passend specifiekere regels in.

Die bepalingen moeten de deskundigheid van de milieuverificateurs garanderen - en ervoor zorgen dat die voortdurend wordt verbeterd - door te voorzien in een onafhankelijk en neutraal erkenningssysteem, opleiding en passend toezicht op hun werkzaamheden, zodat de transparantie en de geloofwaardigheid van aan EMAS deelnemende organisaties wordt gewaarborgd.

(21) Zowel de lidstaten als de Commissie dienen promotie- en ondersteuningsactiviteiten te ontplooien.

(22) Onverminderd de regels inzake staatssteun van het Verdrag dienen de lidstaten stimuleringsmaatregelen te nemen om geregistreerde organisaties te belonen, zoals toegang tot financiering of fiscale prikkels in het kader van regelingen ter ondersteuning van de milieuprestaties van het bedrijfsleven.

(23) De lidstaten en de Commissie dienen specifieke maatregelen uit te werken en toe te passen die gericht zijn op een grotere participatie van organisaties, en vooral kleine organisaties, in EMAS.

(24) Teneinde een geharmoniseerde toepassing van deze verordening te garanderen, zorgt de Commissie zo nodig voor het opstellen van sectorale referentiedocumenten op het onder deze verordening vallende gebied.

(25) Indien nodig wordt deze verordening na een bepaalde periode van toepassing in het licht van de opgedane ervaringen herzien.

(26) Deze verordening vervangt Verordening (EG) nr. 761/2001, die derhalve moet worden ingetrokken.

(27) Aangezien de dienstige elementen van Aanbeveling 2001/680/EG van 7 september 2001 betreffende leidraden bij de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) [20] en Aanbeveling 2003/532/EG van 10 juli 2003 betreffende een leidraad op het stuk van selectie en gebruik van milieuprestatie-indicatoren in het kader van EMAS [21] in deze verordening zijn opgenomen, dienen die aanbevelingen niet langer van toepassing te zijn en worden zij door deze verordening vervangen.

(28) Aangezien de doelstellingen van de voorgestelde maatregel, namelijk één enkel geloofwaardig systeem opzetten en het ontstaan van een veelheid van nationale systemen vermijden, niet op toereikende wijze door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens hun omvang en gevolgen beter op Gemeenschapsniveau kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(29) De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende bevoegdheden [22].

(30) Met name dient de Commissie te worden gemachtigd om procedures voor de intercollegiale toetsing van de bevoegde instanties vast te stellen, sectorale referentiedocumenten op te stellen, bestaande milieubeheersystemen of onderdelen daarvan te erkennen als zijnde conform de relevante eisen van deze verordening, en de bijlagen I tot en met VIII te wijzigen. Aangezien het maatregelen van algemene strekking betreft die bedoeld zijn om niet-essentiële elementen van deze verordening te wijzigen, onder meer door deze verordening aan te vullen met niet-essentiële elementen, dienen zij te worden vastgesteld overeenkomstig de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG van de Raad.

(31) Omdat er enige tijd nodig is om het kader voor de goede werking van deze verordening tot stand te brengen, dienen de lidstaten te beschikken over een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening, om de door de erkenningsinstanties en bevoegde instanties gevolgde procedures in overeenstemming te brengen met de betreffende bepalingen van deze verordening. Gedurende deze termijn van zes maanden dienen de erkenningsinstanties en bevoegde instanties de uit hoofde van Verordening (EG) nr. 761/2001 ingestelde procedures te kunnen blijven toepassen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp

Er wordt een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem, hierna ‘EMAS’ genoemd, ingesteld waaraan binnen of buiten de Gemeenschap gevestigde organisaties op vrijwillige basis kunnen deelnemen.

Artikel 2

Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

(1) "milieubeleid": de algemene doeleinden en beginselen voor het handelen van de organisatie op milieugebied, met inbegrip van de naleving van alle toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften en van een streven naar gestage verbetering van de milieuprestaties;

(2) "milieuprestaties": de resultaten van het beheer, door een organisatie, van haar milieuaspecten;

(3) "naleving van de wettelijke milieuvoorschriften": de onverkorte implementatie van de toepasselijke wettelijke voorschriften, inclusief vergunningsvoorwaarden, met betrekking tot het milieu;

(4) "milieuaspect": een element van de activiteiten, producten of diensten van een organisatie dat milieueffecten heeft of kan hebben;

(5) "belangrijk milieuaspect": een milieuaspect dat een belangrijk milieueffect heeft of kan hebben;

(6) "direct milieuaspect": een milieuaspect dat samenhangt met de activiteiten, producten en diensten van de organisatie zelf, waarover zij een directe beheerscontrole uitoefent;

(7) "indirect milieuaspect": een milieuaspect dat kan voortvloeien uit interacties van de organisatie met derden en waarover de organisatie tot op zekere hoogte invloed uitoefent;

(8) "milieueffect": iedere invloed op het milieu, hetzij ongunstig, hetzij gunstig, die volledig of gedeeltelijk het gevolg is van de activiteiten, producten of diensten van een organisatie;

(9) "milieuprogramma": een beschrijving van de maatregelen, verantwoordelijkheden en middelen die worden aangewend of waarvan de aanwending wordt overwogen om milieudoelstellingen en taakstellingen te verwezenlijken alsmede de termijnen voor die verwezenlijking;

(10) "milieudoelstelling": een algemene, uit het milieubeleid voortvloeiende doelstelling die een organisatie voor zichzelf vaststelt en die waar mogelijk wordt gekwantificeerd;

(11) "milieutaakstelling": een gedetailleerde en gekwantificeerde prestatie-eis die voortvloeit uit het milieubeleid en de milieudoelstellingen, die geldt voor de hele organisatie of delen daarvan, en die moet worden vastgesteld en gehaald om die doelstellingen te verwezenlijken;

(12) "milieubeheersysteem": het gedeelte van het algemene beheersysteem dat de organisatiestructuur, planning, verantwoordelijkheden, praktijken, procedures, processen en middelen omvat die nodig zijn voor het ontwikkelen, uitvoeren, realiseren, toetsen en handhaven van het milieubeleid;

(13) "beste milieubeheerpraktijk": het meest doeltreffende milieubeheersysteem dat door een organisatie in een bepaalde sector kan worden toegepast en dat in de gegeven economische en technische omstandigheden de beste milieuprestaties kan opleveren;

(14) "interne milieuaudit": een systematische, gedocumenteerde, periodieke en objectieve evaluatie van de wijze van functioneren van de organisatie, van het beheersysteem en van de processen die op milieubescherming gericht zijn;

(15) "auditor": een persoon of een groep personen behorend tot de organisatie zelf, dan wel een niet tot de organisatie behorende natuurlijke persoon of rechtspersoon, handelend in opdracht van de organisatie, die een beoordeling uitvoert van met name het toegepaste beheersysteem en vaststelt of dit in overeenstemming is met het beleid en het programma van de organisatie, inclusief de naleving van de op de organisatie toepasselijke wettelijke voorschriften;

(16) "milieuprestatierapport": het geheel van voor het publiek en andere belanghebbende partijen bestemde informatie over de milieuprestaties van de organisatie en de naleving door de organisatie van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften;

(17) "milieuverklaring": het geheel van voor het publiek en andere belanghebbende partijen bestemde informatie van de organisatie over haar:

a) structuur en activiteiten;

b) milieubeleid en milieubeheersysteem;

c) milieuaspecten en milieueffecten;

d) milieuprogramma, milieudoelstellingen en milieutaakstellingen;

e) milieuprestatierapport met informatie over de milieuprestaties van de organisatie en haar naleving van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften;

(18) "milieuverificateur": elke natuurlijke persoon of rechtspersoon of vereniging of groep van dergelijke personen die beantwoordt aan de omschrijving van conformiteitsbeoordelingsinstantie in Verordening (EG) nr. xxxx/2008 en die een erkenning heeft verkregen overeenkomstig deze verordening;

(19) "organisatie": een binnen of buiten de Gemeenschap gevestigde maatschappij, vennootschap, firma, onderneming, autoriteit of instelling, dan wel een deel of een combinatie daarvan, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, privaat- of publiekrechterlijk, met een eigen structuur en administratie;

(20) "locatie": een specifieke geografische locatie onder de beheerscontrole van een organisatie, inclusief de activiteiten, producten en diensten daarvan, met inbegrip van alle infrastructuur, uitrusting en materialen;

(21) "verificatie": het conformiteitsbeoordelingsproces dat door een milieuverificateur wordt uitgevoerd om aan te tonen dat het milieubeleid, het beheersysteem en de auditprocedure van een organisatie voldoen aan de eisen van deze verordening;

(22) "validering": de bevestiging door de milieuverificateur die de verificatie heeft uitgevoerd dat de informatie en de gegevens in de milieuverklaring en het milieuprestatierapport van de organisatie betrouwbaar, geloofwaardig en juist zijn en aan de eisen van deze verordening voldoen;

(23) "handhavingsautoriteiten": de relevante bevoegde autoriteiten die door de lidstaten worden aangewezen om inbreuken op de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften op te sporen, te voorkomen en te onderzoeken en indien nodig handhavingsmaatregelen te nemen;

(24) "milieuprestatie-indicator": een specifieke parameter aan de hand waarvan de milieuprestaties van een organisatie kunnen worden gemeten;

(25) "kleine organisaties":

a) kleine, middelgrote en micro-ondernemingen, als omschreven in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen [23];

b) lokale besturen van gebieden met minder dan 10 000 inwoners of andere overheidsinstanties met minder dan 250 werknemers en een jaarlijks budget van ten hoogste 50 miljoen euro of een jaarbalans van ten hoogste 43 miljoen euro, waaronder:

i) overheids- of andere openbare diensten en openbare adviesorganen op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau;

ii) natuurlijke personen of rechtspersonen die krachtens het nationale recht openbarediensttaken verrichten, met inbegrip van specifieke taken, activiteiten of diensten in verband met het milieu; en

iii) natuurlijke personen of rechtspersonen die openbare verantwoordelijkheden hebben, openbare functies waarnemen of aan openbare dienstverlening doen in samenhang met het milieu onder het toezicht van een onder b) bedoelde instantie of persoon;

(26) "erkenningsinstantie": een nationale accreditatie-instantie in de zin van Verordening (EG) nr. xxxx/2008.

HOOFDSTUK II

Registratie van organisaties

Artikel 3

Vaststelling van de bevoegde instantie

1. Aanvragen tot registratie van in een lidstaat gevestigde organisaties worden ingediend bij een bevoegde instantie in die lidstaat.

2. Aanvragen tot registratie van buiten de Gemeenschap gevestigde organisaties kunnen worden ingediend bij elke bevoegde instantie van de lidstaat waar de milieuverificateur die de verificatie heeft uitgevoerd en het milieubeheersysteem van de organisatie heeft gevalideerd, is erkend.

3. Een organisatie met vestigingsplaatsen in een of meer lidstaten kan voor al deze locaties of voor een aantal daarvan een collectieve registratie aanvragen.

Aanvragen voor een collectieve registratie worden ingediend bij een bevoegde instantie van de lidstaat waar de ter fine van deze bepaling aangewezen hoofdzetel of beheercentrum van de organisatie is gevestigd.

Artikel 4

Voorbereiding van de registratie

1. Organisaties die zich voor de eerste keer wensen te laten registreren, voeren overeenkomstig bijlage I een milieuanalyse uit van alle milieuaspecten van de organisatie.

2. Organisaties kunnen advies vragen aan de in artikel 33, lid 3, bedoelde instantie in de lidstaat waar de organisatie haar aanvraag tot registratie indient.

3. Organisaties die over een gecertificeerd milieubeheersysteem beschikken dat is erkend overeenkomstig artikel 45, lid 4, zijn niet verplicht een volledige initiële milieuanalyse uit te voeren met betrekking tot informatie waarin het erkende gecertificeerde milieubeheersysteem voorziet.

4. In het licht van de resultaten van de toetsing ontwikkelen en implementeren de organisaties een milieubeheersysteem dat alle in bijlage II genoemde eisen behelst en rekening houdt met de beste milieubeheerpraktijk voor de betrokken sector als bedoeld in artikel 46, voor zover beschikbaar.

5. Aan de hand van materiële of schriftelijke bewijsstukken tonen de organisaties aan dat zij voldoen aan alle hun bekende en toepasselijke wettelijke milieueisen.

Organisaties kunnen de bevoegde handhavingsautoriteit(en) overeenkomstig artikel 33, lid 5, om een conformiteitsverklaring verzoeken.

Organisaties van buiten de Gemeenschap refereren tevens aan de wettelijke milieuvoorschriften die van toepassing zijn op soortgelijke organisaties in de lidstaten waar zij hun aanvraag willen indienen.

6. De organisaties voeren een interne audit uit overeenkomstig de eisen van bijlage III.

7. De organisaties stellen een milieuverklaring op overeenkomstig bijlage IV, deel B.

Wanneer sectorale referentiedocumenten als bedoeld in artikel 46 voor de sector in kwestie beschikbaar zijn, vindt de beoordeling van de prestaties van de organisatie plaats aan de hand van het relevante document.

8. De initiële milieuanalyse, het milieubeheersysteem, de auditprocedure en de milieuverklaring worden door een erkende milieuverificateur geverifieerd en de milieuverklaring wordt door die milieuverificateur gevalideerd.

Artikel 5

Aanvraag tot registratie

1. Elke organisatie die aan de eisen van artikel 4 voldoet, kan een aanvraag tot registratie indienen.

2. De aanvraag tot registratie wordt ingediend bij de overeenkomstig artikel 3 vastgestelde bevoegde instantie en omvat:

a) de gevalideerde milieuverklaring in elektronische vorm;

b) de in artikel 24, lid 9, bedoelde verklaring, ondertekend door de milieuverificateur die de milieuverklaring heeft gevalideerd;

c) een ingevuld formulier dat ten minste de in bijlage VI omschreven minimuminformatie bevat;

d) een bewijs dat de verschuldigde vergoeding is betaald.

HOOFDSTUK III

Verplichtingen van de geregistreerde organisaties

Artikel 6

Continuering van de EMAS-registratie

1. Geregistreerde organisaties moeten om de drie jaar:

(a) hun volledige milieubeheersysteem en auditprogramma laten verifiëren;

(b) hun milieuverklaring opstellen overeenkomstig de voorschriften van bijlage IV, delen B en D;

(c) hun milieuverklaring laten valideren;

(d) de gevalideerde milieuverklaring indienen bij de bevoegde instantie;

(e) een ingevuld formulier dat ten minste de in bijlage VI omschreven minimuminformatie bevat, indienen bij de bevoegde instantie.

2. Geregistreerde organisaties moeten jaarlijks:

(a) een interne audit uitvoeren van hun milieuprestaties en hun naleving van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften overeenkomstig bijlage III;

(b) een milieuprestatierapport opstellen overeenkomstig de voorschriften van bijlage IV, delen C en D;

(c) het gevalideerde milieuprestatierapport indienen bij de bevoegde instantie;

(d) een ingevuld formulier dat ten minste de in bijlage VI omschreven minimuminformatie bevat, indienen bij de bevoegde instantie.

3. Geregistreerde organisaties maken hun milieuverklaring en hun milieuprestatierapport publiek binnen een maand na de registratie en binnen een maand na de continuering van de registratie.

Zij kunnen aan deze eis voldoen door de milieuverklaring op verzoek ter beschikking te stellen of door links aan te bieden naar internetsites waar de milieuverklaring kan worden geraadpleegd.

Zij stellen de bevoegde instantie in kennis van de manier van publiekmaking.

Artikel 7

Afwijking voor kleine organisaties

1. Op verzoek van een kleine organisatie verlengen de bevoegde instanties voor die organisatie de in artikel 6, lid 1, bedoelde periode van drie jaar tot ten hoogste vijf jaar of de in artikel 6, lid 2, bedoelde periode van één jaar tot ten hoogste twee jaar, op voorwaarde dat aan alle hierna genoemde voorwaarden wordt voldaan:

a) er doen zich geen milieurisico's voor;

b) de organisatie overweegt geen operationele wijzigingen van haar milieubeheersysteem; en

c) er zijn geen noemenswaardige plaatselijke milieuproblemen.

2. Teneinde de in lid 1 bedoelde verlenging te verkrijgen, dient de betrokken organisatie een verzoek in bij de bevoegde instantie die de organisatie heeft geregistreerd en levert zij het bewijs dat aan de voorwaarden tot afwijking is voldaan.

3. Organisaties waaraan de in lid 1 bedoelde verlenging tot ten hoogste twee jaar is toegestaan, dienen in elk jaar waarvoor zij van de verplichting om over een gevalideerd milieuprestatierapport te beschikken zijn vrijgesteld, hun niet-gevalideerde milieuprestatierapport bij de bevoegde instantie in.

Artikel 8

Belangrijke wijzigingen

1. Ingeval een geregistreerde organisatie belangrijke wijzigingen ondergaat, voert die organisatie een milieuanalyse uit van deze wijzigingen, inclusief de milieuaspecten en -effecten daarvan.

2. De organisatie werkt de initiële milieuanalyse bij en wijzigt haar milieubeleid dienovereenkomstig.

3. De bijgewerkte milieuanalyse en het gewijzigde milieubeleid worden geverifieerd en gevalideerd.

4. Na de validering brengt de organisatie middels het formulier van bijlage VI de wijzigingen ter kennis van de bevoegde instantie en maakt zij deze wijzigingen publiek.

Artikel 9

Milieuaudit

1. Elke geregistreerde organisatie stelt een auditprogramma vast dat garandeert dat over een periode van ten hoogste drie jaar alle activiteiten in de organisatie aan een audit worden onderworpen overeenkomstig de eisen van bijlage III.

2. De audit wordt uitgevoerd door auditors die individueel of gezamenlijk over de vereiste bekwaamheden beschikken voor het verrichten van deze taken en die een voldoende mate van onafhankelijkheid ten opzichte van de door te lichten activiteiten bezitten om een objectief oordeel te kunnen vellen.

3. In het milieuauditprogramma van de organisatie worden de doelstellingen van elke audit of auditcyclus vastgelegd, met inbegrip van de auditfrequentie voor elke activiteit.

4. Aan het einde van elke audit of auditcyclus stellen de auditors een schriftelijk auditverslag op.

5. De auditor deelt de bevindingen en conclusies van de audit mee aan de organisatie.

6. Na afloop van het auditproces wordt door de organisatie een passend actieplan opgesteld en uitgevoerd.

7. De organisatie treft passende regelingen om te garanderen dat aan de resultaten van de audit het nodige gevolg wordt gegeven.

Artikel 10

Gebruik van het EMAS-logo

1. Het in bijlage V opgenomen EMAS-logo mag alleen door geregistreerde organisaties worden gebruikt, en zulks alleen zolang hun registratie geldig is.

