Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52008IE0258

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De rol van en rechtsregels voor groepsacties in het Europese consumentenrecht (Initiatiefadvies)

OJ C 162, 25.6.2008, p. 1–19 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

25.6.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 162/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „De rol van en rechtsregels voor groepsacties in het Europese consumentenrecht” (Initiatiefadvies)

(2008/C 162/01)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 16 februari 2007 besloten, overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde, een initiatiefadvies op te stellen over

„De rol van en rechtsregels voor groepsacties in het Europese consumentenrecht”.

De gespecialiseerde afdeling „Interne markt, productie en consumptie”, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 31 januari 2008 goedgekeurd. Rapporteur was de heer PEGADO LIZ.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 13 en 14 februari 2008 gehouden 442e zitting (vergadering van 14 februari) het volgende advies uitgebracht, dat met 134 stemmen vóór en 94 stemmen tegen, bij 6 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Comité heeft besloten om de discussie over noodzaak en opportuniteit van een diepgaand denkproces over de rol van en het rechtsstelsel betreffende een op EG-niveau geharmoniseerde groepsactie te heropenen. Daarbij gaat het voorlopig met name over het consumenten- en mededingingsrecht.

1.2

Het Comité is er altijd voorstander van geweest om op EG-niveau een regeling uit te vaardigen voor groepsacties bedoeld om schadevergoeding te verkrijgen in geval van schending van collectieve of verspreide rechten. Dergelijke acties zouden een nuttige aanvulling vormen op de bescherming middels gerechtelijke en buitengerechtelijke vorderingen en met name op de verbodsactie die is verankerd in Richtlijn 98/27/EG van 19 mei 1998.

1.3

Het heeft er herhaaldelijk op gewezen dat er in dit verband EG-regelgeving moet komen omdat een groepsactie:

op doorslaggevende wijze kan bijdragen tot het wegwerken van belemmeringen voor het functioneren van de interne markt die te wijten zijn aan uiteenlopende nationale rechtstelsels. De consument kan zo meer vertrouwen krijgen in de voordelen van die markt en ook kan worden gezorgd voor echte en faire mededinging tussen ondernemingen (artikel 3-1 c en g) van het Verdrag);

de bescherming van consumenten versterkt omdat zij zich gemakkelijker en efficiënter tot de rechter kunnen wenden, waardoor ook de EG-wetgeving doelmatiger kan worden toegepast (artikel 3-1 t) van het Verdrag);

beantwoordt aan het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte voor een onpartijdige rechter, zoals wordt gegarandeerd door het Europees Handvest van grondrechten (artikel 47).

1.4

Gedurende de laatste jaren hebben diverse lidstaten uiteenlopende systemen ingevoerd voor de behartiging van collectieve consumentenbelangen, terwijl andere lidstaten dat nog niet hebben gedaan. Dat resulteert in ongelijkheid inzake toegang tot het recht die de verwezenlijking van de interne markt schaadt. Het Comité betreurt die situatie des te meer omdat een van de doelstellingen m.b.t. de interne markt in de 21e eeuw juist is om voor tevreden burgers te zorgen die vertrouwen hebben in de markt. Volgens het EESC moet de nodige aandacht worden geschonken aan het effect van maatregelen die gericht zijn op het concurrentievermogen van de Europese ondernemingen en aan de gevolgen die buitensporige lasten per slot van rekening zouden hebben voor werknemers en consumenten.

1.5

Het Comité wil dus met concrete suggesties betreffende een regeling voor een dergelijke groepsactie bijdragen tot dat denkproces. Daarbij heeft het oog voor de momenteel in de lidstaten van kracht zijnde regelingen, maar ook voor de ervaringen die derde landen met een dergelijke actie hebben opgedaan. Het houdt met name rekening met de beginselen die zijn vervat in Aanbeveling C/2007)74 van de raad van ministers van de OESO van 12 juli 2007, inzake de beslechting van en schadevergoeding bij consumentengeschillen.

1.6

Bij de voorgestelde parameters voor een EG-wetgevingsinitiatief heeft het Comité gekeken naar de rechtstraditie die gemeen is aan de Europese gerechtelijke instellingen en de gemeenschappelijke grondbeginselen op het gebied van burgerlijk procesrecht in de lidstaten. Bijgevolg heeft het de Amerikaanse „class action” verworpen omdat het die vordering onverenigbaar acht met de Europese tradities en beginselen. Het EESC is helemaal niet te spreken over de ontwikkeling van praktijken waarbij een aanzienlijk deel van de bedragen die als vergoeding of als bestraffing bedoelde schadeloosstelling worden ontvangen bij procedures die in het belang van de consument zijn aangespannen, worden toebedeeld aan derde investeerders of advocaten die zich door Amerikaanse „class actions” laten inspireren.

1.7

Verder heeft het zich verdiept in de doelstellingen en de doelmatigheid van een dergelijk instrument. Daarbij heeft het de belangrijkste opties onderzocht betreffende het rechtsstelsel (voor- en nadelen van een „opt-in” en „opt-out” stelsel of een mengeling daarvan), de rol van de rechter, schadevergoeding, beroepsmogelijkheden en financiering.

1.8

Ook heeft het de rechtsgrondslag voor een dergelijk initiatief en het te hanteren wetgevingsinstrument geanalyseerd. Deze belangrijke kwesties liggen aan de basis van de voorstellen van het Comité.

1.9

Tijdens het denkproces over de invoering van een mechanisme voor een groepsactie mag de aandacht ook zeker uitgaan naar (de ontwikkeling van) alternatieve wijzen van geschillenbeslechting. Het Comité wees er als een van de eersten op dat er efficiënte instrumenten moeten komen met behulp waarvan de consumenten, zonder de gang naar de rechter, zich op hun individuele of collectieve rechten kunnen beroepen. In dit verband pleit het voor een betere onderlinge afstemming van beslechtingmechanismen en soortgelijke regelingen in consumentensectoren en met name in sectoren waar de grensoverschrijdende handel het meest ontwikkeld is of de meeste kansen heeft om zich te ontwikkelen.

1.10

Collectieve verhaalsmogelijkheden maken immers deel uit van een heel gamma dat varieert van individuele, vrijwillige en consensuele acties tot collectieve en juridische verhaalsmogelijkheden. Elk niveau van geschillenbeslechting moet optimaal functioneren, waarbij erop moet worden gelet dat het herstel van de geleden schade gebeurt op het niveau dat het meest toegankelijk is voor de getroffenen.

1.11

Het Comité is voorts ingenomen met het voornemen van de Commissie om het onderwerp verder uit te diepen. Wel is er voor goede wetgevingsinitiatieven een sterke politieke wil nodig.

1.12

Met de wil van het maatschappelijk middenveld in het achterhoofd verzoekt het Comité dan ook het Europees Parlement, de Raad en de lidstaten om bij dit denkproces rekening te houden met de belangen van de verschillende partijen en de beginselen evenredigheid en subsidiariteit in acht te nemen. Ook moet het proces met de noodzakelijke besluiten worden aangevuld zodat er zo snel mogelijk een initiatief in de bepleite richting zal komen.

2.   Inleiding

2.1

Met dit initiatiefadvies wordt beoogd om het denkproces te bevorderen over de rol van en het rechtsstelsel betreffende een vorm van groepsactie (1) op EG-niveau, zulks met name op het gebied van het consumenten- en het mededingingsrecht en in ieder geval in een eerste fase (2). Waar het in dit advies uiteindelijk om draait, is het maatschappelijk middenveld en de bevoegde instellingen van de Unie ertoe aan te zetten om zich te buigen over de noodzaak en de gevolgen van een dergelijk initiatief, na te denken over de juridische aard ervan en over de voorwaarden voor de invoering ervan in het kader van een Europese gerechtelijke ruimte.

2.2

De in dit verband gehanteerde methode is gebaseerd op een analyse van behoeften in verband met de interne markt en de conformiteit van het initiatief met het EG-recht. Vervolgens wordt onderzocht in hoeverre grensoverschrijdende conflicten efficiënt en snel zouden kunnen worden opgelost, met name wanneer het gaat om de economische belangen van de consument.

3.   De interne markt en de collectieve consumentenbelangen

3.1

De opkomst van serieproductie gedurende de tweede helft van de vorige eeuw heeft geresulteerd in een „massificatie” van handelstransacties. Dat heeft geleid tot aanzienlijke veranderingen aangaande het afsluiten van overeenkomsten inzake goederen en dienstverlening.

Daar komt ook nog eens de informatiemaatschappij bij: de mogelijkheden voor verkoop op afstand en elektronische handel creëren nieuwe voordelen voor de consument, die nu evenwel te maken kan krijgen met nieuwe vormen van druk en nieuwe risico' s kan lopen bij het afsluiten van contracten.

3.2

Verder kunnen grote groepen consumenten schade oplopen door openbare aanbiedingen, adhesie-contracten, agressieve vormen van reclame en marketing, slecht toegespitste pre-contractuele informatie, en veralgemeniseerde oneerlijke handels- en mededingingspraktijken. Vaak weet men niet wie die consumenten zijn en soms vallen zij ook moeilijk te indentificeren.

3.3

In de uit het Romeins recht stammende traditionele procedurele stelsels bestaan er vaak geen toereikende middelen voor gemakkelijke, snelle, goedkope en efficiënte rechtsvorderingen ter behartiging van homogene individuele belangen, groepsbelangen of verspreide belangen (3).

3.4

Ongeveer overal ter wereld, en met name in de lidstaten van de Unie, bevatten de rechtstelsels vormen van rechtsbescherming van collectieve of verspreide rechten.

3.4.1

Die vormen lopen evenwel nogal uiteen en dat levert distorsies in het functioneren van de interne markt op.

3.5

Bij gebrek aan harmonisatie op EG-niveau zijn de nationale rechtstelsels de laatste tijd zeer verschillende richtingen ingegaan. Dat komt niet zozeer door uiteenlopende basisprincipes, maar door van elkaar afwijkende procesrechtelijke tradities. De bijgevoegde tabellen illustreren de belangrijkste verschillen tussen de lidstaten (4).

3.6

De nadelige kanten van deze situatie zijn in een zeer vroeg stadium aan het licht gebracht door vooral consumentenverenigingen, maar ook door talloze juristen en docenten Europees recht. Het ging daarbij om ongelijkheid tussen de Europese burgers wat de toegang tot het recht en de rechter betreft (5).

