EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 51995AG1230(06)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 34/95 door de Raad vastgesteld op 8 december 1995 met het oog op de aanneming van Richtlijn 95/.../EG van de Raad van ... houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten

PB C 356 van 30.12.1995, p. 13–33 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

51995AG1230(06)

GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 34/95 door de Raad vastgesteld op 8 december 1995 met het oog op de aanneming van Richtlijn 95/.../EG van de Raad van ... houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten

Publicatieblad Nr. C 356 van 30/12/1995 blz. 0013


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 34/95 door de Raad vastgesteld op 8 december 1995 met het oog op de aanneming van Richtlijn 95/. . ./EG van de Raad van . . . houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten (95/C 356/02)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 75,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Volgens de procedure van artikel 189 C van het Verdrag (3),

Overwegende dat in Richtlijn 85/3/EEG van de Raad van 19 december 1984 betreffende de gewichten, de afmetingen en sommige andere technische kenmerken van bepaalde wegvoertuigen (4) in het kader van het gemeenschappelijk vervoerbeleid gemeenschappelijke normen worden vastgesteld, die een beter gebruik van wegvoertuigen in het verkeer tussen Lid-Staten mogelijk maken;

Overwegende dat Richtlijn 85/3/EEG herhaaldelijk ingrijpend is gewijzigd; dat het, ter gelegenheid van de nieuwe wijziging van deze richtlijn, wenselijk is deze om redenen van duidelijkheid en rationalisatie te herzien en samen te voegen met Richtlijn 86/364/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende het bewijs dat voertuigen voldoen aan Richtlijn 85/3/EEG betreffende de gewichten, de afmetingen en sommige andere kenmerken van bepaalde wegvoertuigen (5);

Overwegende dat de verschillen tussen de in de Lid-Staten geldende normen inzake de gewichten en de afmetingen van bedrijfsvoertuigen een nadelige invloed kunnen hebben op de concurrentievoorwaarden en het verkeer tussen de Lid-Staten kunnen belemmeren;

Overwegende dat op grond van het subsidiariteitsbeginsel op communautair niveau maatregelen moeten worden genomen om een dergelijke belemmering op te heffen;

Overwegende dat bij de vaststelling van bovengenoemde normen een afweging is gemaakt tussen het rationele en zuinige gebruik van voornoemde bedrijfsvoertuigen en de eisen van onderhoud van de infrastructuur, verkeersveiligheid en bescherming van milieu en leefklimaat;

Overwegende dat de gemeenschappelijke normen voor de afmetingen van voertuigen voor goederenvervoer lange tijd stabiel zouden moeten kunnen blijven;

Overwegende dat voor in een Lid-Staat ingeschreven of in het verkeer gebrachte bedrijfsvoertuigen aanvullende technische voorwaarden in verband met de gewichten en afmetingen van voertuigen kunnen gelden; dat deze voorwaarden geen belemmering voor het verkeer van bedrijfsvoertuigen tussen de Lid-Staten mogen vormen;

Overwegende dat de definitie van "dikwandige koelwagen" in artikel 2 van Richtlijn 85/3/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 89/338/EEG (6), moet worden verruimd om de Lid-Staten in staat te stellen het verkeer op hun grondgebied van koelwagens die niet langer aan de isolatievoorschriften van dat artikel voldoen, toe te staan;

Overwegende dat het begrip "ondeelbare lading" moet worden gedefinieerd met het oog op de uniforme toepassing van deze richtlijn voor zover zij betrekking heeft op vergunningen voor voertuigen of voertuigcombinaties die een dergelijke lading vervoeren;

Overwegende dat de ton algemeen wordt gebruikt en gezien als de maateenheid voor het gewicht van voertuigen en dat daarvan derhalve in deze richtlijn gebruik wordt gemaakt, hoewel wordt erkend dat de formele eenheid van gewicht de newton is;

Overwegende dat in het kader van de totstandbrenging van de interne markt de werkingssfeer van deze richtlijn moet worden uitgebreid tot het nationale vervoer, voor zover er sprake is van kenmerken die de concurrentievoorwaarden in de vervoersector aanmerkelijk beïnvloeden, met name de maximaal toegestane lengte en breedte van voertuigen en voertuigcombinaties voor goederenvervoer;

Overwegende dat het de Lid-Staten voor de overige voertuigkenmerken is toegestaan om enkel voor in het nationaal verkeer gebruikte voertuigen op hun grondgebied andere waarden te hanteren dan die waarin deze richtlijn voortziet;

Overwegende dat de lengte van samenstellen met uitschuifbare koppelingssystemen in de praktijk maximaal 18,75 m bedraagt; dat dezelfde maximumlengte moet worden toegepast voor samenstellen met niet uitschuifbare koppelingssystemen;

Overwegende dat de maximaal toegestane breedte van voertuigen voor goederenvervoer van 2,50 m ertoe kan leiden dat er onvoldoende ruimte in het voertuig overblijft om laadborden op efficiënte wijze in te laden, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot toepassing van uiteenlopende extra toleranties in de wettelijke regelingen van de Lid-Staten voor het binnenlandse verkeer; dat derhalve een algemene aanpassing aan de huidige situatie noodzakelijk is om te zorgen voor duidelijkheid inzake de technische voorschriften, met inachtneming van de verkeersveiligheidsaspecten van deze kenmerken;

Overwegende dat, indien de maximumbreedte van voertuigen voor goederenvervoer op 2,55 m wordt gebracht, die norm ook moet gelden voor bussen; dat in het geval van bussen evenwel moet worden voorzien in een overgangsperiode voor de betrokken fabrikanten om hun installaties te kunnen aanpassen;

