Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52005DC0533

Verslag van de Commissie - Zestiende jaarlijks verslag over de uitvoering van de structuurfondsen (2004) {SEC(2005)1348}

/* COM/2005/0533 def. */

52005DC0533

Verslag van de Commissie - Zestiende jaarlijks verslag over de uitvoering van de structuurfondsen (2004) {SEC(2005)1348} /* COM/2005/0533 def. */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 28.10.2005

COM(2005) 533 definitief

VERSLAG VAN DE COMMISSIE

ZESTIENDE JAARLIJKS VERSLAG OVER DE UITVOERING VAN DE STRUCTUURFONDSEN (2004) {SEC(2005)1348}

INHOUDSOPGAVE

1. Inleiding 3

2. Analyse van de uitvoering in 2004 3

3. Samenhang en coördinatie 8

4. Evaluaties 10

5. Controle 11

6. Comités die de Commissie bijstaan 12

VERSLAG VAN DE COMMISSIE

ZESTIENDE JAARLIJKS VERSLAG OVER DE UITVOERING VAN DE STRUCTUURFONDSEN (2004)

Dit verslag wordt voorgelegd overeenkomstig artikel 45, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen. Het is het zestiende jaarlijkse verslag en heeft betrekking op de activiteiten van de Structuurfondsen in 2004.

De in dit verslag samengevatte gegevens worden nader toegelicht in het werkdocument van de diensten van de Commissie.

1. INLEIDING

2004 W erd gekenmerkt door drie belangrijke gebeurtenissen in de looptijd van de huidige generatie Europese programma’s: de toewijzing van de prestatiereserve, de evaluatie halverwege de looptijd van de programma’s in de EU-15, en de uitbreiding van de Unie, waardoor 43 extra programma’s moesten worden opgezet, voornamelijk in de categorie minder ontwikkelde regio’s. Voor deze laatste programma’s is voor de periode 2004-2006 een totaalbedrag van 24 miljard euro (lopende prijzen) aan communautaire steun toegewezen.

Intussen werden, buiten het kader van de huidige programma’s, onderhandelingen gestart over het nieuwe regelgevingskader voor het cohesiebeleid voor 2007-2013. Met de voorstellen van de Commissie voor het Parlement en de Raad wordt beoogd de rol van het cohesiebeleid te bevestigen als belangrijkste begrotingsinstrument op communautair niveau voor de realisatie van de agenda van Lissabon inzake concurrentievermogen. Geraamd wordt dat voor de periode van zeven jaar ongeveer 336,1 miljard euro aan begrotingsmiddelen nodig zullen zijn voor de drie prioritaire doelstellingen: convergentie, in de minst ontwikkelde regio’s; concurrentievermogen en werkgelegenheid, in de overige regio’s; en Europese territoriale samenwerking, over de grenzen heen.

2. ANALYSE VAN DE UITVOERING IN 2004

2.1. Uitvoering van de begroting

2.1.1. Vastleggingen

In 2004 beliepen de vastleggingskredieten voor de Structuurfondsen in totaal 35 353 miljoen euro, d.i. 32% van de EU-begroting. De vastleggingskredieten voor de tien nieuwe lidstaten bedroegen 3 812 miljoen euro. In totaal is 35 212 miljoen euro effectief vastgelegd, nagenoeg 100% van de beschikbare kredieten (wat het systeem van de grotendeels automatische vastleggingen weerspiegelt). De hele toewijzing waarin bij de overeenkomst van Kopenhagen is voorzien voor de programma’s voor EU-10, is vastgelegd.

2.1.2. Betalingen

Nog nooit is voor de Structuurfondsen voor een zo groot bedrag aan vastleggingen betaalbaargesteld als in 2004: het ging om 31 516 miljoen euro, d.i. 99% van de beschikbare betalingskredieten. Hiermee is in het vijfde jaar van de programmeringsperiode een aanzienlijke versnelling gekomen in de realisatie van de huidige generatie programma’s.

Hierin weerspiegelt zich het meer proactieve beheer van de autoriteiten op communautair, nationaal en regionaal niveau, dat ertoe bijdraagt de programma’s op schema te houden zodat ze met succes kunnen worden uitgevoerd in de periode van zeven jaar (2000-2006).

