EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 51998XG1215

Toelichtend rapport bij de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn (Door de Raad op 3 december 1998 goedgekeurde tekst)

OJ C 391, 15.12.1998, p. 1–12 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

51998XG1215

Toelichtend rapport bij de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn (Door de Raad op 3 december 1998 goedgekeurde tekst)

Publicatieblad Nr. C 391 van 15/12/1998 blz. 0001 - 0012


TOELICHTEND RAPPORT bij de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn (Door de Raad op 3 december 1998 goedgekeurde tekst) (98/C 391/01)

I. INLEIDING

Zoals in vrijwel alle landen ter wereld bevat het strafrecht van de lidstaten van de Europese Unie bepalingen ter bestrijding van actieve en passieve corruptie van nationale ambtenaren. Hoewel de omschrijvingen van corruptiedelicten van lidstaat tot lidstaat kunnen variëren, bevatten ze gemeenschappelijke elementen op grond waarvan een gemeenschappelijke definitie mogelijk is.

Niet nationaal maar internationaal gezien leeft sinds lang het besef dat de bestrijding van corruptie met transnationale trekken vooral te lijden heeft onder het feit dat de corruptie van buitenlandse ambtenaren en van ambtenaren in dienst van internationale organisaties in het strafrecht van de lidstaten niet aan de orde komt. Voor de toepassing van het nationale strafrecht geldt de definitie van overheidspersoon of ambtenaar in veel lidstaten zelfs alleen voor nationale ambtenaren; ook al wordt deze term niet nauwer omschreven, wordt hij toch vaak restrictief uitgelegd.

Het strafrecht in de meeste lidstaten bevat dan ook geen strafbaarstelling van gedrag dat gericht is op de corruptie van ambtenaren van andere lidstaten, zelfs wanneer dat plaatsvond op hun eigen grondgebied of op aanstichten van een van hun eigen onderdanen (1). Zelfs wanneer crimineel gedrag onder bepaalde omstandigheden op grond van andere delicten dan corruptie, bijvoorbeeld fraude of schending van vertrouwen, kan worden vervolgd, is het waarschijnlijk dat de corruptie zelf niet wordt bestraft.

Deze situatie, waaraan in internationale fora (met name de OESO (2) en de Raad van Europa) allang aandacht wordt besteed en die het voorwerp is geweest van veel aanbevelingen en resoluties, is in de Europese Unie steeds ondraaglijker geworden ten gevolge van de nauwer wordende banden tussen de lidstaten en hun gemeenschappelijke lidmaatschap van de Europese Gemeenschap, een supranationale organisatie die gebaseerd is op het primaat van het recht, met haar eigen instellingen en een groot personeelsbestand.

Afgezien van de principiële aspecten belemmert deze stand van zaken vaak de justitiële samenwerking tussen lidstaten wanneer aan de voorwaarde van dubbele strafbaarheid niet voldaan is.

Een eerste reactie op deze stand van zaken was de opstelling door de Raad van het protocol op 27 september 1996 (3) als aanvulling bij de overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (4); voornoemd protocol was ook een reactie op punt 7, onder h), van de resolutie van de Raad van 6 december 1994 (5) betreffende de rechtsbescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen volgens welke "lidstaten doeltreffende maatregelen moeten nemen ter bestraffing van omkoping van of door ambtenaren van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot de financiële belangen van de Gemeenschappen".

Het protocol kan echter, op grond van de inhoud van de hoofdovereenkomst, alleen de lidstaten ertoe verplichten gedrag in verband met fraude tegen de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen te bestraffen, dat wil zeggen volgens de definitie in de artikelen 2 en 3 van het protocol, een daad of verzuim ". . . waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden of kunnen worden geschaad".

De Italiaanse regering heeft in 1996 een ontwerp-overeenkomst voorgelegd om ervoor te zorgen dat alle corrupte gedragingen waarbij ambtenaren van de Gemeenschap of van de lidstaten betrokken zijn, strafbaar worden gesteld en niet alleen corrupte gedragingen die verband houden met fraude tegen de financiële belangen van de Gemeenschappen. Weliswaar steunde dit ontwerp in hoge mate op de bepalingen en definities die de delegaties in eerdere besprekingen over het protocol overeengekomen waren, maar het vormde toch een voorstel voor een zelfstandig rechtsinstrument met algemene toepassing en bevatte de nodige extra bepalingen inzake justitiële samenwerking en de bevoegdheid van het Hof van Justitie. Ingevolge dit initiatief is de Raad op 26 mei 1997 overgegaan tot de aanneming van de akte tot opstelling van de Overeenkomst ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn (6).

De werking van de overeenkomst zal tevens bijdragen tot de goede werking van de interne markt en tot de uitvoering van politiek richtsnoer nr. 13 van het Actieplan ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit (7), dat op 28 april 1997 door de Raad werd aangenomen en door de Europese Raad van Amsterdam werd goedgekeurd.

Delen van dit toelichtend rapport zijn opgesteld aan de hand van de commentaar in de toelichting op de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen van 1995 (8) en het protocol van 1996 bij die overeenkomst (9).

II. COMMENTAAR BIJ DE ARTIKELEN

Artikel 1 Definities

Deze inleidende bepaling geeft een definitie van de begrippen "ambtenaar", "communautair ambtenaar" en "nationaal ambtenaar" zoals die voor de toepassing van deze overeenkomst worden gebruikt.

1.1. De algemene definitie van "ambtenaar" onder a) dekt verscheidene categorieën van personen - ambtenaren van de Gemeenschap en nationale ambtenaren, waaronder nationale ambtenaren van een andere lidstaat - om ervoor te zorgen dat de belangrijkste bepalingen van de overeenkomst zo ruim en zo homogeen mogelijk worden toegepast bij de bestrijding van corruptie.

Die categorieën worden gedefinieerd onder verwijzing naar hun respectieve hoedanigheden.

1.2. Punt 1, onder b), is van toepassing op de "communautaire ambtenaren", waarmee niet alleen ambtenaren in vaste dienst in eigenlijke zin worden bedoeld, overeenkomstig het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, maar ook de verschillende categorieën personeelsleden die bij overeenkomst zijn aangesteld onder de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen. Het dekt ook de nationale deskundigen die ter beschikking van de Europese Gemeenschappen zijn gesteld om daar een functie uit te oefenen die overeenstemt met die welke door ambtenaren en andere personeelsleden van de Gemeenschappen wordt uitgeoefend.

De leden van de Gemeenschapsinstellingen - de Commissie, het Europees Parlement, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en de Europese Rekenkamer - vallen niet onder deze definitie maar worden behandeld in artikel 4 van de overeenkomst.

