Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52000AC0086

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad ter verduidelijking van Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad met betrekking tot de beginselen voor de registratie van belastingen en sociale premies"

OJ C 75, 15.3.2000, p. 19–20 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52000AC0086

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad ter verduidelijking van Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad met betrekking tot de beginselen voor de registratie van belastingen en sociale premies"

Publicatieblad Nr. C 075 van 15/03/2000 blz. 0019 - 0020


Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad ter verduidelijking van Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad met betrekking tot de beginselen voor de registratie van belastingen en sociale premies"

(2000/C 75/08)

De Raad heeft op 14 januari 2000 besloten, overeenkomstig artikel 262 van het EG-Verdrag, het Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het voornoemde voorstel.

Het Comité heeft vervolgens besloten de heer V. Cal tot algemeen rapporteur te benoemen.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 369e zitting van 26 en 27 januari 2000 (vergadering van 26 januari) het volgende advies uitgebracht, dat met 79 stemmen vóór, bij 3 onthoudingen werd goedgekeurd.

1. Inleiding

1.1. In het Europees systeem van rekeningen (ESR) wordt de financieringsbehoefte van de nationale overheden gelijkgesteld aan het overheidstekort. Deze definitie is van belang met het oog op het Protocol betreffende buitensporige tekorten, dat de werking van het Stabiliteits- en groeipact bepaalt. Voor het goed functioneren van het Protocol moeten de overheidstekorten van de respectieve lidstaten namelijk snel kunnen worden berekend en dienen de desbetreffende cijfers transparant en vergelijkbaar te zijn.

1.2. Sommige lidstaten geven (aan de hand van kohiers en aangiften) de werkelijk verschuldigde belastingen en sociale premies op, terwijl andere de werkelijk geïnde bedragen opgeven. De tweede groep gegevens komt vaak te laat en de eerste groep bevat bedragen die nooit geïnd zullen worden omdat de desbetreffende belastingen/premies wegens insolvabiliteit, faillissement, enz. toch nooit zullen worden betaald.

1.3. De Commissie stelt bijgevolg voor, "bij de registratie van belastingen en sociale premies in het systeem bedragen die niet kunnen worden geïnd buiten beschouwing te laten, zodat de waarde van belastingen en sociale premies die op basis van het belastbare feit worden geregistreerd, gerekend over een redelijke termijn, gelijk zijn aan de werkelijk geïnde bedragen".

1.4. Praktisch gezien komt het voorstel erop neer dat op iedere geregistreerde categorie belastingen en sociale premies een correctiecoëfficiënt wordt toegepast om bedragen die doorgaans niet worden geïnd, te elimineren. Worden kasgegevens als bron voor de opgaven gebruikt, dan verzoekt de Commissie "om ervoor te zorgen dat de desbetreffende bedragen (exact) worden toegerekend aan de periode waarin de activiteit die tot de belastingplicht heeft geleid, heeft plaatsgevonden".

2. Algemene opmerkingen

2.1. Het Comité kan zich vinden in het beginsel waarop onderhavig ontwerp stoelt en hoopt dat de Raad het, indien mogelijk gedurende het waarnemende Portugese voorzitterschap, snel zal goedkeuren.

2.2. Weliswaar vertegenwoordigen de niet-geïnde belastingen en premies slechts zo'n 2 % van het BNP, maar dit percentage wint aan belang wanneer men het vergelijkt met het niveau tot waar de lidstaten in het kader van hun Stabiliteits- en groeiprogramma's het overheidstekort moeten terugdringen: eveneens ongeveer 2 %.

2.3. Het Comité dringt erop aan dat de coëfficiënten per categorie belastingen en sociale premies rigoureus worden toegepast. Hantering van slechts een globale coëfficiënt brengt niet alleen transparantie en vergelijkbaarheid van de nationale cijfers in gevaar, maar bemoeilijkt ook nog eens het verrichten van de studies die voor een geleidelijke fiscale harmonisatie binnen de Unie nodig zijn.

3. Bijzondere opmerkingen

3.1. Artikel 3 onder a)

De coëfficiënten moeten niet uitsluitend op basis van de opgedane ervaringen worden beoordeeld. Tevens dient rekening te worden gehouden met factoren waarvan te verwachten valt dat deze het macro-economische klimaat kunnen doen verslechteren.

3.2. Artikel 3, onder b)

Het Comité schaart zich volledig achter deze bepaling, waarin wordt voorgeschreven dat belastingen en premies strikt aan perioden en activiteiten worden toegerekend. Continuïteit bij de toepassing van de genoemde beginselen is immers van het hoogste belang.

3.3. Tenuitvoerlegging

Voor de lidstaten die artikel 3 nog niet toepassen en waarvan de huidige cijfers verschillen van de cijfers die de toepassing van dat artikel zou hebben opgeleverd, moet een overgangsperiode van maximaal twee jaar worden ingevoerd.

Brussel, 26 januari 2000.

De voorzitter

van het Economisch en Sociaal Comité

B. Rangoni Machiavelli

Top