Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52004AE1439

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Het concurrentievermogen van de Europese ondernemingen”

OJ C 120, 20.5.2005, p. 89–102 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)

20.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 120/89


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Het concurrentievermogen van de Europese ondernemingen”

(2005/C 120/17)

Op 20 februari 2004 heeft de heer PRODI namens de Europese Commissie waarvan hij voorzitter is, het Europees Economisch en Sociaal Comité verzocht een verkennend advies op te stellen over „Het concurrentievermogen van de Europese ondernemingen”.

De gespecialiseerde afdeling „Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang”, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 20 september 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer VEVER, co-rapporteur mevrouw FLORIO.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 412e zitting op 27 en 28 oktober 2004 (vergadering van 27 oktober 2004) het volgende advies uitgebracht, dat met 105 stemmen vóór en 3 tegen, bij 2 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Samenvatting

1.1

Europa heeft te kampen met steeds grotere uitdagingen op het gebied van concurrentie en zit klem tussen zijn grote industriële partners en de opkomende economieën, die tegen lage kosten produceren. Tegelijkertijd blijft de groei ten opzichte van die economieën achter en is er sprake van een aanzienlijke investeringsachterstand in opleiding, onderzoek en nieuwe technologieën, terwijl het aantal ondernemingen dat in verband met de internationale concurrentie Europa verlaat, toeneemt.

1.2

Europa heeft juist op grond van zijn maatschappelijk model dat sociale betrekkingen weet te waarderen, ondernemingen niettemin concurrentievoordelen te bieden:

de internationale handel getuigt van zijn grote aandeel in de globalisatie;

de uitgebreide interne markt is thans de grootste ter wereld;

de monetaire unie, alhoewel nog beperkt, is een vooruitgang zonder weerga;

de tijdens de Top van Lissabon overeengekomen strategie die momenteel wordt toegepast, leidt tot economische, sociale en milieutechnische hervormingen die er met name op zijn gericht om het concurrentievermogen op duurzame wijze opnieuw in de verf te zetten.

1.3

Terwijl sommige van deze voordelen nog steeds eerder lopende processen blijven dan onomkeerbare verworvenheden, heeft Europa ook te kampen met handicaps die ondernemingen benadelen en die debet zijn aan de huidige slechte groei- en werkgelegenheidsprestaties verklaren. Zo

is het wettelijke en administratieve klimaat in Europa niet stimulerend genoeg voor ondernemerschap;

zijn er nog teveel belemmeringen in de — altijd nog niet voltooide — interne markt;

laat de daadwerkelijke economische unie, ondanks de verwezenlijking van de monetaire unie, nog steeds op zich wachten;

stapelen de vertragingen zich op, ook bij de tenuitvoerlegging van de mededingingsstrategie van Lissabon.

1.4

Om het concurrentievermogen van de Europese ondernemingen weer op het goede spoor te krijgen, brengt het Comité vier eisen naar voren die volgens hem onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn:

1.4.1

Ten eerste dient het vertrouwen van de economische actoren te worden vergroot aan de hand van:

een duidelijkere visie van het Europese project op wereldschaal;

een versimpeling van de regelgeving, op Europees en nationaal niveau, met meer mogelijkheden voor zelfregulering en co-regulering door sociaal-economische actoren;

maatregelen ter vergemakkelijking van de oprichting en ontwikkeling van ondernemingen — bijv. m.b.t. risicokapitaal, opleiding van ondernemers, ondersteunende diensten voor het MKB;

meer steun voor Europese innoverende initiatieven voor ondernemingen en voor actieve deelname van de andere sociaal-economische actoren;

meer programma's voor opleiding, kwalificatie en omscholing van met name oudere werknemers.

1.4.2

Een andere prioriteit is de voltooiing van essentiële bepalingen voor de interne markt, die niet verder moet worden uitgesteld tot na het verstrijken van de in Lissabon vastgestelde termijn van 2010 — zonder voorbij te gaan aan de verdere eisen om de concurrentiepositie te handhaven. Dit vooronderstelt het volgende:

striktere omzetting van wetgeving, met regeringen die in dit opzicht meer verantwoordelijkheid nemen. De EU-steun aan lidstaten die in gebreke blijven, kan indien nodig besteed worden voor het wegwerken van de achterstand in de omzetting;

besluiten — waar het bedrijfsleven al te lang op wacht — ter opheffing van dubbele belastingheffing, vereenvoudiging van het Europese BTW-stelsel, vastlegging van een statuut voor de Europese vennootschap dat ook openstaat voor het MKB, invoering van het Gemeenschapsoctrooi;

een veiligere en vlottere werking van de handel door middel van meer administratieve samenwerking, communautaire inspecties van de interne markt, uniforme douaneprocedures aan de buitengrenzen, een betere doeltreffendheid en wederzijdse samenwerking van overheidsdiensten die in sommige gevallen ook de ontwikkeling van diensten van algemeen belang op Europese schaal het overwegen waard zouden kunnen maken.

1.4.3

Het concurrentievermogen van de Europese ondernemingen behelst tevens de ontwikkeling, aan de hand van een op de mededingingstermijn van 2010 afgestemde benadering, van een op de euro gebaseerde dynamische economische unie, die de groei en de werkgelegenheid kan stimuleren, uitgaande van een adequaat monetair beleid:

uitbreiding, geleidelijk maar zonder ongemotiveerde vertraging, van de monetaire unie naar de nieuwe lidstaten;

verplicht advies van de Gemeenschap vooraf — en niet a posteriori — omtrent ontwerpwetgeving van de staten op financieel gebied;

harmonisatie van belastingbepalingen in omstandigheden die verenigbaar zijn met een economie die openstaat voor handel en die niet alleen vriendelijk is voor investeringen, maar ook gericht is op sociale cohesie, indien nodig door intensievere samenwerkingsvormen;

maatregelen die de economische activiteit en groei in Europa rechtstreeks steunen: ontwikkeling van PPP's ter financiering van nieuwe trans-Europese infrastructuur in de uitgebreide Unie, invoering van een benadering van het Europese bedrijfsleven die bijdraagt tot investeringen in de nieuwe technologieën, onderzoek en opleiding en mede richting geeft aan het mededingings- en handelsbeleid, mobilisatie van de Europese technologische middelen in grote projecten van gezamenlijk strategisch belang, ook op het gebied van veiligheid;

een herziene communautaire begroting met meer middelen, die aansluit bij de prioriteiten van dit gemeenschappelijke economisch beleid.

1.4.4

Tot slot vereist de tenuitvoerlegging van de structuurhervormingen van de strategie van Lissabon meer vastbeslotenheid en samenhang op basis van:

duidelijke vergelijkende evaluatie van de economische hervormingen en investeringen (openstelling van markten, toegang tot financiering, uitbreiding van onderzoek), sociale hervormingen (opleidingen, arbeidsmarkt, sociale voorzieningen, investering door de ondernemingen in menselijk kapitaal), overheidshervormingen (terugdringing van overheidstekort, vereenvoudiging van regelgeving) en hervormingen op milieugebied;

een betere coördinatie van deze hervormingen, vooral met het oog op de mededingingsdoelstelling, met een beperktere inbreng van de communautaire instellingen en vereenvoudiging van coördinatieprocessen;

een betere evaluatie van de rol van de sociale partners bij het uitwerken, de uitvoering en de inpassing van hervormingen, en als het gaat om de aantrekkelijkheid voor investeringen.

1.5

Tot slot stelt het Comité vast dat het tekortschietende concurrentievermogen van Europese ondernemingen thans de hoge prijs is die betaald moet worden voor een Europa dat niet ondernemend genoeg is, traag besluiten neemt en traag reageert op internationale veranderingen, dat op talrijke gebieden nog niet af is, achterloopt met hervormingen, en op zeer onbevredigende manier, vaak besluiteloos, soms onsamenhangend, en dus contraproductief, gebruik maakt van haar eigen troeven. Gerichte acties kunnen hieraan een eind maken. Voor het welslagen hiervan is een vastberadener benadering geboden van de groei, waarbij economische factoren aan zowel vraag- als aanbodzijde dienen te worden versterkt, in een soepeler en beter presterende Europese interne markt. Het Comité stemt volmondig in met de oproep gedaan tijdens de laatste Voorjaarstop ter bevordering van nieuwe partnerschappen voor de hervormingen, zowel in nationaal als Europees verband, waarbij de sociale partners nauwer met elkaar gaan samenwerken. Volgens het Comité moet er strikt koers worden gehouden op de termijn 2010, het jaar waarin de hervormingen van Lissabon gestalte moeten hebben gekregen, de interne markt moet zijn voltooid en er sprake moet zijn van een daadwerkelijke economische, concurrerende Unie, die rekening houdt met de gevolgen van de monetaire unie en de eisen van duurzame ontwikkeling volledig integreert.

2.   Inleiding

2.1

Dit verkennend advies is uitgewerkt op verzoek van de voorzitter van de Europese Commissie, de heer PRODI, die het Europees Economisch en Sociaal Comité op 20 februari 2004 heeft verzocht hem een analyse en aanbevelingen voor te leggen over concurrentieproblemen van Europese ondernemingen. Het gaat er bovenal om de belangrijkste knelpunten voor ondernemingen te bepalen, de belemmeringen te omschrijven die worden veroorzaakt door het milieu waarin ze actief zijn, alsook voorstellen te doen voor alternatieven ter versterking van het concurrentievermogen in het kader van ons maatschappijmodel.