Voor doelstelling 2 is 100% van de beschikbare betalingskredieten gebruikt. Voor de doelstellingen 1 en 3 en voor de communautaire initiatieven lag het cijfer ook dicht bij 100%. Voor het FIOV (buiten de programma’s van doelstelling 1) werd 83% gehaald, een betere prestatie dan de voorbije jaren. Anderzijds is het cijfer voor innovatieve acties en technische bijstand gedaald van 90% in 2003 naar 78% in 2004. Bekeken per Fonds hebben het EFRO, het EOGFL-Oriëntatie en het ESF allemaal hoge betalingspercentages gerealiseerd (tussen 98% en 100% van de beschikbare kredieten). Voor het FIOV was het resultaat in 2004 81%, d.i. minder dan het in 2003 gehaalde cijfer van 86%.

Zoals verwacht bestonden de betalingen in de tien nieuwe lidstaten in 2004 grotendeels uit voorschotten waarmee vlottend kapitaal werd gecreëerd om bij te dragen tot de realisatie van de programma’s[1]. Zij beliepen 1 550 miljoen euro. Het totale bedrag van de tussentijdse betalingen (alleen voor programma’s van doelstelling 1) beliep 23,7 miljoen euro.

2.1.3. Uitvoering door de lidstaten (EU-15)

In 2004 konden zeven van de vijftien lidstaten dankzij de versnelde uitvoering hun nog betaalbaar te stellen betalingsverplichtingen in absolute cijfers doen dalen. De absolute dalingen waren het grootst in Spanje (500 miljoen euro) en Ierland (361 miljoen euro). Voorts zijn ook in Denemarken, Finland, Luxemburg, Portugal en Zweden de geaccumuleerde betalingsverplichtingen gedaald. Vijf lidstaten waren goed voor bijna drievierde van alle betalingen, in volgorde: Spanje, Duitsland, Italië, Portugal en Griekenland. In de EU-15 zijn dit de grootste begunstigden van het cohesiebeleid van de EU.

2.1.4. “N+2”-regel[2]

De middelen die zijn geannuleerd omdat er eind 2004 geen ontvankelijke betalingsaanvraag was ingediend binnen de door de n+2-regel opgelegde termijn, waren beperkt ten opzichte van het totaal van de vastgelegde middelen. Voor het EFRO gaat het om een geraamd bedrag van 56,1 miljoen euro voor 26 programma’s. De meeste annuleringen hadden betrekking op Interreg-programma’s, die moeilijker uit te voeren zijn omdat er rekening moet worden gehouden met de beheersprocedures aan beide kanten van nationale grenzen. De annuleringen vertegenwoordigden slechts 0,3% van de jaarlijkse EFRO-vastleggingen. Deze cijfers zullen definitief zijn zodra de betrokken lidstaten zich daarmee akkoord zullen hebben verklaard.

De ramingen voor de andere Structuurfondsen laten iets hogere annuleringspercentages zien: voor het ESF: 123,5 miljoen euro of 1,3% van de jaarlijkse vastlegging, voor het EOGFL: 44,4 miljoen euro of 1,5% van de jaarlijkse vastlegging, en voor het FIOV: 70,2 miljoen euro of 12,5% van de jaarlijkse vastlegging.

Voor de 4 Fondsen samen komt het algemene resultaat overeen met een annulering van minder dan 1% (ongeveer 0,96%) van de totale jaarlijkse vastlegging voor 2002, wat erop wijst dat de n+2-regel de rol vervult waarvoor hij was bedoeld: hij zet namelijk aan tot een gelijkmatiger financiële uitvoering van de programma’s over de verschillende jaren.

2.2. Uitvoering van de programma’s

2.2.1. Doelstellingen 1 en 2

2.2.1.1. EU-15

Een belangrijke gebeurtenis in 2004 was de toewijzing van de prestatiereserve na de evaluatie halverwege de looptijd. Door deze innovatie in de programma’s voor 2000-2006 konden de lidstaten de programma’s ook aanpassen aan wijzigingen in de algemene sociaal-economische situatie of aan wijzigende arbeidsmarktvoorwaarden, en konden zij rekening houden met de resultaten van de evaluaties halverwege de looptijd. Over het algemeen vormde deze toewijzing de aanleiding om in grotere mate bij te dragen tot de prioriteiten van de herziene Europese werkgelegenheidsstrategie (EWS) en tot de verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon. Voorts konden de lidstaten, in het kader van de evaluatie halverwege de looptijd, wijzigingen aanbrengen in de structuur van de programma’s, bijvoorbeeld om de uitvoering te vereenvoudigen.

