Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52005PC0457

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen

/* COM/2005/0457 def. - COD 2005/0194 */

No longer in force, Date of end of validity: 23/05/2007

52005PC0457




[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 11.10.205

COM(2005) 457 definitief

2005/0194 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL

Pyrotechnische artikelen zijn expliciet uitgesloten van het toepassingsgebied van Richtlijn 93/15/EEG betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik. In een van de overwegingen staat echter dat er plannen zijn voor aanvullende wetgeving inzake pyrotechnische artikelen.

Dit voorstel heeft ten doel een allesomvattend en coherent wetgevingskader op communautair niveau te creëren en introduceert minimumveiligheidsvoorschriften om:

* het vrije verkeer van pyrotechnische producten in de EU te garanderen;

* de algemene bescherming van consumenten en professionele gebruikers te verbeteren;

* het aantal ongevallen te helpen verminderen;

* de veiligheidsvoorschriften die in de verschillende lidstaten gelden, te harmoniseren.

1.1. De huidige situatie

Het wettelijke kader voor het in de handel brengen en het gebruik van pyrotechnische artikelen verschilt sterk van lidstaat tot lidstaat. Om een overzicht van de situatie te krijgen, heeft de Commissie in 2003 een vragenlijst over het wettelijke kader inzake pyrotechnische artikelen, met name vuurwerk, rondgestuurd. Deze vragenlijst was ook bedoeld om cijfers over ongevallen met vuurwerk in de EU en de EER te verzamelen.

Onderstaande ongevalgegevens hebben uitsluitend betrekking op vuurwerk en niet op andere pyrotechnische artikelen zoals podiumeffecten en noodsignalen of pyrotechnische artikelen voor motorvoertuigen. Voor deze producten bestaat in de lidstaten geen consequent systeem om ongevallen te melden.

1.1.1. Het in de handel brengen van vuurwerk

Classificatie en goedkeuring

De huidige wetgeving in de lidstaten deelt vuurwerk in een aantal klassen in op basis van de hoeveelheid pyrotechnisch materiaal in het vuurwerk en soms ook op basis van de plaats waar het vuurwerk wordt gebruikt (binnenshuis of buitenshuis). Deze nationale classificatiesystemen vertonen weliswaar gelijkenissen - ze zijn namelijk gebaseerd op de gebruikte hoeveelheid pyrotechnisch materiaal - maar zijn niettemin verschillend.

In heel wat lidstaten hangt het goedkeuringssysteem voor het in de handel brengen van vuurwerk samen met de classificatie. Momenteel zijn deze goedkeuringssystemen gebaseerd op nationale normen voor vuurwerkonderzoek. Vanwege deze verschillen wil het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) geharmoniseerde EU-normen voor vuurwerk opstellen. In mei 2003 is een eerste reeks CEN-normen voor vuurwerk gepubliceerd. Sommige lidstaten laten weten van plan te zijn de CEN-normen in hun nationale wetgeving op te nemen.

Beperkingen voor de consument

Welk soort vuurwerk volgens de nationale regels mag worden verkocht, verschilt aanzienlijk van de ene lidstaat tot de andere. Alle lidstaten verbieden de verkoop van groot vuurwerk aan consumenten. In drie lidstaten is de verkoop van alle soorten vuurwerk aan alle consumenten verboden. Eén lidstaat laat de verkoop van klein vuurwerk aan consumenten toe en verbiedt al de rest.

Sommige lidstaten verbieden de verkoop van vuurwerk met knaleffect (bv. knalvuurwerk). In sommige lidstaten is ook de verkoop van bepaalde andere vuurwerktypes verboden. De redenen voor deze maatregelen variëren van veiligheid tot overlast.

Ook de minimumleeftijd die voor verschillende vuurwerkcategorieën geldt, loopt erg uiteen in de EU.

In drie lidstaten mag vuurwerk uitsluitend op bepaalde dagen, bv. tussen Kerstmis en nieuwjaar, worden verkocht en/of gebruikt.

Etikettering

De etiketteringsvoorschriften verschillen van lidstaat tot lidstaat: soms is informatie over de classificatie en certificering vereist, soms is enige informatie over veilig gebruik of leeftijdsbeperkingen opgenomen. In alle nationale wetgevingen is bepaald dat op het etiket informatie over het veilig hanteren en gebruiken van het product moet staan.

1.1.2. Ongevallen

Als antwoord op de vragenlijst van de Commissie hebben slechts een minderheid van de lidstaten en één lid van de EVA cijfermateriaal over ongevallen met vuurwerk verschaft. Een van de redenen hiervoor kan zijn dat de nationale systemen voor ongevallenregistratie geen specifieke informatie bevatten over ongevallen die het gevolg zijn van het gebruik van vuurwerk.

De ongevallencijfers blijken sterk te verschillen van land tot land. Mogelijk is dat deels toe te schrijven aan de plaatselijke gebruiken voor het afschieten van vuurwerk in het openbaar.

De ongevallencijfers liggen lager in Griekenland (ongeveer 1 per miljoen) en Ierland (3,9) dan in Denemarken (5,4), het Verenigd Koninkrijk (60,1), Zweden (ongeveer 50) en Noorwegen (4,5). De redenen voor deze verschillen zijn onduidelijk, maar het is interessant op te merken dat de twee lidstaten met de laagste geregistreerde ongevallencijfers de verkoop van vuurwerk aan consumenten verbieden.

Bovenstaande gegevens hebben alleen betrekking op gemelde ongevallen en zijn gebaseerd op gevallen waarbij verzorging in het ziekenhuis nodig was. Slachtoffers van vuurwerk die door een huisarts zijn behandeld of ongevallen die in huis zijn gebeurd en niet zijn gemeld, zijn dus niet meegeteld. In werkelijkheid kunnen er dus meer ongevallen zijn gebeurd.

Aangezien behalve feitelijke gegevens niet veel uit de informatie kan worden afgeleid, moet omzichtig worden omgesprongen met ramingen van het totale aantal ongevallen in de EU. De laagste ramingen liggen in de buurt van 15 per miljoen, de hoogste in de buurt van 100 per miljoen. Als voor de uitgebreide EU van 455 miljoen inwoners van deze percentages wordt uitgegaan, betekent dat in totaal tussen 7 000 en 45 000 ongevallen met vuurwerk voor dit gebied.

Het is ook moeilijk uit te maken of een defect of een verkeerd gebruik van het vuurwerk aan de basis van de ongevallen ligt. Uit de beschikbare informatie blijkt dat de meeste ongevallen te wijten zijn aan verkeerd gebruik, maar in Denemarken was bijna de helft van de ongevallen in 2002 toe te schrijven aan een defect. Enkele respondenten hebben ook hun bezorgdheid geuit over de kwaliteit en de deugdelijkheid van bepaalde soorten vuurwerk die de weg naar de EU-markt vinden.

Ook inzake andere pyrotechnische artikelen zoals podiumeffecten en noodsignalen lopen de nationale wetgevingen uiteen. De Commissie heeft geen defect- of ongevalstatistieken voor deze producten, maar het kan niet worden uitgesloten dat er zich ongevallen voordoen die te wijten zijn aan een defect.

1.1.3. Het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen voor motorvoertuigen

Veel lidstaten hanteren verschillende goedkeuringsprocedures voor het in de handel brengen van opblaasmechanismen, modules en veiligheidsinrichtingen voor gebruik in motorvoertuigen en andere toepassingen. Deze goedkeuringsprocedures zijn momenteel gebaseerd op nationale wet- en regelgeving voor de goedkeuring van deze producten.

1.2. Beoogde effecten van EU-wetgeving

De EU-wetgeving over het in de handel brengen en het gebruik van pyrotechnische artikelen beoogt de fundamentele veiligheidsvoorschriften op te stellen die nodig zijn voor de effectiviteit van geharmoniseerde EU-normen voor pyrotechnische artikelen. Een ander doel van de ontwerp-richtlijn is de ontwikkeling van een geharmoniseerde communautaire aanpak om informatie over het veilig hanteren en gebruiken van pyrotechnische artikelen te verstrekken.

Met geharmoniseerde EU-normen voor pyrotechnische artikelen worden pyrotechnische artikelen die niet aan de normen voldoen, niet meer op de EU-markt gebracht en moet het aantal ongevallen door slecht werkend vuurwerk aanzienlijk dalen. De CE-markering van pyrotechnische artikelen wordt uitgebreid, waardoor alleen pyrotechnische artikelen met CE-markering in de handel kunnen worden gebracht.

Een geharmoniseerde communautaire aanpak om informatie over het veilig hanteren en gebruiken van pyrotechnische artikelen te verstrekken, kan bovendien het aantal ongevallen door verkeerd gebruik helpen verminderen.

Een geharmoniseerde aanpak van de classificatie, het gebruik van normen en het goedkeuringssysteem op het gebied van pyrotechnische artikelen moet de productveiligheid ten goede komen en een interne markt voor fabrikanten en invoerders tot stand brengen.

Rekening houdend met de verscheidenheid van de verschillende nationale voorschriften voor het in de handel brengen en het gebruik van vuurwerk, biedt het voorstel de lidstaten tegelijkertijd de mogelijkheid hun eigen voorschriften te handhaven wat de minimumleeftijd en het in de handel brengen en het gebruik van bepaalde categorieën vuurwerk betreft.

1.3. Samenhang met andere communautaire wetgeving

Andere pyrotechnische artikelen die al onder bestaande EU-wetgeving vallen, bv. inzake uitrusting van zeeschepen, vallen niet onder de richtlijn. De richtlijn is evenmin van toepassing op explosieven die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 93/15/EEG vallen.

De richtlijn is derhalve coherent met andere communautaire wetgeving.

