EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52004AE0849

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's tot vaststelling van de richtsnoeren voor de tweede ronde van het communautair initiatief EQUAL betreffende transnationale samenwerking ter bevordering van nieuwe middelen voor de bestrijding van alle vormen van discriminatie en ongelijkheden in verband met de arbeidsmarkt — Vrij verkeer van goede ideeën (COM(2003) 840 def.)

OJ C 241, 28.9.2004, p. 24–26 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)

28.9.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 241/24


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over de „Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's tot vaststelling van de richtsnoeren voor de tweede ronde van het communautair initiatief EQUAL betreffende transnationale samenwerking ter bevordering van nieuwe middelen voor de bestrijding van alle vormen van discriminatie en ongelijkheden in verband met de arbeidsmarkt — „Vrij verkeer van goede ideeën””

(COM(2003) 840 def.)

(2004/C 241/09)

De Europese Commissie heeft op 5 januari 2004 besloten, overeenkomstig art. 262 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Europees Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's tot vaststelling van de richtsnoeren voor de tweede ronde van het communautair initiatief EQUAL betreffende transnationale samenwerking ter bevordering van nieuwe middelen voor de bestrijding van alle vormen van discriminatie en ongelijkheden in verband met de arbeidsmarkt — „Vrij verkeer van goede ideeën”.

De gespecialiseerde afdeling „Werkgelegenheid, sociale zaken, burgerschap”, die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 5 mei 2004 2004 goedgekeurd. Rapporteur was de heer Sharma.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 409e zitting (vergadering van 2 juni 2004) onderstaand advies uitgebracht, dat met 185 stemmen vóór en 1 tegen, bij 9 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Inhoud van de Mededeling

1.1

Deze mededeling heeft een tweeledig doel. Enerzijds illustreert ze enkele vroege resultaten van EQUAL, waarbij wordt gewezen op veelbelovende praktijken die reeds kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe wegen voor de aanpak van discriminatie en ongelijkheid op de arbeidsmarkt — „vrij verkeer van goede ideeën”. Anderzijds geeft zij ook het kader aan voor de tweede ronde van EQUAL, waarvan de bestaande beginselen en architectuur worden bevestigd en de technische details worden uiteengezet.

1.2

In dit vroege stadium is het meest zichtbare succes van EQUAL het partnerschap, dat erop gericht is actoren die in een ontwikkelingspartnerschap samenwerken, samen te brengen voor de ontwikkeling van een geïntegreerde aanpak van multidimensionele problemen.

1.3

De architectuur van EQUAL heeft wezenlijke elementen van goed bestuur geïntegreerd, aangezien het programma betrekking heeft op transversale beleidskwesties en institutionele grenzen overschrijdt.

1.4

In EQUAL wordt een thematische aanpak gehanteerd en na onderling overleg zijn de lidstaten het erover eens geworden om de thema's van EQUAL voor de tweede ronde ongewijzigd te laten.

1.5

In de tweede ronde wordt voor het eerst in het EQUAL-programma rekening gehouden met de uitbreiding van de Europese Unie. Op alle thematische gebieden zal dan ook worden gestreefd naar steun voor Roma-zigeuners en slachtoffers van mensenhandel, aangezien de Unie thans op veel grotere schaal met deze uitdagingen wordt geconfronteerd.

1.6

EQUAL biedt de nieuwe lidstaten in dit verband een goede gelegenheid om met de bestaande lidstaten samen te werken bij de vaststelling van goede praktijken in verband met de sociale en beroepsintegratie van asielzoekers.

1.7

Hoewel de werkzaamheden nog aan de gang zijn en nog geen definitieve conclusies kunnen worden getrokken, zijn in de eerste ronde van EQUAL, die in 2001 van start is gegaan, enkele veelbelovende praktijken ontwikkeld in verband met nieuwe wijzen om discriminatie en ongelijkheid aan te pakken. Een en ander betreft o.m. de volgende thema's: handicaps, seksuele geaardheid, maatregelen om werknemers langer aan het werk te houden, oprichting van bedrijven door werklozen of niet-werkenden, de bijdrage van immigranten aan werkgelegenheid en economische groei, maatregelen om het aanpassingsvermogen op de arbeidsmarkt te bevorderen, bouwblokken voor strategieën voor levenslang leren, het wegwerken van gendersegregatie in sectoren en beroepen, het delen van zorg- en huishoudtaken, maatschappelijk verantwoord ondernemen, reïntegratie ter bestrijding van uitsluiting, en sociale economie voor het scheppen van meer banen en het verbeteren van de kwaliteit daarvan.