2.2.1.2. Nieuwe lidstaten

Uit de ervaring met het eerste jaar van de programma-uitvoering in de EU-10, dat in mei begonnen is, blijkt dat in de meeste gevallen goede vooruitgang is geboekt bij de projectselectie. Bemoedigend is dat de projectaanvragen voor bepaalde maatregelen de in het kader van de programma’s beschikbare financiële middelen overschreden. Tegelijk blijven er uitdagingen, zoals de verhoging van de kwaliteit van de projecten, een evenwichtige geografische spreiding en de noodzaak tekortkomingen in het beheer aan te pakken.

2.2.2. Doelstelling 3

Een belangrijke boodschap die naar voren kwam in de verslagen over de evaluatie halverwege de looptijd is dat de strategie die oorspronkelijk voor de bijstandsverlening uit het ESF was goedgekeurd, in de meeste gevallen toepasselijk blijft en nog steeds bijdraagt tot de uitvoering van de Europese werkgelegenheidsstrategie. De aanbevelingen hadden vooral betrekking op de verfijning van de programma’s. Een groot aantal van de aangebrachte wijzigingen was bedoeld om de programma’s te vereenvoudigen, de flexibiliteit te vergroten teneinde het hoofd te bieden aan sociaal-economische uitdagingen, of de toewijzing te verlagen voor maatregelen waarbij de behoeften minder groot bleken te zijn dan verwacht, wat zich uitte in onderbesteding.

2.2.3. Visserij buiten de gebieden van doelstelling 1

De evaluatie halverwege de looptijd bood de gelegenheid de programma’s aan te passen aan de vereisten van het hervormde Gemeenschappelijk Visserijbeleid, met name wat betreft de stopzetting, vanaf 2005, van de steun voor de vernieuwing van vissersvaartuigen en voor de permanente overdracht van communautaire vaartuigen aan derde landen; de aanpassing van de voorwaarden waarop de lidstaten steun mogen verlenen aan vissers en reders die hun visserijactiviteiten tijdelijk stilleggen; en de wijziging van de steunmaatregelen voor de omscholing van vissers, die zo worden verruimd dat het hun mogelijk wordt gemaakt hun activiteiten te diversifiëren en toch nog in deeltijd te blijven vissen.

2.2.4. Communautaire initiatieven

2.2.4.1. Interreg

In het kader van de toetreding van de tien nieuwe lidstaten zijn 11 nieuwe grensoverschrijdende programma’s gestart en zijn 17 programma’s gewijzigd om de nieuwe lidstaten als deelnemer toe te voegen. De extra EFRO-bijstand voor Interreg voor de nieuwe lidstaten bedraagt in totaal 479 miljoen euro voor de periode 2004-2006. Hierdoor komt het EFRO-budget voor Interreg III, na toevoeging van de indexeringsmiddelen voor de periode 2004-2006, op ongeveer 5,8 miljard euro. In 2004 zijn vele programma’s gewijzigd als gevolg van de evaluatie halverwege de looptijd.

2.2.4.2. Leader+

In 2004 zijn voor de 73 Leader+-programma’s betalingen uit het EOGFL-Oriëntatie verricht ten belope van 238 miljoen euro. Sinds het begin van de programmeringsperiode zijn meer dan 20 000 projecten door de plaatselijke actiegroepen goedgekeurd. Deze projecten hebben vooral betrekking op toerisme, ondersteuning van het MKB, renovatie en ontwikkeling van dorpen en het landelijk erfgoed, basisdiensten voor de plattelandsbevolking en de agrarische economie. Voor de nieuwe lidstaten bestaat de mogelijkheid een maatregel van het Leader+-type uit te voeren in het kader van hun programma’s voor plattelandsontwikkeling.

2.2.4.3. URBAN

Heel belangrijk in 2004 was de start van de werkzaamheden in verband met de thematische netwerken (het programma Urbact). Er werden vijftien thematische netwerken goedgekeurd, die elk rond verschillende thema’s werden opgebouwd. De deelname was groot: 150 steden traden op als partners, waaronder 36 steden in de nieuwe lidstaten. Er zijn nieuwe resultaten bekendgemaakt voor de stadsaudit[3].

