Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52003AE0586

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over:het Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1255/1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (2003/0011 (CNS)), enhet Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten (2003/0012 (CNS))(COM(2003) 23 def. — 2003/0011 + 0012 (CNS))

OJ C 208, 3.9.2003, p. 45–49 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52003AE0586

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over:het Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1255/1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten (2003/0011 (CNS)), enhet Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten (2003/0012 (CNS))(COM(2003) 23 def. — 2003/0011 + 0012 (CNS))

Publicatieblad Nr. C 208 van 03/09/2003 blz. 0045 - 0049


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over:

- het "Voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1255/1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten" (2003/0011 (CNS)), en

- het "Voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten" (2003/0012 (CNS))

(COM(2003) 23 def. - 2003/0011 + 0012 (CNS))

(2003/C 208/12)

Op 10 februari 2003 heeft de Raad besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 37, lid 1, van het EG-Verdrag te raadplegen over de voornoemde voorstellen.

De gespecialiseerde afdeling "Landbouw, plattelandsontwikkeling, milieu", die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies goedgekeurd op 25 april 2003. Rapporteur was de heer Voss.

Het Comité heeft tijdens zijn op 14 en 15 mei 2003 gehouden 399e zitting (vergadering van 14 mei) het volgende advies uitgebracht, dat met 77 stemmen vóór en 13 stemmen tegen, bij 17 onthoudingen, is goedgekeurd.

1. Inleiding

1.1. Bij Verordening (EEG) nr. 804/68 van de Raad is een gemeenschappelijke marktordening ingevoerd voor melk en zuivelproducten met als belangrijkste instrumenten gemeenschappelijke prijzen, overheidsinterventie, particuliere opslag, steunmaatregelen ter bevordering van de interne consumptie en uitvoerrestituties. In 1984 kwam daar de melkquotaregeling bij, toen er vanwege de grote overschotten in de Europese melkproductie een manier gevonden moest worden om de producentenprijzen te ondersteunen en tegelijkertijd de productie en de uitgaven in deze sector in te dammen.

1.2. Hoewel het aantal zuivelbedrijven is afgenomen, kon de melkveehouderij in de minder begunstigde regio's sinds de invoering van de quotaregeling toch behouden blijven. Volgens Eurostat zijn deze regio's goed voor ongeveer de helft van alle zuivelbedrijven en voor 38 % van het totale aantal melkkoeien.

1.3. In het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid die tijdens de Europese Raad te Berlijn in maart 1999 werd goedgekeurd, is ten aanzien van de melksector besloten om de melkquotaregeling te verlengen tot 2008, de interventieprijzen met ingang van het verkoopseizoen 2005/2006 met 15 % te verlagen, rechtstreekse betalingen in te voeren en eveneens vanaf 2005 de quota met 2,4 % te verhogen. Daarvan werd in 2000 al 0,9 % over een aantal EU-lidstaten verdeeld. De Europese Commissie kreeg bovendien de taak om met het oog op de geplande tussentijdse evaluatie een verslag over de effecten van de hervormingsmaatregelen op te stellen en voorstellen te doen voor de ordening van de melksector na 2008.

1.4. De Commissie heeft op 10 juli 2002 in een verslag over de melkquota (SEC (2002) 789 def.) vier verschillende beleidsscenario's uitgewerkt die als uitgangspunt voor de tussentijdse evaluatie kunnen dienen:

optie 1: voortzetting van het Agenda 2000-scenario tot 2015 (status-quo);

optie 2: een vergelijkbare aanpak als bij Agenda 2000 (verlaging van de interventieprijzen en een verhoging van de quota met 3 %);

optie 3: invoering van een duaal quotastelsel (beperktere A-quota voor de interne markt en onbeperkte C-quota voor de productie tegen de voorwaarden van de wereldmarkt);

optie 4: afschaffing van de quotaregeling in 2008 en een verdere verlaging van de interventieprijzen met 25 %.

