Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32026R1432

Uitvoeringsverordening (EU) 2026/1432 van de Commissie van 3 juli 2026 betreffende maatregelen om de vestiging en verspreiding op het grondgebied van de Unie van Meloidogyne graminicola Golden & Birchfield te voorkomen en om dat plaagorganisme in bepaalde afgebakende gebieden uit te roeien en in te perken, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1372

C/2026/5211

PB L, 2026/1432, 6.7.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/1432/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/1432/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2026/1432

6.7.2026

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2026/1432 VAN DE COMMISSIE

van 3 juli 2026

betreffende maatregelen om de vestiging en verspreiding op het grondgebied van de Unie van Meloidogyne graminicola Golden & Birchfield te voorkomen en om dat plaagorganisme in bepaalde afgebakende gebieden uit te roeien en in te perken, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1372

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad (1), en met name artikel 28, lid 1, punten d) tot en met g), en artikel 28, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1372 van de Commissie (2) zijn tijdelijke maatregelen vastgesteld om de binnenkomst, de verplaatsing en verspreiding, de vermeerdering en het vrijkomen in de Unie van Meloidogyne graminicola Golden & Birchfield (“het gespecificeerde plaagorganisme”) te voorkomen. Die tijdelijke maatregelen zijn van toepassing tot en met 30 juni 2026.

(2)

Die tijdelijke maatregelen waren nodig omdat het gespecificeerde plaagorganisme aanzienlijke schade heeft toegebracht aan planten van Oryza sativa L. in de delen van het grondgebied van de Unie waar het aanwezig was, en omdat in een in 2018 door Italië uitgevoerde risicobeoordeling (3) werd geconcludeerd dat het plaagorganisme aan de relevante criteria van deel 3, subdeel 2, van bijlage I bij Verordening (EU) 2016/2031 voldoet. Sinds de vaststelling van die tijdelijke maatregelen is uit door Italië uitgevoerde jaarlijkse onderzoeken gebleken dat het gespecificeerde plaagorganisme zich kan verspreiden naar andere gebieden waar het niet wordt bestreden, en dat het in die gebieden doeltreffend kan worden bestreden door passende maatregelen te treffen. Daarnaast is uit onderzoeken die zijn verricht in de afgebakende gebieden waar het gespecificeerde plaagorganisme aanwezig is, gebleken dat het in bepaalde van die afgebakende gebieden niet meer kan worden uitgeroeid.

(3)

Het gespecificeerde plaagorganisme voldoet derhalve aan de relevante criteria van deel 1 van bijlage I bij Verordening (EU) 2016/2031 en kan worden aangemerkt als EU-quarantaineorganisme waarvan bekend is dat het in de Unie voorkomt. Bijgevolg is dat plaagorganisme bij Uitvoeringsverordening (EU) 2026/1433 van de Commissie (4) toegevoegd aan deel B van bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie (5).

(4)

Uit de voornoemde jaarlijkse onderzoeken blijkt dat de populatie van het gespecificeerde plaagorganisme en de oppervlakte van het besmette gebied in Italië waren toegenomen nadat het plaagorganisme voor het eerst op het grondgebied van de Unie was aangetroffen, in het eerste jaar na de vaststelling van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1372 een piek bereikten, en sindsdien afnemen. Bovendien heeft geen enkele andere lidstaat een uitbraak waargenomen.

(5)

Ondanks deze tendens zijn voortdurende inspanningen nodig om te voorkomen dat het gespecificeerde plaagorganisme wordt binnengebracht uit derde landen waar het voorkomt en zich buiten besmette gebieden op het grondgebied van de Unie verspreidt. Om het risico op verspreiding verder te verminderen, moet het gespecificeerde plaagorganisme voor zover mogelijk op het grondgebied van de Unie worden uitgeroeid en doeltreffend worden ingeperkt in besmette gebieden waar uitroeiing niet mogelijk is.

(6)

Zowel de toepassing van de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1372 vastgestelde maatregelen betreffende de uitroeiing en inperking van het gespecificeerde plaagorganisme als onderzoeken zijn doeltreffend gebleken om het risico dat het gespecificeerde plaagorganisme zich op het grondgebied van de Unie vestigt en verspreidt, tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Daarom moeten zij ook in deze verordening worden opgenomen, met alle nodige wijzigingen.

