Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52007PC0530

Voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers {SEC(2007) 1179} {SEC(2007) 1180}

/* COM/2007/0530 def. - COD 2007/0197 */

52007PC0530




[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 19.9.2007

COM(2007) 530 definitief

2007/0197 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers

(door de Commissie ingediend) {SEC(2007) 1179}{SEC(2007) 1180}

TOELICHTING

Elektriciteit en gas zijn cruciaal voor het welzijn in Europa. Zonder een concurrerende en efficiënte Europese elektriciteits- en gasmarkt betaalt de Europese burger een al te hoge prijs voor een van hun meest fundamentele dagelijkse behoeften. Aangezien energie een belangrijke input is voor de Europese industrie zijn de elektriciteits- en gasmarkten ook essentieel voor het Europese concurrentievermogen.

Concurrerende en efficiënte elektriciteits- en gasmarkten zijn ook een voorwaarde om het probleem van de klimaatverandering aan te pakken. Alleen met een goed functionerende markt is het mogelijk een doeltreffend mechanisme voor handel in emissierechten uit te bouwen en een duurzame energie-industrie te ontwikkelen die erin zal slagen de ambitieuze doelstelling van de Europese Raad te verwezenlijken, namelijk dat de Europese energiemix tegen 2020 voor 20% zal bestaan uit duurzame energiebronnen.

Een concurrerende EU-brede elektriciteits- en gasmarkt is ook cruciaal om de Europese energievoorziening veilig te stellen, aangezien alleen een Europabrede en concurrerende markt de juiste investeringssignalen opwekt en een billijke netwerktoegang waarborgt voor alle potentiële investeerders, en tevens reële en effectieve stimulansen levert voor zowel netwerkbeheerders als energieproducenten om de miljarden euro's te investeren die de EU in de komende twee decennia nodig zal hebben.

Het proces van liberalisering van de elektriciteits- en gasmarkten is ongeveer tien jaar geleden begonnen. Gedurende deze tien jaar hebben vele Europese burgers geprofiteerd van meer keuzevrijheid en een grotere mededinging, wat heeft geresulteerd in een betere dienstverlening en continuïteit van de voorziening. Uit de beoordeling door de Commissie en de Europese energieregelgevers is echter gebleken dat het proces om daadwerkelijk concurrerende markten tot stand te brengen nog verre van afgerond is. In de praktijk kunnen nog veel te weinig EU-burgers en ondernemingen echt hun energieleverancier kiezen. De marktversnippering op basis van nationale grenzen, een zeer sterke verticale integratie van de energiebedrijven en een hoge marktconcentratie liggen ten grondslag aan het ontbreken van een echte interne markt.

Sinds de inwerkingtreding van de huidige elektriciteits- en gasrichtlijnen in juli 2003 heeft de Commissie permanent toegezien op de tenuitvoerlegging daarvan en op het effect op de markt en is zij steeds in nauw contact gebleven met alle betrokken partijen. Met name heeft de Commissie jaarlijks een benchmarkingsverslag gepubliceerd over de tenuitvoerlegging van de interne markt voor gas en elektriciteit. Zij heeft het regelgevingsforum van Firenze betreffende elektriciteit en het regelgevingsforum van Madrid betreffende gas georganiseerd waarin op gezette tijden ministeries, nationale regelgevende instanties, de Commissie, transmissiesysteembeheerders (tsb's), leveringsbedrijven, handelaars, consumenten, vakbonden, netwerkgebruikers en elektriciteitsbeurzen van gedachten wisselden.

Eind 2005 werd op de Europese Raad van Hampton Court een oproep gedaan voor een daadwerkelijk Europees energiebeleid. In antwoord op dit verzoek heeft de Commissie op 8 maart 2006 een groenboek over de ontwikkeling van een gemeenschappelijk, samenhangend Europees energiebeleid gepubliceerd. De openbare raadpleging heeft 1680 antwoorden opgeleverd. Reeds in 2005 is de Commissie van start gegaan met een onderzoek naar de mededinging op de gas- en elektriciteitsmarkten. Dit gebeurde in reactie op klachten van consumenten en nieuwkomers in de sector over de ontwikkeling van de groothandelsmarkten voor gas en elektriciteit. Het eindverslag over dit onderzoek werd op 10 januari 2007 door de Commissie aangenomen samen met een breed pakket van maatregelen met als doel te komen tot een echt energiebeleid voor Europa.

In de mededeling van de Commissie van 10 januari 2007 "Een energiebeleid voor Europa"[1] werd het belang onderstreept van een voltooiing van de interne markt voor elektriciteit en aardgas. Deze mededeling is aangevuld met een uitgebreid rapport betreffende de interne markt, het eindresultaat van een onderzoek van de Commissie naar de mededinging in de sector en een diepgaande analyse van de situatie van de nationale elektriciteits- en gasmarkten. Parallel daarmee heeft de Commissie een effectbeoordeling uitgevoerd om de beleidsopties met betrekking tot de voltooiing van de interne markt voor gas en elektriciteit tegen elkaar af te wegen. De effectbeoordeling omvatte ook een raadpleging van de belanghebbenden. Er werden alles samen 339 vragenlijsten ingevuld door organisaties met een verankering in 19 landen. Bovendien werden 73 vragenlijsten ontvangen door organisaties die geen banden hadden met een specifiek land. Er werden aanvullende gesprekken gevoerd met 56 belanghebbenden, voornamelijk ondernemingen die het effect zouden voelen van de ontvlechting van hun activa of van versterkte transparantie-eisen.

Op de Europese Voorjaarsraad 2007 werd de Commissie verzocht verdere maatregelen voor te stellen, zoals:

- de effectieve ontkoppeling van, enerzijds, productie- en leveringsactiviteiten en, anderzijds, het netwerkbeheer;

- de verdere harmonisatie van de bevoegdheden en de versterking van de onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties voor de energiesector;

- de invoering van een onafhankelijk mechanisme voor samenwerking van de nationale regelgevende instanties;

- de invoering van een mechanisme voor de beheerders van transmissienetten ter verbetering van de coördinatie van het beheer van hun netwerken en netwerkveiligheid, de grensoverschrijdende handel en het netwerkbeheer;

- het verhogen van de transparantie van de werking van de energiemarkten.

De Europese Raad heeft ook de noodzaak onderstreept van een verbetering van de continuïteit van de energievoorziening in een geest van solidariteit tussen de lidstaten.

In zijn op 10 juli 2007 aangenomen resolutie over de vooruitzichten voor de interne gas- en elektriciteitsmarkt heeft het Europees Parlement sterke politieke steun uitgesproken voor een gemeenschappelijk energiebeleid, waarbij het van mening was dat "ontvlechting van de eigendom bij de transmissie het efficiëntste middel is om investeringen in infrastructuur op niet-discriminerende wijze te bevorderen en te zorgen voor eerlijke toegang tot het netwerk voor nieuwkomers en transparantie van de markt". Het Parlement beklemtoonde echter dat ook andere maatregelen vereist zijn en dat de verschillen tussen de elektriciteits- en de gasmarkten onderling afwijkende toepassingsregelingen noodzakelijk kunnen maken. Het Europees Parlement stelde ook voor om "de samenwerking tussen de nationale regelgevende instanties op EU-niveau te verbeteren om te zorgen voor een meer Europese aanpak van de regelgeving inzake grensoverschrijdende kwesties".

De Raad van Europese energietoezichthouders (CEER) heeft positief gereageerd op de mededeling van de Commissie van 10 januari 2007 en heeft zijn volle steun gegeven voor nieuwe EU-regelgeving met als doel het project voor een interne energiemarkt opnieuw op de rails te krijgen. Op 6 juni 2007 hebben de Europese energieregelgevers een reeks van zes documenten gepubliceerd met een standpunt over de voornaamste problemen van de nieuwe wetgeving op energiegebied. Zij ondersteunden met name de voorstellen van de Commissie voor een versterkt onafhankelijk regelgevingstoezicht op nationaal en EU-niveau en voor een effectieve ontvlechting van de transmissienetwerken. De regelgevers hebben een duidelijke aanbeveling gedaan om van ontvlechting van de eigendom van de transmissienetten het voorkeursmodel in de nieuwe EU-regelgeving te maken, toepasselijk voor zowel de gas- als de elektriciteitssector.

Bij de uitwerking van de hieronder samengevatte voorstellen is ten volle rekening gehouden met deze elementen.

1. EFFECTIEVE ONTKOPPELING VAN PRODUCTIE- EN LEVERINGSACTIVITEITEN EN HET NETWERKBEHEER

1.1. De bestaande ontvlechtingsbepalingen volstaan niet om de goede functionering van de interne markt te waarborgen

Overeenkomstig de bestaande wetgeving moet het netwerkbeheer juridisch en functioneel gescheiden zijn van productie- en leveringsactiviteiten. De lidstaten zijn deze eis nagekomen via de toepassing van diverse organisatiestructuren. Verschillende lidstaten hebben een volledig gescheiden bedrijf voor het netwerkbeheer opgericht, terwijl andere een juridische entiteit binnen een verticaal geïntegreerd bedrijf hebben opgericht. De eis van juridische en functioneel ontvlechting heeft daadwerkelijk bijgedragen tot het ontluiken van concurrerende elektriciteits- en gasmarkten in verscheidene lidstaten.

De ervaring heeft echter uitgewezen dat wanneer de transmissiesysteembeheerder een juridische entiteit binnen een geïntegreerd bedrijf is, dit drie problemen doet rijzen.

In de eerste plaats kan de transmissiesysteembeheerder rechtstreeks gelieerde bedrijven een betere behandeling geven dan concurrerende derde partijen. Geïntegreerde bedrijven kunnen hun netwerkactiva zelfs benutten om de intrede van concurrenten te bemoeilijken. De onderliggende reden is dat juridische en functionele ontvlechting geen oplossing biedt voor het fundamentele belangenconflict binnen geïntegreerde bedrijven waarbij de productie- en leveringsbelangen ernaar streven hun verkoop en marktaandeel te maximaliseren, terwijl de netwerkbeheerder verplicht is niet-discriminerende toegang aan concurrenten te verlenen. Dit inherente belangenconflict kan bijna niet door regelgevingsmaatregelen worden opgelost aangezien de onafhankelijkheid van de transmissiesysteembeheerder binnen een geïntegreerd bedrijf onmogelijk kan worden gecontroleerd zonder een buitensporig zware en opdringerige regelgeving.

Ten tweede kan met de huidige ontvlechtingsregels niet-discriminerende toegang tot informatie niet worden gewaarborgd aangezien er geen effectief middel is om te voorkomen dat de transmissiesysteembeheerders commercieel gevoelige informatie doorspelen naar de productie- of leveringstak van het geïntegreerde bedrijf.

Ten derde zijn de investeringsstimulansen binnen een geïntegreerd bedrijf verstoord. De beheerders van verticaal geïntegreerde bedrijven voelen geen enkele stimulans om hun netwerk uit te bouwen in het algemeen belang van de markt en zo de intrede van nieuwe concurrenten op de markt van productie en/of levering te vergemakkelijken. Zij hebben integendeel een inherent belang bij een beperking van nieuwe investeringen wanneer die ten bate zouden komen van concurrenten en scherpere concurrentie zouden veroorzaken op hun eigen "thuismarkt". De investeringsbeslissingen van verticaal geïntegreerde bedrijven hellen doorgaans dan ook over tot het behartigen van de belangen van de gelieerde leveranciers. Dergelijke bedrijven lijken met name weinig geïnteresseerd om de interconnectie- of de gasinvoercapaciteit te ontwikkelen, wat meer concurrentie mogelijk zou maken op de thuismarkt van het geïntegreerde bedrijf; op die manier wordt de interne markt benadeeld.

Kortom, een bedrijf dat verticaal geïntegreerd blijft, heeft de ingebouwde neiging om zowel te weinig te investeren in nieuwe netwerken (gezien de vrees dat dergelijke investeringen het voor concurrenten gemakkelijker maakt om in te breken in de "eigen" thuismarkt) als zoveel mogelijk zijn eigen verkoopsorganisatie qua netwerktoegang te bevoordelen. Dit is schadelijk voor het concurrentievermogen en de continuïteit van de energievoorziening van de EU en brengt de verwezenlijking van haar doelstellingen op het gebied van klimaatverandering en milieu in het gedrang.

Investeringscijfers van de afgelopen jaren tonen aan: verticaal geïntegreerde bedrijven hebben bijvoorbeeld een aanzienlijk kleiner aandeel van hun ontvangsten van grensoverschrijdende congestieheffingen geïnvesteerd in nieuwe interconnectoren dan volledig ontvlechte ondernemingen. Daadwerkelijke ontvlechting maakt een einde aan het soort verstoorde investeringsstimulansen dat typisch is voor verticaal geïntegreerde transmissiesysteembeheerders. Ontvlechting bevordert op die manier de zekerheid van de voorziening. De Commissie heeft geconstateerd dat effectieve ontvlechting van transmissiesysteembeheerders de investeringen van die laatste actief bevordert. De betrokken lidstaten hebben dankzij ontvlechtingsmaatregelen nieuwe infrastructuurinvesteerders kunnen aantrekken, die bijvoorbeeld terminals voor vloeibaar aardgas (LNG) hebben gebouwd.

Ook de elektriciteitsprijzen van de laatste jaren op verschillende markten tonen het voordeel van ontvlechting van de eigendom aan: in de afgelopen tien jaren hebben verticaal geïntegreerde ondernemingen hun tarieven meer opgetrokken en op een hoger niveau gehandhaafd dan volledig ontvlechte ondernemingen.

1.2. Een meer effectieve ontvlechting van de transmissiesysteembeheerders

Het concrete voorstel in dit verband maakt duidelijk dat de voorkeursoptie van de Commissie ontvlechting van de eigendom blijft. In de praktijk betekent dit dat de lidstaten erover moeten waken dat dezelfde (rechts)persoon geen controle kan uitoefenen over een leveringsbedrijf en tegelijk belangen kan hebben in of rechten kan uitoefenen over een transmissiesysteembeheerder of een transmissiesysteem. Omgekeerd sluit controle over een transmissiesysteembeheerder de mogelijkheid uit belangen te hebben in of rechten uit te oefenen over een leveringsbedrijf.

Deze optie maakt wel de situatie mogelijk waarin eenzelfde (rechts)persoon, bijvoorbeeld een pensioenfonds, een niet-controlerend minderheidsbelang heeft in zowel een transmissiesysteembeheerder als een leveringsbedrijf. Een dergelijke minderheidsaandeelhouder kan echter geen blokkeringsrechten hebben in beide ondernemingen, noch kan hij leden van hun raad van bestuur aanwijzen, noch kan iemand lid zijn van de raden van bestuur van beide ondernemingen. Deze optie waarbij een duidelijke scheiding van de eigendom tussen de transmissiesysteembeheerder en ongeacht welk leveringsbedrijf wordt gemaakt, is de meest doeltreffende en stabiele manier om effectieve ontvlechting van het transmissienetwerk te bewerkstelligen en dus eventuele inherente belangenconflicten te voorkomen.

Om deze optie ten uitvoer te leggen kunnen de lidstaten de volgende regeling kiezen waarbij de belangen van de aandeelhouders van verticaal geïntegreerde bedrijven ten volle worden beschermd. De aandelen van het verticaal geïntegreerde bedrijf worden verdeeld in enerzijds aandelen van de onderneming die het transmissienet bezit en anderzijds aandelen van het leveringsbedrijf. Vervolgens kunnen deze aandelen worden toegekend aan de aandeelhouders van de voordien verticaal geïntegreerde onderneming.

Hoewel de Commissie van mening is dat ontvlechting van de eigendom de voorkeursoptie blijft, voorziet zij toch in een alternatieve optie voor lidstaten die een andere weg verkiezen. Deze optie moet echter dezelfde waarborgen bieden, wat de actie-onafhankelijkheid van het desbetreffende netwerk betreft, en moet dezelfde stimulansen bieden voor het netwerk om te investeren in nieuwe infrastructuur waarmee concurrenten eventueel hun voordeel kunnen doen. Deze optie, een afwijking van de basisaanpak van eigendomsontvlechting, staat bekend als de optie van de "onafhankelijke systeembeheerder". Bedoelde optie maakt het voor verticaal geïntegreerde bedrijven mogelijk om de eigendom van hun netwerkactiva te behouden, maar dan moet het transmissienet wel worden beheerd door een onafhankelijke systeembeheerder - een onderneming of entiteit die volledig gescheiden is van het verticaal geïntegreerde bedrijf - die alle functies van een netwerkbeheerder vervult. Om te waarborgen dat de netwerkbeheerder volledig onafhankelijk van het verticaal geïntegreerde bedrijf blijft en optreedt, moet bovendien worden voorzien in een permanente monitoring door de regelgevers.