3.7

Wat de Europese instellingen betreft, werd pas in 1985, als vervolg op een in 1982 onder auspiciën van de Commissie georganiseerd colloquium te Gent, een memorandum uitgebracht over „De toegang van de consumenten tot de rechter” (6). In dit document boog de Commissie zich onder meer voor het eerst over de regelingen voor bescherming in rechte van collectieve belangen.

3.8

Er moest evenwel worden gewacht tot de aanvullende mededeling van 7 mei 1987. Naar aanleiding van een resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 1987 (7) kondigde de Commissie aan zich daadwerkelijk te zullen buigen over een kaderrichtlijn ter invoering van een veralgemeniseerd recht voor verenigingen om hun collectieve belangen in rechte te verdedigen. Ook werd de Raad verzocht de essentiële rol te erkennen die de consumentenorganisaties vervullen als intermediair of als direct optredende actoren op het gebied van toegang van de consument tot de rechter.

3.9

In zijn resolutie van 25 juni 1987, die uitsluitend was gewijd aan de toegang van de consument tot de rechter, benadrukte de Raad „…de belangrijke rol die consumentenorganisaties … moeten spelen” en verzocht de Raad de Commissie om „na te gaan of op dit gebied een communautair initiatief passend zou zijn (8).

3.10

Ten slotte kwam de Commissie in 1989 in het kader van de voorbereiding van „Toekomstige prioriteiten voor de ontwikkeling van het beleid inzake consumentenbescherming” in haar driejaarlijks programma (1990-1992) (9) tot de conclusie dat de toegang tot de rechter en het krijgen van een schadevergoeding in een groot aantal lidstaten van middelmatig gehalte waren vanwege de kosten, de complexiteit en de noodzakelijke termijnen, en dat er problemen in verband met grensoverschrijdende transacties bestonden. Zij kondigde aan om te onderzoeken welke maatregelen moesten worden genomen, waarbij zij met name inging op de mogelijkheid om groepsacties in te voeren ten behoeve van schade die aan de consumenten werd toegebracht (10).

3.11

Pas in 1993 blies de Commissie de openbare discussie over deze kwestie echter nieuw leven in met de publicatie van het belangrijke „Groenboek over de verhaalsmogelijkheden van de consument en de beslechting van de consumentengeschillen in de interne markt (11).

Dat was namelijk het eerste document waarin vanuit communautair perspectief diepgaand onderzoek werd verricht naar de invoering van een uniforme regeling voor verbodsacties. Velen dachten dat dit document zou dienen als basis voor een werkelijke groepsactie ter verdediging van de consumentenbelangen. (12)

3.12

Het Europees Parlement stelde zich in zijn resolutie van 22 april 1994 (13) op het standpunt dat het nuttig zou zijn om de nationale procedureregels tot op zekere hoogte te harmoniseren door voor zaken waarbij een bepaald maximumbedrag in het geding was op EG-niveau een procedure in te voeren voor snelle beslechting van grensoverschrijdende verschillen. Het Parlement achtte het verder wenselijk om in zekere mate over te gaan tot harmonisatie van de voorwaarden voor het instellen van verbodsacties tegen ongeoorloofde handelspraktijken.

3.13

In zijn tijdens de zitting van 1 juli 1994 met algemene stemmen goedgekeurde advies (14) verwees het Comité op zijn beurt ondermeer naar het beginsel van „algemene erkenning van de bevoegdheid van consumentenverenigingen om overal in de Gemeenschap voor rechterlijke en buitengerechtelijke instanties als eiser op te treden ter behartiging van collectieve en maatschappelijke belangen, ongeacht de nationaliteit van de betrokkenen en die verenigingen of de plaats waar het geschil gerezen is”. Verder verzocht het de Commissie uitdrukkelijk om een uniforme procedure in te voeren voor groepsacties en acties met gemeenschappelijke vertegenwoordiging, niet alleen voor stopzetting van ongeoorloofde praktijken maar tevens voor schadevergoedingsacties (15).

3.14

Vervolgens benadrukte commissaris Emma Bonino bij het aankondigen van haar prioriteiten het belang van de invoering van een procedure op EG-niveau waarmee grensoverschrijdende verschillen snel zouden kunnen worden beslecht en drong zij aan op de harmonisatie van de voorwaarden om een stakingsvordering in te stellen wegen ongeoorloofde handelspraktijken. Dat zou vergezeld moeten gaan van wederzijdse erkenning van het recht van consumentenverenigingen om in rechte op te treden (16).

3.15

Daarna werd op 25 januari 1996 een voorstel gepubliceerd voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het doen staken van de inbreuken in het kader van de bescherming van de consumentenbelangen (17).

Met dit voorstel volgde de Commissie de aanbeveling uit het verslag Sutherland en de, in brede kring goedgekeurde, suggestie die in het Groenboek was vervat (18)  (19).

3.16

Deze richtlijn is zonder meer een mijlpaal in het Gemeenschapsrecht want voor de eerste keer werd er op Gemeenschapsniveau algemene wetgeving uitgevaardigd betreffende een onderdeel van het burgerlijk procesrecht (20).

Toch werd de suggestie om het werkingsgebied uit te breiden tot schadevergoeding niet overgenomen.

3.17

Daarnaast presenteerde de Commissie op 14 februari 1996 een „Actieplan inzake de verhaalsmogelijkheden van de consument en de beslechting van consumentengeschillen in de interne markt”. Daarin bakent zij het probleem consumentengeschillen af en bestudeert zij de verschillende oplossingen die in de lidstaten zijn gevonden. Vervolgens kondigt zij een aantal initiatieven aan die zij wil lanceren. Zij wil onder meer een denkproces opstarten over de mogelijkheid voor consumenten, aan wie door dezelfde leverancier schade is toegebracht, consumentenorganisaties te machtigen om hun klachten „ex ante” te bundelen met als doel individuele maar gelijkaardige klachten op hetzelfde moment aan dezelfde gerechtelijke instantie voor te leggen (21).

3.18

Het Europees Parlement merkte in dit verband in zijn resolutie van 14 november 1996 op dat de toegang tot het recht zowel een grondrecht vormt als een onmisbare rechtszekerheidgarantie op zowel nationaal als communautair niveau. Het EP erkende verder het belang van buitengerechtelijke procedures voor de afdoening van consumentengeschillen maar vestigde er tevens de aandacht op dat de consument, nadat hij alle buitengerechtelijke beslechtingprocedures zonder resultaat heeft doorlopen, op grond van de beginselen efficiëntie en rechtszekerheid de mogelijkheid moet hebben om zich tot de gewone rechter te wenden. Bijgevolg riep het Parlement de Commissie ertoe op om andere voorstellen uit te werken voor de verbetering van de toegang van niet-ingezetenen tot nationale gerechtelijke procedures. Ook moedigde het de lidstaten aan om de tussenkomst te bevorderen van consumentenverenigingen in de hoedanigheid van vertegenwoordigers van personen die gerechtigd zijn om een eis tot genoegdoening in te dienen en deze organisaties de bevoegdheid toe te kennen om een vordering uit hoofde van collectieve belangen in te dienen in geval van bepaalde ongeoorloofde handelspraktijken  (22).

3.19

Sindsdien leek de materie nauwelijks nog aandacht binnen de Commissie te krijgen (23).

Het Comité daarentegen heeft er wel verschillende keren op gewezen dat er op EG-niveau een civielrechtelijk procedureel instrument moet komen om „collectieve, algemene of individuele gelijke consumentenbelangen” te verdedigen (24).

3.20

De Commissie is zich pas onlangs weer met de problematiek gaan bezighouden in haar „GroenboekSchadevorderingen wegens schending van de communautaire antitrustregels (25). Daaruit valt met name het volgende te citeren:

„Het is ook om praktische redenen zeer onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk, dat consumenten en afnemers die geringe schade hebben geleden een schadevordering wegens schending van de antitrustwetgeving zullen instellen. Bijgevolg moet worden onderzocht hoe hun belangen beter kunnen worden beschermd door het instellen van collectieve vorderingen. Naast de specifieke bescherming van consumentenbelangen, kunnen collectieve vorderingen worden gebruikt om een groot aantal geringe vorderingen samen te voegen tot een enkele vordering, waardoor tijd en geld worden bespaard.”

3.21

Het Comité schaarde zich in zijn advies van 26 oktober 2006 achter dit initiatief en toonde zich voorstander van collectieve schadevorderingen op grond van „de volgende cruciale voordelen: i) schade wordt daadwerkelijk vergoed; het instrument van collectieve vorderingen maakt het voor consumentenorganisaties namelijk veel gemakkelijker om schadevergoeding te eisen en verbetert de toegang tot de rechter; ii) antitrustpraktijken worden ontmoedigd en voorkomen dankzij de grote sociale impact van dit type schadevorderingen. Maar ook voor de inbreukmaker zou een samengebalde verdediging veel goedkoper en efficiënter zijn (26).

3.22

Ondertussen had de Commissie het centrum voor consumentenrecht van de KU Leuven verzocht om een studie op te stellen over alternatieve geschillenbeslechting. Dit belangrijke document is onlangs gepubliceerd. Een groot deel van deze 400 bladzijden tellende studie is gewijd aan de beschrijving van 28 nationale regelingen voor collectieve rechtsvorderingen ter bescherming van consumentenbelangen (die van de 25 lidstaten plus die van de VS, Canada en Australië) (27).

3.23

Mevrouw M. KUNEVA, de nieuwe commissaris voor consumentenzaken, heeft herhaaldelijk gezegd dat gedurende haar mandaatperiode de kwestie een van de prioriteiten zal vormen. De kwestie wordt inderdaad reeds genoemd in de recente mededeling over de „EU-strategie voor het consumentenbeleid 2007-2013 (28). Ook werd het belang van het onderwerp bevestigd door de commissarissen KROES en KUNEVA tijdens een recente, op initiatief van het Portugese voorzitterschap georganiseerde conferentie (29).

3.24

De raad van ministers van de OESO heeft onlangs een aanbeveling inzake de beslechting van en schadevergoeding bij consumentengeschillen goedgekeurd (C(2007(74 van 12 juli 2007). Hierin wordt erkend dat de meeste regelingen die de lidstaten hiervoor hanteren in het leven zijn geroepen voor nationale zaken, en niet altijd geschikt zijn om de schade te vergoeden van consumenten die in een andere lidstaat gevestigd zijn.

4.   Waarom een groepsactie op EG-niveau?

4.1

Op EU- en nationaal niveau bestaat in juridisch opzicht niet alleen oog voor de materïele rechten van de consument, maar ook voor toereikende procedurele mogelijkheden om recht te halen.

Verder heeft de toename van grensoverschrijdende transacties geresulteerd in meer geschillen inzake consumentenbelangen op Europees niveau.

