Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52002AG0019

Gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 19/2002 door de Raad vastgesteld op 4 december 2001 volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur

OJ C 90E , 16.4.2002, p. 12–18 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52002AG0019

Gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 19/2002 door de Raad vastgesteld op 4 december 2001 volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur

Publicatieblad Nr. C 090 E van 16/04/2002 blz. 0012 - 0018


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 19/2002

door de Raad vastgesteld op 4 december 2001

met het oog op de aanneming van Richtlijn 2002/.../EG van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur

(2002/C 90 E/02)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(3),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De verschillen tussen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke de lidstaten hebben aangenomen om het gebruik van gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur te beperken, kunnen de handel belemmeren en de mededinging in de Gemeenschap verstoren, en derhalve rechtstreekse gevolgen hebben voor de totstandkoming en de werking van de interne markt. Daarom dienen de wetgevingen van de lidstaten terzake onderling te worden aangepast en bij te dragen tot de bescherming van de volksgezondheid en een milieuhygiënisch verantwoorde nuttige toepassing en verwijdering van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur.

(2) De Europese Raad heeft tijdens zijn bijeenkomst in Nice van 7, 8 en 9 december 2000 zijn fiat gegeven aan de resolutie van de Raad van 4 december 2000 inzake het voorzorgsbeginsel.

(3) De mededeling van de Commissie van 30 juli 1996 betreffende de actualisering van de communautaire strategie voor het afvalbeheer beklemtoont de noodzaak om het gehalte aan gevaarlijke stoffen in afval te verminderen en wijst op de potentiële voordelen van in de gehele Gemeenschap geldende regels ter beperking van de aanwezigheid van dergelijke stoffen in producten en productieprocessen.

(4) In de resolutie van de Raad van 25 januari 1988 betreffende een communautair actieprogramma tegen milieuverontreiniging door cadmium(5) wordt de Commissie verzocht, onverwijld werk te maken van de ontwikkeling van specifieke maatregelen met het oog op een dergelijk programma. Ook de volksgezondheid dient te worden beschermd en daartoe moet een alomvattende strategie ten uitvoer worden gelegd die met name gericht is op de beperking van het gebruik van cadmium en de bevordering van onderzoek naar vervangingsmiddelen. In de resolutie wordt beklemtoond dat het gebruik van cadmium moet worden beperkt tot gevallen waarin geen geschikte en veiligere alternatieven voorhanden zijn.

(5) De beschikbare gegevens tonen aan, dat de maatregelen inzake inzameling, verwerking, recycling en verwijdering van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) van Richtlijn 2001/.../EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur(6), noodzakelijk zijn om de moeilijkheden bij het afvalbeheer in verband met de zware metalen en de brandvertragers te verminderen. Doch, ondanks deze maatregelen zullen aanzienlijke hoeveelheden AEEA in de bestaande verwijderingsroutes blijven terechtkomen. En, zelfs wanneer AEEA afzonderlijk wordt ingezameld en aan specifieke recyclingprocessen wordt onderworpen, zal het gehalte aan kwik, cadmium, lood, zeswaardig chroom, PBB's en PBDE's vermoedelijk gezondheids- en milieurisico's blijven opleveren.

(6) Rekening gehouden met de technische en economische haalbaarheid, is het vervangen van die stoffen in elektrische en elektronische apparatuur door veilige of veiligere materialen de doeltreffendste manier om de met die stoffen samenhangende gezondheids- en milieurisico's dermate te verminderen, dat het in de Gemeenschap vooropgestelde beschermingsniveau gehaald wordt. Door het gebruik van deze gevaarlijke stoffen te beperken, zullen waarschijnlijk de mogelijkheden en de economische rentabiliteit van recycling van AEEA toenemen en de negatieve gevolgen voor de gezondheid van werknemers in recyclingbedrijven afnemen.

(7) De stoffen waarop deze richtlijn betrekking heeft, zijn wetenschappelijk goed onderzocht en beoordeeld, en met betrekking daartoe zijn diverse maatregelen op communautair en nationaal niveau vastgesteld.

