Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52006AE0956

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor de verspreiding van onderzoeksresultaten (2007-2013) (COM(2005) 705 final — 2005/0277 (COD))

OJ C 309, 16.12.2006, p. 35–40 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)

16.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 309/35


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten aan acties op grond van het zevende kaderprogramma, en voor de verspreiding van onderzoeksresultaten (2007-2013)”

(COM(2005) 705 final — 2005/0277 (COD))

(2006/C 309/08)

De Raad heeft op 1 maart 2006 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikelen 167 en 172, lid 2, van het EG-Verdrag te raadplegen over bovengenoemd voorstel.

De afdeling Interne markt, productie en consumptie, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 31 mei 2006 goedgekeurd. Rapporteur was de heer WOLF.

Het Comité heeft tijdens zijn op 5 en 6 juli 2006 gehouden 428e zitting (vergadering van 5 juli) het volgende advies uitgebracht, dat met 152 stemmen vóór en 1 stem tegen, bij 3 onthoudingen, is goedgekeurd:

1.   Samenvatting

1.1

Het voorstel van de Commissie bevat de eisen, regels en procedures voor ondernemingen, universiteiten, onderzoekscentra of andere rechtspersonen om in aanmerking te komen voor een subsidie van het Zevende Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling.

1.2

Het Comité stemt grotendeels in met de voorgestelde regels; het ontwaart verbeteringen en mogelijkheden voor een onomwonden vereenvoudiging van de administratieve procedures. Voor de nog ontbrekende uitvoeringsbepalingen voor de Commissie zelf, beveelt het Comité aan om met het oog op de gewenste vereenvoudiging, ook hier te werken aan meer uniformiteit en consistente omzetting, bijv. bij de te hanteren criteria.

1.3

Daar de genoemde uitvoeringsbepalingen nog ontbreken, zijn diverse specifieke gevolgen van de voorgestelde regels nog niet te overzien. In die gevallen (bijv. restitutie van extra kosten) stelt het Comité voor om tenminste voorlopig de huidige regeling te handhaven om een eventuele benadeling van betrokken begunstigden te vermijden.

1.4

Het Comité is ingenomen met de voorgenomen nieuwe subsidieplafonds voor de betrokken gebieden en begunstigden. Verheugend is met name dat een en ander tot verbeteringen voor de subsidiëring van het MKB leidt.

1.5

Het Comité stelt voor om alle met publieke middelen gefinancierde onderzoeksinstellingen, ongeacht hun rechtsvorm, gelijk te stellen.

1.6

Het Comité pleit ervoor om toekomstige contractpartners meer vrijheid te gunnen voor de vorm van de overeenkomst, alsook voor de keuze van instrumenten. Het gaat dan met name om de toegangsrechten tot „foreground” (nieuwe kennis en beschermende rechten) en/of tot „background” (bestaande kennis en beschermende rechten) van de contractpartijen. Gratis toegangsrechten moeten wel als optie worden aangeboden, maar niet, zoals voor sommige gevallen voorgesteld is, zonder uitzondering worden opgelegd.

1.7

Voor nadere details wordt verwezen naar hoofdstuk 4.

2.   Inleiding

2.1

In haar voorstel voor het Zevende OTO-kaderprogramma (2007–2013) (1), afgekort KP7, heeft de Commissie de doelstellingen, inhoud, thema's en het begrotingskader geschetst voor de geplande stimulering van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie in de vermelde periode. Hierover, alsook over de voorbereidende en nog aan te vullen voorstellen van de Commissie, met name voor de zgn. Specifieke programma's (2), heeft het Comité al adviezen (3) uitgebracht.

2.2

Het onderhavige voorstel van de Commissie omvat thans de eisen, regels en procedures aan de hand waarvan ondernemingen, universiteiten, onderzoekscentra en andere rechtspersonen kunnen deelnemen aan de acties van het Zevende OTO-kaderprogramma, dat wil zeggen in aanmerking komen voor subsidie uit dit programma.

2.3

Wezenlijk in dit verband is het streven van de Commissie om de met de stimulering van onderzoek verbonden administratieve procedures te vereenvoudigen. In eerdere adviezen heeft het Comité dit oogmerk al toegejuicht en onderschreven; het heeft zelf opnieuw aanbevolen om deze procedures te vereenvoudigen en de hiermee gepaard gaande kosten te reduceren om zo de efficiëntie van de Europese onderzoeksprogramma's te verbeteren. „Tegenwoordig zijn er te veel kosten en mankracht gemoeid met de aanvraag- en goedkeuringsprocedures, die betrokkenen uit wetenschap en industrie met problemen confronteren. Deelname aan het Europese onderzoeksprogrammainclusief het risico van het indienen van projectaanvragenmoet voor de deelnemers de moeite waard zijn. Dit geldt met name voor kleinere spelers zoals het MKB of kleine onderzoeksgroepen aan universiteiten en in onderzoekscentra.”  (4) De voorgestelde regels voor deelname dienen dus uitdrukkelijk ook de beoogde vereenvoudiging op te leveren.

