EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52001PC0035

Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake toegang tot de markt voor havendiensten

/* COM/2001/0035 def. - COD 2001/0047 */

OJ C 154E , 29.5.2001, p. 290–296 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52001PC0035

Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake toegang tot de markt voor havendiensten /* COM/2001/0035 def. - COD 2001/0047 */

Publicatieblad Nr. 154 E van 29/05/2001 blz. 0290 - 0296


Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake toegang tot de markt voor havendiensten

(Door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

1. Inleiding

De markt voor havendiensten omvat diensten met commerciële waarde die tegen betaling worden verstrekt aan de gebruikers van zeehavens en waarvan de prijs normaal niet inbegrepen is in de vergoedingen die moeten worden betaald voor het aanleggen of werken in een haven. Hoewel deze sector van de dienstverlening van essentieel belang is voor het functioneren van de haven en vandaar ook van de handel in de Gemeenschap, bestaat er momenteel geen specifiek communautair regelgevingskader voor havendiensten.

Nationale regelingen voor havendiensten moeten echter de door het Verdrag gewaarborgde vrijheden respecteren (vrijheid van vestiging, vrij verkeer van werknemers, goederen en diensten), alsook de mededingingsregels van het Verdrag. Problemen met de toepassing van deze regels zijn tot dusver per geval door de Commissie behandeld.

Havens spelen een cruciale rol in het intracommunautaire en extracommunautaire handelsverkeer. Zij zullen een steeds belangrijkere rol gaan spelen bij de pogingen die worden gedaan om een verschuiving van het goederen- en passagiersverkeer naar de milieuvriendelijker en minder aan congestie onderhevige zeevaart tot stand te brengen, intermodaal vervoer te bevorderen en dit goedkoper te maken; de doelmatigheid van havens dient dus te worden gegarandeerd.

De liberalisering van de communautaire interne markt voor het zeevervoer heeft in het afgelopen decennium haar beslag gekregen. Er gelden echter nog overgangsregelingen die beperkingen binnen de cabotagemarkt voor de Griekse eilanden mogelijk maken. De situatie qua havendiensten varieert aanzienlijk: in veel havens bestaan nog steeds beperkingen ten aanzien van toegang en billijke en gelijke behandeling van potentiële dienstverleners, hetgeen gevolgen heeft voor de kwaliteit en de kosten van de diensten. Toch kan worden gesteld dat de ontwikkelingen binnen de markt voor havendiensten de trend van het zeevervoer in de richting van een meer open markt volgen, zij het met een aanzienlijke vertraging. Die ontwikkelingen lopen echter onderling sterk uiteen.

Om deze redenen is het, met het oog op de belangen van exploitanten, bevoegde instanties en consumenten, noodzakelijk specifieke en duidelijke regels inzake de toegang tot de markt voor havendiensten in te voeren waarin rekening wordt gehouden met de unieke kenmerken van die markt.

2. De noodzaak van een communautair wetgevingskader

De concurrentie tussen in eenzelfde lidstaat gelegen havens en tussen havens in naburige lidstaten is sinds de voltooiing van de interne markt aanzienlijk toegenomen.

Hoewel alle havens uiteraard de door de bevoegde nationale instanties vastgestelde regels moeten naleven, blijven de diversiteit en complexiteit van deze regels, alsook de aanzienlijke mate van onzekerheid in procedurekwesties factoren van fundamenteel belang voor de gebruikers van de havens en de verstrekkers van havendiensten. Prijs en kwaliteit van de havendiensten zijn voor de gebruikers een van de belangrijkste criteria bij de keuze van een haven geworden; een reeks in alle havens van de Gemeenschap geldende basisregels zou ervoor zorgen dat bij de concurrentie binnen en tussen havens voor iedereen dezelfde spelregels zouden gelden.

In de afgelopen jaren heeft de tendens de verlening van havendiensten van de publieke naar de privé-sector te laten overgaan zich doorgezet en zelfs nog aan kracht gewonnen; het doel hierbij is de efficiëntie te verhogen, gebruik te maken van de knowhow van de privé-sector en concurrentie tussen dienstverleners te introduceren en te intensiveren. Deze tendens is zeker niet uniform en varieert zelfs sterk per sector van de havendiensten, maar desondanks hebben alle lidstaten er principieel voor gekozen deze sector open te stellen voor concurrentie. De begeleidende regels lopen echter sterk uiteen. In veel gevallen is zelfs niet duidelijk wat zij precies inhouden, hetgeen de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde vrijheden onnodig bemoeilijkt.

Het heterogene karakter van de havendiensten en de diversiteit van de havens (qua status, eigendom, omvang, functie en geografische kenmerken) blijven factoren van belang. Daarom moet op passende wijze rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van elke haven en de relevantie daarvan voor de verstrekkers van havendiensten. Dit kan met name van belang zijn in gevallen waarin havens met ruimte- en capaciteitsproblemen worstelen of waarin specifieke overwegingen in de sfeer van maritieme veiligheid en milieubescherming spelen. Daarnaast spelen havens een belangrijke rol in de communautaire douaneprocedures.

Het subsidiariteitsbeginsel houdt in dat de lidstaten en hun bevoegde instanties de bevoegdheid moeten krijgen om rekening te houden met specifieke lokale, regionale of nationale factoren. Hoe gegrond de inachtneming van deze factoren in veel gevallen ook mag zijn, de op de fundamentele vrijheden van het Verdrag gebaseerde rechten van de dienstverleners mogen daardoor niet overmatig worden beperkt. Daarom dienen op communautair niveau de voorwaarden voor de uitoefening van deze vrijheden te worden vastgesteld, met name de eis dat, wanneer beperkingen ten aanzien van het aantal dienstverleners noodzakelijk worden geacht, deze objectief gerechtvaardigd moeten zijn en dat de procedure voor het toestaan van deze beperkingen transparant, niet-discriminerend, objectief, relevant en proportioneel moet zijn.

Nog een kenmerk van een aanzienlijk aantal havens is de dubbele functie van de havenbeheerder als een (publieke maar ook soms private) instantie die verantwoordelijk is voor het beheer van de haven en de ontwikkeling daarvan, en daarvoor in veel gevallen over overheidsmiddelen kan beschikken, en als een verlener van havendiensten in een sector waar ook andere dienstverleners worden toegelaten. Het is vaak onduidelijk onder welke voorwaarden publieke en private dienstverleners met elkaar kunnen concurreren.

Het communautaire kader voor havendiensten dient niet te gelden voor alle havens, ongeacht de omvang daarvan. Onderkend wordt dat de toepassing van het kader door de lidstaten in veel gevallen een extra belasting voor de bevoegde instanties zal betekenen die voor kleinere havens niet in verhouding lijkt te zullen staan tot het verwachte resultaat, aangezien voor de daar gangbare beperkte vracht- en passagiersvolumes normaal niet een hele reeks dienstverleners vereist is.

Gezien deze situatie dient te worden voorzien in een communautair regelgevingskader dat enerzijds zorgt voor toegang tot de markt voor havendiensten overeenkomstig de regels van het Verdrag, en anderzijds de lidstaten en de bevoegde instanties de kans geeft ter aanvulling daarvan specifieke regels vast te stellen die terdege rekening houden met de geografische en andere kenmerken van de havens, alsook met specifieke lokale, regionale of nationale factoren.

