EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 51999AG0225(05)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 12/1999 door de Raad vastgesteld op 22 december 1998 met het oog op de aanneming van Richtlijn 1999/.../EG van de Raad tot tweede wijziging van Richtlijn 90/394/EEG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk en uitbreiding van die richtlijn tot mutagene agentia

OJ C 55, 25.2.1999, p. 39 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

51999AG0225(05)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 12/1999 door de Raad vastgesteld op 22 december 1998 met het oog op de aanneming van Richtlijn 1999/.../EG van de Raad tot tweede wijziging van Richtlijn 90/394/EEG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk en uitbreiding van die richtlijn tot mutagene agentia

Publicatieblad Nr. C 055 van 25/02/1999 blz. 0039


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 12/1999 door de Raad vastgesteld op 22 december 1998 met het oog op de aanneming van Richtlijn 1999/. . ./EG van de Raad tot tweede wijziging van Richtlijn 90/394/EEG betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk en uitbreiding van die richtlijn tot mutagene agentia (1999/C 55/05)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 118 A,

Gelet op Richtlijn 90/394/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk (zesde bijzondere richtlijn in de zin van Richtlijn 89/391/EEG) (1),

Gezien het voorstel van de Commissie (2), opgesteld na raadpleging van het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Volgens de procedure van artikel 189 C van het Verdrag (4),

(1) Overwegende dat in artikel 118 A van het Verdrag wordt bepaald dat de Raad, door middel van richtlijnen, de minimumvoorschriften vaststelt om de verbetering van met name het arbeidsmilieu te bevorderen, teneinde de veiligheid en de gezondheid van de werknemers beter te beschermen;

(2) Overwegende dat, krachtens dat artikel, in deze richtlijnen wordt vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat zij oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen zouden kunnen hinderen;

(3) Overwegende dat kiemcelmutagene agentia stoffen zijn die een blijvende verandering in de hoeveelheid of de structuur van het genetisch materiaal van een cel kunnen veroorzaken, leidend tot een verandering van de fenotypische kenmerken van die cel, die op afstammende dochtercellen kan worden overgedragen;

(4) Overwegende dat kiemcelmutagene agentia gezien hun werkingsmechanisme waarschijnlijk carcinogene effecten hebben;

(5) Overwegende dat vinylchloridemonomeer krachtens Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (5) als carcinogeen agens van categorie 1 ingedeeld is;

(6) Overwegende dat, omwille van de consistentie en de duidelijkheid, de essentiële bepalingen van Richtlijn 78/610/EEG van de Raad van 29 juni 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de bescherming van de gezondheid van werknemers die aan vinylchloridemonomeer (6) zijn blootgesteld, in deze richtlijn moeten worden opgenomen, waarbij het niveau van bescherming van de gezondheid en veiligheid van de werknemers niet lager mag worden;

(7) Overwegende dat Richtlijn 78/610/EEG na de implementatie van deze richtlijn kan worden ingetrokken;

(8) Overwegende dat epidemiologisch onderzoek bij blootgestelde werknemers de carcinogeniteit van het stof van eiken- en beukenhout heeft aangetoond; dat het stof van andere soorten hardhout hoogstwaarschijnlijk ook kanker bij de mens kan verwekken; dat betrokken werknemers derhalve ernstig gevaar lopen om kanker te ontwikkelen;

(9) Overwegende dat het zaak is het voorzorgsbeginsel toe te passen op de bescherming van de gezondheid van werknemers; dat Richtlijn 90/394/EEG daarom tot het stof van alle soorten hardhout moet worden uitgebreid;

(10) Overwegende dat verder onderzoek naar de carcinogeniteit van stof van andere houtsoorten gewenst is; dat de Commissie bij de vaststelling van een risico voorstellen moet indienen om de gezondheid van de werknemers te beschermen;