Overwegende dat de Lid-Staten op hun grondgebied het verkeer voor nationaal goederenvervoer moeten kunnen toelaten van voertuigen of voertuigcombinaties waarvan de afmetingen afwijken van de in deze richtlijn bepaalde, voor zover die voertuigen vervoer verrichten dat overeenkomstig de definities van deze richtlijn geen noemenswaardige invloed heeft op de internationale concurrentie op vervoergebied, te weten vervoer met speciale voertuigen en vervoer volgens een module-concept;

Overwegende dat er in het geval van vervoer volgens een module-concept moet worden voorzien in een overgangsperiode voor de Lid-Staten om hun weginfrastructuur te kunnen aanpassen;

Overwegende dat de voertuigen of voertuigcombinaties waarin nieuwe technologieën of nieuwe concepten zijn verwerkt volgens normen die afwijken van de in deze richtlijn bepaalde, tijdens een proefperiode plaatselijk vervoer moeten kunnen verrichten om voordeel te trekken uit de vooruitgang van de techniek;

Overwegende dat aan voertuigen die vóór de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn in gebruik worden genomen en die als gevolg van eerdere afwijkende nationale bepalingen of meetmethoden niet aan de in deze richtlijn vastgestelde afmetingskenmerken voldoen, moet worden toegestaan om gedurende een overgangsperiode in de Lid-Staat waar de voertuigen zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht, vervoer te blijven verzorgen;

Overwegende dat er vooruitgang werd geboekt met de aanneming van goedkeuringsrichtlijnen voor types voertuigcombinaties met vijf of zes assen; dat bijgevolg de eisen inzake conformiteit met andere kenmerken dan gewichten en afmetingen, zoals die bij bijlage II van Richtlijn 85/3/EEG zijn vastgesteld, moeten komen te vervallen;

Overwegende dat een dergelijke wijziging eveneens wenselijk is om regels die in strijd zijn met de internationale overeenkomsten inzake wegvervoer en -verkeer, te voorkomen;

Overwegende dat het, om de controle op de conformiteit met deze richtlijn te vergemakkelijken, noodzakelijk is ervoor te zorgen dat voertuigen zijn voorzien van een conformiteitsbewijs;

Overwegende dat deze richtlijn de verplichtingen van de Lid-Staten inzake de uiterste data voor de omzetting in nationaal recht en de tenuitvoerlegging van de door deze richtlijn vervangen richtlijnen onverlet laat,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Deze richtlijn is van toepassing:

a) op de afmetingen van de motorvoertuigen van de categorieën M2, M3 en N2 en N3 en hun aanhangwagens van de categorieën 03 en 04, zoals gedefinieerd in bijlage II van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (7);

b) op de gewichten en sommige andere kenmerken van de onder a) gedefinieerde voertuigen die in bijlage I, punt 2, van deze richtlijn zijn omschreven.

2. Alle in bijlage I vermelde gewichten gelden als verkeersnormen en betreffen derhalve de laadvoorwaarden en niet de produktienormen, die in een volgende richtlijn zullen worden vastgesteld.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

- "motorvoertuig", een gemotoriseerd voertuig dat zich op eigen kracht over de weg voortbeweegt;

- "aanhangwagen", een voertuig dat is bestemd om aan een motorvoertuig te worden gekoppeld, met uitzondering van opleggers, en dat op grond van constructie en inrichting voor goederenvervoer wordt gebezigd;- "oplegger", een voertuig dat is bestemd om aan een motorvoertuig te worden gekoppeld op zodanige wijze dat een deel ervan op het motorvoertuig rust en dat een aanzienlijk deel van het gewicht van de oplegger en van zijn lading door het motorvoertuig wordt gedragen, en dat op grond van constructie en inrichting voor goederenvervoer wordt gebezigd;

- "combinatie",

- een samenstel bestaande uit een motorvoertuig en een aanhangwagen, of

- een geleed voertuig bestaande uit een motorvoertuig waaraan een oplegger is gekoppeld;

- "geconditioneerd voertuig", elk voertuig waarvan de vaste of mobiele bovenbouw speciaal is ingericht voor het vervoer van goederen bij een gecontroleerde temperatuur, en waarvan elk van de zijwanden, met inbegrip van de isolatie, ten minste 45 mm dik is;

- "bus", een voertuig met meer dan negen zitplaatsen, die van de bestuurder inbegrepen, dat op grond van constructie en inrichting is bestemd voor het vervoer van personen en hun bagage. Het kan een of twee verdiepingen hebben en kan ook een aanhangwagen slepen;

- "gelede bus", een bus die is samengesteld uit twee vaste delen welke met elkaar zijn verbonden door een geleed gedeelte. Bij dit soort voertuig is er een interne verbinding tussen de beide vaste delen. Door het gelede gedeelte kunnen de reizigers vrij van het ene naar het andere vaste deel lopen. De twee vaste delen kunnen alleen in een werkplaats met elkaar worden verbonden of van elkaar worden losgemaakt;

- "maximaal toegestane afmetingen", de maximumafmetingen voor het gebruik van een voertuig zoals bedoeld in bijlage I;

- "maximaal toegestaan gewicht", het maximumgewicht voor het gebruik van een voertuig in beladen toestand in het internationale verkeer;

- "maximaal toegestane druk per as", het maximumgewicht voor het gebruik van een as of een assenstel in beladen toestand in het internationale verkeer;

- "ondeelbare lading", lading die ten behoeve van het vervoer over de weg niet in twee of meer ladingen kan worden gesplitst zonder dat zulks overmatige kosten of risico van schade meebrengt en die wegens haar afmetingen of massa niet kan worden vervoerd door een motorvoertuig, aanhangwagen, samenstel of geleed voertuig dat in alle opzichten aan het bepaalde in deze richtlijn voldoet;

- de eenheid "ton", het met de massa van een ton corresponderende gewicht overeenkomende met 9,8 kilonewton (kN).

Alle in bijlage I vermelde maximaal toegestane afmetingen worden gemeten overeenkomstig bijlage I van Richtlijn 70/156/EEG, zonder positieve afwijking.