(8) De in deze richtlijn voorziene maatregelen zijn, rekening gehouden met bestaande internationale richtsnoeren en aanbevelingen, gebaseerd op een beoordeling van de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens. De maatregelen zijn noodzakelijk om het voor ogen gestelde niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te bereiken, gelet op de mogelijke gevaren van het ontbreken van dergelijke maatregelen in de Gemeenschap. Deze maatregelen moeten regelmatig opnieuw worden onderzocht en, indien nodig, in het licht van de beschikbare technische en wetenschappelijke informatie worden aangepast.

(9) Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de Gemeenschapswetgeving betreffende veiligheids- en gezondheidseisen en aan de specifieke Gemeenschapswetgeving betreffende afvalbeheer, in het bijzonder Richtlijn 91/157/EEG van de Raad van 18 maart 1991 inzake batterijen en accu's die gevaarlijke stoffen bevatten(7).

(10) De technische ontwikkeling van elektrische en elektronische apparatuur zonder zware metalen, PBDE's en PBB's, dient in aanmerking te worden genomen. Zodra nieuw wetenschappelijk bewijsmateriaal beschikbaar wordt en rekening houdend met het voorzorgsbeginsel moet worden bekeken of andere gevaarlijke stoffen kunnen worden verboden en vervangen door meer milieuvriendelijke alternatieven die ten minste hetzelfde niveau van bescherming van de consumenten garanderen.

(11) Vrijstellingen van de eis tot vervanging worden toegestaan indien de vervanging uit wetenschappelijk of technisch oogpunt onmogelijk is of indien de nadelige gevolgen van de vervanging voor het milieu of de volksgezondheid waarschijnlijk zwaarder wegen dan de voordelen van die vervanging voor de mens en voor het milieu. Voorts moet de vervanging van de gevaarlijke stoffen in de elektrische en elektronische apparaten gebeuren op een wijze die verenigbaar is met de gezondheid en de veiligheid van de gebruikers van elektrische en elektronische apparatuur (EEA).

(12) Volgens een comitéprocedure dient de Commissie zorg te dragen voor de aanpassing, aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, van de uitzonderingen op de voorschriften betreffende de geleidelijke beëindiging van het gebruik van en het verbod op gevaarlijke stoffen.

(13) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(8),

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Doelstellingen

Doel van deze richtlijn is de wetgevingen der lidstaten inzake beperkingen op het gebruik van gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur onderling aan te passen en bij te dragen tot de bescherming van de volksgezondheid en een milieuhygiënisch verantwoorde nuttige toepassing en verwijdering van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is, onverminderd artikel 6, van toepassing op elektrische en elektronische apparatuur van de categorieën 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 10 van bijlage I A bij Richtlijn 2001/.../EG (AEEA) alsmede op gloeilampen en armaturen in huishoudens.

2. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de Gemeenschapswetgeving inzake veiligheids- en gezondheidseisen of aan de specifieke Gemeenschapswetgeving inzake afvalstoffenbeheer.

Artikel 3

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) "elektrische en elektronische apparatuur" of "EEA": apparaten die elektrische stromen of elektromagnetische velden nodig hebben om naar behoren te kunnen werken en apparaten voor het opwekken, overbrengen en meten van die stromen en velden die onder de categorieën van bijlage I A van Richtlijn 2001/.../EG (AEEA) vallen en bedoeld zijn voor gebruik met een spanning van maximaal 1000 V bij wisselstroom en 1500 V bij gelijkstroom;

b) "producent": eenieder die ongeacht de verkooptechniek, met inbegrip van technieken voor verkoop op afstand overeenkomstig Richtlijn 1997/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten(9):

i) onder zijn eigen merk elektrische en elektronische apparatuur vervaardigt en verkoopt,

ii) onder zijn eigen merk apparatuur verkoopt die door andere leveranciers is geproduceerd, of

iii) beroepsmatig elektrische en elektronische apparatuur invoert in, respectievelijk uitvoert uit een lidstaat.

Artikel 4

Preventie

1. De lidstaten dragen er zorg voor dat uiterlijk 1 januari 2007 nieuwe elektrische en elektronische apparatuur die op de markt wordt gebracht geen lood, kwik, cadmium, zeswaardig chroom, polybroombifenylen (PBB's) en/of polybroomdifenylethers (PBDE's) meer bevat.