Op het logo moet altijd het registratienummer van de organisatie worden vermeld.

2. Het EMAS-logo mag alleen worden gebruikt conform de in bijlage V opgenomen technische specificaties.

3. Ingeval een organisatie overeenkomstig artikel 3, lid 3, besluit niet al haar locaties in de Gemeenschap in de collectieve registratie op te nemen, zorgt zij ervoor dat zij in haar communicatie met het publiek en bij het gebruik van het EMAS-logo duidelijk maakt op welke locaties de registratie betrekking heeft.

4. Het logo mag niet worden gebruikt in combinatie met vergelijkende beweringen over andere activiteiten en diensten, noch op een manier waardoor verwarring kan ontstaan met milieukeurmerken voor producten.

5. Milieu-informatie die door een geregistreerde organisatie wordt gepubliceerd, mag van het EMAS-logo worden voorzien mits deze informatie een verwijzing bevat naar de meest recente milieuverklaring van de organisatie waaraan zij is ontleend en mits zij door een milieuverificateur is gevalideerd als zijnde:

a) nauwkeurig;

b) onderbouwd en controleerbaar;

c) relevant en in de juiste context of in het juiste verband gebruikt;

d) representatief voor de algehele milieuprestaties van de organisatie;

e) niet voor verkeerde uitleg vatbaar;

f) significant in relatie tot het algehele milieueffect.

HOOFDSTUK IV

Regels betreffende de bevoegde instanties

Artikel 11

Aanwijzing en rol van de bevoegde instanties

1. De lidstaten wijzen de bevoegde instanties aan die verantwoordelijk zijn voor de registratie van organisaties overeenkomstig deze verordening.

De bevoegde instanties controleren de inschrijving en handhaving van organisaties in het register.

2. Er kunnen bevoegde instanties zijn op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau.

3. De bevoegde instanties worden zodanig samengesteld dat hun onafhankelijkheid en neutraliteit gewaarborgd zijn.

4. De bevoegde instanties dienen te beschikken over voldoende financiële en personele middelen voor een correcte uitvoering van hun taken.

5. De bevoegde instanties passen deze verordening op consistente wijze toe en nemen op regelmatige basis deel aan de in artikel 16 omschreven intercollegiale toetsing.

Artikel 12

Voorschriften betreffende het registratieproces

1. De bevoegde instanties stellen procedures vast voor de registratie van organisaties. Zij stellen met name regels vast voor:

a) het onderzoeken van de opmerkingen van belanghebbenden, waaronder erkenningsinstanties en bevoegde handhavingsautoriteiten, over kandidaatorganisaties of geregistreerde organisaties;

b) het weigeren van de registratie en het schorsen of schrappen van organisaties; en

c) de behandeling van beroepen of klachten die tegen hun besluiten worden ingediend.

2. De bevoegde instanties zorgen voor het opstellen en bijhouden van een register van in hun lidstaat geregistreerde organisaties, dat tevens de milieuverklaring en het milieuprestatierapport van deze organisaties in elektronische vorm bevat, en werken dat register maandelijks bij.

Het register wordt publiek gemaakt op een website.

3. De bevoegde instanties stellen de Commissie maandelijks in kennis van wijzigingen in het in lid 2 bedoelde register.

Artikel 13

Registratie van organisaties

1. De bevoegde instanties behandelen de aanvragen tot registratie van organisaties conform de daartoe vastgestelde procedures.

2. Wanneer een organisatie een aanvraag tot registratie indient, registreert de bevoegde instantie die organisatie en kent zij haar een registratienummer toe mits aan alle hierna genoemde voorwaarden is voldaan:

a) de bevoegde instantie heeft een aanvraag tot registratie ontvangen die alle in artikel 5, lid 2, onder a) tot en met d), genoemde documenten bevat;

b) de bevoegde instantie heeft gecontroleerd dat de verificatie en de validering zijn uitgevoerd overeenkomstig de eisen van de artikelen 24 tot en met 27; en

c) de bevoegde instantie is er op basis van de ontvangen materiële bewijsstukken of van een positief verslag van de bevoegde handhavingsautoriteit van overtuigd dat de organisatie de wettelijke milieuvoorschriften naleeft.

3. De bevoegde instantie stelt de organisatie in kennis van het feit dat zij is geregistreerd.

4. Indien een bevoegde instantie tot het besluit komt dat een aanvragende organisatie niet aan de voorwaarden van lid 2 voldoet, weigert zij die organisatie te registreren.

5. Indien een bevoegde instantie een toezichtrapport van de erkenningsinstantie ontvangt waaruit blijkt dat de werkzaamheden van de milieuverificateur niet adequaat genoeg zijn uitgevoerd om te waarborgen dat de aanvragende organisatie aan de eisen van deze verordening voldoet, weigert zij die organisatie te registreren.

6. Teneinde het bewijsmateriaal te vergaren dat nodig is voor het nemen van een besluit tot weigering van de registratie van een organisatie, raadpleegt de bevoegde instantie de betrokken partijen met inbegrip van de organisatie.

Artikel 14

Schorsing of schrapping van organisaties uit het register

1. Indien een bevoegde instantie van oordeel is dat een geregistreerde organisatie deze verordening niet naleeft, biedt zij de organisatie de gelegenheid haar standpunt over de kwestie kenbaar te maken. Indien de organisatie geen bevredigend antwoord geeft, wordt zij uit het register geschrapt of geschorst.

2. Indien een bevoegde instantie een toezichtrapport van de erkenningsinstantie ontvangt waaruit blijkt dat de werkzaamheden van de milieuverificateur niet adequaat genoeg zijn uitgevoerd om te waarborgen dat de in het kader van EMAS geregistreerde organisatie aan de eisen van deze verordening voldoet, wordt de registratie geschorst.

3. Een geregistreerde organisatie wordt uit het register geschorst c.q. geschrapt indien zij nalaat de bevoegde instantie, binnen een maand na ontvangst van het verzoek daartoe, te doen toekomen:

a) de gevalideerde bijgewerkte versies van de milieuverklaring, het milieuprestatierapport of de in artikel 24, lid 9, bedoelde ondertekende verklaring;

b) een formulier dat ten minste de in bijlage VI bedoelde, door de organisatie te verstrekken minimuminformatie bevat.

4. Indien een bevoegde instantie er door de bevoegde handhavingsautoriteit van in kennis wordt gesteld dat de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften door de organisatie worden overtreden, schorst c.q. schrapt zij die organisatie uit het register.

5. Ingeval een bevoegde instantie beslist een registratie te schorsen of te schrappen, houdt zij in elk geval rekening met:

a) het milieueffect van de niet-naleving van de voorschriften van deze verordening door de organisatie;

b) de voorspelbaarheid van de niet-naleving van de voorschriften van deze verordening door de organisatie, of van daartoe leidende omstandigheden;

c) eerdere gevallen van niet-naleving van de voorschriften van deze verordening door de organisatie; en

d) de specifieke omstandigheden van de organisatie.

6. Om het bewijsmateriaal te vergaren dat nodig is voor het nemen van een besluit tot schorsing of schrapping van een organisatie uit het register, raadpleegt de bevoegde instantie de betrokken partijen met inbegrip van de organisatie.

7. Indien de bevoegde instantie op een andere wijze dan via een toezichtrapport van de erkenningsinstantie in het bezit is gekomen van aanwijzingen dat de werkzaamheden van de milieuverificateur niet adequaat genoeg zijn uitgevoerd om te waarborgen dat de organisatie aan de eisen van deze verordening voldoet, raadpleegt zij de erkenningsinstantie die toezicht uitoefent op de milieuverificateur.

8. De bevoegde instantie motiveert alle door haar genomen maatregelen.

9. De bevoegde instantie informeert de organisatie op passende wijze over de raadpleging van de betrokken partijen.

10. De schorsing van een organisatie uit het register wordt opgeheven wanneer de bevoegde instantie informatie heeft ontvangen waaruit genoegzaam blijkt dat de organisatie voldoet aan de eisen van deze verordening.

Artikel 15

Forum van bevoegde instanties

1. Door de bevoegde instanties wordt een forum van bevoegde instanties, hierna “het forum” genoemd, ingesteld. Dit forum komt ten minste eenmaal per jaar bijeen in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de Commissie.

2. Aan het forum wordt deelgenomen door bevoegde instanties uit alle lidstaten. Indien er in een lidstaat meerdere bevoegde instanties zijn ingesteld, worden passende maatregelen genomen om te garanderen dat zij allemaal over de werkzaamheden van het forum worden geïnformeerd.

3. Het forum werkt richtsnoeren uit om ervoor te zorgen dat de procedures betreffende de registratie van organisaties overeenkomstig deze verordening, inclusief de schorsing en schrapping van organisaties uit het register, coherent worden toegepast. Het doet de documenten met richtsnoeren en de documenten betreffende de intercollegiale toetsing aan de Commissie toekomen. Deze documenten worden openbaar gemaakt.

4. Het forum stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 16

Intercollegiale toetsing van de bevoegde instanties

1. Door het forum wordt een intercollegiale toetsing georganiseerd om de conformiteit van het registratiesysteem van elke bevoegde instantie met deze verordening te beoordelen en een geharmoniseerde benadering van de toepassing van de regels inzake registratie uit te werken.

2. De intercollegiale toetsing vindt regelmatig en ten minste om de vier jaar plaats. Alle bevoegde instanties nemen deel aan de intercollegiale toetsing.

3. De intercollegiale toetsing omvat ten minste een beoordeling van de regels en procedures met betrekking tot:

a) registratie;

b) weigering tot registratie;

c) schorsing van organisaties uit het in artikel 12, lid 2, bedoelde register;

d) schrapping van organisaties uit het in artikel 12, lid 2, bedoelde register;

e) beheer van het in artikel 12, lid 2, bedoelde register.

4. De Commissie stelt procedures vast voor de uitvoering van de toetsing, met inbegrip van passende beroepsprocedures tegen als gevolg van de toetsing genomen besluiten.

Deze maatregelen, die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen door ze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing zoals bedoeld in artikel 49, lid 3.

5. Het forum doet de Commissie jaarlijks een verslag over de intercollegiale toetsing toekomen.

Dat verslag wordt publiek gemaakt.

HOOFDSTUK V

Milieuverificateurs

Artikel 17

Taken van de milieuverificateurs

1. De milieuverificateurs beoordelen of de milieuanalyse, het milieubeleid, het milieubeheersysteem en de auditprocedures van een organisatie in overeenstemming zijn met de eisen van deze verordening.

2. De milieuverificateurs controleren:

a) de naleving door de organisatie van alle eisen van deze verordening met betrekking tot de initiële milieuanalyse, het milieubeheersysteem, de milieuaudit en de resultaten daarvan alsook de milieuverklaring of het milieuprestatierapport;

b) de naleving door de organisatie van de toepasselijke communautaire, nationale, regionale en plaatselijke wettelijke milieuvoorschriften;

c) de continue verbetering van de milieuprestaties van de organisatie; en

d) de betrouwbaarheid, geloofwaardigheid en juistheid van de gegevens en informatie in de volgende documenten:

i) de milieuverklaring;

ii) het milieuprestatierapport;

iii) alle te valideren milieu-informatie.

3. Meer in het bijzonder onderzoeken de milieuverificateurs de technische betrouwbaarheid van de initiële milieuanalyse of van de milieuaudit of andere door de organisatie toegepaste procedures, zonder die procedures onnodig te dupliceren.

4. De milieuverificateurs gaan indien passend via steekproeven na of de resultaten van de interne audit betrouwbaar zijn.

5. Bij de verificatie met het oog op de voorbereiding van de registratie van een organisatie controleert de milieuverificateur dat de organisatie ten minste aan de volgende eisen voldoet:

a) er functioneert een volledig operationeel milieubeheersysteem overeenkomstig bijlage II;

b) er bestaat een volledig uitgewerkt en reeds gestart auditprogramma overeenkomstig bijlage III, waardoor ten minste de gebieden met de belangrijkste milieueffecten worden bestreken;

c) de in bijlage II, deel A, bedoelde management-toetsing is voltooid; en

d) er is een milieuverklaring opgesteld overeenkomstig bijlage IV, deel B.

6. Ten behoeve van de verificatie met het oog op de continuering van de registratie als bedoeld in artikel 6, lid 1, controleert de milieuverificateur dat de organisatie aan de volgende eisen voldoet:

a) beschikken over een volledig operationeel milieubeheersysteem overeenkomstig bijlage II;

b) beschikken over een volledig uitgewerkt en operationeel auditprogramma dat al ten minste een cyclus heeft doorlopen overeenkomstig bijlage III;

c) een management-toetsing hebben afgerond; en

d) een milieuverklaring overeenkomstig bijlage IV, deel B hebben opgesteld.

7. Ten behoeve van de verificatie met het oog op de continuering van de registratie als bedoeld in artikel 6, lid 2, controleert de milieuverificateur dat de organisatie ten minste aan de volgende eisen voldoet:

a) de organisatie heeft een interne audit uitgevoerd van de milieuprestaties en de naleving van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften overeenkomstig bijlage III;

b) de organisatie levert het bewijs dat zij de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften blijft naleven en haar milieuprestaties continu verbetert; en

c) de organisatie heeft een milieuprestatierapport opgesteld overeenkomstig bijlage IV, deel C.

Artikel 18

Verificatiefrequentie

1. In overleg met de organisatie stelt de milieuverificateur een programma op dat garandeert dat alle voor de registratie en de continuering van de registratie vereiste elementen, als vermeld in de artikelen 4, 5 en 6, worden geverifieerd.

2. De milieuverificateur valideert met tussenpozen van maximaal 12 maanden alle bijgewerkte informatie in de milieuverklaring of het milieuprestatierapport.

Artikel 19

Eisen met betrekking tot de milieuverificateurs

1. Teneinde overeenkomstig deze verordening te worden erkend, dient een kandidaat-milieuverificateur een verzoek in bij de erkenningsinstantie waarbij hij de erkenning wenst aan te vragen.

In dit verzoek specificeert hij de reikwijdte van de verlangde erkenning aan de hand van de statistische classificatie van economische activiteiten zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad [24].

2. De milieuverificateur verstrekt de erkenningsinstantie de passende bewijzen van zijn kennis, relevante ervaring en voor de reikwijdte van de verlangde erkenning relevante technische capaciteiten op de volgende gebieden:

a) deze verordening;

b) het functioneren van milieubeheersystemen in het algemeen;

c) de relevante door de Commissie overeenkomstig artikel 46 uitgebrachte sectorale referentiedocumenten voor de toepassing van deze verordening;

d) de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften die relevant zijn voor de te verifiëren en te valideren activiteit;

e) milieuaspecten en -effecten, met inbegrip van de milieudimensie van duurzame ontwikkeling;

f) de vanuit milieuoogpunt relevante technische aspecten van de te verifiëren en te valideren activiteit;

g) het functioneren van de te verifiëren en te valideren activiteit in het algemeen, teneinde de geschiktheid van het beheersysteem te beoordelen in relatie tot de milieu-interacties van de organisatie en haar producten, diensten en werkzaamheden, ten minste met inbegrip van:

i) de door de organisatie gebruikte technologieën;

ii) de terminologie die eigen is aan de activiteiten van de organisatie en het daarbij ingezette instrumentarium;

iii) operationele activiteiten en de karakteristieken van hun interactie met het milieu;

(iv) methodieken voor de beoordeling van belangrijke milieuaspecten;

(v) technologieën voor de beheersing en de beperking van verontreiniging;

h) de eisen en methodieken van milieuaudits, met inbegrip van het vermogen om een doeltreffende verificatieaudit van een milieubeheersysteem uit te voeren, passende bevindingen en conclusies van een dergelijke audit te formuleren en zowel mondelinge als schriftelijke auditverslagen op te stellen en te presenteren die een duidelijke neerslag van de verificatieaudit opleveren;

i) informatieaudits, milieuverklaringen en milieuprestatierapporten in samenhang met gegevensbeheer, gegevensopslag, gegevensverwerking, presentatie van gegevens in schriftelijke en grafische vorm ten behoeve van de evaluatie van mogelijke fouten en het gebruik van aannames en ramingen;

j) de milieudimensie van producten en diensten, met inbegrip van hun milieuaspecten en prestaties in de gebruiksfase en daarna, en de integriteit van de voor de milieubesluitvorming beschikbaar gestelde gegevens.

3. Van de milieuverificateur wordt verlangd dat hij aantoont over een systeem voor continue professionele bekwaming in de in lid 2 omschreven deskundigheidsgebieden te beschikken en dat hij de erkenningsinstantie in staat stelt op dat bekwamingsproces toe te zien.

4. De milieuverificateur is bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden onafhankelijk, met name van de auditor of consultant van de organisatie, onpartijdig en objectief.

5. De milieuverificateur zorgt ervoor dat hij vrij is van elke commerciële, financiële of andere druk die zijn oordeel zou kunnen beïnvloeden of het vertrouwen in zijn onafhankelijk oordeel en integriteit in verband met de verificatiewerkzaamheden in gevaar zou kunnen brengen. De milieuverificateur zorgt ervoor dat alle in dit verband toepasselijke regels worden nageleefd.

6. De milieuverificateur hanteert gedocumenteerde methoden en procedures, met inbegrip van instrumenten voor kwaliteitscontrole en vertrouwelijkheidsvoorschriften, teneinde aan de verificatie- en valideringsvereisten van deze verordening te voldoen.

7. Een organisatie die als milieuverificateur optreedt, houdt een organisatieschema met de structuren en verantwoordelijkheden binnen de organisatie en een verklaring betreffende haar juridische status, eigenaar(s) en financieringsbronnen bij.

De organisatie stelt dat schema op verzoek ter beschikking.

Artikel 20

Aanvullende eisen met betrekking tot milieuverificateurs die natuurlijke personen zijn en hun verificatie- en valideringswerkzaamheden zelfstandig uitoefenen

1. Voor natuurlijke personen die als milieuverificateur optreden en zelfstandig verificaties en valideringen uitvoeren geldt, naast de voorwaarde dat zij aan de eisen van artikel 19 moeten voldoen, tevens dat:

a) zij over alle noodzakelijke bekwaamheden dienen te beschikken om verificatie- en valideringswerkzaamheden uit te voeren op de gebieden waarop hun erkenning betrekking heeft;

b) de erkenning beperkt is qua reikwijdte, overeenkomstig hun persoonlijke bekwaamheden.

2. De inachtneming van deze voorschriften gewaarborgd door de beoordeling die aan de erkenning voorafgaat en het toezicht dat door de erkenningsinstantie wordt uitgeoefend.

