EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 42006X0224(01)

Gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: De Europese concensus

OJ C 46, 24.2.2006, p. 1–19 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)

24.2.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 46/1


Gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: „De Europese concensus”

(2006/C 46/01)

DE EUROPESE CONSENSUS INZAKE ONTWIKKELING

De uitdaging op het gebied van ontwikkeling

1.

Nooit eerder zijn het uitbannen van armoede en duurzame ontwikkeling zo belangrijk geweest. Het uitbannen van armoede wordt nagestreefd in een steeds meer geglobaliseerde wereld waar alle spelers onderling afhankelijk zijn; die situatie biedt nieuwe mogelijkheden, maar levert tevens nieuwe problemen op.

Het uitbannen van armoede wereldwijd is niet louter een morele plicht, maar zal tevens bijdragen tot een stabielere, vreedzamere, welvarendere en rechtvaardigere wereld, die de onderlinge afhankelijkheid van de rijkere en de armere landen weerspiegelt. In zo'n wereld zouden wij niet toestaan dat er elk uur 1 200 kinderen sterven als gevolg van armoede, of zouden wij niet werkloos toezien hoe één miljard mensen tracht te overleven met minder dan één dollar per dag en hoe HIV/AIDS, tuberculose en malaria meer dan 6 miljoen mensenlevens per jaar eisen. Het ontwikkelingsbeleid staat centraal in de betrekkingen tussen de EU (1) en alle ontwikkelingslanden (2).

2.

Ontwikkelingssamenwerking is een gedeelde bevoegdheid van de Europese Gemeenschap (3) en de lidstaten. Communautair beleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking moet een aanvulling vormen op het beleid van de lidstaten. De ontwikkelingslanden dragen de primaire verantwoordelijkheid voor hun eigen ontwikkeling. Maar ook de ontwikkelde landen zijn verantwoordelijk. De EU — en dit geldt voor zowel de lidstaten als de Gemeenschap — is vastbesloten haar verantwoordelijkheden na te komen. Dankzij onderlinge samenwerking is de EU een belangrijke drijvende kracht achter positieve verandering. De EU is goed voor ruim de helft van de hulpverlening wereldwijd, en heeft toegezegd deze hulp, alsmede de kwaliteit en de doeltreffendheid ervan, te zullen verhogen. De EU is tevens de belangrijkste economische en handelspartner voor de ontwikkelingslanden, en biedt de ontwikkelingslanden, voornamelijk de MOL's, specifieke handelsvoordelen.

3.

De lidstaten en de Gemeenschap zijn in gelijke mate gecommitteerd aan de grondbeginselen, de fundamentele waarden en de op multilateraal niveau overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen. Onze inspanningen op het gebied van coördinatie en harmonisatie moeten bijdragen tot een doeltreffender hulpverlening. Daartoe, en voortbouwend op de vooruitgang die de afgelopen jaren is geboekt, voorziet „de Europese consensus inzake ontwikkeling” voor het eerst in een gemeenschappelijke visie die richting geeft aan het optreden van de EU, zowel op het niveau van de lidstaten als op het niveau van de Gemeenschap, op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Deze gemeenschappelijke visie wordt uiteengezet in het eerste deel van de verklaring; het tweede deel gaat nader in op het ontwikkelingsbeleid van de Europese Gemeenschap waarmee deze visie op communautair niveau moet worden uitgevoerd, en stelt prioriteiten voor concrete maatregelen op communautair niveau.

4.

De Europese consensus inzake ontwikkeling is gezamenlijk overeengekomen door de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, de Europese Commissie en het Europees Parlement.

DEEL I: DE EU-VISIE OP ONTWIKKELING

In het eerste deel van de Europese consensus inzake ontwikkeling worden gemeenschappelijke doelstellingen en beginselen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking uiteengezet. In dit deel wordt andermaal verklaard dat de EU hecht aan armoedebestrijding, eigen verantwoordelijkheid, partnerschap, bredere en betere hulpverlening en een grotere samenhang van het ontwikkelingsbeleid. Het eerste deel zal richting geven aan de activiteiten van de Gemeenschap en de lidstaten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking in alle ontwikkelingslanden (4), in een geest van complementariteit.

1.   Gemeenschappelijke doelstellingen

5.

De primaire en overkoepelende doelstelling van de ontwikkelingssamenwerking van de EU is het uitbannen van armoede in het kader van duurzame ontwikkeling, met inbegrip van de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDG's).

6.

De acht MDG's zijn: het uitbannen van extreme armoede en honger; het bewerkstelligen van basisonderwijs wereldwijd; het bevorderen van gendergelijkheid; het verlagen van de kindersterfte; het verbeteren van de gezondheid van moeders; het bestrijden van HIV/AIDS, malaria en andere ziekten; het waarborgen van milieuduurzaamheid en het ontwikkelen van een wereldwijd partnerschap voor ontwikkeling.

7.

Wij bevestigen dat ontwikkeling een belangrijk doel op zich is; en dat duurzame ontwikkeling onder andere behoorlijk bestuur, mensenrechten en politieke, economische, sociale en ecologische aspecten omvat.

8.

De EU is vastbesloten steun te verlenen aan de verwezenlijking van deze doelstellingen en de andere op belangrijke VN-conferenties en -toppen overeengekomen ontwikkelingsdoelstellingen (5).

9.

Wij bevestigen dat wij hechten aan het bevorderen van de samenhang van het ontwikkelingsbeleid; daarbij is het van cruciaal belang dat de EU op alle beleidsgebieden die van invloed kunnen zijn op de ontwikkelingslanden, rekening houdt met de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking, en dat deze beleidsgebieden de ontwikkelingsdoelstellingen ondersteunen.

10.

Ontwikkelingshulp zal ten goede blijven komen aan arme mensen in alle ontwikkelingslanden, waaronder lage-inkomenslanden en midden-inkomenslanden (MIC's). De EU zal voorrang blijven verlenen aan de ondersteuning van de minst ontwikkelde landen en andere lage-inkomenslanden (LIC's) met het oog op een evenwichtiger ontwikkeling wereldwijd, maar erkent dat het zinvol is de steun van de afzonderlijke lidstaten te concentreren op sectoren en regio's waar deze comparatieve voordelen oplevert en het meest kan bijdragen tot armoedebestrijding.

2.   Armoedebestrijding in al haar aspecten

11.

Overal waar zowel mannen als vrouwen achtergesteld zijn en binnen de samenleving en de lokale context als kansarm worden beschouwd, is sprake van armoede. De kernaspecten van armoede houden verband met de economische, de persoonlijke, de politieke en de sociaal-culturele mogelijkheden, alsmede de mogelijkheid om zich te beschermen. Armoede heeft betrekking op persoonlijke mogelijkheden als consumptie en voedselveiligheid, gezondheid, onderwijs, rechten, de mogelijkheid te worden gehoord, veiligheid, met name voor de armen, waardigheid en fatsoenlijk werk. De strijd tegen de armoede heeft derhalve alleen een kans op slagen, indien in gelijke mate belang wordt gehecht aan het investeren in mensen (eerst en vooral op het gebied van gezondheid, onderwijs en HIV/AIDS), bescherming van natuurlijke hulpbronnen (zoals bossen, water, mariene hulpbronnen en bodem) om de bestaanszekerheid op het platteland te garanderen en het investeren in welvaart (met nadruk op kwesties als ondernemerschap, het scheppen van banen, toegang tot kredieten, eigendomsrechten en infrastructuur). Empowerment van vrouwen is de sleutel voor ontwikkeling in al zijn aspecten en gendergelijkheid moet een essentieel onderdeel worden van alle beleidsstrategieën.

12.

De MDG-agenda en de economische, de sociale en de ecologische aspecten van armoedebestrijding in het kader van duurzame ontwikkeling omvatten tal van ontwikkelingsactiviteiten, van democratisch bestuur tot politieke, economische en sociale hervormingen, conflictpreventie, sociale rechtvaardigheid, bevordering van de mensenrechten en billijke toegang tot openbare diensten, onderwijs, cultuur, gezondheid, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten als omschreven in de ICPD-agenda van Caïro, milieu en duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen, economische groei ten behoeve van de armen, handel en ontwikkeling, migratie en ontwikkeling, voedselveiligheid, kinderrechten, gendergelijkheid, bevordering van de sociale samenhang en fatsoenlijk werk.

3.   Gemeenschappelijke waarden

13.

In het kader van het partnerschap en de dialoog van de EU met derde landen zullen de volgende gemeenschappelijke waarden worden bevorderd: eerbiediging van de mensenrechten, fundamentele vrijheden, vrede, democratie, behoorlijk bestuur, gendergelijkheid, de rechtsstaat, solidariteit en rechtvaardigheid. De EU is ten zeerste gehecht aan een effectief multilateralisme waarbij alle naties ter wereld de verantwoordelijkheid voor ontwikkeling delen.

4.   Gemeenschappelijke beginselen

4.1.   Eigen verantwoordelijkheid, partnerschap

14.

De EU is gecommitteerd aan het beginsel van eigen verantwoordelijkheid van de partnerlanden in de ontwikkelingsstrategieën en -programma's. De ontwikkelingslanden dragen de primaire verantwoordelijkheid voor het scheppen van een binnenlandse omgeving waarin de eigen middelen kunnen worden gebruikt en een samenhangend en doeltreffend beleid kan worden gevoerd. Deze beginselen zullen aangepaste hulpverlening mogelijk maken die tegemoet komt aan de specifieke behoeften van het begunstigde land.

15.

De EU en de ontwikkelingslanden delen de verantwoordelijkheid en de verantwoordingsplicht voor hun gezamenlijke inspanningen in het kader van het partnerschap. De EU zal de strategieën van de partnerlanden op het gebied van armoedebestrijding, ontwikkeling en hervorming steunen, met nadruk op de MDG's, en zal zich aanpassen aan de stelsels en procedures van de partnerlanden. Voortgangsindicatoren en regelmatige evaluatie van de hulp zijn van cruciaal belang om de EU-hulp beter te richten.

16.

De EU erkent de essentiële toezichthoudende rol van democratisch verkozen vertegenwoordigers van de burgers. Derhalve moedigt zij een grotere betrokkenheid van de nationale assemblees, parlementen en lokale autoriteiten aan.

4.2.   Diepgaande politieke dialoog

17.