(7)

De lijst van waardplanten in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1372 weerspiegelt niet meer de meest recente wetenschappelijke kennis. Daarom moet in bijlage I bij deze verordening een herziene lijst van waardplanten worden opgenomen.

(8)

Daarnaast moeten in deze verordening ook maatregelen met betrekking tot de instelling van afgebakende gebieden en onderzoeken naar het gespecificeerde plaagorganisme worden vastgesteld.

(9)

Er moeten afgebakende gebieden worden ingesteld, die bestaan uit een besmette zone met alle planten die besmet zijn of waarvan wordt vermoed dat zij besmet zijn met het gespecificeerde plaagorganisme, en een voldoende brede bufferzone rond de besmette zone, waar het gespecificeerde plaagorganisme voor zover bekend niet voorkomt. Overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EU) 2016/2031 moeten verschillende maatregelen gelden voor afgebakende gebieden voor uitroeiing en afgebakende gebieden voor inperking.

(10)

Er moeten inspecties worden uitgevoerd in de afgebakende gebieden en van waardplanten buiten die gebieden, om de mogelijke aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme vroegtijdig op te sporen en de verspreiding ervan naar de rest van het grondgebied van de Unie te voorkomen. De lidstaten moeten jaarlijkse inspecties uitvoeren op basis van een beoordeling van het risico op de insleep van het gespecificeerde plaagorganisme.

(11)

De lidstaten moeten het grote publiek en relevante professionele marktdeelnemers informeren over de dreiging van het gespecificeerde plaagorganisme en over de maatregelen die ertegen worden genomen om te zorgen voor een doeltreffender aanpak door alle mogelijke betrokkenen. Met name moeten de lidstaten meer bekendheid geven aan het gevaar van verspreiding ervan via schoeisel en voertuigen, aangezien deze vormen van verspreiding het meest door het grote publiek worden gebruikt.

(12)

De maatregelen van Verordening (EU) 2022/1372 betreffende het binnenbrengen op en het verkeer binnen het grondgebied van de Unie van in de bodem geteelde, voor opplant bestemde planten met wortels van Oryza sativa L. (“de gespecificeerde planten”) zijn bij Uitvoeringsverordening (EU) 2026/1433 opgenomen in de bijlagen VII en VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072.

(13)

Aangezien die maatregelen zijn opgenomen in Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 en omwille van de juridische duidelijkheid, moet Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1372 worden ingetrokken en door deze verordening worden vervangen.

(14)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening voorziet in maatregelen om te voorkomen dat Meloidogyne graminicola Golden & Birchfield zich op het grondgebied van de Unie vestigt en verspreidt, maatregelen om dit plaagorganisme uit te roeien wanneer het op het grondgebied van de Unie wordt aangetroffen, en maatregelen om het in te perken indien uitroeiing niet meer mogelijk is.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“het gespecificeerde plaagorganisme”: Meloidogyne graminicola Golden & Birchfield;

2)

“de gespecificeerde planten”: in de bodem geteelde, voor opplant bestemde planten met wortels van Oryza sativa L.;

3)

“waardplanten”: in de bodem geteelde, voor opplant bestemde planten met wortels van de in bijlage I vermelde geslachten en soorten;

4)

“spontane waardplanten”: waardplanten die vanzelf op de productieplaatsen opkomen zonder opzettelijk te zijn geplant;

5)

“gespecificeerde zaden”: zaden van Oryza sativa L.;

6)

“gespecificeerde voorwerpen”: machines, gereedschappen, voertuigen en persoonlijke uitrusting die zijn gebruikt voor activiteiten in verband met het planten, behandelen of oogsten van de waardplanten;

7)

“vanggewasmethode”: het zaaien van planten van Oryza sativa L. om het uitkomen van nematoden en de invasie van de wortels te stimuleren, gevolgd door vernietiging van de planten, binnen een fenologische fase die de doeltreffendheid van het vangen maximaliseert, maar niet later dan vijf weken na het planten.