Artikel 21

Aanvullende eisen met betrekking tot milieuverificateurs die werkzaamheden ontplooien in derde landen

1. Indien een milieuverificateur voornemens is verificatie- en valideringswerkzaamheden te verrichten in derde landen, kan hij een erkenning voor specifieke derde landen aanvragen.

2. Teneinde een erkenning te verkrijgen voor een derde land dient de milieuverificateur, naast de eisen van de artikelen 19 en 20, aan de volgende eisen te voldoen:

a) kennis en begrip van de wettelijke en bestuursrechtelijke milieuvoorschriften van het derde land waarvoor de erkenning wordt aangevraagd;

b) kennis en begrip van de officiële taal van het derde land waarvoor de erkenning wordt aangevraagd.

3. Aan de eisen van lid 2 wordt geacht te zijn voldaan indien de milieuverificateur het bestaan aantoont van een contractuele relatie tussen hemzelf en een gekwalificeerde persoon of organisatie die aan deze eisen voldoet.

Die persoon of organisatie dient onafhankelijk te zijn van de te verifiëren organisatie.

Artikel 22

Toezicht op milieuverificateurs

1. Het toezicht op de verificatie- en valideringswerkzaamheden van de milieuverificateurs in:

a) de lidstaat waar zij zijn erkend, wordt uitgeoefend door de erkenningsinstantie die de erkenning heeft verleend;

b) een derde land wordt uitgeoefend door de erkenningsinstantie die de milieuverificateur voor die werkzaamheden een erkenning heeft verleend;

c) een andere lidstaat dan die waar de erkenning werd verleend, wordt uitgeoefend door de erkenningsinstantie van die lidstaat.

2. Ten minste vijf werkdagen vóór elke verificatie in een lidstaat brengt de milieuverificateur de gegevens met betrekking tot zijn erkenning alsook de plaats en het tijdstip van de verificatie ter kennis van de erkenningsinstantie die verantwoordelijk is voor het toezicht op de betrokken milieuverificateur.

3. De milieuverificateur stelt de erkenningsinstantie onverwijld in kennis van elke verandering die gevolgen kan hebben voor de erkenning of de reikwijdte daarvan.

4. Op gezette tijden, maar ten minste om de 24 maanden, gaat de erkenningsinstantie na of de milieuverificateur nog steeds aan de erkenningsvoorwaarden voldoet en controleert zij de kwaliteit van de uitgevoerde verificatie- en valideringswerkzaamheden.

5. Het toezicht kan de vorm hebben van audits van de administratie, toezicht ter plaatse in de organisaties, enquêtes, toetsing van door de verificateur gevalideerde milieuverklaringen of milieuprestatierapporten en toetsing van verificatierapporten.

Het toezicht dient in verhouding te staan tot de door de verificateur verrichte werkzaamheden.

6. Een eventueel besluit van de erkenningsinstantie om de erkenning in te trekken of te schorsen dan wel de reikwijdte van de erkenning te beperken, kan pas worden genomen nadat de milieuverificateur de gelegenheid heeft gehad om gehoord te worden.

7. Indien de toezichthoudende erkenningsinstantie van mening is dat de kwaliteit van het werk van de milieuverificateur niet beantwoordt aan de eisen van deze verordening, wordt een toezichtrapport toegezonden aan de betrokken milieuverificateur en aan de bevoegde instantie waarbij de betrokken organisatie haar aanvraag tot registratie wenst in te dienen of die de betrokken organisatie heeft geregistreerd.

Indien het geschil daarmee niet is opgelost, wordt het toezichtsrapport toegezonden aan de in artikel 30 bedoelde vergadering van de erkenningsinstanties.

Artikel 23

Extra eisen inzake toezicht op milieuverificateurs die werkzaamheden verrichten in een andere lidstaat dan die waar zij zijn erkend

1. Een milieuverificateur die in een bepaalde lidstaat is erkend, stelt, ten minste vijf werkdagen voor hij in een andere lidstaat verificatie- en valideringswerkzaamheden uitvoert, de erkenningsinstantie van die laatste lidstaat in kennis van de volgende gegevens:

a) de gegevens met betrekking tot zijn erkenning, zijn bevoegdheden en in voorkomend geval de samenstelling van zijn team;

b) tijdstip en plaats van de verificatie en de validering;

c) adres en contactgegevens van de organisatie.

Deze kennisgeving wordt voor iedere verificatie en validering opnieuw gedaan.

2. De erkenningsinstantie kan verzoeken om meer informatie over de kennis die de verificateur bezit van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften.

3. De erkenningsinstantie kan andere voorwaarden stellen dan de in lid 1 genoemde, mits die andere voorwaarden geen afbreuk doen aan het recht van de milieuverificateur om zijn diensten aan te bieden in een andere lidstaat dan die waar de erkenning is verleend.

4. De erkenningsinstantie maakt geen gebruik van de in lid 1 bedoelde procedure om de komst van de milieuverificateur uit te stellen. Indien de erkenningsinstantie niet in de mogelijkheid verkeert haar taken overeenkomstig de leden 2 en 3 te verrichten vóór het tijdstip van de verificatie en validering waarvan de verificateur overeenkomstig lid 1, onder b), kennis heeft gegeven, doet zij de verificateur een gemotiveerde verklaring toekomen.

5. Er worden door de erkenningsinstanties geen discriminerende kennisgevings- of toezichtsvergoedingen in rekening gebracht.

6. Indien de toezichthoudende erkenningsinstantie van mening is dat de kwaliteit van het werk van de milieuverificateur niet beantwoordt aan de eisen van deze verordening, wordt een toezichtrapport toegezonden aan de betrokken milieuverificateur, aan de erkenningsinstantie die de erkenning heeft verleend en aan de bevoegde instantie waarbij de betrokken organisatie haar aanvraag tot registratie wenst in te dienen of die de betrokken organisatie heeft geregistreerd. Indien het geschil daarmee niet is opgelost, wordt het toezichtsrapport toegezonden aan de in artikel 30 bedoelde vergadering van de erkenningsinstanties.

7. Organisaties moeten de erkenningsinstanties in staat stellen toezicht te houden op de milieuverificateur tijdens het verificatie- en valideringsproces.

Artikel 24

Voorwaarden voor de uitvoering van verificaties en valideringen

1. De milieuverificateur verricht zijn werkzaamheden binnen de reikwijdte van zijn erkenning en op basis van een schriftelijke overeenkomst met de organisatie.

Die overeenkomst:

a) specificeert de reikwijdte van de werkzaamheden;

b) specificeert de voorwaarden die de milieuverificateur in staat moeten stellen om op onafhankelijke en professionele wijze te werk te gaan; en

c) verplicht de organisatie ertoe de nodige medewerking te verlenen.

2. De milieuverificateur zorgt ervoor dat alle onderdelen van de organisatie ondubbelzinnig zijn gedefinieerd overeenkomstig de werkelijke indeling van de activiteiten.

De milieuverklaring dient duidelijk de verschillende onderdelen van de organisatie te specificeren waarop de verificatie of validering betrekking heeft.

3. De milieuverificateur beoordeelt de in artikel 17 genoemde elementen.

4. De door de milieuverificateur uitgevoerde verificatie- en valideringswerkzaamheden omvatten het onderzoek van documenten, een bezoek aan de organisatie, de uitvoering van steekproefsgewijze controles en het voeren van gesprekken met het personeel.

5. Voorafgaand aan een bezoek van de milieuverificateur verstrekt de organisatie de verificateur essentiële informatie over de organisatie en haar activiteiten, het milieubeleid en het milieuprogramma, een beschrijving van het in de organisatie toegepaste milieubeheersysteem, bijzonderheden omtrent de uitgevoerde milieuanalyse of milieuaudit, het rapport over die analyse of audit en over eventueel naderhand genomen bijsturingsmaatregelen, alsmede de concept-milieuverklaring of het concept-milieuprestatierapport.

6. De milieuverificateur stelt voor de organisatie een schriftelijk rapport op over het resultaat van de verificatie, waarin de volgende elementen uitdrukkelijk aan de orde komen:

a) alle kwesties die relevant zijn voor de werkzaamheden van de milieuverificateur;

b) een beschrijving van de conformiteit met alle eisen van deze verordening, met inbegrip van bewijsmateriaal, bevindingen en conclusies.

7. In geval van niet-conformiteit met het bepaalde in deze verordening worden in het rapport nader gespecificeerd:

a) de bevindingen en conclusies betreffende de niet-conformiteit van de organisatie en het bewijsmateriaal waarop deze bevindingen en conclusies gebaseerd zijn;

b) de technische tekortkomingen in de milieuanalyse, de auditmethode, het milieubeheersysteem of enig ander relevant proces,

c) de punten waarop het rapport niet met de concept-milieuverklaring of het concept-milieuprestatierapport overeenstemt, alsmede een specificering van de wijzigingen of toevoegingen die in de milieuverklaring of het milieuprestatierapport zouden moeten worden aangebracht;

d) een vergelijking van de resultaten en taakstellingen met de eerdere milieuverklaringen en een beoordeling van de prestaties en van de continue verbetering van de prestaties van de organisatie.

8. Na de verificatie valideert de milieuverificateur de milieuverklaring of het milieuprestatierapport van de organisatie teneinde te bevestigen dat deze verklaring of dat rapport aan de eisen van deze verordening voldoet, mits het resultaat van de verificatie bevestigt:

a) dat de informatie en de gegevens in de milieuverklaring of het milieuprestatierapport van de organisatie betrouwbaar en juist zijn en aan de eisen van deze verordening voldoen;

b) dat de organisatie voldoet aan alle toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften.

9. Bij de validering geeft de milieuverificateur een ondertekende verklaring als bedoeld in bijlage VII af, waarin wordt bevestigd dat de verificatie overeenkomstig deze verordening is uitgevoerd.

Artikel 25

Verificatie en validering van kleine organisaties

1. Bij het verrichten van zijn verificatie- en valideringswerkzaamheden houdt de milieuverificateur rekening met de specifieke kenmerken van kleine organisaties, waaronder:

a) een compacte hiërarchische structuur;

b) multifunctioneel personeel;

c) opleiding op de werkplek;

d) het vermogen om snel in te spelen op veranderingen; en

e) beperkte documentatie van procedures.

2. De milieuverificateur voert de verificatie of validering op zodanige wijze uit dat kleine organisaties daardoor niet onnodig worden belast.

3. De milieuverificateur houdt rekening met objectieve aanwijzingen voor de doeltreffendheid van het systeem, met inbegrip van het bestaan binnen de organisatie van procedures die zijn afgestemd op de omvang en complexiteit van de operatie, de aard van de daardoor veroorzaakte milieueffecten en de deskundigheid van het uitvoerend personeel.

Artikel 26

Verificatie- en valideringsvoorwaarden in andere lidstaten dan die waar de verificateur is erkend

1. Milieuverificateurs die in één lidstaat zijn erkend, mogen verificatie- en valideringswerkzaamheden verrichten in alle andere lidstaten overeenkomstig de eisen van deze verordening.

2. Ten minste vijf werkdagen vóór elke verificatie of validering in een andere lidstaat dan die waar de milieuverificateur is erkend, brengt de milieuverificateur de gegevens met betrekking tot zijn erkenning alsook het tijdstip en de plaats van de verificatie of validering ter kennis van de erkenningsinstantie van de andere lidstaat.

3. De erkenningsinstantie kan verzoeken om meer informatie over de kennis die de verificateur bezit van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften.

4. Op de verificatie- of valideringswerkzaamheden wordt toegezien door de erkenningsinstantie van de lidstaat waar die werkzaamheden plaatsvinden. Die lidstaat wordt in kennis gesteld van de aanvang van de werkzaamheden.

Artikel 27

Verificatie- en valideringsvoorwaarden in derde landen

1. Milieuverificateurs die in een lidstaat zijn erkend, mogen verificatie- en valideringswerkzaamheden verrichten voor een in een derde land gevestigde organisatie overeenkomstig de eisen van deze verordening.

2. Ten minste zes weken vóór elke verificatie of validering in een derde land brengt de milieuverificateur de gegevens met betrekking tot zijn erkenning alsook het tijdstip en de plaats van de verificatie of validering ter kennis van de erkenningsinstantie van de lidstaat waar de betrokken organisatie geregistreerd is of haar aanvraag tot registratie wenst in te dienen.

3. Op de verificatie- en valideringswerkzaamheden wordt toegezien door de erkenningsinstantie van de lidstaat waar de betrokken organisatie geregistreerd is of haar aanvraag tot registratie wenst in te dienen. Die lidstaat wordt in kennis gesteld van de aanvang van de werkzaamheden.

HOOFDSTUK VI

Erkenningsinstanties

Artikel 28

Verloop van het erkenningsproces

1. De uit hoofde van artikel 4 van Verordening (EG) nr. xxxx/2008 door de lidstaten aangewezen erkenningsinstanties zijn bevoegd voor de erkenning van de milieuverificateurs en het toezicht op de door milieuverificateurs overeenkomstig deze verordening verrichte werkzaamheden.

2. De erkenningsinstanties beoordelen de deskundigheid van de milieuverificateurs in het licht van de in de artikelen 19, 20 en 21 omschreven elementen die relevant zijn voor de reikwijdte van de verlangde erkenning.

3. De reikwijdte van de erkenning van de verificateurs wordt bepaald aan de hand van de statistische classificatie van economische activiteiten zoals vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 1893/2006. Die reikwijdte wordt begrensd overeenkomstig de deskundigheid van de milieuverificateur, in voorkomend geval rekening houdend met de omvang en de complexiteit van de activiteit.

4. De erkenningsinstanties stellen passende procedures vast voor de erkenning, de weigering tot erkenning en de schorsing en intrekking van de erkenning van milieuverificateurs en het toezicht op milieuverificateurs.

Die procedures omvatten mechanismen om rekening te houden met de opmerkingen van belanghebbenden, waaronder de bevoegde instanties, over kandidaat-milieuverificateurs en erkende milieuverificateurs.

5. In geval van weigering tot erkenning stelt de erkenningsinstantie de milieuverificateur in kennis van de redenen voor haar besluit.

6. De erkenningsinstanties zorgen voor de opstelling, herziening en bijwerking van een lijst van milieuverificateurs in hun lidstaat, met vermelding van de reikwijdte van hun erkenning, en stellen de Commissie en de bevoegde instantie van de lidstaat waar de erkenningsinstantie is gevestigd maandelijks in kennis van de wijzigingen in deze lijst.

7. In het kader van de regels en procedures inzake toezicht op activiteiten van artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. xxxx/2008 stelt een erkenningsinstantie een toezichtrapport op indien zij, na de betrokken milieuverificateur te hebben gehoord, tot het besluit komt dat zich een van de volgende twee gevallen voordoet:

a) de werkzaamheden van de milieuverificateur zijn niet adequaat genoeg uitgevoerd om te waarborgen dat de organisatie voldoet aan de eisen van deze verordening;

b) de verificatie en de validering door de milieuverificateur zijn verricht in strijd met een of meer bepalingen van deze verordening.

Dit rapport wordt toegezonden aan de bevoegde instantie van de lidstaat waar de organisatie is geregistreerd of een aanvraag tot registratie heeft ingediend, en, indien van toepassing, aan de erkenningsinstantie die de erkenning heeft verleend.

Artikel 29

Schorsing en intrekking van erkenning

1. Voor de schorsing of intrekking van een erkenning moeten de betrokken partijen, waaronder de milieuverificateur, worden gehoord opdat de erkenningsinstantie over de nodige gegevens kan beschikken voor het nemen van haar beslissing.

2. De erkenningsinstantie stelt de milieuverificateur in kennis van de redenen voor de getroffen maatregelen en, in voorkomend geval, van het met de bevoegde handhavingsautoriteit gevoerde overleg.

3. De erkenning wordt geschorst of ingetrokken totdat, naar gelang van de aard en omvang van de tekortkoming of schending van de wettelijke voorschriften, passende zekerheid is verkregen omtrent de naleving van de eisen van deze verordening door de verificateur.

4. De schorsing van de erkenning wordt opgeheven wanneer de erkenningsinstantie informatie ontvangt waaruit genoegzaam blijkt dat de milieuverificateur voldoet aan de eisen van deze verordening.

Artikel 30

Vergadering van de erkenningsinstanties

1. In het raam van de krachtens artikel 14 van Verordening (EG) nr. xxxx/2008 erkende instantie houden de erkenningsinstanties van alle lidstaten ten minste een keer per jaar in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de Commissie een vergadering, hierna "vergadering van de erkenningsinstanties" genoemd.

2. De vergadering van de erkenningsinstanties heeft tot taak de coherentie te garanderen van de procedures met betrekking tot:

a) de erkenning van verificateurs in het kader van deze verordening, met inbegrip van de weigering tot erkenning en de schorsing en intrekking van erkenningen;

b) het toezicht op de werkzaamheden van de erkende verificateurs.

3. De vergadering van de erkenningsinstanties stelt richtsnoeren op voor kwesties die tot de bevoegdheid van de erkenningsinstanties behoren.

4. De vergadering van de erkenningsinstanties stelt haar reglement van orde vast.

5. De in lid 3 bedoelde richtsnoeren en het in lid 4 bedoelde reglement van orde worden aan de Commissie toegezonden.

Artikel 31

Intercollegiale toetsing van erkenningsinstanties

1. De intercollegiale toetsing inzake de erkenning van milieuverificateurs in het kader van deze verordening, die uit hoofde van artikel 10 van Verordening (EG) nr. xxxx/2008 door de in artikel 30, lid 1, bedoelde instantie moet worden georganiseerd, omvat ten minste een beoordeling van de regels en procedures betreffende:

a) de deskundigheid van de verificateurs;

b) de onafhankelijkheid, objectiviteit en onpartijdigheid van de verificateurs;

c) de specificatie van de reikwijdte van de erkenning van de verificateurs;

d) de aan verificateurs gestelde eisen;

e) het toezichtsproces voor verificateurs die verificatie- en valideringswerkzaamheden verrichten in de lidstaten;

f) het toezichtsproces voor verificateurs die verificatie- en valideringswerkzaamheden verrichten in derde landen;

g) het beheer van de lijst van erkende milieuverificateurs.

2. De intercollegiale toetsing van de erkenningssystemen in het kader van de uitvoering van deze verordening vindt geregeld, en ten minste om de vier jaar, plaats.

3. De in artikel 30, lid 1, bedoelde instantie doet de Commissie jaarlijks een verslag over de intercollegiale toetsing toekomen.

Dat verslag wordt publiek gemaakt.

HOOFDSTUK VII

Regels betreffende de lidstaten

Artikel 32

Informatie over de bevoegde instanties

De lidstaten informeren de Commissie over de structuur en de procedures voor het functioneren van de bevoegde instanties. Zij werken die informatie geregeld bij.