1.3. Krachtens de laatste zin van punt b) vallen ook de personeelsleden van de overeenkomstig het Gemeenschapsrecht ingestelde organen onder de definitie van "communautair ambtenaar". Het betreft thans de volgende organen:

- Europees Agentschap voor samenwerking (10)

- Europese Investeringsbank (11)

- Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (12)

- Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (13)

- Europees Universitair Instituut in Florence (14)

- Europees Investeringsfonds (15)

- Europees Milieuagentschap (16)

- Europese Stichting voor opleiding (17)

- Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (18)

- Europees Bureau voor de geneesmiddelenbeoordeling (19)

- Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (20)- Europees Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, ontwerpen en modellen) (21)

- Europese Centrale Bank (22),

- Communautair Bureau voor plantenrassen (23)

- Vertaalbureau van de organen van de Unie (24)

- Europees Waarnemingscentrum voor racisme en vreemdelingenhaat (25).

Deze bepaling heeft betrekking op de personeelsleden van de bestaande of toekomstige organen die in zeer ruime zin verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de krachtens de Verdragen van de Gemeenschappen aangenomen of nog aan te nemen communautaire wetgeving.

1.4. In punt 1, onder c), wordt het begrip "nationale ambtenaren" omschreven overeenkomstig de definitie van "ambtenaar" in de zin van het nationale recht van de lidstaat voor de toepassing van zijn eigen strafrecht. De definitie in het strafrecht van het land van herkomst van de ambtenaar krijgt dus voorrang. Voor een ambtenaar van de lidstaat die de strafvervolging instelt is dus duidelijk de nationale definitie van toepassing. Gaat het evenwel om een ambtenaar van een andere lidstaat dan moet de definitie in het recht van die lidstaat normaal gesproken door de vervolgende lidstaat worden toegepast. Indien de betrokkene in het recht van die staat niet de hoedanigheid van ambtenaar zou hebben gehad, kan die definitie niet de doorslag geven. Dit volgt uit de tweede alinea, onder c), op grond waarvan een lidstaat niet verplicht is de definitie van "nationale ambtenaar" van een andere lidstaat toe te passen behalve wanneer die definitie verenigbaar is met zijn nationale recht, en hij kan bepalen dat strafbare corruptie waarbij nationale ambtenaren van een andere lidstaat betrokken zijn, alleen betrekking heeft op nationale ambtenaren wier hoedanigheid verenigbaar is met zijn eigen definitie van nationale ambtenaren. Hoewel daartoe geen specifieke verplichting bestaat, kan een lidstaat verklaren dat hij besloten heeft in het algemeen van deze mogelijkheid gebruik te maken.

Opgemerkt zij dat de verwijzing naar het recht van de lidstaat van de ambtenaar in het algemeen betekent dat terdege rekening kan worden gehouden met de specifieke nationale situaties met betrekking tot de hoedanigheid van personen die openbare ambten bekleden.

Uit artikel 4, leden 2 en 3, volgt evenwel dat het begrip "nationale ambtenaar" niet automatisch van toepassing is op parlementsleden, ministers, leden van de hoogste rechterlijke instanties of leden van een rekenkamer in de lidstaten. Dit belet een lidstaat evenwel niet zijn eigen omschrijving van "nationale ambtenaar" tot een of meer van voornoemde categorieën van personen uit te breiden.

Artikel 2 Passieve corruptie

Artikel 2 omschrijft de bestanddelen van het strafbaar feit van passieve corruptie. Zoals veel andere bepalingen van de overeenkomst is de formulering voornamelijk, met de nodige aanpassingen, gebaseerd op de overeenkomstige artikelen van het protocol bij de overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (hierna "het eerste protocol" te noemen).

2.1. Lid 1 somt een reeks bestanddelen op die corruptie van een ambtenaar behelzen en waarvan opzet een noodzakelijk onderdeel is.

2.2. De materiële bestanddelen van corruptie omvatten het verzoeken, aannemen en ontvangen van bepaalde zaken, "onmiddellijk of middellijk".

Dit omvat:

- een unilaterale handeling van een ambtenaar, die om een voordeel voor zichzelf verzoekt door een andere persoon expliciet of impliciet te doen verstaan dat hij zal moeten "betalen" om te verkrijgen dat een bepaalde officiële handeling wordt verricht of wordt nagelaten; het speelt daarbij geen rol of aan het verzoek gevolg wordt gegeven, aangezien het verzoek zelf de kern van het strafbaar feit uitmaakt;

- het ingaan op toezeggingen of het aannemen van bepaalde zaken door de pleger van het strafbaar feit, nadat hijzelf en de schenker daarover overeenstemming hebben bereikt; alle elementen voor het strafbaar feit zijn verenigd wanneer beide partijen hebben ingestemd, zelfs indien de ambtenaar achteraf nalaat de overeenkomst uit te voeren of de ontvangen zaken teruggeeft.

De overeenkomst maakt geen onderscheid tussen rechtstreekse of onrechtstreekse corruptiemiddelen. Het feit dat derden betrokken kunnen zijn, waardoor het toepassingsgebied van passieve corruptie zou worden uitgebreid tot onrechtstreekse handelingen van de ambtenaar, brengt noodzakelijkerwijs met zich dat de criminele aard van het gedrag van de ambtenaar moet worden onderkend, ongeacht of de betrokken derde te goeder dan wel te kwader trouw handelt.

2.3. Er is ook sprake van een strafbaar feit als de ambtenaar bijvoorbeeld een gift of enig ander voordeel eist, niet voor zichzelf maar voor een derde partij, bijvoorbeeld de echtgenoot of partner, een goede vriend, een politieke partij of een andere organisatie.

2.4. De bestanddelen die de materiële basis van de corruptie vormen, zijn onder meer aanbiedingen, toezeggingen of voordelen van enige aard ten gunste van de ambtenaar of enige andere persoon.

"Voordelen van enigerlei aard" is een bewust ruime omschrijving, die niet alleen betrekking heeft op materiële zaken (geld, waardevolle objecten, allerlei goederen, bewezen diensten) maar ook op al wat een indirect belang zou kunnen vormen, zoals de vereffening van de schulden van de gecorrumpeerde of het uitvoeren van werk aan onroerende goederen die zijn eigendom zijn. Deze opsomming is niet limitatief. Het begrip voordeel dekt alle stoffelijke of onstoffelijke voordelen die zijn gevraagd, aangenomen of toegezegd.

Voor de toepassing van de overeenkomst is het tijdstip waarop de zaken die de basis van de corruptie vormen, worden overhandigd of verstrekt, van geen belang. Doordat artikel 2, lid 1, uitdrukkelijk het ingaan op toezeggingen vermeldt, geldt het ook voor uitgestelde betalingen, voorzover die hun oorsprong vinden in samenspanning tussen de omgekochte en de omkoper.