Artikel 3

Jaarlijkse onderzoeken van het grondgebied van de Unie buiten de afgebakende gebieden

De lidstaten voeren jaarlijks risicogebaseerde onderzoeken uit naar de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme op waardplanten buiten de afgebakende gebieden. Die onderzoeken worden uitgevoerd in de delen van het grondgebied van de lidstaten waar het gespecificeerde plaagorganisme voor zover bekend niet voorkomt, maar zich wel zou kunnen vestigen, waarbij prioriteit wordt gegeven aan onderzoeken op de gespecificeerde planten.

Artikel 4

Instelling van afgebakende gebieden

1.   Wanneer de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme op het grondgebied van de Unie officieel is bevestigd, stelt de betrokken lidstaat onverwijld een afgebakend gebied in op basis van een afbakeningsonderzoek waarmee de mate van besmetting wordt bepaald, teneinde het gespecificeerde plaagorganisme uit te roeien.

2.   Een afgebakend gebied bestaat uit:

a)

een besmette zone met:

i)

alle gespecificeerde planten en waardplanten die met het gespecificeerde plaagorganisme zijn besmet;

ii)

alle gespecificeerde planten en waardplanten die symptomen vertonen die wijzen op een mogelijke besmetting met het gespecificeerde plaagorganisme;

iii)

alle andere planten die met het gespecificeerde plaagorganisme zijn besmet of vermoedelijk met het gespecificeerde plaagorganisme zijn besmet;

iv)

stukken land, grond of andere elementen die met het gespecificeerde plaagorganisme zijn besmet of vermoedelijk met het gespecificeerde plaagorganisme zijn besmet;

b)

een bufferzone met een breedte van ten minste 100 m vanaf de grens van de besmette zone in geval van een afgebakend gebied voor uitroeiing van het gespecificeerde plaagorganisme als bedoeld in artikel 6 en met dezelfde breedte in geval van een afgebakend gebied voor inperking van het gespecificeerde plaagorganisme als bedoeld in artikel 7.

3.   De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat zorgen ervoor dat het grote publiek en de professionele exploitanten op de hoogte zijn van de grenzen van de afgebakende gebieden en de maatregelen die voor uitroeiing, of in voorkomend geval inperking, en voorkoming van verspreiding buiten het afgebakende gebied van het gespecificeerde plaagorganisme zijn getroffen. Zij lichten het publiek voor over het risico van het gespecificeerde plaagorganisme.

4.   Wanneer het gespecificeerde plaagorganisme bij de in artikel 3 bedoelde onderzoeken gedurende een periode van drie opeenvolgende jaren niet is aangetroffen in een afgebakend gebied, mag die afbakening worden opgeheven. In dat geval stelt de betrokken lidstaat de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis dat het afgebakende gebied overeenkomstig artikel 19, lid 4, van Verordening (EU) 2016/2031 is afgeschaft.

Artikel 5

Jaarlijkse onderzoeken naar het gespecificeerde plaagorganisme in de afgebakende gebieden

1.   In afgebakende gebieden, met uitzondering van de besmette zone van afgebakende gebieden voor inperking van het gespecificeerde plaagorganisme zoals bedoeld in artikel 7, voeren de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat jaarlijks intensieve onderzoeken naar de waardplanten uit, zoals bedoeld in artikel 19, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031, om te monitoren hoe de aanwezigheid van het gespecificeerde plaagorganisme zich ontwikkelt.

2.   De in lid 1 bedoelde onderzoeken bestaan uit visueel onderzoek van waardplanten, alsook uit de bemonstering van waardplanten met symptomen, in voorkomend geval van asymptomatische waardplanten in de nabijheid van de waardplanten met symptomen, en in voorkomend geval van de grond. Het wortelsysteem van bemonsterde planten wordt gecontroleerd op de aanwezigheid van gallen van het gespecificeerde plaagorganisme.