Artikel 33

Bijstand aan organisaties in verband met de naleving van de wettelijke milieuvoorschriften

1. De lidstaten zetten een systeem op om ervoor te zorgen dat aan organisaties die het registratieproces doorlopen, op hun verzoek informatie en bijstand wordt geboden in verband met de wettelijke milieuvoorschriften in de betrokken lidstaat.

2. De bijstand omvat:

a) informatie over de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften;

b) specificatie van de bevoegde handhavingsautoriteit voor elk wettelijk milieuvoorschrift waarvan is vastgesteld dat het van toepassing is;

c) vaststelling en verduidelijking van de wijze waarop kan worden aangetoond dat de organisatie voldoet aan de wettelijke milieuvoorschriften waarvan is vastgesteld dat ze van toepassing zijn;

d) het leggen van contacten met de bevoegde handhavingsautoriteiten, indien nodig.

3. De lidstaten kunnen de in de leden 1 en 2 omschreven taak toevertrouwen aan de bevoegde instanties of aan enige andere instantie.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat de door hen overeenkomstig lid 3 aangewezen instanties of organisaties over de nodige deskundigheid en over voldoende middelen, zowel financiële als personele, beschikken om hun taken te vervullen.

5. De lidstaten zien erop toe dat de handhavingsautoriteiten verzoeken van organisaties met betrekking tot de onder hun bevoegdheid vallende toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften beantwoorden en die organisaties informeren over de mate waarin zij aan deze voorschriften voldoen.

6. De lidstaten zien erop toe dat de bevoegde handhavingsautoriteiten elk geval van niet-naleving van deze verordening door een geregistreerde organisatie zo snel mogelijk, en in elk geval binnen een termijn van een maand, signaleren aan de bevoegde instantie die de organisatie heeft geregistreerd.

Artikel 34

EMAS-promotieplan

De lidstaten nemen een EMAS-promotieplan aan, dat doelstellingen, acties en initiatieven omvat om EMAS in het algemeen te promoten en organisaties te stimuleren om aan EMAS deel te nemen.

Artikel 35

Informatie

1. De lidstaten nemen passende maatregelen om het publiek te informeren over de doelstellingen en de belangrijkste elementen van EMAS.

2. De lidstaten maken waar passend, en in het bijzonder in samenwerking met beroepsverenigingen, consumentenorganisaties, milieuorganisaties, vakverenigingen en plaatselijke instellingen, gebruik van vakpublicaties, lokale kranten, promotiecampagnes of andere functionele middelen om de bekendheid van het publiek met EMAS te vergroten.

3. De lidstaten nemen passende maatregelen om organisaties te informeren over de inhoud van deze verordening.

Artikel 36

Promotieactiviteiten

De lidstaten ontplooien promotieactiviteiten voor EMAS, waaronder:

(1) de bevordering van de uitwisseling van kennis en beste praktijken inzake EMAS tussen alle betrokken partijen;

(2) de ontwikkeling van doeltreffende instrumenten om EMAS te promoten en de bekendmaking daarvan aan organisaties;

(3) de technische ondersteuning van organisaties bij de uitwerking en uitvoering van hun marketingactiviteiten;

(4) de stimulering van partnerschappen tussen organisaties ter promotie van EMAS.

Artikel 37

Bevordering van de deelneming van kleine organisaties

De lidstaten nemen passende maatregelen om de deelneming van kleine organisaties te garanderen door:

(1) de toegang tot specifiek op dergelijke organisaties toegesneden informatie en ondersteunende financiering te vergemakkelijken;

(2) ervoor te zorgen dat dergelijke organisaties dankzij redelijke registratiekosten tot deelneming worden aangespoord;

(3) regelingen voor technische bijstand te bevorderen, met name in combinatie met initiatieven van branchegebonden of plaatselijke contactpunten, plaatselijke overheden, kamers van koophandel en branche- of ambachtsorganisaties.

Artikel 38

Geclusterde en stapsgewijze aanpak

1. De lidstaten zorgen ervoor dat de plaatselijke overheden, in samenwerking met beroepsverenigingen, kamers van koophandel en betrokken partijen, specifieke bijstand verlenen aan clusters van organisaties die wegens hun geografische nabijheid of door de aard van hun commerciële activiteiten zijn verbonden, teneinde hen te helpen om aan de registratie-eisen van de artikelen 4, 5 en 6 te voldoen.

2. De lidstaten zetten programma’s op om organisaties ertoe aan te zetten een milieubeheersysteem te implementeren. Zij moedigen met name een stapsgewijze benadering aan die uiteindelijk kan resulteren in een EMAS-registratie.

Die systemen en programma’s moeten zo functioneren dat onnodige kosten voor deelnemers, meer bepaald kleine organisaties, worden vermeden.

Artikel 39

EMAS en andere communautaire milieubeleidsoriëntaties en -instrumenten

1. De lidstaten stellen samen met de bevoegde instanties en de handhavingsautoriteiten jaarlijks een strategie vast met betrekking tot de manier waarop de EMAS-registratie overeenkomstig deze verordening:

a) kan worden meegenomen bij de ontwikkeling van nieuwe wetgeving;

b) kan worden gebruikt als instrument ter uitvoering en handhaving van de wetgeving.

2. Onverminderd de Gemeenschapswetgeving, met name inzake concurrentie, fiscaliteit en staatssteun, nemen de lidstaten waar passend maatregelen die het voor organisaties gemakkelijker maken om een EMAS-registratie te verkrijgen of te behouden. Die maatregelen nemen een van de volgende twee vormen aan:

a) verlichting van de regelgeving, zodanig dat een organisatie die over een EMAS-registratie beschikt, geacht wordt te voldoen aan bepaalde – door de bevoegde instanties te specificeren – wettelijke milieuvoorschriften die in andere rechtsinstrumenten zijn vervat;

b) betere regelgeving, waarbij andere rechtsinstrumenten zo worden gewijzigd dat de lasten voor aan EMAS deelnemende organisaties worden weggenomen, beperkt of verlicht, teneinde het doeltreffend functioneren van de markten te bevorderen en het concurrentievermogen te stimuleren.

Artikel 40

Kosten en vergoedingen

1. De lidstaten stellen een systeem van vergoedingen in, rekening houdend met:

a) de kosten verbonden aan de informatieverstrekking en bijstandsverlening aan organisaties door de daartoe overeenkomstig artikel 33 door de lidstaten aangewezen of ingestelde instanties;

b) de kosten verbonden aan de erkenning van en het toezicht op de milieuverificateurs en andere soortgelijke kosten van EMAS;

c) de kosten verbonden aan registratie door de bevoegde instanties, alsook de extra kosten verbonden aan het beheer van het registratieproces voor buiten de Gemeenschap gevestigde organisaties.

Die vergoedingen dienen beperkt te blijven tot een redelijk bedrag en in verhouding te staan tot de omvang van de organisatie en van de te verrichten werkzaamheden.

2. De lidstaten kunnen als promotiemaatregel besluiten om geen vergoeding te vragen.

Artikel 41

Niet-naleving

1. De lidstaten nemen passende juridische of administratieve maatregelen in geval van niet-naleving van de bepalingen van deze verordening.

2. De lidstaten voeren doeltreffende bepalingen in tegen elk gebruik van het EMAS-logo dat in strijd is met de bepalingen van deze verordening.

Artikel 42

Informering van en verslaglegging aan de Commissie

De lidstaten brengen jaarlijks bij de Commissie verslag uit over de krachtens deze verordening genomen maatregelen.

In deze verslagen houden de lidstaten rekening met het jongste verslag dat de Commissie overeenkomstig artikel 47 bij het Europees Parlement en de Raad heeft ingediend.

HOOFDSTUK VIII

Regels betreffende de Europese Commissie

Artikel 43

Informatie

1. De Commissie informeert het publiek over de doelstellingen en de belangrijkste elementen van EMAS.

2. De Commissie zorgt voor het bijhouden en openbaar maken van:

a) een register van milieuverificateurs en in het kader van EMAS geregistreerde organisaties;

b) een databank van milieuverklaringen en milieuprestatierapporten in elektronische vorm.

Artikel 44

Samenwerking en coördinatie

1. De Commissie kan samenwerking tussen de lidstaten stimuleren, met name om in heel de Gemeenschap te komen tot een uniforme en coherente toepassing van de regels betreffende:

a) de registratie van organisaties;

b) de milieuverificateurs;

c) de in artikel 33 bedoelde informatie en bijstand.

2. Onverminderd de Gemeenschapswetgeving inzake overheidsopdrachten verwijzen de Commissie en de andere Gemeenschapsinstellingen en –organen waar passend naar EMAS of gelijkwaardige milieubeheersystemen als prestatiegerelateerde contractvoorwaarde voor werkzaamheden en diensten.

Artikel 45

Verband met andere milieubeheersystemen

1. De lidstaten kunnen bij de Commissie een schriftelijk verzoek indienen om bestaande milieubeheersystemen, of onderdelen daarvan, die zijn gecertificeerd overeenkomstig passende certificeringsprocedures die op nationaal of regionaal niveau zijn erkend, te accepteren als zijnde in overeenstemming met de betreffende eisen van deze verordening.

2. De lidstaten specificeren in hun verzoek de relevante onderdelen van de milieubeheersystemen en de betreffende eisen van deze verordening.

3. De lidstaten leveren het bewijs van de gelijkwaardigheid met deze verordening van alle relevante onderdelen van het betrokken milieubeheersysteem.

4. De Commissie accepteert, na het in lid 1 bedoelde verzoek te hebben onderzocht en volgens de procedure van artikel 49, lid 2, de relevante onderdelen van de milieubeheersystemen en de erkenningsvoorschriften voor de certificeringsinstanties indien zij van mening is dat de lidstaat:

a) in zijn verzoek de relevante onderdelen van de milieubeheersystemen en de betreffende eisen van deze verordening voldoende duidelijk heeft gespecificeerd;

b) het afdoende bewijs heeft geleverd van de gelijkwaardigheid met deze verordening van alle relevante onderdelen van het betrokken milieubeheersysteem.

5. De Commissie maakt de referenties van de geaccepteerde milieubeheersystemen, met inbegrip van de relevante onderdelen van EMAS als omschreven in bijlage I waarop zij van toepassing zijn, en de geaccepteerde erkenningsvoorschriften bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 46

Opstelling van sectorale referentiedocumenten

De Commissie zorgt voor informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de lidstaten en andere belanghebbenden over de beste milieubeheerpraktijk voor relevante sectoren, met het oog op het opstellen van sectorale referentiedocumenten die een beschrijving van de beste milieubeheerpraktijk en milieuprestatie-indicatoren voor specifieke sectoren bevatten.

Deze maatregelen, die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen door ze aan te vullen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing zoals bedoeld in artikel 49, lid 3.

Artikel 47

Rapportage

Om de vijf jaar dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een rapport in dat informatie bevat over de in het kader van dit hoofdstuk ondernomen acties en maatregelen, alsook de informatie die zij uit hoofde van de artikelen 32 en 42 van de lidstaten heeft ontvangen.

HOOFDSTUK IX

Slotbepalingen

Artikel 48

Wijziging van de bijlagen

1. De Commissie kan de bijlagen van deze verordening indien nodig of passend wijzigen in het licht van de ervaring die met de werking van EMAS wordt opgedaan, naar aanleiding van een vastgestelde behoefte aan richtsnoeren betreffende EMAS-eisen en in het licht van eventuele veranderingen op het stuk van internationale normen of nieuwe normen die relevant zijn voor het doeltreffend functioneren van deze verordening.

2. Deze maatregelen, die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen, worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing zoals bedoeld in artikel 49, lid 3.

Artikel 49

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is de raadplegingsprocedure van artikel 3 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van toepassing, met inachtneming van artikel 7, lid 3, en artikel 8 van dat besluit.

3. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 50

Herziening

De Commissie toetst EMAS in het licht van de opgedane ervaring en de internationale ontwikkelingen. Zij houdt rekening met de overeenkomstig artikel 47 bij het Europees Parlement en de Raad ingediende rapporten.

Artikel 51

Intrekkings- en overgangsbepalingen

1. De volgende besluiten worden ingetrokken:

a) Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) [25];

b) Beschikking 2001/681/EG van de Commissie betreffende leidraden bij de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) [26];

c) Beschikking 2006/193/EG van de Commissie houdende vaststelling van voorschriften, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad, betreffende het gebruik van het EMAS-logo in het uitzonderingsgeval van verzendverpakking en tertiaire verpakking [27].

2. In afwijking van lid 1 zijn de tweede, derde en vierde alinea van dit lid van toepassing.

Nationale erkenningsinstanties en bevoegde instanties die op grond van Verordening (EG) nr. 761/2001 zijn opgericht, blijven functioneren. De lidstaten brengen de procedures die door de erkenningsinstanties en bevoegde instanties worden toegepast, in overeenstemming met deze verordening. De lidstaten zien erop toe dat deze systemen binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening volledig operationeel zijn.

Organisaties die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 761/2001 zijn geregistreerd, blijven opgenomen in het EMAS-register. Bij de eerstvolgende verificatie van de organisatie controleert de milieuverificateur of de organisatie de nieuwe voorschriften van deze verordening naleeft. Indien de volgende verificatie eerder dan zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening moet plaatsvinden, kan het tijdstip van de volgende verificatie in overleg met de milieuverificateur en de bevoegde instanties met zes maanden worden uitgesteld.

Milieuverificateurs die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 761/2001 zijn erkend, mogen hun werkzaamheden blijven uitvoeren overeenkomstig de voorschriften van deze verordening.

3. Verwijzingen naar Verordening (EG) nr. 761/2001 gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen overeenkomstig de in bijlage VIII opgenomen concordantietabel.

Artikel 52

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

MILIEUANALYSE

De milieuanalyse bestrijkt de volgende gebieden:

1. Specificatie van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften

Naast de opstelling van een lijst van toepasselijke wettelijke voorschriften dient de organisatie ook aan te geven hoe kan worden aangetoond dat zij aan de verschillende voorschriften voldoet.

2. Specificatie van alle directe en indirecte milieuaspecten met significante effecten op het milieu, gekwalificeerd en waar van toepassing gekwantificeerd, waarbij in een register wordt aangegeven welke als significant worden geïdentificeerd.

Een organisatie houdt bij de beoordeling van de significantie van een milieuaspect rekening met de volgende aandachtspunten:

(a) de potentie om schade aan het milieu toe te brengen;

(b) de kwetsbaarheid van het plaatselijke, regionale of mondiale milieu;

(c) de omvang, het aantal, de frequentie en de omkeerbaarheid van het aspect of effect;

(d) het bestaan van relevante milieuwetgeving en de voorschriften daarvan;

(e) het belang voor de stakeholders en de werknemers van de organisatie.

a) Directe milieuaspecten

Directe milieuaspecten zijn verbonden aan activiteiten, producten en diensten van de organisatie zelf, waarover zij directe beheerscontrole heeft.

Alle organisaties moeten rekening houden met de directe aspecten van hun activiteiten.

Directe milieuaspecten houden onder andere maar niet uitsluitend verband met:

(a) de wettelijke voorschriften en de grenswaarden in vergunningen;

(b) de uitstoot in de lucht;

(c) de lozing in water;

(d) de productie, de recycling, het hergebruik, het vervoer en de verwijdering van vast en ander afval, met name gevaarlijk afval;

(e) het gebruik en de verontreiniging van de bodem;

(f) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en grondstoffen (inclusief energie);

(g) de lokale overlast (geluid, trillingen, stank, stof, visuele hinder, enz.);

(h) vervoerskwesties (zowel voor goederen als voor diensten); en

(i) de risico's van milieuongevallen en -effecten die zich voordoen of waarschijnlijk zullen voordoen ten gevolge van incidenten, ongevallen en mogelijke noodsituaties;

(j) de effecten op de biodiversiteit.

b) Indirecte milieuaspecten

Indirecte milieuaspecten kunnen een gevolg zijn van de interactie van een organisatie met derden die tot op redelijke hoogte kan worden beïnvloed door de organisatie die een EMAS-registratie wenst.

Voor niet-industriële organisaties, zoals lokale overheidsinstanties of financiële instellingen, is het van essentieel belang dat ze ook rekening houden met de milieuaspecten die samenhangen met hun kernactiviteiten. Een inventarisatie die beperkt blijft tot de milieuaspecten van de vestiging en installaties van een organisatie, is niet voldoende.

Hieronder vallen onder andere maar niet uitsluitend:

(a) aspecten in verband met de levenscyclus van een product (ontwerp, ontwikkeling, verpakking, transport, gebruik en afvalverwerking of -verwijdering);

(b) investeringen, kredietverlening en verzekeringsdiensten;

(c) nieuwe markten;

(d) de keuze en samenstelling van diensten (bijv. vervoer of catering);

(e) administratieve en planningsbeslissingen;

(f) de samenstelling van het assortiment;

(g) de milieuprestaties en praktijken van contractanten, subcontractanten en leveranciers.

De organisatie moet kunnen aantonen dat de significante milieuaspecten die verband houden met haar inkoopprocedures, zijn geïnventariseerd en dat er in het beheersysteem aandacht wordt besteed aan significante effecten van deze aspecten.

Bij deze indirecte milieuaspecten gaat een organisatie na in hoeverre zij invloed op deze aspecten kan uitoefenen en welke maatregelen kunnen worden genomen om de effecten ervan te beperken.

3. Beschrijving van de criteria voor de bepaling van de significantie van de milieueffecten

De organisatie stelt de criteria op voor de bepaling van de significantie van de milieuaspecten van haar activiteiten, producten en diensten om na te gaan welke daarvan significante milieueffecten hebben.

De organisatie dient bij de ontwikkeling van de criteria rekening te houden met de communautaire wetgeving en de criteria dienen breed, onafhankelijk controleerbaar en reproduceerbaar te zijn en dienen te worden gepubliceerd.

Bij de vaststelling van de criteria voor de bepaling van de significantie van de milieuaspecten van een organisatie kan onder andere maar niet uitsluitend rekening worden gehouden met:

(a) informatie over de toestand van het milieu om vast te stellen welke activiteiten, producten en diensten van de organisatie milieueffecten kunnen hebben;

(b) de bestaande gegevens van de organisatie over de risico's in verband met materiaal- en energieverbruik, lozingen, afvalstoffen en emissies;

(c) de standpunten van belanghebbenden;

(d) de milieuactiviteiten van de organisatie waarvoor regelgeving bestaat;

(e) inkoopactiviteiten;

(f) ontwerp, ontwikkeling, vervaardiging, distributie, onderhoud, gebruik, hergebruik, recycling en verwijdering van de producten van de organisatie;

(g) de activiteiten van de organisatie die de belangrijkste milieukosten en milieubaten met zich meebrengen.