2.2.4.4. EQUAL

In 2004 was de eerste uitvoeringsronde voor de ontwikkelingspartnerschappen afgelopen en begon de tweede fase. Hierbij vond een accentverschuiving plaats waarbij de aandacht werd gericht op ondersteunende activiteiten om de institutionele capaciteit en de efficiëntie van de nationale beheersteams voor Equal te versterken. Er werden verschillende Equal-publicaties gemaakt, die elektronisch kunnen worden geraadpleegd[4].

In 2004 werden 27 nieuwe besluiten goedgekeurd om rekening te houden met de wijzigingen die resulteerden uit de evaluatie halverwege de looptijd en uit de indexering, of om nieuwe programma’s in het kader van een communautair initiatief (PCI’s) voor de nieuwe lidstaten vast te stellen.

2.2.5. Innovatieve acties

2.2.5.1. EFRO

Er werden 139 programma’s goedgekeurd voor een totaalbedrag van 660 miljoen euro, waarvan 344 miljoen euro in het kader van het EFRO. Een belangrijk evenement in 2004 was de overhandiging van de prijzen aan de winnaars van de wedstrijd “Europese prijs voor regionale innovatie”[5]. In 2004 werden uitvoerige checklists en modellen voor de wijziging en uiteindelijke afsluiting van de programma’s opgesteld als onderdeel van het streven naar een gezond financieel beheer en om te helpen bij het opsporen van de beste praktijken.

2.2.5.2. ESF

Er werden 35 projecten op het gebied van de sociale dialoog afgerond. 33 projecten werden geselecteerd na een eerste ronde van een oproep tot het indienen van voorstellen voor “ Innovatieve benaderingen van het beheer van veranderingen ”. Om te helpen bij het inpassen van de resultaten heeft de Commissie een oproep gepubliceerd tot het indienen van voorstellen voor “ Overdracht en verspreiding van innovatie in het kader van projecten uit hoofde van artikel 6 ESF ”.

2.2.5.3. FIOV

In 2004 werden hoofdzakelijk projecten uitgevoerd die in vorige jaren waren geselecteerd. Drie projecten werden afgesloten. Er is begonnen met de evaluatie achteraf van de resultaten van projecten die waren geselecteerd in het kader van de maatregel “innovatieve acties”.

3. SAMENHANG EN COÖRDINATIE

3.1. Samenhang met andere takken van het communautaire beleid

3.1.1. Mededinging

In Verordening (EG) nr. 1260/1999 is bepaald dat de Commissie slechts bijstandspakketten kan goedkeuren als alle elementen worden verstrekt die nodig zijn om vooraf te kunnen beoordelen of de steun van de lidstaat in overeenstemming is met de gemeenschappelijke markt. De Commissie heeft er in 2004 dan ook met bijzondere aandacht op toegezien dat de regels inzake staatssteun werden nagekomen, ten eerste in de programma’s voor de nieuwe lidstaten voor 2004-2006, en, ten tweede, in de programma’s voor de EU-15. Een onderdeel hiervan was de beoordeling van de aspecten van het mededingingsbeleid bij bepaalde grote projecten in de zin van de artikelen 25 en 26 van Verordening (EG) nr. 1260/1999.

3.1.2. Milieu

Voor de tien nieuwe lidstaten worden de uitgaven voor milieuprioriteiten voor de periode 2004-2006 geraamd op ongeveer 720 miljoen euro, d.i. 4,8% van de 15 miljard euro die in het kader van de Structuurfondsen is toegewezen voor de nieuwe lidstaten. Ter vergelijking: in de EU-15 gaat 13% van de 196 miljard euro voor de periode 2000-2006 naar milieuprioriteiten. Alle nieuwe lidstaten hebben water- en afvalbeheerprojecten als belangrijke prioriteiten.

Een specifieke uitdaging voor de nieuwe lidstaten is de toepassing van de richtlijn inzake milieueffectbeoordelingen en de vogel- en habitatrichtlijnen (voor het netwerk Natura 2000).

3.1.3. Interne markt

Het beheer van de Structuurfondsen werd meer gedecentraliseerd, waardoor de lidstaten in grotere mate verantwoordelijk zijn geworden voor de gunning van de uit de communautaire Fondsen gefinancierde contracten. Om ervoor te zorgen dat deze procedures met de communautaire regelgeving in overeenstemming zijn, heeft de Commissie de nationale autoriteiten aangemoedigd diverse preventieve maatregelen te nemen, zoals het verstrekken van adequate opleiding voor personeelsleden die bij het gunnen van contracten betrokken zijn, en heeft zij richtsnoeren over de te volgen procedures gepubliceerd.