1.5. Meer dan de helft van de 1,7 miljoen rundveebedrijven in de EU zijn melkveehouderijen (1997). Met inbegrip van de verwerkende industrie biedt de melk- en zuivelsector werk aan ca. 2 miljoen mensen. De melkproductie is in de meeste lidstaten alsook in de EU in haar geheel de belangrijkste tak van agrarische bedrijvigheid. Deze bedrijfstak is goed voor zo'n 14 % van de totale waarde van de landbouwproductie in de EU. Op productieniveau wordt er zo'n 38 miljard EUR omgezet, terwijl de verwerkende industrie goed is voor ongeveer 80 miljard EUR. In sommige streken met veel grasland ligt het aandeel van de melkproductie zelfs bij 80 % van de totale landbouwproductie.

1.6. Historisch gezien is de diversiteit aan cultuurlandschappen in Europa grotendeels ontstaan met de opkomst van veehouderij en beweiding. Regionale verschillen in bodemgesteldheid en klimaat alsook verschillende landbouwsystemen en vormen van grondbeheer hebben tot een nog grotere verscheidenheid in het cultuurlandschap geleid. Hoewel er steeds meer krachtvoer wordt gegeven, wordt in Midden-Europa grasland nog steeds met name gebruikt met het oog op voer voor melkvee. Ook uit het grote aandeel biologische melkveehouderijen in een aantal landen blijkt de belangrijke ecologische functie van de melkveehouderij.

1.7. Kenmerkend voor de melkveehouderij is ook de grote diversiteit aan regionale zuivelproducten in Europa. Deze zijn vaak van uitzonderlijk hoge kwaliteit. De Europese melkproductie en -verwerking staan technisch op een hoog peil.

1.8. Melkveehouderij en rundvleesproductie zijn economisch gezien sterk aan elkaar gekoppeld. Neemt de belangstelling voor de rundveemesterij af (bijv. vanwege dalende prijzen of door de ontkoppeling van premies), dan komen de prijzen voor kalveren onder druk te staan en dalen de inkomens van de melkproducenten.

2. Inhoud van de hervormingsvoorstellen

2.1. De Commissie stelt voor het bestaande melkquotastelsel ook na 2008 nog te handhaven, namelijk tot het verkoopseizoen 2014/2015.

2.2. De in 1984 vastgestelde methode, waarbij een heffing (115 % van de richtprijs) wordt toegepast op de boven een garantiedrempel (quotum) geleverde of rechtstreeks verkochte hoeveelheden melk, wordt gehandhaafd. Per lidstaat wordt een gegarandeerde maximumhoeveelheid vastgelegd, waarbij een bepaald melkvetgehalte als referentiewaarde geldt.

2.3. De bedoeling is dat één jaar eerder dan gepland, namelijk in 2004/2005, van start wordt gegaan met de hervormingen waartoe in het kader van Agenda 2000 is besloten, aangezien er onverwachts extra begrotingsmiddelen voor de hervorming van de melkmarkt zijn vrijgekomen.

2.4. In het kader van de derde optie in het verslag over de melkquota wil de Commissie bovendien de nationale melkquota in 2007 en 2008 met 1 % per jaar verhogen.

2.5. De aanvankelijk geplande uniforme prijsverlaging van 15 % (5 % per jaar in 3 fasen) wil de Commissie vervangen door asymmetrische verlagingen van de interventieprijzen over een periode van 5 jaar. De verlaging van de boterprijs met 35 % en die voor magere melkpoeder met 17,5 % komt overeen met een totale verlaging van de EU-richtprijs voor melk met 28 %. De richtprijs voor melk zal de komende vijf jaar zakken van 30,98 cent/kg tot 22,21 cent/kg.

2.6. Voor de interventieaankoop van boter stelt de Commissie een bovengrens van 30000 ton per jaar voor. Boven die grens kan boter worden aangekocht volgens een inschrijvingsprocedure.