De organisatie gaat bij de bepaling van de significantie van de milieueffecten van haar activiteiten niet alleen uit van de normale bedrijfsomstandigheden maar ook van de omstandigheden bij het opstarten en stilleggen en van redelijkerwijs voorzienbare noodsituaties. Er wordt rekening gehouden met de vroegere, de huidige en de geplande activiteiten.

4. Onderzoek van alle bestaande praktijken en procedures voor milieubeheer

5. Beoordeling van feedback die afkomstig is van het onderzoek van eerdere incidenten

BIJLAGE II

Milieuzorgsysteemeisen

en

andere aandachtspunten voor organisaties die EMAS invoeren

De milieuzorgsysteemeisen in het kader van EMAS zijn vastgelegd in deel 4 van de norm EN ISO 14001:2004. Deze eisen worden vermeld in de linkerkolom van onderstaande tabel; dit is deel A van deze bijlage.

Daarnaast zijn er verschillende andere aandachtspunten voor geregistreerde organisaties, die rechtstreeks gekoppeld zijn aan bepaalde onderdelen van deel 4 van de norm EN ISO 14001:2004. Deze aandachtspunten worden vermeld in de rechterkolom van onderstaande tabel; dit is deel B van deze bijlage.

Deel AMilieuzorgsysteemeisen uit hoofde van EN ISO 14001:2004 | Deel BAndere aandachtspunten voor organisaties die EMAS invoeren |

Organisaties die deelnemen aan het milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) leven de eisen na van EN ISO 14001:2004, die zijn beschreven in afdeling 4 van de Europese norm [28] en hieronder onverkort worden weergegeven: | |

A. Milieuzorgsysteemeisen | |

A.1. Algemene eisen | |

De organisatie moet een milieuzorgsysteem vaststellen, schriftelijk vastleggen, toepassen en handhaven en dit continu verbeteren overeenkomstig de eisen van deze internationale norm, en bepalen hoe zij aan deze eisen zal voldoen. | |

De organisatie moet het toepassingsgebied van haar milieuzorgsysteem omschrijven en schriftelijk vastleggen. | |

A.2. Milieubeleid | |

Het hoogste leidinggevende niveau bepaalt het milieubeleid van de organisatie en ziet erop toe dat dit, binnen het vastgestelde toepassingsgebied van het milieuzorgsysteem van de organisatie, | |

a) geschikt is voor de aard, omvang en milieueffecten van haar activiteiten, producten en diensten; | |

b) een verbintenis bevat tot continue verbetering en preventie van verontreiniging; | |

c) een verbintenis bevat tot naleving van de toepasselijke wettelijke eisen en de andere door de organisatie onderschreven eisen in samenhang met de voor haar relevante milieuaspecten; | |

d) een kader biedt voor het vaststellen en beoordelen van milieudoelstellingen en -taakstellingen; | |

e) schriftelijk wordt vastgelegd en wordt toegepast en gehandhaafd; | |

f) ter kennis wordt gebracht van alle personen die werken voor of namens de organisatie; en | |

g) beschikbaar is voor het publiek. | |

A.3. Planning | |

A.3.1. Milieuaspecten | |

De organisatie moet een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven om | |

a) binnen het vastgestelde toepassingsgebied van het milieuzorgsysteem de milieuaspecten van haar activiteiten, producten en diensten die zij kan beheersen en deze waarop zij invloed kan uitoefenen, te identificeren, rekening houdend met geplande of nieuwe ontwikkelingen en nieuwe of gewijzigde activiteiten, producten en diensten; en | |

b) de aspecten te bepalen die belangrijke effecten hebben of kunnen hebben op het milieu ("belangrijke milieuaspecten"). | |

De organisatie legt deze informatie schriftelijk vast en zorgt ervoor dat zij bijgewerkt blijft. | |

De organisatie zorgt ervoor dat met de belangrijke milieuaspecten rekening wordt gehouden bij de vaststelling, toepassing en handhaving van haar milieuzorgsysteem. | |

A.3.2. Wettelijke en andere eisen | |

De organisatie moet een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven om | |

a) de toepasselijke wettelijke eisen en de andere door haar onderschreven eisen in samenhang met de voor haar relevante milieuaspecten te identificeren en daar toegang toe te hebben, en | |

b) te bepalen hoe deze eisen ten aanzien van de voor haar relevante milieuaspecten dienen te worden toegepast. | |

De organisatie zorgt ervoor dat met de toepasselijke wettelijke eisen en de andere door haar onderschreven eisen rekening wordt gehouden bij de vaststelling, toepassing en handhaving van haar milieuzorgsysteem. | |

| B.1. Naleving van wettelijke eisen |

| Organisaties die zich bij EMAS willen registreren, moeten kunnen aantonen dat ze: |

| hebben gespecificeerd welke wettelijke milieueisen die bij de milieuanalyse overeenkomstig bijlage I zijn gespecificeerd, voor hen toepasselijk zijn en de implicaties daarvan voor de organisatie kennen; |

| de wettelijke milieueisen, met inbegrip van vergunningen en grenswaarden in vergunningen, naleven; en |

| procedures hebben ingevoerd die de organisatie in staat stellen aan deze eisen te blijven voldoen. |

A.3.3. Doelstellingen, taakstellingen en programma’s | |

De organisatie moet voor de relevante functies en op de relevante niveaus binnen de organisatie schriftelijk vastgelegde milieudoelstellingen en -taakstellingen vaststellen, toepassen en handhaven. | |

Deze doelstellingen en taakstellingen dienen voorzover mogelijk meetbaar te zijn en in overeenstemming te zijn met het milieubeleid, met inbegrip van de verbintenissen om verontreiniging te voorkomen, de toepasselijke wettelijke eisen en andere door de organisatie onderschreven eisen na te leven en werk te maken van continue verbetering. | |

De organisatie houdt bij het vaststellen en beoordelen van haar doelstellingen en taakstellingen rekening met de toepasselijke wettelijke eisen en de andere door de organisatie onderschreven eisen, alsmede met de voor haar belangrijke milieuaspecten. Zij houdt ook rekening met haar technologische opties, haar financiële, operationele en zakelijke behoeften en met de visies van belanghebbende partijen. | |

De organisatie moet een of meer programma’s vaststellen, toepassen en handhaven om haar doelstellingen en taakstellingen te realiseren. Deze programma’s omvatten: | |

a) de toewijzing van de verantwoordelijkheid voor het realiseren van de doelstellingen en taakstellingen op de relevante niveaus en voor de relevante functies binnen de organisatie, en | |

b) de middelen en het tijdschema voor het bereiken van deze doelstellingen. | |

| B.2. Prestaties |

| De organisaties kunnen aantonen dat het milieuzorgsysteem en de auditprocedures betrekking hebben op de werkelijke milieuprestaties van de organisatie ten aanzien van de directe en indirecte aspecten die bij de milieuanalyse overeenkomstig bijlage I zijn gespecificeerd.Als onderdeel van de beoordeling door de directie worden de prestaties van de organisatie in vergelijking met haar doelstellingen en taakstellingen geëvalueerd. De organisatie verbindt zich ook tot een continue verbetering van haar milieuprestaties. Daarbij kan de organisatie haar optreden baseren op lokale, regionale en nationale milieuprogramma's. |

| De middelen om de doelstellingen en taakstellingen te verwezenlijken kunnen geen milieudoelstellingen zijn. Indien de organisatie een of meer locaties omvat, voldoet elke locatie waarop EMAS van toepassing is, aan alle EMAS-voorschriften, waaronder een continue verbetering van de in artikel 2, onder b), van deze verordening gedefinieerde milieuprestaties. |

A.4. Implementatie en uitvoering | |

A.4.1. Middelen, taakverdeling, verantwoordelijkheden en bevoegdheden | |

De directie ziet erop toe dat de benodigde middelen voor de vaststelling, toepassing, handhaving en verbetering van het milieuzorgsysteem beschikbaar zijn. Die middelen omvatten personele middelen en specialistische vaardigheden, organisatorische infrastructuur, technologie en financiële middelen. | |

De taakverdeling, verantwoordelijkheden en bevoegdheden worden omschreven, schriftelijk vastgelegd en bekendgemaakt om een doeltreffende milieuzorg te bevorderen. | |

Het hoogste leidinggevende niveau van de organisatie benoemt een of meer specifieke directievertegenwoordigers die, ongeacht hun andere verantwoordelijkheden, welomschreven taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden hebben om: | |

a) ervoor te zorgen dat een milieuzorgsysteem wordt vastgesteld, toegepast en gehandhaafd in overeenstemming met de eisen van deze internationale norm; | |

b) aan het hoogste leidinggevende niveau verslag uit te brengen over het functioneren van het milieuzorgsysteem met het oog op de beoordeling daarvan, met inbegrip van aanbevelingen voor verbetering. | |

A.4.2. Vakbekwaamheid, opleiding en bewustmaking | B.3. Betrokkenheid van de werknemers |

| De organisatie dient te beseffen dat een actieve betrokkenheid van de werknemers een impuls en voorwaarde is voor continue en succesvolle milieuverbeteringen en daarnaast een cruciaal hulpmiddel bij de verbetering van de milieuprestaties en tevens de juiste methode om het milieuzorg- en milieuauditsysteem op succesvolle wijze in de organisatie te verankeren.De term "werknemersparticipatie" omvat zowel participatie als voorlichting van de individuele werknemer en zijn vertegenwoordigers. Er dient dan ook een regeling voor werknemersparticipatie op alle niveaus te zijn. De organisatie dient te beseffen dat engagement, een luisterend oor en actieve steun van de kant van de directie een eerste vereiste is om deze processen tot een succes te maken. In deze context moet de noodzaak van terugkoppeling van de directie naar de werknemers worden benadrukt. |

De organisatie ziet erop toe dat alle personen die voor of namens haar taken uitvoeren die door de organisatie geïdentificeerde belangrijke milieueffecten kunnen hebben, vakbekwaam zijn uit hoofde van passende scholing, opleiding of ervaring, en houdt terzake een register bij. | |

De organisatie inventariseert de opleidingsbehoeften in samenhang met de voor haar relevante milieuaspecten en haar milieuzorgsysteem. Zij verstrekt de nodige opleiding of onderneemt actie om in deze behoeften te voorzien, en houdt terzake een register bij. | |

De organisatie moet een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven om de personen die voor of namens haar werken, bewust te maken van: | |

a) het belang van naleving van het milieubeleid en de milieuprocedures en van de eisen van het milieuzorgsysteem; | |

b) de belangrijke milieuaspecten en de daarmee samenhangende feitelijke of potentiële milieueffecten van hun werk en de voordelen van betere persoonlijke prestaties voor het milieu; | |

c) hun eigen taken en verantwoordelijkheden inzake de naleving van de eisen van het milieuzorgsysteem; en | |

d) de potentiële consequenties als van de gespecificeerde procedures wordt afgeweken. | |

| Afgezien van deze voorschriften worden de werknemers betrokken bij het proces met het oog op een continue verbetering van de milieuprestaties van de organisatie via: |

| de initiële milieuanalyse, de analyse van de status quo en het verzamelen en controleren van informatie;de vaststelling en invoering van een milieuzorg- en milieuauditsysteem om de milieuprestaties te verbeteren;milieucomités om informatie te verzamelen en om de participatie tussen de milieufunctionaris/ vertegenwoordigers van de directie en de werknemers en hun vertegenwoordigers te waarborgen;gemeenschappelijke werkgroepen voor het milieuactieprogramma en milieuaudits;de opstelling van de milieuverklaringen. |

| Hiertoe moet gebruik worden gemaakt van passende participatievormen zoals een ideeënboek of projectgericht groepswerk of milieucomités. De organisaties houden daarbij rekening met de richtsnoeren van de Commissie inzake beste praktijk op dit gebied. Indien zij daarom verzoeken, worden ook vertegenwoordigers van het personeel daarbij betrokken. |

A.4.3. Communicatie | |

Met betrekking tot de voor haar relevante milieuaspecten en haar milieuzorgsysteem moet de organisatie een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven voor: | |

a) de interne communicatie tussen de verschillende niveaus en functies van de organisatie, | |

b) het ontvangen van, schriftelijk vastleggen van en reageren op relevante mededelingen van externe belanghebbende partijen. | |

De organisatie beraadt zich over de vraag of zij al dan niet naar buiten toe zal communiceren over de voor haar belangrijke milieuaspecten, en legt haar beslissing ter zake schriftelijk vast. Indien zij ertoe besluit hierover te communiceren, moet de organisatie een methodiek voor deze externe communicatie vaststellen en toepassen. | |

| B.4. Communicatie |

| Organisaties kunnen aantonen dat zij met het publiek en andere belanghebbenden, met inbegrip van lokale gemeenschappen en klanten, een open dialoog voeren over de milieueffecten van hun activiteiten, producten en diensten teneinde de punten van zorg van het publiek en andere belanghebbenden te signaleren. |

| Openheid, transparantie en periodieke verstrekking van milieu-informatie zijn belangrijke factoren waardoor EMAS zich onderscheidt van andere regelingen. Deze factoren zijn voor de organisatie ook van belang voor de opbouw van een vertrouwensrelatie met belanghebbenden.EMAS biedt organisaties de nodige flexibiliteit om specifieke doelgroepen te kunnen voorzien van relevante informatie, terwijl alle informatie gegarandeerd beschikbaar is voor degenen dit wensen. |

A.4.4. Documentatie | |

De documentatie met betrekking tot het milieuzorgsysteem omvat: | |

a) het milieubeleid, de milieudoelstellingen en de milieutaakstellingen, | |

b) een omschrijving van het toepassingsgebied van het milieuzorgsysteem, | |

c) een beschrijving van de belangrijkste elementen van het milieuzorgsysteem en de interacties daartussen, alsook een verwijzing naar de desbetreffende documenten, | |

d) de krachtens deze internationale norm vereiste documenten, met inbegrip van registers, en | |

e) de documenten, met inbegrip van registers, welke de organisatie noodzakelijk acht voor een doeltreffende planning, uitvoering en beheersing van de processen die samenhangen met de voor haar belangrijke milieuaspecten. | |

A.4.5. Documentenbeheer | |

De krachtens het milieuzorgsysteem en deze internationale norm vereiste documenten worden op passende wijze beheerd. Registers vormen een specifieke categorie documenten en dienen te worden beheerd overeenkomstig de in punt A.5.4. omschreven eisen. | |

De organisatie moet een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven om: | |

a) geschikt bevonden documenten goed te keuren, voorafgaand aan de uitgifte daarvan; | |

b) documenten te herbezien, voorzover nodig te actualiseren en opnieuw goed te keuren; | |

c) ervoor te zorgen dat wijzigingen en de actuele revisiestatus van documenten worden aangegeven; | |

d) ervoor te zorgen dat de relevante versies van toepasselijke documenten beschikbaar zijn op de plaatsen waar zij worden gebruikt; | |

e) ervoor te zorgen dat de documenten leesbaar en gemakkelijk herkenbaar blijven; | |

f) ervoor te zorgen dat documenten van externe oorsprong welke de organisatie voor de planning en het functioneren van het milieuzorgsysteem noodzakelijk acht, worden geïnventariseerd en dat op de verspreiding ervan wordt toegezien; en | |

g) het onbedoelde gebruik van verouderde documenten te voorkomen en dergelijke documenten op een passende wijze te identificeren indien zij voor enig doel worden bewaard. | |

A.4.6. Logistiek beheer | |

Overeenkomstig haar milieubeleid, milieudoelstellingen en milieutaakstellingen inventariseert en plant de organisatie de werkzaamheden die samenhangen met de geïdentificeerde belangrijke milieuaspecten om te bewerkstelligen dat deze onder gespecificeerde voorwaarden worden uitgevoerd. Zij doet dit door: | |

a) een of meer procedures vast te stellen en schriftelijk vast te leggen, toe te passen en te handhaven voor de beheersing van situaties waarin het ontbreken van dergelijke procedures tot afwijkingen van het milieubeleid en de milieudoelstellingen en -taakstellingen zou kunnen leiden; | |

b) in de procedure(s) criteria voor de uitvoering van de werkzaamheden te specificeren; en | |

c) procedures vast te stellen, toe te passen en te handhaven in samenhang met de geïdentificeerde belangrijke milieuaspecten van door de organisatie gebruikte goederen en diensten, en de toepasselijke procedures en eisen bekend te maken aan haar leveranciers, met inbegrip van aannemers van werk. | |

A.4.7. Paraatheid en reactie op noodsituaties | |

De organisatie moet een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven voor het identificeren van mogelijke noodsituaties en mogelijke ongevallen die gevolgen kunnen hebben voor het milieu en ter bepaling van de manier waarop zij daarop zal reageren. | |

De organisatie reageert op reële noodsituaties en ongevallen en voorkomt of vermindert de daarmee samenhangende schadelijke milieueffecten. | |

De organisatie beoordeelt periodiek de procedures inzake voorbereiding en reactie op noodsituaties en herziet deze waar nodig, met name nadat zich ongevallen of noodsituaties hebben voorgedaan. | |

Zo mogelijk beproeft de organisatie deze procedures op periodieke basis. | |

A.5. Controle | |

A.5.1. Monitoring en metingen | |

De organisatie moet een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven voor de geregelde monitoring en meting van de belangrijkste kenmerken van haar werkzaamheden die een belangrijk effect op het milieu kunnen hebben. Deze procedure(s) omvat(ten) het schriftelijk vastleggen van informatie ter bewaking van de prestaties, de toepasselijke logistieke controles en de naleving van de milieudoelstellingen en -taakstellingen van de organisatie. | |

De organisatie ziet erop toe dat gekalibreerde of geverifieerde monitoring- en meetapparatuur wordt gebruikt en onderhouden en houdt ter zake een register bij. | |

A.5.2. Beoordeling van de naleving | |

A.5.2.1. Overeenkomstig de aangegane nalevingsverbintenis moet de organisatie een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven voor de periodieke beoordeling van de naleving van de toepasselijke wettelijke eisen. | |

De organisatie houdt een register bij van de resultaten van deze periodieke beoordeling. | |

A.5.2.2. De organisatie beoordeelt de naleving van de andere eisen welke zij onderschrijft. De organisatie kan deze beoordeling desgewenst combineren met de in punt A.5.2.1 bedoelde beoordeling van de naleving van de wettelijke eisen, of in een of meer afzonderlijke procedures voorzien. | |

De organisatie houdt een register bij van de resultaten van deze periodieke beoordeling. | |