3. Voorstel van de Commissie

3.1. Basisprincipes

*De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verleners van havendiensten toegang hebben tot de markt voor de verlening van die diensten. Met dit beginsel wordt ten aanzien van deze specifieke sector uitvoering gegeven aan de regels van het Verdrag inzake de belangrijkste vrijheden en inzake concurrentie. De Commissie is van mening dat geen enkele commerciële havendienst bij voorbaat van het communautaire kader mag worden uitgesloten. Bij dit wetgevingsvoorstel is een lijst van havendiensten gevoegd.

*De lidstaten kunnen verlangen dat een verlener van havendiensten eerst een vergunning verkrijgt. Dit principe is een erkenning van het feit dat het nodig kan zijn dat de lidstaten, voor een goed beheer van een haven met alle beperkingen waarmee deze te maken heeft, alsook om te zorgen voor een bevredigend niveau van beroepskwalificaties, een stelsel van voorafgaande vergunningen voor verleners van havendiensten toepassen. De Commissie is van oordeel dat de voorwaarde voor de toekenning van vergunningen transparant, niet-discriminerend, objectief, relevant en proportioneel moeten zijn. Zij mogen alleen betrekking hebben op de beroepskwalificaties van de dienstverlener, zijn financiële positie en verzekeringsdekking, de maritieme veiligheid of de veiligheid van installaties, uitrusting en personen, alsook op milieubescherming. Wanneer openbare dienstverplichtingen passend worden geacht, kunnen deze voorwaarden betrekking hebben op de veiligheid, regelmatigheid, continuïteit, kwaliteit en prijs van de betrokken diensten.

*Het aantal vergunningen kan alleen worden beperkt wegens ruimte- of capaciteitsbeperkingen of, wanneer het technisch-nautische diensten betreft, om redenen in verband met de veiligheid van het zeeverkeer. Deze beperkende factoren moeten aannemelijk worden gemaakt en de lidstaten moeten een transparante, objectieve en niet-discriminerende procedure voor de selectie van de dienstverleners toepassen. De belangrijkste aspecten van de selectieprocedures zullen worden geharmoniseerd.

*Dit principe verzoent de regels van het Verdrag inzake de vrijheid van vestiging en dienstverlening met het feit dat in een aantal havens en onderdelen van de sector havendiensten bovenvermelde beperkingen een begrenzing van het aantal vergunningen onvermijdelijk maakt.

*Havens waar een dergelijke begrenzing niet bestaat zijn niet gebonden door de regels inzake beperking van het aantal vergunningen, de selectieprocedure, de looptijd van vergunningen en overgangsmaatregelen. Dit principe is een erkenning van het feit dat het met deze richtlijn nagestreefde doel in deze havens reeds bereikt is.

*De lidstaten nemen de nodige maatregelen om zelfafhandeling mogelijk te maken. Dit principe is een erkenning van het feit dat er geen redenen zijn waarom zelfafhandeling in havens in principe niet kan worden toegestaan wanneer de exploitanten van mening zijn dat daardoor een beter gebruik van hun middelen wordt gemaakt en hun eigen dienstverlening daardoor efficiënter wordt. Het houdt ook in dat de voorwaarden en criteria voor zelfafhandelaars niet stringenter mogen zijn dan die welke voor verleners van havendiensten gelden voor dezelfde of een vergelijkbare dienst.

*Wanneer de havenbeheerder havendiensten aanbiedt of wil aanbieden waarbij hij met andere dienstverleners concurreert, moet hij op dezelfde voet behandeld worden als enige andere concurrent. Een vereist hiervoor is dat de havenbeheerder niet betrokken mag zijn bij de selectieprocedure voor dienstverleners, als beheersinstantie van de haven niet mag discrimineren tussen dienstverlenende bedrijven waarin hij een belang heeft en andere dienstverleners, en met name de boekhouding van zijn havendiensten gescheiden moet houden van de boekhouding van zijn andere activiteiten. Dit principe weerspiegelt algemene concurrentiebeginselen en normen inzake transparantie.

*De lidstaten moeten ervoor zorgen dat alle op de verlening van havendiensten betrekking hebbende procedures volledig transparant zijn en moeten voorzien in beroepsprocedures, inclusief toetsing door de rechter. Dit is het principe van behoorlijk bestuur.

*De periode gedurende welke geselecteerde dienstverleners actief mogen zijn is beperkt in de tijd. Dit principe verzoent de noodzaak potentiële en toekomstige dienstverleners de mogelijkheid te blijven bieden toegang tot de markt voor havendiensten te verkrijgen met de noodzaak de gewettigde verwachtingen van de huidige dienstverleners te honoreren. Het verhindert dus dat een of enkele bedrijven beslag leggen op de markt. In dit verband dient onderscheid te worden gemaakt tussen gevallen waarin de dienstverlener weinig of niet geïnvesteerd heeft en gevallen waarin wel investeringen zijn gedaan, hetzij in roerende hetzij in onroerende activa; uiteraard moet ook met de omvang van de investeringen terdege rekening worden gehouden.

*Overgangsmaatregelen houden rekening met de gewettigde verwachtingen van de huidige dienstverleners, maar vereisen tevens dat binnen een redelijke termijn bestaande vergunningen die niet overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn zijn verleend, worden herzien. Dit principe waarborgt dat de doelstellingen van de richtlijn binnen een redelijke termijn worden gehaald met inachtneming van de gewettigde verwachtingen van de huidige dienstverleners. Dit wordt met name gerealiseerd door dezelfde criteria te hanteren als die welke gelden bij het bepalen van de duur van de vergunningen in gevallen waarin het aantal dienstverleners dient te worden beperkt.

*De richtlijn en de tenuitvoerlegging daarvan door de lidstaten mag de veiligheid in de havens niet in het gedrang brengen. Dit principe is een herbevestiging van de bezorgdheid van de Commissie voor de maritieme veiligheid; alle op regulering van de toegang tot de havendienstensector gerichte maatregelen moeten het hoogst mogelijke veiligheidsniveau in de havens garanderen, met name wat maritieme veiligheid betreft.

*De richtlijn en de tenuitvoerlegging daarvan door de lidstaten mag de in de haven geldende milieubeschermingsregels niet op losse schroeven zetten. Dit principe is een herbevestiging van het belang dat de Commissie aan milieubescherming hecht.

Het voorstel bevat geen regels met betrekking tot de bestuurlijke organisatie van de havens en laat de lidstaten de vrijheid zelf te beslissen in welke instanties als bevoegde autoriteiten optreden.

Overeenkomstig artikel 295 van het Verdrag doet het voorstel op geen enkele wijze afbreuk aan de regelgeving van de lidstaten met betrekking tot de eigendom van of in havens.

Het voorstel voorziet niet in geharmoniseerde of minimumnormen voor opleiding en kwalificaties van het personeel en voor de gebruikte uitrusting. Onverminderd de bestaande communautaire wetgeving en overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel laat het de lidstaten de vrijheid passende regels voor te stellen en te handhaven mits deze met name transparant, niet-discriminerend en objectief zijn.

Tenslotte bevat het voorstel geen geharmoniseerde veiligheids- en milieuregels, maar steunt het op bestaande regels op grond waarvan op passende wijze rekening kan worden gehouden met specifieke nationale, regionale en lokale kenmerken.