3.1.4. Vervoer

Op 29 april 2004 zijn de herziene communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet goedgekeurd[6]. Deze richtsnoeren omvatten 30 prioritaire projecten van Europees belang in de hele EU-25. De kosten daarvoor bedragen ongeveer 225 miljard euro. Dat het om projecten van Europees belang gaat, draagt ertoe bij dat de financiële middelen die voor deze sector uit de Structuurfondsen worden toegekend, worden geconcentreerd, vooral in de regio’s van doelstelling 1.

3.2. Coördinatie van de instrumenten

3.2.1. De Structuurfondsen en het Cohesiefonds

Nu komen 13 lidstaten in aanmerking voor steun uit het Cohesiefonds (de tien nieuwe lidstaten, Portugal, Spanje en Griekenland). Ierland komt niet langer voor steun in aanmerking sinds de tussenbalans van 2003, waaruit bleek dat het BNI per inwoner de drempelwaarde had overschreden.

Het voornaamste instrument voor de coördinatie van de bijstandsverlening uit het Cohesiefonds en de Structuurfondsen is het strategisch referentiekader (SRK). De tien nieuwe lidstaten hebben hun SRK in het eerste halfjaar van 2004 voorgesteld.

3.2.2. De Structuurfondsen en de EIB/ het EIF

In 2004 hebben de Commissie en de EIB nog intenser met elkaar overlegd en samen voorbereidende werkzaamheden verricht met het oog op versterkte samenwerking in de volgende programmeringsperiode 2007-2013. De Bank heeft de Commissie geholpen bij de beoordeling van 15 grote EFRO-projecten en 25 Cohesiefondsprojecten. Eind 2004 zijn de Commissie en de EIB technische onderhandelingen begonnen over hoe ze de samenwerking kunnen versterken om de lidstaten extra hulp te bieden bij de voorbereiding van kwaliteitsprojecten. Doel hiervan is de uitvoering van deze projecten te versnellen. Naar verwachting zullen de onderhandelingen in 2005 worden afgerond.

In 2004 verstrekte de Europese Investeringsbank leningen voor een totaalbedrag van 43,2 miljard euro (in 2003: 42,3 miljard euro) voor projecten die de politieke doelstellingen van de Europese Unie versterken. De financiering in de EU-25 beliep in totaal 39,7 miljard euro.

In 2004 verwierf het Europees Investeringsfonds (EIF) risicokapitaalfondsen ter waarde van 358 miljoen euro, waardoor zijn totale portefeuille nu 2,8 miljard euro bedraagt. Voorts heeft het EIF voor een totaalbedrag van 1,4 miljard euro aan garanties verstrekt voor de MKB-portefeuilles van financiële tussenpersonen.

De totale leningen ten bedrage van 28,5 miljard euro voor regionale ontwikkeling maken ongeveer 72% uit van het totale bedrag aan leningen dat de EIB in de EU-25 heeft verstrekt.

4. EVALUATIES

4.1. Evaluaties halverwege de looptijd

Voor de evaluaties halverwege de looptijd is gebruik gemaakt van een mix aan methodologieën, waaronder onderzoek van bestaande documenten, primair onderzoek en, voor grotere programma’s, macro-economische modellering. De kwaliteit en de nauwkeurigheid van de evaluaties zijn duidelijk verbeterd. De resultaten zijn gebruikt om de uitvoering van de Structuurfondsen te verbeteren, en vooral om nieuwe indicatoren te ontwikkelen, de uitvoering van de horizontale prioriteiten te bevorderen en de criteria voor de selectie van de projecten te verbeteren.

4.2. Prestatiereserve

De prestatiereserve is een innovatie voor de periode 2000-2006. In totaal is meer dan 8 miljard euro toegewezen voor programma’s in het kader van de Structuurfondsen (de communautaire initiatieven waren uitgesloten)[7]. De prestaties in het kader van elk programma, elke prioriteit of elke maatregel werden beoordeeld aan de hand van indicatoren die een beeld geven van de doeltreffendheid, het beheer en de financiële uitvoering. In het algemeen waren de prestaties in het kader van de meeste programma’s en prioriteiten voldoende om recht te geven op een toewijzing uit de reserve. De betrokken bedragen varieerden evenwel aanzienlijk naar gelang van de resultaten van de beoordeling.