A.5.3. Afwijkingen en corrigerende en preventieve maatregelen | |

De organisatie moet een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven om feitelijke en mogelijke afwijkingen aan te pakken en corrigerende en preventieve maatregelen te nemen. In deze procedure(s) worden de eisen omschreven voor: | |

a) het vaststellen en verhelpen van afwijkingen en het nemen van maatregelen om de milieueffecten daarvan te verminderen; | |

b) het onderzoeken van afwijkingen, het vaststellen van de oorzaken daarvan en het treffen van maatregelen om een herhaling daarvan te vermijden; | |

c) het beoordelen van de noodzaak van maatregelen om afwijkingen te voorkomen en het nemen van passende maatregelen om het optreden daarvan te vermijden; | |

d) het registreren van de resultaten van corrigerende en preventieve maatregelen; en | |

e) het beoordelen van de doeltreffendheid van de genomen corrigerende en preventieve maatregelen. Deze maatregelen moeten op de omvang van het probleem en de vastgestelde milieueffecten worden afgestemd. | |

De organisatie zorgt ervoor dat alle nodige wijzigingen in de documentatie met betrekking tot het milieuzorgsysteem worden aangebracht. | |

A.5.4. Beheer van registers | |

De organisatie moet de registers opzetten en bijhouden die nodig zijn om aan te tonen dat zij de eisen van haar milieuzorgsysteem en van deze internationale norm naleeft, alsook om de bereikte resultaten te documenteren. | |

De organisatie moet een of meer procedures vaststellen, toepassen en handhaven voor het identificeren, opslaan, beveiligen, raadplegen, bewaren en verwijderen van de gegevens in deze registers. | |

De gegevens in de registers dienen leesbaar, identificeerbaar en traceerbaar te zijn en te blijven. | |

A.5.5. Interne audit | |

De organisatie zorgt ervoor dat op geregelde tijdstippen een interne audit van het milieuzorgsysteem plaatsvindt om: | |

a) vast te stellen of het milieuzorgsysteem: | |

- voldoet aan de voorgenomen regelingen inzake milieuzorg, met inbegrip van de eisen van deze internationale norm, en | |

- correct is ingevoerd en wordt gehandhaafd; en | |

b) informatie over de resultaten van de audits te verschaffen aan de directie. | |

Door de organisatie worden een of meer auditprogramma’s gepland, vastgesteld, uitgevoerd en gehandhaafd, rekening houdend met het milieubelang van de betrokken activiteiten en de resultaten van eerdere audits. | |

Er worden auditprocedures vastgesteld, toegepast en gehandhaafd met betrekking tot: | |

- de verantwoordelijkheden en eisen inzake de planning en uitvoering van audits, de rapportage van de resultaten en het bewaren van de gegevens ter zake; | |

- de vaststelling van de criteria, reikwijdte, frequentie en methoden van de audits. | |

Bij de selectie van de auditeurs en de uitvoering van de audits wordt zodanig te werk gegaan dat de objectiviteit en de onpartijdigheid van het auditproces gegarandeerd zijn. | |

A.6. Beoordeling door de directie | |

Het hoogste leidinggevende niveau van de organisatie beoordeelt op geregelde tijdstippen het milieuzorgsysteem van de organisatie teneinde de continue geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid daarvan te garanderen. De beoordeling omvat ook een evaluatie van de mogelijkheden tot verbetering en de noodzaak van wijzigingen in het milieuzorgsysteem, met inbegrip van het milieubeleid en de milieudoelstellingen en -taakstellingen. | |

Van de beoordelingen door de directie wordt een verslag opgesteld en bewaard. | |

Voor de beoordelingen door de directie wordt gebruik gemaakt van: | |

a) de resultaten van de interne audits en de beoordelingen van de naleving van de wettelijke eisen en de andere eisen die door de organisatie worden onderschreven; | |

b) mededelingen van belanghebbende derden, met inbegrip van klachten; | |

c) de milieuprestaties van de organisatie; | |

d) de mate waarin de doelstellingen en taakstellingen zijn gerealiseerd; | |

e) de situatie met betrekking tot corrigerende en preventieve maatregelen; | |

f) follow-upmaatregelen resulterend uit eerdere beoordelingen door de directie; | |

g) gewijzigde omstandigheden, met inbegrip van ontwikkelingen inzake de wettelijke en andere eisen ten aanzien van de voor de organisatie relevante milieuaspecten; en | |

h) aanbevelingen voor verbeteringen. | |

De resultaten van de beoordelingen door de directie omvatten met name alle besluiten en maatregelen met betrekking tot eventuele wijzigingen in het milieubeleid, de milieudoelstellingen en -taakstellingen en andere elementen van het milieuzorgsysteem in overeenstemming met de verbintenis tot continue verbetering. | |

Lijst van nationale normalisatie-instanties:BE: IBN/BIN (Belgisch Instituut voor Normalisatie/Institut Belge de Normalisation)CZ: ČNI (Český normalizační institut)DK: DS (Dansk Standard)DE: DIN (Deutsches Institut für Normung e.V.) EE: EVS (Eesti Standardikeskus)EL: ELOT (Ελληνικός Οργανισμός Τυποποίησης)ES: AENOR (Asociación Española de Normalización y Certificación)FR: AFNOR (Association Française de Normalisation)IEL: NSAI (National Standards Authority of Ireland)IT: UNI (Ente Nazionale Italiano di Unificazione)CY: Κυπριακός Οργανισμός Προώθησης ΠοιότηταςLV: LVS (Latvijas Standarts)LT: LST (Lietuvos standartizacijos departamentas)LU: SEE (Service de l’Energie de l’Etat) (Luxembourg)HU: MSZT (Magyar Szabványügyi Testület)MT: MSA (Awtorità Maltija dwar l-Istandards/Malta Standards Authority)NL: NEN (Nederlands Normalisatie-Instituut)AT: ON (Österreichisches Normungsinstitut)PL: PKN (Polski Komitet Normalizacyjny)PT: IPQ (Instituto Português da Qualidade)SI: SIST (Slovenski inštitut za standardizacijo)SK: SÚTN (Slovenský ústav technickej normalizácie)FI: SFS (Suomen Standardisoimisliitto r.y)SE: SIS (Swedish Standards Institute)UK: BSI (British Standards Institution).” | |

BIJLAGE III

INTERNE MILIEUAUDIT

A. Auditprogramma en auditfrequentie

1. Auditprogramma

Het auditprogramma waarborgt dat het management van de organisatie de informatie krijgt die het nodig heeft om de milieuprestaties van de organisatie en de effectiviteit van het milieubeheersysteem te toetsen en te kunnen aantonen dat deze onder controle zijn.

2. Doelstellingen van het auditprogramma

De doelstellingen omvatten in het bijzonder een beoordeling van de ingevoerde milieubeheersystemen en de vaststelling of ze in overeenstemming zijn met het milieubeleid en het milieuprogramma van de organisatie, inclusief de naleving van de relevante wettelijke milieuvoorschriften.

3. Reikwijdte van het auditprogramma

De algehele reikwijdte van de afzonderlijke audits of eventueel van elke fase van een auditcyclus wordt duidelijk omschreven, waarbij expliciet worden vermeld:

(a) de bestreken gebieden;

(b) de door te lichten activiteiten;

(c) de in aanmerking te nemen milieucriteria;

(d) de door de audit bestreken periode.

De milieuaudit omvat een evaluatie van de feitelijke gegevens die nodig zijn om de prestaties te beoordelen.

4. Auditfrequentie

De audit of auditcyclus die alle activiteiten van de organisatie bestrijkt, wordt voor zover van toepassing uitgevoerd met tussenpozen van ten hoogste drie jaar. De frequentie waarmee activiteiten aan een audit worden onderworpen, varieert naar gelang:

(a) de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten;

(b) de significantie van de daarmee samenhangende milieueffecten;

(c) de omvang en urgentie van de in eerdere audits gesignaleerde problemen;

(d) milieuproblemen in het verleden.

Complexere activiteiten met significantere milieueffecten worden vaker doorgelicht.

De organisatie voert audits ten minste op jaarlijkse basis uit, aangezien dit ertoe bijdraagt dat aan het management van de organisatie en de milieuverificateur wordt aangetoond dat zij de significante milieuaspecten onder controle heeft.

De organisatie voert audits uit met betrekking tot:

(a) de milieuprestaties van de organisatie en

(b) de naleving van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften door de organisatie.

B. Auditwerkzaamheden

Tot de auditwerkzaamheden behoren gesprekken met het personeel, de inspectie van de exploitatieomstandigheden en de apparatuur en de beoordeling van de verslagen, de schriftelijk vastgelegde procedures en andere relevante documentatie, teneinde de milieuprestaties van de betrokken activiteit te beoordelen om na te gaan of deze aan de toepasselijke normen, voorschriften of doel- en taakstellingen voldoen, en of het ingevoerde systeem voor het beheer van milieutaken effectief en geschikt is. Om de effectiviteit van het gehele milieubeheersysteem te beoordelen wordt onder meer steekproefsgewijs getoetst of aan deze criteria wordt voldaan.

Het auditproces omvat met name de volgende stappen:

(a) het verwerven van inzicht in de milieubeheersystemen;

(b) het evalueren van de sterke en zwakke punten van de milieubeheersystemen;

(c) het verzamelen van relevante gegevens;

(d) het evalueren van de resultaten van de audit,

(e) het formuleren van de conclusies van de audit,

(f) de rapportage over de resultaten en de conclusies van de audit.

C. Rapportage over de resultaten en de conclusies van de audit

De hoofddoelstellingen van een schriftelijk auditverslag zijn:

(a) de reikwijdte van de audit vastleggen;

(b) het management informatie verstrekken over de mate waarin het milieubeleid van de organisatie in acht wordt genomen en de organisatie vorderingen boekt op het gebied van het milieu;

(c) het management informatie verstrekken over de effectiviteit en de betrouwbaarheid van de regelingen voor de monitoring van de milieueffecten van de organisatie;

(d) eventueel aantonen dat corrigerende maatregelen nodig zijn.

BIJLAGE IV

MILIEURAPPORTAGE

A. Inleiding

Milieu-informatie wordt op een duidelijke en coherente wijze in elektronische of gedrukte vorm verstrekt.

B. Milieuverklaring

De milieuverklaring bevat ten minste de volgende onderdelen en voldoet aan onderstaande minimale eisen:

(a) een duidelijke en ondubbelzinnige beschrijving van de organisatie die EMAS-registratie wenst, met een overzicht van haar activiteiten, producten en diensten en eventueel haar relatie tot overkoepelende organisaties;

(b) het milieubeleid en een korte beschrijving van het milieubeheersysteem van de organisatie;

(c) een beschrijving van alle significante directe en indirecte milieuaspecten die tot significante milieueffecten van de organisatie leiden en een toelichting op de aard van de effecten, gerelateerd aan die aspecten (bijlage I.2);

(d) een beschrijving van de milieudoelstellingen en -taakstellingen in verband met de significante milieuaspecten en -effecten;

(e) een overzicht van de beschikbare gegevens over de prestaties van de organisatie ten opzichte van haar milieudoelstellingen en -taakstellingen op het gebied van haar significante milieueffecten. Daarbij wordt gerapporteerd over de kernindicatoren en over andere relevante bestaande milieuprestatie-indicatoren, zoals vermeld in hoofdstuk D;

(f) andere factoren in verband met de milieuprestaties, onder andere ten opzichte van wettelijke bepalingen met betrekking tot hun significante milieueffecten;

(g) een beschrijving van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften en bewijsmateriaal dat aan deze voorschriften wordt voldaan;

(h) de naam en het erkenningsnummer van de milieuverificateur en de datum van validering.

C. Milieuprestatierapport

Het milieuprestatierapport bevat ten minste de volgende onderdelen en voldoet aan onderstaande minimale eisen:

(a) een overzicht van de beschikbare gegevens over de prestaties van de organisatie ten opzichte van haar milieudoelstellingen en -taakstellingen op het gebied van haar significante milieueffecten. Daarbij wordt gerapporteerd over de kernindicatoren en over andere relevante bestaande milieuprestatie-indicatoren, zoals vermeld in hoofdstuk D;

(b) andere factoren in verband met de milieuprestaties, onder andere ten opzichte van wettelijke bepalingen met betrekking tot hun significante milieueffecten;

(c) een beschrijving van de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften en bewijsmateriaal dat aan deze voorschriften wordt voldaan;

(d) de naam en het erkenningsnummer van de milieuverificateur en de datum van validering.

D. Kernindicatoren en andere relevante bestaande milieuprestatie-indicatoren

1. Inleiding

De organisaties brengen zowel in de milieuverklaring als in het milieuprestatierapport verslag uit over onderstaande kernindicatoren, voor zover deze betrekking hebben op de directe milieuaspecten van de organisatie, en andere relevante bestaande milieuprestatie-indicatoren.

2. Kernindicatoren

(a) De kernindicatoren gelden voor alle soorten organisaties. Ze zijn vooral gericht op de prestaties op de volgende cruciale milieugebieden:

energie-efficiëntie;

materiaalefficiëntie;

water;

afval;

biodiversiteit; en

emissies.

(b) Elke kernindicator bestaat uit:

i) een getal A dat het totale jaarlijkse verbruik/effect op het desbetreffende gebied aangeeft;

ii) een getal B dat de totale jaarlijkse productie van de organisatie aangeeft;

iii) en een getal R dat de verhouding A/B aangeeft.

Elke organisatie rapporteert voor elke indicator alle drie onderdelen.

Het totale jaarlijkse verbruik/effect op het desbetreffende gebied, getal A, wordt als volgt gerapporteerd:

i) voor de energie-efficiëntie:

* het "totale directe energiegebruik": het totale jaarlijkse energieverbruik, uitgedrukt in ton olie-equivalent (toe);

* het "totale hernieuwbare energiegebruik": het totale jaarlijkse energieverbruik (elektriciteit en warmte) dat uit hernieuwbare energiebronnen wordt geproduceerd, uitgedrukt in ton olie-equivalent (toe);

ii) voor de materiaalefficiëntie:

* de "jaarlijkse massastroom van verschillende gebruikte materialen" (met uitzondering van energiedragers en water), uitgedrukt in ton;

iii) voor water:

* het "totale jaarlijkse waterverbruik", uitgedrukt in m3;

iv) voor afval:

* de "totale jaarlijkse afvalproductie", uitgedrukt in ton;

v) voor biodiversiteit:

* het "landgebruik", uitgedrukt in m2;

vi) voor emissies:

* de "totale jaarlijkse emissie van broeikasgassen", uitgedrukt in ton CO2-equivalent.

De vermelding van de totale jaarlijkse productie van de organisatie, getal B, is voor alle gebieden gelijk, maar wordt afhankelijk van de aard van de activiteit aan de verschillende soorten organisaties aangepast. Er wordt met name onderscheid gemaakt tussen organisaties die actief zijn in de productiesector (industrie), waarvoor de totale jaarlijkse bruto toegevoegde waarde wordt vermeld, uitgedrukt in miljoenen euro, of, voor kleinere organisaties, de totale jaarlijkse omzet of het aantal werknemers, en organisaties in andere sectoren (overheid/diensten), waar een verband wordt gelegd met de omvang van de organisatie, uitgedrukt in aantal werknemers.

3. Andere relevante milieuprestatie-indicatoren

Elke organisatie rapporteert ook jaarlijks over haar prestaties in verband met de specifiekere milieuaspecten, zoals die in haar milieuverklaring worden genoemd, en houdt daarbij rekening met en verwijst naar de in artikel 46 van deze verordening bedoelde sectorale referentiedocumenten, wanneer deze beschikbaar zijn.

De organisaties kunnen er daarbij voor kiezen gebruik te maken van andere relevante bestaande milieuprestatie-indicatoren, waarbij zij ervoor zorgen dat de gekozen indicatoren:

i) een correct beeld geven van de prestaties van de organisatie;

ii) begrijpelijk en ondubbelzinnig zijn;

iii) het mogelijk maken om de milieuprestaties van de organisatie van jaar tot jaar te vergelijken om zo de ontwikkeling te kunnen bepalen;

iv) het mogelijk maken om eventueel een vergelijking te maken met sectorale, nationale of regionale benchmarks;

v) het mogelijk maken om eventueel een vergelijking te maken met de wettelijke voorschriften.

E. Openbaarheid

De organisatie moet aan de milieuverificateur kunnen aantonen dat iedereen met belangstelling voor de milieuprestaties van de organisatie eenvoudig en onbelemmerd toegang kan krijgen tot de onder de punten B tot en met D verplicht gestelde informatie.

F. Lokale verantwoordingsplicht

Het is mogelijk dat organisaties die EMAS-registratie wensen, één milieuverklaring of milieuprestatierapport voor de hele organisatie willen opstellen waarin een aantal verschillende geografische locaties wordt bestreken.

Aangezien het de bedoeling van EMAS is dat er op lokaal niveau verantwoording wordt afgelegd, dienen de organisaties ervoor te zorgen dat de significante milieueffecten van elke locatie duidelijk in de gemeenschappelijke milieuverklaring of het gemeenschappelijke milieuprestatierapport worden gespecificeerd en gerapporteerd.

BIJLAGE V

HET EMAS-LOGO

(...PICT...)

Het logo wordt gebruikt:

· in drie kleuren (Pantone nr. 355 Groen; Pantone nr. 109 Geel; Pantone nr. 286 Blauw);

· in zwart op wit; of

· in wit op zwart.

BIJLAGE VI

Voor registratie vereiste informatie

(informatie die, indien van toepassing, moet worden verstrekt)

1. ORGANISATIE | |

Naam | |

Adres | |

Plaats | |

Postcode | |

Land/deelstaat/gewest/autonome regio | |

Contactpersoon | |

Telefoon | |

Fax | |

Email | |

Website | |

Registratienummer | |

Registratiedatum | |

Schorsingsdatum van registratie | |

Schrappingsdatum van registratie | |

Datum eerstkomende milieuverklaring | |

Datum eerstkomend milieuprestatierapport | |

NACE-code van de activiteiten | |

Aantal werknemers | |

Omzet of jaarbalans | |

2. LOCATIE | |

Naam | |

Adres | |

Postcode | |

Plaats | |

Land/deelstaat/gewest/autonome regio | |

Contactpersoon | |

Telefoon | |

Fax | |

Email | |

Website | |

Registratienummer | |

Registratiedatum | |

Schorsingsdatum van registratie | |

Schrappingsdatum van registratie | |

Datum eerstkomende milieuverklaring | |

Datum eerstkomend milieuprestatierapport | |

NACE-code van de activiteiten | |

Aantal werknemers | |

Omzet of jaarbalans | |

3. ERKENDE VERIFICATEUR | |

Naam van de verificateur | |

Adres | |

Postcode | |

Plaats | |

Land/deelstaat/gewest/autonome regio | |

Telefoon | |

Fax | |

Email | |

Registratienummer van de erkenning | |

Reikwijdte van de erkenning (NACE-codes) | |

Erkennende instantie | |

Gedaan te ... op .../.../200 | |

Handtekening van de vertegenwoordiger van de organisatie | |

BIJLAGE VII

Verklaring van de verificateur over de verificatie- en valideringswerkzaamheden

……………………...........................................................................................…………(naam).