2.5. De bepaling is zo geformuleerd dat het verzoek of het ingaan op de toezegging voorafgaat aan het door de ambtenaar aangeboden of aanvaarde handelen of nalaten, want de tekst luidt ondubbelzinnig: "het feit dat een ambtenaar . . . voordelen . . . aanneemt of vraagt, dan wel ingaat op een desbetreffende toezegging teneinde . . . een ambtshandeling . . . te verrichten of na te laten . . .".

In de zin van deze bepaling zijn lidstaten dus niet verplicht een vervolging in te stellen wegens strafrechtelijke aansprakelijkheid wanneer een voordeel is verkregen na een handeling waaraan geen verzoek of instemming vooraf is gegaan. Dit artikel is evenmin van toepassing op geschenken die geen verband houden met latere handelingen van de ambtenaar in de uitoefening van zijn ambt.

In het kader van artikel 11 van de overeenkomst belet uiteraard niets de lidstaten die dat wensen ook corruptie strafbaar te stellen die bestaat in het aannemen van een gevraagd of aanvaard voordeel nadat de ambtenaar in strijd met zijn officiële plichten heeft gehandeld.

2.6. De overeenkomst is van toepassing op gedrag dat verband houdt met de plichten of het ambt van een ambtenaar. De overeenkomst is van toepassing op het doen of nalaten van enige handeling die tot de bevoegdheid behoort van degene die het ambt of de functie overeenkomstig enige wet of regelgeving bekleedt (ambtsplicht), voorzover deze handeling in strijd is met de ambtsplicht.

Het recht van bepaalde lidstaten bestrijkt ook de gevallen waarin een ambtenaar, in strijd met zijn ambtelijke onpartijdigheid, een voordeel ontvangt als tegenprestatie om overeenkomstig zijn ambt te handelen (bv. door via een voorkeursbehandeling de behandeling van een dossier te bespoedigen of te schorsen). Op deze gevallen is dit artikel van toepassing.

2.7. Artikel 2, lid 2, verplicht de lidstaten ertoe de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de in lid 1 bedoelde gedragingen strafbaar worden gesteld.

De lidstaten moeten derhalve beoordelen of hun huidig strafrecht werkelijk alle relevante categorieën van personen en vormen van gedragingen dekt; indien dat niet het geval is, moeten zij maatregelen nemen waardoor een of meer van die gedragingen als strafbaar feit worden aangemerkt. Zij kunnen dat doen door middel van één algemene strafbaarstelling of door een aantal specifieke strafbaarstellingen.

Artikel 3 Actieve corruptie

Dit artikel bevat de bestanddelen van een strafbaar feit van actieve corruptie van een ambtenaar.

Dit artikel is het logisch gevolg van het strafbaar feit omschreven in artikel 2, gezien van de kant van de omkoper; het moet met name garanderen dat de overheidsdienst behoorlijk functioneert en is bedoeld om ambtenaren te beschermen tegen mogelijke manoeuvres waarvan zij het doelwit zijn, met dien verstande dat in de meeste lidstaten actieve en passieve corruptie onderscheiden, onafhankelijke strafbare feiten zijn waarvoor onderscheiden, onafhankelijke vervolgingen kunnen worden ingesteld.

Artikel 3, lid 1, vermeldt vormen van strafbare gedragingen van de omkoper die actieve corruptie van een ambtenaar vormen.

3.1. Met "iemand die opzettelijk een voordeel belooft of verstrekt", wordt de omkoper bedoeld, ongeacht de hoedanigheid (bedrijf, openbare dienst enz.) waarin hij handelt; de omkoper kan een particulier zijn die voor zichzelf of voor een bedrijf handelt, maar ook een persoon die een openbaar ambt bekleedt.

De handeling die corruptie vormt, moet opzettelijk zijn, dat wil zeggen, worden verricht vanuit een doelbewust streven de ambtenaar handelingen te laten uitvoeren die in strijd zijn met de aan de openbare dienst verbonden plichten.

Overeenkomstig het nationale recht moet worden bepaald of er al dan niet sprake is van een strafbaar feit wanneer de omkoper opzettelijk handelt, maar zich vergist met betrekking tot de bevoegdheid die hij de ambtenaar toeschrijft.

3.2. De handeling van de omkoper kan erin bestaan onmiddellijk of middellijk enig (stoffelijk of onstoffelijk) voordeel te beloven of te verstrekken, ongeacht of op het aanbod wordt ingegaan en echt enig voordeel genoten wordt.

De omkoophandeling kan unilateraal of bilateraal zijn; zij kan betrekking hebben op materiële of immateriële zaken: het begrip "voordeel" moet worden opgevat in de ruimst mogelijke zin, rekening houdend met de punten 2.4 en 2.5 hierboven.

Het artikel maakt geen onderscheid tussen de - rechtstreekse of onrechtstreekse - middelen die bij de omkoophandeling worden aangewend. Het dekt elke rechtstreekse of via een derde partij op de ambtenaar gerichte corrupte handeling.

3.3. Actieve corruptie is gericht op een persoon die, per definitie, een ambtenaar moet zijn, ongeacht of het voordeel aan de ambtenaar zelf of aan een andere persoon toekomt.

3.4. Actieve corruptie heeft hetzelfde doel als passieve corruptie; zie punt 2.6.

3.5. Artikel 3, lid 2, heeft dezelfde redactie als artikel 2, lid 2; zie punt 2.7.

Artikel 4 Assimilatie

Dit artikel verruimt en versterkt de werkingssfeer van de bij de overeenkomst ingevoerde corruptiebestrijdingsmaatregelen door voor te schrijven dat het strafrecht per lidstaat zo wordt aangepast dat het ook bepaalde strafbare feiten bestrijkt die gepleegd zijn door personen die specifieke ambten in de communautaire instellingen bekleden. Zoals ook bij het eerste protocol het geval was, wordt een assimilatiebeginsel ingevoerd waarbij de lidstaten gehouden zijn op personeelsleden van de communautaire instellingen dezelfde omschrijvingen van corruptieovertredingen toe te passen als op personen die soortgelijke ambten binnen hun eigen instellingen bekleden.

4.1. Lid 1 legt het beginsel vast dat de omschrijvingen van de overtredingen die betrekking hebben op ministers van de regering, parlementsleden, leden van de hoogste rechterlijke instanties en leden van de Rekenkamer moeten worden uitgebreid tot hun tegenhangers bij de uitoefening van hun ambten binnen de communautaire instellingen (leden van respectievelijk de Commissie, het Europees Parlement, het Hof van Justitie en de Europese Rekenkamer).