Artikel 6

Uitroeiingsmaatregelen

De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat passen overeenkomstig artikel 4 alle volgende maatregelen toe in de afgebakende gebieden:

a)

het verwijderen van de gespecificeerde planten in de besmette zone op velden die oogstnabij zijn;

b)

het vernietigen van de gespecificeerde planten op velden die oogstnabij zijn, ter plaatse of op een daartoe aangewezen nabijgelegen locatie binnen de besmette zone vernietigd op zodanige wijze dat het gespecificeerde plaagorganisme zich niet verspreidt;

c)

een verbod op het inzaaien van de gespecificeerde zaden en op het planten van de gespecificeerde planten en de waardplanten in de besmette zone, behalve als vanggewas bij toepassing van de vanggewasmethode;

d)

het regelmatig verwijderen van spontane waardplanten;

e)

het voortdurend onder water houden van de velden in de besmette zone gedurende meer dan 18 maanden, en, indien dat niet mogelijk is, toepassing van de vanggewasmethode of andere methoden om te voorkomen dat het plaagorganisme zijn levenscyclus voltooit;

f)

het rooien en veilig verwijderen van gespecificeerde planten die voor de vanggewasmethode worden gebruikt, binnen een fenologische fase die de doeltreffendheid van het vangen maximaliseert, maar niet later dan vijf weken na het planten;

g)

het ontdoen van gespecificeerde voorwerpen die in een besmette zone zijn gebruikt van grond en plantenresten, voordat deze naar de omliggende velden worden verplaatst, waarbij tijdens het schoonmaken verspreiding van residuen uit het besmette veld wordt vermeden;

h)

een verbod op het verplaatsen uit de besmette zone van grond waarin de gespecificeerde planten of waardplanten in de voorgaande drie jaar zijn geteeld.

Artikel 7

Inperkingsmaatregelen

Wanneer een afgebakend gebied in bijlage II is opgenomen, passen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat in afwijking van artikel 6 alle volgende maatregelen toe in dat afgebakende gebied:

a)

het inzaaien van gespecificeerde zaden en het planten van gespecificeerde planten, mits een van de volgende fytosanitaire maatregelen is genomen:

i)

het gebied is gedurende ten minste drie maanden na de laatste oogst continu onder water gehouden;

ii)

toepassing van een vanggewasmethode binnen een fenologische fase die de doeltreffendheid van het vangen maximaliseert, gevolgd door vernietiging van het gewas uiterlijk vijf weken na het planten;

iii)

gewasrotatie met niet-waardplanten of gekweekte waardplanten van het geslacht Brassica L. of de soorten Allium cepa L., Glycine max (L.) Merr., Hordeum vulgare L., Panicum miliaceum L., Sorghum bicolor (L.) Moench en Triticum aestivum L., bestemd voor de productie van bollen, groenten of granen voor eindgebruikers, behalve voor gebruik als voor opplant bestemde planten;

b)

het regelmatig verwijderen van spontane waardplanten;

c)

het ontdoen van gespecificeerde voorwerpen die in de besmette zone zijn gebruikt van grond en plantenresten, voordat deze naar de omliggende velden worden verplaatst, waarbij tijdens het schoonmaken verspreiding van residuen uit het besmette veld wordt vermeden;

d)

een verbod op het buiten de besmette zone verplaatsen van:

i)

grond waarin de gespecificeerde planten of waardplanten in de voorgaande drie jaar zijn geteeld;

ii)

gespecificeerde planten, met uitzondering van zaden;

iii)

waardplanten, met uitzondering van gekweekte waardplanten als bedoeld in punt a), iii), en

iv)

gespecificeerde zaden, tenzij deze vrij zijn van grond en plantenresten.

Artikel 8

Rapportageverplichtingen voor de lidstaten

De lidstaten dienen elk jaar uiterlijk op 30 april bij de Commissie en de andere lidstaten de resultaten in van de onderzoeken die in het voorgaande kalenderjaar zijn uitgevoerd uit hoofde van:

a)

artikel 3 van deze verordening, waarbij een van de modellen in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1231 van de Commissie (6) wordt gebruikt;

b)

artikel 5, lid 1, van deze verordening, waarbij het model in bijlage III bij deze verordening wordt gebruikt.

Artikel 9

Intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1372

Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1372 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 juli 2026.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 317 van 23.11.2016, blz. 4, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/2031/oj.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1372 van de Commissie van 5 augustus 2022 wat betreft tijdelijke maatregelen om de binnenkomst, de verplaatsing en verspreiding, de vermeerdering en het vrijkomen in de Unie van Meloidogyne graminicola (Golden & Birchfield) te voorkomen (PB L 206 van 8.8.2022, blz. 16, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2022/1372/oj).