EMAS-verificateur met registratienummer ………………………………………….………….

erkend met als reikwijdte ...................................................................................... (NACE-code)

verklaart dat hij/zij heeft geverifieerd of de locatie(s) of de hele organisatie, zoals vermeld in de milieuverklaring / het milieuprestatierapport (*) van de organisatie ……………………………(naam)

met registratienummer (indien beschikbaar) ……………………………………………………

voldoet aan alle eisen van Verordening (EG) nr. XXX/[jaar] van het Europees Parlement en de Raad van [datum] inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS).

Met de ondertekening van deze verklaring verklaar ik dat:

– de verificatie en validering volledig overeenkomstig de voorschriften van deze verordening zijn uitgevoerd;

– er geen aanwijzingen zijn dat niet aan de toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften is voldaan.

– de gegevens en informatie van de milieuverklaring/het milieuprestatierapport (*) van de organisatie/locatie (*) een betrouwbaar, geloofwaardig en juist beeld geven van alle activiteiten van de organisatie/locatie (*) binnen de in de milieuverklaring vermelde reikwijdte.

Gedaan te ... op .../.../200….

Handtekening

(*): doorhalen wat niet van toepassing is.

BIJLAGE VIII

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EG) nr. 761/2001 | Deze verordening |

Artikel 1, lid 1 | Artikel 1 |

Artikel 1, lid 2, onder a) | - |

Artikel 1, lid 2, onder b) | - |

Artikel 1, lid 2, onder c) | - |

Artikel 1, lid 2, onder d) | - |

Artikel 2, onder a) | Artikel 2, punt 1) |

Artikel 2, onder b) | - |

Artikel 2, onder c) | Artikel 2, punt 2) |

Artikel 2, onder d) | Artikel 2, punt 4) |

Artikel 2, onder e) | - |

Artikel 2, onder f) | Artikel 2, punt 5) |

Artikel 2, onder g) | Artikel 2, punt 6) |

Artikel 2, onder h) | Artikel 2, punt 7) |

Artikel 2, onder i) | Artikel 2, punt 8) |

Artikel 2, onder j) | Artikel 2, punt 9) |

Artikel 2, onder k) | Artikel 2, punt 10) |

Artikel 2, onder l) | Artikel 2, punt 12) |

Artikel 2, onder l), punt i) | - |

Artikel 2, onder l), punt ii) | - |

Artikel 2, onder m) | - |

Artikel 2, onder n) | Artikel 2, punt 13) |

Artikel 2, onder o) | Artikel 2, punt 15) |

Artikel 2, onder p) | - |

Artikel 2, onder q) | Artikel 2, punt 16) |

Artikel 2, onder r) | - |

Artikel 2, onder s), eerste zin | Artikel 2, punt 17) |

Artikel 2, onder s), tweede tot en met vierde zin | - |

Artikel 2, onder t) | Artikel 2, punt 18) |

Artikel 2, onder u) | - |

Artikel 3, lid 1 | - |

Artikel 3, lid 2, onder a), eerste zin | Artikel 4, lid 1 |

Artikel 3, lid 2, onder a), tweede zin | Artikel 4, lid 3 |

Artikel 3, lid 2, onder b) | Artikel 4, lid 6 |

Artikel 3, lid 2, onder c) | Artikel 4, lid 7 |

Artikel 3, lid 2, onder d) | Artikel 4, lid 8 |

Artikel 3, lid 2, onder e) | Artikel 5, lid 2, eerste alinea; artikel 6, lid 3 |

Artikel 3, lid 3, onder a) | Artikel 6, lid 1, onder a) |

Artikel 3, lid 3, onder b), eerste zin | Artikel 6, lid 1, onder b) tot en met d) |

Artikel 3, lid 3, onder b), tweede zin | Artikel 7, lid 1 |

Artikel 4, lid 1 | - |

Artikel 4, lid 2 | Artikel 51, lid 2 |

Artikel 4, lid 3 | - |

Artikel 4, lid 4 | - |

Artikel 4, lid 5, eerste zin | Artikel 26, lid 1 |

Artikel 4, lid 5, tweede zin | Artikel 26, lid 2 |

Artikel 4, lid 6 | Artikel 42 |

Artikel 4, lid 7 | - |

Artikel 4, lid 8, eerste alinea | Artikel 30, lid 1 |

Artikel 4, lid 8, tweede alinea | Artikel 30, leden 3 en 5 |

Artikel 4, lid 8, derde alinea, eerste en tweede zin | Artikel 31, lid 1 |

Artikel 4, lid 8, derde alinea, laatste zin | Artikel 31, lid 3 |

Artikel 5, lid 1 | Artikel 11, lid 1, eerste zin |

Artikel 5, lid 2 | Artikel 11, lid 3 |

Artikel 5, lid 3, eerste zin | Artikel 12, lid 1 |

Artikel 5, lid 3, tweede zin, eerste streepje | Artikel 12, lid 1, onder a) |

Artikel 5, lid 3, tweede zin, tweede streepje | Artikel 12, lid 1, onder b) |

Artikel 5, lid 4 | Artikel 11, lid 1, tweede zin |

Artikel 5, lid 5, eerste zin | Artikel 15, lid 1 |

Artikel 5, lid 5, tweede zin | Artikel 15, lid 3, eerste zin |

Artikel 5, lid 5, derde zin | Artikel 16, lid 1 |

Artikel 5, lid 5, vierde zin | Artikel 15, lid 3, tweede en derde zin |

Artikel 6, punt 1) | Artikel 13, lid 1 |

Artikel 6, punt 1), eerste streepje | Artikel 13, lid 2, onder a) + artikel 5, lid 2, onder a) |

Artikel 6, punt 1), tweede streepje | Artikel 13, lid 2, onder a) + artikel 5, lid 2, onder c) |

Artikel 6, punt 1), derde streepje | Artikel 13, lid 2, onder a) + artikel 5, lid 2, onder d) |

Artikel 6, punt 1), vierde streepje | Artikel 13, lid 2, onder c) |

Artikel 6, punt 1), laatste zin | Artikel 13, lid 2, eerste zin |

Artikel 6, punt 2) | Artikel 14, lid 3 |

Artikel 6, punt 3), eerste streepje | Artikel 14, lid 4, onder a) |

Artikel 6, punt 3), tweede streepje | Artikel 14, lid 4, onder b) |

Artikel 6, punt 3), derde streepje | Artikel 14, lid 4, onder c) |

Artikel 6, punt 3), laatste zin | Artikel 14, lid 8 |

Artikel 6, punt 4), eerste alinea | Artikel 14, lid 2 |

Artikel 6, punt 4), tweede alinea | Artikel 14, lid 5 |

Artikel 6, punt 5), eerste zin | Artikel 14, lid 7 |

Artikel 6, punt 5), tweede zin | Artikel 14, leden 9 en 10 |

Artikel 6, punt 6) | Artikel 14, lid 11 |

Artikel 7, lid 1 | Artikel 29, lid 6 |

Artikel 7, lid 2, eerste zin | Artikel 12, lid 2 |

Artikel 7, lid 2, tweede zin | Artikel 12, lid 3 |

Artikel 7, lid 3 | Artikel 43, lid 2, onder a) en b) |

Artikel 8, lid 1, eerste zin | Artikel 10, lid 1 |

Artikel 8, lid 1, tweede zin | Artikel 10, lid 2 |

Artikel 8, lid 2, onder a) | Artikel 10, lid 4 |

Artikel 8, lid 2, onder b) | - |

Artikel 8, lid 2, onder c) | - |

Artikel 8, lid 2, onder d) | - |

Artikel 8, lid 2, onder e) | Artikel 10, lid 4 |

Artikel 8, lid 3, onder a) | - |

Artikel 8, lid 3, onder b), eerste zin | Artikel 10, lid 4 |

Artikel 8, lid 3, laatste alinea | - |

Artikel 9, lid 1, eerste alinea | Artikel 4, lid 3 |

Artikel 9, lid 1, onder a) | Artikel 45, lid 4 |

Artikel 9, lid 1, onder b) | Artikel 45, lid 4 |

Artikel 9, lid 1, laatste alinea | Artikel 45, lid 5 |

Artikel 9, lid 2 | - |

Artikel 10, lid 1, onder a) | - |

Artikel 10, lid 1, onder b) | - |

Artikel 10, lid 1, onder c) | - |

Artikel 10, lid 2, eerste alinea | Artikel 39, leden 1 en 2 |

Artikel 10, lid 2, tweede alinea, eerste zin | Artikel 42 |

Artikel 10, lid 2, tweede alinea, tweede zin | Artikel 47 |

Artikel 11, lid 1, eerste alinea | Artikel 37 |

Artikel 11, lid 1, eerste streepje | Artikel 37, onder a) |

Artikel 11, lid 1, tweede streepje | Artikel 37, onder c) |

Artikel 11, lid 1, derde streepje | Artikel 37, onder b) |

Artikel 11, lid 1, tweede alinea, eerste zin | Artikel 38, lid 1 |

Artikel 11, lid 1, tweede alinea, tweede zin | - |

Artikel 11, lid 1, tweede alinea, derde zin | Artikel 38, lid 2 |

Artikel 11, lid 1, tweede alinea, vierde zin | Artikel 38, lid 3 |

Artikel 11, lid 2 | Artikel 44, lid 2 |

Artikel 11, lid 3, eerste zin | Artikel 42, eerste zin |

Artikel 11, lid 3, tweede zin | Artikel 47 |

Artikel 12, lid 1, onder a) | Artikel 35, lid 3 |

Artikel 12, lid 1, onder b) | Artikel 35, lid 1 |

Artikel 12, lid 1, laatste alinea | Artikel 35, lid 2 |

Artikel 12, lid 2 | Artikel 42 |

Artikel 12, lid 3 | - |

Artikel 13 | Artikel 41 |

Artikel 14, lid 1 | Artikel 48, lid 1 |

Artikel 14, lid 2 | - |

Artikel 14, lid 3 | - |

Artikel 15, lid 1 | Artikel 50 |

Artikel 15, lid 2 | Artikel 48 |

Artikel 15, lid 3 | - |

Artikel 16, lid 1 | Artikel 40, lid 1 |

Artikel 16, lid 2 | Artikel 42 |

Artikel 17, lid 1 | - |

Artikel 17, lid 2 | Artikel 51, lid 2 |

Artikel 17, lid 3 | Artikel 51, lid 2 |

Artikel 17, lid 4 | Artikel 51, lid 2 |

Artikel 17, lid 5 | - |

Artikel 18, eerste zin | Artikel 52, lid 1 |

Artikel 18, tweede zin | Artikel 52, laatste zin |

FINANCIEEL MEMORANDUM VOOR VOORSTELLEN DIE UITSLUITEND GEVOLGEN HEBBEN VOOR DE ONTVANGSTENZIJDE VAN DE BEGROTING

1. BENAMING VAN HET VOORSTEL

Verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS)

2. ABM/ABB-KADER

Betrokken beleidsterrein(en) en bijbehorende activiteit(en):

Milieu (ABB-code 0703: tenuitvoerlegging van milieubeleid en -wetgeving van de Gemeenschap).

3. BEGROTINGSONDERDELEN

3.1. Begrotingsonderdelen (beleidsuitgaven en bijbehorende uitgaven voor technische en administratieve bijstand (vroegere BA-onderdelen)) inclusief omschrijving:

07 01 04 01: LIFE+ (Financieringsinstrument voor het milieu — 2007-2013) — Uitgaven voor administratief beheer

07 03 07: LIFE+ (Financieringsinstrument voor het milieu — 2007-2013)

3.2. Duur van de actie en van de financiële gevolgen:

De actie (EMAS-verordening) zal vermoedelijk in 2009 van kracht worden. Voor de periode 2009-2013 worden de beleidsuitgaven gedekt door het financieringsinstrument LIFE+.

3.3. Begrotingskenmerken

Begrotingsonderdeel | Soort uitgave | Nieuw | Bijdrage EVA | Bijdragen kandidaat-lidstaten | Rubriek financiële vooruitzichten |

07010401 | Niet-verplicht | NGK [29] | NEE | NEE | JA | nr. 2 |

070307 | Niet-verplicht | Gespl./ | NEE | NEE | JA | nr. 2 |

4. OVERZICHT VAN DE MIDDELEN

4.1. Financiële middelen

4.1.1. Overzicht van de vastleggingskredieten (VK) en betalingskredieten (BK)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Soort uitgave | Punt nr. | | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | | 2009-2013 |

Beleidsuitgaven [30] | | | | | | | | |

Vastleggingskredieten (VK) | 8.1. | a | 1,230 | 1,400 | 1,700 | 1,700 | 1,700 | | 7,730 |

Betalingskredieten (BK) | | b | | | | | | | |

Administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag [31] | | | | |

Technische & administratieve bijstand (NGK) | 8.2.4. | c | 0,200 | 0,200 | 0,200 | 0,200 | 0,200 | | 1,000 |

TOTAAL REFERENTIEBEDRAG | | | | | | | |

Vastleggingskredieten | | a+c | 1,430 | 1,600 | 1,900 | 1,900 | 1,900 | | 8,730 |

Betalingskredieten | | b+c | | | | | | | |

Administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen [32] | | |

Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven (NGK) | 8.2.5. | d | 0,452 | 0,838 | 0,838 | 0,838 | 0,838 | | 3,804 |

Andere niet in het referentiebedrag begrepen administratieve uitgaven (NGK) | 8.2.6. | e | 0,077 | 0,131 | 0,077 | 0,379 | 0,333 | | 0,997 |

|

TOTAAL VK inclusief personeelsuitgaven | | a+c+d+e | 1,959 | 2,569 | 2,815 | 3,117 | 3,071 | | 13,531 |

TOTAAL BK inclusief personeelsuitgaven | | b+c+d+e | | | | | | | |

Medefinanciering

Indien het voorstel door lidstaten of uit andere bronnen (geef aan welke) wordt medegefinancierd, geef dan een raming daarvan in de onderstaande tabel (voeg extra rijen toe indien de medefinanciering uit meer dan een bron afkomstig is):

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Medefinancieringsbron | | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | | 2009-2013 |

…………………… | f | | | | | | | |

TOTAAL VK inclusief medefinanciering | a+c+d+e+f | | | | | | | |

4.1.2. Verenigbaarheid met de financiële programmering

Het voorstel is verenigbaar met de bestaande financiële programmering.

Het voorstel vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van de financiële vooruitzichten.

Het voorstel vergt wellicht toepassing van de bepalingen van het Interinstitutioneel Akkoord [33] (flexibiliteitsinstrument of herziening van de financiële vooruitzichten).

4.1.3. Financiële gevolgen voor de ontvangsten

Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten

Het voorstel heeft de volgende financiële gevolgen voor de ontvangsten:

in miljoen euro (tot op een decimaal)

| | Vóór de actie [Jaar n-1] | | Situatie na de actie |

Begrotingsonderdeel | Ontvangsten | | | [Jaar n] | [n+1] | [n+2] | [n+3] | [n+4] | [n+5] [34] |

| a) Ontvangsten in absolute bedragen | | | | | | | | |

| b) Wijziging van de ontvangsten | | | | | | | | |

4.2. Personele middelen in voltijdequivalenten (VTE; ambtenaren, tijdelijk en extern personeel) – zie punt 8.2.1.

Jaarlijkse behoeften | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | |

Totale personele middelen in VTE | 5 | 10 | 10 | 10 | 10 | |

5. KENMERKEN EN DOELSTELLINGEN

5.1. Behoefte waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien

De belangrijkste doelstelling is het vergroten van de positieve milieueffecten van EMAS door de verbetering van de prestaties van de deelnemende organisaties en een verhoogde penetratie van het systeem. Vrijwillige deelneming blijft het fundament van EMAS.

Belangrijkste elementen:

· EMAS blijft gebaseerd op ISO-norm 14001 voor milieubeheersystemen. Dat systeem wordt aangevuld met de volgende elementen:

- een aangescherpte verplichting voor deelnemende organisaties om alle toepasselijke wettelijke milieuvoorschriften na te leven;

- een aangescherpte verplichting voor deelnemende organisaties om hun milieurapportage te baseren op bepaalde kernindicatoren van milieuprestaties;

- richtsnoeren voor beste praktijken inzake milieubeheer

· harmonisatie van de erkennings- en verificatieprocedures (conform het voorstel inzake accreditatie - ENTR)

· uitbreiding van de geografische werkingssfeer, zodat ook buiten de EU gevestigde organisaties aan EMAS kunnen deelnemen

· maatregelen om de administratieve lasten te verlichten en deelneming aan EMAS te stimuleren:

- vereenvoudiging van de procedure voor registratie van clusters van organisaties;

- verlaging van de registratievergoeding voor kmo’s;

- verlichting van de regelgeving en deregulering, waardoor in het kader van EMAS geregistreerde organisaties (bijvoorbeeld) minder vaak hun milieuvergunningen hoeven te hernieuwen, enz.;

- de verplichting voor de nationale overheden om te onderzoeken of zij maatregelen kunnen nemen om de deelneming aan EMAS te stimuleren, bijvoorbeeld fiscale prikkels in het kader van regelingen ter ondersteuning van de milieuprestaties van organisaties;

- vereenvoudiging van de regels voor het gebruik van het EMAS-logo

· promotie voor EMAS, bijvoorbeeld via de EMAS-prijs en informatiecampagnes op EU- en lidstaatniveau

5.2. Meerwaarde van het communautaire optreden, samenhang van het voorstel met andere financiële instrumenten en mogelijke synergie

De invoering op Gemeenschapsniveau van een regeling waaraan ook organisaties uit derde landen kunnen deelnemen, resulteert in een erkend milieubeheer- en milieuauditsysteem waarvan niet alleen organisaties in de EU maar ook organisaties uit derde landen gebruik kunnen maken in de verschillende lidstaten en wellicht ook in derde landen. Verbeterde milieuprestaties kunnen daardoor over de grenzen van de lidstaten en van de EU worden bekendgemaakt via de EMAS-registratie en het gebruik van het EMAS-logo.

