Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52001PC0452(02)

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bestrijding van salmonella en andere door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers en houdende wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG, 72/462/EEG en 90/539/EEG van de Raad

/* COM/2001/0452 def. - COD 2001/0177 */

OJ C 304E , 30.10.2001, p. 260–271 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52001PC0452(02)

Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bestrijding van salmonella en andere door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers en houdende wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG, 72/462/EEG en 90/539/EEG van de Raad /* COM/2001/0452 def. - COD 2001/0177 */

Publicatieblad Nr. 304 E van 30/10/2001 blz. 0260 - 0271


Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake de bestrijding van salmonella en andere door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers en houdende wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG, 72/462/EEG en 90/539/EEG van de Raad

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

1. Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad

1. A. Hoofdstuk I (Inleidende bepalingen)

De voorgestelde richtlijn omvat de bewakingsaspecten van Richtlijn 92/117/EEG. In principe worden geen zoönoses van de richtlijn uitgesloten. Aangezien echter specifieke voorschriften voor overdraagbare spongiforme encefalopathieën op stapel staan, zijn deze van de werkingssfeer van deze richtlijn uitgesloten. De bewaking zou moeten plaatsvinden bij dierpopulaties en waar nodig in andere stadia van de voedselketen. De lidstaten moeten in het kader van de richtlijn een bevoegde autoriteit aanwijzen en zorgen dat de autoriteiten voor de diergezondheid, de voedselhygiëne en de surveillance van overdraagbare ziekten en zoönoses met elkaar samenwerken.

1. B. Hoofdstuk II (Bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers)

Volgens het voorstel moeten de lidstaten zoönoseverwekkers in het algemeen bewaken. De lijst van betrokken zoönoseverwekkers is hoofdzakelijk gebaseerd op het advies over zoönoses van het Wetenschappelijk Comité voor veterinaire maatregelen in verband met de volksgezondheid van 12 april 2000. De bewaking wordt in eerste instantie gebaseerd op de in de lidstaten bestaande systemen. Er moeten echter procedures komen om gemeenschappelijke criteria voor gegevensverzameling vast te stellen. Ook wordt als nieuw punt voorgesteld om een basis voor gecoördineerde communautaire bewakingsprogramma's te creëren. Deze gecoördineerde programma's moeten een voldoende, maar niet al te lange looptijd hebben (1 à 3 jaar) en de resultaten van de onderzoeken kunnen worden gebruikt om zo nodig de streefdoelen voor het terugdringen van pathogenen bij te stellen. Bestrijdingsmaatregelen op grond van deze bewakingsgegevens worden echter in principe door de lidstaten zelf vastgesteld.

Het verzamelen van gegevens over de incidentie van zoönoses bij mensen is van het grootste belang om de voedselveiligheidswetgeving op wetenschappelijk advies te kunnen baseren en feedback te krijgen over de doeltreffendheid van de bestrijdingsmaatregelen en die zo nodig bij te stellen. Beschikking 2119/98/EG [1], die op 1.1.1999 in werking is getreden, verschaft een raamwerk voor deze gegevensverzameling. In Beschikking 2000/96/EG [2] staan de zoönoses vermeld die geleidelijk moeten worden bestreken. Dit netwerk voor overdraagbare ziekten dient ook te worden gebruikt voor de bewaking en bestrijding van zoönoses. Daarom moeten de autoriteiten voor de volksgezondheid, de diergezondheid en de voedselveiligheid volgens het voorstel nauw samenwerken.

[1] PB L 268 van 3.10.1998, blz. 1.

[2] PB L 28 van 3.2.2000, blz. 50.

Aangezien bij zoönoseverwekkers steeds vaker antimicrobiële resistentie optreedt, wordt voorgesteld ook dit aspect te bewaken.

1.C. Hoofdstuk III (Door voedsel overgedragen uitbraken)

Apart wordt voorgesteld om door voedsel overgedragen uitbraken te bewaken. Op dit moment worden epidemiologische gegevens over uitbraken verzameld door een systeem van de WHO dat voor heel Europa geldt, waardoor de verzameling van deze gegevens traag verloopt. Met surveillance en melding van uitbraken zou belangrijke informatie verkregen worden over de voornaamste oorzaken van door voedsel overgedragen uitbraken. Maatregelen met betrekking tot verdacht voedsel en de omgeving waarin dat voedsel wordt geproduceerd, vallen evenwel buiten de werkingssfeer van deze richtlijn.

1.D. Hoofdstuk IV (Uitwisseling van informatie)

Volgens het voorstel worden exploitanten van levensmiddelenbedrijven verplicht om de resultaten van testen op zoönoses te bewaren en op verzoek aan de bevoegde autoriteit te verstrekken. De lidstaten moeten jaarlijks een verslag over ontwikkelingstendensen en bronnen van zoönoses opstellen en dit indienen bij de Commissie en bij de Europese Voedselautoriteit die zal worden opgezet naar aanleiding van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de algemene beginselen en vereisten van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Voedselautoriteit en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (COM(2000) 716 definitief). De Europese Voedselautoriteit brengt een samenvattend verslag uit, waarin ook relevante informatie kan worden opgenomen uit andere bronnen die de hele Gemeenschap bestrijken, zoals uitroeiingsprogramma's voor dierziekten en netwerken voor overdraagbare ziekten.

1.E. Hoofdstuk V (Laboratoria)

Het voorstel legt het kader vast voor de aanwijzing van de communautaire referentielaboratoria en de nationale referentielaboratoria en de vaststelling van de taken daarvan.

1.F. Hoofdstuk VI (Tenuitvoerlegging)

Dit behelst de regelgevingsprocedure en de bepalingen inzake de omzetting.

1.G. Hoofdstuk VII (Slotbepalingen)

Het voorstel bevat bepalingen om Richtlijn 92/117/EEG in te trekken en Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied [3] te wijzigen.

[3] PB L 224 van 18.8.1990, blz. 19. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2001/12/EG van de Raad (PB L 3 van 6.1.2001, blz. 27.).

Aangezien de bepalingen van Richtlijn 92/117/EEG worden bestreken door de voorgestelde richtlijn en de voorgestelde verordening inzake de bestrijding van salmonella en andere door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers en houdende wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG, 72/462/EEG en 90/539/EEG, wordt voorgesteld de eerstgenoemde richtlijn in te trekken. Wel wordt met het oog op een soepele overgang en ononderbroken controle voorgesteld om sommige verplichtingen uit hoofde van Richtlijn 92/117/EEG te van kracht te laten totdat de overeenkomstige bepalingen van de voorgestelde verordening in werking getreden zijn.

Het voorstel bevat een aantal bepalingen betreffende de financiële bijdrage van de Gemeenschap aan bepaalde activiteiten met betrekking tot de bewaking en bestrijding van zoönoses en zoönoseverwekkers door het hoofdstuk over zoönoses van Beschikking 90/424/EEG te wijzigen.

2. Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bestrijding van salmonella en andere door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers en houdende wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG, 72/462/EEG en 90/539/EEG van de Raad.

2.A. Hoofdstuk I (Inleidende bepalingen)

Het voorstel beoogt de aanpak van de bestrijding van zoönoses grondig te herzien. Het volgt de beginselen van het witboek over voedselveiligheid (COM(1999) 719 def.) dat op 12 januari 2000 door de Commissie is goedgekeurd. Ook is het advies van het Wetenschappelijk Comité voor veterinaire maatregelen in verband met de volksgezondheid van 12 april 2000 over zoönoses in aanmerking genomen.

Het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bestrijding van salmonella en andere door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers en houdende wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG, 72/462/EEG en 90/539/EEG van de Raad heeft in principe betrekking op alle zoönoses. De specifieke bestrijdingsvoorschriften gelden echter alleen voor bepaalde salmonellatypes. Wanneer de epidemiologische situatie dit vereist, kunnen die voorschriften tot andere pathogenen worden uitgebreid. De bestrijdingsactiviteiten moeten hoofdzakelijk plaatsvinden bij de primaire productie van de dieren en waar nodig verderop in de voedselketen.

2.B. Hoofdstuk II (Communautaire doelstellingen)

Het voorstel schept een beleidskader voor het terugdringen van pathogenen. In de praktijk moet dat neerkomen op het aangeven van communautaire doelstellingen voor het terugdringen van pathogenen voor gespecificeerde zoönoseverwekkers bij bepaalde populaties landbouwhuisdieren. Voordat de doelstellingen voor het terugdringen van pathogenen worden vastgesteld, moeten zij uit wetenschappelijk - en politiek - oogpunt worden getoetst. Daarom wordt voorgesteld dat de Commissie die doelstellingen binnen een bepaalde termijn vaststelt.

Deze doelstellingen kunnen later worden bijgesteld. Er worden geleidelijk doelstellingen vastgesteld voor bepaalde salmonella-serotypes in legkippen, slachtkuikens en de fokdieren daarvan, alsmede in fokkalkoenen en fokvarkens. Er kunnen doelstellingen voor andere opduikende pathogenen worden vastgesteld als daarvoor wetenschappelijke aanwijzingen zijn en er voldoende kennis is over de mogelijkheden om de prevalentie daarvan in dierpopulaties te verlagen. Ook kunnen afzonderlijke doelstellingen worden vastgesteld voor de verschillende stadia van de voedselketen.

2.C. Hoofdstuk III (Bestrijdingsprogramma's)

De voorschriften betreffende bestrijdingsmaatregelen bij vermeerderingskoppels worden in vergelijking met de bestaande zoönoserichtlijn zo beknopt mogelijk gehouden. Dit betekent echter niet dat het veiligheidsniveau daalt. In concreto moeten de pathogenen worden teruggedrongen aan de hand van nationale bestrijdingsprogramma's. De Commissie keurt die programma's goed, maar met het oog op een doeltreffende bestrijding moeten de nationale autoriteiten uiteraard de grootste verantwoordelijkheid dragen. Gezien echter het feit dat de dierproductiesystemen tegenwoordig steeds meer geïntegreerd zijn (dat wil zeggen dat dezelfde onderneming of organisatie de levering van voeder, fok- en/of productiedieren en zelfs het slachten onder hun beheer hebben) moeten acties op initiatief van de particuliere sector ook mogelijk zijn. Daarom wordt voorgesteld dat de lidstaten levensmiddelenbedrijven ertoe aanzetten om hun eigen bestrijdingsprogramma's op te stellen.