Deze benadering spoort met de conclusies van de Europese Raad van Lissabon van 28 maart 2000 waar de Commissie, de Raad en de lidstaten is verzocht om, elk binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden, "de liberalisering te bespoedigen in sectoren zoals..... vervoer". In het voorstel is rekening gehouden met de door het Europees Parlement, het Comité van de Regio's en het Economisch en Sociaal Comité naar voren gebrachte standpunten, naar aanleiding van de publicatie van het "Groenboek van de Commissie inzake zeehavens en maritieme infrastructuur"; tevens geniet het aanzienlijke (zij het niet de unanieme) steun van de belanghebbende bedrijfssectoren.

3.2. Overzicht van de voorgestelde richtlijn

In artikel 1 worden de doelstellingen van de richtlijn vermeld.

In artikel 2 wordt de reikwijdte van de richtlijn aangegeven. In dit artikel wordt gepreciseerd dat alleen diensten die binnen het havengebied en dus niet op bijvoorbeeld de naar havens leidende waterwegen worden geleverd onder de richtlijn vallen en wordt voorts onder verwijzing naar een bijlage uitgelegd op welke havendiensten de richtlijn betrekking heeft; tevens wordt voorzien in een drempelwaarde voor de havens waarboven de richtlijn van toepassing is.

In artikel 3 wordt uiteengezet dat de richtlijn alle verplichtingen onverlet laat die reeds op de bevoegde instanties rusten krachtens de Richtlijnen 92/50, 93/36, 93/37 en 93/38 inzake overheidsopdrachten. Bovendien is het zo dat, wanneer een van die richtlijnen reeds voorziet in het verplicht aanbesteden van een contract, het die richtlijnen zijn in plaats van de voorgestelde richtlijn die de wijze bepalen waarop dit moet gebeuren. Dit artikel waarborgt voorts de toepassing van de Richtlijnen 89/48, 92/51 en 99/42 inzake de wederzijdse erkenning van beroepsopleidingen, met name wanneer de lidstaten vergunningen afgeven op basis van de beroepskwalificaties van een dienstverlener.

In artikel 4 worden de belangrijkste begrippen gedefinieerd.

In artikel 5 voorziet in de verplichting voor de lidstaten bevoegde instanties voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn aan te wijzen.

Artikel 6 bevat de basisregel dat de lidstaat een vergunning verplicht kan stellen voor de verleners van havendiensten. De voorwaarden voor de toekenning van die vergunning moeten transparant, niet-discriminerend, objectief, relevant en proportioneel zijn. Zij moeten openbaar worden gemaakt en dit geldt ook voor de procedure voor het verkrijgen van de vergunning. Dit artikel bevat een beperkte lijst van optionele criteria voor de toekenning van de vergunning, met name een lijst van openbare dienstverplichtingen. Tevens voorziet het in de verplichting voor de bevoegde instantie om passende opleidingen te verzorgen wanneer plaatselijke vakkennis onmisbaar is voor een potentiële dienstverlener, alsook in het recht van een dienstverlener zelf zijn personeel te kiezen.

In artikel 7 is de procedure vastgesteld die moet worden gevolgd wanneer het aantal dienstverleners in een haven beperkt moet worden. Dit artikel bevat evenwel de bepaling dat het hoogst mogelijke aantal dienstverleners moet worden toegelaten en dat in de sector vrachtafhandeling over het algemeen ten minste twee dienstverleners een vergunning moeten krijgen. Tevens schrijft dit artikel voor dat een besluit over eventuele beperkingen niet mag worden genomen door de havenbeheerder indien deze ook als dienstverlener in de betrokken haven optreedt of wil optreden.

Artikel 8 schrijft voor dat een procedure voor de selectie van dienstverleners moet worden opgezet; deze procedure moet transparant, objectief en niet-discriminerend zijn en daarbij moeten proportionele en relevante criteria worden gehanteerd. Het voorziet in een aantal fundamentele formaliteiten die bij de selectieprocedure moeten worden vervuld en maakt het tevens mogelijk intensief gebruik te maken van moderne elektronische communicatiemiddelen. Voorts bevat het bepalingen die betrekking hebben op de situatie waarin de havenbeheerder een dienst wil verlenen waarbij hij concurreert met een andere dienstverlener. In dat geval kan de havenbeheerder niet optreden als de voor het selectieproces verantwoordelijke autoriteit, maar moet daartoe een onafhankelijke instantie worden aangewezen.

Artikel 9 voorziet in het principe van een maximale looptijd voor na een selectieprocedure verleende vergunningen en koppelt die looptijd aan het criterium van investeringen in activa. De looptijd varieert namelijk afhankelijk van het feit of de dienstverlener geen of onbeduidende investeringen heeft verricht en of in roerende dan wel onroerende activa is geïnvesteerd. Er wordt melding gemaakt van een maximale looptijd.

Artikel 10 vereist dat de dienstverleners een afzonderlijke boekhouding voeren voor activiteiten op het gebied van havendiensten.

In artikel 11 is bepaald dat de regels van de richtlijn ook van toepassing zijn op zelfafhandeling en dat de voor zelfafhandeling geldende criteria in geen geval stringenter mogen zijn dan die welke zijn vastgesteld voor verleners van dezelfde of een vergelijkbare havendienst.

Artikel 12 heeft betrekking op de situatie waarin de havenbeheerder ook optreedt als dienstverlener. Het schrijft met name voor dat in dat geval de boekhouding met betrekking tot zijn activiteiten op het gebied van havendiensten gescheiden moet worden van de boekhouding over zijn overige activiteiten. Accountantscontrole wordt verplicht gesteld en het verslag van de accountant moet informatie bevatten over de financiële stromen tussen de verschillende activiteiten van de havenbeheerder. Dit artikel regelt ook de situatie waarin voor een specifieke dienst geen dienstverlener wordt gevonden en de havenbeheerder het noodzakelijk acht deze dienst zelf aan te bieden. Het bepaalt ook dat de havenbeheerder niet mag discrimineren tussen dienstverleners.

In artikel 13 is bepaald dat het selectieproces volledig transparant moet zijn en wordt lidstaten de verplichting opgelegd beroepsprocedures, met inbegrip van toetsing door de rechter, vast te stellen.

In artikel 14 wordt erop gewezen dat de richtlijn op geen enkele wijze van invloed is op de rechten en verplichtingen van de lidstaten ten aanzien van handhaving van de openbare orde en veiligheid in de haven, alsook wat milieubescherming betreft.

Artikel 15 waarborgt de toepassing van de sociale wetgeving.

Artikel 16 bevat overgangsbepalingen. Het staat toe dat bestaande vergunningen ongewijzigd geldig blijven zolang de haven de toegang tot de markt voor havendiensten niet beperkt, ook al moeten nieuwe vergunningen aan de regels van de richtlijn voldoen. Tevens bevat het artikel bepalingen met betrekking tot bestaande vergunningen die na een openbare aanbesteding of een vergelijkbare procedure zijn verleend en die in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze richtlijn; deze vergunningen hoeven niet te worden aangepast. Voor alle andere vergunningen moeten nieuwe vergunningsprocedures worden doorlopen binnen een bepaalde overgangsperiode die varieert naar gelang van de omvang en de aard van de investeringen die zijn uitgevoerd door de dienstverlener die houder is van de vergunning.

Artikel 17 legt de lidstaten de verplichting op verslag uit te brengen over de toepassing van de richtlijn, en de Commissie om op basis van deze rapportage een verslag op te stellen dat in voorkomend geval samen met een voorstel voor een herziening wordt ingediend.

Artikel 18 voorziet in de verplichting voor de lidstaten deze richtlijn ten uitvoer te leggen.

Artikel 19 regelt de inwerkingtreding van de richtlijn.