(11) Overwegende dat artikel 16 van Richtlijn 90/394/EEG bepaalt dat er op grond van de beschikbare informatie, wetenschappelijke en technische informatie daarbij inbegrepen, grenswaarden worden vastgesteld ten aanzien van deze carcinogene agentia waarvoor dit mogelijk is;

(12) Overwegende dat het dienstig is dergelijke grenswaarden vast te stellen voor stoffen van hardhout; dat de huidige grenswaarden voor vinylchloridemonomeer verlaagd dienen te worden om deze in overeenstemming te brengen met de beste minimumnormen voor technologische praktijken, daarbij rekening houdend met de haalbaarheidsaspecten, maar er steeds naar strevend de bescherming van de gezondheid van de werknemers op de werkplek veilig te stellen;

(13) Overwegende dat werknemers doeltreffend beschermd moeten worden tegen het risico op kanker ten gevolge van blootstelling aan stof van hardhout op het werk; dat het doel van deze richtlijn niet is het houtgebruik te verminderen door hout te vervangen door ander materiaal of door een bepaalde houtsoort te vervangen door andere houtsoorten;

(14) Overwegende dat de naleving van de minimumvoorschriften inzake de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de werknemers tegen bijzondere risico's in verband met carcinogene agentia niet slechts de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van iedere afzonderlijke werknemer beoogt, maar er tevens op is gericht alle werknemers in de Gemeenschap een niveau van minimale bescherming te bieden;

(15) Overwegende dat er een consistent niveau van bescherming tegen de risico's in verband met carcinogene agentia voor de Gemeenschap als geheel moet worden verwezenlijkt en dat het bedoelde beschermingsniveau moet worden bereikt door een kader van algemene principes teneinde de lidstaten in staat te stellen de minimumvoorschriften op consistente wijze toe te passen;

(16) Overwegende dat de wijzigingen vervat in deze richtlijn een concreet aspect zijn van de verwezenlijking van de sociale dimensie van de interne markt;

(17) Overwegende dat het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats krachtens Besluit 74/325/EEG (7) door de Commissie moet worden geraadpleegd voor het uitwerken van voorstellen op dit gebied,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 90/394/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1. artikel 1, lid 4, wordt vervangen door:

"Wat asbest betreft, dat in Richtlijn 83/477/EEG (*) wordt behandeld, gelden de bepalingen van deze richtlijn wanneer zij voor de veiligheid en gezondheid op het werk gunstiger zijn.

(*) PB L 263 van 24.9.1983, blz. 25. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/24/EG (PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11).";

2. in artikel 2 wordt na punt a) het volgende punt aa) ingevoegd:

"aa) "mutageen agens":

i) een stof die op grond van de criteria van bijlage VI van Richtlijn 67/548/EEG dient te worden ingedeeld als mutageen agens van categorie 1 of 2;

ii) een uit een of meer van de onder i) bedoelde stoffen samengesteld preparaat, waarbij de concentratie van een of meer van de afzonderlijke stoffen voldoet aan de concentratiegrensvereisten voor de indeling van een preparaat als mutageen agens van categorie 1 of 2 zoals vermeld in:

- hetzij bijlage I van Richtlijn 67/548/EEG,

- hetzij bijlage I van Richtlijn 88/379/EEG voorzover de stof of stoffen niet voorkomt of voorkomen in bijlage I van Richtlijn 67/548/EEG, ofwel erin voorkomt of voorkomen zonder vermelding van concentratiegrenzen;";

3. in artikel 1, lid 1, artikel 3, lid 1, lid 2, eerste en tweede streepje, en lid 4, artikel 5, lid 5, onder c), d), e) en j), artikel 6, onder a) en b), artikel 10, lid 1, aanhef en onder a), artikel 11, lid 2, artikel 14, lid 3, artikel 16, lid 1, en artikel 17, lid 2, wordt "carcinogene agentia" vervangen door "carcinogene of mutagene agentia";

4. in artikel 2, onder b), artikel 4, lid 1, artikel 5, lid 2 en lid 5, aanhef en onder a), wordt "carcinogeen agens" vervangen door "carcinogeen of mutageen agens";

5. in bijlage I wordt het volgende punt 5 toegevoegd:

"5. Werkzaamheden waarbij men wordt blootgesteld aan stof van hardhout (*).