2.D. Hoofdstuk IV (Bestrijdingsmethoden)

Het voorstel biedt de Commissie de mogelijkheid te besluiten dat bepaalde bestrijdingsmethoden niet in het kader van bestrijdingsprogramma's mogen worden gebruikt, of aan dat gebruik bepaalde voorwaarden te verbinden. Met name zal het gebruik van antibiotica of vaccinatie in de toekomst misschien nader moeten worden overwogen. Mogelijk zijn in de toekomst nog verdere bestrijdingmethoden nodig.

2.E. Hoofdstuk V (Handelsverkeer)

Het uitgangspunt van het voorstel is dat degene die levende dieren of broedeieren koopt, de status moet weten van het bedrijf waar deze vandaan komen. Op nationaal niveau kan dit door middel van nationale controleprogramma's worden verwezenlijkt. Voor het intracommunautaire handelsverkeer moet gebruikgemaakt worden van een gezondheidscertificatiesysteem. Aangezien de bestaande certificaten uit hoofde van de diergezondheidswetgeving (Richtlijn 64/432/EEG [4] en Richtlijn 90/539/EEG [5]) via de comitéprocedure kunnen worden gewijzigd (wat Richtlijn 64/432/EEG betreft heeft de Commissie daarvoor al een voorstel opgesteld), zullen zij te zijner tijd bij beschikking van de Commissie worden gewijzigd teneinde op die certificaten ook informatie op te nemen over de zoönosebestrijding. Na een overgangsperiode moeten de resultaten van het testen op salmonella in het koppel of beslag van oorsprong op het certificaat worden vermeld. De lidstaat van bestemming kan gedurende een overgangsperiode met goedvinden van de Commissie besluiten dat voor zendingen uit andere lidstaten dezelfde eisen inzake testresultaten gelden als in het eigen land in het kader van het desbetreffende bestrijdingsprogramma.

[4] PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/20/EG (PB L 163 van 4.7.2000, blz. 35).

[5] PB L 303 van 31.10.1990, blz. 6. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/90/EG (PB L 300 van 23.11.1999, blz. 19).

Consumptie-eieren zullen, als de overgangsperiode is afgelopen en de bestrijdingsmaatregelen voor legkippen volledig van toepassing zijn, alleen voor rechtstreekse menselijke consumptie in de handel mogen worden gebracht als zij afkomstig zijn van een koppel waarop de voorgeschreven tests zijn uitgevoerd en dat daarbij vrij van S. enteritidis en S. typhimurium gebleken is. Voor pluimveevlees gaat na een overgangsperiode als criterium gelden "salmonella afwezig in 25 g".

Van derde landen worden gelijkwaardige maatregelen verlangd voor de invoer van de desbetreffende dieren en broedeieren in de Gemeenschap. Waar van toepassing moeten bestrijdingsprogramma's worden verlangd. De bovengenoemde eisen inzake certificatie zullen dan ook van toepassing zijn op de invoer uit derde landen; de specifieke certificaten voor de handel met derde landen zullen te zijner tijd bij beschikking van de Commissie worden vastgesteld of gewijzigd. De certificatie-eisen voor producten als consumptie-eieren of pluimveevlees zullen ook te gelegener tijd worden opgesteld.

2.F. Hoofdstuk VI (Laboratoria)

Het voorstel legt het kader vast voor de aanwijzing van de communautaire referentielaboratoria en de nationale referentielaboratoria en de vaststelling van de taken daarvan. Het bevat ook kwaliteitseisen voor de laboratoria die aan bestrijdingsprogramma's deelnemen.

2.G. Hoofdstuk VII (Tenuitvoerlegging)

Dit bevat de regelgevingsprocedure.

2.H. Hoofdstuk VIII (Algemene en slotbepalingen)

Het voorstel bevat bepalingen voor communautaire controles en voor de wijziging van een aantal richtlijnen betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en/of de invoer uit derde landen.

Met de voorgestelde wijzigingen in de desbetreffende richtlijnen kunnen te zijner tijd ook de resultaten van de tests op zoönoseverwekkers bij de betrokken dieren en broedeieren in de certificaten worden opgenomen.

2001/0177 (COD)

Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake de bestrijding van salmonella en andere door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers en houdende wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG, 72/462/EEG en 90/539/EEG van de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 152, lid 4, onder b),

Gezien het voorstel van de Commissie [6],

[6] PB C ...

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [7],

[7] PB C ...

Gezien het advies van het Comité van de Regio's [8],

[8] PB C ...

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [9],

[9] PB C ...

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De bescherming van de volksgezondheid tegen ziekten en besmettingen die direct of indirect van dieren op de mens kunnen worden overgedragen (zoönoses) is van het allergrootste belang.

(2) Via voedsel overgedragen zoönoses kunnen de oorzaak zijn van menselijk leed, maar ook van economisch verlies bij de voedselproductie en voor de levensmiddelenindustrie.

(3) Ook zoönoses die op een andere wijze dan via voedsel, vooral door wilde dieren en gezelschapsdieren, worden overgedragen, geven aanleiding tot bezorgdheid.

(4) Richtlijn 92/117/EEG van de Raad van 17 december 1992 inzake maatregelen voor de bescherming tegen bepaalde zoönoses en bepaalde zoönoseverwekkers bij dieren en in producten van dierlijke oorsprong teneinde door voedsel overgedragen infecties en vergiftigingen te voorkomen [10] is vastgesteld met het oog op de invoering van systemen voor de bewaking van bepaalde zoönoses en van controles op salmonella bij pluimveekoppels.

[10] PB L 62 van 15.3.1993, blz. 38. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/72/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 210 van 10.8.1999, blz. 12).

(5) Krachtens Richtlijn 92/117/EEG moeten de lidstaten de nationale maatregelen die zij ten uitvoer leggen om het bij deze richtlijn vastgestelde doel te bereiken, indienen bij de Commissie. De lidstaten moesten ook plannen opstellen voor de controle op salmonella's bij pluimvee. Krachtens Richtlijn 97/22/EG [11] van de Raad tot wijziging van Richtlijn 92/117/EEG is deze verplichting evenwel geschorst in afwachting van de in artikel 15 bis van Richtlijn 92/117/EEG bedoelde herziening.

[11] PB L 113 van 30.4.1997, blz. 9.

(6) Verschillende lidstaten hebben reeds een plan voor de controle op salmonella ingediend en die plannen zijn door de Commissie goedgekeurd. Voorts dienden alle lidstaten met ingang van 1 januari 1998 de minimummaatregelen ten uitvoer te leggen die voor salmonella zijn vastgesteld in bijlage III, deel I, bij Richtlijn 92/117/EEG, en dienden zij regels op te stellen voor maatregelen om te voorkomen dat salmonella op een bedrijf wordt binnengebracht.

(7) Deze minimummaatregelen betreffen vooral de bewaking en de controle van salmonella bij fokkoppels van de soort Gallus gallus. Wanneer besmetting met de serotypes Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium bij de betrokken monsters werd geconstateerd en bevestigd, moesten op grond van Richtlijn 92/117/EEG specifieke maatregelen worden genomen om de besmetting te bestrijden.

(8) Voorschriften voor de bewaking en de bestrijding van bepaalde zoönoses bij dieren zijn reeds vastgelegd in andere communautaire regelgeving, met name

- Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens [12], ten aanzien van rundertuberculose en runderbrucellose, en

[12] PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/20/EG (PB L 163 van 4.7.2000, blz. 35).

- Richtlijn 91/68/EEG van de Raad van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten [13], ten aanzien van schapen- en geitenbrucellose.

[13] PB L 46 van 19.2.1991, blz. 19. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 94/953/EG van de Commissie (PB L 371 van 31.12.1994, blz. 14).

(9) Voorts heeft Verordening (EG) nr. .../... van het Europees Parlement en de Raad van ... [inzake levensmiddelenhygiëne] [14] betrekking op specifieke elementen voor de preventie, de bestrijding en de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers, en bevat zij specifieke voorschriften voor de microbiologische kwaliteit van levensmiddelen.

[14] PB L ...

(10) Richtlijn 92/117/EEG voorziet in het verzamelen van gegevens over het vóórkomen van zoönoses en zoönoseverwekkers in diervoeders, bij dieren, in levensmiddelen en bij de mens. Hoewel de regeling inzake het verzamelen van de gegevens niet geharmoniseerd is en derhalve geen vergelijking tussen de lidstaten mogelijk maakt, vormt zij toch een basis voor de evaluatie van de huidige situatie met betrekking tot zoönoses en zoönoseverwekkers in de Gemeenschap.

(11) Uit de in het kader van de regeling verzamelde gegevens blijkt dat de meeste gevallen van zoönoses bij de mens worden veroorzaakt door Salmonella spp. en Campylobacter spp. Het aantal gevallen van salmonellose bij de mens lijkt af te nemen, vooral die welke worden veroorzaakt door Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium, waaruit mag worden geconcludeerd dat de in de Gemeenschap genomen bestrijdingsmaatregelen hiertegen succes hebben gehad. Toch wordt aangenomen dat vele gevallen niet worden gemeld en dat de verzamelde gegevens bijgevolg geen volledig beeld van de situatie geven.

(12) Het Wetenschappelijk Comité voor veterinaire maatregelen in verband met de volksgezondheid heeft, in zijn advies inzake zoönoses van 12 april 2000, gesteld dat de huidige maatregelen voor de bestrijding van door voedsel overgedragen zoönoses ontoereikend zijn en dat de epidemiologische gegevens die momenteel door de lidstaten worden verzameld, onvolledig en niet helemaal vergelijkbaar zijn. Derhalve heeft het comité aanbevolen de bewakingsvoorschriften te verbeteren en heeft het mogelijke maatregelen inzake risicobeheer voorgesteld.

