Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 42006X1227(08)R(01)

Rectificatie van Reglement nr. 124 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van wielen voor personenauto's en hun aanhangwagens ( PB L 375 van 27.12.2006 )

OJ L 70, 9.3.2007, p. 413–438 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2006/124(2)/corrigendum/2007-03-09/oj

9.3.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 70/413


Rectificatie van Reglement nr. 124 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van wielen voor personenauto's en hun aanhangwagens

( Publicatieblad van de Europese Unie L 375 van 27 december 2006 )

Reglement nr. 124 komt als volgt te luiden:

Reglement nr. 124 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme voorschriften voor de goedkeuring van wielen voor personenauto's en hun aanhangwagens

1.   TOEPASSINGSGEBIED

Dit reglement is van toepassing op nieuwe vervangingswielen voor voertuigen van de categorieën M1, M1G, O1 and O2  (1)

Het is niet van toepassing op originele wielen of vervangingswielen van de voertuigfabrikant, zoals gedefinieerd in de punten 2.3 en 2.4.1. Het reglement is evenmin van toepassing op „speciale wielen”, zoals gedefinieerd in punt 2.5; deze blijven onderworpen aan de nationale regelgeving.

Dit reglement bevat voorschriften voor de productie en installatie van wielen.

2.   DEFINITIES

In dit reglement wordt verstaan onder:

„wiel”: een roterend dragend onderdeel tussen de band en de as. Het bestaat gewoonlijk uit twee hoofddelen:

a)

de velg,

b)

de wielschotel.

Velg en wielschotel kunnen een geheel vormen, permanent aan elkaar zijn vastgemaakt of demonteerbaar zijn.

2.1.1.   „schijfwiel”: een permanente combinatie van een velg en een wielschotel;

2.1.2.   „wiel met demonteerbare velg”: een wiel dat zodanig is gebouwd dat de demonteerbare velg op de wielschotel is vastgeklemd;

2.1.3.   „velg”: het deel van het wiel waarop de band is gemonteerd en dat de band draagt;

2.1.4.   „wielschotel”: het deel van het wiel dat de verbinding vormt tussen de as en de velg;

„wieltype”: wielen die onderling niet van elkaar verschillen op essentiële punten als:

2.2.1.   de fabrikant;

2.2.2.   de aanduiding van de wiel- of velgmaat (overeenkomstig ISO 3911:1998);

2.2.3.   de materialen waaruit het wiel is gefabriceerd;

2.2.4.   de bevestigingsgaten van het wiel;

2.2.5.   het maximumdraagvermogen;

2.2.6.   de aanbevolen maximumspanning;

2.2.7.   de productiemethode (gelast, gesmeed, gegoten enz.);

2.3.   „originele wielen”: wielen die de voertuigfabrikant tijdens de productie van het voertuig op het voertuigmodel mag monteren;

„vervangingswielen”: wielen die tijdens de levensduur van het voertuig worden gemonteerd ter vervanging van de originele wielen. Vervangingswielen behoren tot een van de volgende categorieën:

2.4.1.   „vervangingswielen van de voertuigfabrikant”: wielen die door de voertuigfabrikant worden geleverd;

2.4.2.   „identieke vervangingswielen”: wielen die met dezelfde fabricageapparatuur en met hetzelfde materiaal worden vervaardigd als de vervangingswielen van de voertuigfabrikant. Het enige verschil met de vervangingswielen van de voertuigfabrikant is dat er op identieke vervangingswielen geen handelsmerk en onderdeelnummer van de voertuigfabrikant is aangebracht;

2.4.3.   „replica vervangingswielen”: replica's van de vervangingswielen van de voertuigfabrikant, gefabriceerd door een fabrikant die het gespecificeerde wiel niet aan de voertuigfabrikant levert. Het ontwerp (basisvorm, afmetingen, inpersdiepte, type en kwaliteit van het materiaal enz.) en de levensduur van deze wielen stemmen volledig overeen met die van de vervangingswielen van de voertuigfabrikant;

2.4.4.   „op soortgelijke wijze gebouwde vervangingswielen”: wielen die gefabriceerd zijn door een fabrikant die het gespecificeerde wiel niet aan de voertuigfabrikant levert. Het ontwerp, de inpersdiepte, de velgaanduiding, de steek van de wielbevestiging en de diameter van de bevestigingsgaten zijn identiek aan die van een origineel wiel, maar de wielvorm, het materiaal enz. kunnen verschillen;

2.5.   „speciale wielen”: wielen die geen originele wielen zijn en niet aan de kenmerken van de in punt 2.4 beschreven wielen beantwoorden (bv. wielen met een verschillende velgbreedte of –diameter).

2.6.   „inpersdiepte”: de afstand tussen het bevestigingsoppervlak van de wielschotel en de middellijn van de velg (deze afstand kan positief zijn, zoals op figuur 1, maar ook nul of negatief);

2.7.   „dynamische straal”: de dynamische straal (onder belasting), d.w.z. de theoretische rolomtrek van de grootste band die op het wiel kan worden gebruikt, zoals aangegeven door de wielfabrikant, gedeeld door 2Π;

2.8.   „internationale normen voor banden en velgen”: documenten met normen voor wielen, gepubliceerd door de volgende organisaties:

a)

The International Organization for Standardization (ISO) (2);

b)

The European Tyre and Rim Technical Organization (ETRTO) (3)„Standards Manual”;

c)

The European Tyre and Rim Technical Organization (ETRTO) (3): „Engineering Design Information – verouderde gegevens”;

d)

The Tyre and Rim Association Inc. (TRA) (4): „Year Book”;

e)

The Japan Automobile Tyre Manufacturers Association (JATMA) (5) „Year Book”;

f)

The Tyre and Rim Association of Australia (TRAA) (6): „Standard Manual”;

g)

The Associação Latino Americana de Pneus e Aros (ALAPA) (7): „Manual de Normal Technicas”;

h)

The Scandinavian Tyre and Rim Organisation (STRO) (8): „Data Book”;

Figuur 1

Image

2.9.   „technische breuk”: een materiaalbreuk van meer dan 1 mm die zich tijdens een dynamische test voordoet (met gebreken ten gevolge van het productieproces wordt geen rekening gehouden);

2.10.   „binnencontour van het wiel”: de lijn die het profiel van de binnenzijde van het wiel weergeeft (zie bijlage 10, figuur 1);

2.11.   „aanduiding van de bandenmaat”: aanduiding van de nominale sectiebreedte, de nominale hoogte-breedteverhouding en het conventionele getal dat de nominale velgdiameter aangeeft (deze termen zijn nader gedefinieerd in Reglement nr. 30).

