This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32026R0276
Commission Implementing Regulation (EU) 2026/276 of 5 February 2026 imposing a definitive anti-dumping duty and definitively collecting the provisional duty imposed on imports of certain prepared or preserved sweetcorn in kernels, originating in the People’s Republic of China
Uitvoeringsverordening (EU) 2026/276 van de Commissie van 5 februari 2026 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit de Volksrepubliek China
Uitvoeringsverordening (EU) 2026/276 van de Commissie van 5 februari 2026 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit de Volksrepubliek China
C/2026/569
PB L, 2026/276, 6.2.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/276/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
In force
|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/276 |
6.2.2026 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2026/276 VAN DE COMMISSIE
van 5 februari 2026
tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit de Volksrepubliek China
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) (“de basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Opening van het onderzoek
|
(1) |
Op 9 december 2024 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van de basisverordening een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van suikermais van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“het betrokken land” of “de VRC”). Zij heeft daartoe een bericht van inleiding gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (“het bericht van inleiding”). |
|
(2) |
De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een klacht die op 25 oktober 2024 werd ingediend door de Association Européenne des Transformateurs de Maïs Doux (“AETMD” of “de klager”). De klacht werd ingediend namens de bedrijfstak van de Unie voor bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen. |
1.2. Registratie
|
(3) |
De Commissie heeft de invoer van het betrokken product bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/309 (3) (“de registratieverordening”) aan registratie onderworpen. |
1.3. Voorlopige maatregelen
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 19 bis van de basisverordening heeft de Commissie de belanghebbenden op 10 juli 2025 een overzicht van de voorgestelde rechten verstrekt, alsook nadere gegevens over de berekening van de dumpingmarges en de marges die toereikend zijn om de schade voor de bedrijfstak van de Unie weg te nemen. De belanghebbenden werd verzocht om binnen drie werkdagen hun opmerkingen over de juistheid van de berekeningen kenbaar te maken. Beide in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, de Sunflower-groep en de Tongfa-groep, hebben schriftelijke opmerkingen ingediend waarin zij hun standpunt kenbaar maakten over vermeende administratieve fouten bij de berekening van hun dumpingmarges. De Commissie achtte sommige argumenten gerechtvaardigd en paste de dumpingmarges dienovereenkomstig aan. |
|
(5) |
Op 8 augustus 2025 heeft de Commissie bij Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1723 van de Commissie (4) (“de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit de Volksrepubliek China. |
1.4. Vervolg van de procedure
|
(6) |
Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan een voorlopig antidumpingrecht werd ingesteld (“de mededeling van de voorlopige bevindingen”), hebben de klager, de Sunflower-groep, de Tongfa-groep, de Chinese Kamer van Koophandel voor de in- en uitvoer van levensmiddelen, inheemse producten en dierlijke bijproducten (“CFNA”, China Chamber of Commerce for Import/Export of Foodstuffs, Native Produce and Animal By-products), die producenten-exporteurs (5) vertegenwoordigt, en Frucom, een vereniging van importeurs van en handelaren in levensmiddelen, waaronder suikermais, in de Unie, binnen de in artikel 2, lid 1, van de voorlopige verordening gestelde termijn schriftelijke opmerkingen ingediend waarin zij hun standpunten over de voorlopige bevindingen kenbaar maakten. |
|
(7) |
De belanghebbenden die daartoe een verzoek hadden ingediend, zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Er vond een hoorzitting plaats met Frucom. |
|
(8) |