1.8

Hoewel de thematische aanpak stabiel blijft, zal EQUAL in de tweede ronde, met name na de uitbreiding, nieuwe uitdagingen aanpakken als de problematiek van de discriminatie die Roma's en slachtoffers van mensenhandel ondervinden.

1.9

De samenwerking tussen de lidstaten is een fundamenteel aspect van EQUAL en verloopt goed; dit komt tot uiting op verschillende niveaus, tussen zowel ontwikkelingspartnerschappen als thematische netwerken.

1.10

Mainstreaming, d.w.z de integratie en de verwerking van nieuwe ideeën en benaderingen in het beleid en in de praktijk, vormt een uitdaging, maar om een maximaal effect te bereiken moeten de resultaten van EQUAL worden geanalyseerd, gebenchmarked en verspreid om effect te sorteren in zowel de lidstaten als de Unie.

1.11

De evaluatie gebeurt op twee wijzen: er is een tussentijds onderzoek en daarnaast ook continue evaluatie. Het tussentijds onderzoek gebeurt via nationale tussentijdse evaluatieverslagen die in december 2003 bij de Commissie zijn ingediend en op grond waarvan de overkoepelende Europese evaluatie is opgesteld. De uit de gehele EU afkomstige evaluatoren van EQUAL stellen geen wijzigingen in de algemene architectuur voor EQUAL voor. Op grond van de verslagen van de nationale evaluatoren en hun eigen veldwerk en analyse is echter gewezen op een aantal kwesties die de doeltreffendheid van EQUAL kunnen beperken en wordt er een reeks aanbevelingen ter vergroting van de doeltreffendheid gedaan. Na deze tussentijdse evaluatie zullen de lidstaten jaarlijkse interimverslagen blijven opstellen.

2.   Algemene opmerkingen

2.1

Het Comité verheugt zich erover dat er (in punt 3) met enthousiasme voor partnerschappen wordt gepleit en dat wordt gewezen op het belang van bevordering van partnerschappen tussen groepen die nog niet eerder hebben samengewerkt. Dit is een van de belangrijkste factoren van het succes van EQUAL; voorts moeten administratieve en ondersteuningsprocedures zó zijn opgezet dat het werken in partnerschap hoogste prioriteit blijft krijgen.

2.2

De doelstelling van actie 1 (zoals uiteengezet in punt 3, vierde alinea) is goed onderbouwd. De vereenvoudiging van de procedures bij de overgang naar activiteiten door het ontwikkelingspartnerschap (actie 2) zal tot continuïteit bijdragen en ervoor zorgen dat het welslagen van het programma niet al te zeer afhankelijk wordt van de personen die het hebben gelanceerd.

2.3

Verwacht wordt dat de verscheidenheid van de partners die bij EQUAL betrokken zijn en hun actieve participatie aan het programma tot de ontwikkeling van goede governance zullen bijdragen. In de beginselen en de architectuur van EQUAL zou de versterking van de rol van alle betrokkenen (empowerment) een cruciaal aspect van goed bestuur moeten zijn maar helaas wordt in punt 3.1 de kans gemist om hierop de aandacht te vestigen. Het voortbestaan van de via EQUAL gecreëerde netwerken (punt 3.1, vierde alinea) zal afhangen van de empowerment van alle partijen om beleid en concrete acties van andere betrokkenen te beïnvloeden. Het Comité is ermee ingenomen dat wordt overwogen personen die rechtstreeks door discriminatie worden getroffen, bij het proces te betrekken; anderzijds moet worden toegegeven dat de tenuitvoerlegging van EQUAL op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau vaak hiërarchisch verloopt, de bureaucratische rompslomp kan vergroten en de situatie minder controleerbaar kan maken, tenzij zulke problemen worden voorzien en voorkomen. Er zij met name op gewezen dat controle op de financiering vaak een grote rol speelt bij empowerment.