3.   GOEDKEURINGSAANVRAAG

De aanvraag om goedkeuring van een wieltype wordt door de fabrikant of door zijn gemachtigde vertegenwoordiger ingediend en gaat vergezeld van:

3.1.1.   tekeningen (in drievoud) die voldoende gedetailleerd zijn om het type te kunnen identificeren. Op deze tekeningen moet ook de plaats zijn aangegeven die bestemd is voor het goedkeuringsmerk en voor de wielmarkeringen;

een technische beschrijving waarin minstens de volgende punten zijn opgenomen:

3.1.2.1.   de categorie vervangingswielen – zie de punten 2.4.2, 2.4.3 en 2.4.4;

3.1.2.2.   de aanduiding van de velgvorm, de inpersdiepte en bijzonderheden van de wielbevestiging;

3.1.2.3.   het aanhaalkoppel van bouten en moeren;

3.1.2.4.   de bevestigingsmethode van de balansgewichten;

3.1.2.5.   de nodige toebehoren (aanvullende montageonderdelen);

3.1.2.6.   de verwijzing naar internationale normen;

3.1.2.7.   geschikt voor binnenbandloze banden;

3.1.2.8.   de passende ventieltypen;

3.1.2.9.   de maximale draagkracht;

3.1.2.10.   de maximumspanning;

3.1.2.11.   bijzonderheden van de materialen, inclusief chemische samenstelling (zie bijlage 4);

3.1.2.12.   aanduiding van de maat van de door de voertuigfabrikant voorgeschreven originele banden;

3.1.3.   documentatie overeenkomstig punt 1 van bijlage 10 bij dit reglement:

voertuigkenmerken (bijlage 10, punt 1.2);

aanvullende kenmerken (bijlage 10, punt 1.3);

montage-instructies (bijlage 10, punt 1.4);

en

aanvullende eisen (bijlage 10, punt 2);

3.1.4.   monsters van wielen die representatief zijn voor het wieltype dat nodig is voor de uitvoering van de laboratoriumtests of de testverslagen van de typegoedkeuringsinstantie.

3.2.   Wanneer goedkeuring van een identiek wiel wordt aangevraagd, moet de aanvrager ten overstaan van de typegoedkeuringsinstantie aantonen dat het inderdaad om een „identiek vervangingswiel” gaat, zoals gedefinieerd in punt 2.4.2.

4.   GOEDKEURING

4.1.   Als het wiel dat overeenkomstig punt 3 ter goedkeuring wordt ingediend, aan de voorschriften van dit reglement voldoet, wordt voor dit type wiel goedkeuring verleend.

4.2.   Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringsnummer toegekend. De eerste twee cijfers geven de wijzigingenreeks aan (momenteel 00 voor het reglement in de originele versie) met de recentste belangrijke technische wijzigingen die in het reglement zijn opgenomen op het ogenblik dat de goedkeuring wordt verleend. Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag hetzelfde nummer niet aan een ander wieltype toekennen.

4.3.   Van de goedkeuring of de uitbreiding of weigering van de goedkeuring van een wieltype krachtens dit reglement wordt aan de partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, mededeling gedaan door middel van een formulier volgens het model in bijlage 1 bij dit reglement.

Op elk wiel dat overeenstemt met een type waarvoor krachtens dit reglement goedkeuring is verleend, wordt, behalve de in punt 5 voorgeschreven markeringen, ook een duidelijk leesbaar en onuitwisbaar internationaal goedkeuringsmerk aangebracht. Dit merk bestaat uit:

4.4.1.   een cirkel met daarin de letter „E”, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend (zie bijlage 2); (9)

4.4.2.   het nummer van dit reglement, gevolgd door de letter „R”, een streepje en het goedkeuringsnummer overeenkomstig punt 4.2.

4.5.   Het goedkeuringsmerk moet permanent zijn aangebracht en zichtbaar en duidelijk leesbaar zijn wanneer de band op het wiel is gemonteerd.

4.6.   In bijlage 2 bij dit reglement wordt een voorbeeld gegeven van de opstelling van het goedkeuringsmerk.

4.7.   De infrastructuur van de wielfabrikant mag worden gebruikt voor de tests voorzover de typegoedkeuringsinstantie of een aangewezen vertegenwoordiger de tests bijwoont.

5.   WIELMARKERINGEN

Onderstaande markeringen worden permanent en leesbaar op het wiel aangebracht, op een plaats die door de fabrikant mag worden gekozen maar die zichtbaar is wanneer de band op het wiel is gemonteerd:

5.1.1.   de handelsnaam of het handelsmerk;

de aanduiding van de wiel- of velgvorm;

5.1.2.1.   deze omtrekit wordt uitgedrukt overeenkomstig de voorschriften van een internationale norm voor banden en velgen en omvat minstens:

de aanduiding van de velgmaat, bestaande uit:

de nominale velgdiameter,

het symbool „x” voor eendelige velgen,

het symbool „–” voor meerdelige velgen,

de letter „A” voor velgen met asymmetrisch velgbed (facultatief),

de letter „S” voor velgen met symmetrisch velgbed (facultatief);

5.1.3.   de inpersdiepte;

5.1.4.   de fabricagedatum (minstens de maand en het jaar);

5.1.5.   het onderdeelnummer van het wiel/de velg.

5.2.   In bijlage 3 bij dit reglement wordt een voorbeeld gegeven van de opstelling van de wielmarkeringen.

6.   ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

6.1.   De velgvorm stemt overeen met de door de wielfabrikant gespecificeerde internationale norm.

De velgvorm garandeert dat de banden en ventielen correct worden gemonteerd.