Politieke dialoog is een belangrijk instrument om de ontwikkelingsdoelstellingen dichterbij te brengen. In het kader van de politieke dialoog die wordt gevoerd door de lidstaten en door de instellingen van de EU — de Raad, de Commissie en het Parlement, binnen hun respectieve bevoegdheden — zal de eerbiediging van behoorlijk bestuur, de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat op gezette tijden worden geëvalueerd om tot een gedeeld begrip te komen en steunmaatregelen te bepalen. Deze dialoog heeft een belangrijke preventieve werking en moet ervoor zorgen dat deze beginselen worden nageleefd. De politieke dialoog moet tevens betrekking hebben op de bestrijding van corruptie, illegale immigratie en mensenhandel.

4.3.   Deelname van het maatschappelijk middenveld

18.

De EU steunt de brede deelname van alle belanghebbenden aan de ontwikkeling van de landen en moedigt alle geledingen van de samenleving aan daaraan deel te nemen. Met name het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van de economische en sociale partners als de vakorganisaties, de werkgeversorganisaties, de particuliere sector, de NGO's en andere niet-gouvernementele actoren van de partnerlanden spelen een vitale rol als pleitbezorgers van de democratie, de sociale rechtvaardigheid en de mensenrechten. De EU zal haar steun aan niet-gouvernementele actoren op het gebied van capaciteitsopbouw opvoeren om hen meer inspraak te verlenen in het ontwikkelingsproces en de politieke, de sociale en de economische dialoog vooruit te helpen. De belangrijke rol van het Europees maatschappelijk middenveld zal tevens worden erkend; daartoe zal de EU bijzondere aandacht schenken aan ontwikkelingseducatie en het vergroten van het bewustzijn bij de EU-burgers.

4.4.   Gendergelijkheid

19.

De bevordering van gendergelijkheid en van de vrouwenrechten is op zich van cruciaal belang, maar is tevens een van de fundamentele mensenrechten en een kwestie van sociale rechtvaardigheid; tevens is het een belangrijk instrument om alle MDG's te verwezenlijken en het actieprogramma van Peking, het actieprogramma van Caïro en het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen uit te voeren. Derhalve zal de EU een sterke gendercomponent opnemen in al haar beleidsmaatregelen en praktijken die verband houden met ontwikkelingslanden.

4.5.   Kwetsbaarheid van de staten aanpakken

20.

De EU zal beter reageren op moeilijke partnerschappen en kwetsbare staten, waar één derde van de armen in de wereld leven. De EU zal haar inspanningen op het gebied van conflictpreventie (6) opvoeren en het voorkomen van kwetsbaarheid van staten ondersteunen door middel van bestuurshervormingen, de rechtsstaat, corruptiebestrijdingsmaatregelen en het opbouwen van levensvatbare overheidsinstanties, teneinde hen te helpen een aantal basisfuncties te vervullen en te voldoen aan de behoeften van hun burgers. De EU zal een bijdrage leveren via de systemen en strategieën van de staat, waar mogelijk, om de capaciteit in kwetsbare staten te verhogen. De EU pleit ervoor betrokken te blijven, zelfs in de moeilijkste situaties, om het falen van staten te voorkomen.

21.

In overgangssituaties zal de EU koppelingen tussen noodhulp, herstel en langetermijnontwikkeling bevorderen. In een post-crisissituatie zal de ontwikkeling gestuurd worden aan de hand van overgangsstrategieën, die gericht zijn op de wederopbouw van institutionele capaciteit, essentiële infrastructuur en maatschappelijke diensten, vergroting van de voedselzekerheid en het voorzien in duurzame oplossingen voor vluchtelingen, ontheemden en de algemene veiligheid van de burgers. Het optreden van de EU zal plaatsvinden in het kader van multilaterale inspanningen, waaronder de Commissie voor vredesopbouw van de VN, en zal erop gericht zijn de beginselen van eigen verantwoordelijkheid en partnerschap te herstellen.

22.

Sommige ontwikkelingslanden zijn bijzonder kwetsbaar voor natuurrampen, klimaatverandering, aantasting van het milieu en exogene economische schokken. De lidstaten en de Gemeenschap zullen steun verlenen voor de preventie van en de voorbereiding op rampen in deze landen, teneinde hun veerkracht ten overstaan van deze uitdagingen te vergroten.

5.   Verstrekking van meer en betere hulp

5.1.   Meer financiële middelen

23.

Ontwikkeling blijft een langetermijndoelstelling. De EU heeft een tijdschema goedgekeurd waardoor de lidstaten in 2015 een niveau van 0,7 % van het BNI bereiken, met een tussentijds collectief streefcijfer van 0,56 % in 2010 (7), en roept haar partners op dit voorbeeld te volgen. Door deze streefcijfers zou de jaarlijkse hulp van de EU in 2010 moeten zijn verdubbeld tot meer dan 66 miljard euro. Verdere schuldverlichting zal worden overwogen, evenals innovatieve financieringsbronnen teneinde de beschikbare middelen op duurzame en voorspelbare wijze te verhogen. Minstens de helft van deze toename van de hulp zal naar Afrika gaan, met volledige inachtneming van de prioriteiten van de afzonderlijke lidstaten op het gebied van ontwikkelingshulp. De middelen worden op objectieve en transparante wijze toegewezen, op basis van de behoeften en prestaties van de begunstigde landen, rekening houdend met specifieke situaties.

24.

Om de MDG's te bereiken moeten de minst ontwikkelde landen en andere LIC's prioriteit blijven krijgen, hetgeen weerspiegeld wordt in het hoge aandeel van de EU-hulp die naar deze landen vloeit (8). De EU blijft ook streven naar ondersteuning van de ontwikkeling ten gunste van de armen in midden-inkomenslanden (MIC's), vooral de lagere midden-inkomenslanden, en onze ontwikkelingshulp aan alle ontwikkelingslanden zal worden toegespitst op de armoedebestrijding in al haar facetten tegen de achtergrond van duurzame ontwikkeling. Bijzondere aandacht zal worden besteed aan kwetsbare staten en landen waar slechts weinig donoren actief zijn („donorstiefkinderen”).

5.2.   Doeltreffender hulp

25.

Naast meer hulp zal de EU ook betere hulp verstrekken. De transactiekosten van hulp zullen worden verlaagd en het algemene effect ervan zal verbeteren. De EU streeft ernaar met alle ontwikkelingspartners samen te werken om de kwaliteit en de doeltreffendheid van haar hulp en de donorpraktijken te verbeteren, en onze partnerlanden te helpen de toegenomen hulpstromen doeltreffender te gebruiken. De EU zal haar toezeggingen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp (9) in alle ontwikkelingslanden uitvoeren en daarop toezien, onder andere door concrete streefcijfers voor 2010 vast te stellen. Nationale eigen verantwoordelijkheid, coördinatie en harmonisatie van donoren, te beginnen op het veldniveau, afstemming op de procedures van het ontvangende land en resultaatgerichtheid zijn in dit opzicht kernbeginselen.

26.

Ontwikkelingshulp kan op verschillende, eventueel aanvullende wijzen worden verstrekt (projecthulp, ondersteuning van sectorale programma's, sectorale en algemene begrotingssteun, humanitaire hulp en bijstand bij crisispreventie, steun aan, en door middel van, het maatschappelijk middenveld, onderlinge aanpassing van normen, standaarden en wetgeving, enz.), naargelang wat in elk land het beste resultaat oplevert. Wanneer de omstandigheden dit toelaten dient meer gebruik te worden gemaakt van algemene of sectorale begrotingssteun als middel om de eigen verantwoordelijkheid te versterken, de nationale verantwoordingsplicht en procedures van de partner te steunen, nationale armoedebestrijdingsstrategieën te financieren (inclusief de werkingskosten van de gezondheids- en de onderwijsbegroting) en het behoorlijk en transparant beheer van de overheidsfinanciën te bevorderen.

27.

Voor een doeltreffende planning hebben de partnerlanden stabiele hulp nodig. De EU zet zich daarom in voor meer voorspelbare en minder volatiele hulpmechanismen.

28.

Ook schuldvermindering levert voorspelbare financiering op. De EU zal blijven zoeken naar oplossingen voor onhoudbare schulden, met name de resterende multilaterale schulden van de HIPC's, en waar nodig en passend voor door exogene schokken getroffen landen en voor landen in post-conflictsituaties.

29.

De EU zal zich inzetten voor verdere ontbinding van de hulp die verder gaat dan de huidige aanbevelingen van de OESO, vooral voor voedselhulp.

5.3.   Coördinatie en complementariteit

30.

In de geest van het Verdrag zullen de Gemeenschap en de lidstaten de coördinatie en de complementariteit verbeteren. De beste waarborg voor complementariteit is inspelen op de prioriteiten van de partnerlanden op nationaal en regionaal niveau. De EU zal de coördinatie, harmonisatie en onderlinge afstemming bevorderen (10). De EU moedigt de partnerlanden aan het voortouw te nemen bij hun eigen ontwikkelingsproces en een brede betrokkenheid van alle donoren bij nationale harmonisatieprogramma's te stimuleren. Indien opportuun zal de EU flexibele scenario's opstellen die aangeven op welke wijze de lidstaten tot de harmonisatieplannen en -inspanningen van landen kunnen bijdragen.

31.

De EU streeft ernaar een betere coördinatie en complementariteit van donoren te bevorderen door te werken aan een gezamenlijke meerjarenprogrammering, gebaseerd op de armoedebestrijdings- of equivalente strategieën van de partnerlanden en hun eigen begrotingsprocessen, gemeenschappelijke uitvoeringsmechanismen, met inbegrip van gedeelde analyse, gezamenlijke donormissies, en het gebruik van medefinancieringsinstrumenten.

32.

De EU zal een leidende rol spelen bij de uitvoering van de toezeggingen van de verklaring van Parijs inzake de verbetering van de hulpverstrekking en heeft in dit verband vier bijkomende toezeggingen gedaan: alle bijstand voor capaciteitsopbouw zal worden verleend via gecoördineerde programma's waarbij meer gebruik wordt gemaakt van multi-donorregelingen, 50 % van de bijstand van de ene regering aan de andere zal worden gekanaliseerd via landenregelingen, mede door verhoging van het percentage van onze bijstand dat verstrekt wordt via begrotingssteun of een sectorbrede aanpak; er zullen geen nieuwe projectuitvoeringseenheden worden opgezet, het aantal niet-gecoördineerde missies zal met 50 % worden verminderd.