2.2

Uit tal van recente analyses komt, in navolging van het Sapir-rapport van juli 2003, een verslechterde concurrentiepositie van Europa naar voren, dat klemzit tussen haar grote industriële partners (de VS, Japan) en de opkomende economieën die tegen lage kosten produceren, steeds meer de nieuwe technologieën integreren en in onderwijs, opleiding en infrastructuur investeren (bv. China en India). Uit de cijfers (uitvoer, lopende rekening van de betalingsbalans, evolutie van de bedrijfswinsten enz.) blijkt dat de Europese economie en het overgrote deel van de Europese ondernemingen erg concurrentiekrachtig zijn. Toch zijn er toch ook veel indicatoren die niets goeds beloven: zwakke groei, kwakkelende investeringen en vraag, kwantitatief, maar soms ook kwalitatief (toename van het aantal arbeidsonzekere banen) verslechterende werkgelegenheidssituatie, sluiting van Europese vestigingen, uittocht van onderzoekers, uitholling van overheidstekorten, en een steeds duurder worden sociale bescherming. Dat laatste houdt verband met de steeds sneller vergrijzende bevolking, waardoor de financieringsproblemen almaar groter worden.

2.3

Om de hoge kosten (arbeid, belastingen, voorschriften) in Europa op te vangen, kiezen veel bedrijven voor automatisering (productie, beheer) of voor een min of meer gedeeltelijke en belangrijke overplaatsing naar derde landen met lagere kosten en minder regelgeving, vooral naar de opkomende economieën.

2.4

Het zou zeker zinloos zijn om met autoritaire maatregelen frontaal tegen deze strategieën in te willen gaan. De Europese economie is onlosmakelijk verbonden met de mondialisering van de economie. Dit proces is onomkeerbaar en levert zowel aan de ontwikkeling van de diverse deelnemende landen als aan de internationale stabiliteit een bijdrage, wanneer het voldoende wordt beteugeld om daadwerkelijke economische en sociale vooruitgang te bewerkstelligen.

2.5

De algemene omstandigheden in aanmerking genomen, dringen zich de volgende conclusies op:

2.5.1

Het is hoog tijd om de globalisering aan banden te leggen via doeltreffender en rechtvaardiger internationale regels. Het vergroten van het concurrentievermogen mag in geen geval leiden tot een spiraal van ongeremde en buitensporige kostendalingen, en mag geenszins voorbijgaan aan zaken als gezondheid, veiligheid en sociale vooruitgang, een evenwichtige en duurzame ontwikkeling en milieubescherming. Het concurrentievermogen dient integendeel te worden gezien in een internationaal erkend referentiekader met minimumeisen op het gebied van mededinging, veiligheid, kwaliteit, sociale rechten en milieu. Dit veronderstelt een actieve rol voor internationale regulerings- en ontwikkelingsorganen — bijv. de Wereldhandelsorganisatie, het Internationaal Monetair Fonds, de Wereldbank, de Internationale Arbeidsorganisatie — die thans nog niet doeltreffend genoeg zijn, te veel langs elkaar heenwerken en waarvan sommige niet transparant genoeg zijn en te gesloten zijn wat hun werkwijze betreft. Derhalve heeft het Comité zich sterk gemaakt voor de WTO-agenda, die het later heeft bepleit te Doha, terwijl het zich thans ernstige zorgen maakt over de trage vorderingen in deze onderhandelingen.

2.5.2

Ook moet het concurrentievermogen van Europa dringend verbeterd worden gelet op de mededinging, in omstandigheden die de economische en sociale ontwikkeling, de cohesie, werkgelegenheid en het milieu niet aantasten: daarom moeten in het kader van het Europese model voor sociale betrekkingen de voordelen van de ondernemingen in Europa beter benut worden, en de belemmeringen worden opgeheven of door hogere kwaliteit en productiviteit worden gecompenseerd als zij structureel zijn (zoals de verschillen in arbeidsloonkosten tussen Europa en de ontwikkelingslanden).

2.5.3

Het is realistisch noch gewenst dat de Europese Unie een concurrentieslag op grond van prijzen en kosten aangaat met landen waarvan de economie duidelijk minder ontwikkeld is, als Europa tegenover dit verschil geen hogere productiviteit kan stellen. Daarom is het voor de Europese economie noodzakelijk om voortdurend vooruitgang te boeken en vooral d.m.v. hogere productiviteit haar concurrentievermogen in kwalitatief en kwantitatief opzicht te verzekeren, maar ook door haar innoverend vermogen, vooral op technologisch gebied, te vergroten. Dit dient gepaard te gaan met evenredig stijgende investeringen in technologie, bedrijven en (menselijk) kapitaal.

3.   De concurrentievoordelen van Europese ondernemingen

3.1   Groot aandeel in de globalisering

3.1.1

Europa is uitgegroeid tot één van de belangrijkste handelspartners en de grootste in- en uitvoerder ter wereld. Zijn ondernemingen beschermen hun concurrentiepositie tegenover de uitvoer en de internationale concurrentie door winstgevende productie ter optimalisering van de (loon)kosten, waarborging van de kwaliteit van producten en diensten en door innovatie om zich beter aan de markt aan te passen. Zodoende zijn de ondernemingen vertegenwoordigd in de meeste economische sectoren, met name

de agro-levensmiddelensector, waar zij de eerste plaats in de handel innemen;

de belangrijkste industrieën — bijv. de automobiel-, ruimtevaart- en chemische industrie, bouwnijverheid, openbare werken en telecommunicatie, waar de Europese bedrijven eveneens tot de best presterende behoren;

productie en distributie van energie — aardolie, kernenergie, gas, alternatieve energieën — en milieutechnologie;

de dienstverlening, waar Europese ondernemingen vaak tot de belangrijkste ter wereld behoren — handel, financiën, verzekeringen, vervoer, techniek, software, toerisme, gezondheid, enz.

3.1.2

Europese ondernemingen investeren ook veel, overal ter wereld, en dragen bij tot de groei in talrijke regio's, met name van de opkomende economieën in Azië. In diverse sectoren zijn zij soms concurrenten van Europa, maar zijn zij ook, voor de Europese economie en zijn ondernemingen, onontbeerlijke industriële en handelspartners, niet alleen als leveranciers maar ook als vennoten, distributeurs, onderaannemers en klanten.

3.1.3

Europese ondernemingen zouden juist omdat zij zo'n belangrijke rol spelen in de ontwikkelingslanden, het voorbeeld moeten geven voor de ontwikkeling van sociale normen in deze landen, met name voor de toepassing van de door de Internationale Arbeidsorganisatie geformuleerde fundamentele sociale rechten. Het Comité zet zich onverminderd in voor initiatieven om de sociale dimensie in de internationel handel de haar toekomende plaats te geven en zal zelf ook actief aan die initiatieven blijven deelnemen.

3.1.4

De Europese Unie steunt de handel en de internationale investeringen van Europese ondernemingen en staat eensgezind via de Europese Commissie op de bres voor hun belangen tijdens internationale onderhandelingen, vooral in het kader van de Wereldhandelsorganisatie.

3.2   De grote continentale markt

3.2.1

De interne markt is het eerste voordeel voor Europese ondernemingen: gefundeerd op gemeenschappelijke regels, met een algemeen beginsel van wederzijdse erkenning, aangevuld met grootschalige harmonisatie aan de hand van zo'n 1500 richtlijnen, 300 verordeningen en bijna 20.000 Gemeenschapsnormen. Het leeuwendeel van de wetgeving inzake activiteiten van ondernemingen is hiervan afgeleid. De aangetoonde voordelen voor economie en werkgelegenheid, reeds eind jaren tachtig geschetst in het Cecchini-rapport, zijn nog steeds actueel, ook al zijn de verwachtingen van dit rapport op de deadline „1992” niet geheel bewaarheid, zowel vanwege de verstoorde conjunctuur als het onvoltooide communautaire programma.

3.2.2

De Europese interne markt is tegenwoordig de grootste ter wereld: met 25 lidstaten, nauwe samenwerking met andere Europese landen als Zwitserland en Noorwegen, en uitzicht op verdere uitbreiding. Meer dan een half miljard Europeanen zijn zo verenigd in één grote interne markt, die zwaarder weegt dan de Amerikaanse of Chinese markt. Deze zeer waardevolle bevinding zou bij de Europeanen meer voor het voetlicht moeten worden gebracht.

3.2.3

Deze vrijheden droegen bij aan de cohesie in Europa en dankzij hen hebben ondernemingen hun handel kunnen ontwikkelen, alsook hun samenwerking, herstructureringen en fusies, en kregen tal van bedrijven een internationale omvang. Het MKB heeft ook geprofiteerd van Europese onderaannemingen, alsmede van de opheffing van intracommunautaire formaliteiten. Er is infrastructuur gecreëerd in de vorm van trans-Europese netwerken voor vervoer, energie en telecommunicatie. Grootschalige industriële programma's (bijv. Airbus, ruimtevaartagentschap) hebben onderzoek en innovatie in ondernemingen van allerlei omvang gestimuleerd. De interne markt heeft niet alleen de werkgelegenheid zelf, maar ook de mobiliteit van werknemers, onderzoekers en studenten bevorderd (meer dan een miljoen studenten heeft gebruik gemaakt van het Erasmus-programma).

3.2.4

Vermelding verdienen voorts de vroeger in de interne markt bestaande overheidsmonopolies, die ten gevolge van diverse richtlijnen inzake vervoer, energie, posterijen e.d., inmiddels al zijn afgeschaft of binnenkort zullen verdwijnen. Daarnaast waakt de Commissie er zorgvuldig voor dat „diensten van algemeen belang” onaangetast blijft, omdat dit concept structureel verbonden is met Europa's economische en sociale ontwikkeling, en zelfs nog verder gaat dan de voor de interne markt vereiste marktopenstellingen.