2.7. De prijsverlagingen zullen in 2007 en 2008 voor een deel gecompenseerd worden door rechtstreekse betalingen aan de melkproducenten. Deze betalingen, waarmee de prijsverlaging moet worden opgevangen, zullen in de periode 2004-2008 van 0,575 cent/kg tot 2,874 cent/kg stijgen.

2.8. Aanvullende nationale plafonds in de melksector kunnen over de individuele referentiehoeveelheden worden verdeeld, of worden uitbetaald. In totaal zal er in 2008 omgerekend ca. 4,17 cent/kg melk worden uitbetaald aan compenserende steun, wat neerkomt op een gedeeltelijke compensatie van bijna 50 %.

2.9. De rechtstreekse steun zal zodra de hervormingen van start gaan (in 2004) worden ontkoppeld en in de vorm van een op oppervlakte gebaseerde bedrijfstoeslag worden uitbetaald. Deze bedrijfstoeslag wordt berekend aan de hand van het steunbedrag dat een bedrijf in een bepaalde referentieperiode heeft ontvangen.

2.10. Anders dan in de andere marktsectoren wordt voor het berekenen van de hoogte van de melkpremie niet naar het verleden, maar naar de toekomst gekeken (de referentiedatum is 31 maart 2004).

3. Algemene opmerkingen

3.1. De gemiddelde productiekosten voor melk liggen in de Europese Unie rond de 30 à 35 cent/kg melk, maar kunnen door lokale productieomstandigheden, klimaat, landbouwstructuur en kosten in verband met de quotaregeling ruim boven 45 cent/kg liggen. Sinds 1992 wordt de concurrentie vervalst door subsidies die akkerbouwbedrijven krijgen voor de teelt van voedergewassen. Wat de kosten van veevoeder betreft, worden de weidebedrijven ten opzichte van akkerbouwbedrijven tot op heden financieel benadeeld doordat de teelt van gehele plant-silage (silomaïs) wordt gesubsidieerd.

3.2. Het EESC heeft in verschillende adviezen over multifunctionele landbouw en het Europese landbouwmodel gewezen op het belang van de melkproductie(1). Aangezien de maatschappij en met name de consument in de EU eisen aan de productkwaliteit en de productieomstandigheden stellen en graag zouden zien dat landbouwbedrijven behouden blijven, is het zaak de melkproductie te ondersteunen d.m.v. specifieke bescherming tegen zuivelproducten van buiten de EU.

3.3. Het EESC staat achter het voorstel om de melkquotaregeling na 2008 voort te zetten. Als de quotaregeling wordt afgeschaft, zijn een grotere productie en zeer sterke prijsdalingen het gevolg. Hoewel de uitgaven (bijv. de quotakosten) deels zullen dalen, zal het producenteninkomen beduidend lager komen te liggen. Bovendien zullen meer landbouwbedrijven de boeken moeten sluiten, omdat er met name in streken met veel grasland geen economische alternatieven voor de melkproductie voorhanden zijn. Wil men dat het gehele landbouwareaal benut wordt en ecologisch waardevolle weidebedrijven niet verdwijnen, dan zijn dergelijke effecten nefast.

3.4. Het EESC stelt vast dat slechts 6 % van de wereldmelkproductie op de zogenaamde wereldmarkt wordt verhandeld. Mondiaal gezien groeit de vraag naar melk en zuivelproducten elk jaar nog lichtjes. De zogenaamde wereldmarkt is met een jaarlijks handelsvolume van thans 30 miljoen ton echter bijna verzadigd. Qua productiekosten en regelgeving is de melkproductie in de EU in het nadeel vergeleken met andere regio's (bv. Oceanië en Zuid-Amerika). Massaproducten voor de wereldmarkt komen tegenwoordig voornamelijk uit deze regio's. Daarentegen zijn er voor de EU zijn nog groeimarkten in de kwaliteitssegmenten, waar een hogere verwerkingsgraad verlangd wordt.