Daarbij bleek vaak dat individuele afdoening ontoereikend is. Kosten en traagheid op procedureel vlak doen in hoge mate af aan bescherming van de consumentenrechten. Daarbij moet met name aan situaties worden gedacht waarin duizenden of zelfs miljoenen consumenten door dezelfde praktijk schade oplopen en de individuele schadebedragen relatief laag zijn. De geleidelijke ontwikkeling van de „Europese samenleving” brengt problemen mee inzake de bepaling van het toepasselijk recht en daarom is het wenselijk dat de Europese burgers hun rechten op uniforme wijze kunnen doen gelden. De huidige situatie is dat in dezelfde omstandigheden begane misbruikpraktijken die in verschillende lidstaten in dezelfde schade resulteren slechts in de weinige lidstaten die een stelsel van groepsacties kennen tot vergoeding aanleiding kunnen geven.

4.2

Daarnaast is in alle constituties van de lidstaten en in de ECRM vastgelegd dat de burgers recht hebben op een redelijk proces. Het gaat hierbij vooral om het recht om zich op doelmatige wijze tot de rechter te kunnen wenden.

4.3

Momenteel is de toegang tot de rechter dusdanig geregeld dat burgers een aantal schadeveroorzakende praktijken niet in rechte kunnen aanvechten.

Sinds verscheidene decennia is een aantal lidstaten met twee soorten oplossingen voor dit probleem gekomen.

Allereerst hebben zij bepaald dat burgers het recht hebben om zich tot administratieve autoriteiten of rechters te wenden. Verder is overgegaan tot aanvaarding van bundeling van individuele vorderingen. Een en ander was grotendeels op proceseconomie gebaseerd: alle vorderingen worden in één en dezelfde procedure behandeld.

4.4

Invoering van een Europese groepsactie zou de toegang tot het recht openen voor alle consumenten, ongeacht hun nationaliteit, financiële situatie en hoogte van de individuele schade. Voorts hebben ook de leveranciers baat bij genoemde proceseconomie. De proceskosten vallen immers veel lager uit dan wanneer zij te maken hebben met een veelvoud aan individuele vorderingen. Ook dient de procedure de rechtszekerheid omdat een onnoemelijk aantal gelijksoortige acties middels één uitspraak wordt afgedaan (30). Op die manier zou ten slotte ook kunnen worden voorkomen dat de rechters van de lidstaten elkaar tegenspreken.

Een dergelijk uniform stelsel draagt dus niet alleen bij tot meer consumentenbescherming, maar ook tot meer vertrouwen onder aanbieders. Dat kan de intracommunautaire handel alleen maar ten goede komen.

4.5

Een aldus gedefinieerde actie zou een goede zaak voor het internationaal privaatrecht zijn. Er bestaan namelijk problemen op het vlak van uitleg en toepassing in verband met de regels voor de afdoening van (extra)contractuele geschillen (de Verdragen Rome I en Rome II). Tevens zouden de regels voor de rechtelijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Verordening 44/2001) (31) nauwkeuriger kunnen worden geformuleerd.

4.6

Het consumentenrecht wordt op die manier versterkt omdat er meer rechtsmiddelen komen om de consument schadeloos te stellen. Ook wordt de „zwakke partij” werkelijk beschermd, hetgeen een grondbeginsel van het Gemeenschapsrecht vormt. Zie met name de recente richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken. Dit soort praktijken wordt vaak in meerdere lidstaten tegelijk gebezigd waardoor veel consumenten in hun belangen worden geschaad, zonder dat zij gezamenlijk een schadevergoeding kunnen vragen. De groepsactie is een onmisbare procedurele aanvulling voor de effectieve tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

Tevens zouden alle momenteel omgezette rechtlijnen dienaangaande aan doelmatigheid winnen door de invoering van een groepsactie.

Het zou wenselijk zijn dat kleine en middelgrote bedrijven die zich in een soortgelijke situatie bevinden ook van deze regelingen zouden kunnen profiteren.

4.7

Het spreekt voor zich dat invoering van een groepsactie op EG-niveau, als ultiem middel om geschillen te beslechten, op generlei wijze afbreuk doet aan de stelsels voor buitengerechtelijke beslechting van consumentengeschillen. Het Comité steunt deze laatste voorbehoudloos en vindt dat de mogelijkheden ervan nog verder moeten worden uitgediept en ontwikkeld.

5.   Terminologie

5.1

Om het voorstel goed te begrijpen moet men het eens zijn over de aard van de rechtsvordering in kwestie.

Uit een overzicht van de nationale stelsels blijkt namelijk dat er qua toewijziging en inhoud nogal wat verschillen bestaan. Daarom moet een onderscheid worden gemaakt tussen representatieve acties, acties ten behoeve van algemene belangen en groepsacties.

5.2

Representatieve acties kunnen slechts worden ingesteld door consumentenverenigingen of bestuurlijke entiteiten (bijv. de ombudsman) om onrechtmatige handelingen waardoor de belangen van de consument worden geschaad te doen stopzetten. In bepaalde landen kan zelfs het schrappen van misbruik- of ongeoorloofde clausules in consumentencontracten worden geëist.

5.3

Acties ten behoeve van algemene belangen verschaffen consumentenverenigingen de mogelijkheid om zich tot een rechterlijke of andere instantie te wenden wanneer het collectieve, algemene belang van de consumenten wordt geschaad door schending van een nauwkeurig omschreven materieelrechtelijke norm of een algemene gedragsnorm. Het collectief belang is geen optelsom van de individuele consumentenbelangen maar ligt tegen het algemeen belang aan.

5.4

De groepsactie is een vordering in rechte waarmee een groot aantal personen om erkenning van hun recht kunnen verzoeken en schadevergoeding kunnen krijgen. Technisch gezien gaat het dus om procedurele collectivisering van individuele rechten.

5.5

De groepsactie is niet beperkt tot de consumentenbescherming en mededinging.

In het kader van dit advies wordt de actie evenwel uitsluitend behandeld in het licht van de enige materieelrechtelijke terreinen die in het Gemeenschapsrecht zijn aangewezen.

5.6

Voorgesteld wordt dus om in dit advies de term „groepsactie” te gebruiken (32).

6.   Rechtgrondslag

6.1

De rechtsgrondslag voor de consumentenbescherming is te vinden in titel XIV van het EG-Verdrag („Consumentenbescherming”).

Artikel 153 verdient daar zonder meer alle aandacht.

6.2

Weliswaar is het huidige consumentenrecht voornamelijk op basis van artikel 95 van het Verdrag tot wasdom gekomen, maar in dit advies gaat het om een specifiek middel van dat recht om de economische belangen van de consumenten te bevorderen.

6.3

Met de groepsactie wordt onmiskenbaar voor een hoog beschermingsniveau gezorgd en consumentenverenigingen kunnen zich aaneensluiten om de rechten van de consumenten te verdedigen. Met andere woorden, zij kunnen voor een rechtvaardige schadeloosstelling voor hun leden zorgen wanneer hun op het gehele Gemeenschapsrecht (dus ook het mededingingsrecht) stoelende rechten worden geschonden.

6.4

Een groepsactie op communautair niveau zou tevens bijdragen tot een met de „herziening van de interne markt” nagestreefd beter functioneren van de interne markt, hetgeen de consument ten goede komt. De consumenten zullen meer vertrouwen krijgen om tot grensoverschrijdende transacties over te gaan (33).

6.5

Het gaat zuiver om een rechtsinstrument en daarom kan eventueel ook voor de artikelen 65 en 67 als toereikende rechtsgrondslag kan worden gekozen. Sinds 1996 hebben Raad en EP op voorstel van de Commissie een serie rechtsinstrumenten goedgekeurd op het gebied van civiel procesrecht op EG-niveau (34).

6.6

Dit laatste zou overwogen kunnen worden omdat de groepsactie zowel voor grensoverschrijdende als nationale geschillen kan worden gebruikt, alsook op andere gebieden dan het consumentenrecht.

6.7

Bij de groepsactie moet tevens rekening worden gehouden met de beginselen en mechanismen die zijn neergelegd in de aanbeveling van de raad van ministers van de OESO (C(2007)74 van 12 juli 2007), die voor alle lidstaten gelijk zijn, ondanks hun verschillen in rechtscultuur.

7.   De parameters voor een groepsactie op Gemeenschapsniveau

7.1   Wat de groepsactie niet moet zijn

7.1.1   De groepsactie moet geen representieve actie zijn

7.1.1.1

De representatieve actie staat slechts open voor bepaalde speciaal gemachtigde entiteiten (bijv. consumentenverenigingen en de ombudsman). Met deze actie kan de consument in de regel geen vergoeding van individuele schade verkrijgen.

7.1.1.2

Middels deze actie ingeleide procedures strekken in de eerste plaats tot staking van handelingen die met de consumentenrechten strijden of in bepaalde landen zelfs tot vernietiging van misbruik- of andere ongeoorloofde clausules in consumentenovereenkomsten wanneer de rechter niet de een of andere vorm van schadevergoeding kan toekennen.

7.1.1.3

Sommige landen hebben deze mechanismen ingevoerd om het mogelijk te maken dat schade van consumenten wordt vergoed. Die vergoeding wordt echter niet aan de individuele consument uitgekeerd maar wordt bewaard door de representatieve entiteit of aan de staat uitgekeerd ten behoeve van een goed doel.

7.1.1.4

Dit mechanisme is in de praktijk dus iets anders dan een echte groepsactie waarbij alle betrokken consumenten in één klap schadeloos worden gesteld.

7.1.2   De groepsactie moet geen „class action” naar Amerikaans voorbeeld zijn

7.1.2.1

Het is niet de bedoeling dat de Europese groepsactie een nabootsing van de Amerikaanse class action is. De gerechtelijke systemen van de VS en die van de lidstaten van de Unie liggen daarvoor veel te ver uit elkaar. Het Amerikaanse systeem bevat namelijk te veel mogelijkheden voor buitensporigheden die in Europa uit den boze dienen te zijn.

7.1.2.2

In de VS wordt een oordeel geveld door volksjury's en gekozen rechters. Dat leidt in vergelijking met de stelsels van de meeste lidstaten (met voor het leven benoemde rechters) maar al te vaak tot ontvankelijkheidverklaring van buitensporige eisen en te gunstige vonnissen voor de consument. Dit zet consumenten ertoe aan om de meest toegeeflijke rechter te zoeken (forum shopping).