(*) Een lijst van enkele soorten hardhout staat in deel 62 van de Monographs on the Evaluation of Carcinogenic Risks to Humans ("Wood Dust and Formaldehyde") (Monografieën over de evaluatie van carcinogene risico's voor de mens ("Houtstof en formaldehyde")), gepubliceerd door het Internationaal Instituut voor kankeronderzoek (Lyon, 1995).";

6. bijlage III, deel A, wordt vervangen door het volgende:

">RUIMTE VOOR DE TABEL>

".

Artikel 2

Richtlijn 78/610/EEG wordt ingetrokken met ingang van . . . (8*).

Artikel 3

Binnen twee jaar na de vaststelling van deze richtlijn kan de Commissie overeenkomstig artikel 118 A van het Verdrag op basis van de meest recente wetenschappelijke gegevens bij de Raad een voorstel indienen voor de vaststelling van herziene grenswaarden voor vinylchloridemonomeer en stof van hardhout.

Artikel 4

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op . . . (9*) aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

In de bepalingen die de lidstaten aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van nationaal recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 5

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 6

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te . . .

Voor de Raad

De Voorzitter

(1) PB L 196 van 26.7.1990, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/42/EG (PB L 179 van 8.7.1997, blz. 4).

(2) PB C 123 van 22.4.1998, blz. 21.

(3) PB C 284 van 14.9.1998, blz. 111.

(4) Advies van het Europees Parlement van 22 oktober 1998 (PB C 341 van 9.11.1998, blz. 132), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 22 december 1998 en besluit van het Europees Parlement van . . . (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(5) PB L 196 van 16.8.1967, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/69/EG (PB L 343 van 13.12.1997, blz. 19).

(6) PB L 197 van 22.7.1978, blz. 12.

(7) PB L 185 van 9.7.1974, blz. 15. Besluit laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(8*) Vier jaar na de vaststelling van deze richtlijn.

MOTIVERING VAN DE RAAD

I. INLEIDING

1. Op 19 maart 1998 heeft de Commissie de Raad het bovengenoemde, op artikel 118 A van het EG-Verdrag gebaseerde voorstel voorgelegd.

Het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité hebben respectievelijk op 22 oktober 1998 en op 2 juli 1998 advies uitgebracht.

Ingevolge het advies van het Europees Parlement heeft de Commissie op 16 november 1998 een gewijzigd voorstel ingediend.

2. Op 22 december 1998 heeft de Raad overeenkomstig artikel 189 C van het Verdrag zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld.

II. DOELSTELLINGEN

De doelstellingen van de ontwerprichtlijn zijn:

- uitbreiding van het toepassingsgebied van Richtlijn 90/394/EEG tot mutagene stoffen die niet reeds onder die richtlijn vallen;

- uitbreiding van het toepassingsgebied van Richtlijn 90/394/EEG tot stof van hardhout;

- codificatie binnen die richtlijn van de bestaande Richtlijn 78/610/EEG inzake vinylchloridemonomeer.

Voor de beide laatstgenoemde categorieën stoffen worden grenswaarden vastgesteld.

III. ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

1. Algemene opmerkingen

Het gemeenschappelijk standpunt komt grotendeels overeen met het gewijzigde Commissievoorstel; in het bijzonder wordt het voornaamste amendement van het Europees Parlement overgenomen, te weten de uitbreiding van de bepalingen over stof van beuken- en eikenhout tot stof van hardhout in het algemeen.