Daaruit volgt dat bij corruptie de leden van de Commissie zullen worden gelijkgesteld met ministers van een regering, leden van het Europees Parlement met leden van de nationale parlementen, leden van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met leden van de hoogste rechterlijke instanties op nationaal niveau, en leden van de Europese Rekenkamer met hun tegenhangers op nationaal niveau. Als gevolg van deze gelijkstelling moeten de nationale bepalingen, voorzover deze van toepassing zijn op dergelijke feiten gepleegd door leden van nationale parlementen, ministers enz., worden uitgebreid, zodat zij ook gelden voor de bovengenoemde leden van de instellingen van de Europese Gemeenschappen.

Het is duidelijk dat voor deze regel in een lidstaat geen speciale strafrechtelijke bepalingen inzake bedoelde personen hoeven te worden vastgesteld. Een lidstaat die op de corruptie van ministers, parlementsleden of leden van de rechterlijke macht reeds dezelfde bepalingen toepast als op de corruptie van ambtenaren, hoeft daarnaast alleen de corruptie van personeelsleden van de communautaire instellingen strafbaar te stellen op grond van dezelfde algemene bepalingen.

4.2. Aangezien sommige lidstaten geen Rekenkamer als zodanig hebben, zijn in die gevallen de tegenhangers:

- het National Audit Office in het Verenigd Koninkrijk;

- het Office of the Comptroller and Auditor-General in Ierland;

- de Rigsrevisionen in Denemarken;

- de Riksrevisionsverket in Zweden;

- het Valtiontalouden tarkastusvirasto/de Statens revisionsverk in Finland.

4.3. Op grond van lid 2 kan afgeweken worden van het in lid 1 bedoelde assimilatiebeginsel in de lidstaten waarin de strafrechtelijke aansprakelijkheid van ministers geregeld wordt door speciale wetgeving die van toepassing is in specifieke nationale situaties. Het gebruik van deze afwijkingsmogelijkheid sluit echter niet uit dat het niet nodig is een vorm van strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens de gewone nationale strafrechtelijke bepalingen in te voeren voor feiten gepleegd tegen of door leden van de Commissie.

Deze mogelijkheid kan nuttig blijken in lidstaten als Denemarken, waar de strafrechtelijke bepalingen met betrekking tot de aansprakelijkheid van ministers van toepassing zijn in specifieke situaties (een minister kan bijvoorbeeld strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor handelingen van zijn ondergeschikten) waarin andere leidinggevende personen normaliter niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld.

4.4. Overeenkomstig lid 3 laten de vorige leden betreffende de assimilatie inzake strafbaarheid "de in elke lidstaat van toepassing zijnde bepalingen inzake de strafrechtelijke procedure en de vaststelling van de bevoegde gerechten, onverlet".

Voor de toepassing van de leden van artikel 4 in hun geheel, kan de overeenkomst de nationale regels van het strafprocesrecht of de regels waarbij aan rechtbanken de rechtsmacht wordt toegekend om zaken in verband met de betrokken strafbare feiten te behandelen, niet schaden of in het gedrang brengen. Dat belet evenwel niet dat het artikel in de nationale rechtsstelsels volledig van kracht is.

Over de onder lid 1 vallende personen, voor wie het assimilatiebeginsel in het algemeen en zonder uitzonderingen gelijke behandeling uit hoofde van het strafrecht impliceert, zij het volgende opgemerkt. Is in een lidstaat bij een bijzondere wet aan een speciale rechtbank (of aan een gewone rechtbank in een speciale samenstelling) rechtsmacht verleend om zaken te beslechten waarbij ministers, leden van het parlement, leden van de hoogste rechterlijke instanties of leden van de rekenkamer van een strafbaar feit worden beschuldigd, dan kan die rechtbank in dergelijke zaken bevoegd zijn, met betrekking tot leden van de Commissie, leden van het Europees Parlement, leden van het Hof van Justitie en leden van de Europese Rekenkamer, onverminderd evenwel de nationale bepalingen inzake rechtsmacht.

4.5. Lid 4 bepaalt dat het protocol van toepassing is onverminderd de bepalingen betreffende de opheffing van de immuniteit van personeelsleden van de instellingen van de Gemeenschappen.

De opheffing van de immuniteit blijft dus een voorwaarde voor de uitoefening van de rechtsmacht; de overeenkomst erkent in dit verband de verplichting van elk van de betrokken instellingen om de bepalingen tot regeling van de privileges en immuniteiten toe te passen, afhankelijk van de bestaande procedures en de gewone middelen tot herstel krachtens het Gemeenschapsrecht (26).

Artikel 5 Sancties

5.1. Overeenkomstig artikel 5, lid 1, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de in de artikelen 2 en 3 bedoelde strafbare feiten van actieve en passieve corruptie altijd bestraft worden met strafrechtelijke sancties, dat wil zeggen door de rechter beoordeeld moeten worden.

Dat geldt evenzeer voor medeplichtigheid aan of uitlokking van die feiten, wat moet worden geïnterpreteerd in overeenstemming met de definities die daarvan in het strafrecht van elke lidstaat worden gegeven.

Aangezien strafbare feiten van actieve en passieve corruptie ook gedragingen omvatten die erin bestaan beloften te doen, ongeacht of deze al dan niet worden gehouden of nagekomen, werd het niet nodig geacht de verplichting op te leggen om de poging tot actieve of passieve corruptie strafbaar te stellen. Het is echter duidelijk dat lidstaten die dat wensen pogingen tot strafbare feiten strafbaar kunnen stellen.

De straffen moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, overeenkomstig het bekende arrest van het Europese Hof van Justitie dat in zaak 68/88 (27) het volgende verklaarde: (de lidstaten moeten erop toezien), "dat overtredingen van het Gemeenschapsrecht onder gelijke materiële en formele voorwaarden worden bestraft als vergelijkbare en even ernstige overtredingen van het nationale recht" en dat die voorwaarden van dien aard zijn dat de straffen hoe dan ook "doeltreffend, evenredig en afschrikkend" zijn.

Overeenkomstig dit vonnis beschikken de lidstaten over enige vrijheid bij de bepaling van de aard en de strengheid van de eventuele straffen. Daarbij hoeft niet altijd noodzakelijkerwijs aan een vrijheidsstraf te worden gedacht. Daarnaast of in plaats van gevangenisstraf kan ook een geldboete worden opgelegd.

5.2. In ernstige gevallen vereist de overeenkomst evenwel van de lidstaten dat zij voorzien in vrijheidsstraffen die aanleiding kunnen geven tot uitlevering. De lidstaten moeten in elk geval in het licht van hun respectieve juridische tradities beslissen welke criteria of feiten de ernst van een strafbaar feit bepalen.

5.3. Lid 2 regelt de relatie tussen het strafrecht en de disciplinaire regels wanneer een en dezelfde handeling van corruptie onder beide regelingen valt; er wordt voorrang gegeven aan het beginsel van de onafhankelijkheid van nationale of Europese disciplinaire regelingen, aangezien de strafvervolgingsprocedure wordt toegepast "onverminderd de uitoefening van disciplinaire bevoegdheden tegen nationale of communautaire ambtenaren door de bevoegde instanties".

