Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52006AE0585

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (richtlijn mariene strategie) (COM(2005) 505 final — 2005/0211 (COD))

OJ C 185, 8.8.2006, p. 20–24 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)

8.8.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 185/20


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (richtlijn mariene strategie)”

(COM(2005) 505 final — 2005/0211 (COD))

(2006/C 185/04)

De Raad heeft op 29 november 2005 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 175 van het EG-Verdrag te raadplegen over bovengenoemd Voorstel.

De gespecialiseerde afdeling Landbouw, plattelandsontwikkeling en milieu, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 21 maart 2006 goedgekeurd. Rapporteur was mevrouw Sánchez Miguel.

Het Comité heeft tijdens zijn op 20 en 21 april 2006 gehouden 426e zitting (vergadering van 20 april) het volgende advies uitgebracht, dat met 137 stemmen vóór, bij 3 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Het Comité waardeert dit voorstel voor een richtlijn dat deel uitmaakt van de thematische strategie voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu in Europa. Een gedeelte van de al bestaande wetgeving kan hiermee immers worden samengebracht en gecoördineerd. Zo sluit m.n. de relevante methodologie aan bij die van de waterkaderrichtlijn (WKR).

1.2

Toch blijft het Comité kritisch staan tegenover dit voorstel, dat meer dan welkom is maar niet ver genoeg gaat. Onze zeeën en oceanen zijn er zo slecht aan toe dat meer dwingende regels noodzakelijk zijn, zodat de naleving van de al bestaande bepalingen kan worden afgedwongen en gecontroleerd. Bovendien wordt de toestand van het mariene milieu met dit voorstel maar gedeeltelijk aangepakt. Een kaderrichtlijn zou het doel beter dienen: daarmee kunnen immers ook de aspecten die nu buiten beschouwing blijven, worden aangepakt en in een later stadium diepgaand worden behandeld.

1.3

Er wordt enkel gebruik gemaakt van al bestaande wetgevende en beheersinstrumenten. De lidstaten hoeven dus geen nieuwe financiële middelen vrij te maken en de bureaucratische rompslomp blijft beperkt. Een ander pluspunt is dat de Commissie vasthoudt aan de regelingen voor participatie en deelname van het publiek en de betrokken partijen, die onmisbaar zijn om de burger meer inspraak te geven bij de behandeling van milieuthema's.

1.4

Namens het maatschappelijk middenveld wil het Comité in dit advies een aantal aanbevelingen formuleren om de richtlijn inhoudelijk te verbeteren.

1.4.1

De regionale autoriteiten zijn verantwoordelijk voor de evaluatie en programmering van de doelstellingen en acties ten aanzien van het mariene milieu, binnen de grenzen van hun bevoegdheden. Het is dus eerst en vooral zaak de coördinatie- en controleactiviteiten van de Commissie in dit verband duidelijk af te bakenen en te versterken, zodat de maatregelen in alle kustgebieden op elkaar worden afgestemd en met elkaar in evenwicht zijn. Onze zeeën en oceanen kennen immers geen grenzen. Verder zou ook coördinatie op centraal niveau nuttig zijn, zodat de EU waar haalbaar invloed zou kunnen uitoefenen op derde landen, m.n. die landen waarmee internationale overeenkomsten zijn afgesloten.

1.4.2

De Commissie geeft een aantal definities op basis van algemene kwalitatieve descriptoren. Het Comité meent evenwel dat ook gebruik moet worden gemaakt van kwantitatieve descriptoren, m.n. voor de definitie van een goede milieutoestand van het mariene milieu, net als in de WKR is gedaan voor de binnenwateren. Kwantiteit is immers een doorslaggevende factor voor de toestand van het mariene milieu. Zoals opgemerkt in par. 5.5 zou de Commissie op zijn minst de milieudoelstellingen uit de mededeling van 2002 moeten overnemen. Het huidige voorstel is in dit opzicht veel te algemeen, waardoor het nooit voor 100 procent efficiënt zal zijn.

