EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 51998AG0610(01)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 29/98 door de Raad vastgesteld op 26 februari 1998 met het oog op de aanneming van de aanbeveling van de Raad van ... betreffende Europese samenwerking ter waarborging van de kwaliteit in het hoger onderwijs

OJ C 178, 10.6.1998, p. 1 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

51998AG0610(01)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 29/98 door de Raad vastgesteld op 26 februari 1998 met het oog op de aanneming van de aanbeveling van de Raad van ... betreffende Europese samenwerking ter waarborging van de kwaliteit in het hoger onderwijs

Publicatieblad Nr. C 178 van 10/06/1998 blz. 0001


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 29/98 door de Raad vastgesteld op 26 februari 1998 met het oog op de aanneming van de aanbeveling van de Raad van . . . betreffende Europese samenwerking ter waarborging van de kwaliteit in het hoger onderwijs (98/C 178/01)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 126 en 127,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Volgens de procedure van artikel 189 C van het Verdrag (3),

(1) Overwegende dat alle lidstaten ernaar streven de kwaliteit van onderwijs en opleiding te waarborgen en dat van de Gemeenschap verwacht wordt dat zij een bijdrage levert aan deze permanente inspanning door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig door hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen, met volledige eerbiediging van de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs en de opzet van het onderwijs- en opleidingsstelsel, en van hun culturele en taalkundige verscheidenheid;

(2) Overwegende dat de Raad in zijn conclusies van 25 november 1991 (4) heeft aangegeven dat de verbetering van de kwaliteit van het hoger onderwijs een gemeenschappelijke zorg is van alle lidstaten en alle instellingen voor hoger onderwijs in de Europese Gemeenschap; dat, gelet op de verscheidenheid van de op nationaal niveau gebruikte methoden, de op nationale schaal verworven ervaring aangevuld kan worden met ervaringen op Europese schaal, met name verzameld in het kader van proefprojecten voor het opzetten van samenwerking op dit terrein dan wel ter versterking van bestaande samenwerking;

(3) Overwegende dat in de reacties op het memorandum van de Commissie over hoger onderwijs er onder meer op wordt gewezen dat de kwaliteit op alle niveaus en in alle sectoren gegarandeerd moet worden, waarbij hoogstens de doelstellingen, methoden en eisen per instelling verschillend kunnen zijn; dat men over het algemeen positief staat tegenover de invoering van doeltreffende en aanvaardbare methoden van kwaliteitsbeoordeling die rekening houden met Europese en internationale ervaringen, en met de mogelijkheid tot samenwerking;

(4) Overwegende dat een door de Commissie verrichte studie over de situatie op het gebied van kwaliteitsbeoordeling in de lidstaten heeft uitgewezen dat de nieuwe systemen van kwaliteitsbeoordeling bepaalde elementen gemeen hebben en dat de twee proefprojecten die daarna zijn uitgevoerd, gebaseerd zijn op die aan de bestaande nationale systemen ontleende elementen; dat in deze proefprojecten een gemeenschappelijke methode met succes is toegepast en daarbij gebleken is dat alle actoren op dit gebied voorstander zijn van een voortdurende uitwisseling van ervaringen die zowel de verscheidenheid van de nationale beoordelingstradities als het belang van kwaliteitsbeoordeling aantonen;

(5) Overwegende dat, gezien de grote verscheidenheid van de onderwijsstelsels in de Gemeenschap, onder het in deze aanbeveling gebruikte begrip "hogeronderwijsinstelling" moet worden verstaan alle soorten instellingen die kwalificaties of titels van dit niveau verlenen, ongeacht hun benaming in de lidstaten; dat deze omschrijving wordt gebruikt in het besluit tot instelling van het Socrates-programma;

(6) Overwegende dat de hogeronderwijsinstellingen moeten voldoen aan de nieuwe onderwijs- en maatschappelijke eisen die een mondiale "kennismaatschappij" stelt en moeten inspelen op de daarmee gepaard gaande ontwikkelingen; dat zij zich daarom inspannen om het vereiste kwaliteitsniveau van hun diensten te verbeteren, in voorkomend geval door middel van nieuwe initiatieven (per instelling of op basis van samenwerking in het kader van verenigingen van hogeronderwijsinstellingen) die gericht zijn op het verhogen van de kwaliteit van het onderwijs en de vorming;