De Commissie is doorgegaan met het verzamelen en controleren van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen nodig achtte. Bij het vaststellen van de definitieve bevindingen heeft de Commissie de opmerkingen van de belanghebbenden in overweging genomen en waar passend haar voorlopige conclusies herzien. |
|
(9) |
De Commissie heeft alle belanghebbenden ingelicht over de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was een definitief antidumpingrecht in te stellen op bereide en verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit de VRC (“mededeling van de definitieve bevindingen”). Alle belanghebbenden konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen indienen. De CFNA en de Tongfa-groep hebben opmerkingen gemaakt over de mededeling van de definitieve bevindingen. |
1.5. Argumenten inzake de inleiding van de procedure
|
(10) |
Aangezien er geen opmerkingen over de inleiding van procedure zijn ontvangen, heeft de Commissie de conclusies in de overwegingen 6 tot en met 28 van de voorlopige verordening bevestigd. |
1.6. Samenstelling van de steekproef
|
(11) |
Aangezien er geen opmerkingen over de opneming van producenten-exporteurs in de VRC, producenten in de Unie en niet-verbonden importeurs in de steekproef zijn ontvangen, heeft de Commissie de conclusies in de overwegingen 29 tot en met 34 van de voorlopige verordening bevestigd. |
1.7. Antwoorden op de vragenlijst en controlebezoeken
|
(12) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie de conclusies in de overwegingen 35 tot en met 39 van de voorlopige verordening bevestigd. |
1.8. Toepassing van artikel 18 van de basisverordening
|
(13) |
Aangezien er geen opmerkingen over de toepassing van artikel 18 van de basisverordening in verband met het bestaan van verstoringen van betekenis in de VRC zijn ontvangen, heeft de Commissie de conclusies in overweging 40 van de voorlopige verordening bevestigd. |
|
(14) |
Er werden verdere opmerkingen ontvangen van de Sunflower-groep en de Tongfa-groep met betrekking tot de overwegingen 41 en 42 van de voorlopige verordening. Deze opmerkingen zijn onderzocht in de punten 3.2, 3.3 en 3.4. |
1.9. Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode
|
(15) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie de conclusies in overweging 43 van de voorlopige verordening bevestigd. |
2. ONDERZOCHT PRODUCT, BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
|
(16) |
Het onderzochte product betreft suikermais (Zea mays var. saccharata) in korrels, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur, niet bevroren, en suikermais (Zea mays var. saccharata) in korrels, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 2001 90 30 (Taric-code 2001 90 30 10) en ex 2005 80 00 (Taric-code 2005 80 00 10) (“het onderzochte product”). |
|
(17) |
Suikermais is bestemd voor menselijke consumptie. Het product wordt doorgaans in blik aangeboden, maar ook in glazen potten, tetrapakken of zakjes. |
|
(18) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie de conclusies in de overwegingen 44 tot en met 48 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3. DUMPING
3.1. Procedure voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening
|
(19) |
Aangezien er geen verdere opmerkingen over deze procedure zijn ontvangen, heeft de Commissie de conclusies in de overwegingen 49 tot en met 58 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3.2. Normale waarde
3.2.1. Bestaan van verstoringen van betekenis
|
(20) |
Aangezien er geen verdere opmerkingen over het bestaan van verstoringen van betekenis zijn ontvangen, heeft de Commissie de conclusies in de overwegingen 62 tot en met 152 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3.2.2. Representatief land
|
(21) |
Het gebruik van Maleisië als representatief land werd besproken in de overwegingen 153 tot en met 187 van de voorlopige verordening. Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerden de Tongfa-groep en Frucom aan dat de Thaise onderneming Sunsweet moest worden gebruikt om de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (“VAA-kosten”) en winstgegevens te berekenen, aangezien deze onderneming het betrokken product produceerde en derhalve geschikter was dan de Maleisische onderneming Fraser and Neave Holdings BHD (“F&N”), die alleen producten in dezelfde algemene categorie produceerde. Zoals uiteengezet in de overwegingen 172 en 175 van de voorlopige verordening, werd Thailand echter uitgesloten als representatief land vanwege de grote hoeveelheden invoer van verse suikermais en blikken uit de VRC. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(22) |
