EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52004AE1446

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Milieu als kans voor de economie”

OJ C 120, 20.5.2005, p. 128–134 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)

20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/128


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Milieu als kans voor de economie”

(2005/C 120/24)

In zijn brief van 22 april 2004 heeft de heer Nicolaï, Nederlands minister van Europese zaken, namens het toekomstige Nederlandse voorzitterschap, overeenkomstig de bepalingen van art. 262 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Europees Economisch en Sociaal Comité verzocht een advies op te stellen over het volgende thema: „Milieu als kans voor de economie”.

De afdeling „Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu”, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 21 september 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer BUFFETAUT.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 412e zitting van 27 en 28 oktober 2004 (vergadering van 28 oktober 2004) onderstaand advies uitgebracht dat met 130 stemmen voor en 2 tegen, bij 2 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Inleiding

1.1

In een brief daterend van april 2004 heeft het toekomstige Nederlandse voorzitterschap het EESC gevraagd om een verkennend advies over het onderwerp „Milieu als kans voor de economie”. Het Nederlandse voorzitterschap wil namelijk bijzondere aandacht besteden aan mogelijkheden om win-win-situaties te creëren, waarbij milieuvriendelijke innovaties en vooruitgang op het gebied van milieubescherming bijdragen tot de verwezenlijking van de economische en sociale doelstellingen van de Lissabon-strategie.

1.2

De Europese Raad heeft nauwelijks aandacht besteed aan het milieu bij het formuleren van zijn nochtans uiterst ambitieuze doelstellingen, namelijk de Europese Unie te doen uitgroeien tot de „meest competitieve en dynamische kenniseconomie ter wereld, die in staat is om een duurzame economische groei te verwezenlijken, meer en betere werkgelegenheid te genereren en de sociale samenhang te bevorderen”. Alleen het woord „duurzaam” verwijst enigszins naar duurzame ontwikkeling.

1.3

Pas twee jaar later heeft de Europese Raad de besluiten genomen die hebben geleid tot de strategie voor duurzame ontwikkeling. Deze strategie is dus een aanvulling op de Lissabon-strategie.

1.4

Toch kan niet zonder meer worden beweerd dat milieu integraal deel uitmaakt van de Lissabon-strategie. Nu de economie in verschillende lidstaten van de Europese Unie behoorlijk in het slop zit, gaan economische groei en verhoogde werkgelegenheid vóór alles, waardoor milieu naar de achtergrond wordt gedrongen, volgens het Romeinse adagium „primum vivere, deinde philosophare”. Maar is het niet zo dat het milieu een absolute voorwaarde is voor leven, en dus iets dat niet alleen specialisten, maar iedereen aanbelangt?

1.5

In verschillende belangrijke sectoren van de Europese economie bestaat ongerustheid over de ambitie van de Unie, en dan vooral van de Commissie, om een internationaal voorbeeld te stellen op het terrein van milieubeleid, omdat zij hier internationaal wel eens alleen in zou kunnen komen te staan.

1.6

Zo heeft het voornemen om het Kyoto-protocol toe te passen, terwijl onze belangrijkste concurrenten het niet hebben geratificeerd, veel emoties doen oplaaien in sommige Europese economische kringen, die dit beschouwden als een gevaarlijk soort naïviteit dat het concurrentievermogen van de Europese economie, dat zo ook al aan zware internationale concurrentie is blootgesteld, zou kunnen aantasten. Anderen dachten daarentegen dat de Kyoto-doelstellingen kunnen leiden tot grotere efficiëntie in de productiemethoden, kostenvermindering, minder druk op energiebronnen en op grondstofvoorraden, en bijgevolg tot een toegenomen concurrentievermogen van de Europese economie. De meningen lopen dus uiteen en het zou goed zijn om aan de hand van concrete voorbeelden duidelijkheid in die discussie te scheppen.

1.7

In dezelfde geest hebben de industrietakken die gebruik maken van chemische stoffen hun bezorgdheid geuit over het voorstel inzake de registratie en beoordeling van en vergunningverlening en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH). Vooral de bijbehorende effectbeoordeling van de Commissie is zwaar bekritiseerd.