3.3   De monetaire unie

3.3.1

De overschakeling op de euro was de meest in het oog springende etappe van de interne markt en betekende een grote stap voorwaarts voor het concurrentievermogen van Europese ondernemingen. Door de invoering van één munteenheid voor twaalf lidstaten, met 300 miljoen Europeanen, heeft de euro elk wisselkoersrisico in de eurozone uitgebannen, de transactiekosten in de handel geneutraliseerd en voor permanente transparantie van economische gegevens gezorgd. Het is ook een munteenheid met internationale dimensie. Ook al is de huidige overwaardering ten opzichte van de dollar ongunstig voor de uitvoer (maar de invoer van met name aardolie en grondstoffen wordt zo wel goedkoper), toch mag worden verwacht dat die koersverhouding, die enkele jaren geleden nog andersom was, zal blijven evolueren.

3.3.2

Deze monetaire unie, die vandaag de dag uniek is in de wereld, heeft ook het vermogen van Europa aangetoond om een vernieuwend en mobiliserend groot project tot een goed einde te brengen dat voor zijn burgers en ondernemingen enorme gevolgen heeft. Zij heeft de uitstraling van Europa aanmerkelijk versterkt en haar internationale handelspositie ten gunste van de ondernemingen geconsolideerd.

3.3.3

Met het groei- en stabiliteitspact, dat bij de euro hoort, wordt gestreefd naar een minimum aan economische convergentie met voorschriften die de overheidstekorten en de inflatie beteugelen. Het garandeert een betere voorspelbaarheid voor de ondernemingen in een stabiel kader, dat gunstig is voor hun concurrentievermogen. Het is ook de eerste stap op weg naar een daadwerkelijke geïntegreerde economische unie. Het is immers duidelijk dat men geen duurzame monetaire unie kan verwachten zonder nog meer vorderingen, met name wat de concurrentiepositie van ondernemingen betreft, die een belangrijk onderdeel van de strategie van Lissabon uitmaken.

3.4   De hervormingsambitie van Lissabon

3.4.1

Tijdens de Top van Lissabon van maart 2000 is, zowel op nationaal als Europees niveau, besloten tot de uitvoering van een breed programma van economische, sociale en administratieve hervormingen om van Europa tegen 2010 de meest dynamische en concurrerende kenniseconomie ter wereld te maken, met duurzame economische groei, meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang. Deze strategie vormt voor de Europese economie de leidraad om in een concurrerender Europa de krachten te bundelen tegenover de globalisering.

3.4.2

De hervormingen zijn essentieel en sluiten aan bij de belangrijkste concurrentiecriteria van de Europese ondernemingen. Aldus wordt gestreefd naar:

een vlottere toegang tot financiering, inclusief risicokapitaal, vooral voor het MKB en innoverende ondernemingen;

verlichting van de belastingdruk op arbeid, vooral in het geval van slecht betaalde banen voor laaggeschoolden om te voorkomen dat de kosten daarvan afschrikwekkend werken;

vermindering van de overheidstekorten, een doelstelling die verband houdt met prijsstabiliteit en belastingverlaging;

stimulering van het innovatieproces, waarvan de technologische capaciteit van de Europese ondernemingen afhankelijk is;

aanpassing van onderwijs en opleidingen, met name om beter in te spelen op de nieuwe economische, technologische en beroepsomstandigheden;

modernisering van de arbeidsmarkt, uitmondend in een beter op elkaar afgestemde vraag en aanbod van arbeid, een hogere arbeidsparticipatie, een verbetering van de arbeidskwaliteit en omstandigheden met een intensiever gebruik van machines, ten behoeve van een hogere productiviteit;

doeltreffendheid en duurzaamheid van de sociale bescherming, gezien de problemen die het gevolg zijn van de stijgende uitgaven, met name door de vergrijzing;

vereenvoudiging van de regelgeving, zowel op nationaal als op Europees niveau;

een betere integratie van milieubescherming en de criteria voor duurzame ontwikkeling, naar aanleiding van de Top van Göteborg in juni 2001.

3.4.3

De methoden van de strategie van Lissabon zijn eveneens van belang en omvatten:

een nieuw tijdschema voor de voltooiing van de interne markt, met tussentijdse etappes;

een jaarlijkse evaluatie tijdens een Europese Voorjaarstop;

een open coördinatiemethode voor de verwezenlijking van gemeenschappelijke doelstellingen, met de nadruk op het belang van goede praktijkvoorbeelden;

een centrale rol voor de particuliere sector en voor partnerschappen tussen publieke overheden en het maatschappelijk middenveld;

speciaal gewicht dat aan de dialoog tussen sociale partners wordt gehecht.

3.4.4

De strategie van Lissabon heeft nu al de volgende gunstige resultaten opgeleverd:

besef van de noodzaak tot hervorming, over de traditionele scheidslijnen heen;

versnelde verspreiding van informatietechnologie en innovatieprocessen;

meer steun voor de oprichting van ondernemingen en de financiering van het MKB;

meer aandacht voor duurzame ontwikkeling, met maatregelen om de doeltreffendheid van overheidsdiensten te verbeteren én de overheidstekorten terug te dringen, de sociale bescherming te versterken én de uitgaven op orde te brengen, wettelijke regelingen te treffen en milieuvriendelijkere energie- en industriële technologie te introduceren;

betrokkenheid van de sociale partners bij de sociale hervormingen;

maatregelen (hoe beperkt ook) om de wetgeving en het bestuur te vereenvoudigen.

3.4.5

De concurrentiedoelstelling van de strategie van Lissabon zou zonder vernieuwing van de instellingen van de Unie niet realistisch zijn. Dat was de opdracht voor de Europese Conventie, die in haar vernieuwende samenstelling vertegenwoordigers van de lidstaten en van de EU-instellingen samenbracht met vertegenwoordigers van de toetredingslanden, nationale parlementen en waarnemers uit het maatschappelijk middenveld. De Conventie heeft een herziening van de verdragen voorgesteld, met het oog op een modern en vereenvoudigd institutioneel bestel dat beter aansluit bij de schaalvergrotende uitbreiding en dat voor het brede publiek zichtbaarder en aantrekkelijker is. Het is eveneens zaak in het Verdrag de eigen verdiensten van het Europees maatschappelijk model vast te leggen, waarin evenveel belang wordt gehecht aan mededinging als aan werkgelegenheid en sociale vooruitgang. Tot de doelstellingen van de Unie behoort krachtens het in juni 2004 door de 25 EU-lidstaten goedgekeurde nieuwe Verdrag een sociale markteconomie die in hoge mate concurrerend is, waarin gestreefd wordt naar volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang en naar een hoog niveau van bescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu. Het Comité stemt in met het streven naar een algehele coherentie, die het concurrentievermogen met andere doelstellingen voor sociale en kwalitatieve vooruitgang combineert, maar tekent daarbij aan dat dit thans nog verre van verwezenlijkt is als gevolg van de diverse handicaps waarmee het Europese concurrentievermogen nog steeds te kampen heeft.

4.   De concurrentiehandicaps van Europese ondernemingen

4.1   Te weinig steun voor ondernemerschap

4.1.1

Sommige van de concurrentievoordelen van Europa zijn eerder lopende processen dan onomkeerbare verworvenheden. Bovendien zijn er nog steeds handicaps die het concurrentievermogen van de Europese ondernemingen aantasten en medeoorzaak zijn van de huidige slechte groei- en werkgelegenheidsprestaties.

4.1.2

Tijdens de recente discussies over het ondernemerschap, naar aanleiding van het door de Commissie gepresenteerde Groenboek, is opnieuw duidelijk geworden dat ondernemingen van allerlei omvang in de meeste Europese landen dagelijks worstelen met

de buitengewoon ingewikkelde regelgeving, zowel op nationaal als Europees niveau;

de over het algemeen hoge belastingen en sociale lasten;

de vaak terugkerende moeilijkheid om financiering te vinden;

het gebrek aan steun voor ondernemers die risico's nemen — waarbij vaak niet tweede kans wordt gegeven als het eerste project is mislukt;

gebrekkige afstemming tussen de arbeidsplaatsen die ondernemingen creëren en beroepskwalificaties.

4.1.3

Er moet ook gewezen worden op de naar verhouding zwakke arbeidsparticipatie in Europa, vooral in vergelijking met de VS. Deze situatie heeft negatieve gevolgen voor het concurrentievermogen van Europa, voor de over het algemeen hoge belastingdruk, alsook voor het evenwicht tussen de stelsels voor sociale bescherming.

4.1.4

Tot slot overheerst bij veel ondernemers de indruk dat de EU eerder geneigd is om ontelbare rapporten te produceren waarin de Europese concurrentieachterstand steeds opnieuw wordt geanalyseerd dan om concrete maatregelen te nemen die aantoonbare resultaten opleveren — wat onze belangrijkste concurrenten, de VS en China, wél is gelukt.

4.1.5

Het Comité stelt vast dat de sociale partners zelf goed in staat zijn om dergelijke concrete acties ten behoeve van het concurrentievermogen en het ondernemerschap te lanceren. Uit talrijke voorbeelden blijkt dat zij in dit opzicht vaak een sleutelrol vervullen. In het Groenboek van de Commissie had deze voortrekkersrol meer kunnen worden benadrukt.

4.1.6

Daarnaast moet volgens het Comité worden benadrukt dat in de sociale economie werkzame organisaties dikwijls op dezelfde problemen stuiten als hierboven aangegeven (bv. met betrekking tot de hoge belastingdruk of de regelgeving inzake overheidsopdrachten en inzake mededinging). Specifiek daarop afgestemde oplossingen zullen volgens het Comité mede leiden tot de verbetering van de Europese werkgelegenheid en economie.