Artikel 3

1. De Lid-Staten mogen het gebruik op hun grondgebied niet verbieden of weigeren:

- in het internationale verkeer, van voertuigen die in een Lid-Staat zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht, om redenen die verband houden met het gewicht en de afmetingen,

- in het nationale verkeer, van voertuigen die in een Lid-Staat zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht, om redenen die verband houden met de afmetingen,

indien deze voertuigen voldoen aan de in bijlage I aangegeven grenswaarden.

Deze bepaling is van toepassing niettegenstaande het feit dat:

a) deze voertuigen niet voldoen aan de wettelijke voorschriften van deze Lid-Staat betreffende bepaalde kenmerken die verband houden met gewichten en afmetingen en die niet in bijlage I worden vermeld;

b) de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar de voertuigen zijn ingeschreven of in het verkeer gebracht, grenswaarden heeft toegestaan die niet in artikel 4, lid 1, vermeld staan en die hoger liggen dan die welke in bijlage I zijn vastgesteld.

2. Het bepaalde in lid 1, tweede alinea, onder a), doet echter geen afbreuk aan het recht van de Lid-Staten om, naar behoren rekening houdend met het Gemeenschapsrecht, te eisen dat voertuigen die op hun grondgebied zijn ingeschreven of in het verkeer gebracht, voldoen aan hun nationale voorschriften inzake niet in bijlage I vermelde kenmerken die verband houden met gewichten en afmetingen.

3. De Lid-Staten kunnen eisen dat geconditioneerde voertuigen voorzien zijn van een ATP-keuringsdocument of -plaat overeenkomst van 1 september 1970 inzake het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer.

Artikel 4

1. De Lid-Staten staan op hun grondgebied niet het normale verkeer toe van voertuigen of voertuigcombinaties voor het nationale goederenvervoer, die niet in overeenstemming zijn met de in bijlage I, punten 1.1, 1.2, 1.4 tot en met 1.8, 4.2 en 4.4, vermelde kenmerken.

2. De Lid-Staten kunnen op hun grondgebied echter wel het verkeer toestaan van voertuigen of voertuigcombinaties voor het nationale goederenvervoer, die niet in overeenstemming zijn met de in bijlage I, punten 1.3, 2, 3, 4.1 en 4.3, vermelde kenmerken.

3. Voertuigen of voertuigcombinaties die de maximumafmetingen overschrijden, mogen slechts tot het verkeer worden toegelaten op basis van zonder discriminatie door de bevoegde instanties afgegeven speciale vergunningen of op basis van per geval met deze instanties overeengekomen niet discriminerende regelingen, wanneer deze voertuigen of voertuigcombinaties ondeelbare ladingen vervoeren of daarvoor bestemd zijn.

4. De Lid-Staten kunnen toestaan dat voor goederenvervoer gebruikte voertuigen of voertuigcombinaties die een bepaald nationaal vervoer verrichten dat niet van noemenswaardige invloed is op de internationale concurrentie in de vervoersector, op hun grondgebied aan het verkeer deelnemen met afmetingen die afwijken van de in bijlage I, punten 1.1, 1.2, 1.4 tot en met 1.8, 4.2 en 4.4, vermelde afmetingen.

Vervoer wordt geacht niet van noemenswaardige invloed te zijn op de internationale concurrentie in de vervoersector als een van de onder a) of b) genoemde voorwaarden vervuld is:

a) het vervoer wordt op het grondgebied van een Lid-Staat verricht met speciale voertuigen of voertuigcombinaties in zodanige omstandigheden dat het normaal gesproken niet wordt verricht met voertuigen uit andere Lid-Staten, bij voorbeeld vervoer in de bosbouw en de bosbouwindustrie;

b) de Lid-Staat die het vervoer op zijn grondgebied toestaat door voertuigen of voertuigcombinaties met andere dan de in bijlage I vermelde afmetingen, staat tevens het gebruik toe van motorvoertuigen, aanhangwagens en opleggers die aan de in bijlage I voorgeschreven afmetingen voldoen, en wel in zulke combinaties dat ten minste de in die Lid-Staat toegestane laadruimte kan worden bereikt, zodat alle vervoerders dezelfde concurrentiemogelijkheden hebben (het module-concept).

De betrokken Lid-Staat, die zijn wegeninfrastructuur moet aanpassen om aan de voorwaarde onder b) te voldoen, mag evenwel tot uiterlijk 31 december 2003 verbieden dat in het nationale vrachtvervoer op zijn grondgebied aan het verkeer wordt deelgenomen door voertuigen of voertuigcombinaties die de vigerende nationale normen inzake afmetingen overschrijden, mits de nationale wetgeving op niet discriminerende wijze van kracht blijft voor communautaire vervoerders.

De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de maatregelen die zij uit hoofde van dit lid treffen.

5. De Lid-Staten kunnen toestaan dat voertuigen of voertuigcombinaties waarin nieuwe technologieën of concepten zijn verwerkt, die het voldoen aan een of meer voorschriften van deze richtlijn onmogelijk maken, tijdens een proefperiode bepaald plaatselijk vervoer verrichten. De Lid-Staten stellen de Commissie daarvan in kennis.

6. De Lid-Staten kunnen toestaan dat voor vrachtvervoer gebruikte voertuigen of voertuigcombinaties die vóór de inwerkingtreding van deze richtlijn zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht, tot en met 31 december 2006 op hun grondgebied aan het verkeer deelnemen met afmetingen die de in bijlage I, punten 1.1, 1.2, 1.4 tot en met 1.8, 4.2 en 4.4, vermelde afmetingen overschrijden als gevolg van het bestaan van afwijkende nationale bepalingen of meetmethoden.