2.4

Onderhavig Commissievoorstel beschrijft dus de relevante regels voor het streven om de door de Gemeenschap ter beschikking gestelde middelen voor onderzoek en ontwikkeling (KP7) zo doeltreffend, succesvol en rechtvaardig mogelijk te besteden.

2.5

Deze regels voor de deelname van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten moeten aldus een coherent en transparant kader vormen voor een efficiënte uitvoering van het Zevende Kaderprogramma en een vlotte toegang hiertoe voor alle deelnemers waarborgen. Zo dient een breed spectrum van ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten te worden gestimuleerd en de deelname van actoren uit perifere gebieden van de Unie mogelijk te worden.

3.   Inhoud van het Commissievoorstel

3.1

De door de Commissie voorgestelde regels voor deelname aan het Zevende Kaderprogramma moeten vele aspecten van de vereenvoudiging verwezenlijken en daarbij uitgaan van de principes die in het Zesde Kaderprogramma (KP6) zijn opgenomen. Enkele belangrijke onderdelen worden in dit hoofdstuk beknopt geschetst.

3.2

Het Commissievoorstel bestaat uit: inleidende bepalingen, voorwaarden voor deelname aan acties onder contract en bijbehorende procedures, de communautaire financiële bijdrage, regels voor verspreiding en gebruik van de resultaten, toegangsrechten tot back- en foreground, en bepalingen betreffende de Europese Investeringsbank.

3.3   Voorwaarden voor deelname aan acties onder contract

3.3.1

Aan acties onder contract moeten ten minste drie rechtspersonen deelnemen, die elk in een lidstaat of geassocieerd land zijn gevestigd, en waarvan er geen twee in dezelfde lidstaat of geassocieerd land zijn gevestigd.

3.3.2

Voor coördinatie- en ondersteuningsacties, en acties ten behoeve van de opleiding en loopbaanontwikkeling van onderzoekers is de minimumvoorwaarde deelname van één rechtspersoon.

3.3.3

Voor acties onder contract ter ondersteuning van door onderzoekers aangestuurde „grensverleggende” onderzoeksprojecten die worden gefinancierd in het kader van de Europese Onderzoeksraad is de minimumvoorwaarde deelname van één in een lidstaat of in een geassocieerd land gevestigde rechtspersoon.

3.4   Communautaire financiële bijdrage

3.4.1

Voor activiteiten inzake onderzoek en technologische ontwikkeling mag de communautaire financiële bijdrage maximaal 50 % van de totale subsidiabele kosten bedragen.

3.4.1.1

Bij overheidsinstanties, instellingen voor middelbaar en hoger onderwijs, onderzoeksorganisaties (5) en kleine en middelgrote ondernemingen mag deze echter maximaal 75 % van de totale subsidiabele kosten bedragen.

3.4.2

Voor demonstratieactiviteiten mag de communautaire financiële bijdrage maximaal 50 % van de totale subsidiabele kosten bedragen.

3.4.3

Voor activiteiten die worden ondersteund door middel van acties voor grensverleggend onderzoek, coördinatie- en ondersteuningsacties en acties ten behoeve van de opleiding en loopbaanontwikkeling van onderzoekers mag de communautaire financiële bijdrage maximaal 100 % van de totale subsidiabele kosten bedragen.

3.4.4

Voor beheerskosten en auditcertificaten en andere activiteiten die niet vallen onder artikel 33, lid 1, 2 en 3, mag de communautaire financiële bijdrage maximaal 100 % van de totale subsidiabele kosten bedragen.

3.4.5

Voor netwerken van excellentie wordt een speciaal forfaitair bedrag voorgesteld. Op grond van de regels voor deelname gaat het om een vast bedrag, dat berekend wordt volgens het aantal in het netwerk van excellentie te integreren onderzoekers en de duur van de actie.

3.5   Verdere regels

De regels bepalen de procedures voor het uitschrijven van uitnodigingen tot het indienen van projectvoorstellen, alsook procedures voor indiening, evaluatie, selectie en gunning van voorstellen.

Het tijdens vorige kaderprogramma's ontwikkelde evaluatieproces blijft zonder substantiële wijzigingen bestaan. De Commissie zal een model van subsidieovereenkomst voorbereiden waarin de rechten en verplichtingen van de deelnemers ten opzichte van de Commissie en elkaar zullen worden vastgesteld.