(13) Daarom moeten de bestaande regelingen voor de bestrijding van bepaalde zoönoseverwekkers worden verbeterd. Terzelfder tijd zullen de bij Richtlijn 92/117/EEG vastgestelde systemen voor bewaking en gegevensverzameling worden vervangen door de bepalingen die zijn vastgelegd in Richtlijn .../... van het Europees Parlement en de Raad van ... [inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad] [15].

[15] PB L ...

(14) Als beginsel moet worden vastgesteld dat de bestrijdingsmaatregelen betrekking moeten hebben op de hele voedselketen, van bij de boer tot op het bord.

(15) In het algemeen moeten de in de communautaire regelgeving inzake diervoeders, diergezondheid en levensmiddelenhygiëne vastgestelde voorschriften van toepassing zijn op die bestrijdingsmaatregelen.

(16) Voor bepaalde zoönoses en zoönoseverwekkers moeten evenwel specifieke bestrijdingsvoorschriften worden vastgesteld.

(17) Die specifieke bestrijdingsvoorschriften moeten worden gebaseerd op de doelstellingen inzake het terugdringen van de prevalentie van zoönoses en zoönoseverwekkers.

(18) De doelstellingen moeten voor zoönoses en zoönoseverwekkers bij dieren worden vastgesteld met inachtneming van de incidentie en de epidemiologische tendensen bij dieren en bij mensen, de ernst voor mensen, de potentiële economische gevolgen op het gebied van de gezondheidszorg en voor de levensmiddelenbedrijven, en het bestaan van adequate maatregelen om de prevalentie terug te dringen. Indien nodig kunnen ook doelstellingen worden vastgesteld voor andere delen van de voedselketen.

(19) Om de doelstellingen tijdig te kunnen verwezenlijken, moeten de lidstaten specifieke bestrijdingsprogramma's opzetten die door de Gemeenschap moeten worden goedgekeurd.

(20) De voornaamste verantwoordelijkheid voor de veiligheid van levensmiddelen dient bij de levensmiddelenbedrijven te berusten. De lidstaten moeten derhalve het opzetten van bestrijdingsprogramma's op bedrijfsniveau stimuleren.

(21) Het kan gebeuren dat lidstaten of levensmiddelenbedrijven in het kader van hun bestrijdingsprogramma's specifieke bestrijdingsmethoden wensen te gebruiken. Bepaalde methoden evenwel zijn misschien niet acceptabel, in het bijzonder omdat zij het bereiken van het gestelde doel in het algemeen in de weg staan, omdat zij specifiek interfereren met noodzakelijke testmethoden, of omdat zij aanleiding geven tot potentiële risico's voor de volksgezondheid. Daarom moet worden voorzien in adequate procedures waardoor de Commissie kan besluiten dat bepaalde bestrijdingsmethoden niet in het kader van bestrijdingsprogramma's mogen worden gebruikt.

(22) Bestaande of nieuwe bestrijdingsmethoden vallen niet altijd onder een specifieke communautaire regelgeving inzake goedkeuring van producten, maar kunnen misschien wel bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen inzake het terugdringen van de prevalentie van bepaalde zoönoses en zoönoseverwekkers. Daarom moet de Commissie over de bevoegdheid beschikken om het gebruik van die methoden op communautair niveau eventueel toe te staan.

(23) Het is van cruciaal belang dat bij het herbevolken uitsluitend dieren worden gebruikt die komen uit koppels of beslagen die overeenkomstig deze verordening zijn gecontroleerd. De in het kader van een specifiek bestrijdingsprogramma verkregen testresultaten moeten worden meegedeeld aan de koper van de dieren. Daartoe moeten specifieke voorschriften worden opgenomen in de desbetreffende communautaire regelgeving inzake het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen, met name betreffende partijen levende dieren en broedeieren. Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens, Richtlijn 72/462/EEG van de Raad van 12 december 1972 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen, varkens, schapen en geiten, van vers vlees of van vleesproducten uit derde landen [16] en Richtlijn 90/539/EEG van de Raad van 15 oktober 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren [17] moeten dienovereenkomstig worden aangepast.

[16] PB L 302 van 31.12.1972, blz. 28. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn (EG) nr. 97/79 (PB L 24 van 30.1.1998, blz. 31).

[17] PB L 303 van 31.10.1990, blz. 6. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2000/505/EG van de Commissie (PB L 201 van 9.8.2000, blz. 8).

(24) Wat de bestrijding van salmonella betreft, duidt de beschikbare informatie erop dat pluimveeproducten een belangrijke bron van salmonellose bij de mens zijn. De bestrijdingsmaatregelen moeten daarom worden toegepast op de productie van deze producten en op die manier de krachtens Richtlijn 92/117/EEG van de Raad getroffen maatregelen uitbreiden. Wat de productie van consumptie-eieren betreft, is het van belang dat er specifieke maatregelen worden vastgesteld betreffende het in de handel brengen van producten afkomstig van koppels waarvan niet aan de hand van tests is vastgesteld dat zij vrij van de betrokken salmonella's zijn. Wat pluimveevlees betreft, is het streven dat er een redelijke garantie is dat het in de handel gebrachte pluimveevlees vrij is van de betrokken salmonella's. Voor exploitanten van een levensmiddelenbedrijf moet er een overgangsperiode komen zodat zij zich aan de beoogde maatregelen kunnen aanpassen; deze maatregelen kunnen later naar aanleiding van wetenschappelijke risico-evaluaties verder worden aangepast. Te zijner tijd moeten gelijkwaardige garanties van derde landen worden verlangd.

(25) Er dienen nationale en communautaire referentielaboratoria te worden aangewezen om advies en assistentie te verlenen inzake aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen.

(26) Om de uniforme toepassing van deze verordening te garanderen, moet worden voorzien in de organisatie van communautaire audits en controles overeenkomstig Beschikking 98/139/EG van de Commissie van 4 februari 1998 houdende enige bepalingen inzake de door deskundigen van de Commissie in de lidstaten op veterinair gebied verrichte controles ter plaatse [18] en Beschikking 98/140/EG van de Commissie van 4 februari 1998 houdende enige bepalingen inzake de door deskundigen van de Commissie in derde landen op veterinair gebied verrichte controles ter plaatse [19].

[18] PB L 38 van 12.2.1998, blz. 10.

[19] PB L 38 van 12.2.1998, blz. 14.

(27) Voorzien moet worden in de nodige procedures om sommige bepalingen van deze verordening aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang en om de nodige uitvoerings- en overgangsmaatregelen vast te stellen.

(28) Aangezien bovenbedoelde maatregelen maatregelen van algemene strekking zijn als bedoeld in artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [20], moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 van dat besluit vastgestelde regelgevingsprocedure. De Commissie dient te worden bijgestaan door het Comité voor voedselveiligheid en diergezondheid dat is opgericht bij Verordening (EG) nr. .../... van het Europees Parlement en de Raad van ... [tot vaststelling van de algemene beginselen en vereisten van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Voedselautoriteit en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden] [21],

[20] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

[21] PB L ...

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Hoofdstuk I Inleidende bepalingen

Artikel 1 Doel en toepassingsgebied

1. Deze verordening heeft ten doel erop toe te zien dat adequate en doeltreffende maatregelen worden getroffen voor de bestrijding van salmonella en andere zoönoseverwekkers teneinde de prevalentie ervan en het risico voor de volksgezondheid te verminderen.

2. Deze verordening betreft:

a) de vastlegging van doelstellingen voor de vermindering van de prevalentie van bepaalde zoönoses bij dierpopulaties, vooral in het stadium van de primaire dierlijke productie, maar zo nodig ook in andere stadia van de voedselketen;

b) de goedkeuring van door de lidstaten en door exploitanten van een levensmiddelenbedrijf vastgestelde specifieke bestrijdingsprogramma's;

c) de vaststelling van specifieke voorschriften inzake bepaalde bestrijdingsmethoden die worden toegepast om de prevalentie van zoönoses en zoönoseverwekkers te verminderen;

d) de vaststelling van voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer van bepaalde dieren en producten daarvan uit derde landen.

Artikel 2 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1. "zoönose": ziekte en/of besmetting die langs natuurlijke weg direct of indirect van dieren op de mens kan worden overgedragen;

2. "zoönoseverwekker": virus, bacterie, schimmel, parasiet of andere biologische entiteit waardoor een zoönose kan worden veroorzaakt;

3. "levensmiddelenbedrijf": een bedrijf zoals omschreven in artikel 2 van Verordening (EG) nr. .../... [inzake levensmiddelenhygiëne];

4. "exploitant van een levensmiddelenbedrijf": de persoon of personen die ervoor verantwoordelijk is/zijn dat aan de bij deze verordening vastgestelde eisen wordt voldaan in het levensmiddelenbedrijf waarover hij/zij de leiding heeft/hebben;

5. "prevalentie": het aantal gevallen waarin een epidemiologische eenheid positief is bevonden voor een bepaalde zoönose of zoönoseverwekker in een bepaalde populatie over een duidelijk afgebakende periode;

6. "beslag": een dier of een groep dieren als omschreven in artikel 2, lid 2, onder a), van Richtlijn 64/432/EEG;

7. "koppel": een dier of een groep dieren als omschreven in artikel 2, tweede alinea, punt 7, van Richtlijn 90/539/EEG;

8. "primaire productie": de productie zoals omschreven in artikel 2 van Verordening (EG) nr. .../... [inzake levensmiddelenhygiëne].

Artikel 3 Bevoegde autoriteiten

1. Elke lidstaat wijst zijn bevoegde autoriteit in het kader van deze verordening aan en stelt de Commissie daarvan in kennis.