7.1.2.3

De Europese groepsactie is evenwel ontworpen als dam daartegen. Het betreft namelijk een in alle lidstaten te doorlopen uniforme procedure. Dat betekent dat er qua aard geen verschil is op het vlak van de aangezochte nationale rechter, het procedureel pad van de vordering en de gedane uitspraken.

7.1.2.4

Verder geldt dat in de VS schadevergoedingen van een boete vergezeld kunnen gaan. Het gaat hierbij vaak om astronomische bedragen die door genoemde volksjury's en gekozen rechters worden bepaald. De meerderheid van de EU-lidstaten kent die civielrechtelijke boetes niet.

7.1.2.5

Tevens worden advocaten in de VS beloond via een veralgemeniseerd systeem van contingency fees. Dat is een soort „pactum de quota litis” waarbij advocaten, die zelf ook eisende partij kunnen zijn, delen in de opbrengst van de eis. Dat is in de meeste EU-lidstaten bij wet of door gedragscodes van advocaten verboden.

7.2   De essentiële keuze: opt-in of opt-out

Op basis van studies over procedures voor groepsacties in de lidstaten kunnen deze worden ingedeeld in het licht van de wijze waarop deze doorgaans worden ingeleid en de rol van de consument in de procedure. Indien hij te kennen moet geven dat hij in de procedure wil worden betrokken, spreekt men van opt-in. Indien hij door het inleiden van de procedure automatisch, d.w.z. zonder zijn wil daartoe te uiten, in de zaak wordt betrokken, spreekt men van opt-out. In het laatste geval behoudt hij altijd de vrijheid om zich uit de procedure terug te trekken. Voor het uitwerken van een Europese groepsactie moet dus voor een basismechanisme worden gekozen.

7.2.1   Opt-in en test cases

7.2.1.1

Opt-in betekent dat het individu moet aangeven dat het zich in de procedure wil voegen. Hij of zij moet zich dus, alvorens recht wordt gewezen, uitdrukkelijk als mede-eiser manifesteren.

Naast opt-in hebben zich ook „test case”-mechanismen of mechanismen ontwikkeld die op een eerste declaratoire uitspraak stoelen. Dat soort procedures vertonen veel overeenkomsten met de op opt-in gebaseerde groepsactie. Want ook hier moeten betrokkenen zich kenbaar maken en zich met hun individuele vordering voegen. Het bijzondere is evenwel dat de rechter er één vordering uithaalt en zich daarover uitspreekt. Die uitspraak is vervolgens van kracht voor alle bij die rechter geregistreerde vorderingen.

7.2.1.2   De voordelen van deze mechanismen

7.2.1.2.1

Iedereen die mee wil doen moet zich daartoe laten registreren. Overeenkomstig het beginsel van vrije procestoegang geeft men dus een expliciete wilsverklaring af. De vertegenwoordigende eiser handelt dus slechts voor rekening van zijn principalen nadat dezen hem uitdrukkelijk toestemming hebben verleend.

7.2.1.2.2

Bij „opt-in” kan ex ante worden vastgesteld welke omvang de overwogen schadevergoeding zal aannemen. Dit is belangrijk voor de aangeklaagden, zowel met het oog op de schadevergoeding die van hen wordt geëist als voor hun mogelijkheden om verzekeringen af te sluiten die een deel van de verwachte schadevergoeding zouden kunnen dekken. Op die manier worden genoeg financiële middelen gereserveerd voor legitieme schadeclaims.

7.2.1.2.3

In de test case-procedure wordt er maar één zaak aan de rechter voorgelegd. Daarmee wint de rechter tijd en efficiëntie want hij hoeft de aansprakelijkheid van de leverancier slechts op grond van één dossier te beoordelen.

7.2.1.3   De nadelen van deze mechanismen

7.2.1.3.1

Ze zijn moeilijk te beheren en duur: de betrokkenen moeten zich aanmelden en een individueel dossier samenstellen. Hoe meer aanmelders, des te ingewikkelder het beheer van een individueel dossier wordt.

7.2.1.3.2

Dit levert zeer lange procestermijnen op want het gerecht moet al deze individuele dossiers organiseren en behandelen. En zulks terwijl in massageschillen, die aan de basis van de meeste groepsacties liggen, de schade per individu nagenoeg gelijk is en vaak geen afzonderlijk onderzoek behoeft.

7.2.1.3.3

In de testcase-procedure stelt de rechter niet altijd het schadevergoedingsbedrag vast en wil hij wel eens tot individuele procedures besluiten. Dat brengt problemen met dossierbeheer en procedureverlengingen met zich mee.

7.2.1.3.4

Uit een studie blijkt dat in de landen die de in dit hoofdstuk behandelde acties kennen veel consumenten er niet aan meedoen omdat zij over ontoereikende informatie over de desbetreffende procedures beschikken. Verder hebben zij veelal te maken met materiële, financiële en psychologische problemen die deze procedures met zich meebrengen (tijd- en geldgebrek en een uitermate complexe gang van zaken).

7.2.1.3.5

Er bestaat dus een groot verschil tussen het aantal personen dat zich bij vordering aansluit en het aantal potentieel betrokkenen. Dus krijgen lang niet alle getroffen consumenten hun schade vergoed en daardoor ook kan de leverancier eventueel een forse onrechtmatige winst opstrijken. Daarmee komt het ontmoedigingskarakter van de actie niet uit de verf.

7.2.1.3.6

Ook speelt er een probleem in verband met de reikwijdte van de rechterlijke beslissing. Die is namelijk uitsluitend van toepassing op degenen die zich bij de actie hebben aangesloten. Consumenten die zich niet hebben geregistreerd kunnen altijd nog een individuele vordering indienen, waardoor het risico bestaat dat latere vonnissen strijden met de uitspraak over de groepsactie.

7.2.2   Opt-out

7.2.2.1

De traditionele groepsactie is gebaseerd op een „opt-outsysteem”: alle slachtoffers doen mee tenzij een persoon uitdrukkelijk te kennen geeft niet te willen participeren.

Sommige Europese landen hebben op basis van dit mechanisme een „sui generis”-procedure voor groepsacties ingevoerd.

7.2.2.2   De voordelen van dit mechanisme

7.2.2.2.1

Uit onderzoek van nationale opt-outsystemen is gebleken dat de bijbehorende procedure gemakkelijker te beheren valt en efficiënter is dan in andere lidstaten bestaande mechanismen.

7.2.2.2.2

Alle betrokken consumenten hebben namelijk daadwerkelijk toegang tot de rechter en kunnen daarom een rechtvaardige concrete schadevergoeding toegewezen krijgen.

7.2.2.2.3

Ook worden er administratieve problemen voorkomen voor zowel eiser als rechter omdat de groepsleden zich pas na, en niet vóór, de procedure bekend hoeven te maken.

7.2.2.2.4

Voorts heeft deze procedure een echt ontmoedigend effect op de laedens omdat die weet dat hij alle gelaedeerden moet vergoeden en eventueel de totale onrechtmatige winst moet terugbetalen.

7.2.2.2.5

Maar ook de leverancier ontleent voordelen aan een dergelijke procedure. Zijn verdediging kost namelijk minder arbeidsuren en geld: hij hoeft immers niet allerlei gelijksoortige procedures bij meerdere rechters te doorlopen, maar kan al zijn verweermiddelen bij één gerechtelijke instantie aanvoeren.

7.2.2.3   De nadelen van dit mechanisme

7.2.2.3.1

Wellicht strijdt het mechanisme met de constitutionele beginselen van sommige lidstaten en de ECRM. Daarbij valt met name te denken aan het recht om zich tot de rechter te wenden. Dat kan worden geschaad wanneer expliciete individuele toestemming van de betrokkenen voor de actie geen vereiste is. Weigeren zij niet vooraf, dan lopen zij het risico om aan een vonnis te zijn gebonden.

Die individuele vrijheid kan echter op twee manieren worden gewaarborgd. Aan betrokkenen kan een schrijven worden gericht waarin hun wordt medegedeeld dat zij zich bij afwezigheid van weigering stilzwijgend bij de vordering aansluiten. Ook kan de groepseisers het recht worden gegeven om zich te allen tijde uit de procedure terug te trekken, zulks zelfs na de uitspraak, en, wanneer zij zich niet in die uitspraak kunnen vinden, alsnog zelf een vordering in te dienen.

7.2.2.3.2

Wel bestaat het gevaar dat gedaagde in zijn verdedigingsrechten wordt geschonden. Daarbij valt te denken aan het fundamentele recht op tegenspraak en het beginsel van „equality of arms”. Gedaagde moet immers per individueel geval verweermiddelen aan kunnen voeren. Dit hangt samen met het recht op een eerlijk proces, zoals verankerd in artikel 6 van de ECRM. Bij „opt out” valt namelijk niet uit te sluiten dat gedaagde zijn tegenpartijen niet bij naam en toenaam kent. Bijgevolg zou het kunnen dat hij geen individuele verweermiddelen kan aandragen.

Daar staat tegenover dat de rechter bij een groepsactie natuurlijk wel controleert of het inderdaad om vergelijkbare klachten gaat. Consumenten- en mededingingszaken vloeien doorgaans voort uit overeenkomsten, en daarmee is het in het geding zijnde belang („causa petendi”) vaak nagenoeg identiek. Het is dus onwaarschijnlijk dat gedaagde per consument een afzonderlijk verweermiddel kan aandragen.

Gedurende de gehele procedure heeft de rechter wel de mogelijkheid om een actie af te wijzen wanneer hij constateert dat er rechtens of feitelijk sprake is van al te uiteenlopende situaties.

Ten slotte kan de rechter in het stadium van de vaststelling van de schadevergoeding de groep in subgroepen onderverdelen om met name het vergoedingsbedrag in het licht van individuele situaties aan te passen en dus ook de aansprakelijkheid eventueel te verzachten.

7.2.3   Opt-out en opt-in al naargelang het soort geschil

7.2.3.1

Het stelsel waartoe Denemarken en Noorwegen onlangs hebben besloten omvat zowel opt-in als opt-out. De rechter kan voor opt-out kiezen als het gaat om geringe bedragen, gelijksoortige eisen en wanneer het moeilijk is om op basis van opt-in te procederen. Er bestaan veel consumentenzaken waarin de consument vanwege het groot aantal betrokkenen en de lage bedragen geen efficiënt individueel beroep op de rechter kan doen. Met opt-out kan met alle betrokkenen rekening worden gehouden en kan een sanctie ter hoogte van de eventuele onrechtmatige winst worden verkregen. Opt-in wordt gekozen voor geschillen waarin de individuele schade fors is. Dat betekent dat iedere consument zich kenbaar moet maken om partij in de procedure te zijn.