Drie subsidievormen worden voorgesteld: terugbetaling van subsidiabele kosten, forfaitaire bedragen en financiering tegen vast tarief. Voor acties voor grensverleggend onderzoek zal de Wetenschappelijke Raad van de Europese Onderzoeksraad aangepaste financieringsmodaliteiten voorstellen.

3.6

Ten aanzien van verspreiding, gebruik en toegangsrechten (eigendom, bescherming, publicatie, verspreiding en gebruik, en toegangsrechten voor back- en foreground) is continuïteit van het grootste belang. Wijzigingen dienen de deelnemers meer flexibiliteit te bieden tijdens de afwikkeling van het project. De mogelijkheid blijft bestaan om background uit te sluiten en andere voorwaarden te bepalen dan die welke in de regels zijn vastgesteld. De coherentie van de verspreidings- en publicatie-eisen is verbeterd.

3.7

Zoals al in het 6e OTO-Kaderprogramma (KP6) het geval was, hebben de deelnemers aan een consortium de verantwoordelijkheid om de hun toevertrouwde taken volledig uit te voeren, zelfs indien één van de deelnemers verzuimt te voldoen aan de opgedragen taken. Het in KP6 voor de meeste acties ingevoerde beginsel van hoofdelijke aansprakelijkheid wordt echter niet gehandhaafd. Afhankelijk van een beoordeling van de aan de Europese onderzoeksfinanciering inherente risico's voor de communautaire begroting kan een mechanisme worden ingevoerd ter dekking van het financiële risico van het feit dat een deelnemer verzuimt een aan de Gemeenschap verschuldigd bedrag terug te betalen. Er moeten dan ook alleen bankgaranties worden gevraagd in het zeldzame geval dat de prefinanciering meer dan 80 % van de subsidie uitmaakt.

4.   Opmerkingen van het Comité

4.1

Vereenvoudiging. Het Comité onderschrijft de zeer belangrijke doelstelling om alle procedures die tot nu toe door de Commissie werden toegepast of door haar van de OTO-betrokkenenen werden geëist, te vereenvoudigen. De verdere opmerkingen zijn bedoeld als constructieve bijdrage hieraan. Het Comité beseft dat de verwezenlijking van deze doelstelling geen sinecure is, gezien de algemene begrotingsvoorschriften en het ook door het Comité onderschreven streven naar transparantie. Het zou zeer wenselijk zijn als met speciale proefprojecten binnen de mogelijkheden die de wet biedt, nog verder vereenvoudigde administratieve procedures worden beproefd; de aldus opgedane ervaring kan van nut zijn voor toekomstige maatregelen.

4.1.1

Verbeteringen. Het Comité waardeert het dat de Commissie zich inzet voor de verwezenlijking van dit doel en voor de optimale onderzoeksfinanciering door de Gemeenschap. Het stelt dan ook op vele punten van de gepresenteerde voorstellen duidelijke verbeteringen vast ten opzichte van de huidige aanpak, bijv. bij de terugbetaling van subsidiabele kosten (artikel 30 en 31) en bij de subsidievormen, en ook in de subsidie-overeenkomsten, contracten en aanstellingsbrieven (artikel 18 en 19); maar in het laatste geval slechts indien ook de voorschriften voor betaling en vooral voor de verslaglegging vereenvoudigd worden. In dit verband wijst het EESC op zijn eerdere aanbevelingen voor vereenvoudiging (6), die ook betrekking hadden op de wens om de door de Commissie vereiste procedures inhoudelijk en wat de termijnen betreft af te stemmen op de procedures van andere subsidieverstrekkers of toezichthouders (7).

4.1.2

Standaardisatie. Het streven naar sterkere uniformering van procedures, bijv. van de door de Commissie toegepaste of vereiste procedures voor kostenregistratie of controle van de solvabiliteit, komt ook de vereenvoudiging ten goede. Deze inspanningen kan het Comité, met het oog op de gemeenschappelijk interne markt en op een verbeterde rechtszekerheid volledig onderschrijven (8). Helaas zal het niet tot een volledige uniformering komen zolang de verschillende begunstigden in de diverse lidstaten, zoals universiteiten, niet (min of meer) hetzelfde betalingssysteem hanteren.

4.2

Verdere voorschriften en maatregelen. Vereenvoudiging en standaardisatie vergen evenwel nog meer maatregelen van de Commissie, die in het huidige voorstel pas aangekondigd worden, zie bijv. artikel 16, lid 4: „De Commissie dient regels goed te keuren en te publiceren om consistente verificatie van het bestaan en de rechtspositie van deelnemers aan acties onder contract alsmede van hun financiële geschiktheid te verzekeren.” Aangezien deze aanvullende regels (hierna „uitvoeringsbepalingen van de Commissie”) nog ontbreken, kan nu in enkele gevallen nog niet beoordeeld worden wat de gevolgen zullen zijn voor de hiervan afhankelijke voorstellen van de Commissie.