6.2.1.   Wielen voor binnenbandloze banden zijn zodanig ontworpen dat spanningsverlies wordt voorkomen.

6.3.   De materialen voor de fabricage van het wiel worden geanalyseerd overeenkomstig bijlage 4.

6.4.   De tests van punt 6.5 of de controles van de montage op het voertuig, zoals vastgesteld in punt 2 van bijlage 10 bij dit reglement, hoeven niet te worden uitgevoerd voor identieke vervangingswielen zoals gedefinieerd in punt 2.4.2.

Replica vervangingswielen en op soortgelijke wijze gebouwde vervangingswielen worden aan de volgende tests onderworpen:

6.5.1.   stalen wielen

6.5.1.1.   schijfwielen

a)

roterende buigtest, zoals beschreven in bijlage 6;

b)

roltest, zoals beschreven in bijlage 7;

6.5.2.   wielen uit een aluminiumlegering

6.5.2.1.   eendelige wielen

a)

corrosietest, zoals beschreven in bijlage 5. Als op de productielijn steeds hetzelfde proces wordt toegepast, hoeft slechts één representatieve test te worden uitgevoerd;

b)

roterende buigtest, zoals beschreven in bijlage 6;

c)

roltest, zoals beschreven in bijlage 7;

d)

botstest, zoals beschreven in bijlage 8;

6.5.2.2.   wielen met demonteerbare velgen

a)

corrosietest, zoals beschreven in bijlage 5;

b)

roterende buigtest, zoals beschreven in bijlage 6;

c)

roltest, zoals beschreven in bijlage 7;

d)

botstest, zoals beschreven in bijlage 8;

e)

alternerende torsietest, zoals beschreven in bijlage 9;

6.5.3.   wielen uit een magnesiumlegering

6.5.3.1.   eendelige wielen

a)

corrosietest, zoals beschreven in bijlage 5;

b)

roterende buigtest, zoals beschreven in bijlage 6;

c)

roltest, zoals beschreven in bijlage 7;

d)

botstest, zoals beschreven in bijlage 8;

6.5.3.2.   wielen met demonteerbare velgen

a)

corrosietest, zoals beschreven in bijlage 5;

b)

roterende buigtest, zoals beschreven in bijlage 6;

c)

roltest, zoals beschreven in bijlage 7;

d)

botstest, zoals beschreven in bijlage 8;

e)

alternerende torsietest, zoals beschreven in bijlage 9.

6.6.   Wanneer een wielenfabrikant typegoedkeuring aanvraagt voor een assortiment wielen, wordt het niet nodig geacht alle tests op elk type wiel van dat assortiment uit te voeren. De typegoedkeuringsinstantie of de aangewezen technische dienst mag bij het testen uitgaan van het slechtste geval (zie bijlage 6, punt 4, van dit reglement).

Op soortgelijke wijze gebouwde vervangingswielen voldoen aan de volgende eisenom een correcte montage op het voertuig te garanderen:

6.7.1.   de nominale velgdiameter, de nominale velgbreedte en de nominale inpersdiepte van ECE-goedgekeurde wielen zijn hetzelfde als bij het vervangingswiel van de fabrikant;

6.7.2.   de wielen zijn geschikt voor banden van de maat die door de voertuigfabrikant voor het desbetreffende model is gespecificeerd;

6.7.3.   de controles en documenten met betrekking tot de montage van het wiel op het voertuig zijn beschreven in bijlage 10.

7.   WIJZIGINGEN EN UITBREIDING VAN DE GOEDKEURING VAN WIELEN

Elke wijziging van het wieltype wordt meegedeeld aan de goedkeuringsinstantie die voor dat wieltype typegoedkeuring heeft verleend. Deze instantie kan dan:

7.1.1.   oordelen dat de wijzigingen waarschijnlijk geen noemenswaardige nadelige effecten zullen hebben en dat het wieltype in ieder geval nog steeds aan de voorschriften voldoet;

7.1.2.   of een aanvullende test vragen.

7.2.   De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, worden volgens de procedure van punt 4.3 in kennis gesteld van de bevestiging of weigering van de goedkeuring, met vermelding van de wijzigingen.

7.3.   De bevoegde instantie die de goedkeuring uitbreidt, kent een volgnummer toe aan elk mededelingenformulier dat voor een dergelijke uitbreiding wordt opgesteld.

8.   OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE

8.1.   Voor de controle van de overeenstemming van de productie gelden de procedures van aanhangsel 2 van de overeenkomst (E/ECE/324-E/ECE/TRANS/505/Rev.2).

8.2.   De instantie die de typegoedkeuring heeft verleend, kan op elk tijdstip de in elke productie-eenheid toegepaste methoden voor de controle van de overeenstemming verifiëren. Deze verificaties vinden gewoonlijk om de twee jaar plaats.

9.   SANCTIES BIJ NIET-OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE

9.1.   De krachtens dit reglement verleende goedkeuring voor een wieltype kan worden ingetrokken indien niet aan bovengenoemde voorschriften is voldaan of indien een wiel met het goedkeuringsmerk niet met het goedgekeurde type overeenstemt.

9.2.   Indien een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast een eerder verleende goedkeuring intrekt, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen daarvan onmiddellijk in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1 bij dit reglement.

10.   DEFINITIEVE STOPZETTING VAN DE PRODUCTIE

Indien de houder van de goedkeuring de productie van een krachtens dit reglement goedgekeurd wiel definitief stopzet, stelt hij de instantie die de goedkeuring heeft verleend daarvan in kennis. Zodra deze instantie de kennisgeving heeft ontvangen, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen daarvan in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1 bij dit reglement.

11.   NAAM EN ADRES VAN DE VOOR DE UITVOERING VAN DE GOEDKEURINGSTESTS VERANTWOORDELIJKE TECHNISCHE DIENSTEN EN VAN DE ADMINISTRATIEVE INSTANTIES

De partijen bij de Overeenkomst die dit reglement toepassen, delen het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres mee van de technische diensten die voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijk zijn en van de administratieve instanties die de goedkeuring verlenen en waaraan de in andere landen afgegeven formulieren waarmee een goedkeuring wordt verleend, uitgebreid, geweigerd of ingetrokken of waarmee mededeling wordt gedaan van de definitieve stopzetting van de productie, moeten worden toegezonden.

BIJLAGE 1

Image

BIJLAGE 2

OPSTELLING VAN HET GOEDKEURINGSMERK

Image

Het wiel met bovenstaand goedkeuringsmerk is goedgekeurd in Italië (E3) met goedkeuringsnummer 001148.