1.8

Deze ongerustheid en kritiek kunnen niet zomaar worden weggewuifd. De critici verzetten zich niet tegen de principes of het beleid als zodanig, maar zijn ervan overtuigd dat er een conflict bestaat tussen de vereisten van economische groei, het scheppen van werkgelegenheid en de huidige praktijk enerzijds, en de bezorgdheid om het milieu anderzijds; die bezorgdheid om het milieu zou hebben geleid tot overdreven regelgeving, waarbij de realiteit — economische concurrentie — wordt genegeerd. De problemen lijken voort te komen uit een onderschatting en gebrekkig beheer van instrumenten, procedures en implementatiestrategieën.

1.9

Tegelijkertijd zijn er bepaalde bedrijven, en niet de minste, ja, soms zelfs hele industrietakken, die respect voor duurzame ontwikkeling hoog in hun vaandel dragen. Zo verklaarde de voorzitter van het Franse concern Veolia Environnement tijdens een seminar van de overheid het volgende: „Hoe een bedrijf scoort op het vlak van duurzame ontwikkeling is tegenwoordig niet alleen belangrijk om krediet op te bouwen in de ogen van het maatschappelijk middenveld, maar vergroot ook steeds meer het internationale concurrentievermogen en de aantrekkingskracht voor investeerders”. Deze zienswijze krijgt stilaan de bovenhand in de economie.

1.10

Er is dus sprake van een discussie die in de hele maatschappij wordt gevoerd, en dan vooral in economische en sociale kringen en in milieubeschermingsorganisaties. De vraag is duidelijk: zijn milieueisen slechts een obstakel voor het concurrentievermogen van ondernemingen of kunnen ze ook aanleiding geven tot de ontwikkeling van nieuwe beroepen, nieuwe markten en nieuwe technologieën?

1.11

De publieke opinie, overheden, economische vertegenwoordigers en vakbondsafgevaardigden, consumenten en vertegenwoordigers van milieubeschermingorganisaties nemen geen genoegen meer met theoretische beschouwingen en goede bedoelingen die geen zoden aan de dijk zetten. Zij willen nauwkeurige analyses en concrete voorbeelden zien, want politiek is de kunst van het concrete, ook al is er een ideaal nodig om het geheel zin te geven. De strategie voor duurzame ontwikkeling die de Europese papierindustrie heeft ontwikkeld, illustreert heel goed hoe dit kan.

2.   Het milieu als een kans voor de economie?

2.1

Deze vraag stellen betekent eigenlijk dat men zich enerzijds afvraagt of de ontwikkeling van bepaalde economische sectoren al dan niet afhankelijk is van het bestaan van een hoogwaardige natuurlijke of patrimoniale omgeving en anderzijds of het mogelijk is dat milieutechnologieën een betekenisvolle bijdrage leveren tot de verwezenlijking van de economische en sociale ontwikkelingsdoelstellingen van de Lissabon-strategie. Hierbij dient men zich ook af te vragen of milieunormen en –beperkingen echt altijd alleen maar een obstakel zijn voor economische groei en concurrentievermogen, en bijgevolg voor werkgelegenheid.

2.2

Het spreekt voor zich dat de toerisme- en vrijetijdssector niet zonder een hoogwaardig milieu kan. De economische en sociale ontwikkeling van hele regio's, zelfs van lidstaten van Europa, is afhankelijk van toerisme. Het evenwicht van deze samenlevingen wordt bepaald door de kwaliteit van het milieu. Aangetaste landschappen, door te veel onroerend-goedspeculatie verwoeste steden, een verloederd milieu en vervuilde oceanen zouden onherstelbare economische schade veroorzaken, en doen dat in een aantal gevallen al. Even belangrijk is een gezond milieu voor sectoren als visvangst of landbouw en voor de jacht. De vraag rijst dus of milieutechnologieën kunnen bijdragen tot groei en innovatie. In dat geval zou moet worden gezocht naar middelen om hun ontwikkeling en verspreiding te stimuleren zonder op onrechtmatige wijze de concurrentie te verstoren.