2.4

De discussie over de Europese werkgelegenheidsstrategie, het sociale-integratieproces, het Verdrag, het Europees Vluchtelingenfonds en andere beleidsinstrumenten is een goede zaak, daar een en ander helpt om EQUAL in een specifieke context te plaatsen en groepen die normaliter niet bij de Europese beleidsvorming worden betrokken, de kans geeft inzicht te verwerven in dit proces en er aansluiting bij te zoeken. Verwijzingen naar aanvullende lectuur, informatiebronnen en andere referenties kunnen deze groepen aanmoedigen een en ander verder uit te diepen. Discriminatie en ongelijkheid zijn doorslaggevende factoren van uitsluiting; voor de mainstreaming van EQUAL door groepen en personen die gewoonlijk geen invloed op het beleid uitoefenen, is het evenwel ook van belang dat deze personen met de administratieve aspecten van de verandering vertrouwd raken. Deze richtsnoeren kunnen voor sommige groepen een eerste aanknopingspunt vormen.

2.5

De aandacht van EQUAL voor innovatie (punt 5) betreft vooral nieuwe benaderingen voor de beleidsuitvoering. De richtsnoeren van EQUAL m.b.t. innovatie (punt 11.4, sub 17) hebben ook betrekking op nieuwe processen van beleidsontwikkeling. Het potentieel van ontwikkelingspartnerschappen om bij de beleidsontwikkeling en -uitvoering empowerment en goed bestuur te bewerkstelligen, mag niet over het hoofd worden gezien.

2.6

Door de versterking van de mainstreaming-activiteiten wordt het belang ervan erkend. Innovatie kan worden bevorderd door het „multiplicatoren” mogelijk te maken nieuwe projecten te creëren. Er dient te worden erkend dat bij het innovatieproces in de ontwikkelingspartnerschappen niet noodzakelijk een beroep wordt gedaan op de personen die het meest geschikt zijn voor een mainstreaming van de resultaten.

2.7

Bij het evaluatieproces wordt aangedrongen op meer aandacht voor banenbehoud, arbeidskwaliteit en het direct scheppen van banen. Om werknemers in het MKB aan te trekken om deel te nemen aan initiatieven als levenslang leren en loopbaanplanning voor mensen tussen 30 en 50, moet misschien aan innovatieve aanwervingsmiddelen worden gedacht. Het is van belang samen te werken met netwerkorganisaties (als vakbonden) en ervoor te zorgen dat de administratieve rompslomp zo veel mogelijk wordt gecentraliseerd.

2.8

Er wordt erkend dat EQUAL voor MKB en NGO's op administratief vlak een uitdaging vormt; hetzelfde geldt evenwel ook voor lokale overheden. De nieuwe lidstaten hebben van hun kant reeds vragen bij het beheer van de structuurfondsen. Administratieve problemen waarmee lokale overheden te kampen hebben, zullen waarschijnlijk ook door MKB en NGO's worden overgeërfd en remmen de deelname van deze groepen aan het programma af. Als een oplossing wordt gevonden voor het MKB en de NGO's, zal dit de andere organisaties wellicht ook ten goede komen.

2.9

Het initiatief komt op een goed moment om de ontwikkeling van het Europese beleid en de Europese strategie te kunnen beïnvloeden. In juli 2005 wordt een tussentijdse evaluatie van het Lissabon-proces gemaakt, waarin de EU-werkgelegenheidsstrategie een centrale plaats inneemt. In juli 2004 zullen naar verwachting nieuwe structuurfondsen worden voorgesteld en het verslag over het Europese cohesiebeleid biedt ook gelegenheid tot mainstreaming van de EQUAL-resultaten.

3.   Bijzondere opmerkingen

3.1

Het Comité stemt in met de beginselen waarop EQUAL is gebaseerd. Zijn specifieke opmerkingen hebben dan ook meer betrekking op de gehanteerde mechanismen.

3.2

Bij de eerste ronde van EQUAL heeft de overgang van actie 1, nl. de fase van oprichting van de partnerschappen, naar actie 2, de ontwikkelingsfase, sommige programma's wat aan dynamiek doen verliezen. Thans wordt de invoering van een nieuwe „bevestigingsstap” voorgesteld, waarbij de administratieve formaliteiten voor de goedkeuring van actie 2 worden gereduceerd en ervoor wordt gezorgd dat de uitgaven ook tijdens de overgangsfase voor financiering in aanmerking blijven komen.