De eerste twee cijfers van het goedkeuringsnummer geven aan dat de goedkeuring is verleend volgens de voorschriften van Reglement nr. XY in zijn oorspronkelijke versie.

Het goedkeuringsmerk, het reglementnummer en het goedkeuringsnummer mogen op een zekere afstand van elkaar worden aangebracht, maar de volgorde moet worden gerespecteerd.

BIJLAGE 3

OPSTELLING VAN DE WIELMARKERINGEN

Een voorbeeld van markeringen die overeenkomstig dit reglement op een wiel kunnen worden aangebracht:

ABCDE

5

Formula

J x 14 FH

36

01 99

ab123

Deze markering hoort bij een wiel met de volgende kenmerken:

gefabriceerd door ABCDE

velgvorm (5 Formula J)

eendelig (x)

nominale velgdiameter (14)

asymmetrisch velgbed (geen merkteken)

montagegoten met aan één zijde een vlakke hump (Flat Hump, FH) - facultatieve markering

inpersdiepte van 36 mm

gefabriceerd in januari 1999 (0199)

onderdeelnummer van de fabrikant (ab123)

De velgaanduiding bestaat, in volgorde, uit: de aanduiding van de velgvorm, de constructie, de code van de nominale velgdiameter, de plaats van het velgbed en de configuratie van de montagegoten, zoals in het voorbeeld 5 Formula J x 14 FH. De volgorde van de eerste drie elementen mag worden omgekeerd, zoals in het voorbeeld 14 x 5 Formula J FH.

De markering van de inpersdiepte, de fabricagedatum en de naam van de fabrikant mogen op een zekere afstand van de velgaanduiding worden aangebracht.

BIJLAGE 4

MATERIAALTEST

De onderstaande metaalkundige tests worden uitgevoerd en beschreven in een rapport:

Materiaal

Tests

Aluminiumlegering

a, c, e

Magnesiumlegering

a, c, e

Staal

a, b, d

(a)

Chemische analyse van de grondstoffen.

(b)

Controle van de materialen op de onderstaande mechanische kenmerken (R p0,2, R m, en A):

procentuele rek na breuk (A): de permanente rek van het rekstrookje na breuk (Lu – Lo), uitgedrukt als een percentage van de originele lengte (Lo).

Waarbij:

originele lengte van het rekstrookje (Lo )

:

lengte van het rekstrookje vooraleer de kracht werd uitgeoefend.

uiteindelijke lengte van het rekstrookje (Lu)

:

lengte van het rekstrookje na breuk van het teststuk.

beproevingssterkte, niet-proportionele rek (R p): belasting waarbij een niet-proportionele rek gelijk is aan een specifiek percentage van de lengte van het rekstrookje van de extensometer (L e). Het symbool wordt gevolgd door een suffix dat het voorgeschreven percentage van de lengte van het rekstrookje van de extensometer aangeeft, bijvoorbeeld: Rp0,2.

treksterkte (R m): belasting die overeenstemt met de maximumkracht (F m).

(c)

Controle van de mechanische kenmerken (R p0,2, R m en A) van teststukken die afkomstig zijn uit het gedeelte waarmee het wiel op de naaf wordt gemonteerd, uit de zone die de overgang tussen schotel en velg vormt of, voorzover van toepassing, uit de zone die de tests niet heeft doorstaan.

(d)

Analyse van de metaalkundige defecten en van de grondstofstructuur.

(e)

Analyse van de metaalkundige defecten en van de structuur van teststukken die afkomstig zijn uit het gedeelte waarmee het wiel op de naaf wordt gemonteerd, uit de zone die de overgang tussen schotel en velg vormt of, voorzover van toepassing, uit de zone die de tests niet heeft doorstaan.

BIJLAGE 5

CORROSIETEST

Overeenkomstig ISO 9227 wordt gedurende 384 uren een pekeltest uitgevoerd.

1.1.   Voorbereiding van het monster

Een oppervlaktebehandeld productiewiel wordt beschadigd door kruiselingse inkerving en door blootstelling aan steenslag (ISO 565) om de schade tijdens het normale gebruik van het voertuig te simuleren (de schade wordt toegebracht aan de velgrand en aan de binnenkant van het wiel).

1.2.   Uitvoering van de test

Het oppervlaktebehandeld monster wordt aan een pekeltest onderworpen waarbij het monster en alle onderdelen waarmee het normaal in contact komt, rechtop in de pekeltestapparatuur worden geplaatst. Om de 48 uur wordt het wiel 90° gedraaid.

1.3.   Beoordeling

Individuele corrosiebeïnvloedende factoren moeten worden beoordeeld (deksels, schroeven, zinken of cadmium bussen, gelegeerde isolatiedeksels enz.).

Bij de testdocumentatie wordenfoto's gevoegd van de belangrijkste corrosiepunten; deze punten zijnmechanisch gewassen zodat de materiaaldefecten zichtbaar zijn.

Na een testduur van 192 uur mag zich geen significante corrosie voordoen. Na 384 uur mogen de werking van het wiel, de montageonderdelen en de montagegoten voor de hielen van de banden niet door corrosie zijn aangetast. Dit wordt bevestigd aan de hand van een roterende buigtest overeenkomstig bijlage 6 of een roltest overeenkomstig bijlage 7, afhankelijk van de plaats van de corrosie.

BIJLAGE 6

ROTERENDE BUIGTEST

1.   BESCHRIJVING VAN DE TEST

Tijdens de roterende buigtest worden de laterale krachten gesimuleerd die bij het nemen van een bocht op het wiel worden uitgeoefend. Er worden vier wielmonsters getest: twee bij 50 % en twee bij 75 % van de maximale laterale kracht. De wielvelg wordt vastgezet op de testbank en een buigmoment Mb wordt uitgeoefend op het gedeelte waarmee het wiel op de naaf wordt gemonteerd (via een laadarm met flens met dezelfde steekcirkeldiameter als het voertuig waarvoor het wiel is bestemd). Lichtmetalen wielen worden bevestigd met twee halfronde flenzen op de binnenste velgrand.

Wanneer andere bevestigingssystemen worden gebruikt, moet worden aangetoond dat deze gelijkwaardig zijn.