4.2   De aanhoudende wirwar van belemmeringen

4.2.1

Ondanks de geboekte vooruitgang is de interne markt op diverse gebieden achtergebleven. Dat geldt vooral voor de dienstensector, die 70 % van de economische activiteit uitmaakt, maar waar de harmonisaties en de wederzijdse erkenning nog veel te wensen overlaten. Veel vertraging is er ook nog wat betreft de openstellingen in de overheidssector:

belemmeringen in sectoren waar in bepaalde landen nog steeds monopolies bestaan, zoals in het vervoer, de energiesector, de post en, hoewel thans in mindere mate, de telecommunicatiesector;

afscherming van overheidsopdrachten (nauwelijks 10 % hiervan wordt gegund aan ondernemingen uit een ander land dan dat van de opdrachtgever);

administratief protectionisme, en dit terwijl het beheer van de interne markt intensievere samenwerking vereist op velerlei gebied (bv. belastingen, douane, politie, justitie, mededinging, bestrijding van fraude en milieubescherming).

4.2.2

Naast de voltooide, lopende of op stapel staande openstellingen, en los van de vertraging die soms op dit gebied optreedt, moet de kwestie van de status van de diensten van algemeen belang (DAB) binnen de interne markt nog steeds worden verduidelijkt. De specifieke rol van die reeds in diverse richtlijnen voor sectorale openstelling opgenomen DAB is globaal in de Verdragen van Amsterdam en Nice verankerd. De Commissie bereidt een horizontaal instrument voor ten behoeve van verdere verduidelijking van de rol van DAB in de interne markt. Er moet evenwel geconstateerd worden dat de discussie tot op heden is blijven steken in getouwtrek over de rol van de nationale overheidsdiensten in de Europese interne markt, zonder dat ook maar enige aandacht is besteed aan het mogelijke belang van een gerichte ontwikkeling van DAB op Europese schaal, en zo ja: onder welke voorwaarden. In een echte discussie over de toekomst van de uitgebreide interne markt en het concurrentievermogen van Europese ondernemingen kan echter niet langer aan die mogelijkheid worden voorbijgegaan.

4.2.3

Naast de ontwikkeling van communautaire wetgeving, blijven de lidstaten zelf regels verstrekken op gebieden die de interne markt voor ondernemingen ingewikkelder maken of zelfs belemmeren. Er is een procedure voor voorafgaande kennisgeving aan de Commissie ingevoerd (Richtlijn 83/189), maar de Commissie wordt in beslag genomen door velerlei taken en kan slechts in de duidelijkste gevallen doeltreffend functioneren, en de uitbreiding zal die opgave alleen maar lastiger maken.

4.2.4

Alle lidstaten hebben overigens de richtlijnen nog te weinig in wetgeving omgezet, met gebrekkige tenuitvoerlegging voor momenteel 10 % ervan, oplopend tot 25 % in sommige sectoren. Er worden ook nog veel inbreuken op de richtlijnen gepleegd: in ongeveer 1500 gevallen verricht de Commissie momenteel onderzoek of onderneemt zij actie.

4.2.5

De belastingconvergentie in de interne markt blijft zeer onder de maat, ook omdat er binnen de Raad unaniem moet worden beslist. In het bijzonder moet dubbele belastingheffing nog worden afgeschaft, dient er nog een geharmoniseerde grondslag voor vennootschapsbelasting te worden ontwikkeld en is het BTW-stelsel in de Gemeenschap aan vereenvoudiging toe.

4.2.6

De complexiteit en de kosten voor het verkrijgen van Europese bescherming van intellectueel eigendom vormt ook een handicap voor Europese ondernemingen, blijkens de aanhoudende vertraging (nu al dertig jaar!) en de te verwachten kosten van een Gemeenschapsoctrooi.

4.2.7

Vermelding verdient tevens het uitstel van diverse projecten voor trans-Europese netwerken in het uitgebreide Europa, waarvoor nog geen publieke, private of gemengde financiering geregeld is.

4.2.8

De vertraging in de voltooiing van de interne markt houdt deels rechtstreeks verband met de zeer onbevredigende situatie van de werkgelegenheid en op de arbeidsmarkt. Door de uitbreiding van de Europese Unie van vijftien tot vijfentwintig lidstaten komt het vraagstuk van verbetering van werkgelegenheid in haar verschillende vormen (opleiding, beroeps- en geografische mobiliteit, kwaliteit van arbeidsplaatsen, omschakeling enz.) nog nadrukkelijker op de voorgrond.

4.2.9

Tot slot is de toepassing van de beginselen van vrij verkeer en van vrije vestiging in de interne markt vanwege de uitbreiding tijdelijk aan banden gelegd, en wel als gevolg van de afwijkingen, die maximaal zeven jaar kunnen belopen, waartoe ten nadele van de onderdanen van de nieuwe lidstaten is besloten. Deze beperkingen druisen in tegen de onbelemmerde werking van de arbeidsmarkt in het uitgebreide Europa, en kunnen nadelig uitpakken voor de in de nieuwe lidstaten ondernomen opleidings- en omscholingsinspanningen. Onderdanen van de nieuwe lidstaten die in de EU-15 als zelfstandige willen gaan werken, ondervinden die moeilijkheden eveneens.

4.3   De tekortschietende economische unie

4.3.1

De monetaire unie ging niet gelijk op met de dynamische economische groei die zij had moeten stimuleren. Een belangrijke oorzaak is dat zij nog niet vergezeld ging van een feitelijke economische unie. De aanzet daartoe, nl. het groei- en stabiliteitspact, heeft recentelijk zelf nog tot problemen geleid. Diverse lidstaten, waaronder Duitsland en Frankrijk, houden zich daar nauwelijks aan en hebben inmiddels de grens van 3 % voor het overheidstekort overschreden. Ook zijn twijfels gerezen omtrent de gevolgen van het pact (waarvan het onderdeel „stabiliteit” veel preciezer is afgebakend dan het onderdeel „groei”) op de matte economische bedrijvigheid. Ter compensatie van de beperkingen, alsook van de verplichtingen van het pact dient een meer geïntegreerde economische aanpak te worden ontwikkeld, wat momenteel nauwelijks het geval is met een nog minimale coördinatie van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid (GREB).

4.3.2

De Eurogroep, waarin de landen van de eurozone zijn vertegenwoordigd, is tot op heden weinig gestructureerd, op de achtergrond en in feite ook intergouvernementeel gebleven, tegenover een Europese Centrale Bank die volgens federaal model is opgezet. De eerste stenen voor een Europees economisch bestuur zijn nog lang niet gelegd.

4.3.3

De Ecofin-Raad heeft zelf ook nog weinig weg van een economische regering van de Unie, omdat de leden ervan graag met hun nationale belangen schermen en zich beschermd weten door de meestentijds vereiste unanimiteit. Vandaar het gebrek aan fiscale harmonisatie in Europa.

4.3.4

De Raad Mededinging, die de afgelopen jaren van de grond is gekomen, heeft geen optimaal contact met de Ecofin-Raad en slaagt er niet in om zijn noodzakelijkerwijs pluridisciplinaire taak, die voor Raad in al zijn samenstellingen van belang is, naar behoren te vervullen.

4.3.5

Betreurenswaardig is tevens dat het nieuwe grondwettelijke verdrag weinig baanbrekend is als het gaat om de verdieping van de economische unie, in tegenstelling tot tal van andere bepalingen daarin op andere gebieden. Voor de cohesie en convergentie van het Europese concurrentievermogen ware het zinvoller geweest als aan de Commissie daadwerkelijk de bevoegdheid was toegekend om voorstellen te doen (in plaats van vrijblijvende aanbevelingen), zowel wat de globale richtsnoeren voor het economisch beleid als de overheidstekorten betreft.

4.4   Tekortschietende structuurhervormingen

4.4.1

Tijdens de Voorjaarstoppen leken de lidstaten de voorkeur te geven aan nieuwe discussies over de reeds in Lissabon overeengekomen doelstellingen en zelfs bereid te zijn om nog meer voorschriften in te voeren, in plaats van een vergelijkende inventaris op te maken van de nationale hervormingen. Bovendien hebben te veel landen verzuimd om de sociale partners ten volle te betrekken bij de vormgeving en de tenuitvoerlegging van die hervormingen. De sociale partners zijn mondjesmaat geraadpleegd en worden in de voortgangsverslagen nauwelijks vermeld.

4.4.2

De terughoudendheid van de lidstaten om de stand van hun hervormingen toe te lichten, bleek recht evenredig met de daarbij opgelopen vertraging:

4.4.2.1

In Europees verband zijn de vijfentwintig EU-lidstaten dan wel overeengekomen om de interne markt op diverse gebieden te voltooien (bv. energie, diensten, overheidsopdrachten, trans-Europese netwerken, aanpassing van overheidsdiensten), maar zij stribbelen tegen om binnen de termijnen de vereiste maatregelen te treffen.

4.4.2.2

Op nationaal niveau lopen de resultaten uiteen. Zelfs de lidstaten die wat de hervormingen betreft het verst gevorderd zijn, kennen vertragingen ten opzichte van derde landen die beter presteren, en Europa als geheel houdt een concurrentiehandicap, terwijl het er bij de hervormingen toch niet alleen om gaat het beter dan voorheen, maar ook en vooral om het beter dan elders te doen. In het bijzonder kan het volgende worden opgemerkt:

4.4.2.2.1

Openstelling van markten: er is aanzienlijke vooruitgang geboekt voor telecommunicatie en, in mindere mate, energie (gas, elektriciteit) waar de prijzen vaak nog te hoog zijn. In sommige landen schrijdt de openstelling van de posterijen maar langzaam voort, waarbij overeengekomen is dat de doelstelling tot 2009 gefaseerd en in etappes verwezenlijkt wordt. Vertragingen in onderlinge verbindingen en modernisering zijn er nog steeds in de infrastructuur voor vervoer, wat met name de verwezenlijking van projecten voor trans-Europese netwerken belemmert.