2. Lid 1 geldt niet voor de in de bijlage genoemde toepassingen.

Artikel 5

Aanpassing aan de vooruitgang van wetenschap en techniek

1. Wijzigingen die nodig zijn om de bijlage voor de navolgende doeleinden aan de vooruitgang van wetenschap en techniek aan te passen, worden volgens de procedure van artikel 7, lid 2, vastgesteld:

a) vaststelling, waar nodig, van getolereerde maximumconcentraties van de in artikel 4, lid 1, bedoelde stoffen in bepaalde materialen en onderdelen van elektrische en elektronische apparatuur;

b) vaststelling van artikel 4, lid 1, voor materialen en onderdelen van elektrische en elektronische apparatuur indien het gebruik van de in dat lid genoemde stoffen in die materialen en onderdelen om technische of wetenschappelijke redenen onvermijdelijk is, of indien vervanging voor het milieu en/of de gezondheid waarschijnlijk meer nadelen dan voordelen inhoudt;

c) toetsing van iedere vrijstelling in de bijlage ten minste om de vier jaar dan wel vier jaar na toevoeging van een product aan de lijst, met het oog op de eventuele schrapping van materialen en onderdelen van elektrische en elektronische apparatuur uit de bijlage, indien het gebruik van de in artikel 4, lid 1, genoemde stoffen in die materialen en onderdelen kan worden vermeden, mits de vervanging voor het milieu en/of de gezondheid niet meer nadelen dan voordelen inhoudt.

2. Alvorens de bijlage overeenkomstig lid 1 te wijzigen, raadpleegt de Commissie onder andere de producenten van elektrische en elektronische apparatuur, recycleerders, verwerkers, milieuorganisaties en werknemers- en consumentenverenigingen. Eventuele opmerkingen worden toegezonden aan het Comité van artikel 7, lid 1.

Artikel 6

Toetsing

Uiterlijk op ...(10) toetst de Commissie de in deze richtlijn vastgestelde maatregelen aan eventuele nieuwe wetenschappelijke gegevens.

Zij doet binnen dezelfde termijn in het bijzonder voorstellen tot opneming van apparatuur die onder de categorieën 8 en 9 van bijlage I A van Richtlijn 2001/.../EG (AEEA) valt, in het toepassingsgebied van deze richtlijn.

De Commissie gaat tevens na of de lijst van stoffen als bedoeld in artikel 4, lid 1, aan de nieuwe wetenschappelijke gegevens aangepast moet worden; zij neemt daarbij het voorzorgsbeginsel in acht en dient, zo nodig voorstellen in tot aanpassing.

Artikel 7

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 18 van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad(11) ingestelde comité.

2. Indien naar dit lid wordt verwezen zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 8

Sancties

De lidstaten stellen sancties vast voor inbreuken op de nationale bepalingen die krachtens deze richtlijn zijn vastgesteld. De aldus vastgestelde sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn.

Artikel 9

Omzetting

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ...(12) aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 11

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ...

Voor het Europees Parlement

De voorzitster

Voor de Raad

De voorzitter

(1) PB C 365 E van 19.12.2000, blz. 195 en PB C 240 E van 28.8.2001, blz. 303.

(2) PB C 116 van 20.4.2001, blz. 38.

(3) PB C 148 van 18.5.2001, blz. 1.

(4) Advies van het Europees Parlement van 15 mei 2001, gemeenschappelijk standpunt van 4 december 2001 en besluit van het Europees Parlement van ... (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(5) PB C 30 van 4.2.1988, blz. 1.

(6) PB L ...

(7) PB L 78 van 26.3.1991, blz. 38. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 98/101/EG van de Commissie (PB L 1 van 5.1.1999, blz. 1).

(8) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(9) PB L 144 van 4.6.1997, blz. 19.

(10) Twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.

(11) PB L 194 van 25.7.1975, blz. 39.

(12) 18 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn.