3.5. Het EESC is het niet eens met de Commissie dat het vermogen van de nationale en internationale markten om melkproducten uit de EU op te nemen, toeneemt. De marktmogelijkheden zijn veeleer beperkt. Dit komt door:

- een stijging van het aanbod aan melkproducten op de wereldmarkt;

- de verminderde vraag vanwege de teruglopende groei van de koopkracht;

- het terugvallen van de vraag naar kaas naar het normale niveau nu de BSE-crisis geluwd is;

- een dalende tendens in de vraag als gevolg van verstoringen in de wereldeconomie na 11 september 2001;

- ongunstigere omstandigheden voor uitvoer uit de EU a.g.v. de hoge koers van de euro t.o.v. andere munteenheden;

- exportsubsidies t.b.v. regio's met productoverschotten;

- importbeperkingen door belangrijke handelspartners als Rusland en de VS;

- concurrentievervalsing door nationale zuivelhandelsorganisaties (Nieuw-Zeeland) en fiscale maatregelen (VS).

4. Bijzondere opmerkingen

4.1. Aangezien de Commissie de richtprijs voor melk in totaal met 28 % wil verlagen, acht zij het verantwoord om de totale referentiehoeveelheid na iedere prijsverlaging te verhogen, dit om de productie te kunnen afstemmen op de verwachte ontwikkeling van de consumptie en verstoringen van de zuivelmarkt te voorkomen.

Het EESC heeft ten aanzien daarvan de volgende opmerkingen:

- Als uitgangspunt voor de melkprijzen gold in het verleden de interventieprijs. Doorgaans lagen de melkprijzen ca. 10 % boven het interventieniveau. Nu is de elasticiteit van de vraag naar melkproducten bijzonder klein. Het is daarom niet realistisch om ervan uit te gaan dat bij een aanzienlijke kwantitatieve uitbreiding van de leveringsrechten (in totaal 4,4 %) de prijs slechts half zoveel zal dalen als de interventieprijs.

- Tegelijk met de verhoging van de quota en de verlaging van de interventieprijzen vinden de jaarlijkse prijsonderhandelingen tussen de melkfabrieken en de levensmiddelenhandel plaats. De prijsdumpingsstrategie van discountbedrijven wordt hierdoor ondersteund. Op deze manier wordt de interventieprijs een uitgangspunt voor prijsverlagingen en vervult het niet meer zijn eigenlijke functie als vangnet.

- Met name vanuit het oogpunt van het grote aantal arbeidsplaatsen in het zuivelbedrijf (MKB) en het multifunctionele karakter van de sector, zijn de door de Commissie vastgestelde compensatiebetalingen die vanaf 2004/2005 zullen worden ingevoerd en ongeveer de helft van de prijsverlagingen opvangen, onaanvaardbaar. Het is absoluut noodzakelijk om voor de compensatiebetalingen voor melk hetzelfde niveau te hanteren als voor granen en rundvlees (te weten: ca. 90 %).

4.2. Het opslaan van zuivelproductoverschotten via de interventieregeling en het subsidiëren van de uitvoer van zuivelproducten naar landen buiten de EU kost geld en is maatschappelijk niet onomstreden. Bovendien heeft de interne markt te maken met een stagnerende vraag naar boter en kent de vraag naar kaas- en andere zuivelproducten slechts een lichte stijging. Het EESC acht de door de Commissie voorgestelde verhoging van de melkquota met 1 % in zowel 2007 als 2008 daarom in geen enkel opzicht gerechtvaardigd. Ook vanuit het oogpunt van het marktbeleid is het niet verantwoord om de quotaverhoging waartoe in het kader van agenda 2000 is besloten, eerder in te voeren. Op grond van wat er in Berlijn is besloten, zouden de quota eigenlijk pas mogen worden verhoogd als de markt zulke hoeveelheden aankan zónder subsidies.