4.2.1

Uniforme interpretatie en criteria. Het Comité gaat er verder van uit dat een uniforme interpretatie van de uitvoeringsbepalingen van de Commissie, met name van de juridische en financiële bepalingen van de projecten, in alle betrokken diensten van de Commissie gewaarborgd is, en dat deze regels dus verder bijdragen aan vereenvoudiging en standaardisatie en niet resulteren in benadeling van OTO-actoren ten opzichte van de huidige methoden. In het algemeen beveelt het Comité aan om de marges voor interpretatie in het onderhavige Commissievoorstel ten gunste van de rechtszekerheid op te heffen door nadere preciseringen in de uitvoeringsbepalingen van de Commissie.

4.2.2

Steunmaatregelen. De door de Commissie al aangeboden en voorgestelde „helpdesks” en „coördinatiecentra” moeten ervoor zorgen dat de door de Commissie verspreide inlichtingen consistent en uniform zijn. Het Comité vindt dit een heel belangrijk en nuttig initiatief. Er moet wel op gelet worden dat ook tijdens de procedures bij de Commissie en de desbetreffende eisen en besluiten van de „project officers” consistent te werk wordt gegaan.

4.2.3

Verslaglegging. Zo moet vermeden worden dat — duidelijk gemotiveerde uitzonderingsgevallen daargelaten — Project Officers naast de in de regels genoemde verslagen extra, tussentijdse verslagen verlangen of dat identieke informatie in diverse verslagen in steeds andere vorm moet worden verstrekt (9). Het is tevens zaak te komen tot een uniforme verslaglegging; het gaat immers om de inhoud en niet om de vorm.

4.2.4

Tussentijdse evaluatie (midterm assessment). Desondanks raadt het Comité aan om, gelet op de geplande looptijd van het Zevende KP van 7 jaar, halverwege een evaluatie te maken van het programma alsook van de regels voor deelname, om eventueel noodzakelijke aanpassingen aan te kunnen brengen.

4.2.5

Project officers. Een belangrijke voorwaarde voor vereenvoudiging, standaardisatie en in het algemeen voor doeltreffende administratieve procedures is tevens dat de project officers, ook in verband met de vereiste continuïteit (zie volgende paragraaf) beschikken over een uitstekende vakkennis en over kennis van de betrokken actoren. Het is onvoldoende als de project officers zich zouden beperken tot een zuiver administratieve functie zonder brede vak- en milieukennis. Het Comité verwijst naar zijn herhaalde aanbevelingen (10) hierover (11).

4.3

Continuïteit. Aangezien elke nieuwe regeling een onderbreking van de continuïteit met bijkomende disfuncties tot gevolg heeft, moet zorgvuldig worden nagegaan of de door de Commissie voorgestelde wijzigingen inderdaad leiden tot een duidelijk beter functionerend systeem waarbij de ontstane verliezen niet al te zwaar wegen, of dat de bestaande regeling moet worden gehandhaafd. Het Comité onderschrijft dat veel van de regels die hun waarde hebben bewezen, in het Commissievoorstel moeten worden gehandhaafd. Van sommige wijzigingsvoorstellen is echter niet duidelijk of ze, in vergelijking met de tot nu toe geldende regels, inderdaad een verbetering opleveren. In deze gevallen bepleit het Comité continuïteit.

4.4

Communautaire financiële bijdrage — terugbetaling van kosten en subsidievormen In afwachting van een bevredigende toelichting op de nog open vragen (zie bijv. par. 4.5), stelt het Comité in de desbetreffende Commissievoorstellen veel verbeteringen vast, die het onderschrijft.

4.4.1

MKB. Het Comité is zeer ingenomen met het voorstel (art. 33, lid 1, tweede zin) om de subsidieplafonds voor bijv. het MKB (12) op te trekken van 50 % naar 75 %. Het beschouwt dit als een erkenning van vroegere aanbevelingen om het MKB meer en beter bij het Zevende OTO-Kaderprogramma te betrekken teneinde zo ook voor meer samenwerking tussen het MKB en onderzoeksinstituten te zorgen (13).

4.4.2

Hogescholen etc. Het stemt het Comité tevens tevreden dat de financieringsplafonds ook voor overheidsinstanties, instellingen voor middelbaar en hoger onderwijs en onderzoeksorganisaties bij 75 % van de kosten komt te liggen (eveneens art. 33, lid 1, tweede zin). Het Comité bepleit een duidelijker structuur van dit artikel om beter onderscheid te kunnen maken tussen naar winst strevende contractpartners en non-profitpartners.