33.

De EU zal van de ervaringen van de nieuwe lidstaten (zoals transitiebeheer) profiteren en helpen de rol van deze landen als nieuwe donoren te versterken.

34.

De EU streeft ernaar haar agenda uit te voeren in nauwe samenwerking met de partnerlanden, andere bilaterale ontwikkelingspartners en multilaterale actoren zoals de Verenigde Naties en de Internationale Financiële Instellingen, teneinde dubbel werk te voorkomen en het effect en de doeltreffendheid van de mondiale hulpverlening zo groot mogelijk te maken. Tevens zal de EU de versterking van de stem van de ontwikkelingslanden in de internationale instellingen bevorderen.

6.   Beleidssamenhang ten aanzien van ontwikkeling

35.

De EU is vastbesloten maatregelen te nemen om de samenhang tussen de ontwikkelingsaspecten van een aantal sectoren te bevorderen (11). Het is van belang dat de beleidslijnen op andere gebieden dan ontwikkeling de inspanningen van ontwikkelingslanden ter verwezenlijking van de MDG's ondersteunen. De EU houdt de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking voor ogen telkens wanneer zij beleid uitvoert dat mogelijke gevolgen voor ontwikkelingslanden heeft. Om dit streven concreet vorm te geven zal de EU de beleidssamenhang tussen procedures, regelingen en instrumenten in verband met ontwikkeling op alle niveaus versterken, en voor toereikende middelen zorgen en goede praktijken delen om deze doelen te bereiken. Dit vormt een wezenlijke bijkomende bijdrage van de EU aan de verwezenlijking van de MDG's.

36.

De EU zet zich nadrukkelijk in voor een spoedig, ambitieus en op de behoeften van de armen gericht resultaat van de ontwikkelingsronde van Doha en voor de sluiting van EU-ACS-economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's). De ontwikkelingslanden moeten besluiten nemen over het handelsbeleid en dit hervormen overeenkomstig hun bredere nationale ontwikkelingsprogramma's. Wij zullen bijkomende steun bieden om arme landen te helpen hun handelsvermogen op te bouwen. Bijzondere aandacht zal worden besteed aan de minst ontwikkelde en meest kwetsbare landen. De EU zal blijven ijveren voor een goed gefaseerde opening van de markten, vooral wat betreft producten die voor de uitvoer van ontwikkelingslanden van belang zijn, geschraagd door een open, eerlijk, rechtvaardig multilateraal handelssysteem met regelingen waarin rekening wordt gehouden met de belangen en behoeften van de zwakste landen. De EU zal actie ondernemen ten aanzien van speciale en gedifferentieerde behandeling en verlies van preferenties teneinde de handel tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden en tussen ontwikkelingslanden onderling te bevorderen. De EU zal erop blijven aandringen dat alle ontwikkelde landen aan de minst ontwikkelde landen toegang tot de markt zonder invoerrechten of contingenten bieden vóór het einde van de Doharonde of meer in het algemeen. In het kader van het hervormde gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) zal de EU de handelsverstorende gevolgen van haar steunmaatregelen in de landbouwsector aanmerkelijk beperken en de ontwikkeling van de landbouw van ontwikkelingslanden bevorderen. De EU steunt de doelstellingen differentiatie en flexibiliteit voor de uitvoering van de EPO's in overeenstemming met de ontwikkelingsbehoeften. De EU zal bijzondere aandacht blijven besteden aan de ontwikkelingsdoelstellingen van landen waarmee de Gemeenschap visserijovereenkomsten heeft of zal aangaan.

37.

Onveiligheid en gewelddadige conflicten behoren tot de grootste belemmeringen voor de verwezenlijking van de MDG's. Veiligheid en ontwikkeling zijn belangrijke en complementaire aspecten van de betrekkingen van de EU met derde landen. Binnen hun respectieve actiegebieden dragen beide bij tot het creëren van een veilig leefklimaat en het doorbreken van de vicieuze cirkel van armoede, oorlog, aantasting van het milieu en ontoereikende economische, sociale en politieke structuren. De EU zal, binnen de respectieve bevoegdheidsterreinen van de Gemeenschap en de lidstaten, meer controle uitoefenen op haar wapenuitvoer, om te voorkomen dat in de EU vervaardigde wapens tegen de burgerbevolking worden ingezet of bestaande spanningen of conflicten in ontwikkelingslanden verscherpen, en concrete maatregelen nemen om de ongebreidelde verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens te beperken, in overeenstemming met de Europese strategie tegen de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens en de munitie daarvoor. De EU zet zich ook nadrukkelijk in voor de verantwoordelijkheid voor bescherming. Wij mogen niet werkloos toezien wanneer volkerenmoord, oorlogsmisdrijven, etnische zuivering of andere grove schendingen van het internationaal humanitair recht en de mensenrechten plaatsvinden. De EU zal steun verlenen aan een versterkte rol van de regionale en subregionale organisaties in het proces van bevordering van internationale vrede en veiligheid, waaronder hun vermogen om de donorhulp op het gebied van conflictpreventie te coördineren.

38.

De EU zal bijdragen tot de versterking van de sociale dimensie van de globalisering en werkgelegenheid en menswaardig werk voor allen bevorderen. Wij zullen ons ervoor beijveren dat migratie een positieve factor voor ontwikkeling wordt, door middel van de bevordering van concrete maatregelen die bijdragen tot een betere armoedebestrijding, onder meer door het vergemakkelijken van geldovermakingen en het aan banden leggen van de „brain drain” van goed opgeleide mensen. De EU zal het voortouw nemen bij het mondiale streven om niet-duurzame verbruiks- en productiepatronen terug te dringen. Wij zullen ontwikkelingslanden helpen bij de uitvoering van de multilaterale milieuovereenkomsten en ons inzetten voor initiatieven op milieugebied voor de armen. De EU bevestigt haar vastbeslotenheid om klimaatverandering te bestrijden.

7.   Ontwikkeling, een bijdrage tot de aanpak van mondiale uitdagingen

39.

Het optreden van de EU op het gebied van ontwikkeling, dat is toegespitst op de uitroeiing van armoede tegen de achtergrond van duurzame ontwikkeling, draagt er in belangrijke mate toe bij de voordelen van het globaliseringsproces voor ontwikkelingslanden te maximaliseren en de kosten ervan rechtvaardiger te verdelen, waardoor vrede en stabiliteit in het algemeen worden bevorderd en de ongelijkheden worden verminderd die ten grondslag liggen aan veel van de voornaamste problemen waaraan onze wereld het hoofd moet bieden. Thans is het voor de internationale gemeenschap een belangrijke uitdaging ervoor te zorgen dat de globalisering positieve gevolgen krijgt voor de hele mensheid.

40.

Armoedebestrijding en bevordering van duurzame ontwikkeling zijn doelstellingen op zichzelf. Verwezenlijking van de MDG's is ook in het belang van de collectieve en individuele vrede en veiligheid op de lange termijn. Zonder vrede en veiligheid zijn ontwikkeling en uitroeiing van armoede niet mogelijk, en zonder ontwikkeling en uitroeiing van armoede zal er geen duurzame vrede komen. Ontwikkeling is ook de meest doeltreffende langetermijnrespons op gedwongen en illegale migratie en mensenhandel. Ontwikkeling speelt een centrale rol bij de bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen waardoor groei minder schadelijke gevolgen voor het milieu heeft.

DEEL II: HET ONTWIKKELINGSBELEID VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

Dit tweede deel van de Europese consensus inzake ontwikkeling beschrijft het vernieuwde ontwikkelingsbeleid van de Europese Gemeenschap, dat gestalte geeft aan de in het eerste deel geschetste Europese visie op ontwikkeling met de overeenkomstig het Verdrag aan de Gemeenschap toevertrouwde middelen. Doel is de rol en de meerwaarde van de Gemeenschap toe te lichten en de wijze waarop de in deze gemeenschappelijke visie genoemde doelstellingen, beginselen, waarden, beleidssamenhang inzake ontwikkeling en toezeggingen op het niveau van de Gemeenschap praktisch vorm zullen krijgen. De aandacht wordt gevestigd op prioriteiten die in de betrokken landen en regio's zullen worden omgezet in doeltreffende en coherente ontwikkelingssamenwerkingsprogramma's. Het zal een leidraad vormen voor de planning en uitvoering van de component ontwikkelingshulp van alle instrumenten en samenwerkingsstrategieën van de Gemeenschap met derde landen (12). Er zal rekening mee worden gehouden in andere communautaire beleidssectoren die gevolgen hebben voor ontwikkelingslanden, teneinde een samenhangend ontwikkelingsbeleid te waarborgen.

41.

Het communautaire beleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking vormt een aanvulling op het beleid van de lidstaten (13).

42.

De voornaamste doelstelling van het communautaire ontwikkelingsbeleid zal de uitroeiing van armoede tegen de achtergrond van duurzame ontwikkeling zijn, met inbegrip van verwezenlijking van de MDG's, en de bevordering van democratie, goed bestuur en eerbiediging van de mensenrechten, zoals bepaald in deel I. Op het niveau van de Gemeenschap zullen deze doelstellingen worden nagestreefd in alle ontwikkelingslanden en worden toegepast op de component ontwikkelingshulp van alle communautaire samenwerkingsstrategieën met derde landen.

43.

De Gemeenschap zal alle in deel I genoemde beginselen toepassen, ook de beginselen inzake de doeltreffendheid van hulp: nationale verantwoordelijkheid, partnerschap, coördinatie, harmonisatie, afstemming op de procedures van het ontvangende land en resultaatgerichtheid.

44.

De Gemeenschap zal zich tevens beijveren voor beleidscoherentie inzake ontwikkeling, door ervoor te zorgen dat de Gemeenschap bij de uitvoering van beleid dat mogelijk gevolgen heeft voor ontwikkelingslanden rekening houdt met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking.

45.

Bij alle activiteiten zal de Gemeenschap een sterkere mainstreaming-benadering toepassen ten aanzien van de sectoroverschrijdende vraagstukken zoals genoemd in punt 3.3 „Versterking van de mainstreaming-benadering”.

1.   Specifieke rol en comparatieve voordelen van de Gemeenschap

46.