Schroeven of bevestigingsbouten worden aangedraaid tot het door de voertuigfabrikant opgegen draaimoment is bereikt en worden na ongeveer 10 000 omwentelingen aangespannen.

2.   FORMULE VOOR HET BEREKENEN VAN HET BUIGMOMENT

Auto's en alleterreinvoertuigen: MbmaX = S × FV (μ × rdyn + d)

MbmaX

=

maximaal referentiebuigmoment [Nm]

FV

=

maximumdraagvermogen van het wiel [N]

rdyn

=

dynamische straal van de grootste voor het wiel aanbevolen band [m]

d

=

inpersdiepte [m]

μ

=

wrijvingscoëfficiënt

S

=

veiligheidsfactor

3.   De test wordt uitgevoerd bij twee percentages (50 en 75 %) van het maximale moment en op basis van de volgende gegevens:

Wrijvingscoëfficiënt

0,9

Veiligheidsfactor

2,0

Nominale omwentelingen per minuut

Het aantal omwentelingen per minuut mag gelijk zijn aan het maximaal mogelijke aantal omwentelingen, maar buiten de resonantiefrequentie van de testbank.


 

Aluminium/Magnesium

Staal

Voertuigcategorie

M1 en M1G

O1 en O2

M1 en M1G

O1 en O2

Minimumaantal omwentelingen met 75 % MbmaX

2,0 · 105

0,66 · 105

6,0 · 104

2,0 · 104

Minimumaantal omwentelingen met 50 % MbmaX

1,8 · 106

0,69 · 106

6,0 · 105

2,3 · 105

Aanvaardbare resultaten

De verplaatsing van de stang is minder dan 10 % groter dan de verplaatsing die werd gemeten na ongeveer 10 000 omwentelingen.

Technische scheuren zijn niet aanvaardbaar.

Toelaatbare afname van het moment waarmee de wielbevestigings bouten en -moeren aanvankelijk waren aangehaald (10)

Maximaal 30 %

4.   TESTSCHEMA VOOR EEN REEKS WIELTYPEN

Wielen van hetzelfde type (punt 2.2) maar met een verschillende inpersdiepte mogen worden gegroepeerd; in dat geval moet voor de test het hoogste buigmoment worden gebruikt, overeenkomstig het onderstaande testschema. Wielversies met een groter naafgat worden ook in de test opgenomen. Wanneer een wiel de test niet doorstaat, worden aanvullende monsters getest.

Noodzakelijke tests:

Aantal te testen wielen

Roterende buigtest

 

Korte test

Lange test

Minimumsteek

Maximumsteek

in het geval van één steek

1

1

2

1

1

2

Inpersdiepteverschillen tot 2 mm

Van 2 tot 5 mm

> groter dan 5 mm

1

1

1

Tests die moeten worden uitgevoerd wanneer het maximaal toelaatbare draagvermogen van het wiel wordt vergroot.

Als het resulterende testbuigmoment met maximaal 10 % toeneemt

1

1

Korte test

=

roterende buigtest bij 75 % van l Mbmax

(berekend voor het maximale draagvermogen van het wiel)

Lange test

=

roterende buigtest bij 50 % van Mbmax

Wanneer het testmoment met meer dan 10 % wordt verhoogd in vergelijking met de eerste goedkeuring, wordt het volledige programma herhaald.

Image

BIJLAGE 7

ROLTEST

1.   BESCHRIJVING VAN DE TEST

Tijdens de roltest wordt de belasting van het wiel tijdens het rechtdoor rijden gesimuleerd door het testen van een wiel dat draait tegen een rol met een buitendiameter van minstens 1,7 m in het geval van een externe roltest, of een binnendiameter die minstens gelijk is aan de dynamische straal van de band gedeeld door 0,4 in het geval van een interne roltest. Er worden twee wielen getest.

2.   FORMULE VOOR HET BEREKENEN VAN DE TESTBELASTING

Alle voertuigtypen

FP = S × FV

FP

=

testbelasting [N]

FV

=

maximumdraagvermogen van het wiel [N]

S

=

veiligheidsfactor

3.   TESTPROCEDURE EN -VEREISTEN

De tests worden uitgevoerd op basis van de volgende specificaties:

 

M1 en M1G

O1 en O2

Rolrichting

Rechtdoor

Veiligheidsfactor — S

2,5

2,25 (11)

2,0

Banden

Uit de normale (serie)productie; indien mogelijk met de voor het wiel aanbevolen maximale nominale sectiebreedte

Testsnelheid in km/h

De maximumsnelheid die voor de desbetreffende band is toegestaan, zoals aangegeven door de snelheidsindex (gewoonlijk 60-100 km/h)

Equivalente rolafstand

2 000 km

1 000 km (11)

2 000 km

1 000 km (11)

Bandendruk bij aanvang van de test (niet geverifieerd of gecontroleerd tijdens de test)

Normaal gebruik:

roltestdruk

Tot

160 kPa

280 kPa

Meer dan

160 kPa

min. 400 kPa

Aanvaardbare resultaten

Technische breuken en/of luchtverlies zijn niet aanvaardbaar.

Toelaatbare afname van het moment waarmee de wielbevestigingsbouten en -moeren aanvankelijk waren aangehaald (12)

≤ 30 %

Image

BIJLAGE 8

BOTSTEST

1.   BESCHRIJVING VAN DE TEST

Om de sterkte van het wiel te controleren, wordt nagegaan of het na contact met een obstakel breuken aan de randen of op andere kritieke punten vertoont. Om aan te tonen dat het wiel voldoende bestand is tegen breuken, moet een botstest overeenkomstig bijlage 8, aanhangsel 1, worden uitgevoerd.

2.   FORMULE VOOR HET BEREKENEN VAN DE TESTBELASTING

D

=

0,6 × FV / g + 180 [kg]

D

=

gewicht van de vallende massa [kg]

FV

=

maximumdraagvermogen van het wiel [N]

g

=

versnelling ten gevolge van de zwaartekracht (9,81 m/s2)

3.   TESTPROCEDURE EN -VEREISTEN

 

M1 en M1G

Procedure en vereisten

Bijlage 8 — Aanhangsel 1

Bandenspanning

Door de bandenfabrikant aanbevolen bandenspanning, gebaseerd op de belastingsindex en de maximale snelheid van het voertuig, met een minimum van 200 kPa.