Artikel 5

Onverminderd artikel 4, lid 6, van deze richtlijn worden

a) vóór 1 januari 1991 in het verkeer gebrachte gelede voertuigen die niet voldoen aan de in bijlage I, punten 1.6 en 4.4, opgenomen voorschriften, voor de toepassing van artikel 3 geacht met die voorschriften in overeenstemming te zijn, indien zij een totale lengte van niet meer dan 15,50 m hebben;

b) samenstellen waarvan het motorvoertuig vóór 31 december 1991 in het verkeer is gebracht en die niet voldoen aan de in bijlage I, punten 1.7 en 1.8, opgenomen voorschriften, voor de toepassing van artikel 3 tot en met 31 december 1998 geacht met die voorschriften in overeenstemming te zijn, indien zij een totale lengte van niet meer dan 18,00 m hebben.

Artikel 6

1. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 1 bedoelde voertuigen die aan deze richtlijn voldoen, zijn voorzien van een van de onder a), b) en c) genoemde bewijzen:

a) een combinatie van de volgende twee platen:

- de "constructieplaat", uitgevoerd en aangebracht overeenkomstig Richtlijn 76/114/EEG (8),

- de plaat betreffende de afmetingen zoals voorgeschreven in bijlage III, uitgevoerd en aangebracht overeenkomstig Richtlijn 76/114/EEG;b) één enkele overeenkomstig Richtlijn 76/114/EEG uitgevoerde en aangebrachte plaat waarop de gegevens van de twee onder a) vermelde platen staan;

c) één enkel document dat wordt afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten waar het voertuig is ingeschreven of in het verkeer is gebracht. Dit document dient dezelfde rubrieken en dezelfde gegevens te bevatten als die welke voorkomen op de onder a) vermelde platen. Het moet op een voor controle gemakkelijk toegankelijke en goed beschermde plaats worden bewaard.

2. Wanneer de kenmerken van het voertuig niet meer overeenstemmen met die welke op het conformiteitsbewijs vermeld zijn, neemt de Lid-Staat waarin het voertuig is ingeschreven, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het conformiteitsbewijs wordt gewijzigd.

3. De in lid 1 bedoelde platen en documenten worden door de Lid-Staten erkend als het in deze richtlijn bedoelde conformiteitsbewijs van de voertuigen.

4. Voertuigen waarvoor een conformiteitsbewijs werd afgegeven, kunnen aan de volgende controles worden onderworpen:

- wat de gemeenschappelijke normen inzake gewichten betreft, aan steekproefsgewijze controles;

- wat de gemeenschappelijke normen inzake de afmetingen betreft, aan controles die alleen worden uitgevoerd indien het vermoeden bestaat dat niet aan deze richtlijn wordt voldaan.

5. De middenkolom van het conformiteitsbewijs betreffende de gewichten vermeldt in voorkomend geval de op het betrokken voertuig toepasselijke communautaire waarden inzake gewichten. Voor de in bijlage I, punt 2.2.2, onder c), bedoelde voertuigen wordt de vermelding "44 t" tussen haakjes geplaatst onder het maximaal toegestane gewicht van de combinatie.

6. Elke Lid-Staat kan voor op zijn grondgebied ingeschreven of in het verkeer gebrachte voertuigen besluiten dat de bij zijn nationale wetgeving toegestane maximumgewichten in het conformiteitsbewijs in de linkerkolom en de technisch aanvaardbare gewichten in de rechterkolom worden vermeld.

Artikel 7

Deze richtlijn laat de toepassing onverlet van de in elke Lid-Staat geldende voorschriften inzake het wegverkeer op grond waarvan het gewicht en/of de afmetingen van voertuigen op bepaalde wegen of kunstwerken kunnen worden beperkt, ongeacht de Staat waar deze voertuigen zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht.

Artikel 8

Het bepaalde in artikel 3 is tot en met 31 december 1998 niet van toepassing in Ierland en het Verenigd Koninkrijk:

a) voor wat betreft de normen bedoeld in bijlage I, punten 2.2, 2.3.1, 2.3.3, 2.4 en 3.3.2:

- met uitzondering van de gelede voertuigen bedoeld in punt 2.2.2, waarvan:

i) het totaalgewicht in beladen toestand niet meer bedraagt dan 38 ton,

ii) de druk op elk drieassenstel, met een afstand tussen de assen zoals vermeld in punt 3.3.2, niet meer bedraagt dan 22,5 ton,

- met uitzondering van de voertuigen bedoeld in bijlage I, punten 2.2.3, 2.2.4, 2.3 en 2.4, waarvan het totaalgewicht in beladen toestand niet meer bedraagt dan:

i) 35 ton voor de voertuigen bedoeld in de punten 2.2.3 en 2.2.4,

ii) 17 ton voor de voertuigen bedoeld in punt 2.3.1,

iii) 30 ton voor de voertuigen bedoeld in punt 2.3.3, onder het voorbehoud van inachtneming van de voorwaarden vermeld in dit punt en in punt 4.3,

iv) 27 ton voor de voertuigen bedoeld in punt 2.4;

b) voor wat betreft de norm bedoeld in bijlage I, punt 3.4, met uitzondering van de voertuigen bedoeld in de punten 2.2, 2.3 en 2.4, waarvan de druk op de aangedreven as niet meer bedraagt dan 10,5 ton.

Artikel 9

Met betrekking tot de in bijlage I, punt 1.2, onder a), vermelde norm kunnen de Lid-Staten tot en met 31 december 1999 het gebruik op hun grondgebied van bussen die breder zijn dan 2,50 m, weigeren of verbieden.

De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de uit hoofde van dit artikel genomen maatregelen. De Commissie stelt de andere Lid-Staten daarvan in kennis.

Artikel 10

De richtlijnen die in bijlage IV, deel A, zijn opgenomen, worden ingetrokken, op de in artikel 11 genoemde datum, onverminderd de verplichtingen van de Lid-Staten met betrekking tot de in bijlage IV, deel B, gememoreerde tijdslimieten voor omzetting.