Binnen de bevoegdheden die haar bij het Verdrag worden verleend speelt de Commissie een grote rol bij ontwikkeling. Haar mondiale aanwezigheid, haar bevordering van beleidscoherentie inzake ontwikkeling, haar specifieke bekwaamheid en deskundigheid, haar initiatiefrecht op communautair niveau, haar faciliteren van coördinatie en harmonisatie, alsmede haar supranationale karakter, zijn van bijzonder belang. De Gemeenschap onderscheidt zich door haar comparatieve voordelen en meerwaarde, die complementariteit met het bilaterale beleid van de lidstaten en andere internationale donoren mogelijk maken.

47.

Namens de Gemeenschap zal de Commissie ernaar streven een meerwaarde te bieden door middel van de hierna genoemde functies.

48.

Allereerst is zij mondiaal aanwezig. De Commissie is als ontwikkelingspartner in meer landen aanwezig dan zelfs de grootste lidstaten, en is in sommige gevallen de enige aanwezige EU-partner van betekenis. Zij hanteert een gemeenschappelijke handelspolitiek, samenwerkingsprogramma's die praktische alle ontwikkelingslanden en -regio's bestrijken en een samen met de lidstaten gevoerde politieke dialoog. Zij wordt ondersteund door een uitgebreid netwerk van delegaties. Hierdoor kan zij op de meest uiteenlopende situaties reageren, ook in kwetsbare staten waaruit de lidstaten zich hebben teruggetrokken.

49.

Ten tweede zorgt zij er, met de steun van de lidstaten, voor dat het optreden van de Gemeenschap vanuit ontwikkelingsoogpunt coherent is (14), met name wanneer het communautaire beleid belangrijke gevolgen heeft voor ontwikkelingslanden, zoals op het gebied van handel, landbouw, visserij en migratiebeleid, en bevordert zij dit beginsel in meer algemene zin. Puttend uit haar eigen ervaringen en met een exclusieve bevoegdheid op handelsgebied beschikt de Gemeenschap over een comparatief voordeel bij de hulpverlening aan partnerlanden om handel in de nationale ontwikkelingsstrategieën te integreren en de regionale samenwerking zoveel mogelijk te ondersteunen.

50.

Ten derde bevordert zij de beste praktijken. Samen met de lidstaten zal de Commissie het Europese debat over ontwikkeling aanzwengelen en zich inzetten voor de beste praktijken op ontwikkelingsgebied, zoals rechtstreekse begrotingssteun en sectorale hulp indien opportuun, ontbinding van hulp, een resultaatgerichte aanpak en deconcentratie van de uitvoering van bijstand. Door de versterking van haar analytische vermogens beschikt zij over het potentieel om op het gebied van bepaalde ontwikkelingsvraagstukken als kenniscentrum te fungeren.

51.

In de vierde plaats vergemakkelijkt zij de coördinatie en harmonisatie. De Commissie zal een actieve rol spelen bij de uitvoering van de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van hulp en zal een van de drijvende krachten zijn achter de nakoming door de EU van de door haar in Parijs gedane toezeggingen inzake eigen verantwoordelijkheid, afstemming, resultaten van harmonisatie en wederzijdse verantwoordingsplicht. De Commissie zal blijven ijveren voor de 3 C's — coördinatie, complementariteit en coherentie — als de bijdrage van de EU aan de grotere internationale agenda ten behoeve van de doeltreffendheid van hulp. De Gemeenschap zal zich ook inzetten voor het versterken van de coördinatie van hulp bij en voorbereiding op rampen, in het kader van de bestaande internationale regelingen en mechanismen en de leidende rol van de VN bij internationale coördinatie.

52.

Ten vijfde helpt zij resultaten te boeken op gebieden waar omvang en kritieke massa van bijzonder belang zijn.

53.

Ten zesde zal de Gemeenschap zich beijveren voor democratie, mensenrechten, goed bestuur en eerbiediging van het internationale recht, met speciale aandacht voor transparantie en bestrijding van corruptie. De Commissie heeft positieve ervaringen met het bevorderen van democratie, mensenrechten en nationale opbouw en zal zich hierop verder toeleggen.

54.

In de zevende plaats zal de Commissie bij het in praktijk brengen van het beginsel van participatie van het maatschappelijk middenveld worden ondersteund door het Europees Economisch en Sociaal Comité, dat een rol speelt bij het vergemakkelijken van de dialoog met lokale economische en sociale belanghebbenden.

55.

Daarnaast zet de Gemeenschap zich in voor een groter besef van de onderlinge afhankelijkheid en voor de solidariteit tussen Noord en Zuid. Daartoe zal de Commissie bijzondere aandacht besteden aan de bewustmaking van en het onderwijs aan EU-burgers over ontwikkeling.

2.   Gedifferentieerde aanpak naargelang omstandigheden en behoeften

2.1.   Differentiatie bij de uitvoering van de ontwikkelingssamenwerking

56.

Ontwikkelingsdoelstellingen, beginselen en toezeggingen in verband met de doeltreffendheid van de hulp (15), moeten gelden voor alle onderdelen van de ontwikkelingssamenwerking. In alle ontwikkelingslanden zal de Gemeenschap de instrumenten en benaderingswijzen gebruiken die het meest effectief zijn bij het bestrijden van de armoede en het waarborgen van duurzame ontwikkeling.

57.

De uitvoering van de communautaire ontwikkelingssamenwerking moet specifiek zijn, op maat van elk partnerland of elke partnerregio, en gebaseerd zijn op de behoeften, strategieën, prioriteiten en troeven van elk land. Differentiatie is noodzakelijk gezien de diversiteit aan partners en uitdagingen.

58.

Ontwikkelingsdoelstellingen zijn doelstellingen op zichzelf. Ontwikkelingssamenwerking is slechts één belangrijk element in een ruimer scala van externe acties die alle belangrijk zijn en een samenhangend geheel moeten vormen, elkaar wederzijds moeten versterken en niet ondergeschikt aan elkaar mogen zijn. De strategiedocumenten per land, per regio en per thema zijn de communautaire programmeringmiddelen waardoor dit scala van beleidsmaatregelen wordt bepaald en de onderlinge samenhang wordt verzekerd.

59.

Ontwikkelingshulp kan op verschillende, eventueel aanvullende wijzen worden verstrekt (projecthulp, ondersteuning van sectorale programma's, sectorale en algemene begrotingssteun, humanitaire hulp en bijstand bij crisispreventie, steun aan, en door middel van, het maatschappelijk middenveld, onderlinge aanpassing van normen, standaarden en wetgeving, enz.), naargelang van wat in elk land het beste resultaat oplevert.

60.

Armoedebestrijding is belangrijk zowel in midden-inkomenslanden als in lage-inkomenslanden. Lage-inkomenslanden en minst ontwikkelde landen zien zich geconfronteerd met enorme uitdagingen op hun weg naar de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling. De steun voor lage-inkomenslanden wordt gebaseerd op strategieën om de armoede te bestrijden, met de nodige aandacht voor de beschikbaarheid en toegankelijkheid van basisdiensten, de diversificatie van de economie, voedselzekerheid en een verbetering van het democratische bestuur en de instellingen.

61.

Toch is ook de steun voor midden-inkomenslanden belangrijk om de millenniumdoelstellingen te halen. Veel lagere midden-inkomenslanden worden geconfronteerd met dezelfde moeilijkheden als lage-inkomenslanden. Veel van de armen in de wereld leven in die landen, die vaak te lijden hebben onder schrijnende ongelijkheid en een gebrek aan goed bestuur, wat de duurzaamheid van hun ontwikkelingsproces in gevaar brengt. De Gemeenschap blijft derhalve ontwikkelingshulp verlenen op basis van strategieën voor armoedebestrijding of gelijkwaardige strategieën van de landen. Vele midden-inkomenslanden vervullen een belangrijke rol bij vraagstukken met betrekking tot politiek, veiligheid en handel, bij het produceren en beschermen van mondiale collectieve goederen en als regionale spil. Maar zij zijn tevens kwetsbaar voor interne en externe schokken, of zij lijden onder conflicten of herstellen ervan.

62.

Voorzover het ontwikkelingslanden betreft, beoogt het pretoetredingsbeleid het vooruitzicht op toetreding van de kandidaat-lidstaten en de potentiële kandidaat-lidstaten te ondersteunen, terwijl het Europese nabuurschapsbeleid streeft naar geprivilegieerde partnerschappen met de buurlanden door hen dichter bij de Unie te brengen en hen te laten deelnemen aan de communautaire interne markt, alsook door dialoog, hervormingen en sociale en economische ontwikkeling te steunen. Beide zijn in de eerste plaats toegespitst op integratie, maar bevatten gewoonlijk ook belangrijke ontwikkelingsaspecten. Doelstellingen op het gebied van armoedebestrijding en sociale ontwikkeling dragen bij tot de totstandkoming van welvarendere, rechtvaardigere en dus stabielere samenlevingen in landen die overwegend ontwikkelingslanden zijn. De instrumenten die deze beleidstakken technisch en financieel kunnen ondersteunen, omvatten, indien opportuun, beste praktijken op ontwikkelingsgebied om het beheer en de uitvoering doeltreffender te maken. De beleidslijnen die deze instrumenten aansturen, zullen worden uitgevoerd in een breder, in het Europees nabuurschaps- en pretoetredingsbeleid vastgesteld kader, en zullen een integrerend deel uitmaken van het ruimere externe optreden van de Gemeenschap.

63.

De voorgestelde nieuwe structuur met beleidsgestuurde en horizontale instrumenten (16) voor communautaire hulp kan het passende kader bieden om op de verschillende contexten en omstandigheden in te spelen. In dat kader zijn de thematische programma's aanvullend en complementair en vastgesteld op grond van hun bijzondere meerwaarde ten opzichte van de geografische programma's.

2.2.   Objectieve en transparante criteria voor de toewijzing van middelen

64.

Binnen de wereldwijde geografische en thematische toewijzingen worden de middelen toegekend — en het gebruik ervan achteraf geëvalueerd — aan de hand van gestandaardiseerde, objectieve en transparante toewijzingscriteria die stoelen op behoeften en prestaties. Daarbij moet er, naast de specificiteit van de verschillende programma's, rekening worden gehouden met de bijzondere moeilijkheden waarmee landen in crisis, landen in een conflictsituatie of voor natuurrampen gevoelige landen te kampen hebben.