(3)  Analyse van het fytosanitaire risico van Meloidogyne graminicola Golden & Birchfield, uitgevoerd door de Italiaanse raad voor landbouwonderzoek en landbouweconomische analyse (Consiglio per la ricerca in agricoltura e l’analisi dell’economia agraria, CREA).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2026/1433 van de Commissie van 3 juli 2026 tot wijziging van de bijlagen II, VII en VIII bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 wat betreft maatregelen om de binnenkomst, aanwezigheid, vestiging en verspreiding van Meloidogyne graminicola Golden & Birchfield op het grondgebied van de Unie te voorkomen (PB L, 2026/1433, 6.7.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/1433/oj).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 van de Commissie van 28 november 2019 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 690/2008 van de Commissie en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2019 van de Commissie (PB L 319 van 10.12.2019, blz. 1, http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/2072/oj).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1231 van de Commissie van 27 augustus 2020 betreffende het formaat en de instructies voor de jaarlijkse verslagen over de resultaten van de onderzoeken en betreffende het formaat van de meerjarige onderzoekprogramma’s en de praktische regeling, die respectievelijk in de artikelen 22 en 23 van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad zijn bepaald (PB L 280 van 28.8.2020, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2020/1231/oj).


BIJLAGE I

Lijst van de in artikel 2, punt 3, bedoelde waardplanten

Abelmoschus esculentus

Ageratum conyzoides L.

Agrostis stolonifera

Alisma plantago-aquatica L.

Allium ascalonicum

Allium cepa L.

Allium fistulosum

Allium tuberosum

Alopecurus sp.

Alternanthera sessilis

Amaranthus spinosus

Amaranthus viridis

Ammannia baccifera

Andropogon sp.

Beta vulgaris

Blumea sp.

Bonnaya ciliata

Bothriochloa bladhii

Brassica juncea

Brassica oleracea

Capsicum annuum

Capsicum frutescens

Catharanthus roseus

Cenchrus americanus

Cenchrus pedicellatus

Centella asiatica

Colocasia esculenta

Commelina benghalensis

Corchorus aestuans

Corchorus capsularis

Coriandrum sativum

Cucumis sativus

Cyanotis axillaris

Cyanotis cucullata

Cyanthillium cinereum

Cymbopogon citratus

Cynodon dactylon

Cyperus compressus

Cyperus difformis

Cyperus esculentus

Cyperus imbricatus

Cyperus iria

Cyperus odoratus

Cyperus pilosus

Cyperus procerus

Cyperus pseudokyllingioides

Cyperus pulcherrimus

Cyperus rotundus

Dactyloctenium aegyptium

Desmodium triflorum

Digitaria filiformis

Digitaria longiflora

Digitaria sanguinalis

Echinochloa colonum

Echinochloa crus-galli

Eclipta prostrata

Eleusine coracana

Eleusine indica

Elymus repens

Eragrostis racemosa

Eragrostis tenella

Euphorbia hirta

Fimbristylis complanate

Fimbristylis dichotoma

Fimbristylis littoralis

Fimbristylis quinquangularis subsp. quinquangularis

Fuirena ciliaris

Gamochaeta falcata

Gamochaeta purpurea

Glycine max

Grangea ceruanoides

Hedyotis diffusa

Heteranthera reniformis

Hordeum vulgare

Hydrilla sp.

Impatiens balsamina

Imperata cylindrica

Ipomoea aquatica

Ischaemum rugosum

Juncus microcephalus

Kyllinga brevifolia

Kyllinga gracillima

Lactuca sativa

Leersia hexandra

Leptochloa chinensis

Leucas lavandulifolia

Lindernia sp.

Lolium multiflorum

Ludwigia adscendens

Mecardonia procumbens

Medicago polyceratia

Melilotus albus

Murdannia keisak

Murdannia nudiflora

Musa sp.

Oplismenus compositus

Oryza sativa

Oxalis corniculate

Panicum dichotomiflorum

Panicum flexuosum

Panicum miliaceum

Panicum repens

Paspalum scrobiculatum

Petunia sp.