2. Result ATEN VAN DE RAADPLEGINGEN VAN DE BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN DE EFFECTBEOORDELING

Raadplegingen

Aangezien er vroeger geen werkgroep voor pyrotechnische artikelen op EU-niveau bestond, is het raadplegingsproces voor de richtlijn in mei 2003 begonnen met het versturen van bovengenoemde vragenlijst. Deze ging vergezeld van een brief aan de Permanente Vertegenwoordigingen van de lidstaten en aan de Missies van de kandidaat-lidstaten en de EVA-landen, die de verspreiding van de vragenlijst onder potentiële belanghebbenden stimuleerde en duidelijk maakte dat het iedereen vrij stond te antwoorden.

De eerste vergadering van de werkgroep van belanghebbenden vond plaats op 23 september 2003 en werd gevolgd door nog twee vergaderingen op 1 december 2003 en 16 maart 2004 in Brussel. De overheden van de lidstaten, kandidaat-lidstaten en EVA-leden kregen een uitnodiging voor deze vergaderingen, net als verenigingen die de vragenlijst hadden beantwoord of belangstelling hadden getoond om aan de werkgroep deel te nemen.

De pyrotechnische industrie was vertegenwoordigd door afgevaardigden van de European Pyrotechnics Association. De leveranciers van motorvoertuigonderdelen werden vertegenwoordigd door hun Europese vereniging CLEPA.

Ook het Europees Comité voor Normalisatie (CEN), en met name het technische comité voor pyrotechnische artikelen, is nauw bij de voorbereiding van de richtlijn betrokken. Het heeft de fundamentele veiligheidsvoorschriften helpen opstellen, waaraan de laatste hand is gelegd tijdens een door Nederland voorgezeten bijeenkomst in Delft op 17 en 18 november 2003.

De deelnemers van de werkgroep hadden verschillende eerdere ontwerpen van de richtlijn verspreid, waarop niet alleen reacties kwamen van de overheidsinstanties die zich met pyrotechnische kwesties bezighouden, maar ook van verschillende brancheorganisaties en afzonderlijke bedrijven (vuurwerkfabrikanten, leveranciers van motorvoertuigonderdelen, de ruimtevaartindustrie).

In beginsel juichen de meeste lidstaten en de verenigingen van de pyrotechnische industrie en de leveranciers van motorvoertuigonderdelen het initiatief voor een richtlijn inzake pyrotechnische artikelen toe. De bevoegde instanties van het Verenigd Koninkrijk en Zweden menen echter dat EU-wetgeving op dit gebied niet noodzakelijk is, een mening die door een aantal Britse fabrikanten van pyrotechnische artikelen wordt gedeeld.

Terwijl de Europese leveranciers van motorvoertuigonderdelen uitdrukkelijk hebben gevraagd airbags en andere pyrotechnische veiligheidsuitrusting onder het toepassingsgebied van de richtlijn te laten vallen, was er een verzoek om ruimtevaartonderdelen uit te sluiten aangezien die al onder andere internationale voorschriften vallen.

De belangrijkste discussie met de lidstaten tijdens de vergaderingen van de werkgroep gingen over de mate waarin de lidstaten nationale beperkingen op de verkoop en het gebruik van bepaalde categorieën vuurwerk konden handhaven.

Aangezien de culturele tradities op het gebied van vuurwerk sterk uiteenlopen, voorziet het voorstel in de mogelijkheid voor de lidstaten om het gebruik en/of de verkoop aan het publiek van vuurwerk van de categorieën 2 en 3 te beperken.

Enkele lidstaten willen ook het gebruik en/of de verkoop kunnen beperken van vuurwerk van categorie 1 (d.w.z. vuurwerk dat zeer weinig gevaar oplevert en bestemd is voor gebruik in een besloten ruimte, inclusief vuurwerk dat bestemd is voor gebruik binnenshuis), dat per definitie slechts een miniem risico vormt. We kunnen dit in beginsel niet aanvaarden, aangezien voor deze productgroep internemarktomstandigheden moeten worden gecreëerd, maar de Commissie is bereid het CEN een nieuw mandaat te geven om categorie 1 te herdefiniëren en een lijst op te stellen van artikelen die door alle lidstaten als ongevaarlijk kunnen worden beschouwd en bijgevolg vrij op de interne markt moeten kunnen circuleren.

Een andere controversiële kwestie die door een aantal lidstaten werd opgeworpen, is die van de minimumleeftijdsgrenzen. De Commissie heeft echter duidelijk gemaakt dat het om minimumvoorschriften gaat en dat de lidstaten strengere grenzen kunnen vaststellen als zij dat nodig achten. Voor lidstaten die nog geen minimumleeftijdsgrenzen voor de verkoop van vuurwerk aan eindgebruikers hebben, zullen deze minimumleeftijdsgrenzen een positief effect hebben op het aantal ongevallen met vuurwerk.

Effectbeoordeling

De EU-markt voor consumentenvuurwerk (de categorieën 1, 2 en 3) wordt geraamd op ongeveer 700 miljoen euro per jaar. Ook de markt voor professioneel vuurwerk wordt op ongeveer 700 miljoen euro per jaar geraamd. Slechts weinig vuurwerk wordt in de EU geproduceerd. Van het vuurwerk dat in de EU wordt geproduceerd, is het grootste deel professioneel vuurwerk (categorie 4).

Jaarlijks worden in de EU in ongeveer 20 miljoen motorvoertuigen veiligheidssystemen voor de inzittenden ingebouwd. Airbags (ongeveer 80 miljoen per jaar) zijn goed voor ongeveer 3,5 miljard euro. Gordelspanners (ongeveer 90 miljoen per jaar) vertegenwoordigen een waarde van ongeveer 2 miljard euro.

Met de voorgestelde richtlijn zou een interne markt voor pyrotechnische artikelen tot stand worden gebracht. Hierdoor zouden de bestaande handelsbelemmeringen als gevolg van de verschillende nationale bepalingen in de EU worden geëlimineerd. De richtlijn zal fundamentele veiligheidsvoorschriften voor pyrotechnische artikelen vaststellen en de bevoegde instanties van de lidstaten zullen controleren of deze artikelen aan de voorschriften voldoen. Artikelen die geacht worden aan de veiligheidsvoorschriften te voldoen, kunnen een CE-markering krijgen, waardoor ze vrij in de EU kunnen circuleren en de consument tegelijkertijd een hoog beschermingsniveau bieden.

Verwacht wordt dat de richtlijn de kosten aanzienlijk zal doen dalen, aangezien de 25 nationale goedkeuringsprocedures worden vervangen door één enkele CE-beoordeling van de overeenstemming.

De belangrijkste voordelen zijn: minder belasting voor de bedrijven door een geharmoniseerd goedkeuringssysteem voor het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen en de totstandbrenging van een interne markt, en een hoog beschermingsniveau voor de consument.

Pyrotechnische artikelen die bestemd zijn voor gebruik door de strijdkrachten of de politie, in vliegtuigen of die onder Richtlijn 96/98/EG inzake uitrusting van zeeschepen vallen, zijn uitgesloten van deze richtlijn.

3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL

Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag van het voorstel is artikel 95 van het Verdrag.

Deze richtlijn zal de voorwaarden voor het in de handel brengen en het gebruik van pyrotechnische producten op de EU-markt vaststellen door de fundamentele voorschriften te harmoniseren. Het is de bedoeling minimumveiligheidsvoorschriften vast te stellen om het grote publiek en de professionele gebruiker te beschermen en tegelijkertijd handelsbelemmeringen te elimineren of te vermijden en te voorkomen dat de mededinging wordt verstoord door verschillende wet- en regelgeving. De klemtoon ligt daarom op de bescherming van de gebruikers en de verbetering van de voorwaarden voor de werking van de interne markt.

Artikel 95 van het EG-Verdrag is bijgevolg geschikt om de voorwaarden voor het in de handel brengen en het gebruik van pyrotechnische producten te harmoniseren en tegelijkertijd de bescherming van de gebruikers te verbeteren.

Subsidiariteits- en evenredigheidsbeginsel

De wetgeving inzake het in de handel brengen en het gebruik van pyrotechnische artikelen wordt op dit moment in heel de EU op nationaal niveau bepaald. Dergelijke uiteenlopende nationale wetgeving vormt echter vaak een belemmering voor de intracommunautaire handel.

Daarom wil de Commissie een echte interne markt voor bepaalde categorieën pyrotechnische artikelen tot stand brengen en fundamentele veiligheidsvoorschriften invoeren. Dat kan alleen met behulp van een richtlijn of een verordening.

Wat ongevallen betreft, en rekening houdend met het feit dat vuurwerk via de open grenzen bijzonder gemakkelijk illegaal van de ene lidstaat naar de andere kan worden vervoerd, is het voor de autoriteiten niet eenvoudig om het in de handel brengen van vuurwerk te controleren. Als er geen fundamentele veiligheidsvoorschriften worden vastgelegd, mag worden aangenomen dat het aantal ongevallen met vuurwerk verder zal toenemen.

Ook met de subsidiariteit wordt rekening gehouden, aangezien de voorgestelde richtlijn niet belet dat lidstaten omwille van de openbare orde of veiligheid maatregelen nemen om het in de handel brengen van bepaalde categorieën vuurwerk te beperken. De voorgestelde richtlijn laat bovendien toe dat de lidstaten, opnieuw omwille van de openbare orde of veiligheid, hogere minimumleeftijdsgrenzen voor de verkoop van vuurwerk aan consumenten handhaven.

De voorgestelde richtlijn is evenredig met de doelstellingen, namelijk de veiligheid van de consument verbeteren en de interne markt voor pyrotechnische artikelen tot stand brengen.

Keuze van instrumenten

De Commissie heeft een richtlijn gekozen als beste instrument om haar doelstellingen te verwezenlijken, aangezien de verschillende nationale wetgevingen inzake pyrotechnische artikelen moeten worden geharmoniseerd. Zij had in de plaats daarvan ook voor een verordening kunnen kiezen, hoewel dit vóór de Nieuwe Aanpak nooit is gebeurd en sommige bepalingen in de richtlijn (bv. de verplichting voor de lidstaten om kennisgeving te doen van aangemelde instanties en aan markttoezicht te doen) niet in een verordening kunnen worden opgenomen, omdat die rechtstreeks toepasselijk is.