Artikel 20 vermeldt de geadresseerden van de richtlijn.

1. Motivering voor een optreden op communautair niveau

1.1. Wat zijn de doelstellingen van het voorgenomen optreden, gelet op de verplichtingen van de Gemeenschap-

Met het voorstel wordt beoogd te komen tot een meer systematische toepassing van de regels van het Verdrag (vier vrijheden en mededingingsregels) in de havensector. Het voorziet in procedureregels die moeten waarborgen dat alle huidige en potentiële dienstverleners een eerlijke kans krijgen om zich toegang te verschaffen tot de markt voor havendiensten. Dit zal op zijn beurt leiden tot een verbetering van de havendiensten en zal een stimulans vormen om beter gebruik te maken van het zeevervoer als een alternatieve vervoerswijze, alsook van gecombineerd vervoer, daar beide de druk op het vervoersnet van de Gemeenschap kunnen verlichten.

Overeenkomst artikel 295 van het Verdrag spreekt het voorstel zich niet uit over de voor de haveninstallaties en aanbieders van havendiensten geldende eigendomsregeling; het voorziet echter wel in een systeem van gelijke rechten en kansen voor private en publieke dienstverleners.

1.2. Heeft het voorgenomen optreden betrekking op een gebied waarop uitsluitend de Gemeenschap bevoegd is of wordt deze bevoegdheid met de lidstaten gedeeld-

Voor dit optreden geldt een gedeelde bevoegdheid overeenkomstig artikel 80, lid 2, van het Verdrag.

1.3. Wat is de communautaire dimensie van het probleem (hoeveel lidstaten zijn er bijvoorbeeld bij betrokken en welke oplossing is er tot op heden gebruikt)-

De richtlijn heeft betrekking op alle kuststaten in de Gemeenschap. Hoewel in de afgelopen jaren de lidstaten over het algemeen aanzienlijke vooruitgang hebben geboekt bij het verlenen van vrije toegang tot havendiensten, bestaan er momenteel in de praktijk grote discrepanties zowel wat betreft de voor havendiensten geldende regeling als de procedures die worden gevolgd voor de uitoefening van de door het Verdrag gewaarborgde rechten.

Om te zorgen voor toegang tot de markt voor havendiensten en daarbij concurrentievervalsing te voorkomen moeten de nationale regels en praktijken voor zover nodig worden verbeterd en geharmoniseerd.

1.4. Wat is de meest doelmatige aanpak, gelet op de mogelijkheden van de Gemeenschap en de lidstaten-

Gezien de huidige discrepanties in de mate van toegang tot de markt voor havendiensten tussen de lidstaten en zelfs binnen afzonderlijke lidstaten, en de over het algemeen onduidelijke en onbevredigende procedureregels, met name wanneer zowel private als publieke dienstverleners in dezelfde haven actief zijn, is er behoefte aan voor de hele Gemeenschap geldende basisregels. Deze geven de lidstaten overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel een aanzienlijke speelruimte om met name rekening te houden met de specifieke geografische kenmerken van de havens en de uiteenlopende eisen inzake maritieme veiligheid en milieubescherming.

Het voorstel bevat gemeenschappelijke regels die met name betrekking hebben op:

-de toepassing van het principe van vrije verlening van havendiensten;

-het recht van de lidstaten om een voorafgaande vergunning verplicht te stellen;

-het recht van de lidstaten om het aantal dienstverleners te beperken;

-de te volgen procedures, inclusief wat de transparantie daarvan betreft;

-de uitoefening van het recht tot zelfafhandeling;

-de looptijd van de vergunningen;

-de rechten en verplichtingen van de havenbeheerders in hun dubbele functie van bevoegde instantie en dienstverlener;

-beroepsprocedures.

1.5. Wat is de concrete meerwaarde van het voorgenomen optreden van de Gemeenschap en wat zijn de kosten als er niets wordt gedaan-

Gezien de huidige situatie, die het gevolg is van de ontwikkelingen in de afgelopen jaren, is het hoogst onwaarschijnlijk dat in de gehele Gemeenschap een bevredigende situatie zal ontstaan waarin de uitoefening van de vrijheid van havendiensten te verlenen wordt gewaarborgd en de concurrentie tussen de dienstverleners en de verschillende lidstaten niet wordt vervalst. Dit is hoofdzakelijk te wijten aan het feit dat de lidstaten, ondanks het feit dat zij voortgang maken bij het bevorderen van vrije toegang tot de markt voor havendiensten, een gemeenschappelijk communautair regelgevingskader missen, met onsamenhangende, grillige en onbevredigende ontwikkelingen als gevolg.

1.6. Welke middelen zijn er voor het optreden van de Gemeenschap beschikbaar (aanbevelingen, financiële steun, regelgeving, wederzijdse erkenning, enz....)-

Gezien de complexiteit van de havenregelingen van de lidstaten en de discrepanties tussen havens qua omvang, functie en eisen inzake maritieme veiligheid en milieubescherming, wordt een richtlijn als het meest adequate wetgevingsinstrument beschouwd, aangezien daarbij de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk kader aan de lidstaten wordt overgelaten.

1.7. Is uniforme regelgeving nodig of kan worden volstaan met een richtlijn waarin de algemene beginselen worden geformuleerd en waarbij de uitvoering aan de lidstaten wordt overgelaten-

Zie 4.6 hierboven.

2001/0047 (COD)

Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake toegang tot de markt voor havendiensten

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel [80, lid 2],

Gezien het voorstel van de Commissie [1],

[1] PB C [...], [...], blz. [...].

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [2],

[2] PB C [...], [...], blz. [...].

Gezien het advies van het Comité van de Regio's [3],

[3] PB C [...], [...], blz. [...].

Overeenkomstig de procedure van artikel 251 van het Verdrag [4],

[4] PB C [...], [...], blz. [...].

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Artikel 49 van het Verdrag heeft ten doel de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Gemeenschap weg te nemen; overeenkomstig artikel 51 van het Verdrag moet dat doel worden verwezenlijkt in het kader van het gemeenschappelijk vervoersbeleid.

(2) Via de Verordeningen van de Raad (EEG) nr. 4055/86 van 22 december 1986 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen [5] en (EEG) nr. 3577/92 van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer) [6] is deze doelstelling gerealiseerd voor zeevervoerdiensten als zodanig.

[5] PB L 378 van 31.12.1986, blz. 1-3. Laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3573/90 van de Raad, PB L 353 van 17.12.1990, blz. 16.

[6] PB L 364 van 12.12.1992, blz. 7-10.

(3) Havendiensten zijn van essentieel belang voor een goed functionerend zeevervoer, aangezien zij een onmisbare bijdrage leveren aan het efficiënte gebruik van de zeevervoerinfrastructuur.

(4) In haar Groenboek Havens en maritieme infrastructuur van december 1997 [7] heeft de Commissie het voornemen kenbaar gemaakt een voorstel voor een regelgevingskader in te dienen met het oog op het verschaffen van toegang tot de markt voor havendiensten in havens in de Gemeenschap die internationaal verkeer verwerken. Volgens dit Groenboek dienen havendiensten te worden gedefinieerd als diensten met commerciële waarde die normaal tegen betaling in een haven worden verleend.

[7] COM(97) 678 def. van 10 december 1997.