Een belangrijk pluspunt van het proces was dat het een stimulans heeft gegeven voor capaciteitsopbouw op het vlak van goede beheerspraktijken. De lidstaten hebben voor de beoordeling van de prestaties en voor het vaststellen van de toewijzingen diverse methoden gebruikt die een weerspiegeling zijn van de uiteenlopende omstandigheden.

4.3. Overige evaluaties

In 2004 heeft de Commissie een aantal evaluaties achteraf uitgevoerd of voltooid, en een strategische evaluatie gemaakt van de bijdrage van de Structuurfondsen tot de uitvoering van de strategie van Lissabon.

5. CONTROLE

5.1. EFRO

De afsluitende audits met betrekking tot de periode 1994-1999 zijn voltooid voor 56 programma’s waarbij alle lidstaten betrokken waren. In een beperkt aantal gevallen hebben de resultaten van de audits tot een schorsing van de afsluitingsprocedure geleid.

Er is een nieuw auditonderzoek voor de periode 2000-2006 gestart om na te gaan of de systemen in de praktijk goed werken. In 2004 zijn acht audits uitgevoerd in verschillende lidstaten.

In het eerste deel van het jaar zijn coördinatievergaderingen georganiseerd met de lidstaten van de EU-15 om met de nationale controle-instanties aspecten van de controle te bespreken die op alle Fondsen betrekking hebben.

Wat de nieuwe lidstaten betreft, hadden de auditwerkzaamheden betrekking op de beoordeling van de systeembeschrijvingen die krachtens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 438/2001 waren ingediend.

5.2. ESF

In de risicobeoordeling van 2004 werd vooral aandacht besteed aan de programma’s met de grootste financiële impact. Er werden 42 systeemaudits uitgevoerd in de lidstaten van de EU-15. Voorts werden 17 coördinatievergaderingen gehouden met de nationale controle-instanties die zijn aangewezen in het kader van de artikelen 10 en 15 van Verordening (EG) nr. 438/2001.

De systeembeschrijvingen werden beoordeeld aan de hand van de verslagen die krachtens het genoemde artikel 5 zijn ingediend, aangevuld met 5 informatiebezoeken ter plaatse in de nieuwe lidstaten. In de loop van het jaar werden drie afsluitende audits van programma’s voor de periode 1994-1999 verricht.

5.3. EOGFL

In 2004 hebben in de lidstaten vijf controlebezoeken plaatsgevonden met het oog op de afsluitende audits van de programma’s voor 1994-1999. Deze controles hadden betrekking op de grootste nationale programma’s voor maatregelen in het kader van doelstelling 5a.

Voorts hebben in de lidstaten 17 auditbezoeken plaatsgehad om na te gaan welke situaties ontoereikend werden geacht (ongeveer 2-3% van de EOGFL-betalingen in 2004) en waarvoor adequate correcties moesten worden toegepast.

5.4. FIOV

In 2004 werden in totaal 8 controles ter plaatse verricht. Vijf audits ter plaatse waren bedoeld om de beheers- en controlesystemen voor de programma’s voor 2000-2006 (407 miljoen euro) in vier lidstaten te verifiëren. Eén FIOV-audit had betrekking op de afsluiting van de programma’s voor 1994-1999 (1,1 miljoen euro). Voorts werden audits gehouden op twee projecten in het kader van innovatieve acties, waarmee 236 000 euro aan FIOV-steun was gemoeid. In totaal werden negentien structuurprojecten gecontroleerd (5,35 miljoen euro), waarvoor FIOV-steun ten bedrage van 1,8 miljoen euro werd toegekend.

5.5. OLAF

In 2004 heeft OLAF 29 bezoeken in de lidstaten verricht. 22 van die bezoeken bestonden uit controles en verificaties ter plaatse die de Commissie heeft uitgevoerd om de financiële belangen van de EG te beschermen tegen fraude en onregelmatigheden. De overige zeven bezoeken dienden ter ondersteuning van hetzij nationale bestuursdiensten, hetzij gerechtelijke instanties.

Zestien bezoeken betroffen het ESF, drie het EFRO, twee het FIOV en één het EOGFL, afdeling Oriëntatie.