Banden

Uit de normale (serie)productie, met de minimale nominale sectiebreedte en de minimale rolomtrek voor de reeks banden die voor het desbetreffende wiel worden aanbevolen.

Aanvaardingscriteria

De test wordt als geslaagd beschouwd wanneer het wieloppervlak geen zichtbare breuken vertoont en er binnen een minuut na voltooiing van de test geen drukverlies is. Breuken en inkepingen ten gevolge van direct contact met het vallende gewicht zijn aanvaardbaar.

Een wiel met demonteerbare velg of andere afneembare delen heeft de test niet doorstaan wanneer de bevestigingen met schroefdraad die zich in de nabijheid van spaken of ventilatiegaten bevinden, de test niet doorstaan.

Aantal te testen monsters

Een voor elke botspositie.

Botsposities

Eén in de buurt van de verbinding tussen spaak en velg en één tussen twee spaken, in de onmiddellijke nabijheid van het ventielgat.

Voorzover mogelijk mag de botsrichting niet samenvallen met de radiaallijn tussen een bevestigingsgat en het midden van het wiel.

4.   TESTSCHEMA VOOR EEN ASSORTIMENT WIELTYPEN

Vereiste tests:

Te testen wielen

Botstest

Minimale steek van de bevestigingsgaten

Maximale steek van de bevestigingsgaten

Een voor elke botspositie

Een voor elke botspositie

BIJLAGE 8

Aanhangsel 1

PERSONENAUTO'S – LICHTMETALEN WIELEN – BOTSTEST

1.   TOEPASSINGSGEBIED

Met de in deze bijlage uiteengezette laboratoriumtest kan worden nagegaan welke kenmerken een gedeeltelijk of volledig lichtmetalen wiel vertoont in geval van een axiale (laterale) botsing tegen een stoeprand. De test is bedoeld voor screening en/of kwaliteitscontrole van wielen voor personenauto's.

2.   TESTAPPARATUUR

2.1.   Nieuwe wielen, volledig afgewerkt, representatief voor wielen die bestemd zijn voor personenauto's, uitgerust met een band.

2.2.   Botstestmachine met een verticale slagarm met een botsoppervlak van minstens 125 mm breed en minstens 375 mm lang, en met scherpe randen die zijn afgerond of afgekant, overeenkomstig figuur 1. De vallende massa D, uitgedrukt in kilogram en met een tolerantie van ± 2 %, wordt als volgt gedefinieerd:

D = 0,6 × FV / g + 180 [kg]

waarbij FV / g gelijk is aan de maximale statische wielbelasting, zoals gespecificeerd door de fabrikant van het wiel en/of het voertuig, uitgedrukt in kilogram.

2.3.   Massa van 1 000 kg.

3.   KALIBRERING

Zorg er met behulp van een kalibreringsadapter voor dat de massa van 1 000 kg (punt 2.3) die verticaal op het middelpunt van de wielbevestiging wordt uitgeoefend, zoals afgebeeld in figuur 2, een doorbuiging van 7,5 mm ± 0,75 mm veroorzaakt, gemeten in het midden van de balk.

4.   TESTPROCEDURE

4.1.   Monteer het testwiel (punt 2.1) en de band zo op de testmachine (punt 2.2) dat de botskracht wordt uitgeoefend op de velgrand van het wiel. Het wiel wordt gemonteerd met zijn as in een hoek van 13° ± 1° ten opzichte van de loodlijn, waarbij het hoogste punt naar de slagarm is gericht.

De op het testwiel gemonteerde band is een binnenbandloze radiaalband met de kleinste nominale sectiebreedte die bestemd is voor gebruik op dat wiel. De spanning wordt door de voertuigfabrikant gespecificeerd; zoniet bedraagt de spanning 200 kPa.

Tijdens de gehele duur van de test ligt de temperatuur van de testomgeving tussen 10 en 30 °C.

4.2.   Monteer het wiel op de naaf met bevestigingen die representatief zijn voor die welke op een voertuig worden gebruikt. Span de bevestigingen manueel aan tot een waarde of op een wijze die door de fabrikant van het voertuig of wiel wordt aanbevolen.

Aangezien het ontwerp van de centrale delen van het wiel kan verschillen, moet de test op een voldoende aantal plaatsen op de omtrek van de wielvelg worden uitgevoerd om te garanderen dat de integriteit van de centrale delen van het wiel wordt beoordeeld. Gebruik telkens nieuwe wielen.

Wanneer de test op een spaak wordt uitgevoerd, moet worden gekozen voor de spaak die zich het dichtst bij een boutgat bevindt.

4.3.   Zorg ervoor dat de slagarm zich boven de band bevindt en 25 mm ± 1 mm over de velgrand reikt. Hef de slagarm tot een hoogte van 230 mm ± 2 mm boven het bovenste deel van de velgrand en laat hem vervolgens vallen.

5.   UITVALCRITERIA

Het wiel heeft de test niet doorstaan als een van de volgende situaties zich voordoet:

a)

zichtbare breuk(en) in een deel van het centrale gedeelte van het wiel;

b)

het centrale gedeelte komt los van de velg;

c)

de band verliest alle spanning binnen 1 minuut.

Het is niet omdat het gedeelte van de velg dat door de slagarm werd geraakt, vervormd is of breuken vertoont, dat het wiel de test niet heeft doorstaan.

Opmerking: de banden en wielen die voor de tests zijn gebruikt, mogen nadien niet op een voertuig worden gebruikt.

Image

Image

Image

BIJLAGE 9

ALTERNERENDE TORSIETEST

1.   BESCHRIJVING VAN DE TEST

Tijdens een alternerende torsietest wordt de torsie gesimuleerd die het wiel ondergaat tijdens het remmen en accelereren. De monsters worden getest bij elk percentage (50 en 75 %) van de berekende maximumtorsie. Op elke wielrand, die vast op de testbank is bevestigd, wordt een alternerende torsiekracht van ± MT uitgeoefend via het bevestigingsoppervlak, d.w.z. via een remschijf of een ander onderdeel.