2.3

Aangezien de ontwikkelingslanden terecht streven naar een levenswijze die vergelijkbaar is met die van onze landen, ook al zou daardoor onder de huidige technische en economische omstandigheden de druk op natuurlijke rijkdommen en het milieu aanzienlijk toenemen, is er een technologische revolutie nodig. Beperkte innovaties kunnen het probleem immers niet oplossen. In feite wil 80 % van de wereldbevolking dezelfde levensstandaard bereiken als de rijkste 20 %. Het is dan ook ondenkbaar om op dezelfde manier verder te leven, want dat zou uitmonden in een catastrofe, ook al moet men beducht zijn voor overdreven extrapolaties van de meest pessimistische voorspellingen. Uit een aantal verschijnselen (het smelten van gletsjers, de bedreiging van de biodiversiteit, ontbossing, overstromingen, enz.) blijkt dat er milieuveranderingen op wereldschaal aan de gang zijn, die deels door natuurlijke oorzaken en deels door menselijk handelen zijn veroorzaakt. De inspanningen die zijn ondernomen om schadelijke milieueffecten te verhelpen (bijvoorbeeld het effect van zure regen terugdringen door sulphur scrubbing) zijn heel belangrijk geweest om het uitsterven van de Europese bossen te voorkomen. Tijdige waarschuwingen van milieuactivisten waren misschien soms overdreven, maar hebben vaak toch de bevolking en de overheden tot handelen aangezet. Alle betrokkenen moeten er belang bij hebben om te ijveren voor evenwichtige ontwikkelingen op het gebied van preventieve milieubescherming.

2.4

Terwijl aan de industriële productietechnieken als vanzelf aandacht wordt besteed, moet eveneens worden gewezen op de onmiskenbare invloed van landbouwproductietechnieken, vervoer en energieproductiemethoden op het milieu en de volksgezondheid. Ook in deze belangrijke sectoren van de economie moeten er dus innovaties en milieutechnologieën worden geïntroduceerd.

2.5

De ontwikkelingen en veranderingen op wetenschappelijk en technisch vlak hebben onvermijdelijk ook maatschappelijke gevolgen. Bij de introductie van milieutechnologieën geldt hetzelfde als bij andere innovaties, vooral als zij in de plaats komen van traditionele en beproefde, maar helaas niet erg milieuvriendelijke technologieën. Het is zaak zich tijdig op deze veranderingen voor te bereiden, vooral door middel van de nodige beroepsopleidingen en aangepaste basisopleidingen. Milieubescherming mag niet leiden tot werkloosheid en de afname van het aantal industrieën; daarom moeten degelijke en goed doordachte procedures en instrumenten worden gehanteerd. Hiertoe moet voor milieuwetgevers en de vertegenwoordigers van de economische en sociale krachten een permanente dialoog worden opgezet, teneinde op een gepaste manier zowel de positieve als de negatieve gevolgen van de beoogde maatregelen voor de economische bedrijvigheid en werkgelegenheid te voorzien en de te verwachten omvang daarvan te bepalen.

2.6

Wij staan dus voor een enorme technologische uitdaging. Mits de politieke wil er is, kan Europa dankzij zijn wetenschappelijke en technische capaciteiten een voortrekkersrol vervullen bij de ontwikkeling van grootschalige innovaties die het milieu ten goede komen. Natuurlijk, milieubescherming kost geld, maar is het in dit geval toch niet goedkoper om iets te doen dan om niets te doen?

3.   Wat zijn milieutechnologieën?

3.1

In de praktijk kunnen de volgende categorieën milieuvriendelijke technologieën worden onderscheiden:

milieuvriendelijke technologieën die de technische processen en productiemethoden verbeteren zodat die „schoner”, „milieuvriendelijker” worden. Voorbeelden hiervan zijn katalysatoren, filtersystemen op fabrieksschoorstenen of technieken ter verbetering van energierendement.

technologische vernieuwingen die uitgaan van een ontwerp dat op zich milieuvriendelijk is en duurzame ontwikkeling nastreeft. Voorbeelden hiervan zijn windmolens, gecombineerde opwekking van warmte en energie, brandstofcellen of gloeilampen van de nieuwe generatie (LED).

3.1.1

Het onderscheid tussen preventieve en curatieve technologie is niet altijd even scherp. De op zich zeer pertinente en nuttige beginselen van het geïntegreerde productbeleid (IPP) (1) en van de richtlijn inzake de geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (IPPC) (1) zijn tegelijkertijd ontsproten aan een curatief optreden en aan de wil om preventief te handelen, waardoor ze perfect passen in een strategie van duurzame ontwikkeling. Als bij het nadenken over de productie van goederen de volledige levenscyclus wordt bekeken, belandt men vanzelfsprekend bij technologieën die beter aangepast zijn aan de wens om duurzame ontwikkeling na te streven.

3.2

Onderstreept moet worden dat deze categorieën technologieën zonder uitzondering het milieu ten goede komen en economische activiteit en werkgelegenheid kunnen genereren.