Frucom merkte voorts op dat Mexico was afgewezen als geschikt representatief land wegens het gebrek aan beschikbare VAA-kosten en winstgegevens van ondernemingen die het onderzochte product produceren, en dat dit ook voor Maleisië zou moeten gelden. Zoals uiteengezet in de overwegingen 176 en 181 van de voorlopige verordening, waren de redenen voor de uitsluiting van Mexico echter het gebrek aan invoer van verse suikermais en het feit dat de beschikbare gegevens over blikken niet representatief waren voor blikken die bij de productie van levensmiddelen worden gebruikt. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(23) |
Frucom merkte ook op dat Maleisië niet geschikt was als representatief land omdat zijn prijzen bij invoer van blikken verstoord kunnen zijn door de invloed van grote hoeveelheden invoer uit de VRC. Zoals vermeld in overweging 177 van de voorlopige verordening, waren er echter geen aanwijzingen dat de prijzen van de invoer in Maleisië van blikken uit de VRC de prijzen van andere invoer hadden beïnvloed. De prijzen van de uit de VRC in Maleisië ingevoerde blikken (ongeveer 14 CNY per kg) waren immers veel lager dan die van de invoer uit andere landen (ongeveer 28 CNY per kg). Frucom heeft geen bewijsmateriaal ter ondersteuning van zijn argument verstrekt. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(24) |
Aangezien er geen verdere opmerkingen over het representatieve land zijn ontvangen, heeft de Commissie de conclusies in de overwegingen 153 tot en met 187 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3.2.3. Bronnen voor de vaststelling van niet-verstoorde kosten
3.2.3.1.
|
(25) |
De Tongfa-groep voerde aan dat de Maleisische code van de douanenomenclatuur die voor blikken wordt gebruikt, namelijk 7310 21 91 , niet geschikt is om de benchmark voor de groep vast te stellen, omdat daarmee blikken met een inhoud van minder dan één liter worden uitgesloten en bijna alle door Tongfa gebruikte blikken minder dan één liter zijn. De Tongfa-groep verzocht de Commissie een code vast te stellen die expliciet betrekking heeft op het soort blikken dat door Tongfa wordt gebruikt of, indien dit niet mogelijk is, gebruik te maken van de invoergegevens onder de 6-cijferige GS-onderverdeling 7310 21 , die zeker betrekking heeft op de door Tongfa gebruikte blikken. |
|
(26) |
Het klopt dat de code 7310 21 91 van de Maleisische douanenomenclatuur (6) betrekking heeft op blikken met een inhoud van minder dan vijftig liter, met uitzondering van blikken met een inhoud van minder dan één liter. Deze laatste vallen onder code 7310 21 11 . In het onderzoektijdvak vond onder code 7310 21 11 helemaal geen invoer in Maleisië plaats. De rest van de invoer in Maleisië onder GS-onderverdeling 7310 21 heeft betrekking op andere producten dan blikken, zoals reservoirs of fusten van staal met een inhoud van meer dan vijftig liter. Voorts merkte de Commissie op dat de Tongfa-groep niet alleen blikken van minder dan één liter gebruikte, maar ook andere soorten blikken. Daarom is 7310 21 91 , die alleen betrekking heeft op blikken, de meest geschikte code voor de blikken die bij de productie van suikermais worden gebruikt, terwijl het gebruik van de invoerprijs onder GS-onderverdeling 7310 21 de benchmark alleen maar ongeschikt zou maken, aangezien deze niet langer betrekking zou hebben op de producten die bij de productie van suikermais worden gebruikt. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(27) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de Tongfa-groep aan dat de Commissie de gemiddelde prijs bij invoer in Thailand onder de Thaise douanecode 7310 21 11 zou moeten gebruiken, die uitsluitend betrekking heeft op blikken van minder dan 1 liter (7). Ter ondersteuning van haar argument verwees zij naar de recente praktijk van de Commissie (8) waarbij de Commissie een ander land dan het representatieve land had gebruikt om de benchmark voor sommige productiefactoren vast te stellen, en naar het feit dat het grootste deel van de invoer van blikken in Thailand onder die code afkomstig is uit andere landen dan de VRC. |