Verwijzingen naar ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de in bijlage V opgenomen concordantietabel.

Artikel 11

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór . . . (9) aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen verwezen naar de onderhavige richtlijn of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de essentiële bepalingen van intern recht mede, die zij vaststellen op het gebied dat onder deze richtlijn valt.

Artikel 12

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 13

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te . . .

Voor de Raad

De Voorzitter

(1) PB nr. C 38 van 8. 2. 1994, blz. 3 en PB nr. C 247 van 23. 9. 1995, blz. 1.

(2) PB nr. C 295 van 22. 10. 1994, blz. 72.

(3) Advies van het Europees Parlement van 15 november 1994 (PB nr. C 341 van 5. 12. 1994, blz. 39), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 8 december 1995 en besluit van het Europees Parlement van . . . (nog niet verschenen in het Publikatieblad).

(4) PB nr. L 2 van 3. 1. 1985, blz. 14. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 92/7/EEG (PB nr. L 57 van 2. 3. 1992, blz. 29).

(5) PB nr. 221 van 7. 8. 1986, blz. 48.

(6) PB nr. L 142 van 25. 5. 1989, blz. 3.

(7) PB nr. L 42 van 23. 2. 1970, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(8) PB nr. L 24 van 30. 1. 1976, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 78/507/EEG van de Commissie (PB nr. L 155 van 13. 6. 1978, blz. 31).

(9) Eén jaar na de inwerkingtreding van de richtlijn.

BIJLAGE I

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

VOORWAARDEN BETREFFENDE DE GELIJKWAARDIGHEID AAN LUCHTVERING VAN BEPAALDE VERINGSSYSTEMEN VOOR DE AANGEDREVEN AS OF ASSEN VAN HET VOERTUIG

1. DEFINITIE VAN LUCHTVERING

Onder luchtvering dient te worden verstaan een veringssysteem waarbij ten minste 75 % van het veringseffect door de luchtveer wordt veroorzaakt.

2. GELIJKWAARDIGHEID AAN LUCHTVERING

Een veringssysteem wordt erkend als gelijkwaardig aan luchtvering, indien het voldoet aan de hierna omschreven voorwaarden:

2.1. tijdens de vrije laagfrequente verticale uittrilling van de afgeveerde massa boven een aangedreven as of draaistel moeten de gemeten frequentie en de demping met de maximaal toegestane druk op de vering beantwoorden aan de in de punten 2.2 tot en met 2.5 omschreven grenzen;

2.2. iedere as moet zijn uitgerust met hydraulische dempers. Op tandem-asdraaistellen moeten de dempers zodanig zijn geplaatst dat de trilling van het draaistel tot een minimum wordt beperkt;

2.3. de gemiddelde dempingsgraad D moet groter zijn dan 20 % van de kritische demping voor de vering in normale toestand met operationele hydraulische dempers;

2.4. de dempingsgraad van de vering, wanneer alle hydraulische dempers verwijderd of buiten werking zijn, mag niet groter zijn dan 50 % van D;

2.5. de frequentie van de afgeveerde massa boven de aangedreven as of het draaistel mag in een vrije verticale uittrilling niet groter dan 2 Hz zijn;

2.6. voor een definitie van de frequentie en de demping van het veringssysteem: zie punt 3 en voor een omschrijving van de testprocedures voor het meten van de frequentie en de demping: zie punt 4.

3. DEFINITIE VAN FREQUENTIE EN DEMPING

Voor deze definitie wordt een afgeveerde massa M (kg) boven een aangedreven as of asstel in aanmerking genomen. De as of het assenstelsel heeft tussen het wegdek en de afgeveerde massa een totale verticale stijfheid van K newton/meter (N/m) en een totale dempingscoëfficiënt van C newton per meter per seconde (N/ms). De verticale verplaatsing (doorbuiging) van de afgeveerde massa is Z. De bewegingsvergelijking voor de vrije trilling van de afgeveerde massa is:

M >NUM>d² Z >DEN>dt² + C>NUM>d Z>DEN>dt + kZ = 0

De trillingsfrequentie van de afgeveerde massa F (rad/sec) is:

F = √>NUM>K >DEN>M - >NUM>C² >DEN>4M²

De demping is kritisch wanneer C = C°,

waarbij:

C° = 2√KM.

De dempingsgraad weergegeven als een breuk van de kritische demping is C/C°.

Tijdens vrije uittrilling van de afgeveerde massa zal de verticale beweging van de massa een gedempte sinusoïdale baan volgen (figuur 2). De frequentie kan worden geraamd door de tijd te meten voor zoveel trillingscycli als kunnen worden waargenomen. De demping kan worden geraamd door de hoogte te meten van de opeenvolgende pieken van de trilling in dezelfde richting. Indien de piekamplitudes van de eerste en tweede trillingscycli A1 en A2 zijn, is de dempingsgraad D:

D = >NUM>C >DEN>C° = >NUM>1 >DEN>2p . ln >NUM>A1>DEN>A2 P

waarbij "ln" de natuurlijke logaritme van de amplitudeverhouding is.

4. TESTPROCEDURE

Voor de experimentele bepaling van de dempingsgraad D, de dempingsgraad wanneer de hydraulische dempers zijn verwijderd, en de frequentie F van de vering, moet het beladen voertuig:

a) hetzij bij lage snelheid (5 km/h + 1 km/h) over een afstapje van 80 mm met het in figuur 1 aangegeven profiel worden gereden, waarbij de op frequentie en demping te analyseren uittrilling die is, welke optreedt nadat de wielen van de aangedreven as het afstapje zijn gepasseerd;

b) hetzij bij het chassis naar beneden worden getrokken, zodat de druk op de aangedreven as 1,5-maal zo groot als de maximale statistische waarde ervan is, waarbij de trek naar beneden plotseling wordt opgeheven en de daaropvolgende trilling wordt geanalyseerd;

c) hetzij bij het chassis naar omhoog worden getrokken, zodat de afgeveerde massa 80 mm boven de aangedreven as wordt geheven, waarbij de trek naar boven plotseling wordt opgeheven en de daaropvolgende trilling wordt geanalyseerd;

d) hetzij aan andere tests worden onderworpen, voor zover de fabrikant ten genoegen van de technische dienst heeft aangetoond dat die gelijkwaardig zijn.