4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING

De voorgestelde richtlijn heeft geen onmiddellijke gevolgen voor de begroting. Het in artikel 18 genoemde comité zal beslissen over de mogelijkheid om een register van EU-registratienummers voor pyrotechnische artikelen aan te maken, dat de identificatie van pyrotechnische artikelen en de fabrikant of zijn gemachtigde vertegenwoordiger moet vergemakkelijken bij ongevallen door een defect. Deze bepaling kan later gevolgen voor de begroting hebben die in detail moeten worden bestudeerd wanneer een voorstel in die zin wordt gedaan.

2005/0194 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen (voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie[1],

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[2],

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag[3],

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in de lidstaten gelden met betrekking tot het in de handel brengen en het gebruik van pyrotechnische artikelen lopen uiteen, met name wat veiligheid en prestatiekenmerken betreft.

(2) Deze bepalingen kunnen de handel in de Gemeenschap belemmeren en moeten worden geharmoniseerd om het vrije verkeer van pyrotechnische artikelen in de interne markt te garanderen en tegelijkertijd een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en de veiligheid van de consument te bieden.

(3) Richtlijn 93/15/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik[4] bepaalt dat met betrekking tot pyrotechnische artikelen, ter bescherming van de consument en voor de veiligheid van het publiek in het algemeen, specifieke maatregelen vereist zijn en dat een aanvullende richtlijn terzake zal worden opgesteld.

(4) Richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (de "Seveso II-Richtlijn" genoemd)[5], uitgebreid bij Richtlijn 2003/105/EG[6] van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2003, stelt veiligheidsvoorschriften vast voor bedrijven waar naast andere gevaarlijke stoffen, explosieven met inbegrip van pyrotechnische artikelen aanwezig zijn.

(5) Om voor voldoende hoge beschermingsniveaus te zorgen, moeten pyrotechnische artikelen in categorieën worden ondergebracht op basis van toepassing, doel en gevaar.

(6) Gezien de inherente gevaren van het gebruik van pyrotechnische artikelen is het wenselijk leeftijdsgrenzen voor de verkoop aan consumenten en het gebruik ervan vast te stellen en ervoor te zorgen dat het etiket voldoende en passende informatie over veilig gebruik bevat teneinde de gezondheid en de veiligheid van de mens en het milieu te beschermen. Sommige pyrotechnische artikelen mogen uitsluitend beschikbaar zijn voor erkende specialisten die over de nodige kennis, vaardigheden en ervaring beschikken.

(7) Wat het gebruik van pyrotechnische artikelen en met name van vuurwerk betreft, bestaan er in de verschillende lidstaten sterk uiteenlopende culturele gebruiken en tradities. Daarom moeten de lidstaten nationale maatregelen kunnen nemen om het gebruik of de verkoop van bepaalde categorieën vuurwerk aan het publiek te beperken omwille van de openbare orde en veiligheid.

(8) Het is wenselijk fundamentele veiligheidsvoorschriften voor pyrotechnische artikelen vast te stellen.

(9) De verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat pyrotechnische artikelen aan deze richtlijn en met name aan die fundamentele veiligheidsvoorschriften voldoen, ligt bij de fabrikant, die in de Gemeenschap moet zijn gevestigd of een gemachtigde vertegenwoordiger moet aanstellen.

(10) Wanneer de fundamentele veiligheidsvoorschriften worden nageleefd, mogen de lidstaten het vrije verkeer van pyrotechnische artikelen niet verbieden, beperken of belemmeren.

(11) Om gemakkelijker te kunnen aantonen dat de fundamentele veiligheidsvoorschriften worden nageleefd, worden op dit moment geharmoniseerde normen met betrekking tot het ontwerp, de fabricage en het testen van dergelijke artikelen opgesteld.

(12) Europese geharmoniseerde normen worden opgesteld, goedgekeurd en gewijzigd door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN), het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie (CENELEC) en het Europees Normalisatie-instituut voor telecommunicatie (ETSI). Deze organisaties zijn bevoegd om geharmoniseerde normen vast te stellen, die ze opstellen overeenkomstig de algemene richtsnoeren voor de samenwerking tussen henzelf en de Commissie[7] en overeenkomstig de procedure die is vastgelegd in Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften[8].

(13) In Besluit 93/465/EEG van 22 juli 1993 betreffende de modules voor de verschillende fasen van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures die in de richtlijnen voor technische harmonisatie moeten worden gebruikt, heeft de Raad geharmoniseerde middelen geïntroduceerd om overeenstemmingsbeoordelingsprocedures toe te passen. Door deze modules op pyrotechnische artikelen toe te passen, kan de verantwoordelijkheid van de fabrikanten en de bij de beoordeling van de overeenstemming betrokken instanties worden bepaald door te kijken naar de aard van de desbetreffende pyrotechnische artikelen.

(14) Pyrotechnische artikelen moeten voorzien zijn van de CE-markering die aangeeft dat ze aan de bepalingen van deze richtlijn voldoen, zodat ze vrij in de Gemeenschap kunnen circuleren.

(15) Wat veilig vervoer betreft, vallen de voorschriften inzake het vervoer van pyrotechnische artikelen onder internationale conventies en akkoorden, inclusief de aanbevelingen van de Verenigde Naties inzake het vervoer van gevaarlijke goederen.

(16) De lidstaten moeten sancties vaststellen voor inbreuken op de bepalingen van deze richtlijn en moeten ervoor zorgen dat deze sancties worden toegepast. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(17) Er moet in een overgangsperiode worden voorzien zodat nationale wetgeving op specifieke gebieden geleidelijk kan worden aangepast.

(18) Daar de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(19) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad[9],

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Doelstellingen en toepassingsgebied

1. Deze richtlijn stelt regels vast om tot vrij verkeer van pyrotechnische artikelen in de interne markt te komen en tegelijkertijd een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de mens en de veiligheid van de consument te bieden.

2. Deze richtlijn stelt de fundamentele veiligheidsvoorschriften vast waaraan pyrotechnische artikelen moeten voldoen om in de handel te kunnen worden gebracht.

3. Deze richtlijn is van toepassing op pyrotechnische artikelen zoals gedefinieerd in artikel 2.

4. Deze richtlijn is niet van toepassing op:

- pyrotechnische artikelen bestemd voor gebruik, overeenkomstig de nationale wetgeving, door strijdkrachten of politie;

- artikelen die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 96/98/EG van de Raad van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen[10] vallen;

- pyrotechnische artikelen bestemd voor gebruik in luchtvaartuigen;

- pyrotechnische artikelen die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 88/378/EEG van de Raad van 3 mei 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de veiligheid van speelgoed[11] vallen;

- explosieven die onder het toepassingsgebied van Richtlijn 93/15/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik[12] vallen;

- munitie, zijnde projectielen en drijfladingen die worden gebruikt in kleine vuurwapens, artillerie en andere vuurwapens.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. "pyrotechnisch artikel": elk artikel dat stoffen of een mengsel van stoffen bevat die tot doel hebben warmte, licht, geluid, gas of rook dan wel een combinatie van dergelijke verschijnselen te produceren door middel van zichzelf onderhoudende exotherme chemische reacties, zowel ter vermaak als voor andere doeleinden;

2. "in de handel brengen": het voor de eerste keer op de markt van de Gemeenschap beschikbaar stellen, al dan niet tegen betaling, van een afzonderlijk eindproduct, met het oog op distributie en/of gebruik ervan;

3. "vuurwerk": pyrotechnische artikelen ter vermaak;

4. "pyrotechnisch artikel voor motorvoertuigen": een artikel dat pyrotechnische stoffen bevat waarmee veiligheids- of andere voorzieningen in motorvoertuigen worden geactiveerd;

5. "fabrikant": de natuurlijke of rechtspersoon die een onder deze richtlijn vallend product ontwerpt en/of fabriceert of laat ontwerpen en/of fabriceren met de bedoeling het in de handel te brengen of voor eigen professionele of privédoeleinden te gebruiken, onder zijn eigen naam of handelsmerk, of een onder deze richtlijn vallend product onder zijn naam of handelsmerk in de handel brengt;

6. "gemachtigde vertegenwoordiger": elke in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die een schriftelijk mandaat van de fabrikant heeft ontvangen om namens hem op te treden wat de verantwoordelijkheden van de fabrikant krachtens deze richtlijn betreft;

7. "geharmoniseerde norm": een Europese norm die op basis van een mandaat van de Commissie door een Europees normalisatie-instituut is goedgekeurd overeenkomstig de in Richtlijn 98/34/EG vastgestelde procedures, waarvan de inachtneming niet verplicht is;

8. "persoon met specialistische kennis": een persoon die van de lidstaten toestemming heeft gekregen om op hun grondgebied vuurwerk van categorie 4 en/of andere pyrotechnische artikelen van categorie 2 zoals gedefinieerd in artikel 3 te bezitten en/of te gebruiken.

Artikel 3

Categorisering

1. Onder deze richtlijn vallende pyrotechnische artikelen worden door de fabrikant in een bepaalde categorie ondergebracht op grond van hun toepassing, doel en gevaar. De categorisering wordt door de aangemelde instanties bevestigd als onderdeel van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures overeenkomstig artikel 9.

De categorieën luiden als volgt:

a. vuurwerk

Categorie 1: vuurwerk dat zeer weinig gevaar oplevert en bestemd is voor gebruik in een besloten ruimte, inclusief vuurwerk dat bestemd is voor gebruik binnenshuis;

Categorie 2: vuurwerk dat weinig gevaar oplevert en bestemd is voor gebruik buitenshuis in een besloten ruimte;

Categorie 3: vuurwerk dat middelmatig gevaar oplevert en bestemd is voor gebruik buitenshuis in een grote open ruimte;

Categorie 4: vuurwerk dat veel gevaar oplevert en uitsluitend bestemd is voor gebruik door personen met specialistische kennis, veelal "vuurwerk voor professioneel gebruik" genoemd.

b. andere pyrotechnische artikelen

Categorie 1: andere pyrotechnische artikelen dan vuurwerk die weinig gevaar opleveren;

Categorie 2: andere pyrotechnische artikelen dan vuurwerk die bedoeld zijn om alleen door personen met specialistische kennis te worden gehanteerd of gebruikt.