65.

Bij het beoordelen van de behoeften wordt rekening gehouden met de bevolking, het inkomen per hoofd, de mate van armoede, de inkomensverdeling en het niveau van de sociale ontwikkeling. Bij het beoordelen van de prestaties wordt gelet op de politieke, economische en maatschappelijke vooruitgang, de voortgang op het gebied van goed bestuur en het effectieve gebruik van de hulp, met name de manier waarop een land schaarse ontwikkelingsmiddelen, te beginnen met zijn eigen middelen, gebruikt.

66.

Het ontwikkelingsbeleid moet de middelen zodanig verdelen dat rekening wordt gehouden met de invloed ervan op de terugdringing van de armoede. De situatie van de minst ontwikkelde landen en van andere lage-inkomenslanden moet derhalve bijzondere aandacht krijgen; bij deze aanpak moet tevens rekening worden gehouden met de inspanningen van de regeringen van de partnerlanden om de armoede terug te dringen, alsmede met hun prestaties en opnemingsvermogen. De minst ontwikkelde landen en de lage-inkomenslanden krijgen prioriteit bij de algehele toewijzing van de middelen. De Gemeenschap moet middelen vinden om meer nadruk te leggen op de allerarmste landen en in het bijzonder Afrika. Er zal passende aandacht worden besteed aan de MIC's, met name de landen met lage middeninkomens waarvan vele problemen ondervinden die vergelijkbaar zijn met die van de LIC's.

3.   Inspelen op de behoeften van partnerlanden

3.1.   Beginsel van concentratie, met behoud van flexibiliteit

67.

In haar nationale en regionale programmering laat de Gemeenschap zich leiden door het concentratiebeginsel. Dit is van essentieel belang voor de doeltreffendheid van de hulp. De Gemeenschap zal dit beginsel toepassen in al haar nationale en regionale programma's. Dat houdt in dat bij de programmering van communautaire hulp een strikt beperkt aantal actiegebieden wordt geselecteerd in plaats van de inspanningen over te veel sectoren te verspreiden. De selectie zal gebeuren op het niveau van de landen en regio's om de gedane toezeggingen inzake partnerschap, eigen verantwoordelijkheid en afstemming na te komen.

68.

Die prioriteiten zullen worden bepaald door een transparante en diepgaande dialoog met de partnerlanden op basis van een gezamenlijke analyse en van complementariteit met andere donoren, in het bijzonder de lidstaten. Door voldoende flexibiliteit in de programmering moet snel kunnen worden gereageerd op onverwachte behoeften.

69.

In het kader van de harmonisatie moeten de donoren samenwerken om het algemene en sectorale beleid van de partnerlanden te steunen. De Gemeenschap zal de partnerlanden ondersteunen door het sturen van de voorbereiding en de coördinatie van de meerjarenprogrammering van alle donorsteun aan het land. Het uitgangspunt voor die werkzaamheden moeten de op de millenniumdoelstellingen gerichte strategieën voor het bestrijden van de armoede of gelijkwaardige nationale strategieën zijn.

3.2.   Gebieden voor communautair optreden

70.

De bijzondere rol en de comparatieve voordelen van de Gemeenschap impliceren dat de Gemeenschap haar bijdrage toespitst op bepaalde gebieden waar zij deze comparatieve voordelen kan uitspelen. Derhalve zal de Commissie haar deskundigheid en capaciteit op deze gebieden verder ontwikkelen. Er zal bijzondere aandacht worden besteed aan de opbouw van de noodzakelijke capaciteit en deskundigheid op landenniveau, in overeenstemming met het deconcentratieproces en het beginsel van eigen verantwoordelijkheid van de partnerlanden.

71.

Inspelend op de door de partnerlanden aangegeven behoeften, zal de Gemeenschap hoofdzakelijk optreden op de volgende gebieden waarvan sommige haar comparatief voordeel uitmaken:

Handel en regionale integratie

72.

De Gemeenschap zal de ontwikkelingslanden op het gebied van handel en regionale integratie ondersteunen door een rechtvaardige en ecologisch duurzame groei, alsmede een vlotte en geleidelijke integratie in de wereldeconomie te bevorderen, en door handel te koppelen aan armoedebestrijding of gelijkwaardige strategieën. De prioriteiten op dit gebied zijn institutionele en capaciteitsopbouw zodat een gezond handels- en integratiebeleid kan worden uitgewerkt en uitgevoerd, alsook steun aan de particuliere sector om de nieuwe handelsmogelijkheden te benutten.

73.

De specifieke acties zullen in grote mate afhangen van de kenmerken van de partnerlanden. Bij de armste landen, met name de minst ontwikkelde landen en kleine landen die niet aan zee grenzen of eilanden, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de aanbodkant en aan meer concurrentie binnen de particuliere sector.

74.

Handelsbelemmeringen zijn vaak het hoogst tussen de ontwikkelingslanden zelf. Regionale integratie kan deze belemmeringen deels wegnemen. In het geval van de ACS-staten helpt dit ook de weg te effenen voor economische partnerschapsovereenkomsten. Voor vele landen, maar met name die voor wie de EU de belangrijkste handels- en investeringspartner is, is aanpassing aan de voorschriften van de interne communautaire markt voordelig.

Het milieu en het duurzame beheer van de natuurlijke hulpbronnen

75.

De Gemeenschap zal de inspanningen van haar partnerlanden om ecologische overwegingen op te nemen in het ontwikkelingsbeleid steunen, en zij zal hun capaciteit voor het uitvoeren van multilaterale milieuovereenkomsten helpen vergroten. De Gemeenschap zal bijzondere aandacht besteden aan initiatieven voor het duurzame beheer en het behoud van natuurlijke hulpbronnen, ook als bron van inkomsten, ter waarborging en ontwikkeling van banen, landelijke bestaansmiddelen en ecologische goederen en diensten. Daartoe zal zij nationale en regionale strategieën aanmoedigen en ondersteunen; zij zal ook deelnemen en bijdragen tot Europese of mondiale initiatieven en organisaties. Meer steun aan de uitvoering van het Verdrag inzake biologische diversiteit van de Verenigde Naties zal het verlies aan biodiversiteit een halt helpen toeroepen en bioveiligheid en het duurzame beheer ervan bevorderen. Wat het tegengaan van de woestijnvorming en duurzaam landbeheer betreft, zal de Gemeenschap zich voornamelijk richten op de uitvoering van het VN-Verdrag ter bestrijding van woestijnvorming via een doeltreffende integratie van duurzaam landbeheer in de strategieën van de ontwikkelingslanden. Wat duurzaam bosbeheer betreft, zal de Gemeenschap inspanningen ter bestrijding van de illegale houtkap ondersteunen en bijzondere aandacht besteden aan de uitvoering van de actie „Wetshandhaving, bestuur en handel in de bosbouw (FLEGT)”.

76.

Op het gebied van klimaatverandering zal de Gemeenschap haar inspanningen voornamelijk richten op de uitvoering van het EU-actieplan inzake klimaatverandering in de context van ontwikkelingssamenwerking, in nauwe samenwerking met de lidstaten. De aanpassing aan de negatieve effecten van de klimaatverandering zal centraal staan bij de steun van de Gemeenschap aan de minst ontwikkelde landen en aan de kleine eilandstaten in ontwikkeling. Zij zal tevens ijveren voor de bevordering van het duurzame beheer van chemische stoffen en afvalstoffen, met name door rekening te houden met hun verband met gezondheidskwesties.

Infrastructuur, communicatie en transport

77.

De Gemeenschap zal een duurzame sectorale aanpak van transport bevorderen. Deze aanpak is gebaseerd op de beginselen van eigen verantwoordelijkheid van het partnerland en het stellen van prioriteiten door middel van strategieën voor armoedebestrijding of gelijkwaardige strategieën, waarbij aan de behoeften van de partnerlanden wordt voldaan, de veiligheid, betaalbaarheid en efficiëntie van het transport worden gewaarborgd, en negatieve gevolgen voor het milieu tot een minimum worden beperkt. Er wordt een economisch, financieel, ecologisch en institutioneel duurzame strategie met betrekking tot transport toegepast.

78.

De Gemeenschap zal binnen de beschikbare begrotingsmiddelen reageren op de stijgende vraag, met name van Afrikaanse landen, naar meer infrastructuurfinanciering door donoren, ook van economische infrastructuur, ter ondersteuning van inspanningen om de armoede uit te roeien. De Gemeenschap zal op diverse niveaus steun verlenen. Het uitgangspunt is het nationale niveau, waarbij het grootste gedeelte van de hulp zal worden verstrekt in het kader van de strategieën van de partnerlanden en er zal worden gezorgd voor een optimaal evenwicht tussen investeringen en onderhoud. Op regionaal en continentaal niveau zal de Gemeenschap een partnerschap voor infrastructuur opzetten, dat zal samenwerken met regionale economische gemeenschappen en andere belangrijke partners, waaronder de particuliere sector. Een partnerschap met de particuliere sector zal worden ondersteund.

79.

De Gemeenschap zal tevens een toenemend gebruik van informatie- en communicatietechnologieën ondersteunen om de digitale kloof te overbruggen. Zij zal ook haar steun voor ontwikkelingsgerelateerd onderzoek opvoeren.

Water en energie

80.

Het communautaire beleidskader voor het geïntegreerde beheer van de watervoorraden is erop gericht te zorgen voor voldoende drinkwater van goede kwaliteit en adequate sanitaire en hygiënische omstandigheden voor iedereen, in overeenstemming met de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en de doelstellingen van Johannesburg. Voorts wordt gestreefd naar een kader voor de langetermijnbescherming van alle watervoorraden, om verdere verslechtering te voorkomen en een duurzaam watergebruik te bevorderen.

81.

Het EU-waterinitiatief draagt bij tot die beleidsdoelen. De belangrijkste elementen van dat initiatief zijn: versterken van het politieke engagement om actie te ondernemen, de vraagstukken met betrekking tot water en sanitaire voorzieningen voor het voetlicht brengen in het kader van de inspanningen voor armoedebestrijding, betere regelingen voor het goede beheer van water bevorderen, regionale en subregionale samenwerking betreffende waterbeheer aanmoedigen, en aanvullende financiering op gang brengen.

82.