In verband met bepaalde nationale juridische gewoonten bepaalt het lid voorts dat de nationale instanties de beginselen van hun eigen recht kunnen toepassen, waardoor bij de straftoemeting rekening kan worden gehouden met eventuele disciplinaire straffen die dezelfde persoon voor dezelfde feiten reeds zijn opgelegd. Dit is een specifieke bepaling die niet verplicht zal zijn in de lidstaten die disciplinaire straffen niet erkennen of er geen gevolg aan geven.

Artikel 6 Strafrechtelijke aansprakelijkheid van ondernemingshoofden

6.1. Dit artikel is bijna volledig ontleend aan artikel 3 van de overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen. Net als dat artikel is artikel 6 erop gericht dat ondernemingshoofden of andere personen die binnen een bedrijf een wettige of feitelijke bevoegdheid uitoefenen niet automatisch vrijgesteld worden (van iedere vorm van strafrechtelijke aansprakelijkheid) wanneer voor rekening van de onderneming door een aan hen ondergeschikt persoon actieve corruptie is gepleegd.

De overeenkomst laat de lidstaten een grote vrijheid bij het vaststellen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van ondernemingshoofden en personen met beslissingsbevoegdheid.

Naast de strafrechtelijke aansprakelijkheid van ondernemingshoofden of personen met beslissingsbevoegdheid uit hoofde van door henzelf begane feiten (daders, medeplegers, medeplichtigen of uitlokkers van fraude), bepaalt artikel 6 dat de lidstaten ondernemingshoofden of personen met beslissingsbevoegdheid strafrechtelijk aansprakelijk kunnen stellen op andere gronden.

Zo kan de lidstaat volgens artikel 6 ondernemingshoofden en beleidsmakers strafrechtelijk aansprakelijk stellen wanneer zij niet hebben voldaan aan een verplichting tot toezicht of controle (culpa in vigilando). In dit verband zou de strafrechtelijke aansprakelijkheid van ondernemingshoofden ook kunnen voortvloeien uit een van fraude te onderscheiden strafbaar feit, waarbij niet-nakoming van een in de nationale wetgeving genoemde toezicht- of controleplicht wordt bestraft.

Ook nalatigheid of onbekwaamheid kunnen redenen zijn om een ondernemingshoofd of een persoon met beslissingsbevoegdheid strafrechtelijk aansprakelijk te stellen.

Ten slotte belet artikel 6 de lidstaten niet om ondernemingshoofden en beleidsmakers objectief strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor door anderen gepleegde feiten zonder dat moet worden bewezen dat de beleidsmaker een fout of een nalatigheid heeft begaan dan wel op het gebied van toezicht in gebreke is gebleven.

De overeenkomst behandelt het probleem van de aansprakelijkheid van rechtspersonen echter niet rechtstreeks. Maar artikel 3 van het tweede protocol bij de overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen eist van de lidstaten dat zij bepalingen vaststellen betreffende verschillende vormen van aansprakelijkheid van rechtspersonen, waaronder aansprakelijkheid voor actieve corruptie waarbij de financiële belangen van de Gemeenschap in het geding zijn. Een soortgelijke bepaling is opgenomen in de recente OESO-overeenkomst. De lidstaten zullen zich dus in ieder geval op deze kwestie moeten beraden in het licht van de verplichtingen die uit die rechtsteksten voortvloeien.

Artikel 7 Jurisdictie

7.1. Dit artikel behelst een reeks criteria voor de toekenning van rechtsmacht aan de nationale gerechtelijke en wetshandhavingsinstanties om vervolging in te stellen en uitspraak te doen inzake en in verband met de strafbare feiten waarvoor de overeenkomst geldt, namelijk actieve en passieve corruptie en eventuele strafbare feiten die uit hoofde van het in artikel 4 genoemde assimilatiebeginsel zijn bepaald. Naar analogie van de reeds vastgestelde oplossing voor instrumenten in verband met de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap, worden vier criteria voor de rechtsmacht voorgesteld, waarvan er slechts één (het territorialiteitsbeginsel) voor alle lidstaten verplicht is, omdat van elk van de andere drie criteria mag worden afgeweken via een verklaring overeenkomst artikel 7, lid 2.

7.2. Overeenkomstig lid 1 moet elke lidstaat in beginsel in ten minste vier soorten situaties zijn rechtsmacht vestigen:

a) het strafbare feit wordt geheel of gedeeltelijk op zijn grondgebied gepleegd, dat wil zeggen de handeling van corruptie vindt daar plaats, het voordeel wordt daar verstrekt of de samenspanning komt daar tot stand, ongeacht de hoedanigheid of de nationaliteit van de omkoper of de betrokken ambtenaar (territorialiteitsbeginsel);

b) de dader is onderdaan of ambtenaar van de betrokken lidstaat (actief personaliteitsbeginsel): het criterium van de hoedanigheid van de dader houdt in dat de rechtsmacht kan worden bepaald onafhankelijk van de lex loci delicti. De lidstaten moeten dan vervolging instellen voor strafbare feiten, gepleegd in het buitenland, met inbegrip van derde landen. Dit is met name belangrijk voor lidstaten die hun eigen onderdanen niet uitleveren;

c) het strafbare feit is gepleegd tegen een onderdaan van de lidstaat, die een ambtenaar of een lid van een Gemeenschapsinstelling is (passief personaliteitsbeginsel). Dit beginsel is met name van belang bij actieve corruptie in het buitenland door personen die geen onderdaan van de betrokken lidstaat zijn;

d) de dader is een communautair ambtenaar in dienst van een instelling van de Europese Gemeenschappen die haar zetel in de betrokken lidstaat heeft. Het criterium van de zetel kan nuttig blijken voor uitzonderlijke gevallen die niet door andere bevoegdheidsregels worden gedekt - bijvoorbeeld wanneer een strafbaar feit buiten de Gemeenschap wordt gepleegd door een communautair ambtenaar die geen onderdaan van een lidstaat is (28).

7.3. Zoals eerder vermeld, biedt lid 2 de lidstaten die dat wensen de mogelijkheid om elke in lid 1, onder b), c) en d), genoemde regel te verwerpen, dan wel voorwaardelijk te accepteren door bij de in artikel 13, lid 2, van de overeenkomst bedoelde kennisgeving een verklaring in die zin af te leggen.

Deze bepaling is overeenkomstig artikel 15 van de overeenkomst één van de twee bepalingen waarbij voorbehouden kunnen worden gemaakt (zie hierna).