2. De lidstaten brengen de Commissie op de hoogte van de procedures volgens welke zij personen met specialistische kennis identificeren en machtigen.

Artikel 4

Verplichtingen van de fabrikant

1. De fabrikanten zorgen ervoor dat onder deze richtlijn vallende pyrotechnische artikelen voldoen aan de toepasselijke fundamentele veiligheidsvoorschriften in bijlage I en aan alle relevante bepalingen van deze richtlijn.

2. Fabrikanten van pyrotechnische artikelen zijn in de Gemeenschap gevestigd of stellen een gemachtigde vertegenwoordiger aan.

De gemachtigde vertegenwoordiger kan in de plaats van de fabrikant door autoriteiten en instanties in de Gemeenschap worden aangesproken over de verplichtingen waarmee de vertegenwoordiger is belast.

3. Fabrikanten van pyrotechnische artikelen:

1. leggen het product voor aan een aangemelde instantie die een overeenstemmingsbeoordelingsprocedure overeenkomstig artikel 9 uitvoert;

2. brengen de CE-markering en het etiket van het pyrotechnische artikel aan overeenkomstig de artikelen 11 en 12.

Artikel 5

In de handel brengen

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat onder deze richtlijn vallende pyrotechnische artikelen uitsluitend in de handel worden gebracht indien ze aan de verplichtingen van deze richtlijn voldoen, voorzien zijn van de CE-markering en aan de verplichtingen van de overeenstemmingsbeoordeling voldoen.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat pyrotechnische artikelen niet onrechtmatig van de CE-markering zijn voorzien.

Artikel 6

Vrij verkeer

1. De lidstaten mogen het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen die onder deze richtlijn vallen en aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen, niet verbieden, beperken of belemmeren.

2. De bepalingen van deze richtlijn beletten niet dat een lidstaat omwille van de openbare orde of veiligheid maatregelen neemt om het gebruik en/of de verkoop aan het grote publiek van vuurwerk van de categorieën 2 en 3 te beperken.

3. De lidstaten verhinderen niet dat pyrotechnische artikelen die niet met de bepalingen van deze richtlijn in overeenstemming zijn op handelsbeurzen, tentoonstellingen en demonstraties voor marketingdoeleinden worden getoond, op voorwaarde dat een zichtbaar teken duidelijk aangeeft dat ze niet in overeenstemming zijn en niet verkocht mogen worden tot ze door de fabrikant of door zijn gemachtigde vertegenwoordiger in de Gemeenschap in overeenstemming zijn gebracht. Tijdens dergelijke evenementen worden passende veiligheidsmaatregelen genomen overeenkomstig de door de bevoegde autoriteit van de desbetreffende lidstaat vastgestelde voorschriften om de veiligheid van personen te waarborgen.

4. De lidstaten verhinderen niet dat voor motorvoertuigen bestemde pyrotechnische artikelen die voor onderzoeks-, ontwikkelings- en testdoeleinden zijn geproduceerd en niet met de bepalingen van deze richtijn in overeenstemming zijn, vrij circuleren en worden gebruikt, op voorwaarde dat een zichtbaar teken duidelijk aangeeft dat ze niet in overeenstemming zijn en niet verkocht mogen worden.

Artikel 7

Leeftijdsgrenzen

1. Pyrotechnische artikelen worden niet verkocht aan of anderszins ter beschikking gesteld van consumenten onder de volgende leeftijdsgrenzen:

a. vuurwerk

Categorie 1: 12 jaar;

Categorie 2: 16 jaar;

Categorie 3: 18 jaar.

b. andere pyrotechnische artikelen

Categorie 1: 18 jaar.

2. De lidstaten kunnen de leeftijdsgrenzen in lid 1 verhogen wanneer dat omwille van de openbare orde of veiligheid gerechtvaardigd is. De lidstaten kunnen de leeftijdsgrenzen ook verlagen voor personen die een beroepsopleiding terzake hebben gevolgd of volgen.

3. De volgende pyrotechnische artikelen mogen door fabrikanten of verdelers uitsluitend aan personen met specialistische kennis worden verkocht of anderszins ter beschikking gesteld:

3. vuurwerk van categorie 4;

4. andere pyrotechnische artikelen van categorie 2.

Artikel 8

Geharmoniseerde normen

1. Overeenkomstig de bij Richtlijn 98/34/EG ingestelde procedures kan de Commissie de Europese normalisatie-instituten verzoeken Europese normen ter ondersteuning van deze richtlijn op te stellen of te herzien.

2. De Commissie maakt in het Publicatieblad van de Europese Unie de referenties van dergelijke geharmoniseerde normen bekend.

3. Onder deze richtlijn vallende pyrotechnische artikelen die voldoen aan de desbetreffende geharmoniseerde normen, waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden door de lidstaten geacht in overeenstemming te zijn met de in artikel 4, lid 1, bedoelde fundamentele veiligheidsvoorschriften.

Wanneer de lidstaten de nationale omzetting van de geharmoniseerde normen goedkeuren, maken ze de referentienummers van die omzettingen bekend.

4. Wanneer een lidstaat of de Commissie van mening is dat de in dit artikel bedoelde geharmoniseerde normen niet toereikend zijn voor de in artikel 4, lid 1, bedoelde fundamentele veiligheidsvoorschriften , legt de Commissie of de betrokken lidstaat de kwestie onder vermelding van de redenen voor aan het bij Richtlijn 98/34/EG ingestelde permanent comité. Het comité brengt onverwijld advies uit. In het licht van het advies van het comité brengt de Commissie de lidstaten op de hoogte van de maatregelen die moeten worden genomen ten aanzien van de geharmoniseerde normen en de in lid 2 bedoelde bekendmaking.

Artikel 9

Overeenstemmingsbeoordelingsprocedures

1. Voor de verklaring van overeenstemming van pyrotechnische artikelen volgt de fabrikant een van de volgende procedures:

5. het EG-typeonderzoek (module B), bedoeld in bijlage II, punt 1, en naar keuze van de fabrikant hetzij:

6. de overeenstemming met het type (module C), bedoeld in bijlage II, punt 2, hetzij

7. de productiekwaliteitsborging (module D), bedoeld in bijlage II, punt 3, hetzij

8. de productkwaliteitsborging (module E), bedoeld in bijlage II, punt 4, hetzij

9. de productkeuring (module F), bedoeld in bijlage II, punt 5, hetzij

10. de eenheidskeuring (module G), bedoeld in bijlage II, punt 6.

Artikel 10

Aangemelde instanties

1. De lidstaten brengen de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte van de instanties die zij hebben aangewezen om de in artikel 9 bedoelde procedures voor de beoordeling van de overeenstemming uit te voeren, alsmede de specifieke taken die aan deze instanties zijn toegewezen en de identificatienummers die de Commissie hen vooraf heeft toegekend.

2. De Commissie publiceert op haar website een lijst van de aangemelde instanties, hun identificatienummers en de taken waarvoor zij zijn aangemeld. De Commissie zorgt ervoor dat deze lijst up-to-date is.

3. De lidstaten passen de in bijlage III vastgestelde minimumcriteria toe voor de beoordeling van de instanties die bij de Commissie moeten worden aangemeld. Instanties die voldoen aan de beoordelingscriteria die in de geharmoniseerde normen voor aangemelde instanties zijn vastgesteld, worden geacht aan de desbetreffende minimumcriteria te voldoen.

4. Een lidstaat die een bepaalde instantie bij de Commissie heeft aangemeld, trekt die aanmelding in indien hij ontdekt dat die instantie niet langer aan de in lid 3 bedoelde criteria voldoet. Hij brengt de andere lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld op de hoogte.

Artikel 11

Verplichting om de CE-markering aan te brengen

1. Nadat de overeenstemmingsbeoordeling met succes is afgerond overeenkomstig artikel 9, brengen fabrikanten de CE-markering zodanig aan dat ze zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar is op de pyrotechnische artikelen zelf of, indien dit niet mogelijk is, op een hieraan bevestigd identificatieplaatje of, in laatste instantie, als de eerste twee methoden onbruikbaar zijn, op de verpakking. Het identificatieplaatje moet zodanig zijn ontworpen dat hergebruik onmogelijk is.

Het model voor de CE-markering is in overeenstemming met Besluit 93/465/EEG van de Raad.

2. De fabrikanten mogen op pyrotechnische artikelen geen enkele markering of inscriptie aanbrengen die derden in de war kan brengen wat de betekenis en vorm van de CE-markering betreft. Andere markeringen mogen op pyrotechnische artikelen worden aangebracht op voorwaarde dat de zicht- en leesbaarheid van de CE-markering niet in het gedrang komt.

3. Wanneer onder deze richtlijn vallende pyrotechnische artikelen onderworpen zijn aan andere EU-wetgeving die betrekking heeft op andere aspecten en een CE-markering voorschrijft, geeft deze markering aan dat bovenstaande producten ook geacht worden aan de bepalingen van de andere toepasselijke wetgeving te voldoen.

Artikel 12

Etikettering

1. De fabrikanten zorgen ervoor dat pyrotechnische artikelen naar behoren zijn geëtiketteerd in de officiële taal (talen) van het land waar het artikel aan de consument wordt verkocht.