Teneinde te voldoen aan de voorgestelde eis van daadwerkelijke ontvlechting kunnen verticaal geïntegreerde ondernemingen er in bepaalde omstandigheden toe worden verplicht zich te ontdoen van een deel van hun activa, met name van het transmissienetwerken, of de exploitatie van die activa over te laten aan een derde partij. Als men wil komen tot een volledige onafhankelijkheid van de tsb's lijkt er echter geen alternatief voor de voorgestelde opties te bestaan.

De twee opties gelden op eenzelfde manier voor de gas- en de elektriciteitssector. Hoewel de Commissie erkent dat het proces van eigendomsontvlechting binnen de EU momenteel doorgaans meer is gevorderd in de elektriciteits- dan in de gassector, heeft de Commissie geen overtuigend argument gevonden om een ongelijke behandeling van beide sectoren te rechtvaardigen. Met name het fundamentele belangenconflict tussen enerzijds productie- en leveringsactiviteiten en anderzijds de exploitatie en uitbouw van het transmissienet geldt op eenzelfde manier voor beide sectoren. Bovendien is het cruciale element bij het sluiten van langetermijnleveringscontracten met de stroomopwaartse gasproducenten niet de eigendom van het netwerk, maar het bestaan van een sterke klantenbasis. De EU zal dan ook ongetwijfeld een zeer aantrekkelijke markt blijven voor de levering van gas, ongeacht de eigendomsstructuur van de ondernemingen die gas opkopen welke, zodra zij effectief ontvlochten zijn, op gelijke voet om gas kunnen concurreren. De Commissie erkent bovendien dat gastransport, in tegenstelling tot elektriciteitstransmissie, de fysieke beweging van gasmoleculen door pijpleidingen inhoudt. De desbetreffende tsb's hebben daarom een grotere controle over de richting van de gasstromen en het gebruik van de capaciteit van het systeem. Dit houdt in dat een effectieve ontvlechting van de gasnetwerken ten minste zo belangrijk is als de ontvlechting van de elektriciteitsnetwerken.

Met het oog op het bevorderen van investeringen in nieuwe energie-infrastructuur door leverings- en productiebedrijven voorziet dit voorstel ook in de mogelijkheid van een tijdelijke ontheffing van de verplichting tot eigendomsontvlechting bij de bouw van nieuwe infrastructuur. Deze ontheffing wordt per geval toegekend, rekening houdend met de economische aspecten van de nieuwe investering en de doelstellingen van de interne markt en de zekerheid van de energievoorziening.

In overeenstemming met artikel 295 van het EG-Verdrag, is het voorstel op dezelfde wijze van toepassing op openbare ondernemingen als op privébedrijven. Dit houdt in dat ongeacht de publieke of particuliere aard van een dergelijke onderneming, geen persoon of groep van personen alleen of gezamenlijk in staat mag zijn de samenstelling van en de stemming of besluitvorming in de organen van de transmissiesysteembeheerders noch van de leverings- of productiebedrijven te beïnvloeden. Deze eis waarborgt dat waar leverings- of productieactiviteiten in publieke eigendom gebeuren, de onafhankelijkheid van een transmissienetbeheerder in publiek bezit nog steeds gewaarborgd blijft. Volgens dit voorstel zijn overheidsbedrijven echter niet verplicht hun netwerken te verkopen aan een bedrijf in particulier bezit. Om aan deze eis te voldoen kan een publieke entiteit of de staat de rechten (die goed zijn voor de "invloed" op de onderneming) bijvoorbeeld overdragen aan een andere rechtspersoon in publiek of particulier bezit. Waarop het aankomt is dat in alle gevallen waarin ontvlechting plaatsvindt, de lidstaat in kwestie moet aantonen dat in de praktijk de resultaten werkelijk tastbaar zijn en dat de desbetreffende ondernemingen volledig onafhankelijk van elkaar worden beheerd, zodat een gelijk speelveld ontstaat in het geheel van de EU.

Ten slotte moet worden vermeld dat in lidstaten waarin er geen gas- of elektriciteitstransmissienetten bestaan (maar uitsluitend een distributienetwerk), de voorschriften met betrekking tot de ontvlechting van transmissienetwerken niet van toepassing zijn.

1.3. Derde landen

Krachtens het huidige voorstel geldt de eis tot effectieve ontvlechting van de transmissiesysteembeheerders van productie- en leveringsactiviteiten niet allen op nationaal niveau maar in het geheel van de EU. Dit houdt met name in dat geen productie- of leveringsbedrijf dat ergens in de EU actief is, eigenaar of beheerder kan zijn van een transmissiesysteem in enige lidstaat van de EU. Deze eis geldt voor zowel EU- als niet-EU-ondernemingen.

Het pakket bevat vrijwaringsmaatregelen die moeten waarborgen dat wanneer ondernemingen uit derde landen een aanzienlijk belang willen verwerven in of zelfs zeggenschap willen krijgen over een EU-netwerk, zij op aantoonbare en ondubbelzinnige wijze moeten voldoen aan dezelfde ontvlechtingseisen als EU-ondernemingen. De Commissie kan optreden wanneer een koper zijn directe én indirecte onafhankelijkheid van productie- en leveringsactiviteiten niet kan aantonen.

Voorts zijn goed functionerende markten en netwerken essentieel voor het concurrentievermogen van de economie en het welzijn van de burger. Het doel van het huidige voorstel is de mededinging op en de goede functionering van de Europese energiemarkten te bevorderen. In dat licht is het absoluut noodzakelijk dat wordt gewaarborgd dat - onverlet de internationale verplichtingen van de Gemeenschap - alle economische spelers die actief zijn op de Europese energiemarkten de marktinvesteringsbeginselen nakomen en daarnaar handelen. De Commissie stelt daarom de eis voor dat personen uit derde landen en derde landen zelf geen zeggenschap kunnen verwerven over een transmissiesysteem of een transmissiesysteembeheerder in de Gemeenschap zonder dat dit wordt toegestaan krachtens een overeenkomst tussen de EU en het derde land. Het doel is te waarborgen dat ondernemingen van derde landen dezelfde regels in acht nemen als gelden voor in de EU gevestigde ondernemingen, zowel naar letter als naar geest, en die ondernemingen dus niet discrimineren. Ten slotte wil de Commissie ook een snelle, maar diepgaande evaluatie maken van de bredere aspecten van het externe beleid van de EU op energiegebied en zal zij het resultaat daarvan bekend maken.

Concluderend moet over de belangrijke kwestie van ontvlechting worden gesteld dat de huidige voorstellen voor daadwerkelijke ontvlechting een noodzakelijke en beslissende stap zijn om te komen tot marktintegratie in de gehele EU. Dit kan uiteindelijk bijdragen tot het ontstaan van supranationale transmissiesysteembeheerders, aangezien de beheerders niet langer worden gehinderd door onderling wantrouwen. Maar tezelfdertijd, als er supranationale transmissienetbeheerders zouden komen zonder dat hun volledige onafhankelijkheid gewaarborgd is, zou dat de concurrentie tussen geaffilieerde leverings- en productiebedrijven kunnen verzwakken omdat dan het risico van collusie bestaat. Bij afwezigheid van daadwerkelijke ontvlechting zou een dergelijke samenwerking aanleiding geven tot bezorgdheid over de mededinging. De huidige voorstellen omvatten meer bepaald verschillende aanvullende maatregelen om EU-marktintegratie te bevorderen, met name met het oog op een betere samenwerking tussen de transmissienetbeheerders.

2. MEER BEVOEGDHEDEN EN ONAFHANKELIJKHEID VAN DE NATIONALE REGELGEVENDE INSTANTIES

2.1. Sterke nationale regelgevende instanties om toe te zien op de functionering van de elektriciteits- en gasmarkten

Krachtens de bestaande elektriciteits- en gasrichtlijnen moeten de lidstaten nationale regelgevende instanties oprichten. In verscheidene lidstaten zijn die regelgevende instanties gevestigde organisaties geworden met aanzienlijke bevoegdheden en middelen waardoor zij de markt goed kunnen reguleren. In andere lidstaten zijn de regelgevende instanties slechts recentelijk opgericht en is hun bevoegdheid beperkter of verdeeld over diverse instanties. In de grondige analyse per land van de Commissie is dit gebrek aan uniformiteit en in vele gevallen zwakheid van de regelgevende instanties duidelijk aan het licht gekomen.

Uit de ervaring van de lidstaten waar de markten reeds jarenlang zijn opengesteld, en van de meeste nutssectoren die openstaan voor concurrentie blijkt duidelijk dat sterke regelgevers een noodzaak zijn voor de goede functionering van markt, meer in het bijzonder wat het gebruik van de netwerkinfrastructuur betreft.

Om die redenen is het onderhavige voorstel gericht op een uitbreiding van de bevoegdheden van de regelgevende instanties. In de eerste plaats krijgen zij een duidelijk mandaat om samen te werken op Europees niveau, in nauwe samenwerking met het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers en de Commissie, teneinde concurrerende, veilige en milieuvriendelijke interne elektriciteits- en gasmarkten binnen de Europese Unie en een daadwerkelijke marktopening voor alle consumenten en leveranciers te waarborgen.

In de tweede plaats wordt voorgesteld om hun marktreguleringsbevoegdheden te versterken, in het bijzonder op de volgende gebieden:

- monitoring van de naleving door de transmissie- en distributienetbeheerders van de regels inzake toegang voor derden, ontvlechtingsverplichtingen, balanceringsmechanismen en congestie- en interconnectiebeheer;

- beoordeling van de investeringsplannen van de transmissiesysteembeheerders en evaluatie, in hun jaarverslag, van de samenhang van de investeringsplannen van de transmissiesysteembeheerders met het Europawijde netwerkontwikkelingsplan over 10 jaar; monitoring van de netwerkveiligheid en -betrouwbaarheid en beoordeling van de desbetreffende voorschriften;

- monitoring van de naleving van de transparantieverplichtingen;

- monitoring van het niveau van marktopening en mededinging en bevordering van een daadwerkelijke mededinging in samenwerking met de mededingingsautoriteiten;

- waarborgen dat de maatregelen ter bescherming van de consument effectief zijn.

Elektriciteit en gas verschillen fundamenteel van andere verhandelde goederen omdat zij op netwerken gebaseerde producten zijn die niet of slechts tegen hoge kosten kunnen worden opgeslagen. Dit maakt ze gevoelig voor misbruik. Het regelgevend toezicht op ondernemingen die actief zijn op de elektriciteits- en gasmarkten moet derhalve worden versterkt. De regelgevers moeten daarom toegang krijgen tot informatie over de operationale beslissingen van de ondernemingen. Er wordt voorgesteld dat bedoelde ondernemingen hun gegevens met betrekking tot hun bedrijfsvoeringsbeslissingen gedurende vijf jaar ter beschikking houden van de nationale regelgevende instanties, de mededingingsautoriteiten en de Commissie zodat deze instanties klachten in verband met misbruik van de marktpositie effectief kunnen behandelen. Dit zal het risico van dergelijk misbruik van de marktpositie verminderen, het vertrouwen in de markt versterken en op die manier de handel en mededinging stimuleren.

Een reeks handelaars (bv. banken) is reeds onderworpen aan dergelijke verplichtingen overeenkomstig de richtlijn betreffende markten voor financiële instrumenten. Aan die handelaars mag geen dubbele verplichting worden opgelegd. De verplichting tot het bijhouden van gegevens laat daarom de bestaande communautaire wetgeving betreffende financiële markten onverlet en moet daarmee verenigbaar zijn. De regelgevers op het gebied van de financiële en de energiemarkten moeten samenwerken om het voor elkaar mogelijk te maken een overzicht te krijgen over de markten in kwestie. Voordat de Commissie richtsnoeren met betrekking tot het bijhouden van gegevens vaststelt, zal zij het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers en het Comité van Europese effectenregelgevers (CESR) raadplegen.

Om hen in staat te stellen hun taken uit te voeren, krijgen de regelgevende instanties de bevoegdheid onderzoeken in te stellen, alle nodige informatie op te vragen en afschrikwekkende sancties op te leggen. Hen zal ook worden verzocht om bij de uitoefening van hun regelgevingsopdracht ten volle rekening te houden met de doelstelling van grotere energie-efficiëntie.

2.2. Aantoonbare onafhankelijkheid van de regelgevende instanties brengt vertrouwen in de markt

De onafhankelijkheid van de regelgevende instanties is een centraal beginsel van goed bestuur en een fundamentele voorwaarde om vertrouwen in de markt op te wekken. Overeenkomstig de bestaande wetgeving moeten de nationale regelgevende instanties volledig onafhankelijk zijn van de belangen van de gas- en elektriciteitsindustrie. Er wordt echter niet gespecificeerd hoe die onafhankelijkheid aantoonbaar kan worden gewaarborgd, noch zijn er garanties ingebouwd voor onafhankelijkheid van politieke belangen.

Zoals onderstreept in de conclusies van de Europese Voorjaarsraad Lente 2007 en door het Europees Parlement, is de versterking van de onafhankelijkheid van de nationale regelgevende instanties daarom een prioriteit.

Er wordt voorgesteld dat de regelgevende instantie juridisch gescheiden en functioneel onafhankelijk wordt van elke andere publieke of particuliere entiteit en dat haar personeel en elk lid van een besluitvormingsorgaan ervan onafhankelijk optreedt ten opzichte van enig marktbelang en geen instructies ontvangt of verlangt van een regering of enige andere publieke of particuliere entiteit. Te dien einde wordt voorgesteld de regelgevende instanties rechtspersoonlijkheid en budgettaire autonomie te geven en hen afdoende financiële en personele middelen en een onafhankelijk management ter beschikking te stellen.

3. EEN ONAFHANKELIJK MECHANISME VOOR SAMENWERKING EN BESLUITVORMING VAN DE NATIONALE REGELGEVENDE INSTANTIES: HET AGENTSCHAP VOOR DE SAMENWERKING TUSSEN ENERGIEREGELGEVERS

3.1. De positieve ervaring van de ERGEG als vertrekpunt voor de uitbouw van een formele samenwerkingsstructuur

Hoewel de interne markt voor energie zich reeds aanzienlijk heeft ontwikkeld, blijft er een grote regelgevingsleemte bestaan wat grensoverschrijdende kwesties betreft. Om dit probleem aan te pakken, heeft de Commissie zelfreguleringsforums opgezet, zoals het forum van Firenze (voor elektriciteit) en het forum van Madrid (voor gas). Deze forums brengen de belanghebbenden samen teneinde hun samenwerking te versterken.

Voorts heeft de Commissie in 2003 een onafhankelijke adviesgroep voor elektriciteit en gas opgericht, de "Europese Groep van regelgevende instanties voor elektriciteit en gas" (ERGEG) genoemd, die tot taak had de raadpleging van en de coördinatie en samenwerking tussen regelgevende instanties in de lidstaten en tussen deze instanties en de Commissie te vergemakkelijken met het oog op consolidatie van de interne markt voor elektriciteit en gas. Deze groep is samengesteld uit vertegenwoordigers van de nationale regelgevende instanties.

De ERGEG-activiteiten hebben in de afgelopen jaren op zeer positieve wijze bijgedragen tot de voltooiing van de interne elektriciteits- en gasmarkt, meer bepaald door de publicatie van niet-bindende richtsnoeren en het verstrekken van aanbevelingen en adviezen aan de Commissie. Desondanks hebben de organisatie van zelfreguleringsforums en de oprichting van de ERGEG geen krachtige impuls kunnen geven aan de ontwikkeling van de gemeenschappelijke standaarden en de gemeenschappelijke aanpak die vereist zijn om van grensoverschrijdende handel en de ontwikkeling van in eerste instantie regionale en vervolgens Europese energiemarkten een realiteit te maken.