(7) Overwegende dat de veranderingen op technologisch en economisch gebied en de gevolgen daarvan voor de arbeidsmarkt, de hogeronderwijsinstellingen voor nieuwe uitdagingen stellen en dat de lidstaten zich door de uitdagingen als gevolg van de openstelling van de wereldmarkt en door de steeds groter wordende toeloop van studenten naar de hogeronderwijsinstellingen voor de taak gesteld zien hun hogeronderwijsstelsels en de banden daarvan met de staat en de samenleving zodanig te organiseren dat wordt vastgehouden aan de bestaande academische normen, de onderwijsdoelstellingen, de kwaliteitsnormen, de autonomie en/of de onafhankelijkheid, naar gelang van de specifieke structuren in iedere lidstaat, van de hogeronderwijsinstellingen alsmede aan de noodzaak verantwoording af te leggen aan het publiek en het van informatie te voorzien;

(8) Overwegende dat het debat rond de mededeling van de Commissie van 13 februari 1994 heeft aangetoond dat kwaliteitsbewakingssystemen kunnen bijdragen tot de wederzijdse erkenning van academische of beroepskwalificaties op communautair niveau;

(9) Overwegende dat het Witboek van de Commissie over "Groei, concurrentievermogen en werkgelegenheid", het Witboek "Onderwijzen en leren - Naar een cognitieve samenleving", alsmede het Groenboek "Onderwijs - Opleiding - Onderzoek, de belemmeringen voor transnationale mobiliteit" aantonen dat kwaliteitsonderwijs van belang is voor de werkgelegenheid en de groei in de Gemeenschap en om concurrerend te kunnen zijn op mondiaal niveau; dat in bovengenoemde publikaties het verband wordt belicht tussen de sociale en culturele functies van onderwijs en opleiding, enerzijds, en de economische functies daarvan, anderzijds, en dat daarin derhalve de vele aspecten van het begrip kwaliteit aan bod komen; dat duidelijk blijkt dat doorzichtige onderwijsstelsels een noodzakelijke voorwaarde vormen voor transnationale mobiliteit;

(10) Overwegende dat het bevorderen van de mobiliteit een van de doelstellingen is van de communautaire samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding; dat het Groenboek van de Commissie "Onderwijs - Opleiding - Onderzoek, de belemmeringen voor transnationale mobiliteit" een analyse bevat van de belangrijkste juridische, administratieve en concrete belemmeringen waarmee studenten die in een andere lidstaat willen studeren worden geconfronteerd, alsmede voorstellen voor maatregelen om de mobiliteit te verbeteren terwijl daarin voorts wordt benadrukt dat dit soort mobiliteit bijdraagt aan onderwijs van hoge kwaliteit dat de betrokkenen in staat stelt internationaal te concurreren en optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden van het vrije verkeer binnen de Gemeenschap;

(11) Overwegende dat de grootte, de structuur en de financiering van de hogeronderwijsstelsels in de lidstaten onderling verschillen en dat de doelstellingen van deze stelsels zich voortdurend blijven ontwikkelen; dat in sommige lidstaten het hogeronderwijsstelsel universiteiten en andere instellingen voor - vaak beroepsgericht - hoger onderwijs omvat; dat opzet en reikwijdte van, evenals methoden voor de kwaliteitsbeoordeling door elke lidstaat afzonderlijk worden vastgesteld en dat zij aan gewijzigde omstandigheden en/of structuren kunnen worden aangepast;

(12) Overwegende dat de lidstaten een exclusieve verantwoordelijkheid dragen voor de organisatie, structuur en - binnen hun begrotingslimieten - financiering van hun hogeronderwijsstelsels; dat de hogeronderwijsinstellingen autonoom en/of onafhankelijk zijn, naar gelang van de specifieke structuren in iedere lidstaat,

I. BEVEELT de lidstaten AAN:

A. transparante systemen voor kwaliteitsbeoordeling te ondersteunen en, in voorkomend geval, te ontwikkelen, met de volgende doelstellingen:

