Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52000PC0487

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 70/220/EEG inzake maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen

/* COM/2000/0487 def. - COD 2000/0211 */

OJ C 365E , 19.12.2000, p. 268–269 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52000PC0487

Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 70/220/EEG inzake maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen /* COM/2000/0487 def. - COD 2000/0211 */

Publicatieblad Nr. C 365 E van 19/12/2000 blz. 0268 - 0269


Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 70/220/EEG inzake maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

A. Doel van het voorstel

Het doel van het voorstel is Richtlijn 70/220/EG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/102/EG, aan te vullen met lage-temperatuuremissiegrenswaarden voor voertuigen met elektrische ontsteking. Het voorstel bevat grenswaarden waaraan nieuwe types lichte bedrijfsvoertuigen (categorie N1) van gewichtsklasse II (meer dan 1 305 kg en maximaal 1 760 kg) en gewichtsklasse III (meer dan 1 760 kg) met elektrische ontsteking bij lage temperatuur moeten voldoen. Dankzij het voorstel zal de proef bij lage temperatuur ook gaan gelden voor nieuwe types personenwagens (categorie M1) die zijn voorzien van een motor met elektrische ontsteking en die bestemd zijn voor het vervoer van meer dan zes personen, alsmede voor personenwagens met een maximummassa van meer dan 2 500 kg die voorzien zijn van een motor met elektrische ontsteking. Dergelijke personenwagens vielen tot nu toe buiten het toepassingsgebied van de lage-temperatuurproef van Richtlijn 70/220/EEG, als gewijzigd bij Richtlijn 98/69/EG.

B. Juridische grondslag

Het voorstel berust op artikel 95 van het Verdrag. De maatregelen maken deel uit van het Europese typegoedkeuringsstelsel voor personenwagens en lichte bedrijfsvoertuigen en de toepassing ervan zal verplicht worden bij nieuwe goedkeuringen die door de nationale autoriteiten worden verleend. Deze aanpak van de regelgeving geniet de volle steun van de marktdeelnemers.

De tekst is relevant voor de EER-overeenkomst.

C. Achtergrond

Met een uitlaatkatalysator zijn de emissies al lager zodra de motor wordt gestart, maar de verlaging wordt groter naarmate de motor verder opwarmt. De tijd die de katalysator nodig heeft om de "light-off"-temperatuur te bereiken, de temperatuur waarbij de katalysator heet genoeg is om de maximale verlaging te halen, is van een aantal factoren afhankelijk. De zuurstof- of lambdasensor, die de lucht/brandstofverhouding afregelt op het stoichiometrische niveau dat nodig is voor een optimale katalysatorwerking, wordt eveneens door de temperatuur beïnvloed.

Om de lambdasensor op bedrijfstemperatuur te brengen is minder energie nodig dan bij de katalysator, maar de tijd die nodig is om de "light-off"-temperatuur van de katalysator te bereiken is van een aantal factoren afhankelijk. Zo kan het brede bereik van de bedrijfsomstandigheden van een voertuig worden beschreven door a) een voertuig wordt op een koude winterochtend gestart en onmiddellijk daarna in het stadsverkeer gebruikt met veelvuldig stoppen en wegrijden, of b) een voertuig wordt op een warme zomerochtend gestart en onmiddellijk daarna op de autosnelweg gebruikt bij hoge snelheid. Dergelijke omstandigheden hebben een duidelijke invloed op de tijd die de motor nodig heeft om op temperatuur te komen, op de snelheid waarmee de temperatuur aan de uitlaat toeneemt en derhalve ook op de warmteoverdracht tussen uitlaatgas en katalysator (en lambdasensor).