4.4.2.2.2

Toegang tot financiering: de integratie van de Europese financiële markt is in volle gang, gesteund door de invoering van de euro. Diverse maatregelen zijn getroffen voor een vlottere financiering van starters en het MKB. Toch blijft de toegang tot risicokapitaal ontoereikend. Verder blijft de eenwording van de financiële markt te zeer afhangen van sociale en beroepsregelgeving en co-regulering, zoals deze zijn omschreven en vastgelegd in de tussen de EU-instellingen gesloten overeenkomst van 16 december 2003, en die overigens aanmoediging verdienden.

4.4.2.2.3

Overheidstekorten: de situatie is per land heel verschillend. Sommige landen hebben een batig saldo op hun overheidsbegroting weten te bereiken (Denemarken, Finland, Luxemburg, Zweden), terwijl andere de grenzen van het stabiliteitspact naderen of overschrijden (Duitsland, Frankrijk, Italië, Portugal). Die landen met een buitensporig groot tekort zijn ook de landen die achterlopen bij de tenuitvoerlegging van de structuurhervormingen.

4.4.2.2.4

Stimulering van innovatie: er wordt nog steeds te weinig in onderzoek geïnvesteerd. De uitgaven voor onderzoek belopen 1,9 % van het BNP, tegen 2,6 % in de VS. Bovendien investeren ondernemingen in de EU-15 twee keer minder in onderzoek dan Amerikaanse ondernemingen. Die percentages zijn ver verwijderd van de in de strategie van Lissabon voorgenomen 3 % van het BNP voor onderzoek en ontwikkeling, waarvan tweederde door de particuliere sector moet worden gefinancierd. De uitgaven zijn ook niet genoeg onderling afgestemd en sluiten niet aan op het Europees kaderprogramma voor onderzoek. Het tekortschietende Europese gemeenschappelijke beleid op strategisch gebied heeft gevolgen voor de investeringen in technologie. De in Europa gedeponeerde octrooien, vooral voor nieuwe technologieën, lopen trouwens ver achter in vergelijking met de VS of Japan, ook al omdat er nog steeds geen doeltreffend en goedkoop communautair octrooi is.

4.4.2.2.5

Verbetering van de arbeidsmarkt: de situatie verschilt per land. Soms is er sprake van een over het algemeen hoge arbeidsparticipatie, terwijl elders een structureel tekort aan werkgelegenheid heerst. Er zijn belangrijke hervormingen in uitvoering ter verbetering van de werking van de arbeidsmarkt, flexibiliteit en aansluiting van vraag en aanbod van banen. Om verzekerd te zijn van de steun van de Europeanen voor de strategie van Lissabon is het evenwel noodzakelijk dat deze hervormingen snel duurzame, in kwantitatief en kwalitatief opzicht duidelijke resultaten opleveren voor het levenslang leren en de werkgelegenheid, binnen een passend wettelijk kader of in overeenstemming met collectieve overeenkomsten. Met name schort het nog aan een voldoende investeringen, met name via opleidingen, in werkgelegenheid en beroepskwalificaties waarbij het belang van kwaliteit als middel om te concurreren, de nadruk krijgt. Het overleg met de sociale partners, de onderhandelingen met hen en tussen hen onderling, dienen met name te garanderen dat met de nieuwe afspraken daadwerkelijk deze verbetering van de werkgelegenheid en de arbeidsvoorwaarden optreedt, gelet op de internationale concurrentiepositie. In het Kok-rapport staan ook duidelijk de prioriteiten omschreven die moeten leiden tot een duurzame verbetering van de situatie.

4.4.2.2.6

Betaalbaarheid van de sociale voorzieningen: tal van hervormingen zijn in uitvoering om het financieel evenwicht in de socialezekerheidsstelsels te herstellen, gelet op de vergrijzing die in geheel Europa toeneemt. Het gaat er vooral om de termijn van premieafdracht aan te passen aan de toegenomen levensverwachting en het gebruik van aanvullende verzekeringsstelsels en pensioenfondsen te stimuleren. Bij de ontwikkeling van die hervormingen treedt grote vertraging op met betrekking tot sociale voorzieningen die onder aanvullende stelsels vallen. Bovendien zijn er implementatie- en doeltreffendheidproblemen, met name vanwege het te grote aantal vroegtijdig gepensioneerden, ondanks de in Barcelona in 2002 gemaakte afspraken. Er moet met name voor gezorgd worden dat de hervormingen in de socialezekerheidsstelsels op billijke wijze plaatsvinden, zodat nieuwe vormen van uitsluiting, die in maatschappelijk en economisch opzicht negatieve gevolgen voor de Europese economie zouden hebben, voorkomen worden.

4.4.2.2.7

Onderwijs en opleiding: de meeste Europese landen beschikken over in het algemeen goed presterende en ontwikkelde onderwijssystemen, die echter soms te ver van de economische realiteit en van perspectieven op integratie in de arbeidsmarkt af staan, vaak te selectief zijn en te weinig specifiek om het gehele leven lang doeltreffende steun te kunnen bieden. Er wordt gewerkt aan uitwisselingsprogramma's om deze relatie te verbeteren en om diverse vormen van onderricht gestalte te geven. De veralgemening van de toegang tot het internet draagt ook bij tot intensievere opleidingen.

4.4.2.2.8

Vereenvoudiging van regelgeving, gekoppeld aan de verbetering van de kwaliteit en de doeltreffendheid daarvan: het betreft hier een in alle Europese landen gevoelde behoefte, ook al zijn sommige eerder dan andere begonnen met programma's om hierin verbetering te brengen. Over het algemeen wordt prioriteit gegeven aan de vereenvoudiging van procedures voor het starten van (kleine) ondernemingen, gelet op de gevolgen daarvan voor de economische bedrijvigheid en de werkgelegenheid. Ondernemingen zouden ook meer moeten worden gesteund bij het ontwikkelen en volgen van operationele procedures, omdat dergelijke procedures ondernemingen efficiënter maken en hun productiviteit vergroten, waardoor ze op den duur concurrentiekrachtiger worden.

4.4.2.2.9

Duurzame ontwikkeling: de nationale uitvoeringsmaatregelen van de Kyoto-akkoorden leveren uiteenlopende resultaten op. Milieubescherming heeft een sterkere traditie in de noordelijke landen, maar ook in de andere landen worden nieuwe maatregelen getroffen en door de uitwisseling van ervaringen kan inspiratie worden geput uit geslaagde praktijken (bv. vrijwillige gedragscodes, handvesten, labels of de verdeling van uitstootrechten). Het blijkt volstrekt noodzakelijk dat de mededingingsstrategie van de Unie ten dienste staat van een beleid dat oog heeft voor milieubescherming en de op dit terrein gedane toezeggingen; de strategie mag dit beleid in ieder geval geen strobreed in de weg leggen.

4.4.3

Over het geheel genomen hebben de hervormingen nog maar zeer bescheiden resultaten opgeleverd. Ondanks de zich opstapelende verslagen over tanend concurrentievermogen en een groeiend aantal „processen” of strategieën om dit vermogen nieuw leven in te blazen (zoals die van Luxemburg, van Cardiff, van Keulen, van Lissabon, van Göteborg en van Barcelona), heeft de Unie de grootste moeite om haar uitgesproken keuzes in praktijk te brengen (interne markt, financiële ruimte, kenniseconomie, uitmuntendheid op milieugebied enz.).

4.4.4

Tegelijkertijd zijn economie en werkgelegenheid er in Europa sinds de gunstige conjunctuur tijdens de Top van Lissabon in 2000 gestaag op achteruit gegaan, omdat zowel de vraag als de investeringen het laten afweten, ook sinds het monetair en financieel beleid aan banden is gelegd. Er zijn ook andere — verschillende, maar elkaar versterkende — redenen die verband houden met het gevoel van onveiligheid dat is ontstaan door de terroristische aanslagen, de internationale spanningen, de onrust op de financiële markten en de beurzen, en de olieprijs, met alle negatieve gevolgen voor het vertrouwen en de activiteiten van economische actoren vandien. De groeipercentages zijn gedaald van 3,5 % in 2000 tot 1,6 % in 2001, en tot een schamele 1 % sinds 2002. Met de werkgelegenheid gaat eht slechter en de werkloosheid is de grens van 8 % voorbij. Deze teruglopende economische en sociale conjunctuur in Europa steekt schril af bij de huidige dynamische groei in de VS (bijna 5 %), ook al is die groei gebaseerd op zeer specifieke omstandigheden (de dollarkoers, het begrotingstekort, militaire uitgaven enz.).

4.4.5

De strategie van Lissabon bevindt zich in een vicieuze cirkel: de gebrekkige groei bemoeilijkt de uitvoering van hervormingen, waarvan de vertraging de kans op meer groei en banen dwarsboomt. Tegenover een inflatie van hervormingsdoelstellingen, voornemens en deelnemende landen valt een gebrek aan gedeelde verantwoordelijkheid, tenuitvoerlegging, coördinatie en dus impact op de economie en de werkgelegenheid te bespeuren. Indien de vereiste hervormingen niet met de nodige daadkracht worden uitgevoerd, terwijl kost wat kost wordt volgehouden dat met de strategie vooruitgang wordt geboekt, bestaat de kans dat de werkelijkheid uit het oog wordt verloren. Zo'n „luchtbel van Lissabon” zou al vóór 2010 uiteenspatten.