2. De bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor:

a) het opstellen van de in artikel 5, lid 1, bedoelde programma's en het voorbereiden van eventuele wijzigingen daarvan die nodig kunnen blijken in het licht van de beschikbare gegevens en resultaten;

b) het verzamelen van de gegevens die nodig zijn voor de evaluatie van de aangewende middelen en van de resultaten die zijn verkregen bij de uitvoering van de nationale bestrijdingsprogramma's als bedoeld in artikel 5 en het jaarlijks toezenden van deze gegevens en resultaten, inclusief de resultaten van eventuele onderzoeken, aan de Commissie en de Europese Voedselautoriteit, uiterlijk op 31 mei van het daaropvolgende jaar, overeenkomstig de krachtens artikel 9, lid 1, van Richtlijn .../.../EG [inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad] vastgestelde voorschriften;

c) het uitvoeren van regelmatige controles van levensmiddelenbedrijven om na te gaan of de bepalingen van deze verordening in acht worden genomen.

Hoofdstuk II Communautaire doelstellingen

Artikel 4 Communautaire doelstellingen inzake het verminderen van de prevalentie van zoönoses en zoönoseverwekkers

1. Er worden communautaire doelstellingen voor het verminderen van de prevalentie van de in bijlage I, deel A, kolom 1, genoemde zoönoses en zoönoseverwekkers bij de populaties die zijn opgenomen in bijlage I, deel A, kolom 2, vastgelegd, met inachtneming van:

a) de ervaring die is opgedaan in het kader van de bestaande nationale maatregelen;

b) de informatie die aan de Commissie of de Europese Voedselautoriteit is verstrekt uit hoofde van de bestaande communautaire voorschriften, in het bijzonder in het kader van de verslagen als bedoeld in artikel 9, lid 1, van Richtlijn .../.../EG [inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad];

c) de in bijlage I, deel B, vastgestelde criteria.

Indien nodig kan bijlage I volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure worden gewijzigd en kan worden besloten dat er communautaire doelstellingen worden vastgelegd voor andere stadia van de voedselketen.

2. De communautaire doelstellingen omvatten ten minste de in bijlage I, deel C, aangegeven bijzonderheden.

3. De communautaire doelstellingen worden voor de eerste keer vastgelegd vóór de in bijlage I, deel A, vierde kolom, aangegeven data. De doelstellingen, en eventuele wijzigingen daarvan, worden vastgelegd volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure, na raadpleging van de Europese Voedselautoriteit.

4. Onverminderd de communautaire voorschriften inzake diervoeding, diergezondheid en levensmiddelenhygiëne moet de terugdringing van de prevalentie van de zoönoses en zoönoseverwekkers die zijn vermeld in bijlage I, verlopen volgens de in deze verordening vastgestelde voorschriften en alle daaruit voortvloeiende voorschriften.

Hoofdstuk III Bestrijdingsprogramma's

Artikel 5 Nationale bestrijdingsprogramma's

1. De lidstaten stellen, met name in het licht van de in artikel 4 bedoelde communautaire doelstellingen en van de geografische verspreiding van zoönoses op hun grondgebied, nationale bestrijdingsprogramma's vast voor elke in de lijst in bijlage I opgenomen zoönose en zoönoseverwekker.

2. De nationale bestrijdingsprogramma's moeten zonder onderbreking worden uitgevoerd en een looptijd hebben van ten minste drie opeenvolgende jaren.

3. De nationale bestrijdingsprogramma's moeten:

a) voorzien in de opsporing van zoönoses en zoönoseverwekkers overeenkomstig de in bijlage II vastgestelde eisen en minimumbemonsteringsvoorschriften;

b) de verantwoordelijkheden vastleggen van de betrokken exploitanten van een levensmiddelenbedrijf, vooral met betrekking tot het in artikel 7 bedoelde bestrijdingsprogramma;

c) aangeven welke bestrijdingsmaatregelen moeten worden genomen ingeval zoönoses en zoönoseverwekkers worden opgespoord, in het bijzonder ter bescherming van de volksgezondheid, met inbegrip van de in bijlage II vermelde maatregelen;

d) de mogelijkheid bieden om de voortgang van de nationale bestrijdingsprogramma's te kunnen evalueren en de programma's eventueel te herzien, vooral in het licht van de resultaten die zijn verkregen bij de opsporing van zoönoses en zoönoseverwekkers.

4. De nationale bestrijdingsprogramma's moeten betrekking hebben op ten minste de volgende stadia van de voedselketen:

a) de productie van diervoeders;

b) de primaire dierlijke productie;

c) de verwerking en bereiding van levensmiddelen van dierlijke oorsprong.

5. De nationale bestrijdingsprogramma's moeten waar van toepassing bepalingen bevatten met betrekking tot de testmethoden en de criteria aan de hand waarvan de resultaten van die tests worden beoordeeld, voor het testen van op het nationale grondgebied geteste dieren en broedeieren in het kader van de officiële controles als bedoeld in bijlage II, deel A, punt 1.6.

6. De in bijlage II vastgestelde eisen en minimumbemonsteringsvoorschriften kunnen volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure worden gewijzigd.

7. Uiterlijk 6 maanden nadat de in artikel 4 bedoelde communautaire doelstellingen zijn vastgelegd, dienen de lidstaten bij de Commissie een nationaal bestrijdingsprogramma in en lichten de uit te voeren maatregelen toe.

Artikel 6 Goedkeuring van de nationale bestrijdingsprogramma's

1. Binnen zes maanden na de indiening van een nationaal bestrijdingsprogramma bepaalt de Commissie of het in overeenstemming is met de toepasselijke voorschriften en met name met deze verordening. De Commissie kan een lidstaat verzoeken een programma te wijzigen of aan te vullen teneinde het met de voorschriften in overeenstemming te brengen. Zodra de Commissie heeft geconstateerd dat een programma in overeenstemming is met de voorschriften, wordt dat programma goedgekeurd volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

2. Wijzigingen in een reeds overeenkomstig lid 1 goedgekeurd programma in verband met de ontwikkeling van de situatie in de betrokken lidstaat, met name in het licht van de resultaten als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder d), kunnen volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure worden goedgekeurd.

3. Wanneer de Commissie een lidstaat om aanvullende informatie heeft verzocht, wordt de in lid 1 genoemde termijn van zes maanden opgeschort totdat de informatie is meegedeeld.

Artikel 7 Bestrijdingsprogramma's van exploitanten van een levensmiddelenbedrijf

1. De lidstaten zetten exploitanten van een levensmiddelenbedrijf of organisaties die dergelijke exploitanten vertegenwoordigen, die de volledige verantwoordelijkheid dragen voor de productie van bepaalde dieren of producten van dierlijke oorsprong, ertoe aan een of meer bestrijdingsprogramma's op te stellen.

Deze bestrijdingsprogramma's moeten ten minste betrekking hebben op de productie van diervoeders en de primaire dierlijke productie.

2. Exploitanten van een levensmiddelenbedrijf of representatieve organisaties daarvan leggen hun bestrijdingsprogramma's en alle wijzigingen daarvan ter goedkeuring voor aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar ze zijn gevestigd. Indien de primaire productie plaatsvindt in verschillende lidstaten, worden deze programma's voor elke lidstaat afzonderlijk goedgekeurd.

3. De bevoegde autoriteit keurt de op grond van artikel 2 ingediende bestrijdingsprogramma's alleen goed indien zij er, na een inspectiebezoek, van overtuigd is dat de bestrijdingsprogramma's voldoen aan de minimumeisen die zijn vastgelegd in bijlage II, voorzover deze eisen van toepassing zijn, en in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de relevante nationale bestrijdingsprogramma's.

4. De lidstaten houden lijsten bij van de goedgekeurde bestrijdingsprogramma's van exploitanten van een levensmiddelenbedrijf of de representatieve organisaties daarvan.

Die lijsten worden op verzoek aan de Commissie ter beschikking gesteld.

5. Exploitanten van een levensmiddelenbedrijf of representatieve organisaties daarvan delen de resultaten van de bestrijdingsprogramma's regelmatig mee aan de bevoegde autoriteiten.

Hoofdstuk IV Bestrijdingsmethoden

Artikel 8 Specifieke bestrijdingsmethoden

1. Op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat en indien nodig na raadpleging van de Europese Voedselautoriteit kan volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure het volgende worden vastgesteld:

a) besluiten dat specifieke bestrijdingsmethoden kunnen of moeten worden toegepast met het oog op het terugdringen van de prevalentie van zoönoses en zoönoseverwekkers in het stadium van de primaire dierlijke productie en in andere stadia van de voedselketen;

b) voorschriften voor de wijze waarop de onder a) bedoelde methoden mogen worden gebruikt;

c) uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de nodige documenten en procedures, alsmede minimumeisen voor de onder a) bedoelde methoden;

d) besluiten dat bepaalde specifieke bestrijdingsmethoden niet in het kader van de bestrijdingsprogramma's mogen worden gebruikt.

2. Het bepaalde in lid 1, onder a), b) en c), is niet van toepassing op de methoden waarbij stoffen of technieken worden gebruikt die vallen onder de communautaire regelgeving inzake diervoeders, levensmiddelenadditieven of diergeneesmiddelen.

Hoofdstuk V Handelsverkeer

Artikel 9 Intracommunautair handelsverkeer

1. Uiterlijk met ingang van de in bijlage I, deel A, vijfde kolom, vastgestelde data worden koppels en beslagen van oorsprong van de in de tweede kolom genoemde diersoorten onderzocht op de in de eerste kolom vermelde zoönoses en zoönoseverwekkers, voordat de levende dieren of broedeieren uit het levensmiddelenbedrijf van herkomst worden verzonden. De data en de resultaten van de tests worden opgenomen in de desbetreffende gezondheidscertificaten, zoals bepaald bij Richtlijn 64/432/EEG of Richtlijn 90/539/EEG.

2. Onverminderd de specifieke voorschriften betreffende de controle op salmonella bij bepaalde koppels, zoals vastgelegd in bijlage II, kan de lidstaat van bestemming volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure worden toegestaan om gedurende een overgangsperiode te eisen dat de resultaten van de tests die moeten worden vermeld in de betrokken gezondheidscertificaten voor partijen dieren en broedeieren die in de lidstaat van verzending zijn getest, aan dezelfde criteria voldoen als de lidstaat van bestemming in zijn eigen programma overeenkomstig artikel 5, lid 5, heeft vastgesteld voor partijen die binnen zijn grondgebied worden verzonden.