Artikel 8 Uitlevering en vervolging

Net als de artikelen 9 tot en met 11 is artikel 8 grotendeels gebaseerd op de overeenkomst van juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen en met name op artikel 5 daarvan, dat alleen waar nodig gewijzigd is; uitdrukkelijk is trouwens bepaald dat beide bepalingen ook van toepassing zijn op het eerste protocol overeenkomstig de verwijzingsbepaling in artikel 7. Net als in artikel 5 van bovengenoemde overeenkomst vormen de regels in dit artikel met betrekking tot corruptiedelicten waarbij ambtenaren van de Gemeenschap en ambtenaren van de lidstaten betrokken zijn, een aanvulling op de bepalingen inzake de uitlevering van eigen onderdanen die reeds tussen de lidstaten van kracht zijn en voortvloeien uit bilaterale of multilaterale overeenkomsten betreffende uitlevering.

Een aantal lidstaten levert hun eigen onderdanen niet uit. Artikel 8 bevat bepalingen om te voorkomen dat personen die schuldig worden geacht aan corruptie ten koste van de financiële belangen van de Gemeenschappen, volledige straffeloosheid genieten wegens deze principiële weigering.

Voor artikel 8 moet het begrip "onderdaan" worden beschouwd in het licht van de verklaringen over artikel 6, lid 1, onder b), van het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957, die door de partijen bij die overeenkomst zijn afgelegd.

Artikel 8 legt de lidstaten die hun onderdanen niet uitleveren in de eerste plaats de verplichting op de nodige maatregelen te treffen om te bepalen welke rechter bevoegd is voor de delicten als omschreven en strafbaar gesteld bij de artikelen 2 tot en met 4 van de overeenkomst, die door een van hun onderdanen in een andere lidstaat zijn gepleegd.

Wanneer bovendien een corruptiehandeling op het grondgebied van een lidstaat gepleegd is door een onderdaan van een andere lidstaat, wiens uitlevering door deze lidstaat niet kan worden toegestaan op grond van het enkele feit dat deze staat zijn onderdanen niet uitlevert, verplicht artikel 8 de aangezochte lidstaat de zaak met het oog op strafvervolging aan zijn bevoegde rechterlijke autoriteiten voor te leggen. In artikel 8, lid 2, wordt het beginsel "aut dedere, aut judicare" dus uitdrukkelijk bevestigd. Deze bepaling doet echter geen afbreuk aan de nationale regels inzake strafvervolging.

Voor de toepassing van dit beginsel verbindt de verzoekende lidstaat zich ertoe de bescheiden, inlichtingen en voorwerpen die op het strafbare feit betrekking hebben, toe te zenden aan de lidstaat die de vervolging van zijn onderdaan zal inleiden. De verzoekende lidstaat wordt in kennis gesteld van de ingeleide vervolging en van het resultaat.

Artikel 8 stelt geen voorafgaande voorwaarde voor de vervolging door de aangezochte staat. Het is niet nodig dat de verzoekende staat de aangezochte staat vraagt de strafvordering in te stellen opdat laatstgenoemde staat daartoe overgaat.

Evenmin als bij de sluiting van het eerste protocol, werd het ook in dit geval niet nodig geacht de bepaling van artikel 5, lid 3, van de overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen op te nemen die verbiedt dat uitlevering wordt afgewezen op grond van het enkele feit dat het gaat om een belastingdelict. Anders dan bij delicten die de financiële belangen van de Gemeenschap schaden, kan een dergelijke uitzondering niet gelden voor corruptiedelicten.

Artikel 9 Samenwerking

Zoals reeds eerder opgemerkt, wil de overeenkomst het mogelijk maken vervolging in te stellen in zowel gevallen van nationale corruptie als gevallen waarbij ambtenaren van de Gemeenschap of ambtenaren van de lidstaten betrokken zijn. Deze tweede categorie gevallen vormt echter veruit het meest vernieuwende deel van de overeenkomst en vertoont onvermijdelijk transnationale aspecten. Gezien de bijzondere complexiteit van grensoverschrijdend onderzoek terzake is samenwerking van fundamenteel belang.

De verschillende vormen van samenwerking als bedoeld in artikel 9, lid 1, worden bij wijze van indicatie genoemd. Met het in deze bepaling opgenomen woord "bijvoorbeeld" wordt beoogd rekening te houden met de situatie van bepaalde staten die geen partij zijn bij alle terzake dienende Europese overeenkomsten op het gebied van de samenwerking in strafzaken. Het gaat hier om rechtshulp in strafzaken, uitlevering, overdracht van strafprocedures of de uitvoering van buitenlandse strafvonnissen die bij wijze van voorbeeld worden genoemd zodat in elk afzonderlijk geval de meest passende middelen voor samenwerking kunnen worden gekozen. Dit verdrag laat de terzake tussen de lidstaten geldende overeenkomsten onverlet.

In artikel 9, lid 2, is sprake van het geval dat verscheidene lidstaten elk bevoegd zijn om een vervolging in te leiden wegens een strafbaar feit dat betrekking heeft op dezelfde gronden.

Dit lid verplicht in een dergelijk geval de lidstaten onderling samen te werken om te beslissen welke staat bevoegd is om zo een vervolging in te leiden. Op grond van deze bepaling moet een vervolging met het oog op de doeltreffendheid zoveel mogelijk in één enkele lidstaat gecentraliseerd kunnen worden.

Voor de regeling van dergelijke bevoegdheidsconflicten kunnen de lidstaten bijvoorbeeld rekening houden met de volgende elementen: de omvang van de fraude die op hun respectieve grondgebied is gepleegd, de plaats waar de betreffende voordelen werden verschaft, de plaats waar de beschuldigde personen zijn gearresteerd, hun nationaliteit, de rangorde van vervolgingen enz.

Artikel 10 Ne bis in idem

Lid 1 bevat het beginsel "ne bis in idem".

Dit beginsel is uitermate belangrijk in geval van internationale corruptie waarbij de rechtsmachten van verscheidene lidstaten ertoe gebracht kunnen worden daarover een beslissing te nemen, wanneer het niet mogelijk is geweest om de vervolging in één enkele lidstaat te centraliseren krachtens het beginsel genoemd in artikel 9, lid 2.

Dit artikel is grotendeels gebaseerd op de Overeenkomst inzake de toepassing van het beginsel "ne bis in idem", die op 25 mei 1987 in Brussel werd ondertekend in het kader van de Europese Politieke Samenwerking. Soortgelijke bepalingen zijn opgenomen in artikel 54 e. v. van de Overeenkomst van 1990 ter uitvoering van het Akkoord van Schengen.