2. Het etiket van pyrotechnische artikelen moet ten minste de naam van de fabrikant of zijn gemachtigde vertegenwoordiger vermelden, de naam en het type van het artikel, de minimumleeftijdsgrenzen zoals aangegeven in artikel 7, leden 1 en 2, de desbetreffende categorie en gebruiksaanwijzingen en, in voorkomend geval, de veiligheidsafstand. Op het etiket moet ook een verwijzing staan naar de klasse/indeling (1.1-1.6) van de stof of het mengsel van stoffen in het artikel overeenkomstig het UN/ADR-indelingsschema of vergelijkbare informatie over het gevaar (gevaar voor massa-explosie, gevaar voor scherfwerking, gevaar voor luchtdruk, brandgevaar).

3. Op vuurwerk moet daarenboven ten minste de volgende informatie staan:

categorie 1: in voorkomend geval: "uitsluitend buitenshuis te gebruiken" en de minimale veiligheidsafstand;

categorie 2: "uitsluitend buitenshuis te gebruiken" en, in voorkomend geval, de minimale veiligheidsafstand(en);

categorie 3: "uitsluitend buitenshuis te gebruiken" en de minimale veiligheidsafstand(en);

categorie 4: "uitsluitend door personen met specialistische kennis te gebruiken" en de minimale veiligheidsafstand(en).

4. Indien op het pyrotechnische artikel niet voldoende plaats is voor de vereiste informatie als bedoeld in de leden 2 en 3, wordt de informatie op de verpakking weergegeven.

5. De bepalingen van de leden 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing op vuurwerk van categorie 4 en andere pyrotechnische artikelen van categorie 2 die de fabrikant openbaar exposeert.

Artikel 13

Markttoezicht

1. De lidstaten nemen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat onder deze richtlijn vallende pyrotechnische artikelen alleen in de handel mogen worden gebracht indien ze de gezondheid en veiligheid van personen niet in gevaar brengen wanneer ze worden opgeslagen zoals het hoort en worden gebruikt waarvoor ze zijn bestemd.

2. De lidstaten organiseren en verrichten passende controles van in de handel gebrachte producten, rekening houdend met het vermoeden van overeenstemming van producten die voorzien zijn van de CE-markering.

3. Wanneer een lidstaat ontdekt dat onder deze richtlijn vallende producten die voorzien zijn van de CE-markering, vergezeld gaan van de EG-verklaring van overeenstemming en worden gebruikt waarvoor ze zijn bestemd, de gezondheid en veiligheid van personen in gevaar kunnen brengen, neemt hij alle passende voorlopige maatregelen om die producten uit de handel te halen, het in de handel brengen ervan te verbieden of het vrij verkeer ervan te beperken. De lidstaat brengt de Commissie en de andere lidstaten hiervan op de hoogte.

Artikel 14

Snelle uitwisseling van informatie over risicovolle producten

Wanneer een lidstaat voldoende redenen heeft om aan te nemen dat een onder deze richtlijn vallend product een ernstig risico vormt voor de gezondheid en/of veiligheid van personen in de Europese Unie, brengt hij de Commissie en de andere lidstaten hiervan op de hoogte en voert hij een passende beoordeling uit. De lidstaat brengt de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte van de achtergrond en de resultaten van de beoordeling.

Artikel 15

Vrijwaringsclausule

1. Wanneer een lidstaat grondige redenen heeft om aan te nemen dat een pyrotechnisch artikel niet in overeenstemming is met de voorschriften van deze richtlijn, geeft hij in de in artikel 13, lid 3, en artikel 14 bedoelde informatieprocedure de redenen voor zijn beslissing aan en met name of de niet-overeenstemming te wijten is aan:

11. het niet voldoen aan de in artikel 4, lid 1, bedoelde fundamentele voorschriften;

12. de onjuiste toepassing van de in artikel 8 bedoelde geharmoniseerde normen;

13. tekortkomingen in de in artikel 8 bedoelde geharmoniseerde normen zelf.

2. De Commissie pleegt onverwijld overleg met de betrokken partijen. Zij oordeelt na dit overleg of de door de lidstaat genomen maatregelen gerechtvaardigd zijn of niet en deelt haar standpunt mee aan de lidstaat die het initiatief genomen heeft, de andere lidstaten en de fabrikant of zijn gemachtigde vertegenwoordiger.

3. Indien de in lid 1 bedoelde maatregelen het gevolg zijn van een tekortkoming in de geharmoniseerde normen, verwijst de Commissie de kwestie naar het bij Richtlijn 98/34/EG ingestelde comité als de lidstaat waarvan de maatregelen uitgaan bij zijn standpunt blijft, en start de Commissie of de lidstaat de in artikel 8 bedoelde procedure.

4. Indien een pyrotechnisch artikel niet in overeenstemming is en voorzien is van de CE-markering, neemt de bevoegde lidstaat passende maatregelen tegen de persoon die de markering heeft aangebracht, en brengt hij de Commissie hiervan op de hoogte. De Commissie brengt de andere lidstaten op de hoogte.

5. De Commissie zorgt ervoor dat de lidstaten op de hoogte worden gehouden van de voortgang en de resultaten van de procedure.

Artikel 16

Maatregelen die weigering of beperking tot gevolg hebben

1. Bij elke maatregel die krachtens deze richtlijn wordt genomen

14. om het in de handel brengen van een product te verbieden of te beperken, of

15. om een product uit de handel te nemen, wordt precies vermeld op grond waarvan dat gebeurt. Dergelijke maatregelen worden onverwijld meegedeeld aan de betrokken partij die tegelijkertijd op de hoogte wordt gebracht van de middelen die haar op grond van de nationale wetgeving van de desbetreffende lidstaat ter beschikking staan alsmede van de termijnen die voor deze middelen gelden.

2. In het geval van een maatregel zoals bedoeld in artikel 16, lid 1, moet de fabrikant de mogelijkheid hebben om van tevoren zijn standpunt bekend te maken, tenzij dit overleg niet mogelijk is vanwege de urgentie van de maatregel, met name om redenen van volksgezondheid of veiligheid.

Artikel 17

Uitvoeringsmaatregelen

In voorkomend geval worden de volgende maatregelen voor de uitvoering van deze richtlijn vastgesteld overeenkomstig de in artikel 18, lid 2, bedoelde procedure:

- aanpassingen om rekening te houden met toekomstige wijzigingen van aanbevelingen van de Verenigde Naties;

- aanpassingen van de bijlagen 2 en 3 aan de technische vooruitgang;

- het aanmaken van een register van EU-registratienummers voor pyrotechnische artikelen dat de identificatie van pyrotechnische artikelen en de fabrikant of zijn gemachtigde vertegenwoordiger moet vergemakkelijken bij ongevallen door een defect;

- andere maatregelen die nodig zijn voor de efficiënte uitvoering van deze richtlijn.

Artikel 18

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 99/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op 3 maanden.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 19

Sancties

1. Uiterlijk […][13] van deze richtlijn stellen de lidstaten passende wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen vast om overtredingen van deze richtlijn aan te pakken, alsmede doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties voor dergelijke overtredingen.

De lidstaten voorzien in maatregelen die hen toelaten om zendingen van pyrotechnische artikelen die niet aan deze richtlijn voldoen, tegen te houden.

2. Zij brengen de Commissie hiervan onverwijld op de hoogte.

Artikel 20

Omzetting

1. De lidstaten dienen uiterlijk op […][14] de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

2. Zij passen die bepalingen toe vanaf […][15] voor vuurwerk en vanaf […][16] voor andere pyrotechnische artikelen.

3. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

4. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

5. Nationale vergunningen die vóór de in lid 2 aangegeven datum zijn verleend, blijven tot hun vervaldatum of tot 10 jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn (de kortste periode is van toepassing) geldig op het grondgebied van de lidstaat die de vergunning heeft verleend.

6. In afwijking van lid 5 blijven nationale vergunningen voor pyrotechnische artikelen voor motorvoertuigen die vóór de in lid 2 aangegeven datum zijn verleend, geldig tot ze vervallen.

Artikel 21

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Artikel 22

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

FUNDAMENTELE VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

16. Elk pyrotechnisch artikel moet de prestaties leveren die de fabrikant bij de aangemelde instantie heeft opgegeven om maximale veiligheid en betrouwbaarheid te garanderen.

17. Elk pyrotechnisch artikel moet zo zijn ontworpen en gefabriceerd dat men zich er met behulp van een passend proces veilig van kan ontdoen met minimale gevolgen voor het milieu.

18. Elk pyrotechnisch artikel moet correct functioneren wanneer het gebruikt wordt waarvoor het is bestemd.

De volgende gegevens en eigenschappen moeten in voorkomend geval worden gecontroleerd of getest. Elk pyrotechnisch artikel moet onder realistische omstandigheden worden getest. Indien dit niet mogelijk is in een laboratorium, moeten de tests worden uitgevoerd onder de omstandigheden waarin het pyrotechnische artikel zal worden gebruikt.

(a) Ontwerp, constructie en kenmerkende eigenschappen, inclusief gedetailleerde chemische samenstelling (massa en percentage van de gebruikte stoffen) en afmetingen.

(b) Fysische en chemische stabiliteit van het pyrotechnische artikel in alle normale, te verwachten omgevingsomstandigheden.

(c) Gevoeligheid voor de normale, te verwachten hantering en vervoersomstandigheden.

(d) Compatibiliteit van alle componenten wat chemische stabiliteit betreft.

(e) Weerstand van het pyrotechnische artikel tegen de invloed van water wanneer het bestemd is om in vochtige of natte omstandigheden te worden gebruikt en water de veiligheid of betrouwbaarheid negatief kan beïnvloeden.

(f) Weerstand tegen lage en hoge temperaturen wanneer het pyrotechnische artikel bestemd is om bij dergelijke temperaturen te worden bewaard of gebruikt en het afkoelen of opwarmen van een component of van het pyrotechnische artikel in zijn geheel de veiligheid of betrouwbaarheid negatief kan beïnvloeden.

(g) Veiligheidsvoorzieningen om voortijdige of onbedoelde inwerkingstelling of ontsteking te voorkomen.