1.4.3

De bepaling inzake speciale gebieden, waar de milieustreefdoelen niet kunnen worden gerealiseerd, is erg dubbelzinnig en kan in de praktijk misbruik in de hand werken. Er dient volstrekt ondubbelzinnig en nauwkeurig te worden aangegeven waarom een bepaald gebied onder deze noemer valt, en welke procedures de Commissie zal volgen bij de goedkeuring van de motivering.

1.5

Ten slotte zij nog gewezen op twee punten die van groot belang zijn voor een efficiënte realisatie van de hier voorgestelde doelstellingen. Zo zou op de eerste plaats onmiddellijk uitvoering moeten worden gegeven aan alle eerder vastgelegde maatregelen die van invloed zijn op het mariene milieu, zoals de maatregelen in het kader van de pakketten ERIKA I, II en III, en dan vooral de aanwijzing van havens waar schepen in geval van nood terecht kunnen, de uitbreiding van een trans-Europees netwerk om het zeevervoer te bewaken, de invoering van systemen waarmee controle kan worden uitgeoefend op de landen waar de boten geregistreerd staan, en onderzoek naar en inventarisatie van in zee gedumpt afval (inclusief bommen en vaten met radioactieve producten), enz.

1.5.1

Tweede aandachtspunt is onderzoek op het gebied van het mariene milieu. Door de kennis terzake te vermeerderen en te verbeteren kunnen de doelstellingen worden verduidelijkt en kunnen actieprogramma's worden vastgesteld om het milieu weer gezond te maken. In dit verband is meer participatie in de Europese kaderprogramma's voor onderzoek noodzakelijk.

2.   Motivering

2.1

Het hier behandelde voorstel voor een richtlijn is gebaseerd op een Commissiemededeling uit 2002 (1), waarin een strategie voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu wordt uiteengezet. Doelstelling is het duurzaam gebruik van de zee te bevorderen en de mariene ecosystemen in stand te houden. Al in het Zesde milieuactieplan werd erop gewezen dat de nodige mechanismen in het leven moeten worden geroepen om het mariene milieu te beschermen en in stand te houden, en dat de doelstelling van een duurzaam gebruik van de zeeën en oceanen niet met losse beleidsmaatregelen kan worden bereikt. Het is duidelijk dat actie niet langer mag uitblijven: tal van de sombere voorspellingen uit het Zesde milieuactieplan zijn bewaarheid, en wel op een manier die de ergste verwachtingen overtreft (2).

2.2

De in bovenvermelde mededeling uiteengezette strategie vertrekt van het standpunt dat het mariene milieu sterk achteruitgaat, wat te wijten is aan een samengaan van factoren: de klimaatverandering, de verontreiniging van de zeeën door gevaarlijke stoffen, de commerciële visserij, de eutrofiëring van ons zeewater, en nog een bijkomend gevaar, nl. de invoering van niet-inheemse soorten. Voegen we daarbij nog de problemen van institutionele aard, zoals de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaten voor hun territoriale wateren, de internationale verdragen die ook een impact hebben op derde landen en de talloze internationale afspraken (3) die moeilijk uit te voeren en te controleren zijn, dan wordt al snel duidelijk dat deze strategie ondanks alle struikelblokken verder moet worden uitgewerkt.

2.3

Samen met het richtlijnvoorstel heeft de Commissie ook een mededeling (4) uitgebracht waarin zij de opstelling van een groenboek over een strategie voor het mariene milieu aankondigt. Het Comité is hierover niet geraadpleegd, maar dringt er bij de Commissie op aan rekening te houden met de opmerkingen en aanbevelingen uit zijn adviezen. Een nieuwe raadpleging lijkt in dit verband de meest voor de hand liggende oplossing. Daarbij kan worden teruggegrepen op eerdere adviezen en de kennis waarover het Comité beschikt i.v.m. alle beleidstakken die van invloed zijn op het mariene milieu (visserij, vervoer, brandstoffen, enz.). Als vertegenwoordiger van het maatschappelijk middenveld spreekt het vanzelf dat het Comité zijn stem wil laten horen.