Lid 2 beperkt de mogelijkheid dat lidstaten een verklaring opstellen tot slechts enkele gespecificeerde gevallen. Dergelijke gevallen vallen samen met de drie hypotheses in artikel 2 van de overeenkomst van 1987. Overeenkomstig lid 4 zijn uitzonderingen ten aanzien waarvan een verklaring is afgelegd, niet van toepassing wanneer de betrokken lidstaat niettemin actie tegen de betrokkene heeft ondernomen en de andere lidstaat om vervolging heeft verzocht of heeft ingestemd met de uitlevering.

Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de mogelijkheid van een uitzondering op grond van lid 2, onder c), in verband met feiten op grond waarvan in het buitenland vonnis werd gewezen en die zijn begaan door een ambtenaar van deze lidstaat in strijd met zijn ambtsplichten. Hoewel afkomstig uit de overeenkomst van 1987, lijkt deze bepaling met name relevant voor deze overeenkomst, die uitsluitend betrekking heeft op corruptiedelicten, omdat in alle gevallen waarin het in het buitenland gewezen vonnis betrekking had op passieve corruptie door de buitenlandse ambtenaar, deze corruptie door die ambtenaar stellig in strijd met zijn ambtsplichten zal zijn gepleegd. Lid 2 kan daarom in het kader van deze overeenkomst van bijzonder belang zijn afhankelijk van de verklaringen die de lidstaten bij de bekrachtiging eventueel neerleggen.

Lid 3 bepaalt dat met in een andere lidstaat ondergane vrijheidsstraffen in alle gevallen rekening wordt gehouden door de staat die verdere vervolging heeft ingesteld.

Ten slotte bepaalt lid 5 dat dit artikel de tussen lidstaten toepasselijke beginselen en de verklaringen in bilaterale of multilaterale overeenkomsten onverlet laat.

Artikel 11 Nationale bepalingen

Artikel 11 staat de lidstaten toe nationale bepalingen aan te nemen die verder gaan dan die van de overeenkomst. Net als de aangenomen overeenkomsten betreffende de bescherming van de financiële belangen, vormt ook deze overeenkomst in feite een reeks minimumnormen.

Artikel 12 Hof van Justitie

Dit artikel omschrijft de jurisdictie van het Hof van Justitie voor de beslechting van geschillen tussen lidstaten en, in bepaalde gevallen, tussen lidstaten en de Commissie in verband met de uitlegging of de toepassing van de overeenkomst; ook verleent dit artikel het Hof van Justitie rechtsmacht om enkele van de artikelen van de overeenkomst op verzoek van nationale rechters door middel van prejudiciële uitspraken te interpreteren. Het artikel verwijst gedeeltelijk naar soortgelijke bepalingen die al neergelegd zijn in andere teksten die tot dusverre in het kader van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn vastgesteld; gezegd moet evenwel worden dat dit de eerste keer is dat de bevoegdheid van het Hof van Justitie om prejudiciële uitspraken te doen, rechtstreeks in een overeenkomst wordt behandeld en geregeld, in plaats van te worden verwezen naar een afzonderlijk protocol zoals bij de Europolovereenkomst (29), de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen en de Overeenkomst inzake het douane-informatiesysteem (DIS) (30).

In artikel 12, lid 1, is gezegd onder welke voorwaarden het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bevoegd zal zijn om zich uit te spreken over de geschillen tussen lidstaten met betrekking tot de interpretatie of de toepassing van het verdrag.

In dit lid is bepaald dat het geschil tijdens een eerste fase volgens de procedure van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie in de Raad zal worden behandeld met het oog op een oplossing. Indien binnen zes maanden geen oplossing is gevonden, kan een lidstaat of de lidstaten die partij is/zijn bij het geschil de zaak aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voorleggen met de bedoeling dat het Hof zich uitspreekt.

Net zoals over de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen is de bepaling over geschillen tussen een of meer lidstaten en de Commissie alleen van toepassing op de bepalingen van de overeenkomst die aanleiding kunnen geven tot dergelijke geschillen. Die bepalingen zijn artikel 1, "Definities", met de uitdrukkelijke uitzondering van c), waarin "nationale ambtenaar" wordt gedefinieerd met alleen een verwijzing naar de nationale wetgeving van elke lidstaat, alsmede de artikelen inzake vervolging wegens passieve en actieve corruptie en de gelijkstelling van corruptie van personeelsleden van de communautaire instellingen voorzover het gaat om vraagstukken in verband met de communautaire wetgeving, de financiële belangen van de Gemeenschap of leden of ambtenaren van de Gemeenschap.

Wat de procedure betreft, wordt in lid 2 bepaald dat, bij geschillen tussen lidstaten en de Commissie, eerst moet worden getracht via onderhandelingen tot een oplossing te komen. Leiden die onderhandelingen niet tot resultaat, dan moet het geschil worden voorgelegd aan het Hof van Justitie.

De in lid 3 vastgelegde bevoegdheid van het Hof om prejudiciële uitspraken over de uitlegging van de overeenkomst te doen, strekt zich niet uit tot alle bepalingen van de overeenkomst maar blijft beperkt tot de artikelen die van belang voor de communautaire wetgeving zijn, en heeft geen betrekking op artikelen betreffende sancties, aansprakelijkheid van ondernemingshoofden, rechtsmachtregels, bepalingen over juridische samenwerking en bepalingen over de toepassing van het beginsel "ne bis in idem". Ook deze formule kan als een vernieuwing beschouwd worden ten opzichte van de eerder vastgestelde oplossing voor bovengenoemde protocollen bij overeenkomsten, waarbij het Hof de bevoegdheid wordt verleend om alle bepalingen, zonder enige uitzondering, van dergelijke overeenkomsten en protocollen te interpreteren.

De leden 4, 5 en 6 stoelen op de bepalingen over prejudiciële uitspraken in het Protocol van 29 november 1996 betreffende de prejudiciële uitlegging, door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (31). Lid 4 bepaalt dat de lidstaten de bevoegdheid van het Hof van Justitie met betrekking tot prejudiciële beslissingen kunnen aanvaarden middels een verklaring. Op grond van lid 5 kan in de verklaring de mogelijkheid om een prejudiciële beslissing te vragen beperkt worden tot de gerechtelijke instanties waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep. Lid 6 bepaalt dat het Statuut van het Hof van Justitie en het Reglement voor de procesvoering van het Hof van toepassing zijn op zaken die krachtens artikel 12 worden ingesteld.

Artikel 13 Inwerkingtreding

13.1. Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de overeenkomst overeenkomstig de terzake door de Raad vastgestelde voorschriften. De overeenkomst treedt in werking negentig dagen na de in lid 2 bedoelde kennisgeving door de lidstaat van de Europese Unie die als laatste deze formaliteit verricht.