Met het verstrijken van de tijd is de energiesector steeds ingewikkelder en gedetailleerder geworden en zijn er steeds meer financiële belangen bij betrokken. De huidige aanpak binnen de ERGEG, waarbij in de praktijk de instemming van 27 regelgevende instanties en meer dan 30 transmissiesysteembeheerders vereist is om tot een akkoord te komen, produceert onvoldoende resultaten. Deze aanpak heeft een aantal niet-bindende codes opgeleverd, alsook een inspanning om overeenstemming over een gemeenschappelijke aanpak te bereiken via "geleidelijke convergentie", maar heeft niet geleid tot daadwerkelijke beslissingen over de moeilijke problemen waarmee wij vandaag worden geconfronteerd.

Momenteel zijn er enorme verschillen in de technische regels die de elektriciteitsmaatschappijen moeten volgen (de zogenaamde "netwerkcodes") tussen de lidstaten en vaak zelfs binnen de lidstaten zelf. Er is op dit gebied dus een proces van convergentie en vervolgens harmonisatie nodig om de energiemarkten binnen de EU daadwerkelijk te integreren.

De Commissie heeft de diverse opties voor een dergelijke structuur tegen elkaar afgewogen. Onder meer werd nagegaan of de Commissie dergelijke taken zelf op zich kan nemen. De harmonisatie van deze kwesties, alsmede het boeken van vooruitgang inzake nieuwe infrastructuur, is geen typische opdracht van de Commissie, die nooit met een dergelijke taak belast is geworden. Bedoelde opdracht vereist dat de gespecialiseerde deskundigen van de 27 nationale regelgevende instanties (nri's) gaan samenwerken. Het zijn immers zij die ermee moeten instemmen hun nationale netwerkcodes aan te passen. In de praktijk kan alleen een instantie die geworteld is in de nationale regelgevende instanties alle nodige middelen van de nationale regelgevers kanaliseren die fundamenteel zijn om op dit gebied succes te boeken. Het agentschap kan via zijn raad van regelgevers - die is samengesteld uit vertegenwoordigers van de nri's - een beroep doen op het personeel van die nri's. De Commissie kan dit niet.

De Commissie heeft dan ook geconcludeerd dat de vereiste taken het best kunnen worden vervuld door een afzonderlijke entiteit, onafhankelijk van en buiten de Commissie. Zowel op de Europese Voorjaarsraad 2007 als in recente resoluties van het Europees Parlement is deze conclusie onderschreven[2].

De Commissie heeft zich dus gebogen over de mogelijkheid een krachtiger netwerk van nationale energieregelgevers tot stand te brengen. Het in 2004 bij Verordening (EG) nr. 1/2003 opgerichte netwerk van mededingingsautoriteiten kon daarbij dienstdoen als model. Dit zou echter de invoering vergen van autonome bevoegdheden van de Commissie in de energiesector (deze bevoegdheden gelden momenteel uitsluitend uit hoofde van de mededingingsregels). De bevoegdheden van de nri's moeten in ieder geval worden versterkt en geharmoniseerd.

Ook het Systeem van Europese centrale banken zou eventueel als model kunnen worden gehanteerd, maar daarvoor ontbreekt een rechtsgrond in het Verdrag. Een dergelijk model zou niet minder dan een wijziging van het Verdrag vergen.

De Commissie is daarom tot de conclusie gekomen dat, als al een onafhankelijk orgaan moet worden opgericht dat voorstellen kan indienen bij de Commissie die wezenlijke beslissingen inhouden en dat individuele regelgevingsbesluiten kan nemen die bindend zijn voor derden betreffende specifieke technische kwesties die aan dit orgaan worden toevertrouwd, de enige oplossing de oprichting van een Agentschap is.

De voornaamste voorgestelde taken vormen een aanvulling op Europees niveau van de regelgevingstaken van de nationale regelgevende instanties. De structuur moet een kader bieden voor de samenwerking van de nationale regelgevende instanties, moet regulerend toezicht op de samenwerking tussen de transmissiesysteembeheerders mogelijk maken en de mogelijkheid bieden afzonderlijke beslissingen te nemen betreffende infrastructuur die gelegen is op het grondgebied van meer dan één lidstaat. Deze analyse weerspiegelt de beginselen die door de Commissie in haar ontwerp van interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese regelgevende agentschappen[3] zijn ontwikkeld, met name wat de bevoegdheid betreft om in specifieke gevallen besluiten te nemen die juridisch bindend zijn voor derden.

De volgende voorstellen bouwen voort op de optie "ERGEG+" zoals vermeld in de mededeling van de Commissie van 10 januari 2007 "Een energiebeleid voor Europa"[4].

3.2. Voornaamste taken van het voorgestelde Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers

Het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers moet op Europees niveau de regelgevingstaken aanvullen die op nationaal niveau aan de regelgevende instanties zijn toevertrouwd.

- Een kader bieden voor de samenwerking tussen de nationale regelgevende instanties. Er wordt voorgesteld grensoverschrijdende situaties beter aan te pakken. Het agentschap moet procedures uitwerken voor de samenwerking tussen de nationale regelgevende instanties, met name op het gebied van de uitwisseling van informatie en de verdeling van bevoegdheden in gevallen waarbij meerdere lidstaten betrokken zijn. Dit kader zal ook de regionale samenwerking tussen regelgevende instanties bevorderen.

- Regulerend toezicht op de samenwerking tussen transmissiesysteembeheerders. Het agentschap heeft als taak de activiteiten van het Europese Netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit en het Europese Netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas te monitoren en te evalueren. Met name wordt het agentschap betrokken bij de vaststelling van hun prioriteiten via het werkprogramma van deze netwerken, bij de evaluatie van hun investeringsplan over 10 jaar en bij de opstelling van technische en marktcodes. De evaluatie van het investeringsplan doet geen afbreuk aan de in de nationale wetgeving omschreven aansprakelijkheid van de transmissiesysteembeheerders voor technisch falen. In verband met de technische en marktcodes krijgt het agentschap de bevoegdheid om de transmissiesysteembeheerders te verzoeken hun desbetreffende ontwerpen te wijzigen of specifieke kwesties nader aan te pakken. Het zal aanbevelingen kunnen doen aan de Commissie om deze codes wettelijk bindend te maken wanneer de vrijwillige toepassing ervan door de transmissiesysteembeheerders voor bepaalde kwesties niet blijkt te volstaan of niet geschikt blijkt te zijn. Het agentschap kan aanbevelen om het door de transmissiesysteembeheerders uitgewerkte ontwerp te wijzigen of kan de Commissie aanbevelen aanvullende bepalingen op te nemen. In de praktijk zal dit mechanisme de vorm aannemen van een opbouwende en continue dialoog tussen het agentschap, de transmissiesysteembeheerders en de Commissie. De betrokkenheid van het agentschap wordt cruciaal om te waarborgen dat de samenwerking van de transmissiesysteembeheerders verloopt op efficiënte en transparante wijze in het belang van de interne markt.

- Eigen beslissingsbevoegdheid. Teneinde specifieke grensoverschrijdende problemen aan te pakken, wordt voorgesteld het agentschap eigen beslissingsbevoegdheid toe te kennen over verzoeken om ontheffing of vrijstelling[5] voor infrastructuur van Europees belang en om te beslissen over het regelgevingsstelsel dat van toepassing is op infrastructuur die zich uitstrekt over het grondgebied van meer dan één lidstaat. Voorts kan het agentschap beslissingen over specifieke technische kwesties nemen wanneer deze zijn toegewezen aan het agentschap krachtens specifiek richtsnoeren die zijn vastgesteld op basis van de gas- en elektriciteitsrichtlijnen overeenkomstig de comitéprocedure.

- Algemene adviesverlening. Het agentschap krijgt in het algemeen de taak de Commissie van advies te dienen inzake marktreguleringskwesties en kan voorts niet-bindende richtsnoeren opstellen en publiceren om goede praktijken onder de nationale regelgevende instanties te verspreiden. Het moet ook de bevoegdheid krijgen om geval per geval, en in het licht van de door de Commissie in het kader van de communautaire wetgeving voor de gas- en elektriciteitssector vastgestelde tenuitvoerleggingsmaatregelen, de besluiten van de nationale regelgevende instanties te herzien die een directe weerslag hebben op de interne markt en daarover advies uit te brengen bij de Commissie.

Hoewel zijn bevoegdheden niet kunnen worden uitgebreid tot het nemen van normatieve besluiten (zoals de formele vaststelling van verplicht te hanteren richtsnoeren) zal het nieuwe agentschap in het algemeen een cruciale rol spelen bij de opstelling en tenuitvoerlegging van regels voor de Europese gas- en elektriciteitsmarkt.

3.3. Governance van het voorgestelde Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers

Het institutionele kader en de beginselen van governance van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers zijn gebaseerd op de standaardregels en -praktijken voor regelgevende agentschappen van de Gemeenschap.

Er moet echter worden gewaakt over de in dit geval vereiste onafhankelijkheid van de regelgevingsopdracht. Daarom wordt voorgesteld om, afgezien van de raad van bestuur die verantwoordelijk wordt voor alle administratieve en budgettaire aangelegenheden, ook een raad van regelgevers op te richten, die bevoegd wordt voor alle regelgevingskwesties en -besluiten. De directeur, die door de raad van bestuur wordt aangesteld na raadpleging van de raad van regelgevers, wordt verkozen uit een door de Commissie samengestelde shortlist. De directeur vertegenwoordigt het agentschap en is verantwoordelijk voor het dagelijks beheer. Voorts omvat de structuur van het agentschap een raad van beroep, die bevoegd is beroep tegen beslissingen van het agentschap te behandelen.

3.4. Financiële aspecten

Gezien zijn taken wordt voorgesteld dat het agentschap een beperkt personeelsbestand van 40 à 50 mensen krijgt. Deze evaluatie is gebaseerd op een uitgebreide analyse van de personeelsbehoeften van nationale regelgevende instanties en een zorgvuldige analyse van de minimale middelen die vereist zijn om de voorgestelde taken van het agentschap uit te voeren, met name in het licht van synergieën die mogelijk zijn door personeel van de nationale regelgevende instanties in te schakelen voor de werkzaamheden van het agentschap. Het voorgestelde personeelsbestand spoort met de behoeften van deze instanties[6]. Zoals hierboven reeds vermeld zou het vereiste personeelsbestand, mocht de Commissie de taken van het agentschap op zich nemen, veel hoger liggen.

De totale kosten van het agentschap worden geraamd op ongeveer 6-7 miljoen euro per jaar, waarvan 5 miljoen voor personeelsuitgaven (waarbij als gemiddelde per persoon de kosten van een ambtenaar van de Europese Commissie werden genomen, d.w.z. 0,117 miljoen euro per jaar, inclusief kosten van gebouwen en gerelateerde administratieve uitgaven), 1 miljoen euro huishoudelijke uitgaven (kosten van vergaderingen, studies, vertalingen, publicaties en public relations) en de rest voor kapitaaluitgaven (voor de aankoop van roerende goederen en dergelijke) en reiskosten.

De kosten van het agentschap worden gedekt door een subsidie van de Commissie. Het agentschap heeft beperkte inkomsten uit betalingen van derden voor bepaalde door het agentschap te nemen beslissingen.

3.5. De rol van de Commissie

Er zijn in beginsel drie verschillende maatregelen om de rol van de Commissie als hoedster van het Verdrag veilig te stellen.

In de eerste plaats is een beslissing van het agentschap alleen bindend voor specifieke technische situaties waarin expliciet wordt voorzien in de verordening en de richtlijnen, of per geval op basis van bindende richtsnoeren. Het agentschap heeft geen beslissingsbevoegdheid buiten dit kader.

In de tweede plaats, als de samenwerking van transmissiesysteembeheerders (tsb's) of besluiten van de nri's een effectieve mededinging en de efficiënte functionering van de interne markt in het gedrang brengen, brengt het agentschap de Commissie daarvan onmiddellijk op de hoogte zodat die de nodige maatregelen kan treffen om de situatie te remediëren. De Commissie kan ook uit eigen beweging besluiten op te treden.

In de derde plaats, wanneer een essentiële beslissing moet worden genomen, kan dit uitsluitend gebeuren door de Commissie. In dergelijke gevallen heeft het agentschap uitsluitend een voorbereidende en adviserende rol. De juridische dienst van de Commissie heeft de tekst in dit verband zorgvuldig bestudeerd om zich ervan te vergewissen dat het agentschap geen beslissingsbevoegdheid heeft met betrekking tot essentiële besluiten.

Voorts is het aan de Commissie om de rol van het agentschap via bindende richtsnoeren te specificeren en vast te leggen.

4. EFFICIËNTE SAMENWERKING TUSSEN DE TRANSMISSIESYSTEEMBEHEERDERS

4.1. Om de elektriciteits- en gasmarkten beter te integreren is een nauwe samenwerking tussen de transmissiesysteembeheerders noodzakelijk

Om marktintegratie mogelijk te maken, moet er ook een effectieve samenwerking komen tussen de transmissiesysteembeheerders, gepaard aan een duidelijk en stabiel regelgevingskader, inclusief coördinatie van de regelgeving. De regels voor toegang tot en beheer van de netwerken moeten compatibel zijn, er moet een effectieve uitwisseling van informatie tussen de beheerders van transmissiesystemen komen en de investeringen die vereist zijn om de interconnectiecapaciteit te vergroten moeten nauw worden gecoördineerd. De transmissiesysteembeheerders in de gas- en elektriciteitssector werken nu al op vrijwillige basis samen in structuren zoals de ETSO (Europese Organisatie van transmissiesysteembeheerders ) en GTE (Gas Transmission Europe). Zij werken samen rond operationele kwesties op regionaal niveau en nemen deel aan technische instanties zoals de UCTE (Unie voor de coördinatie van de transmissie van elektriciteit) en EASEE-Gas. Deze meerlagige samenwerkingsinitiatieven hebben een belangrijke bijdrage geleverd tot de totstandbrenging van de interne markt en hebben de netwerkefficiëntie en -veiligheid verhoogd.

Deze samenwerking op vrijwillige basis heeft echter ook haar beperkingen, bijvoorbeeld in de vorm van netwerkincidenten en elektriciteitspannes ten gevolge van slechte coördinatie van het netwerkbeheer of ontbrekende schakels in de elektriciteits- en gasnetten, alsook moeilijkheden om gemeenschappelijke technische normen voor te stellen en daarover overeenstemming te bereiken. Daarom is voorgesteld de transmissiesysteembeheerders te belasten met de taak hun samenwerking op een aantal cruciale gebieden te versterken, met de focus op de volgende vier centrale kwesties.

- De ontwikkeling van technische en marktcodes . Voor de integratie van de elektriciteits- en gasmarkten is een coherent geheel van technische en marktcodes vereist. Vandaag bestaan dergelijke codes op nationale grondslag of door aanbevelingen van organisaties zoals de UCTE en EASEE-Gas. Het probleem met de huidige situatie is drievoudig: in de eerste plaats dekken de regels niet alle gebieden die moeten worden geharmoniseerd om een geïntegreerde markt te doen functioneren, in de tweede plaats zijn de nationale codes onderling vaak niet compatibel en in de derde plaats zijn ze vaak niet juridisch bindend en is de handhaving ervan vaak niet gewaarborgd. Voorbeelden van dergelijke codes zijn de operationele UCTE-handleiding voor de veiligheid en betrouwbaarheid van de elektriciteitstransmissienetten en de aanbevelingen van EASEE-Gas inzake de gaskwaliteit.

- Het voorstel handhaaft het proces op vrijwillige basis van de tsb's als een pragmatische manier om gedetailleerde technische en marktcodes uit te werken. Deze codes zijn technisch vaak ingewikkeld en er moet een efficiënte methode zijn om ze waar nodig aan te passen. Het voorstel voegt een sterk regelgevend toezicht toe op de inhoud en de monitoring van de naleving en handhaving van deze regels door de nationale regelgevende instanties, het agentschap en/of de Commissie, naar gelang van de aard van het voorstel. Wanneer de tsb's er niet in slagen overeenstemming te bereiken over vereiste technische en marktcodes of wanneer zij die codes niet toepassen, kunnen bedoelde regels op voorstel van de Commissie worden voorgesteld en vastgesteld via de comitéprocedure.