Het is voldoende aangetoond dat een groot deel van de verplaatsingen in stedelijke gebieden over relatief korte afstanden gebeurt zodat een katalysator maar moeilijk de "light-off"-temperatuur bereikt. Bij dergelijke korte verplaatsingen zijn de uitlaatemissies, uitgedrukt in g/km, verhoudingsgewijs hoog. Het grootste deel van de uitlaatemissies van een voertuig wordt tijdens de opwarmfase van de katalysator geproduceerd. Om de totale emissie over de afgelegde afstand te verlagen dient de tijd die de katalysator nodig heeft om op te warmen te worden verkort.

Om bij de beproeving te zorgen voor omstandigheden die rechtstreeks de inwerkingtreding van de katalysator beïnvloeden, is bij Richtlijn 70/220/EEG, als gewijzigd bij Richtlijn 98/69/EG, een proef bij lage temperatuur geïntroduceerd waarbij de emissie van koolmonoxide (CO) en koolwaterstoffen (HC) wordt gemeten. Deze lage-temperatuurproef wordt bij een omgevingstemperatuur van -7 C uitgevoerd over de rijcyclus in de stad (deel 1, bestaande uit vier basisrijcycli in de stad) overeenkomstig figuur III.1.1 van bijlage III, aanhangsel 1, van Richtlijn 70/220/EEG.

Richtlijn 98/69/EG bepaalt dat de proef bij lage temperatuur uitsluitend hoeft plaats te vinden bij nieuwe voertuigtypes van categorie N1 van gewichtsklasse I (ten hoogste 1 305 kg) met een motor met elektrische ontsteking en bij nieuwe voertuigtypes van categorie M1 met uitzondering van voertuigen die bestemd zijn voor meer dan zes inzitten en voertuigen met een maximummassa van meer dan 2 500 kg. De grenswaarden voor de lage-temperatuurproef bedragen 15 g/km voor CO en 1,8 g/km voor HC. Zij gelden vanaf 1 januari 2002 voor nieuwe types van dergelijke voertuigen (en vanaf 1 januari 2006 voor alle types van dergelijke voertuigen).

Artikel 3, lid 1, van Richtlijn 98/69/EG bepaalt dat de Commissie met een voorstel moet komen ter bevestiging van de emissiegrenzen voor voertuigen van categorie N1, klassen II en III, met een motor met elektrische ontsteking waarbij die grenswaarden voor [nieuwe types] van dergelijke voertuigen, conform punt 5.3.5 van bijlage I van Richtlijn 98/69/EG, uiterlijk in 2003 moeten ingaan.

D. Overleg met belanghebbenden

1. Standpunt van de lidstaten

Deskundigen van de lidstaten zijn in kennis gesteld van de inhoud van het voorstel via de adviesgroep van de Commissie, de motorvoertuigemissiegroep (MVEG). Een meerderheid van deskundigen steunt het voorstel.

2. Standpunt van de rapporteur van het Parlement

[....]

3. Standpunt van de industrie

De motorindustrie is vanaf het prille begin in het overleg betrokken en heeft een grote bijdrage geleverd aan de relevante testgegevens. Zij steunt het voorstel van de Commissie.

E. Grondslag en inhoud van het voorstel

Een beperkt aantal momenteel geproduceerde voertuigen van de categorie N1, klassen II en III, en "zware" voertuigen van categorie M1, alle met een motor met elektrische ontsteking, zijn getest bij normale omgevingstemperatuur (ongeveer 22 C) evenals bij een lage omgevingstemperatuur van -7 C. Uit de proefresultaten is de verhouding bepaald tussen de CO- en HC-emissies bij normale en bij lage omgevingstemperatuur. Aan de hand van deze verhoudingen zijn uit de in punt 5.3.5.2 van bijlage I van Richtlijn 98/69/EG gedefinieerde emissiegrenzen voor lage temperatuur voor voertuigen van categorie M1 en N1 equivalente emissiegrenswaarden voor lage temperaturen berekend. De testgegevens wijzen op een duidelijk verschil tussen de gemeten emissies voor voertuigen van de klassen II en III; daarom is het wenselijk voor beide klassen aparte grenswaarden vast te stellen.