7.2.3.2   De voordelen van dit mechanisme

Bij massageschillen valt de procedure beter te beheren. Het doel (schadevergoeding) wordt bereikt wanneer er van voldoende publiciteit sprake is. Ook wordt voor een ontmoedigend effect gezorgd.

Die efficiëntie op het vlak van schadevergoeding en ontmoediging weegt op tegen eventuele schendingen van rechten die voortvloeien uit constituties of de ECRM.

7.2.3.3   De nadelen van dit mechanisme

Allereerst moet erop worden gewezen hoe moeilijk het is om de grens tussen opt-in en opt-out aan te geven. De twee landen die deze mechanismen hebben ingevoerd, hebben dat pas kort geleden gedaan en er is nog geen concrete zaak geweest. In de wet wordt slechts verwezen naar massageschillen ter zake van een veelvoud van kleine bedragen die ieder op zich niet voldoen voor een gang naar de rechter.

Dit afbakeningsprobleem kan tijdens een procedure aanleiding geven tot eindeloze discussies en tot beroep, waardoor de procedure er alleen maar langer op wordt.

7.3   De rol van de rechter

7.3.1

In een dergelijke specifieke procedure, waarin veel eisers zijn betrokken, zijn de bevoegdheden van de rechter cruciaal.

7.3.2

In de meeste opt-out-zaken is de eerste fase gewijd aan onderzoek door de rechter naar de ontvankelijkheid van de eis. In test cases heeft het onderzoek van een individueel dossier hetzelfde doel.

7.3.2.1

Het belangrijke van deze fase is dat reeds aan het begin van de procedure vorderingen die duidelijk ongegrond of niet serieus te nemen zijn en het imago van de laedens op wederrechtelijke wijze zouden kunnen schaden, niet-ontvankelijk kunnen worden verklaard. Daar komt bij dat op die manier misbruik van procesrecht en procedures die nagenoeg geen uitzicht op een oplossing bieden, worden voorkomen.

7.3.2.2

Het is de rechter die een goed verloop van dit ontvankelijkheidonderzoek waarborgt. In concreto: hij gaat na of aan de wettelijke vereisten voor een groepsactie is voldaan.

7.3.2.3

Daarbij gaat het er met name om dat:

het geschil nog bestaat, d.w.z. de eis mag nog niet verjaard zijn;

de samenstelling van de groep een gezamenlijke procedure of machtiging niet in de weg staat;

de groepsleden de iure en de facto dezelfde vorderingen hebben (dezelfde „causa petendi”);

de vordering tegen de leverancier overeenkomt met de aangedragen feiten (de schijn van gelijk — fumus boni iuris);

eiser de belangen van de groepsleden toereikend kan vertegenwoordigen en beschermen.

7.3.3

Tevens is het van belang dat de rechter in een latere fase een schikkingsvoorstel kan bekrachtigen of afwijzen indien hij van oordeel is dat het belang van de groepsleden niet met dat voorstel is gediend. Daartoe moet hij over ruimere bevoegdheden beschikken dan hem in het merendeel van de lidstaten op het gebied van bekrachtiging van akkoorden bij wet is toegekend.

7.3.4

Gegeven de specifieke aard van de procedure moeten er tevens aangepaste modaliteiten voor de bewijsvoering komen. De rechter moet de bevoegdheid krijgen om de laedens of derden te bevelen documenten over te leggen of onderzoeksmaatregelen te bevelen om nieuw bewijs samen te stellen. Ook moet in de wetgeving betreffende groepsacties uitdrukkelijk worden bepaald dat de rechter een verzoek van eiser om dergelijk bevelen niet mag afwijzen.

7.3.5

De rechter moet die bevoegdheden zo goed mogelijk kunnen uitoefenen en daarom dient de behandeling van groepsacties in handen te worden gelegd van een aantal met naam genoemde gerechten. Dus moeten de gerechtelijke structuren van de lidstaten worden bijgesteld en dient er te worden gezorgd voor een specifieke opleiding van de magistraten van de gerechten in kwestie.

7.4   Daadwerkelijke schadevergoeding

7.4.1

Middels de groepsactie moet vergoeding kunnen worden gevorderd van de materiële schade (geld), de lichamelijke schade, de pretium doloris en andere vormen van morele schade. De actie is gericht op zowel schadevergoeding voor de consument als ontmoediging en daarom lijkt het nodig dat alle schade moet kunnen vergoed. Tevens moeten de gerechten eenvoudige, goedkope en transparante beoordelingsmethodes kunnen gebruiken zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het beginsel dat schade moet worden vergoed.

7.4.2

Ook moet de groep de rechter kunnen verzoeken om verschillende vormen van herstel. Daarbij valt te denken aan staking of nietigheid van de gewraakte handelingen en verder dient de schadevergoeding zowel direct of indirect te kunnen werken. Voorts moet de vergoeding vergezeld kunnen gaan van verschillende vormen van publicatie.

7.4.3

De actie moet niet uitsluitend zijn gericht op directe, individuele schadevergoeding. Soms is dit namelijk moeilijk, zo niet onmogelijk, bijv. omdat de groepsleden in een opt-outconstructie niet kunnen worden geïdentificeerd, zij te talrijk zijn of omdat het individuele schadebedrag te laag is. Waar het om gaat is dat personen altijd schadeloos worden gesteld, al is het maar indirect, en dat er ontmoedigd wordt.

7.4.3.1

Er moet daarnaast worden gezorgd voor adequate mechanismen waarmee de rechter het individuele vergoedingsbedrag kan berekenen voor ieder geïdentificeerd of identificeerbaar groepslid (opt-in, test case, of zelfs opt-out wanneer de leverancier bijv. voor een lijst van de betrokken klanten heeft gezorgd). Die mechanismen moeten er echter ook komen voor gevallen waarin de verdeling van het totale vergoedingsbedrag vanwege het geringe individuele schadebedrag te veel rompslomp met zich meebrengt.

7.4.3.2

Wanneer het totale vergoedingsbedrag niet geheel wordt verdeeld, moet in dezelfde geest de voorkeur worden gegeven aan indirecte vergoeding via dat bedrag, dat dus een saldo vormt. De rechter moet dan gedetailleerd in zijn uitspraak aangeven welke maatregel er met het saldo moet worden gefinancierd en tevens moet hij dan controlemodaliteiten vaststellen, waarvan de uitvoering eventueel aan een derde kan worden gedelegeerd.

7.4.3.3

Zou zelfs deze wijze van indirecte vergoeding onmogelijk blijken, dan moet het gehele door de rechter vastgestelde schadebedrag worden gestort in een steunfonds ter financiering van nieuwe groepsacties.

7.4.3.4

Kan de rechter het vergoedingsbedrag per groepslid niet berekenen omdat niet alle groepsleden kunnen worden geïdentificeerd (uitsluitend bij opt-out), dan moet hij een tabel voor de beoordeling van de verschillende schadecategorieën kunnen opstellen. Daarbij kan de verdeling van de bedragen in kwestie worden gedelegeerd aan de griffie, de advocaat van de groepsvertegenwoordiger of een derde (verzekeraar, boekhouder, enz.). Voordeel hiervan is dat de rechter wordt ontlast van deze ingewikkelde en lange fase van onderzoek van individuele aanspraken.

7.4.3.5

In dit laatste geval moet de rechter een individueel schadebedrag kunnen vaststellen voor de groepsleden die zich na publicatie van de uitspraak bekend hebben gemaakt en het saldo moet worden gebruikt voor maatregelen om de schade van de groep indirect te vergoeden.

7.4.3.6

Is niets van dit alles mogelijk, dan moet het saldo in een steunfonds worden gestort.

7.5   Beroepsmogelijkheden

7.5.1

In een door een groepsactie ingeleide procedure moeten beide partijen over beroepsmogelijkheden beschikken.

7.5.2

Enerzijds is het van belang dat de schade van de slachtoffers snel wordt vergoed. Anderzijds moet vaststaan dat de rechten van beide partijen worden gerespecteerd. Het beroepsrecht van partijen moet dus aan beide vereisten voldoen.

7.5.3

Het is bijgevolg belangrijk dat erkenning van dit beroepsrecht de lidstaten ertoe verplicht om een versnelde beroepsprocedure in te voeren ten einde vertragingsmechanismen te voorkomen.

7.5.4

Overigens vormt de zekerheid dat de laedens die tot schadevergoeding is veroordeeld daarvoor een reserve in de boekhouding heeft opgenomen tevens een garantie voor de groepsleden in geval van beroep.

7.6   Financiering van het stelsel

7.6.1

Op termijn dient het stelsel van groepsacties zichzelf te financieren.

7.6.2

Het is onwenselijk of zelfs onmogelijk om het in de VS algemeen geldende stelsel van „contingency fees” in te voeren, want dat staat haaks op de Europese rechtstraditie. Daarom moet absoluut voor een financieringsmodaliteit worden gezorgd met behulp waarvan eisers die niet over de financiële middelen beschikken om een groepsactie op te starten een voorschot op hun rechtskosten kunnen krijgen (advocatenkosten, deskundigenkosten in verband met door de rechter geaccepteerde onderzoeksmaatregelen, enz.).

7.6.3

Dit systeem zou onder meer kunnen worden gefinancierd via een groepsactiefonds dat wordt gevoed door „onrechtmatige verkregen winst” van de veroordeelde bedrijven zoals die door de rechter is vastgesteld en die niet door direct geschade en geïdentificeerde personen is opgeëist (35).

7.6.4

Het steunfonds kan onder meer worden gebruikt om alle informatie over lopende acties te centraliseren en kan worden belast met het verspreiden van informatie over de te nemen stappen om zich bekend te maken, uit de groep te stappen of schadevergoeding te krijgen.

7.7   Andere procedureregels

Er is nog een veelheid aan procedureregels die moeten worden opgesteld en die hier slechts „pro memoria” worden genoemd.

Daarbij gaat het om:

advertenties om belanghebbenden op de hoogte te stellen,

gerechtskosten en kosten van rechtsbijstand,

samenwerking met de gerechtelijke en bestuurlijke autoriteiten van de lidstaten,

termijnen voor het indienen van stukken en verjaring,

gebruik van internet (ejustice).

8.   Rechtsinstrument: verordening of richtlijn

8.1

De groepsactie kan op EG-niveau via een verordening of een richtlijn worden ingevoerd. Men mag er per definitie van uitgaan dat een aanbeveling volstrekt ontoereikend is om te zorgen voor de doelmatigheid en uniformiteit die geboden zijn voor een dergelijk initiatief om regels van 27 lidstaten te harmoniseren.