5.   Aanbevelingen

5.1   De actoren in de economie weer vertrouwen geven

5.1.1

Het concurrentievermogen van Europa moet onderdeel zijn van een algemeen — zowel politiek als economisch en sociaal — project, waardoor een breed draagvlak en ruime participatie onder de sociale en beroepsactoren wordt gecreëerd. Met het nieuwe verdrag zal aan die voorwaarden moeten worden voldaan.

5.1.2

Vooral belangrijk is dat dit Europese project in de globale context beter wordt ontvangen, niet alleen in de aan de Europese Unie grenzende landen, maar ook bij de verschillende internationale partners van Europa. Er moet nog grondiger worden nagedacht over het vraagstuk van de Europese aantrekkingskracht en van de noodzakelijke aanpassing van Europa aan de structurele veranderingen, en de diverse aspecten daarvan dienen nader te worden gepreciseerd. Belangrijke kwesties in dat verband zijn de internationale investeringen, de vestigingen in Europa en de bedrijfsverplaatsingen naar andere delen van de wereld. Het Comité verwacht met name dat de lopende WTO-onderhandelingen er mede toe zullen bijdragen dat er betere internationale voorschriften voor wereldhandel en internationale investeringen worden uitgewerkt.

5.1.3

Er is dus behoefte aan nieuwe internationale voorschriften ter vervanging van de vigerende, duidelijk ontoereikende regelgeving. Daarnaast is die regelgeving echter ook toe aan vereenvoudiging, omdat er nog steeds te veel regels en administratieve formaliteiten zijn. Daartoe

moet de voorafgaande effectbeoordeling worden herzien (met garanties voor de autonomie van die beoordeling, stelselmatig onderzoek naar alternatieven voor de gangbare regelgeving, een onderzoek naar de gevolgen van een conceptregel voor dat vereenvoudigingsstreven en het concurrentievermogen, en de stelselmatige publicatie van de voorafgaande effectbeoordeling samen met de ontwerpregelgeving);

moet ervoor worden gezorgd dat wijzigingen waardoor de conformiteit met de effectbeoordeling in gevaar kan worden gebracht, naar behoren worden gemotiveerd;

moeten bedrijfsleven en andere „gebruikers” bij die vereenvoudiging worden betrokken vóórdat regelgeving wordt uitgevaardigd (SLIM-comités liever vóór dan na regelgeving);

moet in Europa zelf- en co-regulering in de beroepskringen, met name onder dienstverleners, worden gestimuleerd;

moet vereenvoudiging in de lidstaten worden gestimuleerd: de lidstaten zouden, gelijk opgaand met het Europese vereenvoudigingsstreven, ook in eigen land de regelgeving moeten vereenvoudigen, gekoppeld aan een toetsing van de compatibiliteit daarvan met de EU-regelgeving.

5.1.4

Er zouden beleidsmaatregelen moeten worden genomen om ondernemers die een bedrijf willen starten of hun bedrijf willen uitbreiden, krachtdadiger te steunen, met betere toegang tot risicokapitaal. Daarbij moet worden gedacht aan meer armslag voor de EIB, meer programma's waarbij ondernemers door andere ondernemers worden opgeleid, en een uitgebreid — door de EU gecoördineerd — netwerk van begeleidende maatregelen voor kleine ondernemingen in alle lidstaten.

5.1.5

Meer in het algemeen zouden ondernemingen, beroeps- en maatschappelijke organisaties ook moeten worden aangespoord om actiever te worden in EU-verband: door de met de Europese eenwording geboekte vooruitgang zijn nieuwe mogelijkheden voor samenwerking en uitwisseling gecreëerd die vaker zouden moeten worden benut. Hun initiatieven in het veld zijn net zo doorslaggevend voor de reële impact en het welslagen van de inspanningen die momenteel in Europa worden gedaan om het concurrentievermogen te herstellen en om de laatste obstakels voor dat herstel uit de weg te ruimen, als de nieuwe maatregelen die van de Europese instellingen en de lidstaten worden verwacht. Alles wel beschouwd is de voornaamste voorwaarde voor de totstandbrenging van een doeltreffender en concurrentiekrachtiger Europa dat steeds meer dergelijke intiatieven van ondernemingen en/of organisaties worden genomen en dat deze een steeds grotere synergie-werking krijgen. Daarom is het vooral van belang dat de Europese, nationale en regionale overheden dergelijke initiatieven vergemakkelijken en begeleiden door een gunstig concurrentieklimaat te scheppen.

5.2   De laatste hand leggen aan de interne markt

5.2.1

De tijd dringt: de voor de werking van de interne markt onontbeerlijke laatste regelingen moeten nu gauw worden getroffen, aangezien er inmiddels niet langer vijftien, maar vijfentwintig EU-lidstaten zijn. Die regelingen moeten er in ieder geval komen vóór de in Lissabon vastgelegde termijn van 2010. Aan dat streefdoel valt niet te ontkomen, met dien verstande dat beheer en bijsturing van de interne markt intussen ook gewoon moeten doorgaan.

5.2.2

Om te beginnen moet er strikter op worden toegezien dat alle EU-richtlijnen daadwerkelijk binnen de gestelde termijnen worden omgezet; hiertoe heeft de Europese Raad zich namelijk verbonden. Dat vooronderstelt dat de regeringen van de EU-lidstaten zich beter bewust worden van hun verantwoordelijkheid op dit gebied en dat zo nodig EU-steun aan de in gebreke blijvende landen opnieuw wordt overwogen en afhankelijk wordt van betere omzetting. Momenteel zijn er meer richtlijnen dan verordeningen; de omzetting zou gemakkelijker worden als regelgeving vaker in de vorm van een verordening wordt gegoten, omdat verordeningen rechtstreeks en uniform van toepassing zijn.

5.2.3

Onderstaande voor de mededinging belangrijke regelgeving moet met voorrang worden geharmoniseerd:

één verordening om dubbele belasting in de interne markt te voorkomen, die in de plaats zou moeten komen van de onvolledige en onontwarbare opeenstapeling van verschillende bilaterale afspraken waarmee de lidstaten dit probleem momenteel trachten op te lossen;

een (door het Comité al meerdere malen bepleit) vereenvoudigd statuut van de Europese vennootschap voor kleine en middelgrote ondernemingen, waardoor die ondernemingen nieuwe mogelijkheden krijgen om zich te ontwikkelen, samen te werken en overal in Europa (in de eerste plaats in grensgebieden) als onderaannemer op te treden;

een eenvoudig, efficiënt en goedkoop communautair octrooi. Dat octrooi moet er nu gauw komen, omdat Europa door het herhaaldelijke uitstel van de goedkeuring daarvan dreigt te verzanden in een structureel onvermogen om zijn — officieel beleden — concurrentiedoelstellingen na te komen;

een echte interne dienstenmarkt (1), waaraan door de betrokken beroepsgroepen actief wordt deelgenomen.

5.2.4

Een andere conditio sine qua non voor de voltooiing van de interne markt is dat een einde wordt gemaakt aan de administratieve verkokering. De EU zou de interne markt directer moeten steunen dan thans het geval is. Daartoe is nodig dat

nationale bestuursinstanties beter onderling gaan samenwerken, omdat zij inmiddels samen een interne markt van niet minder dan vijfentwintig EU-lidstaten moeten gaan beheren;

in de lidstaten communautaire inspecties worden uitgevoerd, waarna daarvan een verslag wordt opgesteld waarin de nadruk op de functionele tekortkomingen van de interne markt wordt gelegd, met suggesties voor mogelijke oplossingen;

de douanediensten aan de nieuwe buitengrenzen van de EU (sinds de uitbreiding) worden eengemaakt (in een eerste stadium zouden er gemeenschappelijke opleidingen moeten kunnen worden gevolgd, zouden douanebeambten vaker in een ander land stage moeten lopen en zou de uitwisseling van beambten moeten worden geïntensiveerd);

vergelijkende studies van daadwerkelijk gegunde Europese overheidsopdrachten worden gepubliceerd;

door de overheid verleende diensten aan een betere grensoverschrijdende coördinatie worden onderworpen, waarmee wellicht de eerste stap kan worden gezet in de richting van Europawijde dienstverlening, waar zulks aangewezen is.

5.3   Ontwikkeling van de economische Unie

5.3.1

Cruciaal voor het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven is dat de EU een echte economische unie is. Daarin ligt ook een voorwaarde voor de levensvatbaarheid van de monetaire Unie. Het gaat er vooral om dat Europa macro-economisch beter en stabieler kan reageren op de grillen van de internationale conjunctuur; dit geldt niet alleen voor het beleid dat de aanbodzijde steunt, maar ook het beleid dat de vraagzijde steunt. Het gemeenschappelijk economisch beleid moet beslist verder worden uitgebouwd, waarbij ook de door „Lissabon” vastgelegde streefdatum van 2010 zou moeten worden aangehouden. Daartoe is het nodig dat

de euro-zone met de nieuwe EU-lidstaten wordt uitgebreid, zodra zij de criteria duurzaam kunnen naleven;

de voordelen van de communautaire methode (de Commissie stelt rapporten op en dient voorstellen in, de Raad neemt besluiten bij meerderheid van stemmen) worden benut voor alle economische vraagstukken die daadwerkelijk voor alle EU-lidstaten van belang zijn;

naleving van het stabiliteits- en groeipact wordt afgedwongen, waarbij evenmin wordt voorbijgegaan aan de gevolgen daarvan voor het concurrentievermogen, d.w.z. door voorrang te verlenen aan gunstige investeringsvoorwaarden in plaats van overheidsuitgaven.