(5) Door de toegang tot de markt voor havendiensten op communautair niveau te vergemakkelijken moeten de belangrijkste beperkende factoren worden weggenomen die de toegang van exploitanten van havendiensten belemmeren, moet de kwaliteit van de aan de havengebruikers verleende diensten worden verbeterd, moeten efficiëntie en flexibiliteit worden verhoogd, moet een bijdrage worden geleverd aan het verlagen van de kosten en moeten zodoende de korte vaart en het gecombineerd vervoer worden bevorderd.

(6) Wanneer krachtens deze richtlijn een vergunning wordt verleend in de vorm van een contract dat onder de toepassing valt van de Richtlijnen 92/50/EEG [8], 93/36/EEG [9], 93/37/EEG [10] and 93/38/EEG [11], gelden die richtlijnen. In voorkomend geval zijn ook de Richtlijnen 89/48/EEG [12], 92/51/EEG [13] en 99/42/EG [14] inzake wederzijdse erkenning door de lidstaten van beroepsopleidingen van toepassing.

[8] Richtlijn 92/50/EEG van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209 van 24.7.1992, blz. 1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/52/EG (PB L 328 van 28.11.1997)

[9] Richtlijn 93/36/EEG van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen (PB L199 van 9.8.1993, blz.1), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/52/EG (PB L328 of 28.11.1997).

[10] Richtlijn 93/37/EEG van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken (PB L 199 van 9.8.1993, blz. 54), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/52/EG (PB L328 van 28.11.1997)

[11] Richtlijn 93/38/EEG van 14 juni 1993 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB L 199 van 9.8.1993, blz. 84), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/4/EG (PB L 101 van 1.4.1998)

[12] Richtlijn 89/48/EEG van 21 december 1989 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van tenminste drie jaar worden afgesloten.

[13] Richtlijn 92/51/EEG van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen, ter aanvulling van Richtlijn 89/48/EEG.

[14] Richtlijn 99/42/EG van 7 juni 1999 betreffende de invoering van een regeling voor de erkenning van diploma's betreffende beroepswerkzaamheden die binnen de werkingssfeer van de liberaliseringsrichtlijnen en van de richtlijnen houdende overgangsmaatregelen vallen en tot aanvulling van het algemene stelsel van erkenning van diploma's.

(7) Variaties in nationale wetgeving en praktijk hebben geleid tot discrepanties in de toegepaste procedures en hebben rechtsonzekerheid doen ontstaan ten aanzien van de rechten van de verleners van havendiensten en de plichten van de bevoegde instanties. Het is dan ook in het belang van de Gemeenschap een communautair regelgevingskader vast te stellen dat basisregels bevat met betrekking tot de toegang tot de markt voor havendiensten, de rechten en verplichtingen van de huidige en toekomstige dienstverleners, de havenbeheerders, alsook de bij de vergunningverlening en selectieprocessen te volgen procedures.

(8) Het doel van de voorgestelde maatregel, namelijk toegang tot de markt voor havendiensten voor elke in de Gemeenschap gevestigde natuurlijke of rechtspersoon, kan gezien de omvang van die maatregel niet in voldoende mate door de lidstaten worden verwezenlijkt en derhalve kan, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel, de maatregel beter door de Gemeenschap worden verwezenlijkt. De richtlijn beperkt zich tot het voor de verwezenlijking van deze doelstelling vereiste minimum en gaat niet verder dan wat daarvoor noodzakelijk is.

(9) De communautaire wetgeving inzake toegang tot havendiensten sluit de toepassing van andere communautaire regels niet uit. De concurrentieregels zijn reeds eerder toegepast op havendiensten en zijn met name relevant in monopoliesituaties.

(10) In het belang van een efficiënt en veilig havenbeheer kunnen de lidstaten bepalen dat dienstverleners een vergunning moeten verkrijgen. De criteria voor de verlening van die vergunning moeten objectief, transparant, niet-discriminerend, relevant en proportioneel zijn en moeten openbaar worden gemaakt.

(11) Aangezien havens een beperkt geografisch gebied beslaan kan toegang tot de markt in bepaalde gevallen worden belemmerd door capaciteits- en ruimteproblemen alsook, wat technisch-nautische diensten betreft, door met de veiligheid van het verkeer samenhangende beperkingen. In dergelijke gevallen kan het dus noodzakelijk zijn het aantal vergunninghoudende verleners van havendiensten te beperken.

(12) De criteria voor een dergelijke beperking moeten objectief, transparant, niet-discriminerend, relevant en proportioneel zijn. Wat vrachtafhandeling betreft, mag, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, het aantal dienstverleners per vrachtafhandelingscategorie niet tot minder dan twee volledig onafhankelijke dienstverleners worden beperkt.

(13) Dienstverleners dienen het recht te hebben zelf hun personeel te kiezen.

(14) Wanneer een beperking op het aantal verleners van havendiensten geldt, moeten deze door de bevoegde instantie worden geselecteerd door middel van een transparante, objectieve, open en eerlijke selectieprocedure met niet-discriminerende regels.

(15) Om ervoor te zorgen dat besluiten en proceduremaatregelen krachtens deze richtlijn door onafhankelijke instanties worden genomen en daarover geen twijfel te laten bestaan, dient de positie van een havenbeheerder die zelf als verlener van havendiensten optreedt of wil optreden nader te worden omschreven. In dat geval moeten op de havenbeheerder dezelfde voorwaarden en procedures van toepassing zijn als die welke gelden voor andere dienstverleners, met dien verstande dat de havenbeheerder het goed functioneren van de haven moet kunnen blijven waarborgen. Derhalve moet een onafhankelijke instantie wordt belast met een eventuele beslissing over beperking van het aantal dienstverleners en met de selectie zelf; de havenbeheerder mag niet discrimineren tussen dienstverleners en tussen havengebruikers.

(16) Het is bijgevolg noodzakelijk ervoor te zorgen dat niet wordt gediscrimineerd tussen de havenbeheerder en onafhankelijke exploitanten en tussen de beheerders van verschillende havens.

(17) Op financieel gebied moet aan de beheerders van onder deze richtlijn vallende havens die ook optreden als dienstverleners de verplichting worden opgelegd gescheiden boekhoudingen te voeren voor hun als havenbeheerder uitgevoerde activiteiten enerzijds en hun op basis van vrije concurrentie verrichte werkzaamheden anderzijds.

(18) Bij Richtlijn 2000/52/EG van de Commissie van 26 juli 2000 wordt een aantal ondernemingen de verplichting opgelegd gescheiden boekhoudingen te voeren; deze verplichting geldt alleen voor ondernemingen waarvan de totale jaarlijkse omzet in elk van de afgelopen twee jaar meer dan 40 miljoen euro bedroeg. Gezien de invoering van de vrije verlening van havendiensten in de Gemeenschap moet ervoor worden gezorgd dat het principe van gescheiden boekhoudingen van toepassing is op alle havens die onder de toepassing van de onderhavige richtlijn vallen en moeten de havens regels inzake transparantie worden opgelegd die niet minder stringent zijn dan die welke zijn vastgesteld in Richtlijn 2000/52/EG .

(19) Het voorschrift een boekhouding te voeren voor activiteiten op het gebied van havendiensten dient te gelden voor alle ondernemingen die zijn geselecteerd voor het verlenen van dergelijke diensten.

(20) Zelfafhandeling moet worden toegestaan en de voor zelfafhandelaars geldende criteria mogen niet stringenter zijn dan die welke op verleners van havendiensten van toepassing zijn voor dezelfde of een vergelijkbare dienst.