8.2

Mocht echter worden gestreefd naar een bredere aanpak, d.w.z. dat men verder wil gaan dan het consumentenrecht alleen, en worden de artikelen 65 en 67 van het Verdrag als rechtsgrondslag gekozen, dan kan worden overwogen om voor een verordening te kiezen in lijn met bijv. de verordeningen inzake insolventieprocedures, een Europese executoriale titel, een Europese betalingsbevelprocedure, een Europese procedure voor geringe vorderingen of voor beslag op bankrekeningen.

8.3

Wordt evenwel, ten minste in een eerste fase, besloten om het toepassingsgebied van het initiatief te beperken tot de rechten van de consument, dan lijkt een richtlijn die in het verlengde van de richtlijn betreffende verbodsacties ligt het meest geschikt.

8.4

Er bestaan tussen de procedureregels van de lidstaten namelijk nog grote verschillen en daarom is het beter om de grondbeginselen voor de groepsactie aan te geven. De lidstaten zullen de richtlijn immers altijd omzetten met oog voor hun respectieve gebruikelijke procedurele principes.

Het staat bijv. namelijk niet vast dat harmonisatie haalbaar is, omdat de gerechten die worden aangewezen om van de actie kennis te nemen tot de nationale rechterlijke organisatie behoren.

Verder moet de wijze waarop een zaak aanhangig wordt gemaakt worden toegesneden op de specificiteiten van iedere lidstaat en daarom is een verordening niet het adequate instrument.

8.5

Ten slotte ligt het ook voor de hand dat de richtlijn daarom in dat geval moet strekken tot totale harmonisatie ten einde te vermijden dat de lidstaten het systeem dwingender maken ten koste van bedrijven die op hun grondgebied zijn gevestigd.

Brussel, 14 februari 2008

De voorzitter van het de

Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  Het gaat hier om de burgerrechtelijke procedure ten behoeve van de bescherming van collectieve of verspreide belangen middels verbodsacties of schadevorderingen. Vooral in de Angelsaksische rechtsliteratuur kan men een andere uitleg van het begrip „groepsactie” vinden. In die literatuur wordt een overzicht gegeven van de sociologische oorsprong van collectieve vorderingen (zie „Collective action in the European Union, interests and the new politics of associability”, J. GREENWOOD en M. ASPINWALL, Routledge, London, 1998). In dat werk wordt zeer diep ingegaan op de sociologische wortels en de sociale behoeften die groepsacties in strikt procedureel opzicht rechtvaardigen.

(2)  Het mag niet uitgesloten worden dat, zoals reeds nu in verscheidene nationale rechtsstelsels het geval is, de reikwijdte van groepsacties in verband met collectieve of verspreide belangen kan worden uitgebreid tot gebieden als milieu, cultureel erfgoed, en ruimtelijke ordening. Die vorderingen zouden dan kunnen worden ingesteld tegen private of publieke rechtspersonen, waaronder staten, bestuurlijke autoriteiten of openbare lichamen.

(3)  Zelden treft men in de rechtsliteratuur zo'n kernachtige formulering aan. Deze is afkomstig van een opmerkelijke jurist en Portugees parlementslid en werd gebruikt om tijdens het parlementair debat de invoering van groepsacties in Portugal te steunen.

Hij verwees daarbij naar de nieuwe rechten van de 2e en de 3e generatie op het gebied van het arbeids-, consumenten-, milieu- en ruimtelijke-ordeningsrecht, alsook op het gebied van de bescherming van het cultureel erfgoed. Hij noemt dit „universele rechten”. Verder vroeg parlementslid Almeida Santos zich het volgende af:

„Deze rechten zijn van iedereen of ten minste van een groot aantal mensen. Men kan zich dan afvragen of het gerechtvaardigd is dat die rechten druppelsgewijs worden beschermd, waarbij klagers in de rij staan in afwachting van de uitspraak over hun zaak die eventueel identiek is aan die van hun collega of buurman. Verder geldt vaak dat als ze al in het gelijk worden gesteld, het resultaat geen enkele zin meer heeft omdat de vergoeding reeds door de inflatie is achterhaald. Ook komt eerherstel vaak te laat om een scheiding te voorkomen of weer krediet te krijgen. Daarnaast kan men zich afvragen in hoeverre zo'n lange procedurele kruisweg geen toonbeeld is van inefficiëntie en overbodigheid. De vraag is of een dergelijk Kafkaesk juridisch vagevuur moet blijven bestaan. Plotseling wordt men zich ervan bewust dat rechtsbescherming op uitsluitend individuele basis ontoereikend is en dat er „meta-individuele” rechten en belangen bestaan ergens halverwege tussen individuele rechten en collectieve belangen in. Ook beseft men dat het recht van direct of indirect gelaedeerden om zich tot de rechter te wenden ontoereikend is, dat het einde van een individueel concept van recht en rechtspraak nabij is en dat de dageraad gloort voor een nieuw pluralisme en een nieuw recht”. (zie D.A.R. I, reeks nr. 46, 21/02/1990, blz. 1617).

(4)  De voor de Commissie (DG SANCO) door het Centrum voor consumentenrecht van de KU Leuven verrichte studie biedt ook een uitstekend overzicht, waaruit de gevolgen kunnen worden afgeleid van de verschillen in nationale aanpak ten aanzien van de beslechting van grensoverschrijdende verschillen. Men denke daarbij vooral aan de situatie waarin consumenten uit verschillende lidstaten worden geraakt door dezelfde transnationale oneerlijke handelspraktijken, gebreken in dezelfde producten of op afstand gesloten contracten die dezelfde algemene misbruikclausules bevatten.

(5)  Ten aanzien van de rechtsleer moet in dit verband vooral worden gewezen op het baanbrekende werk van J van COMPERNOLLE „Le Droit d'action de justice des groupements” LARCIER, Brussel, 1972, en het boek „L'aide juridique au consommateur”, van T. BOURGOIGNIE, G. DELVAUX, F. DOMONT-NAERT en C. PANIER (CDC Bruylant, Brussel, 1981).

(6)  Dit memorandum werd op 4 januari 1995 aan de Raad voorgelegd en werd op 7 mei 1987 aangevuld met een „Aanvullende mededeling van de Commissie betreffende de consument en zijn verhaalsmogelijkheden”. Verder kwam de Commissie op 4 juni 1985 met de mededeling „Een nieuwe impuls voor het beleid inzake consumentenbescherming” (COM(85) 314 def.), die op 23 juni 1986 door de Raad werd goedgekeurd (PB C 167 van 5 juni 1986). In deze documenten werd reeds benadrukt dat de klassieke juridische procedures langzaam en vaak duur zijn in verhouding tot de bedragen die in consumentenzaken in het geding zijn en dat er op het gebied van advisering en rechtsmiddelen toereikende instrumenten moeten worden gevonden om consumenten naar behoren te beschermen.

(7)  De rapporteur was het Hollandse lid mevrouw Boot. Een van de belangrijkste elementen van die resolutie was de oproep die, naar aanleiding van amendementen van de leden Squarcialupi en Pegado Liz werd gericht tot de Commissie om met een richtlijn te komen ten behoeve van een dusdanige harmonisatie van de nationale wetgevingen dat de verdediging van collectieve consumentenbelangen een feit zou worden. Daartoe zou consumentenverenigingen de mogelijkheid moeten worden geboden om zich tot de rechter te wenden in het belang van de groep die zij vertegenwoordigen, alsook van individuele consumenten (doc. A2-152/86 van 21 november 1986 (EP 104.304).

(8)  Resolutie 87/C PB C 176 van 4 juli 1987.

(9)  Goedgekeurd door de Raad op 9 maart 1989 (PB C 99 van 13 april 1989).

(10)  Zie COM(90) 98 final van 3 mei 1990. Dit is de eerste keer dat de Commissie in een officieel document melding maakt van groepsacties.

(11)  COM(93) 576 final van 16 november 1993. Voor een goed begrip van dit document moet eraan worden herinnerd dat tussen 1991 en 1992 van veel kanten verschillende initiatieven zijn genomen ten behoeve van de discussie over kwesties in verband met de toegang tot het recht en de rechter. Daarbij moet worden gewezen op de conferentie over mechanismen voor schadeloosstellingen van consumenten, die in januari 1991 te Londen door het Office of Fair Trading werd georganiseerd, de IIIe Conferentie over de toegang van de consument tot de rechter, die op 21-23 mei 1992 te Lissabon onder auspiciën van de Commissie en het Instituto do Consumidor werd georganiseerd en het colloquium „La Protection du Consommateur Transfrontalier”, dat in oktober 1993 te Luxemburg werd georganiseerd door het Ministerie van Economische Zaken en het Ministerie voor Gezinsaangelegenheden en Solidariteit, met ondersteuning van de Commissie, en dat uitmondde in rapporten die vandaag de dag hun grote belang nog niet hebben verloren. Gedurende dit tijdvak hebben ook verschillende emeritus hoogleraren en gerenommeerde juridische adviseurs zich over deze kwestie uitgesproken (zie met name „Group actions and Consumer Protection”, T. BOURGOIGNIE, ed., Col. Droit et Consommation, vol. XXVIII, 1992; „Group Actions and the Defence of the Consumer Interest in the European Community”, A. MORIN, INC, Frankrijk, 1990).

(12)  Wel is dit zo dat dit Groenboek is gebaseerd op verschillende voorgaande besluiten en werkdocumenten, die het de politieke ondersteuning verschaften die nodig was voor de acceptatie ervan. In maart 1992 had de Commissie namelijk een groep onafhankelijke vooraanstaande personen onder voorzitterschap van de heer Sutherland verzocht om een verslag op te stellen over de vraag wat de uitvoering van het Witboek interne markt had opgeleverd voor het functioneren van deze markt.