4.4.3

Gemiddelde tarieven voor personeelskosten. De mogelijkheid voor deelnemers om uit te gaan van gemiddelde personeelskosten (art. 31-3, sub a)) beschouwt het Comité als een voordeel, gelet op vereenvoudiging.

4.4.4

Managementkosten. In verband met de vereiste continuïteit acht het Comité het positief dat de tot nu toe volledige restitutie van managementkosten wordt gehandhaafd. Het voorstel om de huidige bovengrens van 7 % voor deze kostensoort onbeperkt te laten vervallen, lijkt echter problematisch, als niet anderszins zeer strenge criteria worden aangelegd voor de desbetreffende managementkosten. Anderzijds is het waar dat de 7 %-grens tot nu toe te laag bleek, juist vanwege de vereiste formaliteiten op het gebied van administratie, coördinatie enz. Er moet evenwel vermeden worden dat onbeperkte terugbetaling van alle administratieve kosten uitmondt in een ongewenste stijging van de rompslomp; doel is immers juist een reductie hiervan.

4.5

Extra kosten bij universiteiten. Volgens het Commissievoorstel komt de tot nu toe bestaande mogelijkheid voor universiteiten en soortgelijke onderzoeksorganisaties te vervallen om 100 % van de zgn. extra of meerkosten (additional cost) (14) vergoed te krijgen. Hoewel in plaats daarvan andere verrekeningsmodellen beschikbaar zijn, acht het Comité de voorgestelde afschaffing problematisch. Deze instituten beschikken immers in de regel niet over een adequate analytische boekhouding voor het vaststellen van de totale kosten (full cost) (15). Bovendien kan voor het door de Commissie als alternatief voorgestelde forfait nog niet beoordeeld worden of dit tot een achteruitgang leidt, aangezien de hiervoor benodigde uitvoeringsbepalingen van de Commissie nog ontbreken (zie hierboven). Het Comité beveelt deze instellingen, voorzover ze geen verrekening van volledige kosten hebben, daarom aan om de tot nu toe geldende regeling met volledige restitutie van bijkomende kosten te handhaven, zolang nog niet vaststaat of andere verrekeningsmodellen (16) niet tot een verslechtering leiden.

4.6

Rechtsvorm van de onderzoeksorganisaties. Volgens het Comité moeten onderzoeksorganisaties die voor hun basisfinanciering aangewezen zijn op de overheid, ongeacht hun rechtsvorm in elk opzicht (en in alle artikelen, zoals art. 33, lid 1 en art. 38, lid 2) gelijk behandeld worden. Dat betekent bijv. dat privaatrechtelijke non-profit onderzoeksorganisaties of onderzoekscentra, waarvan de staat de basisfinanciering voor zijn rekening neemt (17), gelijkgesteld moeten worden met publiekrechtelijke organisaties. Per slot van rekening is de keuze van de — uit de optiek van lidstaten — ideale rechtsvorm van zulke onderzoeksinstellingen het besluitvormingsvoorrecht van de lidstaten. Deze keuze mag in geen geval tot verschillen in de communautaire onderzoeksfinanciering leiden.

4.7

Intellectueel eigendom. In de voorgestelde regeling (artikel 39 tot 43) dient te worden gewaarborgd dat intellectuele-eigendomsrechten die berusten op onderzoeksresultaten die met Europees belastinggeld gefinancierd zijn, niet ongecontroleerd overdraagbaar zijn op ondernemingen buiten Europa.

4.7.1

Openbronsoftware. Software die in het kader van communautair gesubsidieerde onderzoeksprojecten ontwikkeld wordt, kan tegenwoordig in het algemeen slechts dan op grote schaal verspreid en toegepast worden, en dus kans maken op commerciële versies of diensten, als ze als „open bron” wordt aangeboden. Hiertoe dient het consortium de grootst mogelijke speelruimte te krijgen bij de licentievoorwaarden.