(21) Via een selectieprocedure verleende vergunningen moeten in de tijd beperkt zijn. Het is redelijk om bij het bepalen van de looptijd van een vergunning rekening te houden met het feit of de dienstverlener al dan niet in activa heeft moeten investeren, en zo ja, of het roerende of onroerende activa betreft. Hoewel een dergelijke procedure normaal een adequaat resultaat moet opleveren, is het niettemin noodzakelijk een maximale looptijd voor vergunningen vast te stellen.

(22) De huidige situatie in de havens in de Gemeenschap, die wordt gekenmerkt door een veelheid van vergunnings- en selectiemethodes en -periodes, vereist dat duidelijke overgangsperiodes worden vastgesteld. De desbetreffende overgangsregels dienen onderscheid te maken tussen havens waar het aantal dienstverleners beperkt is en havens waar dit niet het geval is.

(23) Wanneer het aantal dienstverleners niet beperkt is, is er geen reden om de bestaande vergunningen te wijzigingen; nieuwe vergunningen dienen echter overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn te worden verleend.

(24) Wanneer het aantal dienstverleners beperkt is, dienen de overgangsperiodes te worden gedifferentieerd al naargelang de vergunningen al dan niet via een openbare aanbesteding of een vergelijkbare procedure zijn verleend, de dienstverlener al dan niet aanzienlijke investeringen heeft verricht en deze investeringen betrekking hadden op roerende dan wel onroerende activa. Ter wille van de rechtszekerheid moet in elk geval een maximale looptijd worden vastgesteld, waarbij de nationale instanties een aanzienlijke manoeuvreerruimte wordt gelaten om op adequate wijze rekening te kunnen houden met de specifieke aspecten van elke zaak.

(25) De lidstaten moeten de bevoegde instanties die verantwoordelijk zijn voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn aanwijzen.

(26) Er dient in beroepsprocedures tegen besluiten van de bevoegde instanties te worden voorzien.

(27) De lidstaten moeten zorgen voor een adequaat niveau van sociale zekerheid voor het personeel van ondernemingen die havendiensten verlenen.

(28) De bepalingen van deze richtlijn laten de rechten en verplichtingen van de lidstaten wat betreft ordehandhaving, veiligheid en beveiliging in de havens alsmede milieubescherming geheel onverlet.

(29) Deze richtlijn laat de toepassing van de regels van het Verdrag onverlet; de Commissie zal met name op de naleving van deze regels blijven toezien door waar nodig alle haar bij artikel 86 van het Verdrag verleende bevoegdheden uit te oefenen.

(30) Op basis van verslagen van de lidstaten over de toepassing van deze richtlijn moet de Commissie een evaluatie opstellen die in voorkomend geval samen met een voorstel voor een herziening van de richtlijn moet worden ingediend,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1 - Doelstelling

Vrije verlening van havendiensten geldt voor verleners van havendiensten in de Gemeenschap overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn. Verleners van havendiensten hebben toegang tot haveninstallaties in de mate die nodig is voor de uitoefening van hun activiteiten.

Artikel 2 - Reikwijdte

1. Deze richtlijn is van toepassing op de in de bijlage vermelde havendiensten die binnen het havengebied ten behoeve van gebruikers van de haven worden verleend.

2. Deze richtlijn geldt voor op het grondgebied van een lidstaat gevestigde zeehavens of havensystemen die geopend zijn voor het algemene commerciële maritieme vervoer, mits de haven in de afgelopen drie jaar jaarlijks niet minder dan 3 miljoen ton of 500.000 passagiersbewegingen heeft verwerkt.

3. Wanneer een haven de in lid 2 vermelde vrachtverkeersdrempel haalt, maar beneden de corresponderende drempel voor passagiersbewegingen blijft, zijn de bepalingen van deze richtlijn niet van toepassing op havendiensten die uitsluitend voor passagiers zijn gereserveerd. Wanneer de drempel voor passagiersbewegingen wel, maar de vrachtvervoerdrempel niet werd bereikt, zijn de bepalingen van deze richtlijn niet van toepassing op havendiensten die uitsluitend voor vracht zijn bestemd. Ter informatie publiceert de Commissie in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen een lijst van de in dit artikel bedoelde havens die gebaseerd is op de door de lidstaten verstrekte gegevens. Deze lijst wordt voor het eerst drie maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn en vervolgens jaarlijks gepubliceerd.

4. De lidstaten kunnen eisen dat de verleners van havendiensten in de Gemeenschap zijn gevestigd en dat vaartuigen die uitsluitend voor de verlening van havendiensten worden gebruikt zijn geregistreerd in en onder de vlag varen van een lidstaat.

Artikel 3

1. Deze richtlijn laat de verplichtingen van de bevoegde instanties die voortvloeien uit Richtlijn 92/50/EEG, Richtlijn 93/36/EEG, Richtlijn 93/37/EEG en Richtlijn 93/38/EEG onverlet.

2. Wanneer op grond van een van de in lid 1 genoemde richtlijnen een dienstverleningscontract verplicht moet worden aanbesteed, zijn artikel 8, leden 1, 2, 3, 4 en 5, artikel 12, lid 1 en lid 2, en artikel 13 van deze richtlijn niet van toepassing op de gunning van dat contract.

3. De richtlijn laat de verplichtingen van de bevoegde instanties die voortvloeien uit de Richtlijnen 89/48/EEG, 92/51/EEG en 99/42/EG inzake wederzijdse erkenning door de lidstaten van beroepsopleidingen onverlet.

Artikel 4 - Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

(1) "zeehaven" (in deze richtlijn "haven" genoemd: een uit land en water bestaand gebied met verbeteringswerken en voorzieningen die voornamelijk dienen voor de ontvangst van schepen, het laden en lossen daarvan, de opslag van goederen, het in ontvangst nemen en leveren van deze goederen via de binnenvaart en het in- en ontschepen van passagiers:

(2) "havensysteem": twee of meer havens die binnen een samenwerkingsverband dezelfde stad of conurbatie bedienen;

(3) "havenautoriteit" of "havenbeheerder (hierna "havenbeheerder" genoemd): een instantie waarvan de doelstelling overeenkomstig de nationale wet- of regelgeving, al dan niet in combinatie met andere activiteiten, bestaat in de administratie en het beheer van de haveninfrastructuur en de coördinatie en controle van de activiteiten van de verschillende in de betrokken haven of het betrokken havensysteem opererende exploitanten. Zij kan bestaan uit verschillende afzonderlijke lichamen of verantwoordelijk zijn voor meer dan één haven;

(4) "havendiensten": de in de bijlage vermelde diensten met commerciële waarde die normaal tegen betaling in een haven worden verleend;

(5) "verlener van havendiensten": elke natuurlijke of rechtspersoon die een of meer categorieën havendiensten verleent of wil verlenen;

(6) "openbare dienstverplichting": een door een bevoegde instantie opgelegde verplichting die een adequate verlening van bepaalde categorieën havendiensten moet waarborgen;

(7) "zelfafhandeling": de situatie waarin een havengebruiker voor zichzelf één of meer categorieën havendiensten verzorgt en waarin normaal geen contract van enigerlei aard met een derde wordt gesloten voor de verlening van dergelijke diensten;

(8) "vergunning": elke toestemming, met inbegrip van een contract, op grond waarvan een natuurlijke of rechtspersoon havendiensten mag verlenen of aan zelfafhandeling mag doen.