- het bewaken van de kwaliteit van het hoger onderwijs in de economische, maatschappelijke en culturele context van hun land, rekening houdend met de Europese dimensie en met de snel veranderende wereld;

- het helpen en stimuleren van de hogeronderwijsinstellingen om met behulp van passende maatregelen, met name kwaliteitsbeoordeling, de kwaliteit van het onderwijs en de vorming in een snel veranderende wereld te verbeteren;

- het bevorderen van de onderlinge informatie-uitwisseling op het gebied van kwaliteit en kwaliteitsbewaking op communautair en mondiaal niveau en stimuleren van de samenwerking op dit gebied tussen de hogeronderwijsinstellingen;

B. de mechanismen voor de kwaliteitsbeoordeling op de volgende (in de bijlage toegelichte) elementen te baseren:

- naar gelang van de specifieke structuren in iedere lidstaat, autonomie en/of onafhankelijkheid van de met de kwaliteitsbeoordeling belaste organen bij de keuze van procedures en methoden;

- aanpassing van de procedures en methoden voor de kwaliteitsbeoordeling aan het profiel en de taak van de hogeronderwijsinstellingen, onder eerbiediging van hun autonomie en/of hun onafhankelijkheid, naar gelang van de specifieke structuren in iedere lidstaat;

- doelgericht gebruik van de elementen van interne en/of externe kwaliteitsbeoordeling die bij de toegepaste procedures en methoden passen;

- deelname van de verschillende betrokken partijen, naar gelang van het onderwerp van de beoordeling;

- publicatie van de resultaten van deze beoordeling in een voor elke lidstaat geëigende vorm;

C. zo nodig de hogeronderwijsinstellingen in samenwerking met de bevoegde structuren van de lidstaten aan te moedigen adequate follow-upmaatregelen te nemen;

D. de bevoegde autoriteiten en de instellingen te verzoeken bijzonder belang te hechten aan uitwisseling van ervaringen en aan samenwerking inzake kwaliteitsbeoordeling met de andere lidstaten en met de internationale organisaties en verenigingen op het gebied van hoger onderwijs;

E. een samenwerking tussen de instanties die belast zijn met de kwaliteitsbeoordeling of -bewaking in het hoger onderwijs aan te moedigen en de totstandbrenging van een netwerk tussen hen te bevorderen.

Deze samenwerking zou geheel of gedeeltelijk betrekking kunnen hebben op de volgende aspecten:

a) de bevordering en de ontwikkeling van de uitwisseling van informatie en ervaringen, met name over methodologische ontwikkelingen en voorbeelden van goede praktijk;

b) de beantwoording van verzoeken om expertise en advies van de kant van de betrokken autoriteiten van de lidstaten;

c) de ondersteuning van hogeronderwijsinstellingen die op een transnationale grondslag willen samenwerken op het gebied van de kwaliteitsbeoordeling;

d) de bevordering van contacten met internationale deskundigen.

Bij het nastreven van deze doelstellingen moet aandacht geschonken worden aan de groeiende samenhang tussen de kwaliteitsbeoordeling en andere communautaire activiteiten, met name in het kader van de communautaire programma's Socrates en Leonardo da Vinci, alsmede aan het "acquis communautaire" op het gebied van de erkenning van kwalificaties voor beroepsdoeleinden.

II. BEVEELT AAN dat de Commissie in nauwe samenwerking met de lidstaten, op basis van de bestaande programma's en overeenkomstig de doelstellingen en de normale open en transparante procedures van de programma's, de in deel I, punt E, bedoelde samenwerking tussen de instanties die belast zijn met de kwaliteitsbeoordeling en -bewaking in het hoger onderwijs bevordert en de organisaties en verenigingen van hogeronderwijsinstellingen welke werkzaam zijn op Europees niveau en relevante ervaring hebben op het gebied van kwaliteitsbeoordeling en -bewaking, daarbij betrekt.

III. VERZOEKT de Commissie om de drie jaar aan het Europees Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's verslag uit te brengen over de ontwikkeling van systemen voor kwaliteitsbeoordeling in de verschillende lidstaten en over de samenwerking op Europees niveau op dit terrein, inclusief de met betrekking tot de bovengenoemde doelstellingen geboekte vooruitgang.