4.8

Toegangsrechten. Bij de toegangsrechten (artikel 48 tot 52) (18) voor nieuwe kennis en beschermende rechten („foreground”) en/of bestaande kennis en beschermende rechten („background”) van de contractpartners gaat het niet om toegangsrechten tot alle kennis en beschermende rechten van een contractpartner (bijv. universiteit of onderzoekscentrum), maar slechts om die kennis en beschermende rechten die berusten op de (voorbereidende) werkzaamheden van de bij het desbetreffende gemeenschappelijke project betrokken organisatie of groep(en) en die voor de andere deelnemers nodig zijn om hun werk in het kader van de actie onder contract uit te voeren. Het Comité is dan ook ingenomen met art. 48, dat de mogelijkheid biedt zulks bij elk project afzonderlijk vast te stellen en aan de hand van een plus- en/of minlijst  (19) tussen de contractpartners vast te leggen. Met pluslijsten kan ook worden vermeden dat „backgrounds” aan het licht komen waarvan de vertrouwelijkheid moet worden gegarandeerd. Om het project geen onnodige vertraging te laten oplopen, zou het evenwel zinvol zijn om voor deze afspraken een termijn van bijv. maximaal 6 maanden na de lancering van het project te hanteren.

4.9

Gratis toegangsrechten tot kennis en beschermende rechten. Het Comité heeft bezwaren tegen regelingen die zonder uitzondering gratis toegang tot kennis en beschermende rechten mogelijk maken. Het beveelt in het algemeen aan om projectpartners zoveel mogelijk speelruimte toe te staan om ze optimale afspraken te laten maken. Zo kan het bijv. nuttig zijn om ook OTO-actoren gratis toegangsrechten te verlenen.

4.9.1

Bestaande kennis en beschermende rechten voor de uitvoering van een actie. Het Comité steunt in beginsel het voorstel om OTO-actoren steeds gratis toegang te verlenen tot reeds bestaande kennis en beschermende rechten, voorzover deze vereist zijn voor de uitvoering van een actie onder contract. Toch kan een exclusieve regeling in deze vorm sommige actoren voor problemen stellen. Daarom stelt het Comité voor om de laatste zin van artikel 50, lid 2, te veranderen. (20)

4.9.2

Bestaande kennis en beschermende rechten voor het gebruik van nieuwe kennis en beschermende rechten. Het voorstel om OTO-actoren steeds gratis toegang te verlenen tot reeds bestaande kennis en beschermende rechten, die nodig is voor het gebruik van nieuwe kennis en beschermende rechten, stuit echter op problemen. Reeds bestaande kennis en beschermende rechten zijn verworven met eigen middelen van OTO-actoren, of met middelen van eerdere subsidieverleners resp. met publieke middelen van een lidstaat; zij zijn dus onderworpen aan desbetreffende verplichtingen en voorschriften (21). Als de door de Commissie voorgestelde regeling wordt toegepast, dan is de kans aanwezig dat juist zeer krachtige OTO-actoren en actoren met grote knowhowmogelijkheden, niet kunnen of willen deelnemen en dus van deelname worden uitgesloten. Het Comité beveelt daarom aan om artikel 51, lid 5, geheel te schrappen of aan te passen (22).

4.9.3

Grensverleggend onderzoek. Hoewel het in dit soort onderzoek meestal O&O-werkzaamheden voor fundamenteel onderzoek betreft, heeft het Comité er herhaaldelijk op gewezen dat de grenzen tussen fundamenteel onderzoek en de toepassing ervan dikwijls (23) vaag zijn. Daarom zijn dezelfde, hierboven genoemde negatieve effecten te verwachten. Dit moet absoluut vermeden worden en in de regelgeving de nodige aandacht krijgen. Het Comité beveelt derhalve aan om artikel 52, lid 1, geheel te schrappen of in deze zin aan te passen (24).

4.9.4

Specifieke groepen. In het Commissievoorstel ontbreekt een omschrijving van de werkzaamheden van specifieke groepen. In de toelichting hierop dienen deze werkzaamheden in ieder geval niet te worden gecombineerd of, nog erger, te worden gelijkgesteld aan de werkzaamheden voor grensverleggend onderzoek.

4.10

Vrije keus van instrumenten. Het Comité herhaalt zijn aanbeveling (25) om projecten niet al van tevoren aan bepaalde instrumenten te koppelen, maar ervoor te zorgen „dat aanvragers van onderzoeksprojecten de instrumenten telkens aan de vereiste optimale vormgeving en omvang moeten kunnen aanpassen. Alleen op die manier kan worden voorkomen dat projecten worden uitgewerkt waarvan vormgeving en omvang worden afgestemd op de te gebruiken instrumenten in plaats van op de vereiste optimale technisch-wetenschappelijke omstandigheden. Voorts moeten de instrumenten de werkomstandigheden van de onderzoekers en de verwezenlijking van de O&O-doelstellingen ten goede komen. Van het omgekeerde mag in geen geval sprake zijn.” In die zin moeten er verder met name ook Specific Targeted Research Projects (STREP's) komen, omdat deze vooral zeer geschikt zijn voor de deelname van het MKB en kleinere onderzoeksgroepen.