3.3

Overigens heeft het EESC herhaaldelijk beklemtoond dat de „milieu-industrie” in haar geheel moet worden beschouwd en dat het erop aankomt om „geleidelijk alle productiemethoden en alle producten te verbeteren vanuit het oogpunt van milieu en grondstoffen ” (2).

3.4

Vier soorten milieutechnologieën kunnen worden onderscheiden: end-of-pipe technologie, procesgeïntegreerde technologie, progressieve technologie en radicale innovaties (zoals chloorvrije chemie). Over procesgeïntegreerde technologieën en radicale innovaties wordt vaak gedacht dat ze op lange termijn concurrentievoordelen kunnen bieden. Het probleem is dat bedrijven op markten met zware concurrentie vaak geen keuzes voor de lange termijn kunnen maken. Daarom zullen ze eerder gebruik maken van progressieve technologieën, die een grootschalige verspreiding van milieuverbeteringen bewerkstelligen binnen hun gebruikelijke investeringscycli.

3.5

De vooruitgang die de industrie en de dienstensector al hebben geboekt en nog altijd boeken op het vlak van ecologische efficiëntie, zorgt voor een voortdurende verbetering van het milieu. Helaas is de economische groei, vooral in de nieuw geïndustrialiseerde landen, zodanig sterk dat, ondanks de technologische vooruitgang, de druk op het milieu en op de natuurlijke hulpbronnen blijft toenemen.

4.   Vormen milieuvereisten een obstakel voor economische ontwikkeling?

4.1

De laatste dertig jaar zijn de groeifactoren moeilijker in te schatten dan in de voorspoedige periode 1945-1975; tegenwoordig is de beste garantie voor de toekomst, en bijgevolg ook voor de belangen van de aandeelhouders, het vermogen van ondernemingen om te vernieuwen en om — zowel voor de klant en het milieu als voor de werknemers — kwalitatief hoogstaande producten en productieprocessen te garanderen.

4.2

Een groeiend aantal bedrijven heeft niet gewacht op wetgeving terzake en is uit zichzelf begonnen met duurzame ontwikkeling: hun activiteiten en resultaten op dit gebied onderwerpen zij aan het alsmaar kritischer oog van hun klanten, het maatschappelijk middenveld en de publieke opinie.

4.3

Door de mondialisering van de economie is de concurrentie enorm toegenomen. Als gevolg hiervan spelen milieukwaliteit en sociaal evenwicht nu ook een rol bij het aantrekken en behouden van mensen en kapitaal. Het is belangrijk dat bij de WTO-onderhandelingen hiermee rekening wordt gehouden.

4.4

Goede prestaties van ondernemingen op het vlak van duurzame ontwikkeling blijken in toenemende mate van belang te zijn voor hun internationale concurrentievermogen en hun aantrekkelijkheid voor investeerders.

4.5

Bijgevolg zijn milieuvereisten, in tegenstelling tot wat al te vaak wordt beweerd, over het algemeen niet een obstakel voor economisch concurrentievermogen en economische ontwikkeling. De markt heeft al op talrijke door wet- en regelgeving opgeworpen milieu-uitdagingen ingespeeld. De eisen inzake waterkwaliteit en afvalverwerking illustreren dit. In deze twee sectoren kent de milieutechnologie een voortdurende evolutie. De economische respons op deze uitdagingen heeft in de bedrijven die milieudiensten verlenen, werkgelegenheid gecreëerd en in stand gehouden. Zo wordt het aantal arbeidsplaatsen dat de Franse afvalverwerkingsector heeft opgeleverd op 300.000 geschat.

4.6

De wil om zuiniger om te springen met de natuurlijke rijkdommen, is tot uiting gekomen in technische vernieuwingen die een spaarzaam beheer en kostenvermindering nastreven. De papierindustrie heeft de laatste jaren op die manier haar waterverbruik aanzienlijk verlaagd. Terwijl zo'n vijftien jaar geleden voor de productie van één ton papier bijna honderd kubieke meter water nodig was, is tegenwoordig gemiddeld 48 kubieke meter water genoeg; tegelijkertijd is de hoeveelheid vervuilend afval met bijna 90 % verminderd. Dit betekent zowel voor het milieu als voor de economie winst.