Grote delen van de bevolking in ontwikkelingslanden hebben geen toegang tot moderne energiediensten en zijn voor het huishouden afhankelijk van inefficiënte en dure energievoorziening. Het communautaire beleid is daarom in hoofdzaak gericht op het bevorderen van een gezond institutioneel en financieel kader, bewustmaking, capaciteitsopbouw en fondsenwerving. Aldus moet de toegang tot moderne, betaalbare, duurzame, efficiënte, schone (en hernieuwbare) energiediensten verbeteren dankzij het EU-energie-initiatief en andere internationale en nationale initiatieven. Er zullen ook inspanningen worden geleverd ter ondersteuning van haasje-over-technologieën met name op energie- en transportgebied.

Plattelandsontwikkeling, ruimtelijke ordening, landbouw en voedselzekerheid

83.

Landbouw en plattelandsontwikkeling zijn van essentieel belang voor armoedebestrijding en groei. Om de investeringen op die gebieden weer op gang te brengen, ondersteunt de Gemeenschap een door de landen geleide, participatieve, gedecentraliseerde en ecologisch duurzame ruimtelijke ordening, die erop gericht is de begunstigden te betrekken bij het aantrekken van investeringen en het beheer van de middelen, teneinde de opkomst van lokale-ontwikkelingspolen te steunen en tegelijkertijd de draagkracht van de ecosystemen te respecteren. Voor duurzame resultaten is het van essentieel belang dat een samenhangend en bevorderlijk beleidsklimaat op alle niveaus wordt bevorderd.

84.

De Gemeenschap zal zich blijven beijveren voor een betere voedselzekerheid op internationaal, regionaal en nationaal niveau. Zij zal een strategische aanpak in chronisch kwetsbare landen ondersteunen. De nadruk zal liggen op preventie, veiligheidsnetten, de verbetering van de toegang tot de middelen, de voedingskwaliteit en de ontwikkeling van capaciteiten. Er zal vooral aandacht worden besteed aan overgangssituaties en aan de doeltreffendheid van noodhulp.

85.

Op landbouwgebied zal de Gemeenschap haar inspanningen toespitsen op de toegang tot de middelen (grond, water, financiële middelen), de duurzame intensivering van de productie (waar opportuun en vooral in de minst ontwikkelde landen), het concurrentievermogen op regionale en internationale markten, alsmede op risicobeheersing (in van grondstoffen afhankelijke landen). Om ervoor te zorgen dat de ontwikkelingslanden profijt kunnen trekken van de technologische ontwikkeling, zal de Gemeenschap wereldwijd landbouwonderzoek ondersteunen.

Bestuur, democratie, mensenrechten en steun voor economische en institutionele hervormingen

86.

Vooruitgang bij de bescherming van de mensenrechten, goed bestuur en democratisering is fundamenteel voor armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling (17). Alle mensen moeten overeenkomstig de internationale overeenkomsten alle mensenrechten genieten. Op deze basis zal de Gemeenschap de eerbiediging van de mensenrechten van alle volkeren bevorderen in samenwerking met overheids- en niet-overheidsactoren in partnerlanden. De Gemeenschap zal zich actief inzetten voor de mensenrechten als een integrerend deel van de participatieve binnenlandse dialoog over bestuur. Voor de bevordering van goed bestuur is een pragmatische aanpak nodig die gebaseerd is op de specifieke context van elk land. De Gemeenschap zal actief ijveren voor een participatieve binnenlandse dialoog over bestuur op gebieden als corruptiebestrijding, hervorming van de overheid, toegang tot de rechter en hervorming van het gerechtelijk apparaat. Dit is van essentieel belang om door de landen gestuurde hervormingsprogramma's tot stand te brengen in een context van verantwoordingsplicht en in een institutionele omgeving die de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat schraagt.

87.

Met het oog op een betere legitimiteit en controleerbaarheid van door landen gestuurde hervormingen, zal de Gemeenschap politiek engagement op hoog niveau voor deze hervormingen aanmoedigen. Zij zal in dat verband tevens steun verlenen aan decentralisatie en lokale autoriteiten, de versterking van de rol van de parlementen, de bevordering van de menselijke veiligheid van de armen, alsook aan de versterking van de nationale processen ter waarborging van vrije, eerlijke en transparante verkiezingen. De Gemeenschap zal ernaar streven beginselen van democratisch bestuur op financieel, fiscaal en juridisch gebied tot gelding te brengen.

88.

De Gemeenschap blijft, in samenwerking met de instellingen van Bretton Woods, een essentiële actor bij de ondersteuning van economische en institutionele hervormingen, onder meer in het kader van de strategieën voor armoedebestrijding. Zij gaat daartoe de dialoog aan en steunt financieel de regeringen die deze programma's uitvoeren. De Gemeenschap blijft bijzondere aandacht besteden aan het effect van de hervormingen op het gebied van groei, verbetering van het ondernemingsklimaat, de macro-economische stabiliteit en het terugdringen van de armoede. Zij zal de uitvoering van de hervormingen door de landen zelf bevorderen door in de dialoog het belang van resultaten centraal te plaatsen. Zij zal tevens bijzondere nadruk leggen op een beter beheer van de overheidsfinanciën, wat fundamenteel is voor de strijd tegen de corruptie en voor efficiëntere overheidsuitgaven.

Conflictpreventie en zwakke staten

89.

De Gemeenschap zal, binnen de respectieve bevoegdheden van haar instellingen, een alomvattende preventieve aanpak ontwikkelen ten aanzien van zwak staatsgezag, conflicten, natuurrampen en andere soorten crises. De Gemeenschap zal in dit verband de inspanningen van de partnerlanden en de regionale organisaties steunen om de vroegewaarschuwingssystemen en de opbouw van democratisch bestuur en institutionele capaciteiten te versterken. Ook zal de Gemeenschap, in nauwe samenwerking en coördinatie met de bestaande structuren van de Raad, haar eigen vermogen om de eerste tekenen van zwakte van een staat te herkennen verder ontwikkelen door verbetering van de gezamenlijke analyse, en door gezamenlijke monitoring en beoordeling van problematische, zwakke en falende staten met andere donoren. Zij zal in alle programmering de OESO-beginselen voor een goed internationaal optreden in zwakke staten actief toepassen.

90.

Bij een problematisch partnerschap, met name met falende of zwakke staten, geeft de Gemeenschap onmiddellijke prioriteit aan het aanbieden van basisdiensten en het voorzien in behoeften, door middel van samenwerking met het maatschappelijk middenveld en de VN-organisaties. De langetermijnvisie voor de inzet van de Gemeenschap is de eigen verantwoordelijkheid van de partnerlanden te vergroten en in partnerschap met het betrokken land te blijven werken aan de opbouw van legitieme, efficiënte en solide staatsinstellingen en een actief en georganiseerd maatschappelijk middenveld.

91.

De Gemeenschap zal alomvattende plannen blijven ontwikkelen voor landen waar het risico op een conflict aanzienlijk is; die plannen moeten de beleidsmaatregelen bestrijken die het conflictrisico kunnen vergroten of verkleinen.

92.

Zij zal haar steun blijven verlenen aan conflictpreventie en -oplossing en aan vredesopbouw door de dieperliggende oorzaken van gewelddadige conflicten aan te pakken, met name armoede, achteruitgang, uitbuiting en ongelijkheid op het gebied van de verdeling van en de toegang tot grond en natuurlijke hulpbronnen, zwak bestuur, schendingen van de mensenrechten en genderongelijkheid. Ook zal zij dialoog, participatie en verzoening stimuleren om daarmee de vrede te bevorderen en het uitbreken van geweld te voorkomen.

Menselijke ontwikkeling

93.

Het communautaire beleidskader met betrekking tot menselijke ontwikkeling ten behoeve van gezondheid, onderwijs, cultuur en gendergelijkheid, beoogt via mondiale en nationale acties de levenskwaliteit van de mensen te verbeteren in overeenstemming met de millenniumdoelstellingen. Het leidende beginsel zal het investeren in en waarderen van mensen zijn, waarbij gendergelijkheid en rechtvaardigheid bevorderd worden.

94.

De millenniumdoelstellingen kunnen niet worden gehaald zonder vorderingen te maken met de verwezenlijking van het in de Caïro/ICPD-agenda genoemde doel van universele seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. Om het hoofd te bieden aan de verwoestende gevolgen van hiv/aids, malaria en tuberculose in de ontwikkelingslanden, zal op basis van het Europees actieprogramma een routekaart voor gezamenlijke EU-acties worden ontwikkeld. De Gemeenschap zal de volledige uitvoering van strategieën ter bevordering van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten steunen, en de strijd tegen hiv/aids koppelen aan steun voor reproductieve en seksuele gezondheid en rechten. De Gemeenschap zal ook werken aan het enorme gebrek aan gezondheidswerkers, billijke financiering van de gezondheidssector en versterking van de gezondheidszorg om betere resultaten op het gebied van de gezondheid te verkrijgen, en geneesmiddelen beter betaalbaar te maken voor de armen.

95.

De prestatie-indicatoren ten opzichte van de millenniumdoelstellingen zullen worden versterkt om de sectorale en begrotingssteun beter af te stemmen op vorderingen met betrekking tot de millenniumdoelstellingen en te zorgen voor een adequate financiering van de gezondheidssector en het onderwijs.

96.

De Gemeenschap wil bijdragen tot „onderwijs voor iedereen”. De prioriteiten op onderwijsgebied zijn basisonderwijs en beroepsopleidingen van goede kwaliteit en het aanpakken van ongelijkheden. Er zal speciale aandacht worden besteed aan de bevordering van het onderwijs van meisjes en aan hun veiligheid op school. Er zal steun worden verleend voor de ontwikkeling en uitvoering van nationaal verankerde sectorale plannen en voor de deelneming aan regionale en internationale thematische onderwijsinitiatieven.

Sociale samenhang en werkgelegenheid

97.

In het kader van de armoedebestrijding wil de Gemeenschap sociale uitsluiting voorkomen en discriminatie van ongeacht welke groepering bestrijden. Zij zal de sociale dialoog en de sociale bescherming bevorderen, met name om genderongelijkheid aan te pakken, de rechten van inheemse volkeren te vrijwaren en kinderen te beschermen tegen mensenhandel, gewapende conflicten, de ergste vormen van kinderarbeid en discriminatie, en de positie van mensen met een handicap te verbeteren.

98.