De voertuigtypes waarop dit voorstel betrekking heeft - voertuigen van de categorie N1, klasse II en III, met een motor met elektrische ontsteking - worden in geringe aantallen overal in de EU verkocht; de meeste van dergelijke voertuigen zijn evenwel uitgerust met een dieselmotor. Om aan de grenswaarden voor lage temperatuur te voldoen, moet voor deze categorie voertuigen met elektrische onsteking aanvullend onderzoek worden verricht en zijn aanvullende installaties nodig zodat de kosten voor de fabrikant stijgen. Er wordt evenwel van uitgegaan dat er in de periode die aan de inwerkingtreding van deze maatregelen voorafgaat nieuwe ontwikkelingen op het gebied van emissiebeperkingssystemen zullen plaatsvinden, zodat inderdaad lagere grenswaarden dan die welke met deze procedure zijn berekend kunnen worden voorgesteld.

Daarom stelt de Commissie op grond van de opdracht die zij bij artikel 3, lid 1, en punt 5.3.5 van bijlage I bij Richtlijn 98/69/EG heeft gekregen, voor om voor de volgende voertuigen met motor met elektrische ontsteking lage-temperatuuremissiegrenzen voor CO en HC in te voeren:

-voertuigen van de categorie N1 van gewichtsklasse II (meer dan 1 305 kg doch ten hoogste 1 760 kg);

-voertuigen van categorie N1 van gewichtsklasse III (meer dan 1 760 kg).

Voor voertuigen van categorie M1 die bestemd zijn voor het vervoer van meer dan zes personen en voertuigen met een maximummassa van meer dan 2 500 kg wordt de lage-temperatuurproef in tegenstelling tot vroeger nu ook verplicht.

Bovendien zal de lagetemperatuurproef nu ook worden ingevoerd voor voertuigen van de categorieën M en N die zijn voorzien van een motor met elektrische ontsteking met een maximummassa van ten hoogste 3 500 kg.

De voorgestelde waarden voor de lage-temperatuuremissiegrenzen voor voertuigen van categorie N1, klassen II en III, zijn in onderstaande tabel vetgedrukt weergegeven.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Vanaf 1 januari 2003 zullen deze grenswaarden gelden voor nieuwe voertuigtypes van categorie N1, klassen II en III, met een motor met elektrische ontsteking en voor voertuigen van categorie M1 met een motor met elektrische ontsteking die bestemd zijn voor het vervoer van meer dan zes personen of met een maximummassa van meer dan 2 500 kg.

Ofschoon de lage-temperatuurproef op grond van Richtlijn 70/220/EEG, als gewijzigd bij Richtlijn 98/69/EG, diende te worden toegepast op voertuigen met elektrische ontsteking, is het wenselijk onderscheid te maken tussen dergelijke voertuigen die enerzijds uitsluitend op benzine of een gasvormige brandstof zoals LPG of aardgas lopen en anderzijds dergelijke voertuigen die zowel op benzine als op LPG of aardgas lopen.

Daarom wordt voorgesteld voertuigen die uitsluitend op een gasvormige brandstof (LPG of aardgas) lopen, vrij te stellen van de lage-temperatuurproef. Bovendien zullen voertuigen die zowel op aardgas als op een gasvormige brandstof lopen, maar waarvan de benzinetank niet meer dan 15 liter benzine kan bevatten, worden beschouwd als voertuigen die uitsluitend op gasvormige brandstof lopen en daarom worden vrijgesteld van de lage-temperatuurproef.

Bij de lage-temperatuurproef met voertuigen die zowel op benzine als op LPG of aardgas lopen, mag uitsluitend benzine als brandstof worden gebruikt.