4.7

Zoals reeds werd uiteengezet, is de toerisme- en vrijetijdssector grotendeels afhankelijk van de kwaliteit van de natuur en het patrimonium. In dit geval vormen milieuvereisten geen obstakel, maar een basisvoorwaarde voor concurrentievermogen en economische ontwikkeling, terwijl toerisme voor de economie van veel EU-lidstaten voor doorslaggevend belang is. Ter illustratie: in 2003 haalde Spanje 41,7 miljard dollar aan inkomsten uit de toerismesector, Frankrijk 36,6 miljard dollar, Italië 31,3 miljard dollar, Duitsland 23 miljard dollar, Groot-Brittanië 19,4 miljard dollar, Oostenrijk 13,6 miljard dollar, en Griekenland 10,7 miljard dollar. Daarbij zij opgemerkt dat milieudoelstellingen haaks op elkaar kunnen staan. Zo kunnen landschaps- en milieubehoud in het gedrang komen door de aanleg van windmolenparken. Tot slot moet worden opgemerkt dat toerisme in veel lidstaten niet alleen aanzienlijk bijdraagt tot een evenwichtige handelsbalans, maar ook werkgelegenheid creëert; daarbij is toerisme een activiteit die per definitie niet kan worden verplaatst.

4.8

Toch moet de milieureglementering binnen de perken blijven. De economische kosten van de wet- en regelgeving mogen niet buitenproportioneel zijn ten opzichte van de verwachte sociale en milieuvoordelen. Het EESC beseft nochtans maar al te goed hoe moeilijk dit te berekenen valt: welk prijskaartje moet er bijvoorbeeld worden gehangen aan de gezondheid van een mens? Vanzelfsprekend moet er een gezond evenwicht bestaan tussen de kosten die de milieureglementering met zich meebrengt en de kosten van de vermeden schade. Tegelijkertijd moet de tenuitvoerlegging van de reglementering voor alle betrokken partijen haalbaar zijn. Als deze aspecten uit het oog wordt verloren, zal misschien wel het tegenovergestelde effect worden bereikt: wetten zouden om sociaal-economische redenen en ten gevolge van consumentenprotest moeilijk kunnen worden uitgevoerd.

4.8.1

Een interessant voorbeeld vormen de bedrijven in de automobielsector, die maar weinig manoeuvreerruimte hebben, omdat de concurrentiedruk zo groot is en de consumenten minder belang hechten aan milieuaspecten dan aan prijs, comfort en veiligheid. In dit ondernemingsklimaat worden milieutechnologieën geleidelijk ingevoerd, waarbij het meestal gaat om stapsgewijze verbeteringen in plaats van technologische vernieuwingen die momenteel nog te duur zijn om een afzetmarkt te vinden. Het voorbeeld van de Toyota Prius, met hybride dieselelektrische aandrijving, illustreert heel goed hoe de houding van consumenten kan veranderen: de productie ervan moest onlangs met 50 % worden verhoogd om aan de wereldwijde vraag te kunnen voldoen. Hoewel deze getallen in absolute waarde in het niet verzinken bij de omvang van de wereldwijde automobielproductie, zijn ze toch aanmoedigend.

4.8.2

Een interessant geval is dat van de deeltjesfilter. Dieselmotoren produceren vier keer minder koolstofdioxide dan benzinemotoren, maar stoten deeltjes uit die schadelijk zijn voor de gezondheid. De installatie van een deeltjesfilter brengt ongeveer 500 euro extra kosten met zich mee (wat neerkomt op 5 tot 10 % van de kostprijs van een kleine auto). Dit betekent dat fabrikanten zolang dergelijke filters nog niet wettelijk verplicht zijn, voor de keuze staan om deze als optie of standaard aan te bieden. In het laatste geval kon dit alleen maar mits met een kleinere winstmarge genoegen werd genomen, aangezien een prijsstijging onder de heersende marktvoorwaarden moeilijk lag. In de praktijk koos 90 % van de Duitse klanten voor een deeltjesfilter, tegenover 5 % in de rest van Europa! Sommige fabrikanten (3) hebben daarom besloten hun voertuigen geleidelijk met een deeltjesfilter uit te rusten en hun winstmarge te verminderen, maar natuurlijk kan dit niet tot in het oneindige gebeuren, vooral vanwege de zeer felle internationale concurrentie. Deeltjesfilters zullen mettertijd wel ingeburgerd raken, maar in een tempo dat gelijke tred houdt met de groei van de koopkracht van de consumenten, en met name van de kopers van kleine auto's.