- Alles samen worden in het voorliggende voorstel elf hoofdgebieden voor samenwerking afgebakend. In de jaarlijkse werkprogramma's van het Europese netwerk van transmissiesysteembeheerders (zie onder punt 1.2), opgesteld na raadpleging van alle betrokken partijen en het nieuwe agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers (zie hoofdstuk 3), zullen prioriteiten zijn opgenomen en zal nader worden gespecificeerd welke technische en marktcodes vereist zijn. De samenwerking tussen de transmissiesysteembeheerders moet ook de monitoring van de toepassing van bedoelde technische en marktcodes omvatten.

- Onderzoek en innovatie van gemeenschappelijk belang . De samenwerking tussen de tsb's moet uitmonden in een kader voor de selectie, de financiering en het beheer van de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten die vereist zijn voor een gezonde technologische ontwikkeling en evolutie van de Europese elektriciteits- en gasnetten, in het bijzonder ter bevordering van de continuïteit van de voorziening, energie-efficiëntie en marktpenetratie van technologieën met lage koolstofinhoud.

- Coördinatie van het netwerkbeheer . De samenwerking tussen de tsb's behelst het gemeenschappelijk beheer van de netwerken overeenkomstig overeengekomen technische en marktcodes. Die samenwerking omvat ook de uitwisseling van netwerkbeheersinformatie en de gecoördineerde publicatie van informatie over netwerktoegang, bijvoorbeeld via een gemeenschappelijk transparantieplatform.

- Investeringsplanning . Teneinde voldoende transmissiecapaciteit ten behoeve van de marktvraag beschikbaar te stellen en de nationale markten te integreren, hebben de netwerkbeheerders behoefte aan een gecoördineerde planning van de systeemontwikkeling op lange termijn zodat zij hun netwerkinvesteringen daarop kunnen afstemmen en de ontwikkeling van de transmissienetcapaciteit kunnen monitoren. Daartoe kunnen de samenwerkingsorganen van de transmissienetbeheerders netwerkontwikkelingsplannen bekend maken, inclusief de modellering van het geïntegreerde netwerk, de opstelling van mogelijke scenario's en de beoordeling van de robuustheid en levercapaciteit van het geïntegreerde systeem. Deze ontwikkelingsplannen moeten voldoende ver vooruit kijken (bv. ten minste 10 jaar) zodat een vroegtijdige detectie van investeringslacunes, meer bepaald wat de grensoverschrijdende capaciteit betreft, mogelijk wordt.

Met name wat de twee laatste taken betreft, dragen regionale initiatieven in positieve zin bij tot marktintegratie. De samenwerking van de transmissiesysteembeheerders op Europees niveau moet dan ook op regionaal niveau worden aangevuld ten einde reële praktische vooruitgang, een optimaal beheer van het netwerk[7] en adequate investeringsplanning en -uitvoering te waarborgen. Het regelgevingskader moet regionale initiatieven bevorderen, coördineren en ontwikkelen tussen de transmissiesysteembeheerders en de regelgevende instanties, zoals gebeurt binnen de regionale initiatieven onder de leiding van de Europese Groep van regelgevende instanties voor elektriciteit en gas (ERGEG) en initiatieven zoals het Pentalateraal forum en zoals wordt aanbevolen door de voornaamste belanghebbenden, bijvoorbeeld Eurelectric.

4.2. Een beter samenwerkingsmechanisme

Het is belangrijk dat de samenwerkingsstructuren van de transmissienetbeheerders volledig erkend worden op Europees niveau zodat zij over het gezag beschikken om bovengenoemde taken uit te voeren. Te dien einde zal de Commissie formeel de Europese Netwerken (gas en elektriciteit) van transmissienetbeheerders aanwijzen die belast worden met de uitvoering van deze taken.

Als ondernemingen moeten de transmissiesysteembeheerders transparant zijn over de wijze waarop zij samenwerken. Zij kunnen wellicht voortbouwen op bestaande structuren zoals GTE en ETSO. Het is echter waarschijnlijk dat de taken en verantwoordelijkheden die op de transmissiesysteembeheerders berusten, een centrale en permanente samenwerkingsstructuur vergen, zowel wat organisatie als wat de praktische tools voor de planning en het beheer van de netwerken betreft.

Het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers zal monitoren hoe het Europese Netwerk van transmissienetbeheerders de hem toevertrouwde taken uitvoert.

Van bij het begin van hun werkzaamheden in verband met een specifiek thema zullen de transmissiesysteembeheerders als standaardpraktijk de betrokkenheid en voorafgaande raadpleging van de relevante belanghebbenden, zoals producenten, leveringsbedrijven, afnemers en distributiebedrijven toepassen. In dat verband zullen de betrokken partijen worden geraadpleegd over alle door de transmissiesysteembeheerders ingediende ontwerpen voor technische en marktcodes en zullen zij opmerkingen kunnen maken over het jaarlijkse werkprogramma van de transmissiesysteembeheerders. Het agentschap zal erop toezien dat deze raadpleging naar behoren gebeurt.

5. EEN BETERE FUNCTIONERING VAN DE MARKT

Het huidige voorstel heeft ook ten doel het wetgevingskader te verbeteren teneinde toegang van derden tot cruciale infrastructuur te vergemakkelijken, de transparantie van de markt te verbeteren, de marktintegratie te versterken en de toegang tot de afnemers op kleinhandelsniveau te verbeteren.

5.1. Ontheffingsregeling

De huidige regelgeving voorziet in de mogelijkheid om bij grote nieuwe infrastructuurprojecten gedurende een vooraf bepaalde periode te kunnen afwijken van de toegangsregels voor derde partijen. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt bij verscheidene momenteel voltooide of lopende infrastructuurprojecten, zoals nieuwe gas- of elektriciteitsinterconnectoren en LNG-terminals. Dit heeft dergelijke projecten, die de continuïteit van de energievoorziening en de mededinging vergroten, vooruit geholpen. Tezelfdertijd blijkt uit de opgedane ervaring dat projectontwikkelaars, regelgevende instanties en de Commissie baat zouden vinden bij een meer gestroomlijnde procedure om dergelijke ontheffingen aan te vragen en toe te staan en bij een verduidelijking van bepaalde ontheffingsvoorwaarden. De Commissie stelt daarom voor richtsnoeren uit te werken om aanvragers en regelgevende instanties bij te staan bij het voldoen aan bedoelde ontheffingsvoorwaarden. Om te waarborgen dat infrastructuur waarvoor ontheffing is verleend desondanks optimaal door de markt kan worden benut, wordt een veralgemening voorgesteld van de minimumeisen voor de toewijzing van capaciteit en het congestiebeheer bij nieuwe infrastructuur, wat tot nog toe geval per geval gebeurde.

5.2. Transparantie

De internationale elektriciteits- en gasmarkten lijden onder een gebrek aan liquiditeit en transparantie, wat de efficiënte toewijzing van middelen belemmert, de mogelijkheden om risico's in te dekken beperkt en de toetreding van nieuwkomers op de markt verhindert. Het vertrouwen in de markt, de liquiditeit ervan en het aantal marktdeelnemers moeten verbeteren door de informatie die beschikbaar is op de markt uit te breiden.

De huidige transparantie-eisen behelzen vooral de bekendmaking van de capaciteit van het netwerk, zodat marktspelers kunnen zien of er capaciteit beschikbaar is en kunnen nagaan of alle beschikbare capaciteit wordt aangeboden op de markt. De marktdeelnemers moeten echter ook gelijke toegang krijgen tot informatie die bepalend is voor de beweging van de groothandelstarieven.

Op dit moment hebben de gevestigde marktspelers, die verantwoordelijk zijn voor de grootste elektriciteits- en gasstromen en die het grootste deel van de activa in de markt bezitten, meer en betere toegang tot informatie dan nieuwkomers op de markt. In de elektriciteitssector bestaan er transparantie-eisen met betrekking tot de opwekking van elektriciteit, in de vorm van aan de verordening gehechte richtsnoeren, maar zij volstaan niet, terwijl dergelijke eisen in de gassector momenteel geheel ontbreken. Er wordt daarom voorgesteld de transparantie-eisen uit te breiden tot de gasvoorraden, prognoses inzake vraag en aanbod, kosten voor de balancering van het netwerk en handel.

De correcte en volledige toepassing van deze eisen moet door de nationale regelgevende instanties worden gecontroleerd en bijgevolg moet hun bevoegdheid dienovereenkomstig worden uitgebreid.

Het probleem van de transparantie met betrekking tot derivaten en financiële instrumenten, waarvoor in dit voorstel geen aanvullende eisen voor de betrokken ondernemingen zijn opgenomen, zal door de Commissie grondig worden bestudeerd en zij zal daarover medio 2008 tot conclusies komen. Het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers en het Comité van Europese effectenregelgevers worden verzocht samen te werken voor verder onderzoek en latere adviesverlening over de vraag of transacties in gas- en elektriciteitsleveringscontracten en gas- en elektriciteitsderivaten moeten worden onderworpen aan transparantie-eisen vóór en/of na de transactie.

5.3. Toegang tot opslag

In de bestaande richtlijn betreffende de interne gasmarkt is vastgelegd dat wanneer opslag een essentiële faciliteit is om levering aan klanten mogelijk te maken, de beheerders van opslagcapaciteit toegang moeten verlenen aan derden. De lidstaten hebben de keuze om deze toegang tot hun opslagfaciliteiten te waarborgen, hetzij onder door de regelgever omschreven voorwaarden, hetzij via de verplichting voor de exploitanten van bedoelde faciliteiten om met hun klanten over toegangsvoorwaarden te onderhandelen. De eisen van de richtlijn zijn beperkt tot algemene beginselen en geven de lidstaten heel wat vrijheid voor de vaststelling van hun regelgevingskader. Deze beginselen hebben meer consistentie gekregen door het forum van Madrid, waarop alle betrokken partijen het eens zijn geraakt over vrijwillig toe te passen richtsnoeren 'Guidelines for Good Third Party Access Practice for Storage System Operators' (GGPSSO). De ERGEG heeft geconcludeerd dat het doorgaans pover gesteld is met de tenuitvoerlegging van deze richtsnoeren.

Om te waarborgen dat zij daadwerkelijk worden toegepast, stelt de Commissie vier maatregelen voor:

- maak de beginselen in de richtsnoeren juridisch bindend en maak de gedetailleerde tenuitvoerlegging ervan mogelijk via de comitéprocedure;

- zorg voor een juridische en functionele ontvlechting van opslagsysteembeheerders die onderdeel zijn van leveringsbedrijven;

- versterk de bevoegdheden van de nationale regelgevende instanties om toe te zien op de toegang tot opslaginstallaties;

- eis duidelijkheid over het regelgevingsstelsel dat geldt voor dergelijke installaties.

Om de richtsnoeren juridisch bindend te maken, zal de verordening worden uitgebreid met bepalingen die vastleggen hoe de beheerders van opslagsystemen toegangsdiensten aan derden moeten aanbieden, hoe zij capaciteit moeten toewijzen en hoe zij congestie moeten beheren. Ook zullen de transparantie-eisen nader worden omschreven en zullen maatregelen worden voorgesteld om de ontwikkeling van een secundaire markt in opslagcapaciteit mogelijk te maken. Deze regels moeten waarborgen dat alle opslagcapaciteit die beschikbaar is voor derden op niet-discriminerende en transparante wijze op de markt wordt gebracht en dat het hamsteren van capaciteit sterk wordt ontmoedigd. Bedoelde regels moeten ook de samenhang waarborgen met de voorgestelde minimumeisen inzake infrastructuur waarvoor ontheffing wordt verleend.

De eis van juridische en functionele ontvlechting van opslagsysteembeheerders zal de effectieve toegang tot opslag sterk verbeteren. Het feit dat leveranciers, wanneer zij opslagcapaciteit nodig hebben, momenteel contact moeten opnemen met hun concurrenten om dergelijke capaciteit in te huren, is niet bevorderlijk voor het marktvertrouwen en vormt een grote hindernis voor nieuwkomers op de markt. De eis van ontvlechting van de opslagbeheerders zal deze situatie verbeteren en zal het voor concurrenten en regelgevers mogelijk maken erop toe te zien dat alle beschikbare opslagcapaciteit wordt aangeboden op de markt.

De Commissie stelt voor om een einde te maken aan de momenteel bestaande dubbelzinnigheid betreffende het deel van de opslagcapaciteit dat op de markt moet worden gebracht, meer bepaald door de eis in te voeren dat alle lidstaten criteria vaststellen en bekendmaken over wanneer en hoe derdentoegang krijgen tot opslagcapaciteit. De regelgever heeft vervolgens de taak erop toe te zien dat deze criteria op correcte wijze voor alle opslagcapaciteit worden toegepast.

5.4. Toegang tot LNG-terminals

De rol van LNG in de gasvoorziening van de Europese Unie wordt steeds belangrijker en er zijn heel wat investeringen in LNG-terminals gepland of aan de gang. Om die reden zijn transparante regels voor toegang tot LNG-terminals vereist. De regelgevers hebben die behoefte onderkend en de ERGEG heeft richtsnoeren opgesteld met het doel te komen tot een gemeenschappelijke aanpak voor de toegang van derden tot LNG-terminals.

Hoewel bij vele onlangs gebouwde LNG-terminals gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 22 van de richtlijn ontheffing inzake toegang voor derden te verkrijgen, zijn er ook LNG-terminals waarvoor de regels voor derdentoegang gelden. Aangezien de huidige richtlijn slechts de algemene eis oplegt om derdentoegang te reguleren, laat dit ruimte voor onderling afwijkende interpretaties tussen de lidstaten. Bovendien is een ontheffing overeenkomstig artikel 22 altijd tijdelijk en na het verstrijken van de vastgestelde ontheffingstermijn valt de LNG-terminal onder de normale regelgeving. De Commissie stelt daarom voor duidelijker omschreven regels voor derdentoegang tot LNG-terminals op te leggen. Om de richtsnoeren juridisch bindend te maken, zal de desbetreffende verordening worden uitgebreid met bepalingen over de wijze waarop beheerders van LNG-terminals derdentoegang moeten aanbieden, hoe zij capaciteit moeten toewijzen en hoe zij congestie moeten beheren. Ook worden de transparantie-eisen nader omschreven en worden maatregelen voorgesteld om de ontwikkeling van een secundaire markt in terminalcapaciteit mogelijk te maken. Deze regels moeten ook de samenhang waarborgen met de voorgestelde minimumeisen inzake infrastructuur waarvoor ontheffing wordt verleend.

5.5. Langetermijnleveringscontracten

Stroomafwaartse bilaterale leveringscontracten bieden voor energie-intensieve bedrijven het voordeel van meer voorspelbaarheid van hun energietarieven. Dergelijke overeenkomsten brengen echter het risico mee dat de stroomafwaartse markt wordt afgesloten doordat zij de afnemers verhinderen van leverancier te veranderen waardoor de mededinging wordt beperkt. Om de onzekerheid op de markt te verminderen zal de Commissie in de komende maanden richtsnoeren uitwerken in een passende vorm over de overeenstemming van stroomafwaartse bilaterale langetermijnleveringscontracten met het mededingingsrecht van de EG.

5.6. Een kader voor de geleidelijke totstandbrenging van een Europese kleinhandelsmarkt

Noch in de elektriciteits-, noch in de gasmarkt kan men al spreken van een Europese kleinhandelsmarkt (huishoudens en kleinbedrijf), aangezien de afnemers, in de veronderstelling dat ze al een keuze hebben, nog steeds verplicht zijn bij een in hetzelfde land gevestigde leverancier aan te kloppen. Het uiteindelijke doel van de interne markt voor gas en elektriciteit is een echte Europese markt voor eindafnemers tot stand brengen; die interne eindafnemersmarkt is noodzakelijk om tot echte mededinging en maximale efficiëntie te komen. Een liberalisering van de kleinhandelsmarkt is noodzakelijk om te waarborgen dat alle EU-burgers kunnen profiteren van concurrentie. Wanneer de concurrentie alleen speelt voor grote afnemers, bestaat het risico dat de Europese huishoudens uiteindelijk hun industrie gaan subsidiëren en kunnen investeringssignalen voor nieuwe productie en levering verstoord worden. Vanaf 1 juli 2007 zijn alle kleinhandelsmarkten in de EU opengesteld voor concurrentie, maar in de praktijk zijn vele consumenten gebonden aan hun historische leverancier doordat is nagelaten om zoals vereist een geschikt regelgevingskader in te voeren. Een Europese kleinhandelsmarkt kan slechts geleidelijk tot stand worden gebracht. Om dit proces te stimuleren overweegt de Commissie een kleinhandelsforum op te zetten naar analogie met de positieve ervaring van de forums van Firenze en Madrid. Dit forum moet een focus op specifieke kleinhandelskwesties mogelijk maken en kan dienen als platform voor alle belanghebbenden om de totstandbrenging van een EU-brede kleinhandelsmarkt te bevorderen. Het forum moet richtinggevend zijn voor de voorgestelde verplichtingen voor lidstaten en regelgevende instanties om duidelijke regels op te stellen betreffende concurrentie op de kleinhandelsmarkt met het oog op een geleidelijke harmonisatie van de marktregels die grensoverschrijdende kleinhandelsmarkten mogelijk moeten maken.