4.3. Door het verlagen van het interventieniveau voor boter tot 30000 ton en de tijdelijke beperking daarvan, en door de mogelijkheden voor particuliere opslag voldoet de interventie niet meer aan de eisen van een systeem voor prijsondersteuning. Een en ander zou ertoe leiden dat de producentenprijzen dalen tot ver onder het niveau van de interventieprijzen. Anderzijds leidt onbeperkte interventie ertoe dat bij een minder gunstige marktsituatie, zoals nu het geval is, omvangrijke interventievoorraden worden opgebouwd die dan jarenlang de markt belasten. Het EESC dringt er daarom op aan dat de Commissie in het melkmarktbeleid een flexibele quotaregeling als vast onderdeel opneemt. Bij te grote interventievoorraden worden de quota dan automatisch omlaaggeschroefd, terwijl bij slinkende interventievoorraden de quota kunnen worden verhoogd. Ook prijsdrempels voor belangrijke basiszuivelproducten dienen als indicator te fungeren voor de aanpassing van melkquota. Zo kan aan de belangen van zowel de melkproducenten, consumenten en belastingbetalers als de zuivelindustrie tegemoet worden gekomen.

4.4. Worden de plannen van de Commissie uitgevoerd (grotere referentiehoeveelheden en prijsverlaging), dan zullen, aldus het EESC, de begrotingsuitgaven voor de compensatiebetalingen in de melksector in 2013 naar schatting oplopen tot 4,895 miljard EUR. Voor de marktmaatregelen (uitvoerrestituties, openbare en particuliere opslag en maatregelen ter bevordering van de interne consumptie) raamt de Commissie een bedrag van 1,328 miljard EUR in 2013 tegenover 2,36 miljard EUR nu. De hervormde melkmarkt zal de EU tegen die tijd zo'n 4 miljard EUR meer kosten dan nu. Bovendien zullen de Europese melkproducenten jaarlijks zo'n 4 à 5 miljard EUR aan inkomsten derven.

4.5. Verontrust wijst het EESC er ook op dat in het document-Harbinson(2) 1999-2001 wordt voorgesteld als referentieperiode voor de door de WTO gewenste afbouw van de zgn. Blue Box. Aangezien de compensatiebetalingen van latere datum zijn en pas in de toekomst zullen worden uitgekeerd, komen zij door de afbouw ernstig in gevaar.

4.6. Het EESC gaat niet akkoord met de drastische prijsverlagingen die gepland zijn en de premies die deze verlagingen voor ongeveer de helft moeten compenseren. Het wil erop wijzen dat bij andere prijscompensatieregelingen ca. 90 % van de prijsverlaging werd gecompenseerd. Met name vanwege het belang van de melkproductie uit het oogpunt van multifunctionaliteit zou een gelijke behandeling hier gepast zijn. Bij extreem grote concurrentienadelen (bijv. berggebieden) moeten middelen uit de tweede pijler van het GLB worden ingezet om een en ander te compenseren.

4.7. Het EESC wijst erop dat op grond van de besluiten van Berlijn de EU-melkquota in een aantal landen al met 0,9 % zijn verhoogd. Deze hoeveelheden drukken momenteel de producentenprijzen naar beneden zonder dat de melkproducenten daarvoor enige compensatie ontvangen.

4.8. Het EESC vreest dat de voorstellen van de Commissie voor de hervorming van de marktordening in de melksector aanzienlijke structurele gevolgen zullen hebben in de plattelandsgebieden van de EU. Uit de voorstellen valt niet op te maken hoe er in het kader van de tweede pijler van het GLB ook maar iets kan worden gedaan aan de schadelijke effecten die de hervorming van de GMO voor melk tot gevolg zal hebben in deze gebieden. Het budget voor de tweede pijler gaat er eerder op achteruit. Europawijd zal er in 2013 slechts 1,481 miljard EUR voor plattelandsontwikkeling vrijkomen uit modulatie en degressieve toekenning. Alleen met Polen is afgesproken dat het jaarlijks 0,9 miljard EUR extra krijgt voor plattelandsontwikkeling.