3.3

De overgang van actie 1 naar actie 2 moet leiden tot een overeenkomst van het ontwikkelingspartnerschap, waarbij doelstellingen en werkprogramma zijn aangegeven. Continuïteit is belangrijk en partnerschappen moeten weten hoe deze continuïteit door hun empowerment-activiteiten, administratieve procedures en personeelsbezetting kan worden verzekerd. Er is een groot verschil in de steun die aan ontwikkelingspartnerschappen wordt gegeven door beheersinstanties die niet altijd doeltreffend functioneren. Lidstaten moeten van elkaar leren welk soort steun moet worden gegeven om een doeltreffend ontwikkelingspartnerschap op te zetten. Continuïteit op personeelsgebied kan met name voor de nieuwe lidstaten een probleem zijn waar er wellicht een groter personeelsverloop zal zijn ten gevolge van de nieuwe kansen die zich thans aandienen.

3.4

De ontwikkeling van grensoverschrijdende partnerschappen is een zeer positief aspect van EQUAL. Er moet worden gepleit voor flexibele partnerschappen, zodat kan worden gereageerd en voortgebouwd op de onvermijdelijke veranderingen in de programmeringsplannen die uit de vernieuwingen voortvloeien. Flexibiliteit in de begroting is daarbij van cruciaal belang.

3.5

De financiële voorschriften zijn voor alle structuurfondsen dezelfde maar de procedures voor het verantwoorden van uitgaven en het opzetten van activiteiten moeten zó worden gehanteerd dat degenen die het meest geschikt zijn om empowerment-kansen te bieden, door de daarmee gepaard gaande administratieve rompslomp niet worden afgeschrikt.

3.6

Eerder door de Commissie opgedane ervaring laat vermoeden dat slechts 85 % van de toegewezen middelen zal worden aangewend. Voorgesteld wordt niet-gebruikte middelen te recupereren en voor verdere mainstreaming aan te wenden. Deze recuperatie van niet-gebruikte middelen mag er evenwel niet toe leiden dat programma's die een vertraging of een verandering hebben ondergaan, in het gedrang komen door extra administratieve rompslomp die de tenuitvoerlegging in de weg staat, of door vroegtijdige besnoeiing in de financiering.

3.7

Ook al is de lijst van mainstreaming-activiteiten in punt 9a niet uitputtend, toch zij gewezen op het belang van ondersteuning door het bedrijfsleven en van mentoring. Actoren als sociale partners, m.i.v. de vakbonden, zijn bijzonder belangrijk. Ontwikkeling van de voorstellen voor de tweede ronde van EQUAL komt in sommige gevallen voor een belangrijk deel ook overeen met ontwikkeling van de resultaten van de eerste ronde.

3.8

Mainstreaming is een aanpak of een strategie en mag niet als een doel op zich worden beschouwd. Mainstreaming levert een meerwaarde op maar moet worden ondersteund door onderliggende, op gelijkheid gerichte instrumenten als de nieuwe desbetreffende wetgeving of positieve actiemaatregelen. Het is onaanvaardbaar dat een aantal lidstaten nog gevolg moet geven aan de anti-discriminatie-richtlijnen en nog voor wetten moet zorgen die op nationaal niveau een gemeenschappelijke gelijkheidsnorm invoeren.

3.9

In de evaluatie staat dat de pijler „gelijke kansen” weinig aantrekkelijk lijkt te zijn geweest (punt 10.1, derde alinea) en in beperkte of in traditionele zin wordt geïnterpreteerd (punt 10.1, zesde alinea). Communicatie over de verschillende wijzen waarop gelijke kansen in de lidstaten worden opgevat en hoe daarmee wordt omgegaan, zou de ontwikkeling van nieuwe programma's in hoge mate ten goede komen. Zo wordt ongelijkheid van mannen en vrouwen in het kader van één specifieke thematiek door slechts een klein aantal groepen behandeld; over het hele programma bekeken, zijn de meeste groepen evenwel hiermee bezig.

3.10

Verschillende tijdschema's/processen tussen de lidstaten (punt 10.1, vijfde alinea) hebben niet alleen een negatief effect op de oprichting van grensoverschrijdende partnerschappen, zoals in het vooruitzicht van de tweede ronde werd gesteld en aangepakt. De administratieve en monitoring-procedures, de timing van actie 3 en de duur van het project kunnen allemaal van land tot land verschillen en daarom ook m.b.t. grensoverschrijdende activiteiten contraproductief zijn.

3.11

Het zou van nut zijn bij de selectieprocedures voor programma's van de tweede ronde het advies in te roepen van de twee leidinggevende lidstaten voor elke thematische groep, zodat de beheersinstanties aldus op een zekere coördinatie tussen de lidstaten kunnen rekenen.

Brussel, 2 juni 2004.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

R. BRIESCH


Top