(h) Passende instructies en, waar nodig, markeringen inzake het veilig hanteren, opslaan, gebruiken (inclusief veiligheidsafstand) en verwijderen in de officiële taal of talen van de ontvangende lidstaat.

(i) Weerstand van het pyrotechnische artikel, de verpakking ervan of andere componenten tegen aantasting onder normale, te verwachten opslagomstandigheden.

(j) Specificatie van alle benodigde inrichtingen en accessoires en van gebruiksaanwijzingen voor de veilige werking van het pyrotechnische artikel.

(k) Tenzij anders vermeld in de instructies van de fabrikant, moeten de pyrotechnische artikelen hun pyrotechnische samenstelling behouden tijdens het vervoer en bij normale hantering.

19. De verschillende groepen pyrotechnische artikelen moeten ten minste ook aan de volgende voorschriften voldoen:

A. vuurwerk

a) De fabrikant brengt vuurwerk krachtens artikel 3 onder in verschillende categorieën op basis van nettospringlading, veiligheidsafstand, geluidsniveau en dergelijke. De categorie staat duidelijk vermeld op het etiket.

b) Vuurwerk mag uitsluitend constructiematerialen bevatten die de risico's van brokstukken voor de gezondheid, gebouwen of het milieu zoveel mogelijk beperken.

c) De ontstekingsmethode moet duidelijk zichtbaar zijn en worden aangegeven aan de hand van etiketten of instructies.

d) Vuurwerk mag niet op een grillige en onvoorspelbare manier bewegen.

e) Vuurwerk van de categorieën 1, 2 en 3 moet beschermd zijn tegen onbedoelde ontsteking, hetzij door een beschermlaag, hetzij door de verpakking, hetzij door de constructie van het artikel. Vuurwerk van categorie 4 moet tegen onbedoelde ontsteking beschermd zijn door methodes die door de fabrikant worden gespecificeerd.

B. andere pyrotechnische artikelen

a) Pyrotechnische artikelen moeten zo zijn ontworpen dat de risico's voor de gezondheid, gebouwen of het milieu bij normaal gebruik zo klein mogelijk zijn.

b) De ontstekingsmethode moet duidelijk zichtbaar zijn en worden aangegeven aan de hand van etiketten of instructies.

c) Het pyrotechnische artikel moet zo zijn ontworpen dat het risico van brokstukken voor de gezondheid, gebouwen of het milieu bij onbedoelde inwerkingtreding zo klein mogelijk is.

d) In voorkomend geval werkt het pyrotechnische artikel naar behoren tot de houdbaarheidsdatum die de fabrikant heeft opgegeven.

C. ontstekingstoestellen

a) Ontstekingstoestellen moeten op betrouwbare wijze in werking kunnen worden gesteld en moeten onder alle normale, te verwachten gebruiksomstandigheden voldoende ontstekingscapaciteit hebben.

b) Ontstekingstoestellen moeten beschermd zijn tegen elektrostatische ontlading onder normale, te verwachten opslag- en gebruiksomstandigheden.

c) Elektrische ontstekers moeten beschermd zijn tegen elektromagnetische velden onder normale, te verwachten opslag- en gebruiksomstandigheden.

d) Het omhulsel van de lonten moet de juiste mechanische sterkte hebben en de explosieve vulling afdoende beschermen wanneer deze aan normale, te verwachten mechanische spanning wordt blootgesteld.

e) De parameters voor de brandduur van lonten moeten bij het artikel zijn gevoegd.

f) De elektrische kenmerken (bv. minimuminleidingsstroom, weerstand, enz.) van elektrische ontstekers moeten bij het artikel zijn gevoegd.

g) De kabels van elektrische ontstekers moeten voldoende geïsoleerd en mechanisch sterk genoeg zijn, inclusief de verbinding met de ontsteker, rekening houdend met het bedoelde gebruik.

BIJLAGE II

OVEREENSTEMMINGSBEOORDELINGSPROCEDURES

1. MODULE B: EG-typeonderzoek

1. In deze module wordt het deel van de procedure beschreven waarmee een aangemelde instantie zich ervan vergewist en verklaart dat een voorbeeld dat representatief is voor de beoogde productie, aan de desbetreffende bepalingen van de richtlijn voldoet.

2. De fabrikant dient de aanvraag voor EG-typeonderzoek in bij de aangemelde instantie van zijn keuze.

De aanvraag bevat:

- de naam en het adres van de fabrikant;

- een schriftelijke verklaring dat dezelfde aanvraag niet bij een andere aangemelde instantie is ingediend;

- de technische documentatie als beschreven in punt 3.

De aanvrager stelt de aangemelde instantie een voorbeeld ter beschikking dat representatief is voor de beoogde productie, hierna "type" genoemd. De aangemelde instantie kan bijkomende voorbeelden vragen als dat nodig is om het testprogramma uit te voeren.

3. Aan de hand van de technische documentatie moet de overeenstemming van het toestel met de voorschriften van de richtlijn kunnen worden beoordeeld. De documentatie moet, voorzover dat voor de beoordeling relevant is, betrekking hebben op het ontwerp, de fabricage en de werking van het toestel en voorzover dat voor de beoordeling relevant is het volgende bevatten:

- een algemene typebeschrijving;

- conceptuele ontwerp- en fabricagetekeningen en schematische voorstellingen van componenten, subassemblages, circuits, enz.;

- beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn om de tekeningen en schematische voorstellingen en de werking van het product te begrijpen;

- een lijst van de in artikel 8 bedoelde geharmoniseerde normen, volledig of gedeeltelijk toegepast, en een beschrijving van de oplossingen die zijn gekozen om aan de fundamentele veiligheidsvoorschriften van de richtlijn te voldoen wanneer de in artikel 8 bedoelde geharmoniseerde normen niet zijn toegepast;

- de resultaten van ontwerpberekeningen, uitgevoerde onderzoeken, enz.;

- testverslagen.

4. De aangemelde instantie moet:

4.1. de technische documentatie bestuderen, verifiëren of het type in overeenstemming met deze documentatie is gefabriceerd en aangeven welke elementen overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de in artikel 8 bedoelde geharmoniseerde normen zijn ontworpen en welke zijn ontworpen zonder de desbetreffende bepalingen van die geharmoniseerde normen toe te passen;

4.2. de passende beoordelingen en noodzakelijke tests uitvoeren of hebben uitgevoerd om, wanneer de in artikel 8 bedoelde geharmoniseerde normen niet zijn toegepast, te controleren of de door de fabrikant gekozen oplossingen aan de fundamentele veiligheidsvoorschriften van de richtlijn voldoen;

4.3. de passende beoordelingen en noodzakelijke tests uitvoeren of hebben uitgevoerd om, wanneer de fabrikant ervoor gekozen heeft de desbetreffende geharmoniseerde normen toe te passen, te controleren of deze ook werkelijk zijn toegepast;

4.4. met de aanvrager overeenkomen op welke locatie de beoordelingen en noodzakelijke tests moeten worden uitgevoerd.

5. Wanneer het type aan de desbetreffende bepalingen van deze richtlijn voldoet, geeft de aangemelde instantie een verklaring van EG-typeonderzoek af aan de aanvrager. Op deze verklaring staan de naam en het adres van de fabrikant, de conclusie van de beoordeling en de nodige gegevens voor de identificatie van het goedgekeurde type.

Een lijst van de desbetreffende delen van de technische documentatie is bij de verklaring gevoegd; de aangemelde instantie houdt een kopie bij.

Indien de fabrikant geen typeverklaring krijgt, moet de aangemelde instantie in detail de redenen voor die weigering aangeven.

Er moet in een beroepsprocedure worden voorzien.

6. De aanvrager brengt de aangemelde instantie die de technische documentatie betreffende de verklaring van EG-typeonderzoek in haar bezit heeft, op de hoogte van alle wijzigingen van het goedgekeurde toestel die aanvullend moeten worden goedgekeurd als die wijzigingen invloed hebben op de overeenstemming met de fundamentele voorschriften of de voorgeschreven gebruiksvoorwaarden van het product. Deze aanvullende goedkeuring wordt gegeven in de vorm van een bijvoegsel bij de oorspronkelijke verklaring van EG-typeonderzoek.

7. Elke aangemelde instantie moet de andere aangemelde instanties op de hoogte brengen van de relevante informatie betreffende de verklaringen van EG-typeonderzoek en de bijvoegsels die zijn afgegeven en ingetrokken.

8. De andere aangemelde instanties kunnen een kopie van de verklaringen van EG-typeonderzoek en/of de bijvoegsels krijgen. De bijlagen bij de verklaringen moeten ter beschikking van de andere aangemelde instanties worden gehouden.

9. Samen met de technische documentatie moet de fabrikant kopieën van de verklaringen van EG-typeonderzoek en de bijvoegsels bijhouden gedurende ten minste tien jaar vanaf de laatste fabricagedatum van het desbetreffende product.

Indien de fabrikant niet in de Gemeenschap is gevestigd, rust de verplichting om de technische documentatie ter beschikking te houden bij de persoon die het product in de Gemeenschap in de handel brengt.

2. MODULE C: overeenstemming met het type

1. In deze module wordt het deel van de procedure beschreven waarmee de fabrikant garandeert en verklaart dat de desbetreffende pyrotechnische artikelen in overeenstemming zijn met het type dat is beschreven in de verklaring van EG-typeonderzoek en aan de toepasselijke voorschriften van deze richtlijn voldoen. De fabrikant brengt de CE-markering aan op elk pyrotechnisch artikel en stelt een schriftelijke verklaring van overeenstemming op.

2. De fabrikant neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces garandeert dat het gefabriceerde product overeenstemt met het type dat is beschreven in de verklaring van EG-typeonderzoek en met de fundamentele veiligheidsvoorschriften van de richtlijn.

3. De fabrikant moet een kopie van de verklaring van overeenstemming bijhouden gedurende ten minste tien jaar vanaf de laatste fabricagedatum van het desbetreffende product.