Daarnaast hebben de lidstaten, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1681/1994, de Commissie voor het jaar 2004 3037[8] gevallen van onregelmatigheden gemeld, waarmee een bedrag gemoeid was van in totaal 431 miljoen euro. Deze onregelmatigheden werden begaan bij betalingen in de periode 1994-1999 en in de periode 2000-2006. Zowel het bedrag als het aantal gevallen is toegenomen in vergelijking met 2003. Waarschijnlijk zal dit een negatieve invloed hebben op de afronding van het proces dat leidt tot de afsluiting van de programma’s voor de periode 1994-1999. Tegelijk blijkt hieruit dat de lidstaten zich meer bewust zijn van hun verplichtingen op het terrein, wat bemoedigend is en tot een betere opsporing en verslaglegging leidt. Het is niet zo dat de oorzaak in een toename van het aantal en van de omvang van de onregelmatigheden moet worden gezocht.

6. COMITÉS DIE DE COMMISSIE BIJSTAAN

6.1. Comité voor de ontwikkeling en omschakeling van de regio’s (COOR)

Het COOR heeft als beheerscomité gunstig advies uitgebracht over een wijziging van de richtsnoeren voor Interreg III en Interreg IIIC en over Verordening (EG) nr. 448/2004 van de Commissie met betrekking tot de subsidiabiliteit van de uitgaven voor door Structuurfondsen medegefinancierde verrichtingen. Als raadgevend comité heeft het COOR zich gebogen over de voor 2005 geplande maatregelen op het gebied van de technische bijstand, over de goedkeuring van de lijsten met voor doelstelling 2 in aanmerking komende gebieden in de tien nieuwe lidstaten, en over de goedkeuring van de programmeringsdocumenten voor de nieuwe lidstaten.

6.2. Het Comité van het ESF

Het Comité heeft drie adviezen uitgebracht: over de vaststelling van Verordening (EG) nr. 448/2004 van de Commissie, over de programmeringsdocumenten van de nieuwe lidstaten en over het toekomstige regelgevingskader voor de Structuurfondsen.

6.3. Het Comité voor de landbouwstructuur en de plattelandsontwikkeling (STAR)

Het STAR-Comité is in 2004 11 maal bijeengekomen en heeft gunstige adviezen uitgebracht over 52 wijzigingen van de programma’s voor plattelandsontwikkeling in het kader van artikel 44, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad en over 5 programma’s voor plattelandsontwikkeling in het kader van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1268/1999 van de Raad.

6.4. Comité voor de structuur van de visserij en de aquacultuur

Het Comité werd geraadpleegd over het volgende: het ontwerp voor Verordening (EG) nr. 448/2004, de FIOV-programmeringsdocumenten van de tien nieuwe lidstaten, de projecten in het kader van de innovatieve acties, de conferentie over de toekomst van het FIOV, de interpretatie van artikel 16 van Verordening (EG) nr. 2797/99 en het ontwerp-reglement van orde van het Comité.

[1] De voorschotten voor de programma’s van de Structuurfondsen voor EU-10 bedragen 16% van het totale vastleggingsbedrag van 16 miljard euro voor de periode 2004-2006, of 2,56 miljard euro, verdeeld over 2004 (10%) en 2005 (6%).

[2] In artikel 31, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1260/1999 wordt de “n+2”-regel gedefinieerd als volgt: “Het gedeelte van een betalingsverplichting waarvoor op het einde van het tweede jaar na het jaar waarin de betalingsverplichting is aangegaan, of, in voorkomend geval, en voor de betreffende bedragen na de datum van een latere beschikking van de Commissie die nodig was om een maatregel of een verrichting toe te staan of op de uiterste datum voor de indiening van het in artikel 37, lid 1, bedoelde eindverslag geen voorschot is betaald of waarvoor geen enkele ontvankelijke betalingsaanvraag als omschreven in artikel 32, lid 3, bij de Commissie is ingediend, wordt ambtshalve door de Commissie geannuleerd; de bijdrage van de fondsen aan het betrokken bijstandspakket wordt met dat bedrag verminderd.”

[3] (http://www.urbanaudit.org)

[4] www.europa.eu.int/equal

[5] http://europa.eu.int/comm/regional_policy/innovation/concours_en.htm

[6] Beschikking nr. 884/2004/EG houdende wijziging van Beschikking nr. 1692/96/EG.

[7] Zie de bijlage – deel 5: Performance Reserve: Range of Percentage Allocations, Objective 1 and Objective 2.

7 Zie ook het Jaarlijks verslag voor 2004 over de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap – fraudebestrijding, http://europa.eu.int/comm/anti_fraud/reports/index_en.html.

Top