Dit voorbeeld illustreert duidelijk hoe milieutechnologieën hun intrede doen op de markt: ofwel doordat de consument zich ervan bewust wordt dat de investering nuttig is voor hemzelf of voor het milieu waarin hij leeft, ofwel doordat er wetgevingsinitiatieven worden genomen. Veel van de successen die tot op heden werden geboekt op het vlak van milieubescherming zijn te danken aan wetgeving terzake; de automobielindustrie is hier een goed voorbeeld van (onder andere met de invoering van trifunctionele katalysatoren).

4.8.3

Andere mogelijkheden voor milieutechnologische vernieuwingen in deze sector zijn: voertuigen met elektrische ontstekingsmotor, optimalisering van recyclage, aanpak van geluidshinder of verhoogde veiligheid. Knelpunt blijft het prijskaartje.

4.8.4

Het voorbeeld van de automobielsector leert dat milieutechnologieën geen ruime verspreiding kennen zolang ze niet economisch haalbaar zijn, terwijl een massa-effect nodig is om doel te treffen. De praktijk is dat milieutechnologie op een markt waar de concurrentie hevig is, gestaag maar zeker zal worden ingevoerd. Daarom is er behoefte aan degelijke effectenbeoordelingstudies, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de situatie van het milieu en de markten in de Europese Unie, maar ook daarbuiten.

4.8.5

Dat het belangrijk is om de proportionaliteit niet uit het oog te verliezen, wordt ook geïllustreerd door de uitdagingen waarmee de verschillende takken van de verwerkingsindustrie (metallurgie, chemische industrie, pulp- en papierverwerking) worden geconfronteerd. In deze industrietakken heerst er felle internationale concurrentie en is er sprake van nauwe interactie met het milieu. Uit vergelijkende studies blijkt dat Europese productie-eenheden in deze industrietakken gewoonlijk erg milieuefficiënt zijn: het verbruik van ruwe grondstoffen en energie, alsook de emissies zijn er teruggebracht tot het absolute minimum dat technisch haalbaar is. Deze industrietakken kennen de strengste milieuregelgeving ter wereld. Nog betere milieuresultaten kunnen mettertijd worden bereikt door geleidelijk te investeren in de nieuwste en meest efficiënte technologieën, maar dat kan alleen als deze bedrijven de concurrentie op wereldschaal aankunnen. Nog hogere milieueisen moeten hand in hand gaan met technologische ontwikkelingen en aansluiten bij de investeringscycli van de verschillende industrietakken. Als de eisen te streng worden, kunnen de bijkomende kostenlasten of het ontbreken van aangepaste technologie het concurrentievermogen, en bijgevolg het voortbestaan van deze activiteiten in de EU, in gevaar brengen.

5.   Hoe kunnen innoverende milieutechnologieën worden ontwikkeld?

5.1

Met innoverende milieutechnologieën wordt gedoeld op technologieën die vanaf het ontwerpstadium worden gekenmerkt door aandacht voor het milieu en een geringer gebruik van grondstoffen, in tegenstelling tot technologieën die slechts achteraf de schade proberen te beperken. Zo gedefinieerd bevinden innoverende milieutechnologieën zich echter nog vaak in een opstart- of zelfs experimentele fase.

5.2

De situatie is bovendien erg uiteenlopend. Terwijl de techniek van windmolens, net als de gecombineerde opwekking van warmte en energie, intussen haar betrouwbaarheid al heeft bewezen en (dankzij een door een heel gunstige regelgeving ondersteunde markt) het stadium van industriële ontwikkeling heeft bereikt, kan deze toch niet meer zijn dan een aanvulling op andere vormen van energieopwekking. De gloeilampen van de nieuwe generatie (LED) hebben nog maar pas hun opwachting gemaakt op een markt die, op voorwaarde dat technologische vooruitgang wordt geboekt, veelbelovend kan worden. Zo wordt de Oosterse Pareltoren in Sjanghai (480 m) 's nachts met deze techniek verlicht; een Europees MKB (4) heeft dit met behulp van LED-tegels van Chinese makelij (5) verwezenlijkt. Membraantechnieken voor watersanering bevinden zich nog in het onderzoeksstadium. Andere technologieën zijn weer te kleinschalig om nuttig te zijn.