Er zal steun worden verleend voor het sociale en fiscale beleid om de gelijkheid te bevorderen. Prioritaire steun zal onder meer worden verleend voor hervormingen van de sociale zekerheid en van de belastingen, de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven, groei ten bate van de armen, en werkgelegenheid.

99.

Werkgelegenheid is een cruciale factor om tot meer sociale samenhang te komen. De Gemeenschap zal investeringen bevorderen die werkgelegenheid scheppen en de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen ondersteunen. In dit opzicht zal de Gemeenschap zich inzetten voor fatsoenlijk werk voor iedereen, in overeenstemming met de agenda van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO).

3.3.   Versterking van de „mainstreaming”-benadering

100.

Voor sommige problemen zijn niet alleen specifieke maatregelen en specifiek beleid nodig, maar ook integratie in alle beleidsonderdelen („mainstreaming”), omdat zij algemene beginselen raken die van toepassing zijn op elk initiatief en dus een multisectorale inspanning vereisen.

101.

De Gemeenschap zal zich in al haar activiteiten versterkt inzetten om de volgende horizontale vraagstukken in haar hele beleid te integreren: bevordering van de mensenrechten, gendergelijkheid, democratie, behoorlijk bestuur, de rechten van het kind en van inheemse volkeren, milieuduurzaamheid en bestrijding van hiv/aids. Deze horizontale vraagstukken zijn zowel doelstellingen op zich als onontbeerlijke factoren om het effect en de duurzaamheid van de samenwerking te versterken.

102.

De Commissie zal deze benadering een nieuwe impuls geven door alle middelen waarover zij beschikt systematisch en strategisch in te zetten (18). Zij zal er vooral voor zorgen dat haar diensten de capaciteit ontwikkelen om dit beleid uit te voeren. Zij zal de dialoog met haar partnerlanden intensiveren om de integratie van deze vraagstukken in het nationale beleid en de armoedebestrijdingsstrategieën te bevorderen. Tevens zal zij het opzetten van deskundigennetwerken en netwerken voor technische ondersteuning vergemakkelijken.

Democratie, behoorlijk bestuur, mensenrechten, de rechten van het kind en van inheemse volkeren

103.

Democratie, behoorlijk bestuur, mensenrechten en de rechten van het kind zullen worden ontwikkeld in partnerschap met alle landen die communautaire ontwikkelingshulp ontvangen. Deze vraagstukken dienen systematisch in de ontwikkelingsinstrumenten van de Gemeenschap te worden opgenomen via alle landen- en regiostrategiedocumenten. Het voornaamste beginsel voor de vrijwaring van de rechten van inheemse volkeren in de ontwikkelingssamenwerking is, te zorgen voor hun volledige participatie en voor een vrije en voorafgaande geïnformeerde toestemming van de betrokken gemeenschappen.

Gendergelijkheid

104.

Gelijkheid tussen mannen en vrouwen en de actieve betrokkenheid van beide geslachten bij alle aspecten van de sociale vooruitgang, zijn essentiële voorwaarden om de armoede te bestrijden. Het genderaspect moet in nauwe samenhang met armoedebestrijding, sociale en politieke ontwikkeling en economische groei worden aangepakt, en moet in alle onderdelen van de ontwikkelingssamenwerking worden geïntegreerd. Gendergelijkheid zal worden bevorderd door steun voor gelijke rechten, toegang tot en controle over hulpbronnen en een politieke en economische stem.

Milieuduurzaamheid

105.

De Gemeenschap zal de inspanningen van de partnerlanden (regeringen en maatschappelijk middenveld) ondersteunen om de milieudimensie in het ontwikkelingsbeleid op te nemen, met inbegrip van de uitvoering van de multilaterale milieuovereenkomsten (19). Zij zal hen ook helpen hun capaciteit daarvoor te vergroten. Met milieubescherming moet rekening worden gehouden bij het uitstippelen en het uitvoeren van elk communautair beleid, met name om duurzame ontwikkeling te bevorderen.

HIV/AIDS

106.

In alle landen wordt de strijd tegen hiv/aids gezien als een inspanning die alle sectoren en instellingen aangaat. Er moet echter nog voor worden gezorgd dat de hiv/aids-problematiek wordt geïntegreerd in veel activiteiten die daarmee niet rechtstreeks verband houden, en in de werkprogramma's van specifieke sectorale steun.

3.4.   Ondersteuning van mondiale initiatieven en fondsen

107.

De Commissie zal blijven bijdragen tot mondiale initiatieven die duidelijk verband houden met de millenniumdoelstellingen en met mondiale collectieve goederen. De mondiale initiatieven en fondsen zijn krachtige instrumenten om nieuwe beleidsmaatregelen te lanceren of om bestaande maatregelen te versterken waar deze onvoldoende reikwijdte hebben. Zij zijn beter in staat bewustwording en steun van het publiek op te wekken dan de traditionele hulpverleningsinstellingen. Deze vorm van steun dient te worden afgestemd op de nationale strategieën, bij te dragen tot de dialoog met de landen, en gericht te zijn op de integratie van de fondsen in hun begrotingscyclus.

108.

De meerwaarde van mondiale initiatieven en fondsen moet per geval worden beoordeeld, na overleg van de Commissie met de lidstaten en, waar passend het Europees Parlement, wat de begroting betreft. De Commissie zal criteria vaststellen op grond waarvan wordt besloten over de deelname en de bijdrage van de Gemeenschap aan mondiale fondsen. Zij zal prioriteit geven aan initiatieven die ertoe bijdragen de millenniumdoelstellingen te bereiken en de beschikbaarheid van mondiale collectieve goederen te verhogen.

3.5.   Beleidssamenhang ten aanzien van ontwikkeling

109.

De Commissie en de lidstaten zullen een voortschrijdend werkprogramma opstellen voor de uitvoering van de conclusies van de Raad van mei 2005 betreffende de samenhang in het ontwikkelingsbeleid. In dat werkprogramma zullen prioritaire acties worden voorgesteld, de rol en de verantwoordelijkheden van de Raad, de lidstaten en de Commissie worden omschreven en volgordes en tijdschema's worden opgenomen, om ervoor te zorgen dat het beleid op andere gebieden dan ontwikkelingshulp de ontwikkelingslanden kan bijstaan bij het verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen. De Commissie zal haar bestaande instrumenten krachtiger maken, en met name haar effectbeoordelingsinstrument en het overleg met ontwikkelingslanden tijdens de bepaling en uitvoering van het beleid, en zich beraden op nieuwe instrumenten wanneer die nodig zijn ter ondersteuning van een versterkte samenhang in het ontwikkelingsbeleid.

110.

Niettegenstaande de vooruitgang bij de verwezenlijking van andere doelstellingen die verband houden met de samenhang van het ontwikkelingsbeleid, zal dringend werk worden gemaakt van de doelstellingen en maatregelen inzake migratie. In dit verband zal de Commissie ernaar streven migratie- en vluchtelingenvraagstukken op te nemen in de landen- en regiostrategieën en partnerschappen met de betrokken landen, en de synergieën tussen migratie en ontwikkeling te bevorderen, om migratie tot een positieve factor voor ontwikkeling te maken. Zij zal de ontwikkelingslanden steunen in hun beleid ter beheersing van de migratiestromen en in hun inspanningen om de mensenhandel te bestrijden, om te waarborgen dat de mensenrechten van migranten geëerbiedigd worden.

4.   Een waaier aan bepalingen naar behoefte en prestatie

111.

De Gemeenschap beschikt over een grote hoeveelheid verschillende bepalingen voor de uitvoering van de ontwikkelingshulp die haar in staat stellen in te spelen op verschillende behoeften in wisselende situaties. Deze bepalingen zijn beschikbaar voor alle geografische en thematische programma's en geven een reële meerwaarde aan het werk van de Gemeenschap.

112.

De communautaire bijstand, zowel projecthulp en ondersteuning van sectorale programma's als sectorale en algemene begrotingssteun, dient de armoedebestrijdingsstrategieën of gelijkwaardige strategieën van de partnerlanden te ondersteunen. De keuze van de meest geschikte manieren waarop de Gemeenschap steun kan verlenen zal voor ieder land afzonderlijk worden gemaakt in het stadium van de programmering, die steeds beter moet worden gecoördineerd met het proces van sectorale beleidsvorming en de uitvoering van de nationale begrotingen.

113.

Waar de omstandigheden dat toelaten, gaat in verband met steun voor economische en fiscale hervormingen en de uitvoering van armoedebestrijdingsstrategieën de voorkeur uit naar begrotingssteun, voor specifieke sectoren of voor het algemene programma van overheidsbestedingen. Deze stelt de ontvangende landen in staat de groei van de werkingskosten het hoofd te bieden, bevordert de harmonisatie en de afstemming op het nationale beleid, draagt bij tot vermindering van de transactiekosten en bevordert resultaatgerichte benaderingen. Zulke programma's zullen normaliter de steun van de internationale financiële instellingen vereisen, waarmee de steun van de Gemeenschap zal worden gecoördineerd. De meerwaarde van de aanvullende communautaire bijdrage en de eventuele aanvullende conditionaliteit moeten duidelijk worden omschreven. De financiële-beheerscapaciteiten van de ontvangende landen zal worden versterkt en nauwgezet worden gemonitord.

114.

Bij het verlenen van rechtstreekse begrotingssteun zullen de aanbevelingen van de OESO/DAC-richtsnoeren voor goede praktijken inzake begrotingssteun in aanmerking worden genomen, met name met betrekking tot afstemming, coördinatie en voorwaarden. Er zullen voor alle partnerlanden geldende richtsnoeren voor het verlenen van begrotingssteun worden opgesteld, aangevuld met duidelijke benchmarks en monitoring van indicatoren om de effectiviteit van deze vorm van steun te toetsen.

115.

De Gemeenschap zal consequent een resultaatgerichte aanpak volgen die gebaseerd is op resultaat- en prestatie-indicatoren. De voorwaardelijkheid zal steeds verder evolueren in de richting van een „contractueel” concept op basis van wederzijdse verbintenissen waarover is onderhandeld en die als te bereiken resultaten worden geformuleerd.

116.

Microfinanciering is de laatste paar jaar een belangrijke innovatie geweest. Deze zal verder ontwikkeld worden, met de nadruk op capaciteitsopbouw en organisaties met deskundigheid ter zake.