Artikel 5 - Bevoegde instanties

De lidstaten wijzen de met de uitvoering van de artikelen 6, 7, 8, 10, 11, 12 en 19 van deze richtlijn belaste bevoegde instantie of instanties aan.

Artikel 6 - Vergunningverlening

1. De lidstaten kunnen eisen dat een verlener van havendiensten vooraf een vergunning verkrijgt onder de in de leden 2, 3, 4 en 5 vermelde voorwaarden. Aan overeenkomstig artikel 8 geselecteerde dienstverleners wordt automatisch een vergunning verleend.

2. De criteria voor de toekenning van een vergunning door de bevoegde instantie moeten transparant, niet-discriminerend, objectief, relevant en proportioneel zijn. De criteria mogen alleen betrekking hebben op de beroepskwalificaties van de dienstverlener, zijn financiële positie en verzekeringsdekking, maritieme veiligheid of de veiligheid van installaties, uitrusting en personen. De vergunning kan openbare dienstverplichtingen met betrekking tot veiligheid, regelmatigheid, continuïteit, kwaliteit en prijs omvatten, alsook de voorwaarden waaronder de dienst mag worden verleend.

3. Wanneer de vereiste beroepskwalificaties specifieke plaatselijke kennis of ervaring met plaatselijke omstandigheden omvatten, moet de bevoegde instantie een passende opleiding voor aspirant-dienstverleners verzorgen.

4. De in lid 2 bedoelde criteria worden openbaar gemaakt en de verleners van havendiensten worden van tevoren ingelicht over de procedure voor het verkrijgen van de vergunning. Dit voorschrift geldt eveneens voor een vergunning waarbij de dienstverlening wordt gekoppeld aan investeringen in onroerende activa die na het verstrijken van de vergunning aan de haven toevallen.

5. De verlener van havendiensten heeft het recht zelf personeel te kiezen voor de uitvoering van de dienst waarop de vergunning betrekking heeft.

Artikel 7 - Beperkingen

1. De lidstaten kunnen het aantal verleners van havendiensten alleen beperken om redenen in verband met ruimte- of capaciteitsbeperkingen of, wat technisch-nautische diensten betreft, met de veiligheid van het maritieme verkeer. De bevoegde instantie moet:

(a) de belanghebbende partijen er met opgaaf van redenen van op de hoogte stellen voor welke categorie of categorieën havendiensten en voor welk specifiek gedeelte van de haven de beperkingen gelden;

(b) het in de gegeven omstandigheden hoogst haalbare aantal dienstverleners toelaten.

2. Wanneer er ruimte- of capaciteitsbeperkingen bestaan verleent de bevoegde instantie, voor zover er geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden wat verkeersvolume en categorieën vracht betreft, een vergunning aan tenminste twee volledig van elkaar onafhankelijke dienstverleners per vrachtcategorie.

3. Wanneer de bevoegde instantie die belast is met de besluitvorming over beperkingen met betrekking tot de betrokken haven tevens havenbeheerder is en de havenbeheerder zelf of een dienstverlener waarover hij direct of indirect zeggenschap heeft of waarbij hij betrokken is tevens als dienstverlener in die haven optreedt of wil optreden, wijzen de lidstaten een andere bevoegde instantie aan die zij belasten met de besluitvorming of goedkeuring van de besluitvorming over eventuele beperkingen. Deze nieuwe bevoegde instantie moet onafhankelijk zijn van de havenbeheerder en mag:

(a) geen havendiensten verlenen die vergelijkbaar zijn met die welke door een in de betrokken haven opererende dienstverlener worden verstrekt; en

(b) geen directe of indirecte zeggenschap hebben over of betrokken zijn bij een in de betrokken haven opererende dienstverlener.

Artikel 8 - Selectieprocedure

1. Wanneer het aantal verleners van havendiensten overeenkomstig artikel 7 is beperkt, neemt de bevoegde instantie de nodige maatregelen om te zorgen voor een transparante en objectieve selectieprocedure in de vorm van een aanbesteding aan de hand van proportionele, niet-discriminerende en relevante criteria.

2. De bevoegde instantie publiceert in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen een uitnodiging aan de belanghebbende partijen om aan het selectieproces deel te nemen. In deze uitnodiging kan melding worden gemaakt van de internetpagina van de bevoegde instantie of van de haven zelf dan wel, wanneer geen internetpagina voorhanden is, van enige andere wijze waarop de nodige informatie tijdig ter beschikking kan worden gesteld van eenieder die in het selectieproces geïnteresseerd is.

3. De bevoegde instantie vermeldt in haar uitnodiging

(a) vergunnings- en selectiecriteria die de minimumeisen van die instantie weergeven;

(b) gunningscriteria die de basis vormen waarop de instantie een keuze zal maken uit de aan de selectiecriteria beantwoordende offertes; en

(c) voorwaarden die aangeven welke dienstverleningsverplichtingen in het contract worden opgenomen en welke activa ter beschikking van de geselecteerde inschrijver worden gesteld, onder vermelding van de daarbij geldende voorwaarden en regels.

4. De procedure dient te voorzien in een tussenpoos van tenminste 52 dagen tussen de verschijning van de uitnodiging tot het indienen van voorstellen en de uiterste indieningstermijn.

5. De bevoegde instantie verstrekt bij de voorlichting van potentiële dienstverleners alle relevante informatie waarover zij beschikt.

6. Wanneer de bevoegde instantie die voor de betrokken haven de selectieprocedure uitvoert tevens havenbeheerder is en de havenbeheerder zelf of een dienstverlener waarover hij direct of indirect zeggenschap heeft of waarbij hij betrokken is als dienstverlener in die haven optreedt of wil optreden, wijzen de lidstaten een andere bevoegde instantie aan die zij met de selectieprocedure belasten. Deze nieuwe bevoegde instantie moet onafhankelijk zijn van de havenbeheerder en mag:

(a) geen havendiensten verlenen die vergelijkbaar zijn met die welke door een in de betrokken haven opererende dienstverlener worden verstrekt, en

(b) geen directe of indirecte zeggenschap hebben over of betrokken zijn bij een in de betrokken haven opererende dienstverlener.

Artikel 9 - Looptijd van de vergunning

Verleners van havendiensten worden geselecteerd voor een beperkte periode die wordt vastgesteld aan de hand van de volgende criteria.

1. Wanneer de dienstverlener voor het verlenen van de betrokken diensten geen of onbeduidende investeringen verricht, bedraagt de maximale looptijd van de vergunning vijf jaar.

2. Wanneer de dienstverlener aanzienlijke investeringen verricht in

(a) roerende activa, bedraagt de maximale looptijd tien jaar;

(b) onroerende activa, bedraagt de maximale looptijd 25 jaar, ongeacht of de eigendom daarvan na afloop al dan niet aan de haven toevalt.

Artikel 10 - Boekhoudkundige bepalingen

De bevoegde instantie legt de geselecteerde dienstverleners de verplichting op voor elk van de betrokken havendiensten een afzonderlijke boekhouding te voeren. De boekhoudkundige procedures moeten in overeenstemming zijn met de gangbare commerciële praktijk en algemeen aanvaarde boekhoudprincipes.

Artikel 11 - Zelfafhandeling

1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om zelfafhandeling overeenkomstig deze richtlijn toe te staan.

2. Voor zelfafhandeling kan een vergunning verplicht worden gesteld waarvoor de criteria niet stringenter mogen zijn dan die welke gelden voor verleners van dezelfde of een vergelijkbare havendienst.