Deze toestemming kan volgens dezelfde procedure worden ingetrokken.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 5, lid 6, kunnen volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure specifieke voorschriften worden vastgesteld betreffende het vaststellen van de in artikel 5, lid 5, en in lid 2 bedoelde criteria door de lidstaten.

4. Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepassing op de verzending van eieren die bestemd zijn om te worden verpakt of verwerkt.

Artikel 10 Invoer uit derde landen

1. Met ingang van de in bijlage I, deel A, vijfde kolom, aangegeven data hangt de toelating of handhaving op de in de communautaire regelgeving opgenomen lijsten van derde landen voor de betrokken diersoort of categorie, waaruit de lidstaten de onder deze verordening vallende dieren of broedeieren mogen invoeren, af van de indiening door het betrokken derde land bij de Commissie van een programma dat gelijkwaardig is aan de in artikel 5 bedoelde programma's. Het programma dient bijzonderheden te verstrekken over de door het betrokken land geboden garanties ten aanzien van inspecties en controles inzake zoönoses en zoönoseverwekkers. Die garanties moeten ten minste gelijkwaardig zijn aan de door deze verordening geboden garanties.

2. Deze programma's worden goedgekeurd volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid van de in het kader van het programma beschreven maatregelen en de toepasselijke voorschriften uit hoofde van de communautaire wetgeving objectief aangetoond wordt. Andere dan de bij deze verordening vastgestelde garanties kunnen volgens dezelfde procedure worden toegestaan, op voorwaarde dat zij niet gunstiger zijn dan die welke gelden voor het intracommunautaire handelsverkeer.

3. Voor derde landen waarmee een regelmatig handelsverkeer bestaat, is het bepaalde in artikel 5, lid 7, en artikel 6, leden 1 en 3, betreffende de termijnen voor de indiening en goedkeuring van de programma's van toepassing. Voor derde landen waarmee het handelsverkeer pas tot stand gebracht is of hervat, gelden de termijnen van artikel 6.

4. Koppels en beslagen van oorsprong van de in bijlage I, deel A, tweede kolom, genoemde diersoorten worden onderzocht op de in de eerste kolom vermelde zoönoses en zoönoseverwekkers, voordat de levende dieren of broedeieren uit het levensmiddelenbedrijf van herkomst worden verzonden. De datum en het resultaat van het onderzoek worden op de betrokken invoercertificaten vermeld; de modellen daarvoor in de communautaire regelgeving zullen dienovereenkomstig worden gewijzigd.

5. De lidstaat van bestemming kan volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure worden toegestaan om gedurende een overgangsperiode te eisen dat de resultaten van de in lid 4 bedoelde tests aan dezelfde criteria voldoen als die lidstaat in zijn eigen programma overeenkomstig artikel 5, lid 5, heeft vastgesteld. De toestemming kan worden ingetrokken en onverminderd het bepaalde in artikel 5, lid 6, kunnen volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure specifieke voorschriften worden vastgesteld betreffende het vaststellen van dergelijke criteria.

6. De toelating of handhaving op de in de communautaire regelgeving opgenomen lijsten van derde landen voor de betrokken productcategorie, waaruit de lidstaten de onder deze verordening vallende producten mogen invoeren, hangt af van de verstrekking door het betrokken derde land aan de Commissie van garanties die gelijkwaardig zijn aan de door deze verordening geboden garanties.

Hoofdstuk VI Laboratoria

Artikel 11 Referentielaboratoria

1. Volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure worden de communautaire referentielaboratoria aangewezen voor de analyse van en het testen op de zoönoses en zoönoseverwekkers die zijn vermeld in de lijst in bijlage I.

2. De verantwoordelijkheden en taken van de communautaire referentielaboratoria, in het bijzonder wat betreft de coördinatie van hun werkzaamheden met die van de nationale referentielaboratoria, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 14, lid 2.

3. De lidstaten wijzen de nationale referentielaboratoria aan voor de zoönoses en zoönoseverwekkers die zijn vermeld in de lijst in bijlage I. De naam en het adres van de laboratoria worden meegedeeld aan de Commissie.

4. Volgens de procedure van artikel 14, lid 2, kunnen bepaalde verantwoordelijkheden en taken van de nationale referentielaboratoria worden vastgesteld, in het bijzonder wat betreft de coördinatie van hun werkzaamheden met die van de relevante laboratoria in de lidstaten.

Artikel 12 Erkenning van laboratoria, kwaliteitsvoorschriften en erkende testmethoden

1. De laboratoria die deelnemen aan de op grond van de artikelen 5 en 7 vastgestelde bestrijdingsprogramma's, en waar monsters worden geanalyseerd met het oog op de opsporing van zoönoses en zoönoseverwekkers die zijn vermeld in de lijst in bijlage I, worden door de bevoegde autoriteit erkend.

2. De lidstaten zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde laboratoria uiterlijk op 1 januari 2005 een kwaliteitsborgingssysteem toepassen dat beantwoordt aan de eisen van EN/ISO-norm 17025.

De laboratoria nemen regelmatig deel aan ringonderzoeken die worden georganiseerd of gecoördineerd door het nationale referentielaboratorium.

3. De tests op de aanwezigheid van zoönoses en zoönoseverwekkers die zijn vermeld in de lijst in bijlage I worden uitgevoerd met als referentiemethoden de methoden en protocollen die zijn aanbevolen door de internationale normalisatie-organisaties.

Alternatieve methoden mogen worden gebruikt als die overeenkomstig internationaal erkende voorschriften zijn gevalideerd en resultaten opleveren die gelijkwaardig zijn aan de resultaten van de desbetreffende referentiemethode.

Zo nodig kunnen volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure andere testmethoden worden goedgekeurd.

Hoofdstuk VII Tenuitvoerlegging

Artikel 13 Wijziging van de bijlagen, uitvoeringsmaatregelen en overgangsmaatregelen

Volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure kunnen, indien nodig na raadpleging van de Europese Voedselautoriteit, de bijlagen worden gewijzigd of de nodige overgangsmaatregelen of uitvoeringsmaatregelen, met inbegrip van de noodzakelijke wijzigingen in de desbetreffende gezondheidscertificaten, worden vastgesteld.

Artikel 14 Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor voedselveiligheid en diergezondheid dat is opgericht bij Verordening (EG) nr. .../... van het Europees Parlement en de Raad van ... [tot vaststelling van de algemene beginselen en vereisten van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Voedselautoriteit en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden].

2. In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, is de regelgevingsprocedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van toepassing, met inachtneming van de artikelen 7 en 8 van dat besluit.

3. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt drie maanden.

Hoofdstuk VIII Algemene en slotbepalingen

Artikel 15 Communautaire controles

De Commissie verricht, overeenkomstig de Beschikkingen 98/139/EG en 98/140/EG, controles ter plaatse in de lidstaten en in derde landen teneinde erop toe te zien dat deze verordening, de op grond daarvan vastgestelde voorschriften en eventuele vrijwaringsmaatregelen op uniforme wijze worden toegepast.

Artikel 16 Wijziging van Richtlijn 64/432/EEG

Aan artikel 3, lid 2, van Richtlijn 64/432/EEG wordt een punt f) toegevoegd, luidende:

"f) zij moeten waar van toepassing gecontroleerd zijn overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. .../... van het Europees Parlement en de Raad* [deze verordening];

* PB L ....".

Artikel 17 Wijziging van Richtlijn 72/462/EEG

Aan artikel 6 van Richtlijn 72/462/EEG wordt een lid 7 toegevoegd, luidende:

"7. Levende dieren moeten komen uit derde landen waar de voorschriften inzake de bestrijding van zoönoses en zoönoseverwekkers gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. .../... van het Europees Parlement en de Raad* [deze verordening].

* PB L ....".

Artikel 18 Wijziging van Richtlijn 90/539/EEG

Richtlijn 90/539/EEG wordt als volgt gewijzigd:

(1) aan artikel 6, lid 1, wordt een punt d) toegevoegd, luidende:

"d) zij moeten gecontroleerd zijn overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. .../... van het Europees Parlement en de Raad* [deze verordening];

* PB L ....";

(2) aan artikel 10 wordt een punt e) toegevoegd, luidende:

"e) dat gecontroleerd is overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. .../... van het Europees Parlement en de Raad [deze verordening]";

(3) aan artikel 21, lid 2, wordt een punt h) toegevoegd, luidende:

"h) de overeenstemming met de communautaire voorschriften inzake de bestrijding van zoönoses en zoönoseverwekkers".

Artikel 19 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2003.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, op

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitster De Voorzitter

BIJLAGE I

A. Zoönoses en zoönoseverwekkers waarvoor op communautair niveau doelstellingen inzake vermindering van de prevalentie worden vastgelegd op grond van artikel 4

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

a De serotypes worden vastgelegd wanneer de doelstelling wordt vastgesteld.

B. Criteria voor het vaststellen van de lijst van zoönoses en de stadia van de voedselketen in deel A

Indien nodig kunnen zoönoses of zoönoseverwekkers worden toegevoegd of geschrapt of kunnen andere stadia van de voedselketen worden gespecificeerd, vooral met inachtneming van:

- hun vóórkomen bij dieren en bij mensen, in voeder en in levensmiddelen,

- de ernst ervan voor de mens,

- de economische gevolgen op het gebied van gezondheidszorg en voor levensmiddelenbedrijven,

- epidemiologische tendensen bij dieren, bij de mens, in diervoeders en in levensmiddelen, en

- de beheerskeuzen in het relevante stadium van de doelstelling.

C. Bijzonderheden over de doelstellingen

De communautaire doelstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, bestaan ten minste uit:

1. Een numerieke uitdrukking van

a) het maximumpercentage epidemiologische eenheden dat positief blijft en/of

b) het minimumpercentage waarmee het aantal positieve epidemiologische eenheden moet worden verminderd.