117.

Schuldvermindering, een soort indirecte begrotingssteun, heeft beperkte transactiekosten en bevordert de coördinatie en de harmonisatie tussen de donoren, zodat het, waar dat nodig en passend is, de landen kan helpen hun kwetsbaarheid tegenover schokken van buitenaf te verminderen.

118.

Communautaire steun zal ook in de toekomst voornamelijk als schenking worden verleend, wat vooral past bij de situatie van de armste landen en voor landen met een geringe terugbetalingscapaciteit.

119.

Om een maximaal effect voor de begunstigde landen te waarborgen, dienen de synergieën tussen de door de Europese Investeringsbank (EIB) en andere financiële instellingen gesteunde programma's en de door de Gemeenschap gefinancierde programma's te worden versterkt. De EIB speelt een steeds belangrijkere rol in de uitvoering van de communautaire steun, via investeringen in particuliere en overheidsbedrijven in de ontwikkelingslanden.

120.

Om de effectiviteit van de multilaterale hulp te vergroten, zal de Gemeenschap ook haar samenwerking met het VN-systeem, de internationale financiële instellingen en andere relevante internationale organisaties en agentschappen versterken wanneer dat een meerwaarde oplevert.

121.

De Gemeenschap zal vorderingen maken met de bepaling van een reeks richtsnoeren voor hulpverlening in landen die zich in een crisis bevinden of zich daar net aan ontworstelen, door ervoor te zorgen dat zij zowel haar procedures voor de toewijzing van middelen als de regels voor de hulpverlening aanpast met als oogmerk snel en flexibel te kunnen reageren met een brede reeks van maatregelen.

5.   Vorderingen met de hervorming van het beheer

122.

In 2000 heeft de Commissie een hervormingsprogramma gestart om de uitvoering van de buitenlandse hulp van de Gemeenschap te bespoedigen en de kwaliteit van de hulpverlening te verbeteren. Dit heeft geleid tot: i) een betere programmering binnen een samenhangende projectcyclus, met speciale aandacht voor armoedebestrijding; ii) de oprichting van één instantie — EuropeAid — die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de hulp; iii) een voltooid proces van overdracht van bevoegdheden, waardoor nu 80 delegaties verantwoordelijk zijn voor het beheer van de hulp; iv) de versterking van de menselijke hulpmiddelen om de uitvoering te bespoedigen; v) betere werkmethodes door geharmoniseerde en vereenvoudigde procedures, betere informatiesystemen en beter opgeleid personeel; vi) een betere kwaliteit door een proces van ondersteuning en monitoring van kwaliteit in de verschillende stadia van het projectbeheer, en ten slotte vii) een snellere uitvoering van de hulp.

123.

Verdere verbeteringen zijn nog nodig en worden nog aangebracht. Extern zal de agenda voor coördinatie en harmonisatie met andere donoren een sterke positieve uitwerking op de hulpverlening hebben. Intern zal de Commissie de procedures blijven stroomlijnen, blijven streven naar meer overdracht aan de delegaties, de interactie tussen de delegaties en de hoofdzetel verder verduidelijken en de informatiesystemen blijven verbeteren. In dit kader zal de kwaliteit van de projecten en programma's bij de indiening ervan meer aandacht krijgen, door een versterkt proces ter ondersteuning van de kwaliteit. Daartoe zal de hulp ook duidelijker moeten worden geconcentreerd op een beperkt aantal gebieden (en een beperkt aantal activiteiten binnen die gebieden) per partnerland. Bij de uitvoering moet een beter gebruik worden gemaakt van de monitoringinstrumenten en bij de afsluiting van de programma's dienen de evaluaties te resulteren in een duidelijker input in het programmerings- en identificatieproces.

6.   Monitoring en evaluatie

Lessen van de evaluatie van de verklaring over het ontwikkelingsbeleid (DPS) van 2000

124.

De beoordeling van het ontwikkelingsbeleid van de Europese Gemeenschap van 2000 en het effect daarvan op de communautaire hulp heeft een aantal belangrijke lessen opgeleverd. Een van die lessen was dat de recente internationale toezeggingen op ontwikkelingsgebied erin moeten worden verwerkt, zoals die welke tijdens VN-conferenties zijn aangegaan, alsook de vorderingen die met de ontwikkeling van de beste praktijken zijn gemaakt, zoals begrotingssteun en de verklaring van Parijs. De DPS moet ook meer inbreng van alle onderdelen van de Commissie vertegenwoordigen en op brede schaal door het Europees Parlement worden aanvaard. Zij moet consequent in de ontwikkelingsprogramma's van de Gemeenschap in alle ontwikkelingslanden worden toegepast. Met deze lessen is rekening gehouden toen de nieuwe verklaring werd overeengekomen, en zij zullen bij de toekomstige uitvoering van de EG-hulp in alle ontwikkelingslanden volledig in aanmerking worden genomen.

Monitoring van de toekomstige uitvoering

125.

De Commissie dient een reeks meetbare doelstellingen en streefdoelen voor de uitvoering van dit beleid op te stellen en de vorderingen regelmatig daaraan te toetsen in het jaarverslag over de uitvoering van het ontwikkelingsbeleid van de Europese Gemeenschap.

126.

De Commissie zal erop toezien dat al haar diensten en delegaties die de communautaire ontwikkelingshulp programmeren en uitvoeren, dit ontwikkelingsbeleid van de Europese Gemeenschap gebruiken als voornaamste referentie voor de communautair doelstellingen en beginselen voor de uitvoering van alle ontwikkelingssamenwerking.


(1)  De EU omvat de lidstaten en de Europese Gemeenschap.

(2)  Ontwikkelingslanden zijn alle landen op de lijst van recipiënten van officiële ontwikkelingshulp (ODA), die in april 2006 door de Commissie voor ontwikkelingsbijstand (DAC) van de OESO zal worden aangenomen.

(3)  Communautaire ontwikkelingssamenwerking is gebaseerd op de artikelen 177 tot en met 181 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

(4)  Activiteiten van de lidstaten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking worden omschreven als ODA, als bepaald door de DAC van de OESO.

(5)  In de jaren '90 op VN-conferenties aangenomen actieprogramma 's op sociaal, economisch en ecologisch gebied, alsmede op het gebied van mensenrechten, bevolking, reproductieve gezondheid en gendergelijkheid, welke in 2002-2005 zijn bevestigd in de Millennium-verklaring en de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (2000), in Monterrey (2002), op de wereldtop inzake duurzame ontwikkeling te Johannesburg (2002) en op de Millennium-evaluatietop (2005).

(6)  Vervat in het EU-programma voor de preventie van gewelddadige conflicten, Europese Raad van Göteborg, juni 2001.

(7)  In de conclusies van de Raad van mei 2005 wordt bepaald: De lidstaten die hun ODA nog niet op 0,51 % BNI hebben gebracht, beloven dat niveau, binnen hun respectieve procedures voor de vaststelling van de begroting, tegen 2010 te bereiken en de lidstaten die al boven dat niveau zitten, beloven hun inspanningen te zullen volhouden. De lidstaten die na 2002 tot de EU zijn toegetreden en die hun ODA nog niet op 0,17 % BNI hebben gebracht, zullen ernaar streven dat niveau binnen hun respectieve procedures voor de vaststelling van de begroting tegen 2010 te bereiken en degenen die al boven dat niveau zitten beloven hun inspanningen te zullen volhouden. De lidstaten beloven hun ODA tegen 2015 op 0,7 % BNI te brengen; degenen die dat cijfer al halen, zeggen toe daarboven te blijven. De lidstaten die na 2002 tot de EU zijn toegetreden zullen ernaar streven hun ODA tegen 2015 tot 0,33 % BNI te verhogen.

(8)  In 2003 wees de EU een gemiddelde van 67 % toe aan de LIC's, met uitzondering van de lidstaten die pas in 2004 toetraden (OESO/DAC-cijfers).

(9)  Verklaring van Rome van februari 2003 en verklaring van Parijs van maart 2005.

(10)  Dit blijkt onder meer uit de conclusies van de Raad van november 2004 over: „Bevordering van coördinatie, harmonisatie en onderlinge afstemming: de bijdrage van de Europese Unie”.

(11)  In de conclusies van de Raad van mei 2005 wordt bevestigd dat de EU vastbesloten is de doelstellingen uit te voeren die vermeld zijn in de mededeling van de Commissie inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling, waarin handel, milieu, klimaatverandering, veiligheid, landbouw, visserij, de sociale dimensie van globalisering, werkgelegenheid en menswaardig werk, migratie, onderzoek en vernieuwing, de informatiemaatschappij, vervoer en energie als onderwerp aan bod komen.

(12)  De component ontwikkelingshulp wordt omschreven als alle officiële ontwikkelingshulp (ODA) zoals bepaald door de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de OESO.

(13)  De ontwikkelingssamenwerking van de Gemeenschap stoelt op de artikelen 177 tot en met 181 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

(14)  Op alle twaalf gebieden die worden genoemd in de conclusies van de Raad van mei 2005 en de aangehechte mededeling inzake beleidscoherentie voor ontwikkeling.

(15)  Gedaan in de context van de Verklaring van Parijs van maart 2005.

(16)  Het voorstel van de Commissie aan de Raad en het Parlement is gebaseerd op drie beleidsgestuurde instrumenten: het Europees nabuurschaps- en partnerschapsbeleid, ontwikkelingssamenwerking en economische samenwerking, en pretoetreding tot de EU, alsmede op drie horizontale instrumenten, met name voor humanitaire hulp, stabiliteit en macrofinanciële hulp.

(17)  In de mededeling over bestuur en ontwikkeling van 2003 wordt beschreven hoe de EG bestuur omschrijft en aanpakt.

(18)  Strategische milieubeoordelingen en effectbeoordelingen voor gendergelijkheid zullen systematisch worden uitgevoerd, onder andere in het kader van de begrotingssteun („vergroening van de begroting”) en de sectorale steun.

(19)  Klimaat, biodiversiteit, woestijnvorming, afval en chemische producten.


Verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen

Mocht een lidstaat, ingevolge het besluit dat de Commissie voor ontwikkelingsbijstand (DAC) van de OESO op 16 april 2006 zal nemen, opnieuw wensen te bezien in welke mate hij deze Verklaring toepast, dan zal de Raad dit in overweging nemen.


Top