Goed functionerende kleinhandelsmarkten zullen ook een heel belangrijke rol spelen om het bewustzijn inzake het energieverbruik en de kosten van energie te verhogen. Dat is belangrijk omdat alle maatregelen om het CO2-verbruik terug te dringen een bijdrage van de huishoudens vergen. Concurrentie met betrekking tot de levering aan huishoudens zal het energiebewustzijn daarvan verhogen. De huidige praktijk, waarbij de afnemers pas na een jaar een eindafrekening van hun energieverbruik ontvangen, is echter niet bevorderlijk voor een dergelijk bewustzijn, noch maakt dit het voor de leveranciers mogelijk om concurrerende diensten te ontwikkelen die kunnen worden toegesneden op huishoudens met specifieke behoeften. De leveranciers moeten derhalve meer informatie verstrekken zodat de klanten frequenter worden geïnformeerd over hun energieverbruik en de desbetreffende kosten.

Het is duidelijk dat keuzevrijheid voor de consument gepaard moet gaan met sterke garanties betreffende de rechten van de klant. Kwetsbare afnemers krijgen al een hoge mate van bescherming overeenkomstig de huidige richtlijn, die waarborgt dat zij toegang hebben tot de energie welke vereist is om een normaal leven te leiden. Deze maatregelen zijn in bepaalde landen echter niet correct toegepast en om het kader te verduidelijken stelt de Commissie voor om bindende richtsnoeren vast te stellen. Daarnaast stelt de Commissie voor de rechten van alle klanten te versterken, onder meer door hen het recht te geven op om het even welk ogenblik van leverancier te veranderen en door van de energiebedrijven te eisen dat de rekeningen worden vereffend binnen een maand nadat de klant van leverancier is veranderd.

De Commissie is ten slotte tot de conclusie gekomen dat voor distributiesysteembeheerders (dsb's) de huidige regels voor juridische en functionele ontvlechting volstaan. Zij stelt dan ook niet voor de in hoofdstuk 4 omschreven eigendomsontvlechtingsregels uit te breiden tot dsb's.

6. SAMENWERKING OM DE ZEKERHEID VAN DE VOORZIENING TE VERSTERKEN

6.1. Monitoring van de zekerheid van de voorziening door de transmissiesysteembeheerders

Het is belangrijk dat ervoor wordt gezorgd dat de elektriciteits- en gassystemen steeds aan de vraag kunnen voldoen, zelfs op piekmomenten. In het geval van elektriciteit is dit uitsluitend mogelijk wanneer er voldoende opwekkingscapaciteit is (adequaatheid van de opwekking) en wanneer het netwerk in staat is de energie van de plaats van opwekking naar de afnemer te voeren (adequaatheid van het netwerk). In het geval van gas moet er voldoende invoer- en opslagcapaciteit aanwezig zijn.

Krachtens Richtlijn 2005/89/EG moeten de nationale regelgevende instanties, daarin bijgestaan door de transmissiesysteembeheerders, jaarlijks bij de Commissie verslag uitbrengen over de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening. Overeenkomstig Richtlijn 2004/67/EG moeten de lidstaten verslag uitbrengen over de zekerheid van de gasvoorziening en over het regelgevingskader met het oog op verhoging van de investeringen in infrastructuur. Krachtens de voorgestelde wijziging van Verordening (EG) nr. 1228/2003 en (EG) nr. 1775/2005 komt de taak van prognoses betreffende de adequaatheid van de systemen voor elke zomer en winter alsmede voor de lange termijn voortaan toe aan het Netwerk van Europese transmissiesysteembeheerders. Een Europees overzicht is noodzakelijk om de mogelijkheden van in- en uitvoer van elektriciteit en gas in piekperiodes mee in te schatten. Gezien de grensoverschrijdende elektriciteits- en gasstromen binnen de interne markt moet dit overzicht op Europees niveau worden georganiseerd.

6.2. Samenwerking tussen de lidstaten

De EU-regelgeving beschikt over twee instrumenten om het probleem van de zekerheid van de aardgasvoorziening aan te pakken. In de eerste plaats werden bij Richtlijn 2003/55/EG algemene monitoringsverplichtingen ingevoerd voor de lidstaten. In de tweede plaats heeft Richtlijn 2004/67/EG meer specifiek betrekking op maatregelen tot veiligstelling van de aardgasvoorziening. Bij deze laatste richtlijn wordt de "Groep coördinatie gas" opgericht en wordt een "communautair mechanisme" in het geval van verstoring van de voorziening in het leven geroepen.

Deze instrumenten zorgen voor een coördinatieplatform. Er worden geen kwantitatieve doelstellingen met betrekking tot de zekerheid van de voorziening gedefinieerd en er geldt geen verplichting wat de aanleg van gasvoorraden betreft. Ten slotte wordt er niet voorzien in een kader voor regionale samenwerking in gevallen van ernstige verstoring van de voorziening.

Richtlijn 2004/67/EG is pas recentelijk door de lidstaten in nationale wetgeving omgezet. Overeenkomstig artikel 10 brengt de Commissie uiterlijk op 19 mei 2008 verslag uit over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en in het bijzonder over de doeltreffendheid van de gebruikte instrumenten en kan zij in voorkomend geval verdere maatregelen voorstellen om de voorzieningszekerheid te versterken. In dit verslag zullen met name maatregelen ter veiligstelling van de voorzieningszekerheid met betrekking tot aardgasvoorraden worden besproken.

Om die reden wordt Richtlijn 2004/67/EG in het huidige stadium niet gewijzigd en worden slechts twee kwesties aangepakt:

- Verhoogde transparantieverplichting op het gebied van het niveau van de commerciële voorraden . Iedere beheerder van opslaginstallaties wordt verplicht om dagelijks de nuttige inhoud (het "working gas") van zijn installaties te publiceren. Een dergelijke verplichting zal het wederzijds vertrouwen voor regionale en bilaterale bijstand in gevallen van ernstige verstoring van de voorziening aanzienlijk versterken.

- Solidariteit . Er wordt voorgesteld dat de lidstaten samenwerken om de regionale en bilaterale solidariteit te bevorderen. Deze samenwerking is bedoeld voor situaties die dreigen uit te monden in een ernstige verstoring van de gasvoorziening voor een bepaalde lidstaat. Voorbeelden van deze coördinatie zijn de stroomlijning van nationale maatregelen om noodsituaties aan te pakken en de uitwerking van praktische voorwaarden voor wederzijdse bijstand. De Commissie zal zo nodig richtsnoeren voor regionale samenwerking en solidariteit opstellen.

2007/0197 (COD)

Voorstel voor een

VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers

(Voor de EER relevante tekst) |

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie[8],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[9],

Gezien het advies van het Comité van de Regio's[10],

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In de mededeling van de Commissie van 10 januari 2007 met als titel "Een energiebeleid voor Europa"[11] is benadrukt hoe belangrijk het is de interne gas- en elektriciteitsmarkt te voltooien. Daarbij is een verbetering van het regelgevingskader op Gemeenschapsniveau als een van de belangrijkste voorwaarden aangemerkt.

(2) Bij Besluit 2003/796/EG van de Commissie[12] is een onafhankelijke adviesgroep op het gebied van elektriciteit en gas, de "Europese Groep van regelgevende instanties voor elektriciteit en gas" (ERGEG) opgericht om de raadpleging, coördinatie en samenwerking tussen de regelgevende organen in de lidstaten en tussen deze organen en de Commissie te vergemakkelijken en daarmee de interne markt voor elektriciteit en aardgas te consolideren. Deze groep bestaat uit vertegenwoordigers van de nationale regelgevende instanties die zijn ingesteld krachtens Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van Richtlijn 96/92/EG[13] en krachtens Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van Richtlijn en houdende intrekking van Richtlijn 98/30/EG[14].

(3) De werkzaamheden die de ERGEG sinds haar oprichting heeft verricht, hebben een positieve bijdrage geleverd aan de interne markt voor elektriciteit en gas. Binnen de sector wordt echter algemeen onderkend dat de vrijwillige samenwerking tussen de nationale regelgevende instanties thans zou moeten plaatsvinden binnen een communautaire structuur met duidelijke bevoegdheden, waaronder de bevoegdheid om in een aantal specifieke gevallen zelf een beslissing te nemen. Dit is ook voorgesteld door de ERGEG.

(4) De Europese Raad heeft de Commissie op zijn voorjaarsbijeenkomst in 2007 verzocht om met een voorstel te komen voor maatregelen om een onafhankelijk samenwerkingsmechanisme voor de nationale regelgevende instanties op te zetten.

(5) Uit de effectbeoordeling van de voor een centraal orgaan benodigde middelen is gebleken dat een onafhankelijk centraal orgaan op termijn een aantal voordelen biedt ten opzichte van andere opties. Daarom moet een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers (hierna "het agentschap" te noemen) worden opgericht.

(6) Het agentschap moet ervoor zorgen dat de regelgevingstaken die de nationale regelgevende instanties overeenkomstig de Richtlijnen 2003/54/EG en 2003/55/EG op nationaal niveau verrichten, op Gemeenschapsniveau worden gecoördineerd en zo nodig aangevuld. Daartoe moeten zijn onafhankelijkheid, technische en regelgevende capaciteiten, transparantie en efficiëntie gewaarborgd zijn.

(7) Het agentschap moet toezicht uitoefenen op de samenwerking tussen transmissiesysteembeheerders in de elektriciteits- en de gassector en op de uitvoering van de taken van het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit en het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas. De betrokkenheid van het agentschap is van essentieel belang om te zorgen voor een efficiënte en transparante samenwerking tussen transmissiesysteembeheerders. Dit is in het belang van de interne markt.

(8) Er moet een kader worden geboden waarbinnen nationale regelgevende instanties kunnen samenwerken. Dit kader moet een uniforme toepassing van de internemarktwetgeving voor elektriciteit en gas in de gehele Gemeenschap bevorderen. In bepaalde zaken waarbij meer dan een lidstaat is betrokken, moet het agentschap de bevoegdheid krijgen om zelf een beslissing te nemen. Deze bevoegdheid moet gelden voor de regelgeving met betrekking tot de infrastructuur tussen ten minste twee lidstaten, voor vrijstellingen van de internemarktregelgeving voor nieuwe elektriciteitsinterconnectoren en voor nieuwe gasinfrastructuur in meer dan een lidstaat.

(9) Aangezien het agentschap overzicht heeft over de nationale regelgevende instanties, moet het de taak krijgen om de Commissie advies uit te brengen over marktreglementeringskwesties. Ook moet het de Commissie informeren wanneer het van oordeel is dat de samenwerking tussen transmissiesysteembeheerders niet het gewenste resultaat oplevert of wanneer een nationale regelgevende instantie een beslissing heeft genomen die strijdig is met bepaalde richtsnoeren, en weigert het advies van het agentschap op te volgen.

(10) Het agentschap moet ook niet-bindende richtsnoeren kunnen uitvaardigen om de uitwisseling van deugdelijke werkmethoden tussen regelgevende instanties en marktpartijen te bevorderen.

(11) De structuur van het agentschap moet zijn afgestemd op de specifieke vereisten van de reglementering op energiegebied. Met name moet ten volle rekening worden gehouden met de specifieke rol van de nationale regelgevende instanties en met hun onafhankelijkheid.

(12) De raad van bestuur moet de bevoegdheid krijgen om de begroting vast te stellen, op de uitvoering daarvan toe te zien, een huishoudelijk reglement op te stellen, een financiële regeling vast te stellen en de directeur te benoemen.

(13) Het agentschap moet de benodigde bevoegdheden krijgen om de regelgevingstaken efficiënt en vooral onafhankelijk te vervullen. De onafhankelijkheid van regelgevende instanties is niet alleen een basisbeginsel van goed bestuur, maar ook van essentieel belang voor het marktvertrouwen. Overeenkomstig de situatie op nationaal niveau moet de raad van regelgevers daarom onafhankelijk van de belangen van de markt opereren en mag hij geen instructies van een regering of andere publieke of particuliere entiteit verlangen of aanvaarden.

(14) In gevallen waarin het agentschap beslissingsbevoegdheden heeft, moeten de betrokken partijen om redenen van proceseconomie het recht krijgen om in beroep te gaan bij de raad van beroep, die deel moet uitmaken van het agentschap, maar wel onafhankelijk moet zijn van de bestuurlijke en regelgevende structuur.

(15) Het agentschap moet voornamelijk worden gefinancierd uit de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, uit vergoedingen en uit vrijwillige bijdragen. Met name moeten de middelen die de regelgevende instanties momenteel beschikbaar stellen voor hun samenwerking op Europees niveau, beschikbaar blijven voor het agentschap. Voor subsidies uit de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen moet de communautaire begrotingsprocedure blijven gelden. Bovendien moet de Rekenkamer de rekeningen onderzoeken overeenkomstig artikel 91 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 23 december 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen[15].

(16) Het agentschap moet over hooggekwalificeerd personeel beschikken. Met name moet het kunnen profiteren van de bekwaamheid en ervaring van het door de nationale regelgevende instanties, de Commissie en de lidstaten gedetacheerde personeel. Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen en de regels die de instellingen van de Europese Gemeenschap gezamenlijk hebben vastgesteld met het oog op de toepassing van dit statuut en deze regeling, moeten van toepassing zijn op het personeel van het agentschap. De raad van bestuur moet in overleg met de Commissie de nodige uitvoeringsmaatregelen vaststellen.

(17) Het agentschap moet de algemene voorschriften voor de toegang van het publiek tot documenten van communautaire organen toepassen. De raad van bestuur moet de praktische maatregelen tot bescherming van commercieel gevoelige en persoonsgegevens vaststellen.

(18) Overeenkomstig de relevante door de Gemeenschap te sluiten overeenkomsten moet deelname van derde landen aan de werkzaamheden van het agentschap mogelijk zijn.

(19) Aangezien de doelstellingen van het overwogen optreden, namelijk samenwerking tussen regelgevende instanties op Gemeenschapsniveau, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, dat ook in dat artikel is neergelegd, gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Oprichting

Er wordt een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers, hierna "het agentschap" te noemen, opgericht om de regelgevingstaken die de in artikel 22 bis van Richtlijn 2003/54/EG en artikel 24 bis van Richtlijn 2003/55/EG bedoelde regelgevende instanties op nationaal niveau vervullen, op Gemeenschapsniveau aan te vullen en hun activiteiten zo nodig te coördineren.

Artikel 2

Rechtsvorm en zetel

1. Het agentschap is een communautair orgaan met rechtspersoonlijkheid.

2. In elke lidstaat heeft het de ruimste handelingsbevoegdheid welke door de nationale wetgeving aan rechtspersonen wordt toegekend. Het kan met name roerende en onroerende goederen verwerven of vervreemden en in rechte optreden.

3. Het wordt vertegenwoordigd door zijn directeur.

4. Het is gevestigd in [plaats]. Totdat de locatie gereed is, biedt de Commissie het agentschap een onderkomen.

Artikel 3

Samenstelling

Het agentschap bestaat uit:

1. een raad van bestuur, die de in artikel 10 vermelde taken vervult;

2. een raad van regelgevers, die de in artikel 12 vermelde taken vervult;

3. een directeur, die de in artikel 14 vermelde taken vervult;

4. een raad van beroep, die de in artikel 16 vermelde taken vervult.