Indien de fabrikant niet in de Gemeenschap is gevestigd, rust de verplichting om de technische documentatie ter beschikking te houden bij de persoon die het product in de Gemeenschap in de handel brengt.

4. Een door de fabrikant gekozen aangemelde instantie moet het product met willekeurige intervallen onderzoeken of hebben onderzocht. De aangemelde instantie neemt ter plekke een geschikt monster van de afgewerkte producten. Dat wordt onderzocht en aan de hand van passende tests zoals gedefinieerd in de in artikel 8 bedoelde toepasselijke geharmoniseerde norm of gelijkwaardige tests wordt gecontroleerd of het product met de voorschriften van de richtlijn overeenstemt. Wanneer een of meer monsters van de onderzochte producten niet in overeenstemming blijken te zijn, moet de aangemelde instantie passende maatregelen nemen.

Onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie brengt de fabrikant tijdens het fabricageproces het identificatienummer van die instantie aan.

3. MODULE D: productiekwaliteitsborging

1. In deze module wordt de procedure beschreven waarmee de fabrikant die aan de verplichtingen van punt 2 voldoet, garandeert en verklaart dat de desbetreffende pyrotechnische artikelen in overeenstemming zijn met het type dat is beschreven in de verklaring van EG-typeonderzoek en aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen. De fabrikant brengt de CE-markering aan op elk pyrotechnisch artikel en stelt een schriftelijke verklaring van overeenstemming op. De CE-markering gaat vergezeld van het identificatienummer van de aangemelde instantie die verantwoordelijk is voor de in punt 4 bedoelde controles.

2. De fabrikant moet een goedgekeurd kwaliteitssysteem voor de productie, de inspectie en het testen van het eindproduct hebben zoals bepaald in punt 3. Hij moet de in punt 4 bedoelde controles uitvoeren.

3. Kwaliteitssysteem

3.1. De fabrikant dient bij de aangemelde instantie van zijn keuze een aanvraag in voor de beoordeling van zijn kwaliteitssysteem voor de desbetreffende pyrotechnische artikelen.

De aanvraag bevat:

- alle relevante informatie voor de beoogde categorie van pyrotechnische artikelen;

- de documentatie betreffende het kwaliteitssysteem;

- de technische documentatie betreffende het goedgekeurde type en een kopie van de verklaring van EG-typeonderzoek.

3.2. Het kwaliteitssysteem moet ervoor zorgen dat pyrotechnische artikelen in overeenstemming zijn met het type dat is beschreven in de verklaring van EG-typeonderzoek en de toepasselijke voorschriften van deze richtlijn.

Alle door de fabrikant gevolgde beginselen, voorschriften en bepalingen moeten op een systematische en ordelijke manier worden gedocumenteerd in de vorm van schriftelijk vastgelegde beleidslijnen, procedures en instructies. Aan de hand van de documentatie over het kwaliteitssysteem moeten de kwaliteitsprogramma's, -plannen, -handleidingen en -gegevens consequent kunnen worden geïnterpreteerd.

Zij bevat met name een adequate beschrijving van:

- de kwaliteitsdoelstellingen en de structuur van de organisatie, de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het management met betrekking tot de kwaliteit van de pyrotechnische artikelen;

- de technieken, processen en systematische acties die zullen worden aangewend in het kader van de fabricage, de kwaliteitscontrole en de kwaliteitsborging;

- de onderzoeken en tests die vóór, tijdens en na de fabricage plaatsvinden en de frequentie ervan;

- de kwaliteitsgegevens, zoals inspectieverslagen en testgegevens, kalibratiegegevens, kwalificatierapporten van het betrokken personeel, enz.;

- de middelen om na te gaan of de vereiste kwaliteit van pyrotechnische artikelen wordt gehaald en de effectieve werking van het kwaliteitssysteem.

3.3. De aangemelde instantie beoordeelt het kwaliteitssysteem om na te gaan of het aan de in punt 3.2 bedoelde voorschriften voldoet. Kwaliteitssystemen die aan de desbetreffende geharmoniseerde norm voldoen, worden geacht in overeenstemming te zijn met die voorschriften. Ten minste één lid van het controleteam moet ervaring hebben met de beoordeling van de desbetreffende producttechnologie. Bij de beoordelingsprocedure hoort een inspectiebezoek aan de bedrijfsgebouwen van de fabrikant.

De fabrikant wordt in kennis gesteld van de beslissing. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.

3.4. De fabrikant verbindt zich ertoe de verplichtingen die uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem voortvloeien, na te komen en ervoor te zorgen dat het goed en efficiënt blijft werken.

De fabrikant informeert de aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd over voorgenomen wijzigingen van het systeem.

De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen en beslist of het gewijzigde kwaliteitssysteem aan de in punt 3.2 bedoelde voorschriften zal blijven voldoen dan wel of het systeem opnieuw moet worden beoordeeld.

Zij stelt de fabrikant in kennis van haar beslissing. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.

4. Toezicht onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie

4.1 Toezicht is bedoeld om ervoor te zorgen dat de fabrikant de verplichtingen die uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem voortvloeien, naar behoren nakomt.

4.2 De fabrikant verleent de aangemelde instantie voor inspectiedoeleinden toegang tot de fabricage-, inspectie-, test- en opslagruimten en verstrekt haar de nodige informatie, met name:

- de documentatie met betrekking tot het kwaliteitssysteem;

- de kwaliteitsgegevens, zoals inspectieverslagen en testgegevens, kalibratiegegevens, kwalificatierapporten van het betrokken personeel, enz.

4.3. De aangemelde instantie voert periodiek controles uit om ervoor te zorgen dat de fabrikant het kwaliteitssysteem handhaaft en toepast en verstrekt de fabrikant een controleverslag.

4.4. De aangemelde instantie kan bovendien onaangekondigde bezoeken aan de fabrikant brengen. Tijdens dergelijke bezoeken kan de aangemelde instantie tests (laten) uitvoeren om na te gaan of het kwaliteitssysteem naar behoren functioneert; indien nodig moet de aangemelde instantie de fabrikant een verslag van het bezoek en, indien tests zijn uitgevoerd, een testverslag verstrekken.

5. De fabrikant moet de volgende elementen gedurende ten minste tien jaar vanaf de laatste fabricagedatum van het product ter beschikking houden van de nationale autoriteiten:

- het in punt 3.1, tweede streepje, bedoelde document;

- de in punt 3.4, tweede alinea, bedoelde update;

- de in de laatste alinea van punt 3.4 en in de punten 4.3 en 4.4 bedoelde besluiten en verslagen van de aangemelde instantie.

6. Elke aangemelde instantie verstrekt de andere aangemelde instanties de relevante informatie betreffende de goedkeuringen van het kwaliteitssysteem die zijn afgegeven en ingetrokken.

4. MODULE E: productkwaliteitsborging

1. In deze module wordt de procedure beschreven waarmee de fabrikant die aan de verplichtingen van punt 2 voldoet, garandeert en verklaart dat de pyrotechnische artikelen in overeenstemming zijn met het type dat is beschreven in de verklaring van EG-typeonderzoek. De fabrikant brengt de CE-markering aan op elk pyrotechnisch artikel en stelt een schriftelijke verklaring van overeenstemming op. De CE-markering gaat vergezeld van het identificatienummer van de aangemelde instantie die verantwoordelijk is voor de in punt 4 bedoelde controles.

2. De fabrikant moet een goedgekeurd kwaliteitssysteem voor de inspectie en het testen van het eindproduct hebben zoals bepaald in punt 3. Hij moet de in punt 4 bedoelde controles uitvoeren.

3. Kwaliteitssysteem

3.1. De fabrikant dient bij de aangemelde instantie van zijn keuze een aanvraag in voor de beoordeling van het kwaliteitssysteem voor zijn pyrotechnische artikelen.

De aanvraag bevat:

- alle relevante informatie voor de beoogde categorie van pyrotechnische artikelen;

- de documentatie betreffende het kwaliteitssysteem;

- de technische documentatie betreffende het goedgekeurde type en een kopie van de verklaring van EG-typeonderzoek.

3.2. Krachtens het kwaliteitssysteem wordt elk pyrotechnisch artikel onderzocht en worden passende tests zoals gedefinieerd in de in artikel 8 bedoelde toepasselijke geharmoniseerde norm(en) of gelijkwaardige tests uitgevoerd om na te gaan of het aan de desbetreffende voorschriften van de richtlijn voldoet. Alle door de fabrikant gevolgde beginselen, voorschriften en bepalingen moeten op een systematische en ordelijke manier worden gedocumenteerd in de vorm van schriftelijk vastgelegde beleidslijnen, procedures en instructies. Aan de hand van de documentatie over het kwaliteitssysteem moeten de kwaliteitsprogramma's, -plannen, -handleidingen en -gegevens op uniforme wijze kunnen worden geïnterpreteerd.

Zij bevat met name een adequate beschrijving van:

- de kwaliteitsdoelstellingen en de structuur van de organisatie, de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van het management met betrekking tot de kwaliteit van het product;

- de onderzoeken en tests die na de fabricage worden uitgevoerd;

- de middelen om de effectieve werking van het kwaliteitssysteem te controleren;

- de kwaliteitsgegevens, zoals inspectieverslagen en testgegevens, kalibratiegegevens, kwalificatierapporten van het betrokken personeel, enz.

3.3. De aangemelde instantie beoordeelt het kwaliteitssysteem om na te gaan of het aan de in punt 3.2 bedoelde voorschriften voldoet. Kwaliteitssystemen die aan de desbetreffende geharmoniseerde norm voldoen, worden geacht in overeenstemming te zijn met die voorschriften.

Ten minste één lid van het controleteam moet ervaring hebben met de beoordeling van de desbetreffende producttechnologie. Bij de beoordelingsprocedure hoort een inspectiebezoek aan de bedrijfsgebouwen van de fabrikant.

De fabrikant wordt in kennis gesteld van de beslissing. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.