Op het voertuig moet tussen de aangedreven as en het chassis, onmiddellijk boven de aangedreven as, een doorbuigingstransductor worden aangebracht. Door het meten van het tijdsinterval tussen de eerste en tweede compressiepiek op de aan de hand daarvan verkregen lijn, kan de frequentie F en, door het meten van de amplitudeverhouding op die lijn, kan de demping worden gevonden. Voor aangedreven tandem-asstellen moeten de doorbuigingstransductors worden aangebracht tussen iedere aangedreven as en het zich onmiddellijk daarboven bevindende gedeelte van het chassis.

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

BIJLAGE III

PLAAT MET BETREKKING TOT DE AFMETINGEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 6, LID 1, ONDER A)

I. De plaat met betrekking tot de afmetingen, die voor zover mogelijk naast de in Richtlijn 76/114/EEG bedoelde plaat is bevestigd, vermeldt de volgende gegevens:

1. Naam van de constructeur (1).

2. Identificatienummer van het voertuig (2).

3. Lengte (L) van het motorvoertuig, de aanhangwagen of de oplegger.

4. Breedte (W) van het motorvoertuig, de aanhangwagen of de oplegger.

5. Gegevens voor het meten van de lengte van combinaties:

- de afstand (a) tussen de voorkant van het motorvoertuig en het middelpunt van de koppelinrichting ervan (koppelhaak of koppelschotel); in het geval van een koppelschotel met verscheidene koppelpunten moeten de minimum- en de maximumwaarden worden aangegeven (amin en amax);

- de afstand (b) tussen het middelpunt van de koppelinrichting van de aanhangwagen (koppelring) of van de oplegger (koppelpen) en de achterkant van de aanhangwagen of van de oplegger; in het geval van een inrichting met verscheidene koppelpunten moeten de minimum- en de maximumwaarden worden aangegeven (bmin en bmax).

De lengte van de combinaties is de lengte gemeten wanneer het motorvoertuig, de aanhangwagen of de oplegger op één lijn zijn opgesteld.

II. De waarden die op het conformiteitsbewijs voorkomen, moeten precies de metingen weergeven die rechtstreeks op het voertuig zijn verricht.

(1) Deze vermeldingen behoeven niet te worden herhaald als het voertuig is uitgerust met één enkele plaat waarop de gegevens met betrekking tot de gewichten en afmetingen voorkomen.

BIJLAGE IV

DEEL A

INGETROKKEN RICHTLIJNEN (bedoeld in artikel 10)

- Richtlijn 85/3/EEG betreffende de gewichten, de afmetingen en sommige andere technische kenmerken van bepaalde wegvoertuigen, en de wijzigingen daarop:

- Richtlijn 86/360/EEG,

- Richtlijn 88/218/EEG,

- Richtlijn 89/338/EEG,

- Richtlijn 89/460/EEG,

- Richtlijn 89/461/EEG,

- Richtlijn 91/60/EEG,

- Richtlijn 92/7/EEG.

- Richtlijn 86/364/EEG betreffende het bewijs dat voertuigen voldoen aan Richtlijn 85/3/EEG betreffende de gewichten, de afmetingen en sommige andere technische kenmerken van bepaalde wegvoertuigen.

DEEL B

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE V

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

MOTIVERING

I. INLEIDING

Op 15 december 1993 heeft de Commissie aan de Raad een op artikel 75 van het EG-Verdrag gebaseerd voorstel voor een richtlijn doen toekomen houdende vaststelling van de maximaal toegestane gewichten en afmetingen van wegvoertuigen van meer dan 3,5 ton die binnen de Gemeenschap aan het verkeer deelnemen (1).

Het Europees Parlement heeft op 15 november 1994 advies uitgebracht (2); het Economisch en Sociaal Comité bracht op 1 juni 1994 advies uit (3).

In het licht van deze adviezen heeft de Commissie op 27 juni 1995 een gewijzigd voorstel (4) bij de Raad ingediend.

De Raad heeft op 8 december 1995 overeenkomstig artikel 189 C van het EG-Verdrag, zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld.

II. DOEL VAN HET VOORSTEL

In het gewijzigde voorstel van de Commissie zijn verscheidene amendementen van het Europees Parlement verwerkt; het voorstel heeft ten doel de hindernissen in het verkeer tussen de Lid-Staten, die voortvloeien uit de verschillen tussen de normen inzake gewichten en afmetingen van voor het goederen- en personenvervoer bestemde wegvoertuigen, op communautair niveau op te heffen.

Zo heeft de richtlijn met name ten doel:

- Richtlijn 85/3/EEG van de Raad van 19 december 1984 betreffende de gewichten, de afmetingen en sommige andere technische kenmerken van bepaalde wegvoertuigen (5), die een aantal malen is gewijzigd, en Richtlijn 86/364/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende het bewijs dat voertuigen voldoen aan Richtlijn 85/3/EEG betreffende de gewichten, de afmetingen en sommige andere kenmerken van bepaalde wegvoertuigen (6) te codificeren;

- de bepalingen van de richtlijn die belangrijke gevolgen hebben voor de mededingingsvoorwaarden in de vervoersector, met name de maximaal toegestane afmetingen van voertuigen en van combinaties, alsmede de maximaal toegestane gewichten (MTG) van de combinaties met vier, vijf en zes assen, tot het nationale vervoer (goederen en passagiers) uit te breiden;

- de maximaal toegestane lengte van het samenstel te verhogen van 18,35 m naar 18,75 m;

- de huidige definitie van "dikwandige koelwagen" te verruimen: deze voertuigen heten voortaan "geconditioneerde voertuigen";

- de maximaal toegestane breedte van andere voertuigen dan geconditioneerde voertuigen van 2,50 m te brengen op 2,55 m;

- het maximaal toegestane gewicht van combinaties met zes assen van 40 op 44 ton te brengen, wanneer zij zijn uitgerust met een infrastructuurvriendelijke vering.

III. ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT VAN DE RAAD

1. Het door de Raad vastgestelde gemeenschappelijk standpunt omvat het leeuwedeel van het Commissievoorstel; de delen die niet zijn opgenomen, zijn echter wel gehandhaafd.

a) 's Raads gemeenschappelijk standpunt komt overeen met het gewijzigde voorstel van de Commissie, wat betreft:

- de codificering van de Richtlijnen 85/3/EEG en 86/364/EEG;

- de verhoging van 18,35 m tot 18,75 m van de in bijlage 1, punt 1.1, van het gemeenschappelijk standpunt beoogde maximaal toegestane lengte van het samenstel; de in punt 1.8 bedoelde maximale afstand wordt bijgevolg verhoogd van 16,00 m tot 16,40 m;

- de verhoging van 2,50 m tot 2,55 m van de in bijlage I, punt 1.2, onder a), bedoelde maximumbreedte van andere voertuigen dan geconditioneerde voertuigen;

- de toepassing - uit hoofde van artikel 4, leden 1 en 2, van het gemeenschappelijk standpunt - van de normen betreffende de voor het internationale vervoer geldende afmetingen op het nationale goederenvervoer, met uitzondering van de norm inzake de maximaal toegestane hoogte (4,00 m), die dus uitsluitend voor het internationale vervoer blijft gelden. Wat de maximumbreedte van bussen betreft, voorziet artikel 9 van het gemeenschappelijk standpunt echter in de mogelijkheid dat de Lid-Staten kunnen verbieden dat bussen met een maximumbreedte van meer dan 2,50 m gedurende een overgangsperiode die op 31 december 1999 afloopt, op hun grondgebied aan het verkeer deelnemen;

- de vervanging van de term "dikwandige koelwagens" door "geconditioneerde voertuigen", in artikel 2, vijfde streepje, artikel 3, lid 3, en bijlage I, punt 1.2, onder b).

b) In het gemeenschappelijk standpunt van de Raad zijn de andere onderdelen van het gewijzigde Commissievoorstel niet opgenomen, namelijk:

- de toepassing op het nationale personenvervoer van de normen betreffende de voor het internationale vervoer geldende maximumafmetingen (artikel 4, leden 1 en 2);

- de toepassing op het nationale goederen- en personenvervoer van de normen betreffende de maximaal toegestane gewichten van combinaties met vier, vijf en zes assen (artikel 4, leden 1 en 2);

- de verhoging van 40 tot 44 ton van het maximaal toegestane gewicht van combinaties met zes assen die zijn uitgerust met een infrastructuurvriendelijke vering (bijlage I bij het Commissievoorstel, nieuwe punten 2.2.1, onder c), en 2.2.2, onder d)).

2. Voorts bevat het gemeenschappelijk standpunt van de Raad een aantal nieuwe bepalingen die niet voorkomen in het gewijzigde Commissievoorstel, noch in de amendementen van het Europees Parlement; de belangrijkste daarvan zijn:

- in artikel 3, lid 3: de mogelijkheid dat de Lid-Staten kunnen eisen dat geconditioneerde voertuigen voorzien zijn van een ATP-keuringsdocument of -plaat om de isolatiekwaliteit van het voertuig gemakkelijker te kunnen aantonen (zie punt 1, onder a));

- in artikel 4, lid 4, heeft de Raad een aantal wijzigingen aangebracht om duidelijk aan te geven welke afwijkingen mogelijk zijn. Opdat rekening kan worden gehouden met de specifieke situatie in bepaalde regio's of industriesectoren, bepaalt het nieuwe lid 4 dat een Lid-Staat de voor goederenvervoer op zijn grondgebied gebruikte voertuigen met van de richtlijn afwijkende afmetingen kan toestaan deel te nemen aan het verkeer, wanneer het vervoer in kwestie niet van noemenswaardige invloed is op de internationale concurrentie in de transportsector.

Artikel 4, lid 4, geeft een sluitende definitie van vervoer dat wordt geacht niet van noemenswaardige invloed op de internationale concurrentie te zijn (mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan) en bepaalt dat de Lid-Staten de Commissie in kennis moeten stellen van de maatregelen die zij uit hoofde van lid 4 hebben getroffen.

In artikel 4, lid 4, onder a), wordt gepreciseerd dat het gaat om vervoer met speciale voertuigen of voertuigcombinaties.

In artikel 4, lid 4, onder b), staat dat het gaat om vervoer, op het grondgebied van een Lid-Staat, met in dat land ingeschreven voertuigen waarvan de maximumafmetingen afwijken van die van de richtlijn, op voorwaarde dat de betrokken Lid-Staat toestaat dat voertuigen uit alle Lid-Staten op zijn grondgebied aan het verkeer kunnen deelnemen in combinaties van standaardmotorvoertuigen, -aanhangwagens en/of -opleggers, zodat alle vervoerders dezelfde concurrentiemogelijkheden hebben (het module-concept).