Artikel 4

Handelingen van het agentschap

Het agentschap kan:

5. advies uitbrengen aan transmissiesysteembeheerders;

6. advies uitbrengen aan regelgevende instanties;

7. advies uitbrengen aan en aanbevelingen richten tot de Commissie;

8. in de in de artikelen 7 en 8 genoemde gevallen zelf een beslissing nemen.

Artikel 5

Algemene taken

Het agentschap mag op verzoek van de Commissie of op eigen initiatief aan de Commissie advies uitbrengen over alle aangelegenheden die verband houden met het doel waarvoor het is opgericht.

Artikel 6

Taken in verband met de samenwerking van transmissiesysteembeheerders

1. Het agentschap brengt de Commissie advies uit over de ontwerp-statuten, de ledenlijst en het ontwerp-reglement van orde van het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit, zulks overeenkomstig artikel 2 ter, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1228/2003, en van het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas, zulks overeenkomstig artikel 2 ter, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1775/2005.

2. Het agentschap oefent toezicht uit op de uitvoering van de taken van het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit, zulks overeenkomstig artikel 2 quinquies van Verordening (EG) nr. 1228/2003, en van het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas, zulks overeenkomstig artikel 2 quinquies van Verordening (EG) nr. 1775/2005.

3. Het agentschap mag het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor elektriciteit en het Europees netwerk van transmissiesysteembeheerders voor gas overeenkomstig respectievelijk artikel 2 quinquies, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1228/2003 en artikel 2 quinquies, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1775/2005 advies uitbrengen over de technische en marktcodes en de ontwerp-versie van het jaarlijkse werkprogramma en van het tienjarige investeringsplan.

4. Het agentschap brengt een naar behoren gemotiveerd advies uit aan de Commissie als het van oordeel is dat de ontwerp-versie van het jaarlijkse werkprogramma of van het tienjarige investeringsplan die overeenkomstig artikel 2 quinquies, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1228/2003 en artikel 2 quinquies, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1775/2005 bij hem is ingediend, de afwezigheid van discriminatie, de daadwerkelijke mededinging en de efficiënte werking van de markt niet garandeert.

5. Het agentschap brengt overeenkomstig artikel 2 sexies, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1228/2003 en artikel 2 sexies, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1775/2005 een naar behoren gemotiveerd advies uit aan de Commissie als het van oordeel is dat een van de technische of marktcodes niet volstaat om de afwezigheid van discriminatie, de daadwerkelijke mededinging en de efficiënte werking van de markt te garanderen, dat niet binnen een redelijke termijn een technische of marktcode is vastgesteld of dat de transmissiesysteembeheerders een van de technische of marktcodes niet toepassen.

6. Het agentschap oefent toezicht uit op de regionale samenwerking tussen transmissiesysteembeheerders, zulks overeenkomstig artikel 2 septies, van Verordening (EG) nr. 1228/2003 en artikel 2 septies, van Verordening (EG) nr. 1775/2005.

Artikel 7

Taken in verband met de nationale regelgevende instanties

1. Het agentschap neemt specifieke beslissingen over technische aangelegenheden wanneer richtsnoeren overeenkomstig Richtlijn 2003/54/EG, Richtlijn 2003/55/EG, Verordening (EG) nr. 1228/2003 of Verordening (EG) nr. 1775/2005 in deze mogelijkheid voorzien.

2. Het agentschap mag op basis van zijn werkprogramma of op verzoek van de Europese Commissie niet-bindende richtsnoeren vaststellen om de uitwisseling van deugdelijke werkmethoden onder regelgevende instanties en marktpartijen te bevorderen.

3. Het agentschap bevordert de samenwerking tussen de nationale regelgevende instanties en tussen de regelgevende instanties op regionaal niveau. Wanneer het bindende voorschriften voor een dergelijke samenwerking nodig acht, richt het tot de Commissie aanbevelingen ter zake.

4. Het agentschap brengt op verzoek van een regelgevende instantie of de Commissie advies uit over de vraag of een besluit van een regelgevende instantie in overeenstemming is met de richtsnoeren als bedoeld in Richtlijn 2003/54/EG, Richtlijn 2003/55/EG, Verordening (EG) nr. 1228/2003 of Verordening (EG) nr. 1775/2005.

5. Wanneer een nationale regelgevende instantie het in lid 4 bedoelde advies niet binnen vier maanden na de ontvangst ervan opvolgt, stelt het de Commissie daarvan in kennis.

6. Wanneer een nationale regelgevende instantie in een concrete situatie niet goed weet hoe zij de richtsnoeren van de Commissie als bedoeld in Richtlijn 2003/54/EG, Richtlijn 2003/55/EG, Verordening (EG) nr. 1228/2003 of Verordening (EG) nr. 1775/2005 moet toepassen, dan kan zij het agentschap om advies vragen. Na advies van de Commissie brengt het binnen vier maanden advies uit.

7. Het agentschap neemt een besluit inzake het regelgevingsstelsel voor infrastructuur die ten minste twee lidstaten verbindt, zulks overeenkomstig artikel 22 quinquies, lid 3, van Richtlijn 2003/54/EG en artikel 24 quinquies, lid 3, van Richtlijn 2003/55/EG.

Artikel 8

Overige taken

1. Het agentschap mag vrijstellingen verlenen als bedoeld in artikel 7, lid 4, onder a), van Verordening (EG) nr. 1228/2003. Het mag ook vrijstellingen verlenen als bedoeld in artikel 22, lid 3, onder a), van Richtlijn 2003/55/EG wanneer de infrastructuur in kwestie op het grondgebied van meer dan een lidstaat gelegen is.

2. Het agentschap stelt een onafhankelijke systeembeheerder voor overeenkomstig artikel 10, lid 4, van Richtlijn 2003/54/EG en artikel 9, lid 4, van Richtlijn 2003/55/EG.

Artikel 9

Raad van bestuur

1. De raad van bestuur bestaat uit twaalf leden. Zes leden worden benoemd door de Commissie en zes door de Raad. De ambtstermijn bedraagt vijf jaar en kan eenmaal worden verlengd.

2. De raad van bestuur kiest uit zijn midden een voorzitter en een vicevoorzitter. De vicevoorzitter vervangt automatisch de voorzitter als deze zijn of haar taken niet kan uitoefenen. De ambtstermijn van de voorzitter en vicevoorzitter bedraagt tweeënhalf jaar en kan worden verlengd, maar loopt in elk geval af wanneer zij geen lid meer zijn van de raad van bestuur.

3. De voorzitter roept de raad van bestuur in vergadering bijeen. Tenzij de raad van bestuur anders beslist, neemt de directeur van het agentschap deel aan de vergadering. De raad van bestuur komt ten minste tweemaal per jaar in gewone zitting bijeen. Daarnaast komt hij op initiatief van zijn voorzitter dan wel op verzoek van de Commissie of ten minste eenderde van zijn leden bijeen. Hij kan eenieder wiens advies van belang kan zijn, uitnodigen om als waarnemer aan zijn vergaderingen deel te nemen. De leden van de raad van bestuur kunnen zich op de door het reglement van orde van de raad bepaalde wijze laten bijstaan door adviseurs of deskundigen. Het agentschap verzorgt het secretariaat van de raad van bestuur.

4. De besluiten van de raad van bestuur worden met een meerderheid van tweederde van de aanwezige leden genomen.

5. Elk lid heeft één stem. Het reglement van orde bepaalt de nadere bijzonderheden van de stemming, met name de voorwaarden waaronder een lid namens een ander lid kan handelen, alsmede de eventuele quorumvoorschriften.

Artikel 10

Taken van de raad van bestuur

1. Na de raad van regelgevers te hebben geraadpleegd, benoemt de raad van bestuur de directeur overeenkomstig artikel 13, lid 2.

2. De raad van bestuur benoemt de leden van de raad van regelgevers overeenkomstig artikel 11, lid 1.

3. De raad van bestuur benoemt de leden van de raad van beroep overeenkomstig artikel 15, lid 1.

4. De raad van bestuur stelt vóór 30 september van elk jaar na advies van de Commissie en na goedkeuring overeenkomstig artikel 12, lid 3, van de raad van regelgevers het werkprogramma van het agentschap voor het volgende jaar vast en zendt het toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. De vaststelling van het werkprogramma geschiedt onverminderd de jaarlijkse begrotingsprocedure.

5. De raad van bestuur oefent zijn begrotingsbevoegdheden uit volgens de artikelen 18 tot en met 21.

6. De raad van bestuur beslist, na akkoord van de Commissie, over de aanvaarding van alle legaten, schenkingen en subsidies die afkomstig zijn uit andere bronnen van de Gemeenschap.

7. De raad van bestuur treedt als tuchtraad op ten aanzien van de directeur.

8. De raad van bestuur bepaalt waar nodig het personeelsbeleid van het agentschap overeenkomstig artikel 25, lid 2.

9. De raad van bestuur stelt de bijzondere bepalingen vast inzake het recht van toegang tot de documenten van het agentschap, zulks overeenkomstig artikel 27.

10. De raad van bestuur stelt het in artikel 14, lid 8, bedoelde jaarverslag over de activiteiten van het agentschap op en doet dit uiterlijk op 15 juni toekomen aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en de Rekenkamer. Het bevat een door de raad van regelgevers goedgekeurd afzonderlijk hoofdstuk over de regelgevingswerkzaamheden van het agentschap in het verslagjaar.

11. De raad van bestuur stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 11

Raad van regelgevers

1. De raad van regelgevers bestaat uit één vertegenwoordiger per lidstaat van de regelgevende instanties als bedoeld in artikel 22 bis van Richtlijn 2003/54/EG en artikel 24 bis van richtlijn 2003/55/EG, en één vertegenwoordiger van de Commissie zonder stemrecht. De nationale regelgevende instanties benoemen één plaatsvervanger per lidstaat.

2. De raad van regelgevers kiest uit zijn midden een voorzitter en een vicevoorzitter. De vicevoorzitter vervangt de voorzitter als deze zijn of haar taken niet kan uitoefenen. De ambtstermijn van de voorzitter en vicevoorzitter bedraagt tweeënhalf jaar en kan worden verlengd, maar loopt in elk geval af wanneer zij geen lid meer zijn van de raad van regelgevers.

3. De raad van regelgevers beslist met een meerderheid van tweederde van zijn leden. Elk lid of diens plaatsvervanger heeft één stem.

4. De raad van beroep stelt zijn reglement van orde vast.

5. Bij de uitoefening van de taken die hem bij deze verordening worden toebedeeld, is de raad van regelgevers onafhankelijk en verlangt of aanvaardt hij geen instructies van enige regering van een lidstaat of van enige publieke of particuliere betrokken partij.

6. Het agentschap verzorgt het secretariaat van de raad van regelgevers.

Artikel 12

Taken van de raad van regelgevers

1. Voor de vaststelling van de in de artikelen 5 tot en met 8 bedoelde adviezen, aanbevelingen en beslissingen brengt de raad van regelgevers advies uit aan de directeur. Voorts geeft de raad van regelgevers de directeur bij de uitoefening van zijn of haar taken richtsnoeren op de gebieden die binnen zijn bevoegdheid vallen.

2. Overeenkomstig artikel 10, lid 1, en artikel 13, lid 2, brengt de raad van regelgevers advies uit over de kandidaat die voorgedragen wordt als directeur. Hij neemt dit besluit met een meerderheid van drievierde van zijn leden.

3. De raad van regelgevers keurt overeenkomstig artikel 10, lid 4, en artikel 14, lid 6, en in overeenstemming met de overeenkomstig artikel 20, lid 1, opgestelde ontwerp-begroting het werkprogramma van het agentschap voor het volgende jaar goed en dient het vóór 1 september ter goedkeuring in bij de raad van bestuur.

4. De raad van regelgevers keurt het afzonderlijke hoofdstuk over de regelgevingswerkzaamheden in het jaarverslag als bedoeld in artikel 10, lid 10, en artikel 14, lid 8, goed.

Artikel 13

Directeur

1. Het agentschap wordt geleid door een directeur, die onafhankelijk is bij de uitoefening van zijn taken. Onverminderd de respectieve bevoegdheden van de Commissie, de raad van bestuur en de raad van regelgevers verlangt of aanvaardt de directeur geen instructies van enige regering of van enig orgaan.

2. De directeur wordt, na een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling, op grond van diens verdiensten, bekwaamheden en ervaring door de raad van bestuur benoemd uit ten minste twee door de Commissie voorgedragen kandidaten. Vóór de benoeming kan de door de raad van bestuur gekozen kandidaat worden verzocht een verklaring voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden.

3. De ambtstermijn van de directeur bedraagt vijf jaar. In de loop van de negen maanden voordat deze periode afloopt, verricht de Commissie een evaluatie. Daarin kijkt de Commissie onder meer naar:

9. de prestaties van de directeur;

10. de taken en verplichtingen van het agentschap in de volgende jaren.

4. De raad van bestuur kan op voorstel van de Commissie en rekening houdende met het evaluatieverslag de ambtstermijn van de directeur eenmaal met ten hoogste drie jaar verlengen, maar alleen indien zulks op grond van de taken en verplichtingen van het agentschap kan worden verantwoord.

5. De raad van bestuur stelt het Europees Parlement in kennis van zijn voornemen om de ambtstermijn van de directeur te verlengen. In de maand die voorafgaat aan de verlenging van zijn of haar ambtstermijn kan de directeur worden gevraagd een verklaring voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden.

6. Indien de ambtstermijn niet wordt verlengd, blijft de directeur in functie totdat er een opvolger is aangewezen.

7. De directeur kan alleen uit zijn of haar ambt worden ontzet nadat de raad van bestuur na advies van de raad van regelgevers daartoe heeft besloten. De raad van bestuur neemt dit besluit met een meerderheid van drievierde van zijn leden.

8. Het Europees Parlement of de Raad kunnen de directeur verzoeken verslag uit te brengen over de uitvoering van zijn of haar taken.

Artikel 14

Taken van de directeur

1. De directeur treedt op als vertegenwoordiger van het agentschap en is met de leiding ervan belast.

2. De directeur bereidt de werkzaamheden van de raad van bestuur voor en neemt, zonder stemrecht, deel aan de werkzaamheden van de raad van bestuur.

3. De directeur stelt na akkoord van de raad van regelgevers de in de artikelen 5 tot en met 8 bedoelde adviezen, aanbevelingen en beslissingen vast.

4. De directeur zorgt voor de tenuitvoerlegging van het jaarlijkse werkprogramma van het agentschap, zulks volgens de aanwijzingen van de raad van regelgevers en onder toezicht van de raad van bestuur.

5. De directeur neemt de nodige maatregelen, met name de vaststelling van interne administratieve instructies en de publicatie van nota's, om ervoor te zorgen dat het agentschap werkt overeenkomstig deze verordening.

6. De directeur stelt jaarlijks een ontwerp-werkprogramma van het agentschap voor het volgende jaar op en dient het voor 30 juni van dat jaar in bij de raad van regelgevers en de Commissie.

7. De directeur maakt een raming van de ontvangsten en uitgaven van het agentschap ingevolge artikel 20 en voert de begroting van het agentschap uit ingevolge artikel 21.

8. De directeur stelt jaarlijks een ontwerp-jaarverslag met een hoofdstuk over de regelgevingswerkzaamheden van het agentschap en een hoofdstuk over financiële en administratieve aangelegenheden op.

9. De directeur oefent jegens het personeel van het agentschap de bevoegdheden als bedoeld in artikel 25, lid 3, uit.

Artikel 15

Raad van beroep

1. De raad van beroep bestaat uit zes leden en zes plaatsvervangers die gekozen worden uit het huidige of voormalige hogere personeel van de nationale regelgevende instanties, mededingingsautoriteiten of andere nationale of communautaire instellingen met relevante ervaring in de energiesector. De raad van beroep wijst zelf zijn voorzitter aan. De besluiten van de raad van beroep worden genomen met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen van ten minste vier van de zes leden ervan. De raad van beroep komt bijeen wanneer dit noodzakelijk is.

2. Na een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling benoemt de raad van bestuur de leden van de raad van beroep op voorstel van de Commissie en na advies van de raad van regelgevers.