2. De maximumtermijn voor het bereiken van de doelstelling.

3. De definitie van de epidemiologische eenheden als bedoeld in punt 1, en

4. De definitie van de nodige testschema's om na te gaan of de doelstelling is bereikt.

BIJLAGE II Bestrijding van de in bijlage I vermelde zoönoses en zoönoseverwekkers

A. Algemene eisen voor nationale bestrijdingsprogramma's

Het programma dient rekening te houden met de aard van de zoönose en/of de zoönoseverwekker en met de specifieke situatie in de lidstaat, en:

a) in het programma moet melding worden gemaakt van het doel ervan, met inachtneming van de omvang van de betrokken zoönose;

b) in het programma moet melding worden gemaakt van:

1. Algemeen

1.1 de aanwezigheid van de betrokken zoönose in de lidstaat, met een specifieke verwijzing naar de resultaten van de bewaking overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn .../.../EG van het Parlement en de Raad [inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad],

1.2 het geografische gebied of, indien van toepassing, de epidemiologische eenheden waarop het programma van toepassing is,

1.3 de infrastructuur van de betrokken bevoegde autoriteiten,

1.4 een lijst van de erkende laboratoria waar de in het kader van het programma verzamelde monsters worden onderzocht,

1.5 de bij het onderzoek van de zoönoseverwekkers gebruikte methoden,

1.6 de officiële controles (inclusief bemonsteringsschema's) van diervoeders, koppels en/of beslagen,

1.7 de officiële controles (inclusief bemonsteringsschema's) in andere stadia van de voedselketen, en van diervoeders,

1.8 het type maatregelen dat door de bevoegde autoriteiten is vastgesteld met betrekking tot dieren of producten waarbij zoönoses of zoönoseverwekkers zijn gevonden, vooral ter bescherming van de volksgezondheid,

1.9 de ter zake relevante nationale regelgeving;

2. Met betrekking tot de levensmiddelenbedrijven waarvoor het programma van toepassing is:

2.1 de productiestructuur voor de betrokken soort en de producten daarvan,

2.2 de productiestructuur voor diervoeders,

2.3 relevante gidsen voor goede veehouderijpraktijken of andere richtsnoeren (bindende of facultatieve) waarin ten minste worden omschreven:

- het hygiënebeheer op bedrijven,

- maatregelen om de insleep via dieren, voedermiddelen, drinkwater, op het bedrijf werkend personeel te voorkomen,

- de hygiëne bij het transport van dieren van en naar het bedrijf,

2.4 veterinair routinetoezicht op de bedrijven,

2.5 registratie van de bedrijven,

2.6 door de bedrijven te registreren gegevens,

2.7 documenten waarvan de dieren bij verzending vergezeld moeten gaan,

2.8 andere relevante maatregelen om de traceerbaarheid van dieren te garanderen;

c) het programma moet voldoen aan de in deel B vastgestelde minimumeisen inzake bemonstering;

d) het programma moet waar van toepassing voldoen aan de in deel C tot en met E vastgestelde specifieke eisen.

B. Minimumbemonsteringsvoorschriften

1. Zodra het in artikel 5 bedoelde bestrijdingsprogramma is goedgekeurd, moet de exploitant van een levensmiddelenbedrijf, op eigen kosten, monsters laten nemen voor onderzoek op de in bijlage I genoemde zoönoses of zoönoseverwekkers, met inachtneming van de onderstaande minimumbemonsteringsvoorschriften.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

a De serotypes worden vastgesteld wanneer de doelstelling wordt vastgelegd.

2. De verzamelde gegevens gaan vergezeld van de volgende informatie:

a) datum en plaats van bemonstering,

b) identificatie van het koppel/beslag.

3. Immunologische tests mogen niet worden gebruikt wanneer de dieren zijn gevaccineerd, tenzij is aangetoond dat het gebruikte vaccin niet interfereert met de gebruikte testmethoden.

C. Specifieke eisen voor vermeerderingskoppels van Gallus gallus

Wanneer, op basis van een onderzoek overeenkomstig het bepaalde in punt 1 van de tabel in deel B.1 de aanwezigheid van Salmonella enteritidis of van Salmonella typhimurium is bevestigd bij dieren in een vermeerderingskoppel van Gallus gallus, moeten de volgende maatregelen worden getroffen.

Niet-bebroede eieren van een koppel moeten worden vernietigd, worden bestemd voor de vervaardiging van eierproducten of een gelijkwaardige behandeling ondergaan waarbij de uitschakeling van Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium gegarandeerd is, overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../... [inzake levensmiddelenhygiëne].

Onverminderd de voorschriften van deel E hierna moeten alle dieren - inclusief eendagskuikens - van het koppel worden geslacht of vernietigd, waarbij elk risico op verspreiding van salmonella zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het slachten moet gebeuren overeenkomstig [bijlage II, sectie II, hoofdstuk IV, punt 11] (de toepasselijke bepalingen) van Verordening (EG) nr. .../... van het Europees Parlement en de Raad van ... [houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong] [22] en [bijlage II, hoofdstuk III, sectie I, punt 5] (de toepasselijke bepalingen) van Verordening (EG) nr. .../... van het Europees Parlement en de Raad [houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de organisatie van officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong] [23].

[22] PB L ...

[23] PB L ...

Als in een broederij nog broedeieren aanwezig zijn van koppels waarin de aanwezigheid van Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium is bevestigd, moeten die eieren worden vernietigd of worden behandeld als categorie 3-materiaal overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../... van het Europees Parlement en van de Raad van ... [tot vaststelling van de gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten] [24].

[24] PB L ...

D. Specifieke eisen voor koppels van legkippen

Met ingang van 1 januari 2008 mogen eieren uitsluitend voor rechtstreekse menselijke consumptie (consumptie-eieren) dienen als zij afkomstig zijn van een commercieel legkippenkoppel dat na uitvoering van de tests van punt 2 in de tabel van deel B.1 niet besmet is gebleken.

Eieren afkomstig van een koppel met onbekende status waarvan wordt vermoed dat het besmet is, of van een besmet koppel, moeten worden bestemd voor de vervaardiging van eierproducten of een gelijkwaardige behandeling ondergaan waarbij de uitschakeling van Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium gegarandeerd is, overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../... [inzake levensmiddelenhygiëne].

Onverminderd de voorschriften van deel E hierna moeten alle dieren worden geslacht of vernietigd, waarbij elk risico op verspreiding van salmonella zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het slachten moet gebeuren overeenkomstig [bijlage II, sectie II, hoofdstuk IV, punt 11] (de toepasselijke bepalingen) van Verordening (EG) nr. .../... van het Europees Parlement en de Raad van ... [houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong] en [bijlage II, hoofdstuk III, sectie I, punt 5] (de toepasselijke bepalingen) van Verordening (EG) nr. .../... van het Europees Parlement en de Raad [houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de organisatie van officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong].

E. Specifieke eisen voor koppels van slachtkuikens

Met ingang van 1 januari 2009 is het volgende criterium van toepassing voor het in de handel brengen van vers pluimveevlees, tenzij het bestemd is voor industriële hittebehandeling of een andere behandeling waarmee salmonella kan worden uitgeschakeld, overeenkomstig Verordening (EG) nr. .../... [inzake levensmiddelenhygiëne]:

"Salmonella: afwezig in 25 gram"

Deze eisen kunnen volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure na raadpleging van het ter zake bevoegde wetenschappelijke comité worden herzien.

FINANCIEEL MEMORANDUM BIJ HET BESLUIT

Beleidsgebied(en): Gezondheid en consumentenbescherming

Activiteit(en): volksgezondheid uit veterinair oogpunt

Benaming van de actie:

1. Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad

2. Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bestrijding van salmonella en andere door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers en houdende wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG, 72/462/EEG en 90/539/EEG van de Raad

1. BEGROTINGSPLAATS(EN) + OMSCHRIJVING(EN)

B1-330 Programma's voor de uitroeiing en de bewaking van dierziekten en voor de bewaking van de lichamelijke toestand van dieren met een volksgezondheidsrisico, die veroorzaakt is door een externe factor

Dit artikel financiert de gecoördineerde bewakingsprogramma's als bedoeld in artikel 6 van het bovengenoemde richtlijnvoorstel alsmede een aantal acties uit hoofde van de nationale bestrijdingsprogramma's die krachtens het bovengenoemde verordeningsvoorstel in de lidstaten moeten worden uitgevoerd. De financiële bepalingen worden vastgesteld in het nieuwe hoofdstuk over zoönoses van Beschikking 90/424/EEG van de Raad betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied [25], zoals gewijzigd krachtens het bovengenoemde richtlijnvoorstel.

[25] PB L 224 van 18.8.1990. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2001/12/EG van de Raad, PB L 3 van 6.1.2001, blz. 27.

B1-331 Andere maatregelen op veterinair gebied, op het gebied van het welzijn van dieren en van de volksgezondheid

Uit dit artikel worden de betrokken communautaire referentielaboratoria gefinancierd.

2. ALGEMENE CIJFERS

2.1 Totale toewijzing voor de actie (deel B): 2,4 miljoen EUR aan VK

2.2 Duur: 2003-

De bestaande zoönoserichtlijn (92/117/EEG) wordt herzien. Doel hiervan is de bewaking en bestrijding van zoönoses in de Gemeenschap te verbeteren met het oog op de bescherming van de volksgezondheid. Er zijn uitgaven te verwachten in verband met:

- de werkzaamheden van de communautaire referentielaboratoria;

- de medefinanciering van communautaire gecoördineerde bewakingsprogramma's;

- de medefinanciering van bepaalde specifieke bestrijdingsmaatregelen.

Wat de specifieke bestrijdingsmaatregelen betreft, wordt de communautaire financiering voortgezet op grond van de bestaande regels van Richtlijn 92/117/EEG. Zie ook punt 5.1.2.