F. Subsidiariteit

1. Wat is de bedoeling van het voorgenomen optreden, gelet op de verplichtingen van de Commissie-

Het doel van de maatregel is de bestaande maatregelen aan te passen aan de technische vooruitgang, alsmede aan de nieuwe kennis op milieugebied. Deze bestaande maatregelen hebben sinds 1988 in hoge mate bijgedragen tot de harmonisatie van de voertuigmarkt in de Gemeenschap. De aanpassing ervan wordt uitdrukkelijk voorgeschreven door Richtlijn 98/69/EG en is een element van de algemene consensus op basis waarvan de voorgaande richtlijn is goedgekeurd.

2. Is op dit gebied alleen de Gemeenschap bevoegd dan wel de Gemeenschap samen met de lidstaten-

Met Richtlijn 89/458/EEG heeft de Gemeenschap besloten alle emissiegerelateerde eisen voor nieuwe typegoedkeuringen van voertuigen op totale harmonisatie te baseren. Daarom gaat het om een exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap.

3. Welke middelen zijn voor het optreden van de Gemeenschap beschikbaar-

De enige realistische wijze van optreden is wetgeving in de vorm van een richtlijn of verordening. Met dit voorstel voor een bijzondere richtlijn in het kader van de tenuitvoerlegging van de bij Richtlijn 70/156/EG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/91/EG, ingevoerde EG-typegoedkeuring worden de noodzakelijke wettelijke eisen in deze sector vastgesteld.

4. Is een uniforme regeling nodig of kan worden volstaan met een richtlijn waarin de algemene beginselen worden geformuleerd en waarbij de uitvoering aan de lidstaten wordt overgelaten-

Een uniforme en gedetailleerde richtlijn is noodzakelijk met het oog op de samenhang met de voorschriften van de kaderrichtlijn, Richtlijn 70/156/EEG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/91/EG.

G. Conclusies

Dit voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad moet leiden tot een zeer hoog niveau van milieubescherming, met inachtneming van een gezonde algemeen economische benadering en op basis van realistische technische mogelijkheden.

Het zal dankzij ambitieuze doch realistische doelstellingen bijdragen tot een betere bescherming van de volksgezondheid in de Gemeenschap, terwijl de automobiel- en onderdelenindustrie voldoende tijd krijgen om te noodzakelijke technologie te ontwikkelen en te implementeren.

2000/0211 (COD)

Voorstel voor een

RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

tot wijziging van Richtlijn 70/220/EEG inzake maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie [1],

[1] PB C

Gezien het voorstel van het Economisch en Sociaal Comité [2],

[2] PB C

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [3],

[3] Advies van het Europees Parlement van...., gemeenschappelijk standpunt van de Raad van.... en besluit van het Europees Parlement van.....

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Richtlijn 70/220/EEG van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen [4], als laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/102/EG [5], is een van de bijzondere richtlijnen in het kader van de typegoedkeuringsprocedure van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan [6], als laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/91/EG van het Europees Parlement en de Raad [7].

[4] PB L 76 van 6.4.1970, blz. 1.

[5] PB L 334 van 28.12.1999, blz. 43.

[6] PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1.

[7] PB L 11 van 16.1.1999, blz. 25.

(2) Bij Richtlijn 70/220/EEG, als gewijzigd bij Richtlijn 98/69/EG [8], zijn specifieke emissiegrenzen voor koolmonoxide en koolwaterstoffen ingevoerd in combinatie met een nieuwe proef waarmee deze emissies worden gemeten bij lage temperatuur zodat het gedrag van het emissiebeperkingssysteem van voertuigen van categorie M1, en categorie N1, klasse I, met een motor met elektrische ontsteking overeenkomt met dat bij de omgevingsomstandigheden in de praktijk.

[8] PB L 350 van 28.12.1998, blz. 1.

(3) De Commissie heeft passende lage-temperatuuremissiegrenzen bepaald voor voertuigen van categorie N1, klassen II en III, met een motor met elektrische ontsteking. Het is inmiddels wenselijk dat de lage-temperatuurproef eveneens wordt uitgevoerd op voertuigen van categorie M1 met een motor met elektrische ontsteking bestemd voor het vervoer van meer dan zes personen en op voertuigen van de categorie M1 met een motor met elektrische ontsteking en een maximummassa van meer dan 2 500 kg, waarbij dit tot dusver niet noodzakelijk was.