2.   FORMULE VOOR HET BEREKENEN VAN DE TIJDENS DE TEST UITGEOEFENDE TORSIEKRACHT

MT = S × FV × rdyn

Waarbij:

MT

=

tijdens de test uitgeoefende torsiekracht [Nm]

S

=

veiligheidsfactor

FV

=

maximumdraagvermogen van het wiel [N]

rdyn

=

dynamische straal [m]

De tests worden uitgevoerd op basis van de volgende parameters:

Veiligheidsfactor S

1,0

Minimumaantal omwentelingen met ± 90 % MT

2 × 105

Minimumaantal omwentelingen met ± 45 % MT

2 × 106

Aanvaardingscriteria

Technische breuken zijn niet aanvaardbaar

Toelaatbare afname van het moment waarmee de wielbevestigingsbouten en -moeren aanvankelijk waren aangehaald (13)

30 %

Bijlage 10

CONTROLES EN DOCUMENTATIE BETREFFENDE DE MONTAGE OP HET VOERTUIG

1.   INFORMATIE BETREFFENDE DE TOEPASSING EN MONTAGE

De hierna vermelde informatie wordt ter beschikking gesteld van de typegoedkeuringsinstantie en wordt ook samen met het wiel aan de consument geleverd.

1.1.   Kenmerken van het wiel

ECE-goedkeuringsnummer, type en variant van het wiel, internationale velgaanduiding (bv. 15 H2 x 5 1/2 J) en inpersdiepte.

1.2.   Kenmerken van het voertuig

Fabrikant van het voertuig, modelbenaming en beschrijving van het voertuig, vermogen van het voertuig en VIN-nummer, met minstens de WMI, VDS en het eerste cijfer van de VIS (modeljaar) (zie ISO 3779-1983).

1.3.   Aanvullende kenmerken: bijzondere voorschriften, speciale montagestukken enz. die gespecificeerd zijn voor het gebruik van vervangingswielen van de fabrikant of specifieke voorschriften voor wielen met ECE-goedkeuring.

1.4.   Montage-instructies: aanbevelingen en veiligheidsvoorschriften voor de montage van het wiel.

Gebruik van aanvullende of vervangende wielbevestigingsonderdelen, bv. langere wielbouten voor gelegeerde wielen.

Aanhaalmoment voor de bevestiging van het wiel, waarbij de aandacht wordt gevestigd op het belang van dit aspect en de noodzaak om bij voorkeur een gekalibreerde momentsleutel te gebruiken. Instructies betreffende de noodzaak om de wielbevestiging na 50 km aan te spannen. Verwijzingen naar het gebruik en de montage van wieldoppen, voorzover van toepassing.

1.5.   Voorbeeld van de mogelijke structuur van de tabel met informatie betreffende de toepassing en montage.

Wielkenmerken (verplichte velden zijn vet gedrukt)

ECE-goedkeurings nummer

Wieltype

Afmeting

Inpersdiepte

Steek

Bevestigings gaten (14)

XY R-I 0001148

6014

6Jx14H2

38 mm

98 mm

4

Wielvariant

Plaats van de controletap

Wielmarkering

Middenringmarkering

Diameter naafgat

Maximum draagvermo gen van het wiel in N

A

Ja

98-38

120-98

58,1 mm

5 500


Voertuigkenmerken

Voertuig fabrikant

Modelbena-ming van het voertuig

Voertuigtype

Vermogenin kW

Identificatie (VIN)

FIAT

ALFA ROMEO 145/146

ALFA ROMEO 930

66 - 95

WMI

VDS

Jaar

1C9

Y817H3

4


Aanvullende kenmerken

Ref. No.

Kenmerken

1/

Sferische bevestigingsschroeven

2.   AANVULLENDE EISEN

2.1.   Controle van de binnencontouren van het wiel

De binnencontouren van het wiel (zie figuur 1) moeten voldoende ruimte bieden voor de onderdelen van de remmen, ophanging en stuurinrichting.

Wanneer de binnencontouren van het wiel groter zijn dan die van het vervangingswiel van de voertuigfabrikant, hoeft geen controle plaats te vinden.

Wanneer de binnencontouren kleiner zijn dan die van het vervangingswiel van de voertuigfabrikant, wordt gecontroleerd of er voldoende vrije ruimte is voor de werking van de onderdelen van de remmen, ophanging en stuurinrichting, waarbij rekening wordt gehouden met de invloed van wielbalansgewichten

In de regel moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

minimale vrije ruimte voor remonderdelen (in het slechtste geval, bv. met nieuwe remvoeringen): 3 mm (15)

minimale vrije ruimte voor ophangingsonderdelen (bv. de bovenste en onderste ophangingsarmen): 4 mm,

minimale vrije ruimte voor stuurinrichtingsonderdelen (bv. de spoorstang en de fusees): 4 mm, en

minimale vrije ruimte tussen de balansgewichten en de voertuigonderdelen: 2 mm.

De controle kan statisch of dynamisch worden uitgevoerd. Het is aanvaardbaar dat de vrije afstanden op het vervangingswiel van de voertuigfabrikant kleiner zijn dan hierboven aangegeven.

2.2.   Controle van de ventilatiegaten

De remefficiëntie van een goedgekeurd wiel mag niet kleiner zijn dan die van een vervangingswiel van de fabrikant. Er wordt van uitgegaan dat de remmen meer warmte doorgeven aan stalen wielen dan aan lichtmetalen wielen. Wanneer het vervangingswiel van de voertuigfabrikant ontworpen is voor een bepaalde luchtcirculatie van de remmen via de ventilatiegaten van het wiel (bv. door het „windmoleneffect”) en als het oppervlak van de ventilatiegaten van een op soortgelijke wijze gebouwd vervangingswiel kleiner is dan dat van het overeenkomstige vervangingswiel van de voertuigfabrikant, wordt een vergelijkende test uitgevoerd om de remefficiëntie te beoordelen.

Deze test moet beantwoorden aan de voorschriften van Reglement nr. 13, aanhangsel 4, punt 1.5. Type I – Fadingtest. Het criterium is de remtemperatuur. De gemeten maximumtemperatuur (schijven, trommel) van het goed te keuren wiel mag niet hoger zijn dan die van het vervangingswiel van de voertuigfabrikant.

Er moet rekening worden gehouden met de normaal aanwezige wieldoppen.