5.3

Deze uiteenlopende situaties vereisen stuk voor stuk aangepaste instrumenten voor financiering, informatie-uitwisseling en netwerkvorming, alsmede aangepaste wetgevings- en fiscale hulpmiddelen. Een scherp onderscheidingsvermogen is ook onontbeerlijk: door beloftevolle milieutechnologieën eruit te halen kan worden voorkomen dat financiële middelen worden verspild.

5.4

De verschillende financiële, fiscale en regelgevingsinstrumenten waaraan kan worden gedacht, horen bij verschillende stadia van de ontwikkeling van innoverende milieutechnologieën:

subsidies voor onderzoek, haalbaarheidsstudies en starterscentra;

risicokapitaal voor de opstartfase;

gunstige of klassieke leningen voor de ontwikkelingsfase;

fiscale prikkels om de markt te consolideren;

milieuheffingen om het gebruik van milieuonvriendelijke technieken te ontmoedigen als er milieuvriendelijke alternatieven bestaan en om steun te verlenen aan milieuonderzoek.

Ter illustratie: biobrandstoffen bestaande uit mengsels van traditionele diesel en plantaardige olie ('diester'), die duurder zijn dan aardolieproducten, kennen geen succes in Frankrijk, omdat ze aan een even zwaar accijnsregime onderworpen zijn als aardolieproducten. Om de productie en het gebruik ervan te bevorderen, zou er een apart en gunstig accijnsregime kunnen worden ingevoerd, of zou kunnen worden bepaald dat ze, in bepaalde mate, met klassieke brandstoffen moeten worden vermengd. In dit geval komt het erop aan het evenwicht te bepalen tussen de economische kosten, de vermeden ongemakken en de milieuvoordelen.

5.5

Daarnaast is er behoefte aan netwerken voor informatie-uitwisseling over beste praktijken en nieuwe technologieën. Dit is zowel belangrijk voor ondernemers als voor verantwoordelijken van openbare instellingen die hulp nodig hebben om betrouwbare en doeltreffende beslissingen te nemen en met kennis van zaken te kiezen tussen beproefde, „geruststellend” traditionele technieken en nieuwe technieken die misschien wel milieuvriendelijk zijn, maar nog weinig bekend en minder getest.

5.6

Dit wordt bijzonder belangrijk als gebruik moet worden gemaakt van openbare aanbestedingen om de verspreiding en ontwikkeling van milieutechnologieën te stimuleren. Hoewel voldoende aandacht moet blijven uitgaan naar openbare aanbestedingen, mag ook de particuliere markt, die soepeler en reactiever is, niet uit het oog worden verloren. Sommige bedrijven hebben nu al „duurzame ontwikkeling” opgenomen in hun lijst met criteria voor de keuze van leveranciers, waarbij standaardclausules over duurzame ontwikkeling steeds vaker aan hun contracten met leveranciers worden toegevoegd en voor hun kopers cursussen „duurzame ontwikkeling” worden opgezet.

5.7

Milieulabels en alle prijs- en vergoedingssystemen moeten worden aangewend om milieutechnologie ten volle te ontwikkelen en te promoten.

5.7.1

Op initiatief van het Finse voorzitterschap in 1999 werd een discussie opgestart over een Europese visie op kwaliteit, waarmee tijdens de Portugese en Franse voorzitterschappen in 2000 werd voortgegaan. Dit heeft geleid tot de publicatie van een belangrijk document onder auspiciën van de Europese Organisatie voor Kwaliteit. Sommige van de toen geformuleerde ideeën zouden ook met betrekking tot milieutechnologieën hun nut kunnen bewijzen.

6.   Een zaak die ons allen aangaat

6.1

Van milieubescherming een echte kans voor de economie maken, is geen zaak van milieuspecialisten. Milieubescherming vormt al een fundamenteel aspect van belangrijke economische sectoren als toerisme en vrijetijdsbesteding. Wat milieutechnologieën betreft, komt het erop aan dat een markt wordt gecreëerd en dat de ondernemingen daarop inspelen. De vrijwillige initiatieven die bepaalde bedrijven of beroepssectoren op het vlak van technologische innovatie en milieubescherming nemen, moeten meer onder de aandacht worden gebracht.