Alleen de medefinanciering van de gecoördineerde bewakingsprogramma's is een nieuwe technische maatregel die komt bij de reeds ingevoerde maatregelen krachtens Richtlijn 92/117/EEG, die uit hoofde van Beschikking 90/424/EEG van de Raad worden gefinancierd. Het is de bedoeling om voor deze maatregel jaarlijks 0,4 miljoen euro uit te trekken. Daarom is alleen de financiering van deze nieuwe maatregel in de raming voor deze voorstellen opgenomen.

2.3 Meerjarenraming van de uitgaven:

a) Tijdschema vastleggingskredieten/betalingskredieten (financieren uit de begroting) (cf. punt 6.1.1)

in miljoen EUR (tot op drie decimalen nauwkeurig)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

b) Technische en administratieve bijstand en ondersteuningsuitgaven (cf. punt 6.1.2)

GEEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

c) Financiële gevolgen in verband met de personele middelen en andere huishoudelijke uitgaven (cf. punten 7.2 en 7.3)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Deze bij de diensten van de Commissie beschikbare middelen worden gebruikt voor het algehele beheer van de uitvoering van deze voorstellen. Dit bestaat met name uit het technisch beheer van de programma's die door de lidstaten en derde landen worden ingediend en door de Commissie moeten worden goedgekeurd, en het toezicht op en beheer van de (mede)financiering van acties in de lidstaten.

2.4 Verenigbaarheid met de financiële programmering en de financiële vooruitzichten

|X|x Voorstel verenigbaar met de bestaande financiële programmering.

| | Dit voorstel vereist een herprogrammering van de betrokken rubriek van de financiële vooruitzichten

| | inclusief, in voorkomend geval, een beroep op de bepalingen van het interinstitutioneel akkoord.

2.5 Financiële gevolgen voor de ontvangsten

Geen

| | Geen enkele financiële implicatie (betreft technische aspecten in verband met de tenuitvoerlegging van een maatregel)

OF

| | Financiële gevolgen - Het effect op de ontvangsten is als volgt:

- NB: alle opmerkingen en toelichtingen met betrekking tot de methode waarmee de gevolgen voor de ontvangsten worden berekend, moeten op een afzonderlijk blad worden toegevoegd aan dit financieel memorandum.

in miljoen EUR (tot op 1 decimaal nauwkeurig)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(Elke betrokken begrotingsplaats beschrijven en het passende aantal regels aan de tabel toevoegen indien het effect betrekking heeft op meerdere begrotingsplaatsen)

3. BEGROTINGSKENMERKEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

*: alleen gecoördineerde bewakingsprogramma's

4. RECHTSGRONDSLAG

Rechtsgrondslag van de voorstellen: artikel 152 van het Verdrag

Financieel instrument: Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied

5. BESCHRIJVING EN MOTIVERING

5.1 Doel van het communautaire optreden [26]

[26] Zie het afzonderlijke oriënterend document voor meer informatie.

5.1.1 Doelstellingen

Opmerking vooraf: de huidige wetgeving inzake de preventie van zoönoses (Richtlijn 92/117/EEG) diende te worden herzien ingevolge artikel 15 bis van de richtlijn en in dat kader was het de bedoeling om de controles tot legkippen uit te breiden. De voorstellen maken deel uit van het programma van het op 12 januari 2000 door de Commissie goedgekeurde witboek over voedselveiligheid. De voorstellen eerbiedigen de belangrijkste principes van het witboek over voedselveiligheid, in het bijzonder: een hoog niveau van voedselveiligheid garanderen, een geïntegreerd beleid "van boer tot bord" tot stand brengen, uitgaan van risicoanalyse, inclusief de mogelijkheid om rekening te houden met het voorzorgsbeginsel en met andere factoren.

Hoofddoel is de volksgezondheid beter te beschermen, vooral door het aantal gevallen van door het voedsel veroorzaakte salmonellose bij de mens sterk te doen dalen. Dit zal worden verwezenlijkt door de prevalentie van salmonella bij de belangrijkste dierpopulaties die daar de bron van zijn (vermeerderingskoppels van Gallus gallus, vervolgens commerciële koppels, en dan kalkoenen en beslagen fokvarkens) terug te dringen. Door het terugdringen van de prevalentie bij dierpopulaties zal de concentratie in primaire producten en verderop in de voedselketen dalen.

De jaarlijkse kosten van via het voedsel overgedragen salmonellose (gevolgen van ziekte bij de mens) worden op zo'n 560-2 840 miljoen euro geraamd. Gezien de hoge economische kosten van zoönoses, niet alleen voor de exploitanten maar ook voor de samenleving als geheel, is het gerechtvaardigd dat maatregelen om deze ziekten/infecties terug te dringen of te bestrijden door de overheid worden gefinancierd. Ook is duidelijk dat de Gemeenschap hieraan een financiële bijdrage moet leveren. Door financiële deelneming van de Gemeenschap kan ervoor worden gezorgd dat alle lidstaten die door een bepaalde ziekte/infectie worden getroffen, hun krachten bundelen zodat de bedreiging in kwestie in de hele Gemeenschap veel doeltreffender teruggedrongen of weggenomen kan worden, terwijl de lidstaten zelf de aandacht kunnen blijven richten op problemen die voor hun grondgebied van bijzonder belang zijn. Zou de Gemeenschap niet bijdragen, dan zouden de lidstaten zich logischerwijze tot hun eigen prioriteiten willen beperken. Wat bepaalde specifieke bestrijdingsmaatregelen betreft, wordt de communautaire financiering voortgezet op grond van de bestaande regels van Richtlijn 92/117/EEG, zoals vastgesteld in de voorstellen.

De enige nieuwe maatregel voor communautaire medefinanciering in deze voorstellen houdt verband met de gecoördineerde bestrijdingsprogramma's, die een belangrijk onderdeel zijn om de bewaking te verbeteren en beginwaarden van pathogenen (salmonella) vast te stellen. Dit is een eerste stap bij het vaststellen of herzien van doelstellingen voor het terugdringen van pathogenen zoals in de voorstellen is vereist.

5.1.2 Genomen maatregelen die onder de evaluatie ex ante vallen

Zoals al is aangegeven, is overheidsfinanciering van maatregelen om de ziekten/infecties terug te dringen of te elimineren gerechtvaardigd. De doeltreffendheid van de programma's in een bepaalde lidstaat kan worden beperkt of ondermijnd als de zoönose in andere lidstaten blijft aanhouden, hetzij direct door besmetting over de grenzen heen, hetzij indirect als gevolg van economische druk doordat de financiële inspanningen van de autoriteiten en exploitanten van lidstaat tot lidstaat uiteenlopen. Ook zijn er om geografische en historische redenen verschillen in de nationale prioriteiten. Al is niet overal vooruitgang geboekt bij het terugdringen of elimineren van ziekten/infecties en was dit over het geheel genomen te weinig, wel is gebleken dat de getroffen maatregelen veelal doeltreffend waren en dat met een zorgvuldige aanpak nog grote verbeteringen kunnen worden bereikt.

Alleen de medefinanciering van de gecoördineerde bewakingsprogramma's is een nieuwe technische maatregel die komt bij de reeds krachtens Richtlijn 92/117/EEG ingevoerde maatregelen, die uit hoofde van Beschikking 90/424/EEG van de Raad worden gefinancierd. Het is de bedoeling om voor deze nieuwe maatregel jaarlijks 0,4 miljoen euro uit te trekken.

Wat bepaalde specifieke bestrijdingsmaatregelen betreft, wordt de communautaire financiering voortgezet op grond van de bestaande regels van Richtlijn 92/117/EEG. Te verwachten valt dat steeds meer lidstaten een verzoek om medefinanciering van hun plannen zullen indienen. De financiering van de plannen gebeurt in het kader van de budgettaire procedures en de jaarlijkse programmering. De voorgestelde herziening van het hoofdstuk over zoönoses van het financiële instrument (Beschikking 90/424/EEG van de Raad) stelt de maximale medefinanciering van bepaalde maatregelen op 50%.

5.1.3 Naar aanleiding van de evaluatie ex post genomen maatregelen

5.2 Voorgenomen acties en wijze van financiering uit de begroting

Er zijn drie onderdelen:

- communautaire referentielaboratoria (CRL): 100% communautaire financiering van de CRL, zoals al gebeurt krachtens Beschikking 90/424/EEG van de Raad. De jaarlijkse technische werkprogramma's en de geraamde kosten moeten worden besproken voordat de Commissie elk jaar een beschikking vaststelt. De betalingen worden gedaan aan de bevoegde autoriteiten in de betrokken lidstaten;

- gecoördineerde bewakingprogramma's: communautaire medefinanciering (50%) krachtens Beschikking 90/424/EEG van de Raad. De programma's worden bij beschikking van de Commissie vastgesteld;

- bepaalde specifieke bestrijdingsmaatregelen: de begunstigden zijn de veehouders, ingeval hun koppels of producten daarvan geslacht respectievelijk onder specifieke omstandigheden verwijderd moeten worden ter voorkoming van risico's voor de volksgezondheid. Voor de financiering van de programma's gelden de procedures van Beschikking 90/424/EEG van de Raad: in het bijzonder moeten de lidstaten jaarlijks een programma indienen; de diensten van de Commissie beoordelen die programma's uit technisch en financieel oogpunt en vervolgens beslist de Commissie hierover. De betalingen worden gedaan aan de bevoegde autoriteiten in de lidstaten. De medefinanciering bedraagt maximaal 50%.

5.3 Tenuitvoerlegging

Direct beheer van de technische en financiële goedkeuring van de acties door personeel van de Commissie. Betaling van de acties volgens de procedures van Beschikking 90/424/EEG van de Raad. Vergoeding van onkosten in de lidstaten door betalingen aan de bevoegde autoriteiten. Zie ook punt 5.2.

6. FINANCIËLE GEVOLGEN

6.1 Totale financiële gevolgen voor deel B (voor de gehele programmeringsperiode)

(De berekeningsmethode voor de in de tabel hieronder vermelde bedragen moet worden verklaard in tabel 6.2.)