3.   Samenvatting van de voorstellen

3.1

Het hier behandelde richtlijnvoorstel is bedoeld als instrument voor de tenuitvoerlegging van de strategie voor de bescherming en instandhouding van het mariene milieu. Ook moet de richtlijn bijdragen tot de naleving van de verplichtingen uit hoofde van de internationale overeenkomsten, m.n. de overeenkomsten die de Commissie en de lidstaten zijn aangegaan in het kader van de Verenigde Naties (5) en de regionale verdragen (6).

3.2

Het Commissievoorstel is opgedeeld in vijf hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk, de algemene bepalingen, omschrijft de Commissie het onderwerp (artikel 1), het toepassingsgebied (artikel 2), de mariene regio's en subregio's (artikel 3), de mariene strategieën (artikel 4), de regels voor coördinatie en samenwerking tussen de lidstaten (artikel 5), en de bevoegde instanties (artikel 6).

3.3

Het meest relevante gedeelte uit dit hoofdstuk is artikel 4, waarin wordt bepaald dat elke lidstaat voor elk van zijn maritieme regio's een mariene strategie moet opstellen, die ten minste de volgende elementen moet bevatten:

een initiële evaluatie van de huidige milieutoestand van de betrokken wateren en de milieueffecten van menselijke activiteiten daarop;

een omschrijving van de goede milieutoestand van de betrokken wateren;

de vaststelling van een reeks milieustreefdoelen;

de vaststelling en uitvoering van een programma voor monitoring van de streefdoelen.

Daarnaast moet uiterlijk tegen 2016 een actieprogramma worden uitgewerkt dat erop gericht is het milieu van de zeeën en oceanen gezond te maken.

3.4

In de volgende hoofdstukken worden de mariene strategieën besproken. Hoofdstuk II bevat een aantal bepalingen inzake de voorbereiding van de strategieën, hoofdstuk III is gewijd aan de programma's van maatregelen.

3.4.1

Een eerste vereiste i.v.m. de voorbereiding van de mariene strategieën is dat de lidstaten een initiële evaluatie van hun mariene wateren moeten uitvoeren (artikel 7). Zo moet m.n. een economische en sociale analyse van het gebruik van die wateren en de aan de aantasting van het mariene milieu verbonden kosten worden gemaakt. Verder moeten de lidstaten omschrijven wat zij onder een goede milieutoestand verstaan (artikel 8 en bijlage II) en een aantal milieustreefdoelen vaststellen (artikel 9 en bijlage III). Ten slotte geeft de Commissie aan hoe de monitoringprogramma's moeten worden vastgesteld (artikel 10 en bijlagen II en IV) en op grond van welke elementen zij de voorbereiding al dan niet zal goedkeuren (artikel 11).

3.4.2

In het derde hoofdstuk behandelt de Commissie de programma's van maatregelen die de lidstaten moeten nemen om een goede milieutoestand van de wateren in hun mariene regio's te realiseren (artikel 12 en bijlage V). De maatregelen in kwestie dienen te worden uitgewerkt op basis van de initiële evaluatie. De programma's moeten ter goedkeuring (artikel 15) aan de Commissie worden voorgelegd (artikel 14). Voor de speciale gebieden kunnen ad-hocmaatregelen worden genomen (artikel 13).

3.5

In hoofdstuk 4 wordt bepaald hoe de strategieën voor de verschillende mariene regio's moeten worden geactualiseerd (artikel 16). Ook moeten de lidstaten om de drie jaar een tussentijds verslag indienen (artikel 17). Een bijzondere vermelding verdient artikel 18, waarin wordt bepaald dat het publiek conform Richtlijn 2003/35/EG moet worden geraadpleegd en de nodige informatie moet krijgen. De Commissie zelf is verplicht om beoordelingsverslagen over de uitvoering van de richtlijn op te stellen (artikel 19). Het is de bedoeling dat de Commissie de richtlijn 15 jaar na de inwerkingtreding herziet.

3.6

In het vijfde en laatste hoofdstuk staan de technische bepalingen en wordt uitdrukkelijk verwezen naar de bijlagen (artikel 21) en het comité dat de Commissie moet bijstaan (artikel 22).