5.3. Doelstellingen, verwachte resultaten en bijbehorende indicatoren van het voorstel in de context van het ABM

In het kader van de doelstelling om de penetratie van EMAS te vergroten en zodoende de algehele milieuprestaties van organisaties binnen en buiten de EU te verhogen, zijn de volgende acties relevant in de context van het ABM:

– de organisatie van en bijdrage aan promotie- en bewustmakingsacties, gericht op het brede publiek en op specifieke organisaties;

– de ontwikkeling en verspreiding van doeltreffende instrumenten voor de promotie van EMAS en de beschikbaarstelling daarvan aan alle EMAS-deelnemers;

– de organisatie van de EMAS-prijzen;

– de ontwikkeling en toepassing van maatregelen om de deelneming van organisaties aan EMAS te stimuleren.

In het kader van de doelstelling om organisaties in specifieke sectoren te helpen om hun milieuprestatierapportage te verbeteren, is de volgende actie relevant in de context van het ABM:

– de ontwikkeling van sectorale referentiedocumenten met een beschrijving van de beste milieupraktijk en milieuprestatie-indicatoren voor specifieke sectoren.

In het kader van de doelstelling om de werking van de erkenningsinstanties en de bevoegde instanties te harmoniseren, zijn de volgende acties relevant in de context van het ABM:

– de organisatie van de intercollegiale toetsing van erkenningsinstanties;

– de organisatie van de intercollegiale toetsing van bevoegde instanties.

5.4. Wijze van uitvoering (indicatief)

Gecentraliseerd beheer

rechtstreeks door de Commissie

gedelegeerd aan:

uitvoerende agentschappen

door de Gemeenschappen opgerichte organen als bedoeld in artikel 185 van het Financieel Reglement

nationale publiekrechtelijke organen of organen met een openbaredienstverleningstaak

Gedeeld of gedecentraliseerd beheer

met de lidstaten

met derde landen

Gezamenlijk beheer met internationale organisaties (geef aan welke)

Opmerkingen:

6. TOEZICHT EN EVALUATIE

6.1. Toezicht

De lidstaten brengen verslag uit over alle acties en maatregelen die zij in het kader van deze verordening aannemen.

De Commissie brengt bij de Raad en het Europees Parlement verslag uit over de in het kader van deze verordening genomen maatregelen.

Toezicht wordt ook uitgeoefend via de periodieke vergaderingen met de lidstaten en andere belanghebbenden, alsmede via de intercollegiale toetsing die plaatsvindt op de vergadering van erkenningsinstanties ex artikel 31 van deze verordening en in het forum van bevoegde instanties.

6.2. Evaluatie

6.2.1. Evaluatie vooraf

Zie de effectbeoordeling die dit voorstel vergezelt als werkdocument van de diensten van de Commissie. Het effect van alle maatregelen is beoordeeld vanuit economisch, sociaal en milieuoogpunt.

6.2.2. Naar aanleiding van een tussentijdse evaluatie of evaluatie achteraf genomen maatregelen (ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan)

Het voorstel bouwt voort op de ervaring die is opgedaan bij de toepassing van Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) [35] alsook op de resultaten van de openbare raadpleging, de raadpleging van specifieke belanghebbenden en de raadpleging van externe deskundigen. Bij de effectbeoordeling is met deze evaluaties rekening gehouden.

6.2.3. Vorm en frequentie van toekomstige evaluaties

Acties die financiële steun van de Commissie genieten, worden aan een geregeld toezicht onderworpen.

Het krachtens de verordening ingestelde comité evalueert op geregelde tijdstippen de doeltreffendheid van de verordening. Er kunnen passende richtsnoeren en referentiedocumenten voor specifieke sectoren worden opgesteld en noodzakelijke wijzigingen van de richtlijn worden voorgesteld.

De Commissie dient bij de Raad en het Europees Parlement de volgende documenten in:

(1) ten minste om de drie jaar, een rapport over de acties en maatregelen die zijn genomen met betrekking tot (onder meer):

(a) voorlichting;

(b) versterking van de samenwerking en de coördinatie tussen de lidstaten;

(c) promotie van EMAS en het nemen van stimuleringsmaatregelen;

(2) uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening, een evaluatie achteraf.

7. Fraudebestrijdingsmaatregelen

Volledige toepassing van de interne controlenormen nrs. 14, 15, 16, 18, 19, 20 en 21 en de beginselen van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

De Commissie ziet erop toe dat wanneer acties worden uitgevoerd of gefinancierd uit hoofde van deze verordening, de financiële belangen van de Gemeenschap worden gevrijwaard door de toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere illegale handelingen, zulks door de uitvoering van doeltreffende controles en de terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde bedragen en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad, Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad.

8. MIDDELEN

8.1. Financiële kosten van de doelstellingen van het voorstel

Vastleggingskredieten, in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

(Vermeld de doelstellingen, acties en outputs) | Soort output | Gem. kosten | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | n + 5 e.v. | 2009 - 2013 |

| | | Aantal | Totale kosten | Aantal | Totale kosten | Aantal | Totale kosten | Aantal | Totale kosten | Aantal | Totale kosten | Aantal | Totale kosten | Aantal | Totale kosten |

OPERATIONELE DOELSTELLING Nr. 1 promotie | | | | | | | | | | | | | | | | |

Actie 1: promotie- en bewustmakingsacties | | | | 0,300 | | 0,200 | | 0,200 | | 0,200 | | 0,200 | | | | 1,100 |

Actie 2: bijstand aan kmo’s bij de invoering van EMAS | | | | 0,250 | | 0,250 | | 0,250 | | 0,250 | | 0,250 | | | | 1,250 |

Actie 3: EMAS-prijzen | | | 1 | 0,050 | 1 | 0,050 | 1 | 0,050 | 1 | 0,050 | 1 | 0,050 | | | 5 | 0,250 |

Actie 4: stimuleringsmaatregelen | | | | 0,100 | | 0,100 | | 0,100 | | 0,100 | | 0,100 | | | | 0,500 |

Subtotaal doelstelling 1 | | | | 0,700 | | 0,600 | | 0,600 | | 0,600 | | 0,600 | | | | 3,100 |

OPERATIONELE DOELSTELLING Nr. 2 ontwikkeling van referentiedocumenten voor specifieke sectoren | | | | | | | | | | | | | | | | |

Actie 1: studies door een externe consultant | | | 5 | 0,250 | 10 | 0,500 | 15 | 0,750 | 15 | 0,750 | 15 | 0,750 | | | | 3,000 |

Actie 2: vergaderingen van groepen van deskundigen | | | 8 | 0,080 | 10 | 0,100 | 15 | 0,150 | 15 | 0,150 | 15 | 0,150 | | | | 0,630 |

Subtotaal doelstelling 2 | | | | 0,330 | | 0,600 | | 0,900 | | 0,900 | | 0,900 | | | | 3,630 |

OPERATIONELE DOELSTELLING Nr. 3 intercollegiale toetsing | | | | | | | | | | | | | | | | |

Actie 1: intercollegiale toetsing erkenningsinstanties | | | | 0,100 | | 0,100 | | 0,100 | | 0,100 | | 0,100 | | | | 0,500 |

Actie 2: intercollegiale toetsing bevoegde instanties | | | | 0,100 | | 0,100 | | 0,100 | | 0,100 | | 0,100 | | | | 0,500 |

Subtotaal doelstelling 3 | | | | 0,200 | | 0,200 | | 0,200 | | 0,200 | | 0,200 | | | | 1,000 |

TOTALE KOSTEN | | | | 1,230 | | 1,400 | | 1,700 | | 1,700 | | 1,700 | | | | 7,730 |

8.2. Administratieve uitgaven

8.2.1. Aantal en soort personeelsleden

Soort post | | Huidig of extra personeel dat zal worden ingezet voor het beheer van de actie (aantal posten/VTE) |

| | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | |

Ambtenaren of tijdelijk personeel [36] (XX 01 01) | A*/AD | 2 | 3 | 3 | 3 | 3 | |

| B*, C*/AST | 1 | 2 | 2 | 2 | 2 | |

Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel [37] (voor EMAS: uitsluitend gedetacheerde nationale deskundigen (END)) | 2 | 5 | 5 | 5 | 5 | |

Uit art. XX 01 04/05 gefinancierd ander personeel [38] | | | | | | |

TOTAAL | 5 | 10 | 10 | 10 | 10 | |

8.2.2. Beschrijving van de taken die uit de actie voortvloeien

Algemeen beheer van het systeem, opstelling en bijwerking van sectorale documenten, marketingbeheer.

8.2.3. Herkomst van het (statutaire) personeel

Posten die momenteel zijn toegewezen aan het beheer van het te vervangen of te verlengen programma (1 AD + 1 AST + 2 END)

Posten die al zijn toegewezen in het kader van de JBS/VOB-procedure voor jaar n

Posten waarom in het kader van de volgende JBS/VOB-procedure zal worden gevraagd (2 AD)

Bestaande posten binnen de beherende dienst die worden heringedeeld (interne herindeling) (1 AST + 3 END)

Posten die voor jaar n nodig zijn maar die in het kader van de JBS/VOB-procedure voor dat jaar nog niet zijn toegewezen

8.2.4. Andere administratieve uitgaven binnen het referentiebedrag (XX 01 04/05 – Uitgaven voor administratief beheer)

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Begrotingsonderdeel07 01 04 01 | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | | 2009-2013 |

1 Technische en administratieve bijstand (inclusief bijbehorende personeelsuitgaven) | | | | | | | |

Uitvoerende agentschappen [39] | | | | | | | |

Andere technische en administratieve bijstand | | | | | | | |

- intern | | | | | | | |

- extern: IT-helpdesk | 0,200 | 0,200 | 0,200 | 0,200 | 0,200 | | 1,000 |

Totaal Technische en administratieve bijstand | 0,200 | 0,200 | 0,200 | 0,200 | 0,200 | | 1,000 |

8.2.5. Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

in miljoen euro (tot op 3 decimalen)

Soort personeel | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014e.v. |

Ambtenaren en tijdelijk personeel (XX 01 01) | 0,351 | 0,585 | 0,585 | 0,585 | 0,585 | |

Uit art. XX 01 02 gefinancierd personeel (hulpfunctionarissen, gedetacheerde nationale deskundigen, personeel op contractbasis, enz.)(vermeld begrotingsonderdeel) | 0,101 | 0,253 | 0,253 | 0,253 | 0,253 | |

Totaal Personeelsuitgaven en aanverwante uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen | 0,452 | 0,838 | 0,838 | 0,838 | 0,838 | |

Berekening – Ambtenaren en tijdelijke functionarissen |

Het standaardsalaris voor 1 A*/AD als bedoeld in punt 8.2.1 bedraagt 117 000 euro per jaar. |

Berekening – Uit artikel XX 01 02 gefinancierd personeel |

Het standaardsalaris voor 1 END als bedoeld in punt 8.2.1 bedraagt 50 580 euro per jaar. |

8.2.6. Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen

in miljoen euro (tot op 3 decimalen) |

| 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | 2013 | 2014 e.v. | 2009 - 2013 |

XX 01 02 11 01 – Dienstreizen | 0,008 | 0,008 | 0,008 | 0,010 | 0,010 | | 0,044 |

XX 01 02 11 02 – Conferenties en vergaderingen | 0,015 | 0,015 | 0,015 | 0,115 | 0,015 | | 0,175 |

XX 01 02 11 03 – Comités [40] | 0,054 | 0,108 | 0,054 | 0,054 | 0,108 | | 0,378 |

XX 01 02 11 04 – Studies en adviezen | | | | 0,200 | 0,200 | | 0,400 |

XX 01 02 11 05 - Informatiesystemen | | | | | | | |

2 Totaal Andere beheersuitgaven (XX 01 02 11) | | | | | | | |

3 Andere uitgaven van administratieve aard (vermeld welke en verwijs naar het begrotingsonderdeel) | | | | | | | |

Totaal Andere administratieve uitgaven die NIET in het referentiebedrag zijn begrepen | 0,077 | 0,131 | 0,077 | 0,379 | 0,333 | | 0,997 |

Berekening - Andere administratieve uitgaven die niet in het referentiebedrag zijn begrepen |

Voor de periode 2009-2013 worden jaarlijks 4 missies met een kostprijs van 1000 euro elk gepland die bedoeld zijn om de doelstellingen en maatregelen van de verordening uit te leggen en de tenuitvoerlegging en toepassing daarvan in de lidstaten te vergemakkelijken.Voor de periode 2009-2013 worden jaarlijks 2 missies met een kostprijs van 1000 euro elk gepland die bedoeld zijn voor het bijwonen van de vergaderingen van de erkenningsinstanties waarin artikel 30 van de verordening voorziet.Voor de periode 2009-2013 worden jaarlijks 2 missies met een kostprijs van 1000 euro elk gepland die bedoeld zijn voor het bijwonen van de vergaderingen van het forum van bevoegde instanties.Voor 2012 en 2013 worden jaarlijks 2 extra missies met een kostprijs van 1000 euro elk gepland die bedoeld zijn voor ontmoetingen met belanghebbenden met het oog op de herziening van de verordening.Voor de periode 2009-2013 worden jaarlijks 3 vergaderingen met het Technisch Comité voor milieubeheersystemen (TC 207) van de ISO gepland met een gemiddelde kostprijs van 5000 euro per missie.Voor 2012 wordt de organisatie gepland van 1 conferentie (kostprijs: 100 000 euro) ten behoeve van de raadpleging van de belanghebbenden en de bevoegde overheden over de uitvoering van de maatregelen van de verordening, met het oog op de herziening daarvan in 2014.Vanaf 2009 worden er jaarlijks 2 vergaderingen van het krachtens de verordening ingestelde regelgevend comité gepland (kostprijs: 27 000 euro per vergadering) teneinde een uitwisseling van informatie mogelijk te maken met het oog op de vaststelling van passende richtsnoeren en aanbevelingen om een grotere harmonisatie tussen de lidstaten mogelijk te maken.Zowel in 2010 (korte tijd na de inwerkingtreding van de verordening) als in 2013 (met het oog op de herziening van de verordening in 2014) worden 2 extra vergaderingen van het krachtens de verordening ingestelde regelgevend comité gepland (kostprijs: 27 000 euro per vergadering) .Zowel voor 2012 als voor 2013 worden met het oog op de herziening van de verordening in 2014 externe studies gepland voor een totale kostprijs van 200 000 euro per jaar. |

De huishoudelijke uitgaven en de personeelsuitgaven worden gefinancierd uit de kredieten die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure en rekening houdend met de budgettaire beperkingen worden toegekend aan het DG dat met het beheer is belast.

[1] Verordening (EEG) nr. 1836/93 van de Raad van 29 juni 1993 inzake de vrijwillige deelneming van bedrijven uit de industriële sector aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem, PB L 168 van 10.7.1993, blz. 1.

[2] PB L 114 van 24.4.2001, blz. 1.

[3] Eind 2007 waren er 6000 in het kader van EMAS geregistreerde locaties. Voor meer uitvoerige informatie, zie COM(2008) xxx definitief, de effectbeoordeling die dit document vergezelt en de paragrafen 2.1.2 en 2.2.5.

[4] Comitévergaderingen van 20 juni 2005 (Brussel), 22 november 2005 (Turijn), 29-30 juni 2006 (Luxemburg), 13-14 november 2006 (Athene) en 13-14 juni 2007 (Warschau).

[5] Op 17 mei, 9 juni, 20 juli en 27 juli 2006.

[6] Op 11-12 december 2006.

[7] Zie COM(2008) xxx definitief, de effectbeoordeling die dit document vergezelt en paragraaf 1.2.1.

[8] COM(2007) 225 definitief: Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de tussentijdse evaluatie van het zesde Milieuactieprogramma van de Gemeenschap, door de Commissie aangenomen op 30.4.2007.

[9] In 2007 bedroeg het gemiddelde van het aantal locaties met EMAS-registratie per miljoen inwoners voor de drie landen met de hoogste waarde voor die parameter 48,27. Die lidstaten zijn Oostenrijk (61,85 locaties / miljoen inwoners), Denemarken (50,60 locaties / miljoen inwoners) en België (32,37 locaties / miljoen inwoners). Omgerekend naar een bevolkingsaantal van 478,5 miljoen inwoners voor de Europese Unie als geheel levert dat een streefcijfer van 23 000 locaties met EMAS-registratie op; het is de bedoeling dat dit vijf jaar na de inwerkingtreding van de herziene EMAS-verordening wordt gehaald.

[10] Verordening (EG) nr. 614/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 mei 2007 betreffende het Financieringsinstrument voor het Milieu (LIFE+), PB L 149 van 9 juni 2007, blz. 1.

[11] Zie COM(2008) 33 definitief.

[12] De vergoeding voor de eerste registratie van een organisatie varieert in de lidstaten van nul tot 2234 euro. Voor nadere details over de verschillende registratievergoedingen in de lidstaten, zie voetnoot 28 bij paragraaf 2.2.6 van document COM(2008) xxx definitief (effectbeoordeling bij dit document – nog niet gepubliceerd).

[13] PB C […] van […], blz. […].

[14] PB C […] van […], blz. […].

[15] PB C […] van […], blz. […].

[16] PB C […] van […], blz. […].

[17] PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.

[18] COM(2007) 225 definitief.

[19] PB L 114 van 24.4.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1791/2006 van de Raad (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 1).

[20] PB L 247 van 17.9.2001, blz. 1.

[21] PB L 184 van 23.7.2003, blz. 19.

[22] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG van de Raad (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

[23] PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.

[24] PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1.

[25] PB L 114 van 24.4.2001, blz. 1.

[26] PB L 247 van 17.9.2001, blz. 24.

[27] PB L 70 van 9.3.2006, blz. 63.

[28] De tekst in deze bijlage wordt gebruikt met toestemming van CEN. De volledige versie is bij de nationale normaliseringsinstantie verkrijgbaar; een lijst van deze instanties is in deze bijlage te vinden. Reproductie van deze bijlage voor commerciële doeleinden is niet toegestaan.

[29] Niet-gesplitste kredieten.

[30] Uitgaven die niet onder hoofdstuk xx 01 van de betrokken titel xx vallen.

[31] Uitgaven in het kader van artikel xx 01 04 van titel xx.

[32] Uitgaven in het kader van hoofdstuk xx 01, met uitzondering van de artikelen xx 01 04 en xx 01 05.

[33] Zie de punten 19 en 24 van het Interinstitutioneel Akkoord.

[34] Voeg zo nodig extra kolommen toe (wanneer de duur van de actie langer is dan 6 jaar).

[35] PB L 114 van 24.4.2001, blz. 1.

[36] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[37] Waarvan de kosten NIET door het referentiebedrag worden gedekt.

[38] Waarvan de kosten door het referentiebedrag worden gedekt.

[39] Verwijs naar het specifieke financieel memorandum voor de betrokken uitvoerende agentschappen.

[40] C10900 – Comité voor de toepassing van de verordening inzake de vrijwillige deelneming van bedrijven uit de industriële sector aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS).

--------------------------------------------------

Top