6.1.1 Financiering VK in miljoen EUR (tot op 3 decimalen nauwkeurig)

Dit betreft alleen de nieuwe maatregelen in de voorstellen, d.w.z. de gecoördineerde bewakingsprogramma's.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

6.2. Berekening van de kosten per overwogen maatregel in deel B (voor de gehele programmeringsperiode) [27]

[27] Zie het afzonderlijke oriënterend document voor meer informatie.

Dit omvat alleen de nieuwe maatregelen in de voorstellen, d.w.z. de gecoördineerde bewakingsprogramma's. Zie het rekenvoorbeeld in de bijlage.

VK in miljoen EUR (tot op drie decimalen nauwkeurig)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Zo nodig de wijze van berekening toelichten

7. GEVOLGEN VOOR HET PERSONEELSBESTAND EN DE ADMINISTRATIEVE UITGAVEN

7.1. Gevolgen voor de personele middelen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

7.2 Algemene financiële gevolgen in verband met de personele middelen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden.

7.3 Andere huishoudelijke uitgaven die uit de actie voortvloeien

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

De bedragen stemmen overeen met de totale uitgaven gedurende 12 maanden.

(1) De aard van het comité en de groep waar het deel van uitmaakt, vermelden.

I. Jaartotaal (7.2 + 7.3)

II. Duur van de actie

III. Totale kosten van de actie (I x II) // EUR

Jaar

EUR

8. TOEZICHT EN EVALUATIE

8.1 Follow-upsysteem

- Financiering van communautaire referentielaboratoria (CRL): de jaarlijkse technische werkprogramma's en de geraamde kosten worden door de diensten van de Commissie en het betrokken CRL gezamenlijk geëvalueerd; zo nodig worden zij bijgesteld, voordat de Commissie hierover (jaarlijks) beslist.

- Gecoördineerde bewakingsprogramma's: de programma's, vastgesteld bij beschikking van de Commissie, worden zo mogelijk in één jaar uitgevoerd. Naar alle waarschijnlijkheid moeten de autoriteiten van de lidstaten de bemonsteringen en tests zelf uitvoeren. Hierbij kan de sector worden betrokken.

- Medefinanciering van bepaalde specifieke bestrijdingsmaatregelen: de financiële bijdrage wordt ingevoerd in het kader van een nationaal plan dat bij de Commissie wordt ingediend en door haar wordt goedgekeurd. Voor de financiering van de bestrijdingsmaatregelen gelden de procedures van Beschikking 90/424/EEG van de Raad: in het bijzonder moeten de lidstaten jaarlijks nationale plannen met maatregelen indienen; de diensten van de Commissie beoordelen die programma's uit technisch en financieel oogpunt en vervolgens beslist de Commissie hierover. Artikel 5, lid 3, onder d), van het verordeningsvoorstel bevat regels om de voortgang met de bestrijdingsprogramma's te evalueren. Wanneer de doelstellingen voor het terugdringen van pathogenen zijn vastgesteld, stelt de Commissie vast binnen welke termijn de doelstelling moet worden gehaald.

Om de uitvoering van de nationale plannen te volgen moet de Commissie overeenkomstig artikel 16 controles ter plaatse verrichten.

8.2 Procedure en periodiciteit van de voorgeschreven evaluatie

Zowel voor de communautaire referentielaboratoria als voor de door de lidstaten uitgevoerde bestrijdingsplannen worden jaarlijks evaluaties op basis van documenten verricht (zie boven). Verder houdt het Voedsel- en Veterinair Bureau van de EU inspecties ter plaatse om de uitvoering van de communautaire wetgeving, met inbegrip van de nationale plannen, te evalueren. De frequentie van de inspectiebezoeken hangt af van de prioriteit die aan het onderwerp in kwestie is toegekend. De inspecties inzake de bestrijdingsprogramma's voor belangrijke dierziekten vinden tot dusver regelmatig, tot een keer per jaar plaats. Daarnaast worden financiële controles ter plaatse gehouden door de bevoegde dienst van het directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming. Er is een prioriteitensysteem. In geval van tekortkomingen worden correcties aangebracht.

9. FRAUDEBESTRIJDINGSMAATREGELEN

Zie de punten 8.1 en 8.2.

Verder kan OLAF in actie komen, op eigen initiatief of op grond van informatie afkomstig uit verschillende bronnen, waaronder de onder punt 8.2 genoemde.

BIJLAGE BIJ HET FINANCIEEL MEMORANDUM

Wijze van berekening van de geraamde kosten:

1. Gecoördineerde bewakingsprogramma's

Artikel 6 van het richtlijnvoorstel inzake de bewaking van zoönoses biedt de mogelijkheid om gecoördineerde bewakingsprogramma's vast te stellen. Deze programma's zijn bedoeld om reeksen geharmoniseerde gegevens te verzamelen die als referentie worden gebruikt bij het vaststellen van doelstellingen voor het terugdringen van pathogenen volgens het verordeningsvoorstel inzake de bestrijding van salmonella en andere door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers. Aangezien de Commissie de lidstaten daarbij moet verzoeken om specifieke bemonsterings- en testprogramma's uit te voeren, die mogelijk afwijken van de procedures van het nationale bewakingssysteem, wordt het noodzakelijk geacht dat de Gemeenschap dergelijke gecoördineerde programma's kan financieren.

Bijvoorbeeld: voor één studie naar de precieze prevalentie van salmonella in de pluimveepopulatie in de verschillende lidstaten zou een representatief aantal monsters moeten worden getest. Ervan uitgaande dat in de EU ongeveer 35 000 monsters moeten worden genomen en dat een bacteriologische test op salmonella naar schatting EUR 24 kost, zou zo'n studie jaarlijks op EUR 800 000 komen, waaraan de Gemeenschap dan voor 50% bijdraagt. Naar verwachting moeten dergelijke studies jaarlijks worden verricht, in samenhang met de vaststelling van doelstellingen voor het terugdringen van pathogenen voor specifieke combinaties van pathogenen en waren.

EFFECTBEOORDELINGSFORMULIER

EFFECT VAN HET VOORSTEL OP HET BEDRIJFSLEVEN, MET NAME OP HET MIDDEN- EN KLEINBEDRIJF (MKB)

Titel van het voorstel

1. Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad

2. Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bestrijding van salmonella en andere door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers en houdende wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG, 72/462/EEG en 90/539/EEG van de Raad

Referentienummer van het document

Voorstel

1. Waarom is, gelet op het subsidiariteitsbeginsel, communautaire wetgeving op dit gebied noodzakelijk en wat zijn de voornaamste doelstellingen-

De voorstellen zijn bedoeld om de volksgezondheid beter te beschermen door intensievere bewaking en bestrijding van zoönoses (ziekten die van dieren op de mens kunnen worden overgedragen). Aangezien zoönoses zich via voedsel of andere bronnen direct of indirect van lidstaat tot lidstaat kunnen verspreiden is optreden op communautair niveau noodzakelijk. De bestrijding van zoönoses kan ook gevolgen hebben voor het handelsverkeer met derde landen.

Effect op het bedrijfsleven

2. Waarop is het voorstel van invloed-

- welke bedrijfstakken: de specifieke voorschriften inzake de bestrijding van zoönoses hebben betrekking op

- fokkers van Gallus gallus met ingang van 2004,

- producenten van legkippen met ingang van 2005,

- producenten van slachtkuikens met ingang van 2006,

- producenten van kalkoenen met ingang van 2007, en

- producenten van fokvarkens met ingang van 2007;

- welke bedrijfsomvang (met welk aandeel van kleine en middelgrote bedrijven): de voorstellen zijn van invloed op alle bedrijven, ongeacht hun omvang;

- zijn er bijzondere geografische gebieden van de Gemeenschap waar deze bedrijven voorkomen: bovengenoemde dieren worden in alle lidstaten geproduceerd.

3. Wat moeten de bedrijven doen om aan de voorgestelde wetgeving te voldoen-

De bedrijven moeten voldoen aan de voorschriften van de desbetreffende nationale bestrijdingsprogramma's (met inbegrip van de bemonstering van koppels of beslagen) en de specifieke voorschriften van de verordening. De bedrijven kunnen hun eigen bestrijdingsprogramma's opzetten.

4. Welke economische gevolgen zal het voorstel waarschijnlijk hebben:

- voor de werkgelegenheid: geen;

- voor de investeringen en de oprichting van nieuwe bedrijven: in verband met de intensievere bestrijding van zoönoses bij de primaire productie kunnen nieuwe investeringen in de gebouwen van veehouderijbedrijven nodig zijn. De bestrijdingsprogramma's, die regelingen voor bemonstering en tests inhouden, zullen de behoefte aan adequate testsystemen en laboratoria vergroten;

- voor het concurrentievermogen van de bedrijven: de beoogde bestrijdingsprogramma's leiden tot extra kosten voor de bedrijven. De omvang van deze kosten zal worden bepaald wanneer de Commissie op basis van dit voorstel specifieke beschikkingen vaststelt. Anderzijds is het voorstel bedoeld om de bescherming van de gezondheid van de consument te verbeteren en kan dus worden gesteld dat de bedrijven voordeel zullen hebben van het grotere vertrouwen van de consument in de betrokken producten.

5. Bevat het voorstel maatregelen om rekening te houden met de bijzondere situatie van kleine en middelgrote bedrijven (minder zware of andere eisen, enz.)-

Het is de bedoeling dat de nationale bestrijdingsprogramma's rekening houden met de omvang van de betrokken bedrijven.

Raadpleging

6. Geef een overzicht van de organisaties die over het voorstel zijn geraadpleegd en zet hun standpunten in grote lijnen uiteen.

Organisaties van veehouders, levensmiddelenproducenten en consumenten, met name in het kader van het Raadgevend Comité voor dierlijke productie. De vertegenwoordigers van de levensmiddelenbedrijven hebben hun bezorgdheid geuit over de hoge kosten die aan de beoogde bestrijdingsprogramma's verbonden kunnen zijn.

Top