4.   Kanttekeningen bij het voorstel

4.1

Het huidige richtlijnvoorstel hangt samen met de al eerder genoemde „Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Naar een strategie voor de bescherming en de instandhouding van het mariene milieu” (dit document wordt behandeld in advies CESE 578/2003). Deze mededeling kan als volgt worden samengevat:

de individuele beleidsmaatregelen van de lidstaten om het marien milieu te verbeteren hebben niet de gewenste uitwerking; integendeel, de toestand van de communautaire zeeën blijft achteruitgaan;

de follow-up van de toestand van de zeeën en oceanen door de lidstaten is niet efficiënt;

de wetenschappelijke kennis van het mariene milieu is ontoereikend; de onderzoeksinspanningen moeten daarom worden opgevoerd;

de criteria en doelstellingen in het kader van de strategie voor de bescherming en het herstel van het mariene milieu zijn duidelijk afgebakend en liggen aan de basis van 23 actievoorstellen.

4.2

De kern van het EESC-advies luidt als volgt:

a)

de mededeling brengt een strategie voor de bescherming en het herstel van het mariene milieu dichterbij;

b)

er ontbreekt echter een duidelijke en efficiënte methodologie, zoals die wel terug te vinden is in de waterkaderrichtlijn;

c)

een dergelijke methodologie, die moet uitgaan van de ecosystemen, zou o.m. moeten bestaan uit een omschrijving van de „goede toestand van de wateren”, een opdeling van het mariene milieu in verschillende gebieden, een definitie van de criteria en mechanismen voor de coördinatie tussen de verschillende overheden, enz.

4.3

In dit opzicht kan worden gesteld dat de strekking van het EESC-advies grotendeels terug te vinden is in het richtlijnvoorstel, zij het dat de Commissie aan bepaalde aspecten een eigen interpretatie geeft. De voorgestelde methodologie sluit aan bij die van de WKR, hoewel er aanzienlijke verschillen zijn op de volgende punten: de rol van de Commissie en de lidstaten en de manier waarop de verschillende onderdelen met elkaar in verband worden gebracht. De Commissie gaat echter niet in op het hoe en waarom van deze wijzigingen, terwijl bepaalde elementen sterk met elkaar in tegenspraak zijn. Twee voorbeelden:

a)

in de mededeling wordt vastgesteld dat de individuele beleidsmaatregelen en de communautaire regelingen niet efficiënt zijn; toch wordt hieraan vastgehouden in het huidige richtlijnvoorstel;

b)

in de mededeling worden alle elementen, doelstellingen en acties grondig omschreven, terwijl dat in het richtlijnvoorstel veel op'pervlakkiger gebeurt.

4.4

Het huidige richtlijnvoorstel is in de ogen van het Comité:

a)

noodzakelijk maar niet voldoende voor de bescherming en het herstel van alle zeeën en oceanen die voor de EU van belang zijn (dus niet alleen de wateren die onder de jurisdictie van de EU vallen);

b)

een degelijke basis, die op heel wat belangrijke punten nog moet worden uitgediept;

c)

onvolledig; om de kaderrichtlijn te vervolledigen en de nodige diepgang te geven moeten dus nog een aantal nieuwe elementen aan het voorstel worden toegevoegd.

4.5

De lidstaten zijn zo goed als volledig verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn. De Commissie heeft een sturende functie, wordt door de lidstaten op de hoogte gehouden van de acties, en aanvaardt of verwerpt mutatis mutandis de definities van de milieutoestand, de milieudoelstellingen en de indicatoren, de monitoringprogramma's en de programma's van maatregelen waarin ook de speciale gebieden worden vermeld.

4.6

De Commissie stelt geen nieuwe wetgevende of beheersinstrumenten in, maar beperkt zich tot de op communautair niveau en in het kader van de door de EU ondertekende internationale overeenkomsten bestaande instrumenten.

4.7

Er wordt aangegeven hoe de lidstaten ervoor kunnen zorgen dat het publiek en de betrokken partijen een stem in het kapittel krijgen.