4.9. Met de voorstellen zoals de Commissie die nu heeft gepresenteerd, zal, volgens het EESC, de melkproductie in weidebedrijven of minder begunstigde regio's met een relatief lage opbrengst ook in de toekomst sterke concurrentienadelen ondervinden. Vanwege de positieve milieueffecten van blijvend grasland acht de Commissie het nuttig de instandhouding ervan te bevorderen om een massale omzetting in bouwland te voorkomen. Met een verbod om na 31 december 2002 blijvend grasland voor andere agrarische doeleinden dan beweiding te gebruiken wil de Commissie daarom, in het kader van cross-compliance-maatregelen, de exploitatievorm van de grond vastleggen. Wanneer echter geen toegevoegde waarde wordt geschapen, zal ook zo'n verbod niet helpen om weidebedrijven te behouden. Een oplossing zouden de door de lidstaten (zoals de Commissie voorstelt) uit te voeren regionale premienivelleringen kunnen zijn. Regionale premienivelleringen kunnen er echter toe leiden dat melkproducenten in regio's met bovengemiddeld veel akkerland concurrentievoordelen verkrijgen ten opzichte van melkproducenten in regio's met verhoudingsgewijs weinig akkerland, zoals veel alpiene regio's. Het Comité roept de Commissie daarom op, het voorstel voor een gedifferentieerde benadering van de situatie in de lidstaten verder uit te werken, om tot een rechtvaardigere premieverdeling te komen.

4.10. Mocht de EU om redenen van mondiaal handelsbeleid genoodzaakt zijn te kiezen voor prijsverlagingen en ontkoppelde compensatiebetalingen, dan moeten ook de compensatiepremies in de melksector navenant ontkoppeld worden.

4.11. Het EESC acht de melkquotaregeling een belangrijk instrument om de regionale productie in stand te houden en vraagt de Commissie in dit verband om de horizontale maatregelen van bijlage 4 nader te specificeren.

4.12. Het heeft zeker zin om de lidstaten te verplichten tot de vorming van een nationale reserve. Alleen is er niet vastgesteld hoe groot deze reserve minimaal dient te zijn en zouden de zgn. objectieve criteria op basis waarvan het nationale quotum wordt verdeeld, nader moeten worden omschreven, zodat de doelstellingen van het structuurbeleid duidelijker naar voren komen (bijv. steun aan jonge landbouwers).

4.13. De referentiedatum voor de vaststelling van de premies in de melksector ligt nog ver weg (31 maart 2004). Het Comité waarschuwt voor speculatie op de quotamarkt, die hierdoor in de hand wordt gewerkt. Kleine melkproducenten, die vanwege de prijsdalingen die eraan zitten te komen, nog maar weinig toekomst in hun bedrijf zien, zullen hun leveringsrechten tegen een zo hoog mogelijke prijs proberen te verkopen. Hierdoor raakt het proces van de structuurverandering in een stroomversnelling en gaan kostbare arbeidsplaatsen in het MKB verloren.

4.13.1. Zowel vanuit het oogpunt van het structuur- als het begrotingsbeleid is het niet zinvol om de aankoop van quota te subsidiëren.

4.14. Het EESC acht het eveneens zinvol de steun m.b.t. het eiwit- en vetgehalte door te berekenen in het prijsstelsel.

4.15. De horizontale voorstellen bevatten een mogelijke oplossing om een evenwicht te vinden tussen de belangen van pachters en grondeigenaren (het niet-gebruiken van toeslagrechten gedurende een periode van vijf jaar wanneer pachter en grondeigenaar het niet eens kunnen worden).

5. Conclusies

5.1. De EU moet er bij het maken van haar beleidskeuzes voor zorgen dat de melkproducenten ook ná 2008 weten waar zij aan toe zijn. De verlenging van de melkquotaregeling tot 2015 wordt derhalve in beginsel toegejuicht. De verwezenlijking van de doelstellingen van dit quotastelsel (regeling van de referentiehoeveelheden, veiligstelling van de inkomens van boeren in minder begunstigde regio's, behoud van arbeidsplaatsen in de melksector en vermindering van de druk op de begroting) wordt door de overige voorstellen van de Commissie evenwel tegengewerkt.