5.3.2

Maatregelen waardoor significante vooruitgang op weg naar een economische Unie kan worden geboekt, zijn dat

nationale ontwerpen voor financiële wetten bij voorbaat, en dus niet achteraf, aan de Globale Richtsnoeren voor het Economisch Beleid (GREB) worden getoetst;

de werkgelegenheidsrichtsnoeren en de GREB beter op elkaar worden afgestemd (wat verder gaat dan beide naast elkaar te laten bestaan);

de verwezenlijking van de Europese financiële ruimte, ook door sociaal-economische zelf- en co-regulering, wordt versneld.

5.3.3

Ook noodzakelijk voor de totstandbrenging van een echte economische Unie is dat de belastingstelsels, en met name de belastinggrondslagen, op elkaar worden afgestemd, en wel onder voorwaarden die verenigbaar zijn met een voor investeerders aantrekkelijke open economie. De belastingvoeten zouden aan banden kunnen worden gelegd op gebieden die voor de interne markt rechtstreeks van belang zijn. Ten behoeve van de werkgelegenheid zouden belastingverlagingen moeten worden overeengekomen. Als eensgezindheid daarover onmogelijk blijkt, kunnen lidstaten die dergelijke belastingverlagingen willen doorvoeren, meer gaan samenwerken om daar in ieder geval al een begin mee te maken.

5.3.4

De doelstellingen van een beter gecoördineerd economisch beleid zouden moeten zijn:

een op groei gericht beleid te voeren, ten gunste van economische activiteit en werkgelegenheid, zoals aangegeven tijdens de laatste bijeenkomsten van de Europese Raad, nl. door de EIB meer armslag te geven (hoe beperkt, maar niet verwaarloosbaar de invloed daarvan ook zal blijven) en een nieuw gewicht toe te kennen aan publiek/private partnerschappen, met name voor de financiering van nieuwe trans-Europese infrastructuurvoorzieningen in de gehele uitgebreide Unie;

het bedrijfsleven op actievere wijze te benaderen, waarbij dient te worden verduidelijkt waar de belangen van Europa liggen, (met een daarop afgestemd mededingingsbeleid, een handelsbeleid dat meer is gericht op belangenbehartiging, steun voor grootschalige gemeenschappelijk projecten en EU-subsidiëring);

de nodige ontwikkeling van innovatieve en op onderzoek gerichte investeringen door het bedrijfsleven waarborgen, met name om het Europese concurrentievermogen te versterken door meer op kwaliteit in te spelen;

vooral de autonomie van Europa te garanderen op het gebied van voor zijn veiligheid belangrijke speerpunttechnologie (zo nodig door „versterkte samenwerking”, gekoppeld aan een dienovereenkomstige preferentiële openstelling voor openbare aanbestedingen);

het gemeenschappelijk O&TO-beleid op gemeenschappelijk projecten toe te spitsen, waarbij de aanpak van de lidstaten niet tegen het EU-optreden mag indruisen.

5.3.5

De nieuwe financiële vooruitzichten, voor 2007-2013, zouden moeten worden afgestemd op dit streven om de concurrentiepositie van Europa te verbeteren. Daartoe is het nodig dat:

meer wordt geanticipeerd op economische, industriële, regionale en sociale veranderingen, zodat al bij voorbaat de nodige aanpassingen kunnen worden doorgevoerd;

de hervorming van het GLB, samen met de betrokken kringen, wordt voortgezet, met als doelstellingen: een concurrentiekrachtige agro-levensmiddelenindustrie, naleving van normen voor de bescherming van het milieu en van de consumenten, en een evenwichtige plattelandsontwikkeling;

de internationale positie van de EU wordt versterkt door de ontwikkelingshulp efficiënter te maken, vaker partnerschappen te sluiten en ondersteuning te bieden bij investeringen van Europese bedrijven in landen met een groot groeipotentieel;

de voorwaarden voor EU-steunverlening, worden bijgestuurd. Dit betekent dat het stelsel waarbij steun aan voorwaarden wordt gekoppeld, moet worden uitgebreid (met name inzake economische convergentie, maar ook ten aanzien van omzetting van de richtlijnen), dat de begunstigde landen ook iets terug moeten doen (hun tegenprestatie kan zijn dat er een voor concurrentie gunstig klimaat wordt gecreëerd, dat de administratieve formaliteiten worden vereenvoudigd en/of dat belemmeringen worden opgeheven), dat de verenigbaarheid van EU-steun met de mededingingsregels moet worden getoetst (erop toezien dat die steun geen schadelijke scheeftrekking van de concurrentieverhoudingen met zich meebrengt of tot verstoringen leidt doordat bedrijven kunstmatig naar elders worden verplaatst), net als bij steunverlening door de lidstaten, en dat steun steeds vaker de vorm van leningen tegen gunstige voorwaarden moet gaan krijgen, in plaats van subsidiëring.

5.4   Meer samenhang brengen in de tenuitvoerlegging van de structuurhervormingen

5.4.1

De doelstellingen van Lissabon moeten bij de Europeanen aan geloofwaardigheid winnen. De betekenis ervan en de aan de verwezenlijking van die doelstellingen verbonden sociale kosten mogen niet langer vrees inboezemen: het gaat om hervormingen die bepalend zijn voor de toekomstige ontwikkeling van Europa in een open economie. De duurzaamheid van het voor Europeanen zo belangrijke maatschappelijk model van Europa, zoals dit in het Handvest van de grondrechten is omschreven, moet blijven rijmen met concurrentievermogen.

5.4.2

De doelstelling „concurrentievermogen” verdient nadere uitleg. Voor het Comité komt het er niet op aan om de meest concurrerende ter wereld te worden als dat betekent dat er op alle gebieden een maximale kostenverlaging wordt doorgevoerd: een dergelijk streven is even illusoir als onuitvoerbaar, en in diverse opzichten schadelijk en niet duurzaam vanwege de kwalitatieve, sociale en milieukosten. Voor het Comité gaat het er daarentegen om om ons te voorzien van de middelen om volledig en duurzaam concurrerend te zijn in een open en mondiale economie, met name door de beheersing van nieuwe technologieën en een meer op innovatie gerichte arbeidsorganisatie en productiviteit. Hierbij moet er steeds op worden toegezien dat het sociale ontwikkelingsmodel in Europa behouden blijft en versterkt wordt.

5.4.3

De coördinatie tussen de verschillende hervormingen (zowel op economisch als op sociaal, administratief en milieugebied) en tussen de lidstaten dient te worden verbeterd. Er moet worden gezorgd voor vergelijkbaarheid en wederzijdse versterking. Gezien de stand van zaken bij de structuurhervormingen die de lidstaten momenteel doorvoeren, is het vooral nodig dat:

de onderlinge koppeling van telecommunicatie-, energie- en vervoersnetwerken wordt gegarandeerd, onder voorwaarden waarbij voor een optimale kosten/kwaliteit/veiligheid-verhouding wordt gezorgd;

de integratie van de Europese financiële markt wordt versneld, waarbij fluïditeit, harmonisatie, veiligheid, concurrentie en zelfreguleringen met elkaar in overeenstemming worden gebracht;

de productiviteit wordt verhoogd, enerzijds rechtstreeks in de bedrijven (organisatie van het werk, informatica en nieuwe technologie), en anderzijds door de overdracht van overheidsgelden in economisch en sociaal opzicht efficiënter te maken, óók door schaalvoordelen (openstelling van de overheidssector, Europese samenwerking van overheidsdiensten) waarmee de begrotingstekorten van de lidstaten gemakkelijker kunnen worden weggewerkt;

erop wordt toegezien dat de voor onderzoek vrijgemaakte middelen met het door de EU bepaalde streefcijfer van 3 % van het BNP overeenstemmen, waarvan tweederde uit het bedrijfsleven moet komen en dat de nationale programma's onderling verenigbaar zijn en niet tegen het O&O-programma van de EU indruisen;

leerlingwezen en alternerende opleidingen (school/bedrijfsleven) worden gestimuleerd, dat de toegang daartoe wordt verruimd en dat er nog een schepje bovenop de Europese uitwisselingsprogramma's wordt gedaan;

de inzetbaarheid van werkzoekenden, door cursussen en persoonlijke begeleiding voor intrede op de arbeidsmarkt wordt vergroot;

werkzoekenden, zowel vrouwen als mannen, zowel jongeren als ouderen, bovendien worden aangemoedigd om zelfstandig een bedrijf op te zetten door de administratieve formaliteiten te vereenvoudigen en hun sociale lasten te besparen;

het stelsel van sociale bescherming financieel gezond blijft. Zoniet zou het voortbestaan daarvan, gezien de vergrijzing van de bevolking, in gevaar kunnen komen; illegale arbeid waarover geen belastingen worden afgedragen, moet daarbij worden ontmoedigd en bestreden;

een einde wordt gemaakt aan de overmaat aan regels en procedures, met name voor het MKB, waarbij, zoals hiervoor vermeld, efficiënter strijd wordt geleverd tegen de informele economie;

de aandacht in de eerste plaats uitgaat naar de oprichting van ondernemingen en naar het aanmoedigen van ondernemerschap, door de administratieve en fiscale voorschriften in die geest te hervormen;

de duurzame ontwikkeling kracht wordt bijgezet en dat met het oog daarop meer gebruik wordt gemaakt van nieuwe technologie, waardoor Europese ondernemingen nieuwe wereldmarkten kunnen gaan veroveren. Goede praktijkvoorbeelden zouden intensiever moeten worden uitgewisseld: het verdient aanbeveling om daarvoor een gegevensbank op te zetten.