BIJLAGE

TOEPASSINGEN VAN LOOD, KWIK, CADMIUM EN ZESWAARDIG CHROOM, DIE ZIJN VRIJGESTELD VAN DE VEREISTEN VAN ARTIKEL 4, LID 1

1. Kwik in compacte fluorescentielampen tot maximaal 5 mg per lamp.

2. Kwik in TL-buizen voor algemeen gebruik met ten hoogste:

- halofosfaat 10 mg,

- trifosfaat met normale levensduur 5 mg,

- trifosfaat met lange levensduur 8 mg.

3. Kwik in TL-buizen voor speciaal gebruik.

4. Kwik in niet specifiek in deze bijlage genoemde lampen.

5. Lood in glas van beeldbuizen, elektronische onderdelen en fluorescentielampen.

6. Lood in staallegeringen met maximaal 0,35 gewichtsprocent lood, aluminiumlegeringen met maximaal 0,4 gewichtsprocent lood en koperlegeringen met maximaal 4 gewichtsprocent lood.

7. - Lood in soldeer met hoge smelttemperatuur (d.w.z. tin-loodsoldeerlegeringen met meer dan 85 % lood);

- lood in soldeer voor servers, opslagsystemen en meervoudige opslagsystemen (vrijstelling tot 2010);

- lood in soldeer voor netwerkinfrastructuurapparatuur voor schakelingen, signaalverwerking, transmissie en netwerkbeheer voor telecommunicatie;

- lood in elektronische keramische onderdelen (bv. piëzo-elektronische inrichtingen).

8. Cadmium aangewend in een oppervlaktebehandeling (cadmeren), behoudens in toepassingen die verboden zijn uit hoofde van Richtlijn 91/338/EEG(1) houdende wijziging van Richtlijn 76/769/EEG(2) inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten.

9. Zeswaardig chroom als corrosiewering in het koolstofstalen koelsysteem van absorptiekoelkasten.

De Commissie beoordeelt volgens de procedure van artikel 7, lid 2, de toepassingen voor

- octa-BDE en deca-BDE,

- kwik in TL-buizen voor speciaal gebruik,

- lood in soldeer voor servers, opslagsystemen en meervoudige opslagsystemen, netwerkinfrastructuurapparatuur voor schakelingen, signaalverwerking, transmissie en netwerkbeheer voor telecommunicatie (met het oog op de vaststelling van een bepaalde termijn voor deze vrijstelling), en

- gloeilampen,

met voorrang om zo spoedig mogelijk te constateren of deze punten moeten worden gewijzigd.

(1) PB L 186 van 12.7.1991, blz. 59.

(2) PB L 262 van 27.9.1976, blz. 201.

MOTIVERING VAN DE RAAD

I. INLEIDING

1. Op 28 juli 2000 heeft de Commissie de Raad een voorstel toegezonden voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (BGS)(1), op basis van artikel 95 van het Verdrag.

2. Het Europees Parlement bracht in eerste lezing advies uit op 15 mei 2001.

Het Economisch en Sociaal Comité bracht op 29 november 2000 advies uit(2) en het Comité van de Regio's bracht advies uit op 14 februari 2001(3).

3. Ingevolge deze adviezen diende de Commissie op 8 juni 2001 bij de Raad een gewijzigd voorstel in.

4. Op 4 december 2001 aanvaardde de Raad zijn gemeenschappelijk standpunt overeenkomstig artikel 251, lid 2, van het Verdrag.

II. DOEL

Deze richtlijn beoogt de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake beperkingen op het gebruik van gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (dat wil zeggen zware metalen en gebromeerde brandvertragers). Uit de beschikbare gegevens blijkt dat maatregelen nodig zijn ter beperking van de afvalbeheersproblemen in verband met deze stoffen, die risico's voor de gezondheid of het milieu kunnen veroorzaken. De doeltreffendste wijze om deze risico's aanzienlijk te verminderen is deze stoffen voor een bepaalde datum door veiliger materialen te vervangen.

Indien dit echter niet mogelijk is, zou een beperkt aantal vrijstellingen van de vervangingseis worden toegestaan. Deze vrijstellingen inzake geleidelijke vermindering en verbod moeten, in het kader van een comitéprocedure, opnieuw worden bekeken in het licht van de wetenschappelijke en technische vooruitgang.

III. ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

In het gemeenschappelijk standpunt van de Raad, dat over het algemeen de aanpak en belangrijkste bepalingen uit het Commissievoorstel handhaaft, is een reeks amendementen aan het voorstel toegevoegd om de eisen ervan te verduidelijken, aan te scherpen of haalbaarder te maken.

A. Gewijzigd Commissievoorstel

1. De Raad heeft een groot aantal van de door het Europees Parlement voorgestelde en door de Commissie aanvaarde amendementen volledig, gedeeltelijk of ook wel naar de geest aangenomen.

Het betreft:

- amendement nr. 1, opgenomen in overweging 6 (licht gewijzigd),

- amendement nr. 4, gedeeltelijk en naar de geest opgenomen in overweging 11,

- amendementen nrs. 9 en 23, gedeeltelijk opgenomen in artikel 2, lid 1 (toevoeging aan het toepassingsgebied van categorie 10, gloeilampen en armaturen in huishoudens),

- amendement nr. 10: het eerste gedeelte is deels en, wat de datum betreft, tot op zekere hoogte opgenomen in artikel 4, lid 1,

- amendement nr. 12, gedeeltelijk overgenomen in artikel 5, lid 2,

- amendement nr. 17, opgenomen in artikel 8,

- amendement nr. 18, opgenomen in artikel 9, lid 1,

- amendement nr. 19, opgenomen in artikel 10,

- amendement nr. 21, de streepjes 4, 5, 9 en 11, zijn geschrapt (ingevolge de toevoeging van categorie 10 aan het toepassingsgebied) en lood in soldeer met hoge smelttemperatuur (echter duidelijker gespecificeerd door de Raad) is toegevoegd.

2. Amendement nr. 8, niet aanvaard door de Commissie, is geherformuleerd en opgenomen in artikel 1 en overweging 1 van het gemeenschappelijk standpunt.

B. Door de Raad ingevoerde vernieuwingen

Naast de invoering van de bovengenoemde amendementen van het EP heeft de Raad ook andere wijzigingen in het voorstel aangebracht. Het betreft voornamelijk:

- Artikel 3

De definitie van "producent" is aangepast aan de definitie in de AEEA-richtlijn om het begrip verkoop op afstand in te voeren (en dus ook het begrip "uitvoer" onder 3.b) iii)).

- Artikel 4

Harmonisatie van de geleidelijke vermindering van de gevaarlijke stoffen genoemd in artikel 4, lid 1, is met een jaar vervroegd; daarenboven is het woord "uiterlijk" ingevoerd, zodat enkele lidstaten hun meer stringente wetgeving op dit gebied kunnen handhaven.

- Artikel 5, lid 1, onder c)

Eist dat het comité de vrijstellingen in artikel 4, lid 2, en de bijbehorende bijlage om de vier jaar opnieuw bekijkt om na te gaan of zij geschrapt kunnen worden.

- Artikel 6

Een tweede alinea eist dat de Commissie binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn voorstellen doet om de apparatuur die onder de categorieën 8 en 9 van de AEEA-richtlijn valt, in het toepassingsgebied op te nemen.

Een derde alinea bepaalt dat de Commissie onderzoekt of de in artikel 4, lid 1, vervatte lijst van verboden gevaarlijk afval aan de hand van wetenschappelijke gegevens en van het voorzorgsbeginsel moet worden aangepast en indien nodig voorstellen daartoe indient.

- Bijlage

De Raad heeft de lijst verduidelijkt met betrekking tot kwik in TL-buizen. Wat lood betreft, heeft hij de gloeilampen geschrapt en de punten betreffende lood in soldeer verduidelijkt. Tevens eist de Raad dat de Commissie de toepassingen van een reeks gevaarlijke stoffen volgens de comitéprocedure met voorrang evalueert met het oog op de mogelijke wijziging ervan.

De Commissie heeft het woord "uiterlijk" in artikel 4, lid 1, niet aanvaard.

(1) PB C 365 E van 19.12.2000, blz. 195 en PB C 240 E van 28.8.2001, blz. 303.

(2) PB C 116 van 20.4.2001, blz. 38.

(3) PB C 148 van 18.5.2001, blz. 1.

Top