Phaseolus vulgaris

Phlox drummondii

Phyllanthus niruri

Phyllanthus urinaria

Physalis minima

Pisum sativum

Poa annua

Pontederia vaginalis

Portulaca oleracea

Ranunculus sp.

Rungia parviflora

Saccharum officinarum

Sacciolepis indica

Schoenoplectiella articulata

Scoparia dulcis

Setaria italica

Sida acuta

Solanum lycopersicum

Solanum melongena

Solanum nigrum

Solanum sisymbriifolium

Solanum tuberosum

Sorghum bicolor

Spergula arvensis

Spermacoce articularis

Sphaeranthus sp.

Sphenoclea zeylanica

Spinacia oleracea

Stellaria media

Trifolium repens

Triticum aestivum subsp. aestivum

Urena lobata

Urochloa mutica

Urochloa ramose

Vandellia sp.

Vicia faba

Vigna mungo

Vigna radiata


BIJLAGE II

Lijst van afgebakende gebieden voor de inperking van het gespecificeerde plaagorganisme als bedoeld in artikel 7

ITALIË

Nummer/naam van het afgebakende gebied

Zone van het afgebakende gebied

Regio

Regionale eenheden of andere administratieve/geografische begrenzingen

1

Besmette zone + bufferzone

Piemonte

Biella: Castelletto Cervo, Gifflenga, Mottalciata

2

Besmette zone + bufferzone

Piemonte

Vercelli: Buronzo

3

Besmette zone + bufferzone

Lombardije

Pavia: Alagna, Carbonara al Ticino, Cilavegna, Dorno, Gambolò, Garlasco, Gropello Cairoli, Linarolo, Parona, Pavia, Pieve Albignola, Sannazzaro de” Burgondi, Scaldasole, Sommo, Tromello, Valle Salimbene, Vigevano, Villanova d’Ardenghi, Zerbolò, Zinasco


BIJLAGE III

Model voor de verslaglegging van de resultaten van de uit hoofde van artikel 5, eerste alinea, uitgevoerde jaarlijkse onderzoeken

1.

Beschrijving van het afgebakende gebied

2.

Aanvankelijke omvang van het afgebakende gebied (ha)

3.

Geactualiseerde omvang van het afgebakende gebied (ha)

4.

Aanpak (uitroeiing of inperking)

5.

Zone

6.

Onderzoekslocaties

7.

Vastgestelde risicogebieden

8.

Geïnspecteerde risicogebieden

9.

Plantmateriaal/handelsartikel

10.

Lijst van waardplantensoorten

11.

Tijdschema

12.

Bijzonderheden van het onderzoek

13.

Aantal geanalyseerde symptomatische monsters:

i:

Totaal

ii:

Positief

iii:

Negatief

iv:

Niet bekend

14.

Aantal geanalyseerde asymptomatische monsters:

i:

Totaal

ii:

Positief

iii:

Negatief

iv:

Niet bekend

15.

Kennisgevingsnummer van de gemelde uitbraken, voor zover van toepassing, overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1715 van de Commissie (1)

16.

Opmerkingen

A:

Aantal visuele onderzoeken

B:

Totaal aantal genomen monsters

C:

Type vallen (of andere methode, bv. vangnet)

D:

Aantal vallen (of andere vangmethode)

E:

Aantal locaties met vallen indien afwijkend van de in punt D) vermelde gegevens

F:

Type tests (bv. microscopische identificatie, PCR, Elisa)

G:

Totaal aantal tests

H:

Andere maatregelen (bv. speurhonden, drones, helikopters, bewustmakingscampagnes)

Naam

Datum van instelling

Omschrijving

Aantal

I:

Aantal andere maatregelen

Nummer

Datum

A

B

C

D

E

F

G

H

I

i

ii

iii

iv

i

ii

iii

iv

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(1)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1715 van de Commissie van 30 september 2019 tot vaststelling van regels inzake de werking van het informatiemanagementsysteem voor officiële controles en de systeemcomponenten ervan (de Imsoc-verordening) (PB L 261 van 14.10.2019, blz. 37, http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/1715/oj).