3.4. De fabrikant verbindt zich ertoe de verplichtingen die uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem voortvloeien, na te komen en ervoor te zorgen dat het goed en efficiënt blijft werken.

De fabrikant informeert de aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd over voorgenomen wijzigingen van het systeem. De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen en beslist of het gewijzigde kwaliteitssysteem aan de in punt 3.2 bedoelde voorschriften zal blijven voldoen dan wel of het systeem opnieuw moet worden beoordeeld. Zij stelt de fabrikant in kennis van haar beslissing. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.

4. Toezicht onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie

4.1. Toezicht is bedoeld om ervoor te zorgen dat de fabrikant de verplichtingen die uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem voortvloeien, naar behoren nakomt.

4.2. De fabrikant verleent de aangemelde instantie voor inspectiedoeleinden toegang tot de inspectie-, test- en opslagruimten en verstrekt haar de nodige informatie, met name:

- de documentatie met betrekking tot het kwaliteitssysteem,

- de technische documentatie,

- de kwaliteitsgegevens, zoals inspectieverslagen en testgegevens, kalibratiegegevens, kwalificatierapporten van het betrokken personeel, enz.

4.3. De aangemelde instantie voert periodiek controles uit om ervoor te zorgen dat de fabrikant het kwaliteitssysteem handhaaft en toepast en verstrekt de fabrikant een controleverslag.

4.4. De aangemelde instantie kan bovendien onaangekondigde bezoeken aan de fabrikant brengen. Tijdens dergelijke bezoeken kan de aangemelde instantie tests (laten) uitvoeren om na te gaan of het kwaliteitssysteem naar behoren functioneert; indien nodig moet de aangemelde instantie de fabrikant een verslag van het bezoek en, indien tests zijn uitgevoerd, een testverslag verstrekken.

5. De fabrikant moet de volgende elementen gedurende ten minste tien jaar vanaf de laatste fabricagedatum van het product ter beschikking houden van de nationale autoriteiten:

- de in punt 3.1, tweede streepje, bedoelde documenten;

- de in punt 3.4, tweede alinea, bedoelde wijzigingen,

- de in de laatste alinea van punt 3.4 en in de punten 4.3 en 4.4 bedoelde besluiten en verslagen van de aangemelde instantie.

6. Elke aangemelde instantie verstrekt de andere aangemelde instanties de relevante informatie betreffende de goedkeuringen van het kwaliteitssysteem die zijn afgegeven en ingetrokken.

5. MODULE F: productkeuring

1. In deze module wordt de procedure beschreven waarmee de fabrikant controleert of en verklaart dat de pyrotechnische artikelen die aan de bepalingen van punt 3 onderworpen zijn, in overeenstemming zijn met het type dat is beschreven in de verklaring van EG-typeonderzoek en aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen.

2. De fabrikant neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces garandeert dat de pyrotechnische artikelen overeenstemmen met het type dat is beschreven in de verklaring van EG-typeonderzoek en met de toepasselijke voorschriften van de richtlijn. Hij brengt de CE-markering aan op elk pyrotechnisch artikel en stelt een verklaring van overeenstemming op.

3. De aangemelde instantie voert de passende onderzoeken en tests uit om de overeenstemming van het pyrotechnische artikel met de relevante voorschriften van de richtlijn te controleren door elk artikel te onderzoeken en te testen zoals bepaald in punt 4.

De fabrikant houdt een kopie van de verklaring van overeenstemming bij gedurende ten minste tien jaar vanaf de fabricage van het laatste pyrotechnische artikel.

4. Keuring door elk pyrotechnisch artikel te onderzoeken en te testen

4.1. Alle pyrotechnische artikelen worden afzonderlijk onderzocht en passende tests zoals gedefinieerd in de in artikel 8 bedoelde relevante geharmoniseerde norm(en) of gelijkwaardige tests worden uitgevoerd om na te gaan of ze overeenstemmen met het desbetreffende type en de desbetreffende voorschriften van de richtlijn.

4.2. De aangemelde instantie brengt op elk goedgekeurd pyrotechnisch artikel haar identificatienummer aan (of laat dat doen) en stelt een verklaring van overeenstemming met betrekking tot de uitgevoerde tests op.

4.3. De fabrikant zorgt ervoor dat hij de verklaringen van overeenstemming van de aangemelde instantie op verzoek kan verstrekken.

6. MODULE G: eenheidskeuring

1. In deze module wordt de procedure beschreven waarmee de fabrikant garandeert en verklaart dat het pyrotechnische artikel waarvoor de in punt 2 bedoelde verklaring is afgegeven, aan de toepasselijke voorschriften van de richtlijn voldoet. De fabrikant brengt de CE-markering op het artikel aan en stelt een verklaring van overeenstemming op.

2. De aangemelde instantie onderzoekt het pyrotechnische artikel en voert passende tests zoals gedefinieerd in de in artikel 8 bedoelde relevante geharmoniseerde norm(en) of gelijkwaardige tests uit om de overeenstemming ervan met de toepasselijke voorschriften van de richtlijn te garanderen.

De aangemelde instantie brengt op het goedgekeurde pyrotechnische artikel haar identificatienummer aan (of laat dat aanbrengen) en stelt een verklaring van overeenstemming met betrekking tot de uitgevoerde tests op.

3. De technische documentatie is bedoeld om de overeenstemming met de voorschriften van de richtlijn te kunnen beoordelen en het ontwerp, de fabricage en de werking van het pyrotechnische artikel te begrijpen.

Voorzover nodig voor de beoordeling moet de documentatie het volgende bevatten:

- een algemene typebeschrijving;

- conceptuele ontwerp- en fabricagetekeningen en schematische voorstellingen van componenten, subassemblages, circuits, enz.;

- beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn om de tekeningen en schematische voorstellingen en de werking van het pyrotechnische artikel te begrijpen;

- een lijst van de in artikel 8 bedoelde geharmoniseerde normen, volledig of gedeeltelijk toegepast, en een beschrijving van de oplossingen die zijn gekozen om aan de fundamentele veiligheidsvoorschriften van de richtlijn te voldoen wanneer de in artikel 8 bedoelde geharmoniseerde normen niet zijn toegepast;

- de resultaten van ontwerpberekeningen, uitgevoerde onderzoeken, enz.;

- testverslagen.

BIJLAGE III

DOOR DE LIDSTATEN TE HANTEREN MINIMUMCRITERIA VOOR DE INSTANTIES DIE VERANTWOORDELIJK ZIJN VOOR DE BEOORDELING VAN DE OVEREENSTEMMING

1. De instantie, de directeur daarvan en de personeelsleden die met de uitvoering van de keuringstests zijn belast, mogen niet de ontwerper, de fabrikant, de leverancier of de installateur zijn van de pyrotechnische artikelen die ze inspecteren, noch de vertegenwoordiger van een van deze partijen. Zij mogen noch rechtstreeks, noch als gemachtigd vertegenwoordiger betrokken worden bij het ontwerp, de constructie, de verkoop of het onderhoud van dergelijke artikelen. Dit belet niet dat tussen de fabrikant en de instantie technische informatie kan worden uitgewisseld.

2. De instantie en de personeelsleden daarvan voeren de keuringstests uit met de grootst mogelijke professionele integriteit en technische bekwaamheid; zij zijn vrij van alle druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van de inspectie kunnen beïnvloeden, met name vanwege (groepen van) personen met een belang in het resultaat van de keuringen.

3. De instantie beschikt over het nodige personeel en de voorzieningen die nodig zijn om de administratieve en technische taken met betrekking tot de keuring naar behoren uit te voeren; zij moet ook toegang hebben tot de uitrusting die nodig is voor speciale keuringen.

4. De met de inspectie belaste personeelsleden:

- hebben een degelijke technische en beroepsopleiding genoten;

- hebben een bevredigende kennis van de voorschriften betreffende de tests die ze uitvoeren en voldoende ervaring met dergelijke tests;

- beschikken over de vereiste bekwaamheid om de verklaringen, gegevens en verslagen op te stellen die nodig zijn om de uitvoering van de tests te authentiseren.

5. De onpartijdigheid van het inspectiepersoneel is gegarandeerd. Hun vergoeding hangt niet af van het aantal uitgevoerde tests of het resultaat ervan.

6. De instantie sluit een wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering af, tenzij die wettelijke aansprakelijkheid op basis van het nationale recht door de staat wordt gedekt of de tests rechtstreeks door de lidstaat worden verricht.

7. De personeelsleden van de instantie zijn aan het beroepsgeheim gebonden ten aanzien van al wat hun bij de uitoefening van hun taak in het kader van deze richtlijn of van de bepalingen van intern recht die daaraan uitvoering geven ter kennis is gekomen (behalve tegenover de terzake bevoegde overheidsinstanties van de staat waarin de keuringsdienst zijn werkzaamheden uitoefent).

BIJLAGE IV

MARKERING VAN DE OVEREENSTEMMING

De CE-markering bestaat uit de letters "CE" in de volgende vorm:

Indien de markering wordt verkleind of vergroot, moeten de verhoudingen van bovenstaande gegradueerde afbeelding worden gerespecteerd.

[1] PB C […] van […], blz. […].

[2] PB C […] van […], blz. […].

[3] PB C […] van […], blz. […].

[4] PB L 121 van 15.5.1993, blz. 20.

[5] PB L 10 van 14.1.1997, blz. 13.

[6] PB L 345 van 31.12.2003, blz. 97-105.

[7] PB C 91 van 16.4.2003, blz. 7.

[8] PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG (PB L 217 van 5.8.1998, blz. 18).

[9] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

[10] PB L 46 van 17.2.1997, blz. 25.

[11] PB L 187 van 16.7.1988, blz. 1.

[12] PB L 121 van 15.5.1993, blz. 20.

[13] 18 maanden na de inwerkingtreding.

[14] 18 maanden na de bekendmaking van de richtlijn.

[15] 24 maanden na de bekendmaking van de richtlijn.

[16] 5 jaar na de bekendmaking van de richtlijn.

Top