4.11

Schrappen van hoofdelijke aansprakelijkheid. Het Comité is verheugd dat wordt afgestapt van het beginsel van hoofdelijke aansprakelijkheid; het herinnert eraan dat het al in zijn desbetreffende aanbevelingen (26) voor het 6e Kaderprogramma deze kwestie aan de orde heeft gesteld.

4.11.1

Risicofonds. Het Comité stemt dan ook in met het voor de dekking van eventueel niet-terugbetaalde bedragen in te stellen risicofonds, waarin (artikel 38, lid 1) een klein percentage van de subsidie voor acties onder contract moet worden gestort. Wel zou de Commissie er goed aan doen om de voorgenomen omvang van het — naargelang het risico te bepalen — percentage aan te geven bij publicatie van de aanbesteding. Positief is volgens het Comité ook dat eventuele overschotten van het geplande fonds als bestemmingsontvangsten naar het Kaderprogramma terugvloeien.

4.11.2

Afschaffing. Het Comité beveelt evenwel aan om voor alle onderzoeksinstituten waarvan de basisfinanciering van de staat afkomstig is (27), de bijdragen voor het risicofonds af te schaffen (overeenkomstig artikel 38, lid 2), en wel ongeacht hun rechtsvorm.

4.11.3

Afgebroken projecten. Het Comité wijst tegelijkertijd op de (in artikel 18, lid 4) voorgestelde technische hoofdelijke aansprakelijkheid van de projectpartners. Volgens het Comité moet ook een consortium kunnen besluiten om een project eventueel stop te zetten, indien voortzetting van het project om wetenschappelijk-technische redenen of in verband met te hoge financiële lasten niet meer zinvol of haalbaar is. Artikel 18, lid 4 en 5, moeten in deze zin veranderd worden.

4.12

Programmacomités. De Commissie deelt in haar voorstel mee dat de programmacomités ter wille van kortere procedures niet meer de voor subsidie voorgedragen projecten zullen goedkeuren. Dit moet naar het oordeel van het Comité alleen gebeuren als de Commissie de mening van de deskundigen bij de selectie van projecten volgt. Zo niet, alsook bij de goedkeuring van de werkprogramma's en de toewijzing van de middelen, dienen de hiervoor bevoegde programmacomités hun toestemming te blijven geven. Een compromis zou kunnen zijn dat het programmacomité na afronding van de evaluatie een „plan voor de uitvoering van de aanbesteding” („call implementation plan”) krijgt voorgelegd waarover het zich beraadt en een officieel besluit neemt. Dit zou geen tijdverlies veroorzaken, omdat het programmacomité niet meer over afzonderlijke projecten zou beslissen.

4.13

Subsidieovereenkomsten. De desbetreffende bepaling (art. 19, lid 8), heeft betrekking op het Handvest voor onderzoekers en de Gedragscode voor de rekrutering van onderzoekers. Het Comité merkt op dat dit handvest slechts de status van aanbeveling heeft en op deze manier dus niet bindend mag worden. Verder wijst het Comité erop dat het weliswaar met veel onderdelen van het handvest instemt, maar dat het tegelijkertijd, met name gelet op overtollige regelgeving en enkele onduidelijke criteria, een herziening had bepleit (28).

4.14

Europese Investeringsbank. Het Comité is ingenomen met het voorstel (inclusief de bijbehorende procedures) om de Europese Investeringsbank financiële steun toe te kennen voor het dekken van risico's van kredieten die onder de onderzoeksdoelstellingen van het Zevende OTO-Kaderprogramma vallen. Zulke leningen zouden vooral moeten worden gebruikt voor demonstratieprojecten (bijv. op het gebied van energie- of veiligheidsonderzoek).

Brussel, 5 juli 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Anne-Marie SIGMUND


(1)  COM(2005) 119 final.

(2)  COM(2005) 439, 440, 441, 442, 443, 444, 445 final.

(3)  PB C 65 van 17.3.2006 en CESE 583/2006.

(4)  PB C 65 van 17.3.2006.

(5)  In het Commissievoorstel wordt het begrip „onderzoeksorganisatie” in artikel 2, lid 3, omschreven; elders worden ook de begrippen „onderzoeksinstelling” en „onderzoekscentrum” als synoniem gebruikt.

(6)  PB C 110 van 30.4.2004,

PB C 157 van 28.6.2005,

PB C 65 van 17.3.2006.

(7)  PB C 157 van 28.6.2005. Vermijden dat instanties hetzelfde werk doen of overlappende werkterreinen hebben.

(8)  Het zou zeer te wensen zijn dat de betalingsprocedures voor alle communautaire steunmaatregelen, inclusief het CIP-programma of de Structuurfondsen, meer gestandaardiseerd werden; dit valt echter buiten het kader van dit Commissievoorstel.