Wat mutagene agentia betreft, was de Raad van mening dat aangezien niet is bewezen dat alle mutagene stoffen noodzakelijk carcinogeen zijn, deze stoffen als zelfstandige categorie in de tekst moeten worden opgenomen, en niet eenvoudigweg in bijlage I bij Richtlijn 90/394/EEG, zoals door de Commissie wordt voorgesteld. Om dezelfde reden was de Raad van oordeel dat de titel van de richtlijn dienovereenkomstig moet worden gewijzigd.

2. Analyse van de artikelen

- Artikel 1lid 1: dit lid is ongewijzigd ten opzichte van het Commissievoorstel;

lid 2: in dit lid is een definitie van "mutagene agentia" opgenomen;

leden 3 en 4: deze leden breiden het toepassingsgebied van de richtlijn waar nodig uit tot mutagene agentia;

lid 5: overeenkomstig amendement nr. 6 van het Europees Parlement wordt in dit lid een nieuw punt 5, met betrekking tot hardhout, toegevoegd aan bijlage I.

Om de lidstaten van dienst te zijn bij de uitvoering van de richtlijn, is er een voetnoot toegevoegd met een verwijzing naar de monografie "Stof van hout en formaldehyde" van het Internationaal Instituut voor kankeronderzoek, die een lijst van de meest voorkomende soorten hardhout en tropisch hardhout bevat;

lid 6: dit lid, dat overeenkomt met amendement nr. 7 van het Europees Parlement, voorziet in de opneming in deel A van bijlage III van de grenswaarden voor vinylchloridemonomeer en stof van hardhout.

De jaarlijkse grenswaarde voor vinylchloridemonomeer, die in het Commissievoorstel stond, is geschrapt omdat de Raad die grenswaarde niet praktikabel achtte.

De grenswaarde voor stof van hardhout is gelijk aan de waarde die door het Europees Parlement in overweging is gegeven, en er wordt ook duidelijk gesteld dat de grenswaarde op mengsels houtstof van toepassing moet zijn. Aangezien het begrip "inhaleerbare fractie" afkomstig is uit overeengekomen internationale normen en praktijken, werd een nadere omschrijving in deze tekst overbodig geacht.

- Artikel 2

Dit artikel is ongewijzigd ten opzichte van het Commissievoorstel. Amendement nr. 9 van het Europees Parlement is niet overgenomen, aangezien het duidelijk is dat de datum van intrekking van Richtlijn 78/610/EEG moet samenvallen met de uiterste termijn voor de uitvoering van de richtlijn.

- Artikel 3

Dit artikel komt overeen met de tekst van het gewijzigde Commissievoorstel en bevat bijgevolg de in amendement nr. 10 van het Europees Parlement bedoelde tweejarige termijn voor de herziening van de grenswaarden.

- Artikel 4

Overeenkomstig amendement nr. 11 van het Europees Parlement is er in het gewijzigde voorstel van de Commissie een uitvoeringstermijn van drie jaar opgenomen.

De Raad heeft besloten dat deze termijn tot vier jaar moet worden verlengd, hoofdzakelijk vanwege de kosten die kleine en middelgrote ondernemingen moeten maken om aan de nieuwe grenswaarde voor stof van hardhout te voldoen.

- Artikelen 5 en 6

Standaardbepalingen.

3. Preambule

De preambule is aangepast om er de tekstwijzigingen ten opzichte van het gewijzigde Commissievoorstel in weer te geven.

Amendement nr. 3 van het Europees Parlement wordt in de overwegingen 8, 9 en 10 in aanmerking genomen.

Voorts komt de inhoud van amendement nr. 5 van het Europees Parlement tot uitdrukking in de overwegingen 11, 12 en 13.

4. Overige door het Europees Parlement voorgestelde amendementen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

V. CONCLUSIE

De Raad is van mening dat de tekst van het gemeenschappelijk standpunt, ondanks enkele kleine afwijkingen van de tekst van het gewijzigde voorstel, aan de essentiële doelstellingen van het Commissievoorstel beantwoordt.

Top