Artikel 12 - Havenbeheerder

1. Wanneer de havenbeheerder havendiensten verleent, moet deze voldoen aan de criteria van artikel 6 en voor elk van de door hem verleende havendiensten een afzonderlijke boekhouding voeren. De boekhoudkundige procedures moeten in overeenstemming zijn met de gangbare commerciële praktijk en algemeen aanvaarde boekhoudprincipes, om ervoor te zorgen dat:

(a) de interne rekeningen voor de verschillende activiteiten gescheiden zijn;

(b) alle kosten en opbrengsten, op grond van consequent toegepaste en objectief te rechtvaardigen beginselen inzake kostprijsadministratie, correct worden toegerekend;

(c) de beginselen inzake kostprijsadministratie volgens welke de gescheiden boekhouding wordt gevoerd, duidelijk zijn vastgelegd.

2. In het accountantsverslag over de jaarrekeningen moeten eventuele financiële stromen tussen de activiteiten op het gebied van havendiensten van de havenbeheerder en diens andere activiteiten worden vermeld. Het accountantsverslag moet door de lidstaten worden bewaard en op verzoek aan de Commissie ter beschikking worden gesteld.

3. Wanneer na afloop van een selectieprocedure als bedoeld in artikel 1 voor een specifieke havendienst geen geschikte dienstverlener is gevonden, kan de bevoegde instantie, met inachtneming van de voorwaarden van lid 1 van dit artikel, de verlening van deze dienst gedurende een periode van maximaal vijf jaar reserveren voor de havenbeheerder.

4. De havenbeheerder discrimineert niet tussen dienstverleners. Met name onthoudt hij zich van discriminatie ten gunste van een onderneming of instantie waarin hij een belang heeft.

5. De bepalingen van deze richtlijn laten de rechten en verplichtingen van de lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2000/52/EG (de "transparantierichtlijn") volledig onverlet.

Artikel 13 - Beroepsprocedures

1. De lidstaten waarborgen dat elke partij die hierbij een gewettigd belang heeft, gerechtigd is tegen de overeenkomstig deze richtlijn door de bevoegde instanties of de havenbeheerder genomen besluiten of individuele maatregelen in beroep te gaan.

2. Wanneer overeenkomstig deze richtlijn een verzoek om toegang tot de markt voor havendiensten wordt afgewezen, wordt de aanvrager in kennis gesteld van de redenen waarom hij geen vergunning heeft verkregen of niet is geselecteerd. Deze redenen moeten objectief, niet-discriminerend en gegrond zijn en moeten terdege worden gemotiveerd. Voor de aanvrager moeten beroepsprocedures beschikbaar zijn. Het moet mogelijk zijn in beroep te gaan bij een nationale rechtbank of een overheidsinstantie die qua organisatie, financiering, juridische structuur en besluitvorming onafhankelijk is van de bevoegde instantie of beheerder van de betrokken haven, alsook van enige dienstverlener.

3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat door de beroepsinstanties genomen besluiten onderworpen zijn aan rechterlijke toetsing.

Artikel 14 - Veiligheid, beveiliging en milieubescherming

De bepalingen van deze richtlijn laten de rechten en verplichtingen van de lidstaten ten aanzien van ordehandhaving, veiligheid en beveiliging in havens, alsook ten aanzien van milieubescherming volledig onverlet.

Artikel 15 -Sociale bescherming

Onverminderd de toepassing van deze richtlijn en behoudens de overige bepalingen van het Gemeenschapsrecht, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om de toepassing van hun sociale wetgeving te waarborgen.

Artikel 16 - Overgangsmaatregelen

1. Wanneer het aantal verleners van havendiensten niet beperkt is wegens ruimte- of capaciteitsbeperkingen dan wel met de maritieme veiligheid samenhangende beperkingen, kunnen bestaande vergunningen ongewijzigd van kracht blijven tot op het moment dat het aantal dienstverleners wel wordt beperkt. Nieuwe vergunningen moeten voldoen aan de bepalingen van deze richtlijn.

2. Wanneer het aantal verleners van havendiensten in een haven beperkt is, gelden de voorschriften van de punten a) t/m e).

a) Wanneer een bestaande vergunning na een openbare aanbesteding of een vergelijkbare procedure werd verleend en voorts in overeenstemming is met de bepalingen van deze richtlijn, kan die vergunning ongewijzigd van kracht blijven.

b) Wanneer een bestaande vergunning niet overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn werd verleend en de dienstverlener geen of slechts onbeduidende investeringen heeft verricht, moet een nieuwe vergunningsprocedure overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn worden uitgevoerd binnen twee jaar na de omzettingsdatum van deze richtlijn in het geval van één enkele dienstverlener, en binnen vier jaar in alle andere gevallen.

c) Wanneer een dienstverlener in het kader van een bestaande vergunning aanzienlijke investeringen in roerende activa heeft verricht, geldt het volgende:

(i) wanneer de vergunning niet overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn, maar wel na een openbare aanbesteding of een vergelijkbare procedure werd verleend, bedraagt de maximale looptijd van de bestaande vergunning tien jaar;

(ii) wanneer de vergunning niet overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn en niet na een openbare aanbesteding of een vergelijkbare procedure werd verleend, moet een nieuwe vergunningsprocedure overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn worden uitgevoerd binnen drie jaar na de omzettingsdatum van deze richtlijn in het geval van één enkele dienstverlener, en binnen vijf jaar in alle andere gevallen.

d) Wanneer een dienstverlener in het kader van een bestaande vergunning aanzienlijke investeringen in onroerende activa heeft verricht, geldt het volgende:

(i) wanneer de vergunning niet overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn, maar wel na een openbare aanbesteding of een vergelijkbare procedure werd verleend, bedraagt de maximale looptijd van de bestaande vergunning 25 jaar;

(ii) wanneer de vergunning niet overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn en niet na een openbare aanbesteding of een vergelijkbare procedure werd verleend, moet een nieuwe vergunningsprocedure overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn worden uitgevoerd binnen vijf jaar na de omzettingsdatum van deze richtlijn in het geval van één enkele dienstverlener, en binnen acht jaar in alle andere gevallen.

e) Wanneer een dienstverlener in het kader van een bestaande vergunning aanzienlijke investeringen in roerende en onroerende activa heeft verricht, is punt d) van toepassing.

Artikel 17 - Verslaglegging en herziening

De lidstaten dienen uiterlijke drie jaar na de omzettingsdatum bij de Commissie een verslag over de toepassing van deze richtlijn in.

Op basis van de verslagen van de lidstaten stelt de Commissie een evaluatie van de tenuitvoerlegging van de richtlijn door de lidstaten op, die in voorkomend geval samen met een voorstel voor de herziening van de richtlijn wordt ingediend.

Artikel 18 - Tenuitvoerlegging

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn daaraan te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.. Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van de bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst mede van de belangrijke bepalingen van intern recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 19

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 20 - Geadresseerden

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, [...]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

[...] [...]

BIJLAGE

LIJST VAN ONDER DEZE RICHTLIJN VALLENDE HAVENDIENSTEN

(1) Technisch-nautische diensten

(a) loodsen

(b) slepen

(c) afmeren

(2) Vrachtafhandeling met inbegrip van

(a) laden en lossen, stuwen, overslag en ander vervoer binnen de terminal;

(b) opslag, ook in depot en entrepot, afhankelijk van de vrachtcategorie;

(c) groepage.

(3) Passagiersdiensten (inclusief inschepen en ontschepen).

Top