13.2. Zoals bij de sluiting van enkele andere overeenkomsten tussen de lidstaten, verdient vermelding dat artikel 13, lid 4, voorziet in de toepassing van de bepalingen van de overeenkomst, voordat zij in werking treedt, op de betrekkingen tussen staten die daartoe een verklaring hebben neergelegd. Er lijkt reden te zijn om deze clausule, die niet in de overeenkomst over de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap voorkomt, wel in de overeenkomst op te nemen. Voor die overeenkomst is het van belang dat alle lidstaten zich evenzeer verbonden hebben een gemeenschappelijk belang te beschermen. Krachtens deze overeenkomst, die niet alleen tot doel heeft een gemeenschappelijk belang van alle lidstaten te beschermen, maar ook de belangen van de individuele lidstaten, is er geen bezwaar twee of meer lidstaten toe te staan zich op die overeenkomst te beroepen in afwachting van de aanneming door alle lidstaten.

Wat betreft gevallen waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen betrokken kunnen zijn, wordt erop gewezen dat bij een vroegtijdige toepassing van de overeenkomst op grond van lid 4, de lidstaten die een dergelijke verklaring afleggen ook verplicht zullen zijn, de overeenkomst uit te voeren in gevallen van actieve en passieve corruptie van dergelijke ambtenaren.

Deze analyse lijkt te worden bevestigd door artikel 13, lid 5, waarin wordt bepaald dat zelfs bij ontbreken van de verklaring betreffende vroegtijdige toepassing, de bepalingen van de overeenkomst evenzo kunnen worden toegepast op de betrekkingen tussen twee lidstaten, eenvoudigweg op basis van bilaterale overeenkomsten. De bepaling lijkt hoofdzakelijk de mogelijkheid te bieden dat een lidstaat de overeenkomst bilateraal met een andere lidstaat toepast zonder noodzakelijkerwijs de toepassing daarvan op zijn eigen betrekkingen met andere lidstaten of op communautaire ambtenaren toe te laten.

In elk geval zijn de bepalingen van artikel 12 over het Hof van Justitie alleen van toepassing nadat de overeenkomst in werking is getreden, na bekrachtiging door alle lidstaten.

Artikel 14 Toetreding van nieuwe lidstaten

Dit artikel heeft betrekking op de toetreding tot de overeenkomst van nieuwe lidstaten van de Unie overeenkomstig de reeds in andere Unie-instrumenten neergelegde regels. Speciale vermelding verdient alleen artikel 14, lid 5, dat nieuwe lidstaten de mogelijkheid biedt eveneens gebruik te maken van de clausule betreffende vroegtijdige toepassing ingeval de overeenkomst ten tijde van hun toetreding nog niet in werking is getreden.

Artikel 15 Voorbehouden

Dit artikel bepaalt dat geen voorbehoud is toegestaan, met uitzondering van de uitdrukkelijk in de tekst van de overeenkomst genoemde gevallen waarin het gaat om de bepaling van een aantal andere jurisdictieregels dan het strikte territorialiteitsbeginsel (artikel 7) en de toepassing van het beginsel van "ne bis in idem" (artikel 10). Een voorbehoud kan te allen tijde worden ingetrokken door middel van een kennisgeving aan de secretaris-generaal van de Raad.

(1) Zie Commissiemededeling aan de Raad en het Europees Parlement over het beleid van de Unie ter bestrijding van corruptie (COM(97) 192 def.), blz. 3.

(2) Na de sluiting van deze overeenkomst werd een OESO-verdrag inzake bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale zakelijke transacties gesloten en opengesteld voor ondertekening op 17 december 1997.

(3) PB C 313 van 23.10.1996, blz. 1.

(4) PB C 316 van 27.11.1995, blz. 49.

(5) PB C 355 van 14.12.1997, blz. 1.

(6) PB C 195 van 25.6.1997, blz. 1.

(7) PB C 251 van 15.8.1997, blz. 1.

(8) PB C 191 van 23.6.1997, blz. 1.

(9) PB C 11 van 15.1.1998, blz. 5.

(10) Verordening (EEG) nr. 3245/81 van de Raad (PB L 328 van 16.11.1981, blz. 1).

(11) Artikel 198 D, 198 E van het EG-Verdrag.

(12) Verordening (EEG) nr. 337/75 van de Raad (PB L 39 van 13.2.1975, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 354/95 (PB L 41 van 23.2.1995, blz. 1).

(13) Verordening (EEG) nr. 1365/75 van de Raad (PB L 139 van 30.5.1975, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1947/93 (PB L 181 van 23.7.1993, blz. 13).

(14) Overeenkomst houdende oprichting van een Europees Universitair Instituut (PB C 29 van 9.2.1976, blz. 1).

(15) Statuten van het Europees Investeringsfonds (PB L 173 van 7.7.1994, blz. 1); zie ook artikel 30 van het Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank en artikel 239 van het EG-Verdrag.

(16) Verordening (EEG) nr. 1210/90 van de Raad (PB L 120 van 11.5.1990, blz. 1).

(17) Verordening (EEG) nr. 1360/90 van de Raad (PB L 131 van 23.5.1990, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2063/94 (PB L 216 van 20.8.1994, blz. 9).

(18) Verordening (EEG) nr. 302/93 van de Raad (PB L 36 van 12.2.1993, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3294/94 (PB L 341 van 30.12.1994, blz. 7).

(19) Verordening (EEG) nr. 2309/93 van de Raad (PB L 214 van 24.8.1993, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 649/98 (PB L 88 van 24.3.1998, blz. 7).

(20) Verordening (EEG) nr. 2062/94 van de Raad (PB L 216 van 20.8.1994, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1643/95 (PB L 156 van 7.7.1995, blz. 1).

(21) Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad (PB L 11 van 14.1.1994, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2868/95 (PB L 303 van 15.12.1995, blz. 1).

(22) Artikel 4 A van het EG-Verdrag; Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, gevoegd bij het Verdrag betreffende de Europese Unie van 7 februari 1992.

(23) Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad (PB L 227 van 1.9.1994, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2506/95 (PB L 258 van 28.10.1995, blz. 3).

(24) Verordening (EG) nr. 2965/94 van de Raad (PB L 314 van 7.12.1994, blz. 1). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2610/95 (PB L 268 van 10.11.1995, blz. 1).

(25) Verordening (EG) nr. 1035/97 van de Raad (PB L 151 van 10.6.1997, blz. 1).

(26) Zie met name artikel 18 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen.

(27) Arrest van 21 september 1989, Jurisprudentie, blz. 2965.

(28) Hoewel communautaire ambtenaren over het algemeen de nationaliteit van een van de lidstaten bezitten, zijn uitzonderingen mogelijk.

(29) PB C 316 van 27.11.1995, blz. 2.

(30) PB C 316 van 27.11.1995, blz. 34.

(31) PB C 151 van 20.5.1997, blz. 2.

Top