3. De ambtstermijn van de leden van de raad van beroep bedraagt vijf jaar. Deze termijn kan worden verlengd. De leden van de raad van beroep zijn onafhankelijk bij het nemen van hun besluiten en zijn niet gebonden aan enige instructie. Zij mogen geen enkele andere taak verrichten in het agentschap zelf of in de raad van bestuur of de raad van regelgevers van het agentschap. Ook mag een lid van de raad van beroep niet uit zijn ambt worden ontzet, tenzij het op ernstige wijze tekort is geschoten en de raad van bestuur na advies van de raad van regelgevers daartoe besluit.

4. De leden van de raad van beroep mogen niet deelnemen aan de behandeling van een beroepsprocedure als zij daarbij een persoonlijk belang hebben, als zij eerder als vertegenwoordiger van een van de partijen bij de behandeling betrokken zijn geweest of als zij een rol hebben gespeeld bij het besluit waartegen het beroep is ingesteld.

5. Indien een lid van de raad van beroep om een van de in lid 4 genoemde redenen of om enige andere reden meent dat een medelid niet aan een beroepsprocedure zou mogen deelnemen, stelt het de raad van beroep daarvan in kennis. Een lid van de raad van beroep kan om een van de in lid 4 genoemde redenen of als aan zijn onpartijdigheid wordt getwijfeld, door een partij in de beroepsprocedure worden gewraakt. Wraking kan niet zijn gegrond op de nationaliteit van leden en is niet ontvankelijk als de partij in de beroepsprocedure, terwijl zij op de hoogte was van een reden tot het maken van het bezwaar, reeds een procedurehandeling heeft verricht.

6. De raad van beroep beslist in de in de leden 4 en 5 bedoelde gevallen zonder deelname van het betrokken lid over de te nemen maatregelen. Voor het nemen van deze beslissing wordt het betrokken lid in de raad van beroep vervangen door zijn plaatsvervanger, tenzij deze in een vergelijkbare situatie verkeert. In dat geval wijst de voorzitter een van de andere beschikbare plaatsvervangers aan.

Artikel 16

Beroep

1. Een natuurlijke of rechtspersoon kan beroep instellen tegen een tot hem gericht besluit als bedoeld in de artikelen 7 en 8, of tegen een besluit dat, ofschoon in de vorm van een besluit gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raakt.

2. Het beroep wordt tezamen met de uiteenzetting van de gronden voor het beroep binnen twee maanden na de kennisgeving van het besluit aan de betrokken persoon, dan wel bij gebreke daarvan, binnen twee maanden na de dag van publicatie van het besluit door het agentschap, schriftelijk bij het agentschap ingediend. De raad van beroep neemt binnen twee maanden na instelling van het beroep een besluit ter zake.

3. Een overeenkomstig lid 1 ingesteld beroep heeft geen schorsende werking. De raad van beroep kan echter, indien hij van oordeel is dat de omstandigheden dit vereisen, de toepassing van het bestreden besluit opschorten.

4. Indien het beroep ontvankelijk is, onderzoekt de raad van beroep of het gegrond is. Hij nodigt de partijen in de beroepsprocedure zo vaak als noodzakelijk is uit om binnen een bepaalde termijn opmerkingen te maken naar aanleiding van de kennisgevingen van de raad zelf of de mededelingen van de andere partijen in de beroepsprocedure. Het is partijen in de beroepsprocedure toegestaan een mondelinge uiteenzetting te geven.

5. De raad van beroep kan binnen de voorwaarden van dit artikel elke bevoegdheid uitoefenen die binnen de bevoegdheid van het agentschap valt, dan wel de zaak terugverwijzen naar het bevoegde orgaan van het agentschap. Dit bevoegde orgaan van het agentschap is gebonden aan de beslissing van de raad van beroep.

6. De raad van beroep stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 17

Beroep bij het Gerecht van eerste aanleg en het Hof van Justitie

1. Overeenkomstig artikel 230 van het Verdrag kan bij het Gerecht van eerste aanleg van het Hof van Justitie beroep worden ingesteld tegen beslissingen van de raad van beroep of, bij ontbreken van recht op beroep bij de raad van beroep, tegen beslissingen van het agentschap.

2. Indien het agentschap nalaat een beslissing te nemen, kan overeenkomstig artikel 232 van het Verdrag bij het Gerecht van eerste aanleg of bij het Hof van Justitie beroep wegens nalaten worden ingesteld.

3. Het agentschap moet de noodzakelijke maatregelen treffen ter uitvoering van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg of het Hof van Justitie.

Artikel 18

Begroting van het agentschap

1. De ontvangsten van het agentschap bestaan met name uit:

11. een subsidie van de Gemeenschap, die in de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (afdeling Commissie) wordt opgenomen;

12. de vergoedingen die overeenkomstig artikel 19 aan het agentschap betaald worden;

13. een vrijwillige bijdrage van de lidstaten of hun regelgevende instanties;

14. legaten, schenkingen of subsidies als genoemd in artikel 10, lid 6.

2. De uitgaven van het agentschap bestaan uit administratieve, infrastructurele, operationele en personeelskosten.

3. De ontvangsten en uitgaven zijn in evenwicht.

4. Van alle inkomsten en uitgaven van het agentschap wordt een prognose gemaakt voor elk boekjaar, dat samenvalt met een kalenderjaar. Deze worden in de begroting van het agentschap opgenomen.

Artikel 19

Vergoedingen

1. Voor de behandeling van een aanvraag voor een vrijstellingsbesluit ingevolge artikel 8, lid 1, is een vergoeding verschuldigd aan het agentschap.

2. De Commissie stelt de hierboven bedoelde vergoeding vast.

Artikel 20

Opstelling van de begroting

1. De directeur stelt jaarlijks uiterlijk op 15 februari een voorontwerp van begroting op voor de operationele uitgaven en het werkprogramma voor het volgende boekjaar en zendt dit voorontwerp aan de raad van bestuur, tezamen met een voorlopige personeelsformatie. De raad van bestuur maakt jaarlijks op basis van het ontwerp van de directeur een raming van de ontvangsten en uitgaven van het agentschap voor het volgende boekjaar. De raad van bestuur dient deze raming, die tevens een ontwerp-personeelsformatie bevat, uiterlijk op 31 maart bij de Commissie in. Vóór de definitieve vaststelling van de raming wordt het ontwerp van de directeur eerst ingediend bij de raad van regelgevers, die daarover advies mag uitbrengen.

2. De Commissie dient de raming tezamen met het voorontwerp van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen in bij het Europees Parlement en de Raad (hierna "de begrotingsautoriteit" te noemen).

3. Op basis van de ramingen voert de Commissie in het voorontwerp van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen de vooruitzichten op die zij noodzakelijk acht met betrekking tot de personeelsformatie, en het bedrag van de subsidie ten laste van de algemene begroting overeenkomstig artikel 272 van het Verdrag.

4. De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie voor het agentschap vast.

5. De raad van bestuur stelt de begroting van het agentschap op. Deze wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen. Indien nodig wordt de begroting dienovereenkomstig aangepast.

6. De raad van bestuur stelt de begrotingsautoriteit onverwijld in kennis van de projecten die hij voornemens is te realiseren en die aanzienlijke financiële gevolgen voor de financiering van zijn begroting kunnen hebben, met name vastgoedprojecten zoals de huur of aankoop van gebouwen. Hij brengt de Commissie daarvan op de hoogte. Als een van de takken van de begrotingsautoriteit advies wil uitbrengen, stelt deze het agentschap binnen twee weken na ontvangst van de informatie over het bouwproject in kennis van zijn voornemen om een dergelijk advies uit te brengen. Indien het agentschap geen antwoord ontvangt, kan het doorgaan met zijn plannen.

Artikel 21

Begrotingsuitvoering en -controle

1. De directeur treedt op als ordonnateur en voert de begroting van het agentschap uit.

2. Uiterlijk op 1 maart na afloop van het boekjaar deelt de rekenplichtige van het agentschap de voorlopige rekeningen, vergezeld van het verslag over het financieel en begrotingsbeheer in het boekjaar, mede aan de rekenplichtige van de Commissie en aan de Rekenkamer. Het rekenplichtige van het agentschap zendt het verslag over het financieel en begrotingsbeheer uiterlijk 31 maart van het volgende jaar ook toe aan het Europees Parlement en de Raad. De rekenplichtige van de Commissie consolideert de voorlopige rekeningen van de instellingen en gedecentraliseerde organen overeenkomstig artikel 128 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002[16].

3. Uiterlijk op 31 maart na afloop van het boekjaar zendt de rekenplichtige van de Commissie de voorlopige rekeningen van het agentschap, vergezeld van het verslag over het financieel en begrotingsbeheer in het boekjaar, toe aan de Rekenkamer. Het verslag over het financieel en begrotingsbeheer in het boekjaar wordt ook toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

4. Na ontvangst van de door de Rekenkamer geformuleerde opmerkingen over de voorlopige rekeningen van het agentschap overeenkomstig artikel 129 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 stelt de directeur op eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van het agentschap op en zendt hij of zij deze voor advies toe aan de raad van bestuur.

5. De raad van bestuur brengt advies uit over de definitieve rekeningen van het agentschap.

6. De directeur zendt deze definitieve rekeningen, vergezeld van het advies van de raad van bestuur, uiterlijk op 1 juli na afloop van het boekjaar toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

7. De definitieve rekeningen worden gepubliceerd.

8. Uiterlijk op 15 oktober zendt de directeur de Rekenkamer een antwoord op haar opmerkingen toe. Hij of zij zendt dit antwoord ook toe aan de raad van bestuur en de Commissie.

9. Overeenkomstig artikel 146, lid 3, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 verstrekt de directeur het Europees Parlement op verzoek alle inlichtingen die nodig zijn voor een goed verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken boekjaar.

10. Het Europees Parlement verleent op aanbeveling van de Raad, die bij gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, vóór 15 mei van het jaar N + 2, kwijting aan de directeur voor de uitvoering van de begroting van het boekjaar N.

Artikel 22

Financiële voorschriften

Na advies van de Commissie stelt de raad van bestuur de financiële voorschriften op die van toepassing zijn op het agentschap. Deze voorschriften mogen afwijken van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 indien de specifieke eisen van de werking van het agentschap dit noodzakelijk maken en de Commissie vooraf toestemming heeft verleend.

Artikel 23

Fraudebestrijdingsmaatregelen

1. Met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige handelingen is Verordening (EG) nr. 1073/1999[17] zonder enige beperking van toepassing op het agentschap.

2. Het agentschap treedt toe tot het Interinstitutioneel akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)[18] en treft onverwijld passende voorzieningen die op alle werknemers van het agentschap van toepassing zijn

3. De financieringsbesluiten, akkoorden en toepassingsinstrumenten die daaruit voortvloeien, bepalen uitdrukkelijk dat de Rekenkamer en OLAF voor zover nodig een controle ter plekke kunnen uitvoeren bij de begunstigden van de kredieten van het agentschap en bij de personeelsleden die bevoegd zijn voor de toekenning van deze kredieten.

Artikel 24

Voorrechten en immuniteiten

Het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen is van toepassing op het agentschap.

Artikel 25

Personeel

1. Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen en de regels die de instellingen van de Europese Gemeenschap gezamenlijk hebben vastgesteld met het oog op de toepassing van dit statuut en deze regeling, zijn van toepassing op het personeel van het agentschap.

2. De raad van bestuur stelt in overleg met de Commissie de nodige uitvoeringsmaatregelen vast volgens de regelingen van artikel 110 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen.

3. Het agentschap oefent ten aanzien van zijn personeel de bevoegdheden uit die krachtens het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen zijn verleend aan het tot aanstelling bevoegde gezag, alsook die welke krachtens de Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen zijn verleend aan het tot het aangaan van overeenkomsten bevoegde gezag.

4. De raad van bestuur kan bepalingen vaststellen waardoor uit de lidstaten gedetacheerde nationale deskundigen voor het agentschap kunnen werken.

Artikel 26

Aansprakelijkheid van het agentschap

1. In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het agentschap overeenkomstig de algemene beginselen die de wetgevingen van de lidstaten gemeen hebben, alle schade die door het agentschap zelf of door het personeel ervan bij de uitoefening van hun taken is veroorzaakt. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft rechtsbevoegdheid in geschillen over de vergoeding van dergelijke schade.

2. De persoonlijke geldelijke en tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van de personeelsleden van het agentschap ten aanzien van het agentschap wordt beheerst door de desbetreffende voor het personeel van het agentschap geldende voorschriften.

Artikel 27

Toegang tot documenten

1. Verordening (EG) nr. 1049/2001[19] is van toepassing op de documenten van het agentschap.

2. De raad van bestuur stelt de praktische maatregelen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001 vast binnen zes maanden na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening.

3. Tegen de besluiten van het agentschap ingevolge artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 kan een klacht worden ingediend bij de Ombudsman of beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie onder de voorwaarden als bedoeld in respectievelijk artikel 195 en artikel 230 van het Verdrag.

Artikel 28

Deelname van derde landen

Het agentschap staat open voor deelname van landen die geen lid zijn van de Europese Unie en die met de Gemeenschap overeenkomsten in die zin hebben gesloten. Op basis van de desbetreffende bepalingen van deze overeenkomsten worden afspraken gemaakt over met name de aard, omvang en procedurele aspecten van de betrokkenheid van deze landen bij de werkzaamheden van het agentschap, waaronder afspraken over de financiële en personele bijdrage.

Artikel 29

Talenregeling

1. Verordening nr. 1 van 15 april 1958 is op het agentschap van toepassing.

2. De raad van bestuur beslist over de interne talenregeling van het agentschap.

3. De voor het functioneren van het agentschap vereiste vertaaldiensten worden geleverd door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.

Artikel 30

Evaluatie

1. De Commissie evalueert de werkzaamheden van het agentschap. Daarbij worden de resultaten van het agentschap en zijn aanpak getoetst aan zijn doelstelling, mandaat en taken zoals vastgelegd in deze verordening en in zijn jaarlijkse werkprogramma´s.

2. Uiterlijk vier jaar nadat de eerste directeur in functie is getreden, dient de Commissie het eerste evaluatieverslag in bij het Europees Parlement en de Raad. Daarna komt zij ten minste om de vijf jaar met een nieuw evaluatieverslag.

Artikel 31

Inwerkingtreding en overgangsmaatregelen

1. Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

2. De artikelen 5 tot en met 8 zijn vanaf … [ achttien maanden na de inwerkingtreding van deze verordening ] van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, [ ...]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

Bijlage 1 FINANCIEEL MEMORANDUM

Beleidsterrein: VERVOER EN ENERGIE Activiteit: Interne markt voor energie |

BENAMING VAN HET VOORSTEL: AGENTSCHAP VOOR DE SAMENWERKING TUSSEN ENERGIEREGELGEVERS |

1. BEGROTINGSONDERDELEN + OMSCHRIJVING

Onder hoofdstuk 06 …

Opzetten van een passende structuur voor het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers (regelgevend agentschap):

- onderdeel 06: "Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers";

- onderdeel 06 XX XX: "Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers" - Subsidie titels 1 en 2;

- onderdeel 06 XX XX: "Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers" - Subsidie titel 3.

De keuze van het artikel en de posten onder hoofdstuk 06 03 wordt bepaald tijdens de begrotingsprocedure 2009.

2. ALGEMENE CIJFERS

2.1 . Middelen die voor de maatregel worden uitgetrokken

Vanaf 2009 worden onder artikel xxx jaarlijks kredieten uitgetrokken.

2.2 . Looptijd

De maatregel heeft een onbeperkte looptijd (jaarlijkse subsidie).

2.3. Meerjarenraming van de uitgaven

a) Tijdschema vastleggingskredieten/betalingskredieten (financiële steun)

in miljoen EUR

Jaar | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | Volgende begrotingsjaren |

Vastleggingskredieten | 1,970 | 3,940 | 6,084 | 6,314 | 6,434 |

Betalingskredieten | 1,970 | 3,940 | 6,084 | 6,314 | 6,434 |

2.4 . Verenigbaarheid met de financiële programmering en de financiële vooruitzichten

x Het voorstel is verenigbaar met de bestaande financiële programmering (2007/2013).

2.5 . Financiële gevolgen voor de ontvangsten

x Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten.