Gedaan te . . .

Voor de Raad

De Voorzitter

(1) PC C 19 van 21.1.1998, blz. 39.

(2) Advies uitgebracht op 19 november 1997 (PB C 64 van 27.2.1998, blz. 76).

(3) Advies van het Europees Parlement van 18 november 1997 (PB C 371 van 8.12.1997, blz. 33), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 26 februari 1998 en besluit van het Europees Parlement van . . . (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(4) PB C 321 van 12.12.1991, blz. 2.

BIJLAGE

Elementen van de kwaliteitsbeoordeling

De in Europa bestaande kwaliteitsbeoordelingsstelsels hebben de hierna genoemde elementen gemeen. De Europese proefprojecten voor de kwaliteitsbeoordeling in het hoger onderwijs hebben aangetoond dat alle actoren op dit gebied profijt kunnen trekken van het toepassen ervan.

De autonomie en/of de onafhankelijkheid, naar gelang van de specifieke structuren in iedere lidstaat, van het orgaan dat de kwaliteit beoordeelt (wat betreft procedures en methoden), kunnen bijdragen tot de doelmatigheid van de procedures voor kwaliteitsbeoordeling en de bereidheid de resultaten daarvan te aanvaarden.

De kwaliteitsbeoordelingscriteria zijn nauw verbonden met de taak die iedere instelling in samenhang met de behoeften van maatschappij en arbeidsmarkt is toebedeeld; de verschillende beoordelingsprocedures houden dus noodzakelijkerwijs in dat het specifieke karakter van de instelling in aanmerking wordt genomen. Kennis van haar doelstellingen, zowel voor de gehele instelling als voor een afdeling of een eenheid ervan, is in dat opzicht van wezenlijk belang.

De procedures voor kwaliteitsbeoordeling dienen in de regel zowel een intern element van zelfonderzoek als een extern, op adviezen van externe deskundigen gebaseerd element te omvatten.

Bij het interne element van zelfonderzoek dient te worden gestreefd naar betrokkenheid van alle actoren, met name de docenten en, in voorkomend geval, de voor academische en professionele begeleiding verantwoordelijke bestuurders maar ook de studenten. Het externe element dient een proces van onderlinge samenwerking, raadpleging en adviesverlening te zijn tussen onafhankelijke externe deskundigen en de actoren binnen de betrokken instelling.

Naar gelang van de doelstellingen en de criteria die bij de procedure voor kwaliteitsbeoordeling worden gehanteerd en van de structuren van het hoger onderwijs in de lidstaten, zouden beroepsverenigingen, sociale partners en oud-studenten in de groepen van deskundigen vertegenwoordigd kunnen zijn.

Ter bevordering van het uitwisselen van ervaringen met andere landen, zou het wenselijk zijn dat buitenlandse deskundigen aan de procedures deelnemen.

Verslagen over de resultaten van kwaliteitsbeoordelingsprocedures moeten worden gepubliceerd in de voor elke lidstaat meest geschikte vorm, als bruikbaar referentiemateriaal voor de partners ter informatie van de burger in het algemeen.

MOTIVERING VAN DE RAAD

I. INLEIDING

1. Op 12 mei 1997 heeft de Commissie de Raad een voorstel voor een aanbeveling betreffende Europese samenwerking ter waarborging van de kwaliteit in het hoger onderwijs voorgelegd.

2. Het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's hebben hun advies op 29 oktober, respectievelijk 19 november 1997 uitgebracht.

3. Het Europees Parlement heeft op 18 november 1997 advies uitgebracht.

4. Op 3 februari 1998 heeft de Commissie een gewijzigd voorstel ingediend.

5. Op 26 februari 1998 heeft de Raad overeenkomstig artikel 189 C van het EG-Verdrag een gemeenschappelijk standpunt aangenomen.

II. DOEL VAN HET VOORSTEL

Het voorstel heeft de vorm van een tot alle betrokken partijen (de lidstaten, de Commissie in nauwe samenwerking met de lidstaten en de Commissie alleen) gerichte aanbeveling die tot doel heeft de samenwerking tussen de lidstaten te bevorderen op het gebied van waarborging van de kwaliteit in het hoger onderwijs.