6.2

Als milieutechnologieën leiden tot verminderde productiekosten door minder verbruik van energie en grondstoffen, tot een beter imago van het bedrijf en zijn producten, tot meer verkoop en minder milieukosten, dan zullen ondernemingen natuurlijk belangstelling tonen en de ontwikkeling ervan op zich nemen. Maar eerst moeten ze deze milieutechnologieën leren kennen en in staat zijn om de efficiëntie ervan te beoordelen. Daarom is er behoefte aan een netwerk van informatie-uitwisseling over beste praktijken en milieutechnologieën, waarvan openbare organen, beroepsverenigingen, technische centra en onderzoekscentra deel zouden kunnen uitmaken.

6.3

Niet alleen de steun van ondernemers en vaklui is nodig, maar ook die van klanten en consumenten. Zonder deze laatsten is er immers geen markt. Het publiek moet ervan worden overtuigd dat milieuvriendelijke technologieën zowel om milieuredenen als voor de productie efficiënt zijn. Zoniet, dan zijn die technologieën gedoemd om een leuk, maar marginaal onderdeel te blijven van een economie die zich los van deze technologieën verder ontwikkelt.

6.3.1

Bij het uitwerken van milieubeleidsmaatregelen moet rekening worden gehouden met de economische impact, net zoals bij economische beleidsmaatregelen rekening moet worden gehouden met milieueisen. In zekere zin moeten deze twee beleidsterreinen interactief zijn, want als geen rekening wordt gehouden met de economische haalbaarheid en de positieve gevolgen voor het milieu van het gevoerde beleid kan er geen succes worden geboekt.

6.3.2

Ook de sociale gevolgen van milieunormen en van de invoering van milieuvriendelijke technologieën moeten zoveel mogelijk geanticipeerd worden. Ook moeten de nodige beroepsopleidingen worden ingericht, zodat de werknemers die de nieuwe technologieën moeten gaan toepassen, dit in de best mogelijke omstandigheden en zonder vrees dat arbeidsplaatsen verloren gaan, kunnen doen.

6.4

Nu zeer dichtbevolkte en ondernemende landen bezig zijn uit te groeien tot moderne, economisch welvarende samenlevingen, is het van essentieel belang dat er op grote schaal efficiënte milieutechnologieën worden ontwikkeld. Het gaat hier om een nieuw ontwikkelingsmodel op economisch, sociaal en milieuvlak dat concreet moet worden verwezenlijkt. Dankzij haar bijzondere deskundigheid inzake milieuvriendelijke technologieën kan de Europese Unie een bevoorrechte partner van de opkomende landen worden, en aldus voordeel halen uit de mogelijkheden die de ontwikkeling van nieuwe markten met zich meebrengt.

6.5

Onderzoek naar en ontwikkeling van milieuvriendelijke technologieën zijn een economisch pluspunt, zoals blijkt uit concrete voorbeelden van ingebruikname van progressieve, geïntegreerde of radicaal nieuwe technologieën, en kunnen dat in de toekomst nog meer worden. Milieuvriendelijke technologieën zijn echter ook een noodzaak, want de toekomst van onze wereld staat op het spel, en niemand heeft het recht om dit willens en wetens te negeren. Wij zijn verantwoordelijk voor de Aarde die we onze kinderen nalaten.

Brussel, 28 oktober 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  PB C 80 van 30.3.2004

(2)  PB C 32 van 5.2.2004

(3)  o.a. PSA en Opel

(4)  Citélum

(5)  Shangai Communication Technology Developments Co Ltd.


BIJLAGE

bij het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

De volgende wijzigingsvoorstellen, waarvoor minstens een kwart van de stemmen werd uitgebracht, werden door de afdeling verworpen:

Paragraaf 1.8 als volgt wijzigen:

„Deze ongerustheid en kritiek waarvan in sommige kringen sprake is, kunnen niet zomaar worden weggewuifd. De critici verzetten zich niet tegen de principes of het beleid als zodanig, maar zijn Die kritische geluiden komen van sommige ondernemers die ervan overtuigd zijn dat er een conflict bestaat tussen de vereisten van economische groei, het scheppen van werkgelegenheid en de huidige praktijk enerzijds, en de bezorgdheid om het milieu anderzijds; die bezorgdheid om het milieu zou hebben geleid tot overdreven regelgeving, waarbij de realiteit — economische concurrentie — wordt genegeerd. De problemen lijken voort te komen uit een onderschatting en gebrekkig beheer van instrumenten, procedures en implementatiestrategieën.”

Uitslag van de stemming:

Stemmen vóór: 46

Stemmen tegen: 71

Onthoudingen: 9


Top