In dit op 26 oktober 1992 gepubliceerde verslag wordt met name ingegaan op de toegang tot de rechter en wordt opgemerkt dat er weinig zekerheid bestond betreffende de efficiëntie van de bescherming van consumentenrechten. Voorts toonde men zich bezorgd over de inefficiëntie van het Verdrag van Brussel in 1968 over de wederzijdse erkenning van gerechtelijke uitspraken en de moeilijkheden die daaruit voortvloeiden om in de ene lidstaat een executoriale titel die is afgeleverd door een rechter van een andere lidstaat daadwerkelijk ten uitvoer te leggen. Daarom werd de Commissie aanbevolen om deze materie zo snel mogelijk te onderzoeken (Aanbeveling nr. 22). Deze aanbeveling resulteerde in de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 1992 over „Het functioneren van de interne markt na 1992: follow-up van het verslag Sutherland” [SEC (92) 2277 def.]. In het in juni 1993 gepresenteerde werkdocument „Een strategisch programma voor de interne markt” erkende de Commissie dat er een samenhangende operationele regeling moest komen voor de toegang tot de rechter en dat daarin een pakket maatregelen moest worden geïntegreerd die strekten tot verspreiding, transparantie en naleving van het Gemeenschapsrecht [COM(93) 256 def.). Voorts vestigde de Commissie in haar mededeling aan de Raad van 22 december 1993 de aandacht op het feit dat de voltooiing van de interne markt zou kunnen resulteren in meer zaken waarin de ingezetenen van een lidstaat in een andere lidstaat om bescherming van hun rechten verzoeken [COM(93) 632 def.].

De Commissie vond niet dat de Gemeenschap moet streven naar een harmonisatieniveau waarop de specifieke kenmerken van de respectieve nationale rechtstelsels teniet worden gedaan. Wel wilde zij werken aan voorlichting en opleiding in verband met het Gemeenschapsrecht, transparantie, efficiëntie, strikte toepassing van dit recht en coördinatie en samenwerking op het gebied van justitie tussen de lidstaten en haarzelf. Dit alles zou worden vergemakkelijkt door de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht en met name van de „derde pijler” daarvan. Daarbij kondigde zij aan daarover een groenboek te publiceren en vervolgens over te gaan tot raadpleging in brede kring. De Raad concludeerde reeds tijdens zijn vergadering van 22 september 1993 (686e vergadering in de samenstelling „interne markt”) dat het cruciaal was om intensiever na te denken over de toegang tot de rechter, en wel met name op basis van een groenboek dat de Commissie voor het einde van dat jaar had aangekondigd. Verder moest ook worden nagedacht over procedurele middelen en, in voorkomend geval, over meer transparantie met betrekking tot straffen. Ten slotte werd in dat tijdvak een belangrijke, in opdracht van de Commissie verrichte studie gepubliceerd. Deze was van de hand van ERIC BALATE, CL. NERRY, J. BIGOT, R. TECHEL M. A. MUNGE, L. DORR en P. PAWLAS, met ondersteuning van A.M. PETTOVICH en betrof het onderwerp „A right to group actions for consumer associations throughout the Community” (contract B5 1000/91/012369). Ook vandaag de dag kan men in dit verband nog steeds niet om die studie heen.

(13)  DOC PE 207.674 van 9 maart; rapporteur: mevrouw Medina Ortega.

(14)  CES 742/94; rapporteur: de heer Ataide Ferreira (PB C 295 van 22 oktober 1994). Het was overigens niet de eerste keer dat het Comité zich voor dit onderwerp interesseerde. In andere documenten, met name twee initiatiefadviezen over de voltooiing van de interne markt en de bescherming van de consument, opgesteld door de heer Ataide Ferreira en goedgekeurd op respectievelijk 26 september 1992 (CES 1115/91, PB C 339 van 31.12.1991) en 24 november 1992 (CES 878/92, PB C 19 van 25.1.1993), werd de aandacht van de Commissie reeds gevestigd op de noodzaak om mogelijke acties op het gebied van beslechting van grensoverschrijdende verschillen in kaart te brengen en over te gaan tot erkenning van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van consumentenorganisaties i.v.m. zowel nationale als grensoverschrijdende geschillen (par. 5.42, doc. CES 1115/91; par. 4.12 van doc. CES 878/92 en hoofdstuk 4 van de daarbijgevoegde interessante studie van Eric Balate, Pierre Dejemeppe en Monique Goyens die door het Comité werd gepubliceerd (CES-93-003) blz. 103 e.v.).

(15)  Dit onderwerp werd overigens in verscheidene latere adviezen andermaal door het Comité behandeld. Daarbij vallen onder meer te noemen het initiatiefadvies over „De interne markt en consumentenbescherming: kansen en belemmeringen” (rapporteur; de heer Ceballo Herrero), goedgekeurd tijdens de zitting van 22 november 1995. In dat advies werd geconstateerd dat op dat moment geen enkele follow-up was gegeven aan de suggesties en voorstellen waarmee het Comité was gekomen in zijn eerdere advies over het Groenboek (CES 1309/95); het advies over het „Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees ParlementDe interne markt in 1994[COM(95) 238 def.] (rapporteur: de heer Vever), waarin de vertraging van de effectieve tenuitvoerlegging van het interne marktproject aan de kaak werd gesteld, met name betreffende de wetgeving voor consumentenaangelegenheden en met name in verband met grensoverschrijdende betrekkingen (CES 1310/95 — PB C 39 van 12/2/1996); het advies over de „Mededeling van de Commissie: Prioriteiten voor het consumentenbeleid (1996-1998)” (rapporteur: de heer Koopman). In dit advies toonde het Comité zich ingenomen met het voorstel voor een richtlijn betreffende stopzettingsacties in het door de Commissie gepresenteerde actieplan inzake de toegang van de consument tot de rechter, maar verklaarde het met belangstelling te wachten op verdere ontwikkelingen op dit gebied en constateerde het dat de interne markt in dit verband nog lang niet verwezenlijkt was en dat het vertrouwen van de consument uitsluitend kan worden gewonnen door de rechten van de consument „met woord en daad te verdedigen” (CES 889/96, PB C 295 van 7.10.1996). Hetzelfde soort bezorgde opmerkingen duikt op in het advies over de „Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de RaadImpact en doeltreffendheid van de interne markt” [COM(96) 520 def van 23 april 1997] (rapporteur: de heer Pasolli; CES 467/97 — PB C 206 van 7.7.1997).

(16)  In haar eerste openbare toespraak, tijdens de hoorzitting van het Europees Parlement op 10 januari 1995, noemde de nieuwe commissaris voor consumentenzaken het consumentenbeleid een sleutelelement voor de verwezenlijking van het Europa van de burgers en zei zij uitdrukkelijk toe om concreet gevolg te geven aan de raadpleging die in het kader van het Groenboek over de verhaalsmogelijkheden van de consument was georganiseerd.

Naar aanleiding van concrete vragen over de toenmalige situatie betreffende die verhaalsmogelijkheden erkende de commissaris dat de consument nog lang geen bevredigende toegang tot de rechter had en dat de doeltreffendheid van het consumentenrecht in hoge mate werd belemmerd door de lange duur van gerechtelijke procedures in sommige lidstaten.

(17)  COM(95) 712 def.

(18)  Met artikel 100-A van het EU-Verdrag als rechtsgrondslag en met inachtneming van het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel, wilde de Commissie overgaan tot harmonisatie van de procedurele regels van de lidstaten met betrekking tot bepaalde voorzieningen. Zij had daarbij de volgende doelstellingen voor ogen:

staking of verbod van iedere handeling die een inbreuk oplevert op de belangen van de consumenten die door de verschillende, in de bijlage genoemde richtlijnen zijn genoemd;

noodzakelijke maatregelen om de impact van de inbreuk op te heffen, inclusief publicatie van de beslissing; en

veroordeling van de inbreukmaker tot het betalen van een geldboete in geval van niet-uitvoering van de beslissing binnen de vastgestelde termijn.

Het voorstel bevatte ook de bepaling dat organisaties die representatief zijn voor de belangen van de consumenten in een lidstaat zich tot de rechter of de bevoegde autoriteiten van die lidstaat kunnen wenden ter bescherming van de rechten die zij behartigen wanneer de belangen die zij vertegenwoordigen worden geschaad door een inbreuk die in een andere lidstaat is gepleegd.

(19)  De slottekst van deze richtlijn werd goedgekeurd door de Raad „Consumenten” (Luxemburg — 23 april 1998) met meerderheid van stemmen en één stem tegen (Duitsland). In de eindversie, die op 11 juni 1998 werd gepubliceerd, zijn veel suggesties en kritische opmerkingen verwerkt.

(20)  Richtlijn 98/27/EG van 19 mei 1998, PB L 166 van 11 juni 1998. Er zij erop gewezen dat het Europees Parlement zeer kritisch was ten aanzien van het werkingsgebied en de beperkingen van het voorstel en dat het verschillende wijzigingen in de oorspronkelijke tekst heeft aangebracht. Deze betreffen met name:

de uitbreiding van het werkingsgebied van de richtlijn tot alle toekomstige richtlijnen inzake de bescherming van de belangen van de consument;

aan de organisaties waarvan de legitimiteit moet worden erkend werden toegevoegd representatieve consumentenorganisaties en –verenigingen die ook op Europees niveau en niet uitsluitend nationaal actief zijn.

In advies 1095/96 (PB C 30 van 30 januari 1997) (rapporteur de heer Raymaekers) kantte het Comité zich tegen de rechtsgrondslag van het voorstel. Het was van mening dat dit op artikel 129 A en niet op 100 A van het EG-Verdrag moest worden gebaseerd. Verder achtte het Comité het werkingsgebied van het voorstel te beperkt en kon het zich niet vinden in de verplichting om zich te wenden tot de entiteit van het land waar de vordering moet worden ingesteld. Die verplichting zou de procedure namelijk wel eens in hoge mate en onnodig kunnen vertragen.

(21)  Zie COM(96) 13 def.

(22)  Doc. A — 0355/96 (EP.253.833)

(23)  Dit betekent overigens niet dat groepsacties niet bij tijd en wijle in richtlijnen opdoken als adequaat en efficiënt middel om de naleving van de bepalingen ervan te garanderen. Zie bijv. art. 11 van Richtlijn 97/7/EG van 20 mei 1997 (verkoop op afstand) of Richtlijn 2002/65/EG van 23 september 2002 (verkoop op afstand van financiële diensten — artikel 13).

(24)  Zie in dit verband:

het initiatiefadvies CESE 141/2005 (PB C 221 van 8 september 2005) over „Het consumentenbeleid na de uitbreiding van de EU” (par.11.6)

advies CESE 230/2006 (PB C 88 van 11 april 2006) over het „Communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid en consumentenbescherming (2007-2013)” (par. 3.2.2.2.1)

het initiatiefadvies CESE 594/2006 (PB C 185 van 8 augustus 2006) over „Een juridisch kader voor het consumentenbeleid”.

(25)  COM(2005) 672 final van 19 december 2005.

(26)  Advies CESE 1349/2006 (PB C 324 van 30 december 2006) (rapporteur: mevrouw Sánchez Miguel). Dit onderwerp was overigens reeds behandeld in het initiatiefadvies over „Mededingingsregelingen en consumenten” (CESE 949/2006 — PB C 309 van 16 december 2006).