1. Algemene opmerkingen

In zijn gemeenschappelijk standpunt heeft de Raad het Commissievoorstel op hoofdlijnen goedgekeurd en een aantal wijzigingen voorgesteld die hij wenselijk achtte.

2. Specifieke opmerkingen

2.1. Door de Raad in het Commissievoorstel aangebrachte wijzigingen

2.1.1. Structuur van de aanbeveling

De Raad was van mening dat het gedetailleerde verzoek aan de Commissie in deel II, punt 1, van het oorspronkelijke voorstel om een "Europees Kwaliteitsbewakingsnetwerk" op te richten daar niet thuishoorde. De inhoud van dat verzoek is dan ook in een enigszins gewijzigde en duidelijker geformuleerde versie ondergebracht in deel I en is alleen tot de lidstaten gericht. De rol van de Commissie bij het bevorderen van de samenwerking binnen de Gemeenschap op het gebied van kwaliteitsbewaking (in nauwe samenwerking met de lidstaten en op basis van bestaande programma's) komt nu aan bod in het nieuwe deel II. Deel II, punt 2, van het oorspronkelijke voorstel, betreffende voortgangsrapportage, is nu het nieuwe deel III geworden, dat tot de Commissie is gericht.

2.1.2. Bijlage bij de aanbeveling

De Raad was van mening dat het duidelijkheidshalve beter zou zijn de gedetailleerde toelichting betreffende de eigenschappen van kwaliteitsbewakingssystemen in een uitgebreide en gewijzigde versie over te hevelen naar een bijlage met als opschrift "Elementen van de kwaliteitsbeoordeling".

2.1.3. Overwegingen

Met het oog op de doelmatigheid zijn sommige overwegingen naar gelang van het geval samengevoegd of gewijzigd en in één geval zelfs geschrapt. Toegevoegd werd een overweging betreffende de verantwoordelijkheden van de lidstaten en de autonomie en/of onafhankelijkheid van instellingen voor hoger onderwijs.

2.2. Amendementen van het Europees Parlement

2.2.1. Door de Commissie overgenomen amendementen van het Parlement

De Commissie heeft 17 van de 38 amendementen van het Parlement geheel, ten dele of inhoudelijk overgenomen. Het betreft de amendementen nrs. 1, 2, 3, 5, 9 en 41, 11, 12, 13, 14, 15, 30, 31, 32, 33, 35 en 36.

2.2.2. Door de Raad overgenomen amendementen van het Parlement

De Raad heeft 13 van de door de Commissie overgenomen amendementen van het Parlement geheel, ten dele of inhoudelijk overgenomen. Het betreft de amendementen nrs. 1, 2, 3, 5, 9 en 41, 11, 12, 13, 14, 30, 35 en 36.

2.2.3. Niet door de Raad overgenomen amendementen van het Parlement

Afgezien van de niet door de Commissie overgenomen amendementen, heeft de Raad de volgende amendementen niet overgenomen:

- Amendement nr. 15

Verwijzing naar de onderwijs- en onderzoekstaak van onderwijsinstellingen

De Raad vond dat het niet raadzaam was onderzoek te vermelden, aangezien niet alle onderwijsinstellingen aan onderzoek doen.

- Amendement nr. 31

Uitbreiding en voltooiing van de bestaande structuren ter oprichting van een "Europees Kwaliteitsbewakingsnetwerk"

De Raad vond dat de lidstaten moeten beslissen of een dergelijke uitbreiding noodzakelijk is.

- Amendementen nrs. 32 en 33

Voorbeelden van uitwisseling van informatie en ervaringen en/of hulp

De Raad is van mening dat deze voorbeelden moeten worden uitgewerkt door de bevoegde autoriteiten.

III. CONCLUSIES

De Raad is van mening dat zijn gemeenschappelijk standpunt een evenwichtige tekst is die, door het bevorderen van de samenwerking tussen de lidstaten, zal bijdragen aan de ontwikkeling van kwaliteitsonderwijs in de Europese Gemeenschap.

Top