(4) Gezien hun emissie-eigenschappen is het gerechtvaardigd voertuigen met elektrische ontsteking die uitsluitend op gasvormige brandstof lopen (LPG of aardgas), van de lage-temperatuurproef uit te zonderen. Voertuigen met een benzinesysteem dat uitsluitend voor noodsituaties of het starten is bestemd en waarbij de benzinetank niet meer dan 15 liter benzine kan bevatten, dienen te worden beschouwd als voertuigen die uitsluitend op gasvormige brandstof lopen.

(5) Het is wenselijk de emissieproef bij lage temperatuur af te stemmen op de emissieproef bij normale omgevingstemperatuur. De proef bij lage temperatuur blijft daarom beperkt tot voertuigen van de categorieën M en N met een maximummassa van ten hoogste 3 500 kg

(6) Het is noodzakelijk Richtlijn 70/220/EEG dienovereenkomstig aan te passen,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en VII van Richtlijn 70/220/EEG worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige richtlijn.

Artikel 2

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op [30 juni 2001] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van de bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de [derde] dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitster De voorzitter

BIJLAGE WIJZIGINGEN OP BIJLAGE I BIJ RICHTLIJN 70/220/EEG

1. Punt 5.3.5. wordt als volgt gewijzigd:

Voetnoot (1) wordt geschrapt.

2. Punt 5.3.5.1. wordt vervangen door:

"5.3.5.1. Deze proef moet worden uitgevoerd bij alle voertuigen van categorie M1 en van categorie N1 met elektrische ontsteking, met uitzondering van voertuigen die uitsluitend op gasvormige brandstof (LPG of aardgas) lopen. Voertuigen die zowel op benzine als op gasvormige brandstof lopen maar waarvan het benzinesysteem uitsluitend voor noodsituaties of het starten is bestemd en waarvan de benzinetank niet meer dan 15 liter benzine kan bevatten, zullen voor de proef van type VI worden beschouwd als voertuigen die uitsluitend op gasvormige brandstof lopen.

Bij voertuigen die zowel op benzine als op LPG of aardgas lopen, mag bij de proef van type VI uitsluitend benzine als brandstof worden gebruikt.

Met ingang van 1 januari 2002 is dit punt van toepassing op nieuwe types voertuigen van categorie M1 en categorie N1, klasse I, met uitzondering van voertuigen die bestemd zijn voor het vervoer van meer dan zes personen en voertuigen met een maximummassa van meer dan 2 500 kg.

Met ingang van 1 januari 2003 is dit punt van toepassing op nieuwe types voertuigen van de categorie N1, klassen II en III, nieuwe types voertuigen die bestemd zijn voor het vervoer van meer dan zes personen en nieuwe types voertuigen met een maximummassa van meer dan 2 500 kg."

3. De tabel in punt 5.3.5.2. wordt vervangen door onderstaande tabel:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

WIJZIGINGEN OP BIJLAGE VII BIJ RICHTLIJN 70/220/EEG

4. De eerste zin van punt 1 wordt als volgt gewijzigd:

"1. Deze bijlage is alleen van toepassing op voertuigen met elektrische ontsteking als gedefinieerd in punt 5.3.5. van bijlage I."

5. De eerste zin van punt 2.1.1. wordt als volgt gewijzigd:

"2.1.1. In dit hoofdstuk komen de proefinstallaties aan de orde die nodig zijn voor de toetsing bij lage temperaturen van de uitlaatemissies van voertuigen met elektrische onsteking, als gedefinieerd in punt 5.3.5. van bijlage I."

6. Voetnoot (1) in punt 4.3.3. wordt geschrapt.

Top