Instructies voor het invullen van het model

Kolom 1:

vermeld de naam van het geografische gebied, het uitbraaknummer of alle informatie waarmee dit afgebakende gebied kan worden geïdentificeerd, en de datum van instelling.

Kolom 2:

vermeld de omvang van het afgebakende gebied voor aanvang van het onderzoek.

Kolom 3:

vermeld de omvang van het afgebakende gebied na het onderzoek.

Kolom 4:

vermeld de aanpak: uitroeiing of inperking. Voeg zo veel rijen toe als nodig, afhankelijk van het aantal afgebakende gebieden per plaagorganisme en de aanpak die in deze gebieden wordt gehanteerd.

Kolom 5:

vermeld de zone van het afgebakende gebied waar het onderzoek is uitgevoerd, met zoveel rijen als nodig: besmette zone of bufferzone, in afzonderlijke rijen. Vermeld, indien van toepassing, in afzonderlijke rijen het gebied van de besmette zone waar het onderzoek is uitgevoerd (bv. de laatste 20 km aangrenzend aan de bufferzone, rond kwekerijen).

Kolom 6:

vermeld het aantal en de beschrijving van de onderzoeklocaties, door een van de volgende vermeldingen te kiezen:

1.

in de open lucht (productiegebied): 1.1. veld (landbouwgrond, weidegrond); 1.2. boomgaard/wijngaard; 1.3. kwekerij; 1.4. bos;

2.

in de open lucht (overig): 2.1. privétuin; 2.2. openbare locaties; 2.3. beschermd gebied; 2.4. wilde planten in een niet-beschermd gebied; 2.5. andere locatie, met specificatie van het specifieke geval (bv. tuincentrum, commerciële locatie waar houten verpakkingsmateriaal wordt gebruikt, houtindustrie, waterrijk natuurgebied, irrigatie- en drainagenetwerk);

3.

besloten omgeving: 3.1. kas; 3.2. privéterrein anders dan een kas; 3.3. openbare locatie anders dan een kas; 3.4. andere locatie, met specificatie van het specifieke geval (bv. tuincentrum, commerciële locatie waar houten verpakkingsmateriaal wordt gebruikt, houtindustrie).

Kolom 7:

vermeld welke risicogebieden zijn vastgesteld op basis van de biologische eigenschappen van het plaagorganisme/de plaagorganismen, de aanwezigheid van waardplanten, ecoklimatologische omstandigheden en risicolocaties.

Kolom 8:

vermeld van de in kolom 7 vermelde risicogebieden, de in het onderzoek opgenomen risicogebieden.

Kolom 9:

vermeld planten, vruchten, zaden, bodem, verpakkingsmateriaal, hout, machines, voertuigen, water, andere, met vermelding van het specifieke geval.

Kolom 10:

vermeld de lijst van onderzochte plantensoorten/-geslachten, met telkens één rij per plantensoort/-geslacht.

Kolom 11:

vermeld de maanden van het jaar waarin het onderzoek is uitgevoerd.

Kolom 12:

vermeld de bijzonderheden van het onderzoek, afhankelijk van de specifieke wettelijke voorschriften voor elk plaagorganisme. Geef met “n.v.t.” aan wanneer de gegevens van een bepaalde kolom niet van toepassing zijn.

Kolommen 13 en 14:

vermeld de resultaten, indien van toepassing, en verstrek de beschikbare informatie in de desbetreffende kolommen. Onder “niet bekend” wordt verstaan: de geanalyseerde monsters waarvan om verschillende redenen geen resultaat kon worden bepaald (bv. onder het detectieniveau, niet-geïdentificeerd of onverwerkt monster, oud monster).

Kolom 15:

vermeld voor de bevindingen in de bufferzone de kennisgevingen van uitbraken van het jaar waarin het onderzoek heeft plaatsgevonden. Het kennisgevingsnummer van de uitbraak hoeft niet te worden vermeld wanneer de bevoegde autoriteit heeft besloten dat het een van de in artikel 14, lid 2, artikel 15, lid 2, of artikel 16 van Verordening (EU) 2016/2031 bedoelde gevallen betreft. Vermeld in dit geval in kolom 16 (Opmerkingen) de reden voor het niet verstrekken van deze informatie.


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/1432/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)


Top