's Raads gemeenschappelijk standpunt behelst tevens de mogelijkheid dat tijdelijk kan worden afgeweken van het voorschrift van artikel 4, lid 4, onder b). Tijdens een overgangstermijn, die op 31 december 2003 afloopt, kan namelijk een Lid-Staat die eerst zijn wegeninfrastructuur zou moeten aanpassen om het onder b) bedoelde vervoer op zijn grondgebied te kunnen toestaan, verbieden dat in het nationale goederenvervoer op zijn grondgebied aan het verkeer wordt deelgenomen door voertuigcombinaties waarvan de afmetingen de in de betrokken Lid-Staat voorgeschreven limieten overschrijden;

- in artikel 4, lid 6, heeft de Raad bepaald dat de geldigheidsduur van de afwijking zoals opgenomen in het Commissievoorstel, kan worden verlengd, zodat voor bestaande voertuigen een redelijke afschrijvingstermijn kan worden gegarandeerd. Zo kunnen de Lid-Staten tot en met 31 december 2006 toestaan dat voertuigen met grotere afmetingen dan de in het gemeenschappelijk standpunt vastgestelde nieuwe limieten op hun grondgebied aan het verkeer deelnemen;

- in artikel 9 heeft de Raad voorzien in een tijdelijke afwijking van de maximumbreedte voor bussen in het nationale vervoer (zie punt 1, onder a);

- in artikel 11 heeft de Raad bepaald dat de Lid-Staten de richtlijn één jaar na de datum van inwerkingtreding moeten toepassen.

IV. AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT

1. Door de Raad overgenomen amendementen van het Europees Parlement

a) Opgenomen door de Commissie

De Raad heeft zich in zoverre aan het Commissievoorstel gehouden, dat hij de volgende amendementen van het Europees Parlement zo niet redactioneel dan toch qua teneur heeft overgenomen:

- in de vijfde overweging: amendement nr. 2 dat ertoe strekt in de richtlijn een nieuwe milieuvriendelijke overweging op te nemen;

- in artikel 4, lid 4: amendement nr. 5 dat ertoe strekt in de zestiende overweging te preciseren dat het op de weg van de Commissie ligt te verbieden dat een Lid-Staat de in artikel 4, lid 4, beoogde afwijkingen toestaat, wanneer de Commissie kan aantonen dat de vervoersector daardoor zou worden verstoord. Het nieuwe lid 4 van het gemeenschapplijk standpunt komt aldus tegemoet aan de wensen van het Europees Parlement, omdat daarin duidelijk wordt aangegeven in welke omstandigheden de Lid-Staten de betrokken afwijkingen kunnen toestaan; in dat geval hoeven zij de Commissie daarvan slechts in kennis te stellen (zie deel III, punt 2);

- in artikel 2, vijfde streepje, in artikel 3, lid 3, en in bijlage I, punt 1.2, onder b): de amendementen nrs. 6 en 9 houdende opneming van de term "gecombineerde voertuigen" in de richtlijn (zie deel III, punt 2);

- in bijlage I, punten 1.1 en 1.8: de amendementen nrs. 8 en 11 betreffende de vergroting van de maximumlengte en de maximumafstand voor samenstellen (zie deel III, punt 2).

b) Niet opgenomen door de Commissie

Zoals vermeld in deel III, punt 1, onder b), heeft de Raad de amendementen nrs. 12 en 13 van het Europees Parlement overgenomen; in het gemeenschappelijk standpunt wordt het maximaal toegestane gewicht van combinaties met zes assen namelijk niet verhoogd van 40 tot 44 ton wanneer zij uitgerust zijn met een infrastructuurvriendelijke vering.

2. Amendementen van het Europees Parlement die de Raad niet heeft overgenomen en de Commissie niet heeft opgenomen

De Raad heeft de titel van het gemeenschappelijk standpunt gewijzigd om rekening te houden met het nieuwe toepassingsgebied; hij heeft amendement nr. 1 niet aanvaard, omdat men - aangezien het gemeenschappelijk standpunt gebaseerd is op artikel 75 van het EG-Verdrag - moet spreken van de"Gemeenschap" en niet van de "Unie".

De Raad heeft amendement nr. 3 niet overgenomen; dit amendement strekte ertoe in de vijfde overweging een bijzondere verwijzing op te nemen naar de bevordering van het gecombineerde vervoer en het zoveel mogelijk vermijden van ritten met lege voertuigen; de Raad achtte die verwijzing overbodig.

De Raad heeft evenmin amendement nr. 4 overgenomen waarbij werd beoogd om in de achtste overweging rekening te houden met het gewicht van combinaties met vier, vijf of zes en meer assen, alsmede met het gewicht van motorvoertuigen met twee, drie en meer assen; het gemeenschappelijk standpunt beoogt namelijk geen uitbreiding van de voorschriften inzake maximaal toegestane gewichten tot het nationale vervoer. Indien daarin wel was voorzien, had men in het gemeenschappelijk standpunt niet alleen een overweging, maar ook een overeenkomstig artikel moeten opnemen.

De Raad heeft amendement nr. 7 niet overgenomen, omdat hij het niet noodzakelijk achtte om in de definitie van "bus" in artikel 2, zesde streepje, het begrip "aanhangwagen" nader te preciseren.

Ten slotte heeft de Raad amendement nr. 10 niet overgenomen, waarbij werd beoogd om in bijlage I, punt 1.4, afneembare laadvoorzieningen zoals containers, wisselbakken en gestandaardiseerde laadstructuren op te nemen. De Raad was namelijk van oordeel dat de huidige redactie van dit punt tegemoetkomt aan de wensen van het Europees Parlement, omdat "containers" bij wijze van niet-limitatief voorbeeld worden genoemd.

(1) PB nr. C 38 van 8. 2. 1994, blz. 3.

(2) PB nr. C 341 van 5. 12. 1994, blz. 39.

(3) PB nr. C 295 van 22. 10. 1994, blz. 72.

(4) PB nr. C 176 van 11. 7. 1995, blz. 2.

(5) PB nr. L 2 van 3. 1. 1985, blz. 14. Richtlijn laatstelijk (voor de zevende maal) gewijzigd bij Richtlijn 92/7/EEG (PB nr. L 57 van 2. 3. 1992, blz. 29).

(6) PB nr. L 221 van 7. 8. 1986, blz. 48.

Top