5.   Specifieke opmerkingen

5.1

De ervaring die is opgedaan met de toepassing van de meest ambitieuze Europese wetgeving op milieugebied (WKR, IPPC-richtlijn) toont aan dat de Commissie niet alleen controle moet uitoefenen, maar zich ook moet bezighouden met de coördinatie en centralisatie van de ondersteunende activiteiten, zonder het subsidiariteitsbeginsel met voeten te treden. Daartoe zou zij voor alle maritieme gebieden en deelgebieden een forum van de bevoegde autoriteiten moeten inrichten en voorzitten, waaraan ook zou worden deelgenomen door wetenschappelijke instellingen met bewezen ervaring terzake en de autoriteiten die bevoegd zijn voor visserijbeleid en radionucliden.

5.2

In die zin zou het richtlijnvoorstel niet beperkt mogen blijven tot de vereisten inzake informatie en goedkeuring die betrekking hebben op de voorgestelde initiële evaluatie, een goede milieutoestand, de milieudoelstellingen, het monitoringprogramma en het programma van maatregelen, inclusief de ad-hocmaatregelen voor speciale gebieden. De Commissie zou ook een procedure voor de behandeling van eventuele tegenwerpingen moeten vastleggen en moeten aangeven binnen welke termijn dat dient te gebeuren. Hierbij dient overleg te worden gepleegd met het grote publiek en de betrokken partijen. Ook moet worden voorzien in voldoende stimuleringsmaatregelen.

5.3

In bijlage II wordt beschreven uit welke elementen de initiële evaluatie moet bestaan. Het zou nuttig zijn in de tabel „Belastende en beïnvloedende factoren” ook de antropogene oorzaken te vermelden (net als in de vorige mededeling, die nog vóór dit richtlijnvoorstel werd gepubliceerd) en het verband aan te geven. Ook moet de link worden gelegd met de elementen en doelstellingen op het vlak van de bescherming van het mariene milieu, zodat deze kunnen worden gekoppeld aan de acties en beleidsmaatregelen in het kader van de strategie.

5.4

De definities van een „goede milieutoestand” en de „milieutoestand van het mariene milieu” zijn gebaseerd op „algemene kwalitatieve descriptoren, criteria en standaarden”. Het Comité pleit ervoor dat met het oog op bepaalde variabelen die zowel verband houden met de initiële evaluatie als met een goede milieutoestand, ook gebruik wordt gemaakt van kwantitatieve descriptoren. Daarnaast zijn kwantitatieve descriptoren ook vereist voor de beoordeling van de variabelen uit de monitoringprogramma's (bv. de dichtheid van het fytoplankton).

5.5

Bij de definitie van de milieudoelstellingen (artikel 9 en bijlage III) baseert de Commissie zich op té algemene criteria. Zij zou op zijn minst de elementen en doelstellingen uit de mededeling van 2002 moeten overnemen:

achteruitgang van de biodiversiteit en vernieling van habitats;

gevaarlijke stoffen;

eutrofiëring;

radionucliden;

chronische olieverontreiniging;

bezinksel en afval;

vervoer over zee;

volksgezondheid en milieu;

klimaatverandering.

5.6

In de programma's van maatregelen (artikel 12, bijlage IV) moeten ten minste de in de Europese wetgeving verplicht gestelde maatregelen worden opgenomen. Dit geldt in het bijzonder voor de wetgeving inzake kustwateren, die bedoeld is om te voorkomen dat de hierboven vermelde bronnen van verontreiniging schade aanrichten. Daarnaast dient melding te worden gemaakt van de uit hoofde van de internationale overeenkomsten en verdragen verplichte maatregelen en de ad-hoc-maatregelen die erop gericht zijn de achteruitgang van het mariene milieu in de speciale gebieden tegen te gaan. Op die manier zouden de afzonderlijke maatregelen en acties die nu in een aantal uiteenlopende rechtsinstrumenten zijn opgenomen, onder één noemer worden gebracht, wat de tenuitvoerlegging ervan zou vergemakkelijken.