2.3.   Wielbevestiging

Het gebruik van vervangingswielbevestigingsonderdelen van de voertuigfabrikant wordt aanbevolen. Op soortgelijke wijze gebouwde vervangingswielen kunnen met speciale wielbevestigingsonderdelen worden bevestigd zonder dat aanvullende wijzigingen nodig zijn. Het aantal wielbevestigingen, bijvoorbeeld 4 gaten, 5 gaten enz., mag niet worden gewijzigd. De wielbevestigingen mogen andere onderdelen, zoals remonderdelen, niet hinderen. De schroefdraad van wielmoeren en –bouten is even lang als bij de vervangingswielen en wielbevestigingen van de voertuigfabrikant. Het profiel van de bouten/moeren is aangepast aan het profiel van het bevestigingsgat van het goedgekeurde wiel. Het voor de wielbevestigingsonderdelen gebruikte materiaal is minstens gelijkwaardig aan dat van de wielbevestigingsonderdelen van het vervangingswiel van de voertuigfabrikant.

Indien het wiel samen met toebehoren wordt geleverd, wordthet nodige specifieke gereedschap voor montage en demontage van deze toebehoren meegeleverd.

Indien het wiel samen met verschillende bevestigingsonderdelen wordt geleverd, worden deze in de bij punt 1.2 vereiste informatie toegelicht en wordt het nodige specifieke montagegereedschap meegeleverd.

2.4.   Naar buiten uitstekende delen

Het goedgekeurde wiel mag geen gevaar veroorzaken wanneer het samen met alle nodige toebehoren op het voertuig is gemonteerd. De voorschriften van ECE-Reglement R26 moeten worden nageleefd.

2.5.   Diverse

Het testresultaat bevat de bijzonderheden en resultaten van de uitgevoerde tests. In het testrapport wordt bevestigd dat het geteste wiel aan de eisen voldoet.

Image


(1)  Categorieën M en O zoals gedefinieerd in bijlage 7 bij de Geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3) (document TRANS/WP.29/78/Rev.1/Amend.2).

(2)  De normen voor banden kunnen worden aangevraagd op de volgende adressen:

ISO, 1, rue de Varembé, Case postale 56, CH-1211 Genève 20 – Zwitserland.

(3)  ETRTO, Brugmannlaan 32 - bus 2, B-1060 Brussel, België.

(4)  TRA, 175 Montrose West Avenue, Suite 150, Copley, Ohio, 44321 USA.

(5)  JATMA, NO.33 MORI BLDG. 8th Floor 3-8-21, Toranomon Minato-Ku, Tokio 105-0001, Japan.

(6)  TRAA, Suite 1, Hawthorn House, 795 Glenferrie Road, Hawthorn, Victoria, 3122 Australia.

(7)  ALAPA, Avenida Paulista 244-12° Andar, CEP, 01310 Sao Paulo, SP Brazilië.

(8)  STRO, Älggatan 48 A, Nb, S-216 15 Malmö, Zweden.

(9)  1 voor Duitsland, 2 voor Frankrijk, 3 voor Italië, 4 voor Nederland, 5 voor Zweden, 6 voor België, 7 voor Hongarije, 8 voor Tsjechië, 9 voor Spanje, 10 voor Joegoslavië, 11 voor het Verenigd Koninkrijk, 12 voor Oostenrijk, 13 voor Luxemburg, 14 voor Zwitserland, 15 (niet gebruikt), 16 voor Noorwegen, 17 voor Finland, 18 voor Denemarken, 19 voor Roemenië, 20 voor Polen, 21 voor Portugal, 22 voor de Russische Federatie, 23 voor Griekenland, 24 voor Ierland, 25 voor Kroatië, 26 voor Slovenië, 27 voor Slowakije, 28 voor Belarus, 29 voor Estland, 30 (niet gebruikt), 31 voor Bosnië en Herzegovina, 32 voor Letland, 33 (niet gebruikt), 34 voor Bulgarije, 35 (niet gebruikt), 36 voor Litouwen, 37 voor Turkije, 38 (niet gebruikt), 39 voor Azerbeidzjan, 40 voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, 41 (niet gebruikt), 42 voor de Europese Gemeenschap (goedkeuring wordt verleend door de lidstaten door middel van hun respectieve ECE-symbool), 43 voor Japan, 44 (niet gebruikt), 45 voor Australië, 46 voor Oekraïne, 47 voor Zuid-Afrika, 48 voor Nieuw-Zeeland, 49 voor Cyprus, 50 voor Malta en 51 voor de Republiek Korea. De daaropvolgende nummers zullen worden toegekend aan andere landen in de chronologische volgorde waarin zij de Overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige technische voorschriften die van toepassing zijn op voertuigen op wielen, uitrustingsstukken en onderdelen die in een voertuig op wielen kunnen worden gemonteerd of gebruikt en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van overeenkomstig deze voorschriften verleende goedkeuringen ratificeren of tot deze overeenkomst toetreden. De aldus toegekende nummers zullen door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties aan de overeenkomstsluitende partijen worden meegedeeld.

(10)  Het verlies aan aanhaalmoment moet worden gecontroleerd door de wielbevestigingen opnieuw aan te spannen, niet door te meten welk moment nodig is om de bevestigingen los te maken.

(11)  Voor stalen schijfwielen van personenauto's.

(12)  Het verlies aan aanhaalmoment moet worden gecontroleerd door de wielbevestigingen opnieuw aan te spannen, niet door te meten welk moment nodig is om de bevestigingen los te maken.

(13)  Het verlies aan aanhaalmoment moet worden gecontroleerd door de wielbevestigingen opnieuw aan te spannen, niet door te meten welk moment nodig is om de bevestigingen los te maken.

(14)  Het gebruik van remprofielen en –zadels van de voertuigfabrikant wordt aanbevolen. Aangezien remonderdelen en/of originele remzadels tijdens de productie wijzigingen kunnen ondergaan, is controle tijdens het gebruik nodig.

(15)  Het gebruik van remprofielen en –zadels van de voertuigfabrikant wordt aanbevolen. Aangezien remonderdelen en/of originele remzadels tijdens de productie wijzigingen kunnen ondergaan, is controle tijdens het gebruik nodig.


Top