5.4.4

De volgende ondersteunende maatregelen zijn nodig voor de coördinatie in EU-verband van de structuurhervormingen:

de voorzitter van de Commissie zou samen met alle Commissieleden de speciale taak moeten krijgen zich bezig te houden met de concurrentieproblemen van Europa die specifieke initiatieven in het beleid van de Commissie rechtvaardigen; een lid van de Commissie zou kunnen worden aangewezen om de Commissievoorzitter daarbij te assisteren;

de vergelijkende tabel van de met de hervormingen van Lissabon gemaakte vorderingen zou moeten worden uitgebreid. Daarbij zou niet alleen de rol van de overheid, maar ook die van het maatschappelijk middenveld moeten worden benadrukt;

de EU-steun zou beter op de doelstellingen van Lissabon moeten worden afgestemd. Vervolgens moet in de jaarverslagen worden aangegeven in hoeverre de samenhang daarvan baat heeft gehad.

5.4.5

Het komt er thans in de eerste plaats op aan dat de Europeanen warmer worden gemaakt voor de eenwording van Europa en zijn concurrentiedoelstelling. Dat kan alleen als doelstellingen en omschrijving van het Europa in wording, alsook de algemene sociaal-economische randvoorwaarden waaronder de structuurhervormingen moeten worden doorgevoerd, worden verduidelijkt. Daartoe moet met name meer inzicht worden verkregen in de evolutie van het Europees model voor de sociale verhoudingen.

5.4.6

Meer concurrentievermogen voor ondernemingen vooronderstelt met name dat de beroepskwalificaties van de werknemers worden verbeterd, dat hun inspraak bij de organisatie van het werk wordt aangemoedigd en dat de sociale samenhang in het bedrijf wordt vergroot door de sociale verhoudingen te verstrakken en te vernieuwen.

5.4.6.1

Het menselijk kapitaal van de ondernemingen blijkt immers van essentieel belang: de arbeidspotentieel van een onderneming — haar menselijk kapitaal — is essentieel voor haar productiviteit. De investeringen hierin, met name in opleiding en bijscholing, zijn bepalend voor de motivatie van het personeel en zijn productievermogen.

5.4.6.2

Terwijl „levenslang leren” een spilfunctie heeft gekregen in het Europese werkgelegenheidsbeleid, is het verontrustend vast te stellen welk percentage werknemers aan onderwijs en opleiding deelneemt. Dit percentage bedraagt gemiddeld 14 % in de leeftijdscategorie 25-29 jaar, om met het stijgen van de leeftijd gestaag af te nemen en uiteindelijk uit te komen bij een schamele 5 % voor de categorie 55-64 jaar.

5.4.6.3

In een productiesysteem waarin arbeidsplaatsen steeds meer technische vaardigheden en knowhow vereisen, is deze situatie voor het Europese concurrentievermogen uiterst zorgelijk. Het is wenselijk, zo niet noodzakelijk, dat deze situatie snel tot het verleden behoort. Hiertoe dienen de ondernemingen opleiding in hun strategie op te nemen als een investering op middellange en lange termijn, en deze niet te beschouwen als een investering die snel of onmiddellijk resultaat moet opleveren.

5.4.6.4

Beroepsopleiding, scholing en levenslang leren moeten niet los van elkaar worden gezien. Zij dienen onlosmakelijk te zijn verbonden met het loopbaanbeheer van de werknemers. Het komt erop aan om, door scholing, werknemers op elke leeftijd gemotiveerd te houden door gebruik te maken van hun bekwaamheden en door het beroepstraject dynamischer te maken. In dat licht bezien zijn overzichten van de vaardigheden en/of vastgestelde verworvenheden evenzovele instrumenten waarvan voor individuele beroepsprojecten gebruik moet worden gemaakt, in aansluiting op het ondernemingsbeleid.

5.4.7

Het Comité wijst in dit verband te wijzen op de rol van de sociale economie, waarover het al meerder adviezen heeft uitgebracht. De sociale economie kan een model zijn voor een groter concurrentievermogen, omdat bij sociale economie wordt uitgegaan van samenwerking tussen particulieren en bedrijven en van de capaciteit om aan de behoeften van mensen tegemoet te komen en menselijke kapitaal verder tot ontplooiing te brengen.

5.4.8

Naast de bedrijven en de werknemers zelf, spelen ook de sociale partners een vooraanstaande rol bij de nieuwe vormgeving van de sociale verhoudingen. Bij de vastlegging van de doelstellingen van Lissabon is van meet af aan een cruciale rol toebedacht aan de ondernemingen, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld, zonder welke de hervormingen niet tot een goed einde kunnen worden gebracht. Het Comité betreurt ten zeerste dat daarop tijdens de eerstvolgende Voorjaarstoppen maar nauwelijks is teruggekomen, of dat nu in de verslagen van de lidstaten is, of tijdens de besprekingen of in de na afloop van iedere Europese Raad gepubliceerde conclusies.

5.4.9

Daar is pas verbetering in gekomen door de vóór de Voorjaarstoppen belegde bijeenkomsten van de sociale partners met vertegenwoordigers van het voorzitterschap van Raad en Commissie. Het door de sociale partners (UNICE, CEEP, UEAPME en EVV) overeengekomen: meerjarenprogramma voor de sociale dialoog (2003-2005) heeft er mede toe geleid dat de sociale partners meer zeggenschap hebben gekregen bij de de tenuitvoerlegging van de strategie voor de hervormingen. In dit in drie onderdelen opgesplitste programma (werkgelegenheid, sociale aspecten van de uitbreiding en mobiliteit), dat op overleg en gemeenschappelijk initiatieven is gericht, is het zwaartepunt bij de verbetering van opleiding en beroepskwalificaties gelegd. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de afbakening van een Europees maatschappelijk model waarin een groter concurrentievermogen van de ondernemingen gepaard gaat met verbeterde sociale voorwaarden.

5.4.10

De sociale partners zijn in de lidstaten al begonnen met doorslaggevende hervormingen op gebieden als opleiding, arbeidsmarkt en sociale bescherming. Van wezenlijk belang is dat de medeverantwoordelijkheid van de sociale partners voor de hervormingen wordt gestimuleerd, en wel door in de verslaggeving aan de Voorjaarstoppen hun initiatieven en overeenkomsten tot hun recht te laten komen en hen bij de uitwisseling van goede praktijkvoorbeelden te betrekken. Het Comité is bereid om via een gegevensbank meer bekendheid te geven aan de medewerking van de sociaal-economische partners aan de tenuitvoerlegging van de hervormingen.

6.   Conclusies

6.1

Het concurrentievermogen van het Europese bedrijfsleven kent tekortkomingen. Het Comité komt tot de slotsom dat dit de prijs is die moet worden betaald voor een Europa dat van te weinig ondernemingsgeest blijk geeft, waarvan de eenwording op talrijke gebieden nog steeds niet voltooid is, dat te laat is met zijn hervormingen, en dat zijn troeven zeer onvoldoende, dikwijls zonder overtuiging en soms op onsamenhangende — en dus averechts werkende — wijze, uitspeelt. Hoe waar dit is, blijkt wel als het slechte functioneren van „Europa” in vier hoofdrubrieken wordt onderverdeeld:

in weerwil van de vrijheden van de EU, wordt ondernemingsgeest nog steeds onvoldoende gestimuleerd;

de interne markt is nog steeds niet voltooid, ook al is de EU inmiddels opnieuw uitgebreid;

de monetaire Unie moet het nog steeds zonder een economische Unie doen;

al wel geplande hervormingen komen nog steeds niet goed van de grond.

6.2

Voornoemde problemen verhelpen, is een collectieve verantwoordelijkheid: de samenhang tussen de EU en haar lidstaten kan worden verbeterd door profijt te trekken van hun complementariteit. Het Comité juicht toe dat tijdens de laatste Voorjaarstop

de lidstaten is gevraagd om te bevorderen dat de sociale partners, maatschappelijke organisaties en overheidsinstanties voor de hervormingen partnerschappen opzetten;

steun is uitgesproken voor het voornemen van de sociale partners om hun engagement met een nieuw Europees partnerschap voor verandering te bekrachtigen.

6.3

Volgens het Comité is het hoog tijd dat met dergelijke — Europese en nationale — partnerschappen de voorwaarden worden geschapen voor het herstel van het concurrentievermogen in Europa. Hun invloed moet er met name toe leiden dat

de interne markt versneld optimaal wordt georganiseerd;

de economische Unie net zo ver gevorderd raakt als de monetaire Unie;

alle bij de hervormingen betrokken kringen zeggenschap krijgen;

met het oog daarop zowel door de overheid als door particuliere ondernemingen en organisaties innoverende initiatieven worden genomen;

de vooruitgang die dankzij deze partnerschappen wordt geboekt, tijdens de komende Voorjaarstoppen wordt geëvalueerd.

6.4

Het Comité benadrukt dat resoluut naar de termijn van 2010 moet worden toegewerkt, zowel bij de tenuitvoerlegging van de hervormingen van Lissabon als bij de voltooiing van de interne markt en de verwezenlijking van een echte economische, concurrentiekrachtige Unie als logisch vervolg op de monetaire Unie, en dat daarbij onverkort aan de vereisten van duurzame ontwikkeling moet worden voldaan.

6.5

Het Comité stelt tot besluit vast dat de nodige versnelling van de hervormingen zeer gebaat zou zijn bij een sterkere economische groei. De EU zou zonder dralen maatregelen moeten nemen om de interne markt te consolideren, en wel door vraag en aanbod te stimuleren en aldus de duurzame voorwaarden voor meer investeringen, handel, consumptie en werkgelegenheid te scheppen.

Brussel, 27 oktober 2004

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

A.-M. SIGMUND


(1)  Een EESC-advies over de ontwerprichtlijn is in voorbereiding.


Top