5.6.1

Toch mag het hier niet bij blijven. Zoals is gebleken zijn de programma's van maatregelen niet toereikend om de achteruitgang van het milieu een halt toe te roepen, laat staan dat zij afdoende zouden zijn om de doelstelling van een goede toestand van het mariene milieu te verwezenlijken. Het zou in dit verband nuttig zijn de kustlanden regelmatig te informeren over goede praktijkvoorbeelden op het gebied van milieutechnologieën (milieuvriendelijke toiletten, fosfaatvrije wasmiddelen, bufferzones, beperkingen voor de kustgebieden, enz.).

5.6

De lidstaten mogen volgens het richtlijnvoorstel speciale gebieden aanwijzen waar de milieustreefdoelen niet kunnen worden gerealiseerd om de volgende redenen:

maatregelen of het uitblijven van maatregelen van een andere lidstaat of een derde land;

natuurlijke oorzaken of overmacht;

veranderingen of wijzigingen in de fysieke kenmerken van mariene wateren veroorzaakt door maatregelen die werden genomen om dwingende redenen van openbaar belang.

5.7.1

Deze formulering is zo dubbelzinnig dat misbruik niet uitgesloten is. Het Comité pleit er dan ook voor:

1)

dat ondubbelzinnig en nauwkeurig wordt aangegeven op welke gronden een gebied kan worden uitgeroepen tot speciaal gebied; dat kan op de volgende manieren:

het opstellen van een lijst van de maatregelen van een ander land — of het uitblijven daarvan -, waardoor de verwezenlijking van de milieudoelstellingen in het gedrang komt;

het afbakenen van de zogenaamde natuurlijke oorzaken en de criteria voor overmacht;

het afbakenen van de criteria aan de hand waarvan het begrip „openbaar belang” wordt omschreven;

2)

dat de Commissie procedures voor de goedkeuring van deze uitzonderingsregelingen vastlegt, en het publiek en de betrokken partijen daarover raadpleegt.

5.8

Om het milieu echt te kunnen verbeteren moet verder ook worden samengewerkt met de derde landen die aan onze zeeën en oceanen grenzen, en dan niet alleen met de partijen bij internationale overeenkomsten.

5.9

De participatie van de betrokken partijen en het publiek zou volgens het voorstel dienen te verlopen volgens de geijkte nationale kanalen. Deze staan echter in heel wat landen ter discussie vanwege een gebrek aan transparantie, de lang aanslepende procedures, de dubbelzinnige interpretatie van de term „belanghebbende partijen”, enz. De Commissie zou daarom een flexibele en efficiënte procedure moeten uitwerken, zodat klachten of aangiften van het publiek en de betrokken partijen vlot kunnen worden afgehandeld en hun recht op informatie, raadpleging en participatie veilig wordt gesteld. Zoals eerder opgemerkt kan het Comité zich er ten slotte niet in vinden dat de Commissie de regelingen mutatis mutandis kan goedkeuren.

Brussel, 20 april 2006

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.M. SIGMUND


(1)  COM(2002) 553 final – Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Een strategie voor de bescherming en de instandhouding van het mariene milieu

(2)  Zie voor nadere details het advies over de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Naar een strategie voor de bescherming en de instandhouding van het mariene milieu, PB C 133 van 6.6.2003.

(3)  In de hoofdstukken I-IV van de conclusies van de Top van Johannesburg (26 augustus tot 4 september 2002) wordt een aantal afspraken vastgelegd over oceanen en zeeën, visserij, verontreiniging van de zee en onderzoek, PB C 133 van 6.6.2003.

(4)  COM(2005) 539 final van 14-10-2005

(5)  Het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (UNCLOS), dat is goedgekeurd bij Besluit 98/392/EG van de Raad van 23-3-1998.

(6)  Het Verdrag ter bescherming van het mariene milieu in het Oostzeegebied, goedgekeurd bij Besluit 94/157/EG van de Raad, het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, goedgekeurd bij Besluit 98/249/EG en het Verdrag inzake de bescherming van het kustgebied van de Middellandse Zee, goedgekeurd bij Besluit 77/585/EEG van de Raad, als gewijzigd in 1995.


Top