(27)  Deze studie werd reeds in noot 4 genoemd. Dit overigens zeer volledig vergelijkend onderzoek gaat voorbij aan de situatie in Bulgarije en Roemenië, gaat niet in op recente ontwikkelingen in Finland, noch op de zeer geavanceerde stelsels in Brazilië, Israël en Nieuw-Zeeland en ook de in Frankrijk en Italië besproken voorstellen blijven buiten beschouwing. Wat het Australische stelsel betreft: zie het collectieve werk „Consumer Protection Law” van J. GOLDRING, L.W. MAHER, Jill McKEOUGH en G. PEARSON, the Federation of Press, Sydney, 1998. Voor Nieuw-Zeeland zie „Consumer Law in New Zeeland”, van Kate TOKELEY, Butterworth, Wellington, 2000. Zie voor de ontwikkelingen in Azië, met name in Indië, op de Filippijnen, in Hong- Kong, Bangladesh, Thailand en Indonesië, „Developing Consumer Law in Asia”, verslag van het seminar IACL/IOCU, Kuala Lumpur, faculteit der Rechtsgeleerdheid van de universiteit van Malaya, 1994.

Ondertussen heeft de Commissie nog een studie uitgeschreven, en wel over de evaluatie van de efficiëntie en doelmatigheid van mechanismen voor groepsacties in de EU (aanbesteding 2007/S 55-067230 van 20 maart 2007).

(28)  COM(2007) 99 def van 13 maart 2007, par. 5.3. Het EESC heeft zojuist een advies over dit document uitgebracht (rapporteur: mevrouw Darmanin).

(29)  „Conference on Collective Redress: Towards European Collective Redress for Consumers?” (9/10 november 2007). Commissaris Kroes zei toen met name: „Consumers not only have rights, but should also be able to effectively enforce them, if necessary through court action. And when court action can only be taken by each consumer individually, no consumer will ever make it to the court room: collective redress mechanisms are therefore an absolute must! It is only then that (consumers) will be able to fully benefit from the Single Market”. Commissaris KUNEVA benadrukte terecht het volgende: „Consumers will not be able to enjoy the full benefits of the Single Market unless effective systems are in place to address their complaints and to give them the means for adequate redress. Collective redress could be an effective means to strengthen the redress framework that we have already set up for European consumers, through the encouragement of ADR mechanisms and the establishment of a cross-border small claims procedure”

(30)  Patrick von BRAUNMUHL merkte tijdens de „Leuven Brainstmorming Event on Collective Redress” (georganiseerd door de Commissie op 29 juni 2007) terecht op dat „collective actions could reduce the number of individual cases resulting from a specific incident. Especially in an opt out system a company can settle a large number of consumers claims in one proceeding. It can negotiate with a group representative of all consumers concerned and it can concentrate its resources on one court case rather than on several different cases. Even if a voluntary settlement is not possible and the court has to decide there is more legal certainty if the decision covers all cases related to the same incident or breach of law”

(31)  Deze materie werd gedetailleerd behandeld tijdens het seminar „Rome I en Rome II” dat door de Portugese, Duitse en Sloveense voorzitterschappen en de Europäische Rechtsakademiea (ERA) op 12 en 13 november te Lissabon werd georganiseerd.

(32)  Een artikel van Louis DEGOS et Geoffrey V. MORSON „Class System”, in Los Angeles Lawyer Magazine, november 2006, blz. 32 e.v. bevat een gedetailleerde vergelijkende analyse van de in verschillende lidstaten gebruikte terminologie en de betekenis per taal. Ierland kent „multi-party litigation” (MPL), Engeland „group litigation order” (GLO) of eenvoudigweg „group action”, Duitsland „Gruppenklage”, Zweden „Grupptalan” of „Collective lawsuit”, Portugal „Popular lawsuit” en Hongarije „Combined lawsuit”.

(33)  Zie de Commissiemededeling „Een interne markt voor het Europa van de 21e eeuw”, COM(724 final) van 20 november 2007.

(34)  Een aantal van deze maatregelen

Groenboek over de consument en zijn verhaalsmogelijkheden en de beslechting van consumentengeschillen in de interne markt [COM(93) 576 final].

Aanbeveling van de Commissie van 12 mei 1995 over de betalingstermijnen bij handelstransacties en de mededeling terzake van de Commissie, PB L 127 van 10-6-1995 en PB C 144 van 10-6-1995.

Mededeling van de Commissie „Actieplan inzake de verhaalsmogelijkheden van de consument en de beslechting van consumentengeschillen in de interne markt” van 14 februari 1996 [COM(96) 13 final].

Mededeling van de Commissie „Naar meer doelmatigheid bij het verkrijgen en uitvoeren van rechterlijke beslissingen binnen de Europese Unie” [COM(97) 609 final, PB C 33 van 31-1-1998].

Richtlijn 98/27/EG van 19 mei 1998 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen (PB L 166 van 11-6-1998).

Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures, PB L 160 van 30-6-2000. Het advies van het EESC ter zake werd opgesteld door de heer Ravoet (CES 79/2001 van 26 januari 2001, PB C 75 van 15-3-2000).

Verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen, idem. Het advies van het EESC ter zake werd opgesteld door de heer Braghin (CES 940/1999 van 20 oktober 1999, PB C 368 van 20 12 1999).

Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken, idem. Het advies van het EESC ter zake werd opgesteld door de heer Hernández Bataller (CES 947/1999 van 21 oktober 1999, PB C 368 van 20-12-1999).

Richtlijn 2000/35/EG van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB L 200 van 8-8-2000).

Ontwerpprogramma van maatregelen voor de uitvoering van het beginsel van wederzijdse erkenning van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PB C 12 van 15-5-2001.

Beschikking van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de oprichting van een Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, PB L 174 van 27-6-2001. Het advies van het EESC ter zake werd opgesteld door de heer Retureau (CES 227/2001 van 28 februari 2001, PB C 139 van 11-5-2001).

Verordening (EG) Nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, PB L 174 van 27-6-2001. Het advies van het EESC ter zake werd opgesteld door de heer Hernández Bataller (CES 228/2001 van 28 februari 2001), PB C 139 van 11-5-2001.

Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I), PB L 12 van 16-1-2001. Het advies van het EESC ter zake werd opgesteld door de heer Malosse (CES 233/2000 van 1 maart 2000, PB C 117 van 26-4-2000).

Groenboek betreffende alternatieve wijzen van geschillenbeslechting op het gebied van het burgerlijk recht en het handelsrecht [COM(2002) 196 final van 19-4-2002].

Verordening (EG) nr. 805/2004 van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen, PB L 143 van 30-4-2004. Het advies van het EESC ter zake werd opgesteld door de heer Ravoet (CESE 1348/2002 van 11 december 2002), PB C 85 van 8-4-2003.

Voorstel voor een verordening tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (COM(2005) 87 final van 15-3-2005). Het advies van het EESC ter zake werd opgesteld door de heer Pegado Liz (CESE 243/2006 van 14 februari 2006).

Groenboek over een efficiëntere tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in de Europese Unie: beslag op bankrekeningen (COM(2006) 618 final. Het advies van het EESC ter zake werd opgesteld door de heer Pegado Liz (CESE 1237/2007 van 26 september 2007).

Verordening (EG) nr. 1896/2006 van de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure, PB L 399 van 30 12 2006. Het advies van het EESC over het voorstel voor een verordening (COM(2004)173 final van 19-3-2004) werd opgesteld door de heer Pegado Liz (CESE 133/2005 van 22-2-2005, PB C 221 van 8-9-2005).

(35)  Een goed voorbeeld is het in Québec bestaande steunfonds voor groepsacties, dat onontbeerlijk voor het opstarten van die acties wordt geacht. Dit fonds wordt gevoed door de voorschotten die aan eisers die hun groepsactie hebben gewonnen zijn betaald en door het gedeelte van de schadevergoeding dat niet door de groepsleden wordt opgeëist. Eisers die een groepsactie opstarten hoeven uitsluitend, op vertoon van bewijsstukken, via de rechter de terugbetaling van de voor het opstarten van de actie gemaakte kosten te kunnen verkrijgen.


BIJLAGE

bij het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

De volgende wijzigingsvoorstellen, waarvoor minstens een kwart van de stemmen werd uitgebracht, werden tijdens de beraadslaging verworpen:

1.   Paragraaf 7.2.2.2.4 als volgt wijzigen:

„Voorts heeft deze procedure een echt ontmoedigend effect op de laedens omdat die weet dat hij alle gelaedeerden moet vergoeden en eventueel de totale onrechtmatige winst moet terugbetalen”.

Motivering

Zie 7.6.3

Stemuitslag

Vóór: 104 Tegen: 114 Onthoudingen: 13

2.   Paragraaf 7.6.1. schrappen

Motivering

De toegang tot het recht behoort tot de verantwoordelijkheden van de overheid en kan niet afhankelijk worden gesteld van het succes van eerdere rechtszaken, die geen verband houden met latere rechtszaken (zie ook motivering voor 7.6.3).

Stemuitslag

Vóór: 107 Tegen: 116 Onthoudingen: 10

3.   Paragraaf 7.6.3 als volgt wijzigen:

Het is de taak van de overheid om toegang tot het recht te garanderen, b.v. door de opbrengst van boetes voor inbreuken op het consumentenrecht te reserveren voor de financiering van groepsacties.

Motivering

Doel van de groepsacties is het herstel van de schade die de consumenten hebben geleden, met uitsluiting van „punitive damages”. Dit Amerikaanse concept vermengt op een ongepaste manier maatschappelijke belangen en crimineel recht. Alleen al de verplichting om de door de consumenten geleden schade te vergoeden heeft een voldoende ontmoedigend effect voor de laedens.

Of er sprake is van „onrechtmatig verkregen winst” is iets waarover de overheid zich moet buigen en wat deze moet bestraffen. De overheid kan beslissen om inkomsten van boetes te gebruiken voor steun aan groepsacties. De overheid, die verantwoording moet afleggen aan de bevolking, is verantwoordelijk voor de toegang tot het recht, en niet individuele advocaten of juridische organisaties.

Aangezien schadevergoedingen bedoeld zijn voor de consumenten die schade hebben geleden, gaat het niet op om de opbrengst van één actie zonder werkelijk verband door te schuiven naar latere acties, vooral als die niet meer bedoeld zijn om herstel te krijgen van de door deze consumenten opgelopen schade.

Stemuitslag

Vóór: 104 Tegen: 106 Onthoudingen: 18


Top