5.1.1. Het EESC dringt er bij Raad en Commissie op aan, een nieuw instrument te ontwikkelen voor de flexibele aanpassing van quota, zodat op de marktsituatie kan worden ingespeeld.

5.1.2. Gezien de huidige marktsituatie acht het EESC het op dit moment geen goed idee om voor de jaren 2007 en 2008 een verhoging van de melkproductie vast te leggen.

5.1.3. Het EESC dringt er voorts met klem op aan dat Commissie en Raad hun beslissing herzien om op grond van de besluiten van Berlijn tot een quotaverhoging van 1,5 % over te gaan. De interventievoorraden worden nu immers al steeds groter. Een quotaverhoging is pas aan de orde als de marktsituatie dat toelaat.

5.2. Het EESC keurt de voorstellen van de Commissie voor een verlaging van de interventieprijzen en reducering van het interventieniveau voor boter tot 30000 ton af. Bij prijsdalingen die niet te vermijden zijn, dient de Commissie bovendien vergelijkbare compensatiebetalingen uit te keren als bij andere marktordeningen (ca. 90 %).

5.3. De bestaande marktinstrumenten, zoals subsidies, restituties en interventies, moeten gericht en ter ondersteuning van de markt worden ingezet en dienen regelmatig te worden geëvalueerd en eventueel aangepast.

5.3.1. Voor bedrijven die te kampen hebben met ernstige concurrentienadelen dient daarnaast permanent te worden gewerkt aan de ontwikkeling van nieuwe en de aanpassing van bestaande steunmechanismen in het kader van de tweede pijler van het GLB.

5.4. Het EESC hecht bijzondere waarde aan de melkproductie in weidebedrijven. Het acht het dringend noodzakelijk dat er een einde wordt gemaakt aan de concurrentienadelen die weidebedrijven sinds de hervorming van 1992 ondervinden. Hiertoe moet binnen het kader van de eerste pijler van het GLB voor een compensering worden gezorgd.

5.5. Het EESC dringt er met klem op aan dat de Commissie bij de WTO-onderhandelingen eist dat zij kwaliteitscriteria voor melk- en zuivelproducten van buiten de EU mag hanteren, om de kwalitatief hoogwaardige interne productie in stand te houden en het Europese model van een multifunctionele landbouw te verdedigen.

5.6. Het EESC is van oordeel dat de Commissie de effecten van de wetgevingsvoorstellen voor melk onvoldoende heeft onderzocht. Zo ontbreekt het met name aan analyses van de gevolgen die de voorstellen zullen hebben voor de betrokken sectoren en dient te worden nagegaan in hoeverre de maatregelen aansluiten op de doelen die voor de verschillende betrokken EU-beleidsterreinen zijn gesteld. Van belang is ook dat, met kostenplaatje en al, wordt aangegeven hoe de negatieve implicaties van de hervorming kunnen worden opgevangen, waarbij vooral aandacht dient te worden besteed aan de effecten op de arbeidsmarkt, het aantal en de structuur van kleine en middelgrote bedrijven, de toeleverings- en verwerkende sectoren en het milieu. De uitkomsten van de impactstudies tot dusverre laten zien dat de vrees van het EESC gegrond is.

Brussel, 14 mei 2003.

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

R. Briesch

(1) PB C 368 van 20.12.1999, blz. 76-86.

(2) WTO-landbouwcommissie - speciale zitting over de landbouwonderhandelingen "First draft of modalities for the further commitments". TN/AG/W/1 - 17 februari 2003. Deze ontwerptekst is op 18 maart 2003 herzien (TN/AG/W/1/Rev. - 18 maart 2003 (03-1585)).

Top