3. BEGROTINGSKENMERKEN

Soort uitgave | Nieuw | Bijdrage EVA | Bijdrage kandidaat-lidstaten | Rubriek financiële vooruit-zichten |

Niet-verplicht | GK/NGK | JA | JA | JA | Nr. 1a |

4. RECHTSGROND

Artikel 95 van het EG-Verdrag

5. BESCHRIJVING EN MOTIVERING

5.1 . Waarom de Gemeenschap moet optreden

5.1.1.Doelstellingen

De EG heeft al een reeks maatregelen genomen[20] voor de totstandbrenging van een interne energiemarkt die erop gericht is alle consumenten in de EU – zowel particulieren als ondernemingen – reële keuzemogelijkheden te bieden, nieuwe kansen voor het bedrijfsleven te scheppen en meer grensoverschrijdende handel te doen ontstaan. De mededeling over de interne energiemarkt[21] en het eindverslag over het sectorale mededingingsonderzoek[22] tonen aan dat deze doelstellingen met de huidige regels en maatregelen nog niet zijn bereikt. In de mededeling van de Commissie van 10 januari 2007 met als titel "Een energiebeleid voor Europa"[23] wordt de totstandbrenging van een Europees gas- en elektriciteitsnetwerk en een door echte concurrentie gekenmerkte, heel Europa bestrijkende energiemarkt als doelstelling genoemd. Daartoe is een verbetering van de marktregulering op nationaal en Europees niveau, en met name een effectieve samenwerking tussen de nationale toezichthoudende instanties binnen "één enkele nieuwe instantie … op EU niveau" van essentieel belang.

In 2003 heeft de Commissie een onafhankelijke adviesgroep op het gebied van elektriciteit en gas, de "Europese Groep van regelgevende instanties voor elektriciteit en gas" (ERGEG) opgericht om de raadpleging, coördinatie en samenwerking tussen de regelgevende organen in de lidstaten en tussen deze organen en de Commissie te vergemakkelijken. De werkzaamheden van de ERGEG in de afgelopen jaren hebben een zeer positieve bijdrage geleverd aan de totstandbrenging van de interne markt voor elektriciteit en gas. De meeste belanghebbenden, onder wie de regelgevende instanties zelf, achten echter voor de ontwikkeling van de interne markt een formeel mechanisme noodzakelijk waarbinnen de nationale regelgevende instanties kunnen samenwerken en beslissingen kunnen nemen in belangrijke grensoverschrijdende aangelegenheden.

Vanwege de aard van de taken die zo´n mechanisme moet krijgen, is een regelgevend agentschap de enige optie. Dit sluit aan bij de uitgangspunten die de Commissie heeft geformuleerd in het "Ontwerp interinstitutioneel akkoord betreffende een kader voor Europese toezichthoudende agentschappen"[24], en met name bij de daarin genoemde mogelijkheid dat in bepaalde gevallen besluiten worden genomen die voor derden juridisch bindend zijn.

5.1.2. Evaluatie ex ante

De Commissie heeft de gevolgen van de oprichting van een agentschap getoetst aan een aantal criteria. Ten eerste zijn het probleem en de behoefte in kaart gebracht.

De nationale regelgevende instanties hebben bevoegdheden om hun eigen nationale markt te reglementeren. Om van de afzonderlijke nationale markten een geïntegreerde interne EU-markt te maken, moeten thans echter bepaalde beslissingen op EU-niveau genomen worden, daarover zijn de belanghebbenden het eens. De meeste belanghebbenden, onder wie de regelgevende instanties zelf, achten voor de ontwikkeling van de interne markt een formeel mechanisme noodzakelijk waarbinnen de nationale regelgevende instanties kunnen samenwerken en beslissingen kunnen nemen in belangrijke grensoverschrijdende aangelegenheden.

Ten tweede is nagegaan welke toegevoegde waarde EG-maatregelen hebben en welke alternatieven er zijn voor de oprichting van een Europees regelgevend agentschap. Om te beginnen, is de vraag gesteld of de Commissie wel in staat zou zijn om deze nieuwe taken zelf te verrichten. Voor regelgevingsactiviteiten is zeer gespecialiseerde technische kennis nodig, en met name kennis van het fysieke net, de omvang van de benodigde investeringen in de sector (productie en transmissie), geschillenbeslechtingsmechanismen en toegangstarieven. Voor deze taken beschikt de Commissie niet over de benodigde zeer specifieke technische expertise. Om deze te verwerven, zou binnen de Commissie waarschijnlijk een nieuw directoraat nodig zijn. Voorts zou de institutionele rol van de Commissie dan waarschijnlijk meer een technisch karakter krijgen zonder dat dergelijke activiteiten extra voordeel opleveren. Een systeem als het stelsel van Europese centrale banken was misschien nog haalbaar. Deze optie lijkt aantrekkelijk, maar ontbeert in het geval van energie een rechtsgrondslag, zoals een artikel in het Verdrag. Ook is een versterking van het netwerk van nationale regelgevende instanties op energiegebied overwogen, vergelijkbaar met het netwerk van mededingingsautoriteiten dat de Commissie in 2004 heeft opgericht op basis van de nieuwe Antitrustverordening, Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad. In dat systeem oefenen de nationale mededingingsautoriteiten geen collectieve beslissingsbevoegdheid uit, maar volgen zij gedetailleerde voorschriften met betrekking tot de bevoegde autoriteit, de uitwisseling van informatie en de procedures. Daarbij heeft de Commissie de algemene bevoegdheid om een bepaalde zaak over te nemen, bijvoorbeeld als twee nationale regelgevende instanties een verschil van mening hebben. Dit systeem werkt echter alleen dankzij de autonome bevoegdheden van de Commissie op mededingingsgebied. Zulke beslissingsbevoegdheden heeft de Commissie niet voor de reglementering van energiemarkten (behalve dan op mededingingsgebied). Daarom kan zij niet dezelfde rol spelen in het energienetwerk.

Na bestudering van deze alternatieven luidde de conclusie dat vanwege de aard van de taken die zo´n mechanisme moet krijgen, een regelgevend agentschap dat in bepaalde gevallen besluiten mag nemen die voor derden juridisch bindend zijn, de enige optie is. Ook in deze optie wordt uitgegaan van een versterking en harmonisering van de bevoegdheden van de nationale regelgevende instanties.

5.2. Voorgenomen maatregelen en wijze van financiering uit de begroting

Met het oog op zijn doelstellingen zal het agentschap de volgende taken vervullen:

- zorgen voor een samenwerkingskader voor nationale regelgevende instanties. Voorgesteld wordt om de behandeling van grensoverschrijdende situaties te verbeteren. Het agentschap zal regels en procedures vaststellen voor de samenwerking tussen nationale regelgevende instanties, en met name voor de uitwisseling van informatie en de verdeling van bevoegdheden in zaken waarbij meer dan een lidstaat betrokken is;

- toetsing van de samenwerking tussen transmissiesysteembeheerders. Voorgesteld wordt om de samenwerking tussen transmissiesysteembeheerders, met name op het gebied van de ontwikkeling van technische en marktcodes, de coördinatie van de werking van het net en investeringsplannen, door het agentschap te laten toetsen. Daartoe moeten ontwerp-maatregelen die een aantal transmissiesysteembeheerders of alle transmissiesysteembeheerders gezamenlijk willen treffen, worden ingediend bij het agentschap, dat advies uitbrengt aan de beheerders als deze maatregelen geen non-discriminatie, daadwerkelijke mededinging of efficiënte marktwerking zouden waarborgen. In de praktijk moet op basis van dit mechanisme een constructieve dialoog tussen transmissiesysteembeheerders ontstaan, waarbij de Commissie alleen in het uiterste geval ingrijpt;

- beslissingsbevoegdheden. Voorgesteld wordt om het agentschap in een beperkt aantal gevallen zelf een beslissing te laten nemen, zoals bij aanvragen voor een vrijstelling[25] voor infrastructuuractiva van Europees belang;

- algemene adviserende rol. Het agentschap zou de Commissie ook advies moeten uitbrengen over marktreglementeringskwesties en zonder afbreuk te doen aan de taken van de transmissiesysteembeheerders de nationale regelgevende instanties niet-bindende richtsnoeren voor deugdelijke werkmethoden geven.

Van alle inkomsten en uitgaven van het agentschap wordt een prognose gemaakt voor elk boekjaar, dat samenvalt met het kalenderjaar. Deze worden in de begroting van het agentschap opgenomen.

De ontvangsten en uitgaven zijn in evenwicht. De inkomsten van het agentschap omvatten naast andere nog vast te stellen middelen en vergoedingen een in de algemene begroting van de Europese Gemeenschap opgenomen subsidie van de Gemeenschap om de ontvangsten en uitgaven met elkaar in evenwicht te brengen.

De uitgaven van het agentschap omvatten met name personele, administratieve, infrastructurele en huishoudelijke kosten. Daar komen nog de kosten van de werkzaamheden van de raad van regelgevers en de raad van beroep bij.

5.3. Tenuitvoerlegging

De rechtspositie van het agentschap moet van dien aard zijn dat het bij de uitvoering van zijn taken als rechtspersoon kan handelen.

De raad van bestuur wordt het financiële en administratieve stuurorgaan van het agentschap en bestaat uit twaalf leden. Zes leden worden benoemd door de Commissie en zes door de Raad. De ambtstermijn bedraagt vijf jaar en kan eenmaal worden verlengd.

Het agentschap staat onder leiding van een door de raad van bestuur voor vijf jaar benoemde directeur. Deze termijn kan eenmaal worden verlengd. De directeur is de wettelijke vertegenwoordiger van het agentschap.

De raad van regelgevers neemt de besluiten van het agentschap. Om de besluitvorming los te koppelen van het uitvoerend orgaan (de raad van bestuur), moet er een aparte raad van regelgevers komen. Deze zal bestaan uit de directeur en één vertegenwoordiger per lidstaat. De vertegenwoordiger van de lidstaat is afkomstig uit een regelgevende instantie van deze lidstaat.

Ten slotte is tegen een beslissing van het agentschap beroep mogelijk bij de raad van beroep, die zes leden telt.

6. FINANCIËLE GEVOLGEN

6.1. Berekening van de totale kosten (te bepalen door DG BUDG en DG ADMIN)

De jaarlijkse kosten van het agentschap worden gedekt met subsidies van de Gemeenschap. De uitgaven kunnen als volgt worden uitgesplitst:

Personeel

In de voorgestelde begroting wordt uitgegaan van circa 48 medewerkers. Op basis van de gemiddelde personeelskosten van de Europese Commissie (0,117 miljoen EUR per jaar) worden de totale jaarlijkse personeelsuitgaven geraamd op 5,184 miljoen EUR. Daarin is ook rekening gehouden met de kosten van gebouwen en met administratieve uitgaven (post, telecommunicatie, IT e.d.).

De personeelsuitgaven omvatten ook de aanwervingskosten vanaf 2009. Daarbij is uitgegaan van het volgende aanwervingsschema:

Aanwerving | Totaal personeelsbestand |

Eerste helft 2009 | +10 | 10 |

Tweede helft 2009 | +10 | 20 |

Eerste helft 2010 | +10 | 30 |

Tweede helft 2010 | +10 | 40 |

Eerste helft 2011 | +8 | 48 |

Kapitaaluitgaven:

De uitgaven in verband met de aanschaf van roerende goederen en aanverwante kosten bedragen 0,35 miljoen EUR in de eerste twee jaar. Voor de jaren daarna is een bedrag van 0,05 miljoen EUR per jaar gereserveerd voor de extra kosten. Dit bedrag kan variëren al naar gelang de faciliteiten die de lidstaat ter beschikking stelt waar het agentschap wordt gevestigd.

Huishoudelijke uitgaven

Het betreft hier de kosten van vergaderingen, studies, vertalingen, publicaties en PR. Volgens een eerste raming bedragen deze 1 miljoen EUR per jaar.

Dienstreizen

Voor de werkzaamheden van het agentschap moeten binnen en buiten de Unie dienstreizen worden gemaakt (reis- en verblijfskosten). De kosten ervan worden geraamd op 150 000 EUR per jaar wanneer het agentschap volledig operationeel is. Voor deze schattingen is uitgegaan van de gemiddelde reële kosten van dienstreizen bij DG TREN. Ze kunnen variëren al naar gelang de vestigingsplaats van het agentschap.

6.2 . Uitsplitsing van de kosten

Vastleggingskredieten (in miljoen euro, tegen actuele prijzen)

Soort uitgave | Jaar 2009 | Jaar 2010 | Jaar 2011 | Jaar 2012 | Volgende begrotingsjaren |

Personeel Uitrusting Huishoudelijke uitgaven | 1.755 0,150 0,150 | 4,095 0,200 0,400 | 5,616 0,050 0,700 | 5,616 0,050 0,900 | 5,616 0,050 1,000 |

Dienstreizen | 0,050 | 0,100 | 0,150 | 0,180 | 0,200 |

Totaal | 2,105 | 4,795 | 6,516 | 6,746 | 6,866 |

6.3. Tijdschema vastleggings-/ betalingskredieten

(in miljoen euro)

Jaren | 2009 | 2010 | 2011 | 2012 | Volgende jaren |

Vastleggingskredieten | 1,970 | 3,940 | 6,084 | 6,314 | 6,434 |

Betalingskredieten | 1,970 | 3,940 | 6,084 | 6,314 | 6,434 |

7. TOEZICHT EN EVALUATIE

Het toezicht op het beheer van de middelen voor het agentschap wordt uitgeoefend door de Rekenkamer (artikel 21), het Europees Parlement (artikel 21) en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (artikel 23).

8. FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN

Zie onder 7 hierboven.

[1] COM(2007) 1.

[2] In zijn conclusies betuigt de Europese Raad zijn instemming met de oprichting van een onafhankelijk mechanisme waarin de nationale regelgevers samenwerken en beslissingen nemen over belangrijke grensoverschrijdende kwesties, terwijl in het aangenomen Vidal Quadras-rapport gunstig wordt gereageerd op het voorstel van de Commissie om de samenwerking tussen de nationale regelgevers op EU-niveau via een EU-entiteit te versterken, als een middel om een meer Europese aanpak voor regulering met betrekking tot grensoverschrijdende kwesties te ontwikkelen. In het rapport wordt onderstreept dat de Commissie een beslissende rol moet spelen zonder dat de onafhankelijkheid van de regelgevers wordt ondermijnd. Voorts wordt gesteld dat de beslissingen van de regelgevers moeten worden gemaakt met betrekking tot specifiek omschreven technische en handelskwesties en dit op een goed geïnformeerde basis waarbij, zo nodig, het standpunt van de transmissiesysteembeheerders en andere relevante belanghebbenden moet worden ingewonnen, en dat deze beslissingen juridisch bindend moeten zijn.

[3] COM(2005) 59.

[4] PB C van , blz. .

[5] Als omschreven in artikel 22 van Richtlijn 2003/55/EG en in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1228/2003.

[6] De toelichting gaat vergezeld van een organisatieschema.

[7] In de elektriciteitssector is het bijvoorbeeld duidelijk dat, wat sommige kwesties betreft, de vaststelling van technische codes moet gebeuren voor elke synchrone zone.

[8] PB C […] van […], blz. […].

[9] PB C […] van […], blz. […].

[10] PB C […] van […], blz. […].

[11] PB C […] van […], blz. […].

[12] PB L 296 van 14.11.2003, blz. 34.

[13] PB L 176 van 15.7.2003, blz. 37.

[14] PB L 176 van 15.7.2003, blz. 57.

[15] PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.

[16] PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

[17] PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

[18] PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.

[19] PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

[20] Met inbegrip van de tweede reeks richtlijnen over het openstellen van de markt, de verordeningen tot harmonisatie van de technische normen die nodig zijn om grensoverschrijdende handel in de praktijk mogelijk te maken en de richtlijnen over de continuïteit van de energievoorziening.

[21] Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement: Vooruitzichten voor de interne gas- en elektriciteitsmarkt, COM(2006) 841.

[22] Mededeling van de Commissie: Sectoronderzoek van de gas- en elektriciteitsmarkten uit hoofde van artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1/2003 (eindrapport), COM(2006) 851.

[23] PB C […] van […], blz. […].

[24] COM(2005) 59.

[25] Als bedoeld in artikel 22 van Richtlijn 2003/55/EG en in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1228/2003.

Top