(9)  Zie ook beide vorige voetnoten.

(10)  PB C 204 van 18.7.2000.

(11)  Zie voetnoot 6.

(12)  Zoals ook voor openbare instellingen, hogescholen, instellingen voor secundair onderwijs en onderzoeksorganisaties.

(13)  In dit verband verwijst het Comité naar zijn aanbeveling om in het octrooirecht weer een „gedoogperiode” (Engl: grace period) in te voeren. Zie CESE 319/2004, par. 2.5 e.v., PB C 110 van 30.4.2004.

(14)  AC-kostenmodel: verrekening van de subsidiabele directe meerkosten van de contractpartners, plus een forfaitair bedrag voor indirecte kosten, volgens het model voor extra kosten (additional cost, AC). In het zesde OTO-Kaderprogramma (KP6) bedroeg het forfaitair bedrag 20 % van alle directe extra kosten, te verminderen met de kosten van uitbesteding.

(15)  FC-kostenmodel: verrekening van de subsidiabele directe en indirecte kosten van de contractpartners volgens het model voor volledige kosten (Full Cost model, FC); speciaal geval: het FCF-model: verrekening van de subsidiabele directe kosten van de contractpartners, te vermeerderen met een forfaitair bedrag voor indirecte kosten, volgens het model voor volledige kosten met forfaitair bedrag (Full Cost Flat rate model, FCF). Het forfait bedraagt 20 % van alle directe kosten, te verminderen met de kosten voor uitbesteding. De totale kosten worden bij alle kostenmodellen in KP6 (FC, FCF en AC) berekend door directe en indirecte kosten bij elkaar op te tellen.

(16)  Het mogelijke forfait (flat rate) ter dekking van indirecte kosten (overhead) in artikel 32 moet in ieder geval vastgelegd worden voor OTO-activiteiten met ten minste 20 % subsidiabele directe kosten, verminderd met de kosten voor uitbesteding. Deze regeling gold al binnen het 6e OTO-Kaderprogramma voor FCF- en AC-verrekenaars en moet worden gehandhaafd ter wille van de continuïteit en vooral van de uiteenlopende boekhoudsystemen van de deelnemende organisaties.

(17)  In Duitsland bijv. onderzoeksorganisaties als de Helmholtz-Gemeinschaft, de Fraunhofer-Gesellschaft, de Leibniz-Gemeinschaft of de Max-Planck-Gesellschaft; voor Nederland valt te denken aan de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO).

(18)  Het Comité wijst erop dat de Duitse versie van het Commissievoorstel t.o.v. de Engelse versie vertaalfouten bevat waar het gaat om de artikelen 50-1 en 51-1. In onderhavig EESC-advies is op dit punt uitgegaan van de wèl juiste Engelse versie.

(19)  Pluslijst: vermelding van alle kennis of kennisgebieden die toegankelijk moeten worden gemaakt. Minlijst: vermelding van alle kennis of kennisgebieden die NIET toegankelijk moeten worden gemaakt.

(20)  De laatste zin van artikel 50, lid 2, zou bijv. als volgt kunnen luiden: „OTO-uitvoerders verlenen echter toegangsrechten voor background vrij van auteursrechten, tenzij alle deelnemers in gemotiveerde uitzonderingsgevallen anders overeengekomen zijn, voor hun toetreding tot de subsidieovereenkomst.”

(21)  Bijv. in Duitsland de wet op uitvindingen door werknemers.

(22)  Een mogelijkheid is: „OTO-uitvoerders verlenen toegangsrechten voor background die nodig is om de in de actie onder contract gegenereerde foreground te gebruiken vrij van auteursrechten, tenzij alle deelnemers anders overeengekomen zijn, voor hun toetreding tot de subsidieovereenkomst.”

(23)  Bijv. op het gebied van microbiologie, lasers, ICT.

(24)  Artikel 52, lid 1, zou als volgt kunnen luiden: „Bij acties voor grensverleggend onderzoek zijn de toegangsrechten voor foreground voor uitvoering van het project vrij van auteursrechten. Toegangsrechten tot foreground voor gebruik dienen tegen eerlijke en redelijke voorwaarden of vrij van auteursrechten te worden verleend, zoals overeengekomen door alle deelnemers voor hun toetreding tot de subsidieovereenkomst”.

(25)  PB C 157 van 28.6.2005.

(26)  PB C 94 van 18.4.2002.

(27)  Zie hiervoor: gelijkstelling van alle onderzoeksinstellingen waarvan de basisfinanciering van de overheid afkomstig is.

(28)  PB C 65 van 17.3.2006.


Top