|
(28) |
Volgens artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, van de basisverordening zijn de bronnen die de Commissie kan gebruiken voor de berekening van de normale waarde onder meer de overeenkomstige productie- en verkoopkosten in een passend representatief land met een niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van het land van uitvoer, mits de desbetreffende gegevens onmiddellijk beschikbaar zijn. Zoals uiteengezet in overweging 175 van de voorlopige verordening, werd Thailand afgewezen als mogelijk geschikt representatief land vanwege de grote ingevoerde hoeveelheden verse suikermais en blikken uit de VRC, die ongeveer 75 % van de productiekosten vertegenwoordigen. Bijgevolg was de Commissie van oordeel dat zij de invoer in Thailand niet kon gebruiken om de benchmarks voor de normale waarde vast te stellen. Bovendien kwam de invoer onder Maleisische douanecode 7310 21 91 overeen met de productiekosten in het betrokken land, omdat die code uitsluitend betrekking had op blikken van vertind blik, het basisproduct dat door beide in dit onderzoek in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werd gebruikt, en omdat de Commissie de gemiddelde prijs per in Maleisië ingevoerde kilogram gebruikte, was de benchmark geschikt voor de overeenkomstige productiekosten voor alle blikken, ongeacht de inhoud ervan. De Tongfa-groep heeft geen bewijs van het tegendeel geleverd. Om alle bovenstaande redenen heeft de Commissie het argument afgewezen. |
|
(29) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde de Tongfa-groep aan dat haar methode voor het berekenen van de arbeidsuren tijdens de controle werd toegelicht aan de hand van werkbladen en bedrijfsdossiers en nauwkeuriger was dan de door de Commissie opgelegde methode, namelijk een toerekening op basis van gewichten in blik. |
|
(30) |
Zoals uiteengezet in de overwegingen 207 tot en met 209 van de voorlopige verordening, kon de berekening van de arbeidsuren door de Tongfa-groep niet worden aanvaard omdat deze alleen werd ondersteund door gegevens in spreadsheets die geen controleerbaar systeem vormden. Met het effectieve systeem dat tijdens de controle werd gepresenteerd, werd getracht arbeid rechtstreeks aan het onderzochte product toe te rekenen, maar de arbeid kon niet worden gekoppeld aan het boekhoudsysteem van de onderneming. Het aantal in het kader van dit systeem gerapporteerde arbeidsuren was zeer laag in vergelijking met het aantal uren dat werd geregistreerd voor soortgelijke producten in blik. De Tongfa-groep heeft voor deze onregelmatigheid geen verklaring gegeven. Bijgevolg heeft de Commissie op basis van de beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening een verdeling toegepast op basis van de geproduceerde hoeveelheid van het onderzochte product in vergelijking met alle producten in blik, aangezien de Tongfa-groep zelf andere productiefactoren (bv. energie) gebruikte. De Tongfa-groep verstrekte geen nieuw bewijsmateriaal ter staving van zijn argument. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(31) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde de Sunflower-groep aan dat de meerekening van elektriciteit in verbruiksgoederen voor Sunflower onredelijk was, omdat elektriciteit geen grondstof is, de Commissie een benchmark voor elektriciteit had vastgesteld en de Commissie bovendien voor Sunny elektriciteit niet als verbruiksgoed heeft behandeld en de benchmark heeft gebruikt. |
|
(32) |
Zoals uiteengezet in de overwegingen 190 en 194 van de voorlopige verordening, heeft de Commissie enkele productiefactoren in de verbruiksgoederen opgenomen omdat zij in het onderzoektijdvak een verwaarloosbaar aandeel van de totale grondstofkosten vertegenwoordigden. Deze benadering is gerechtvaardigd op basis van het aandeel van elke productiefactor, waaronder elektriciteit, in de totale productiekosten van een onderneming, ongeacht of de Commissie een benchmark had vastgesteld. Dit was het geval voor elektriciteit voor Sunflower. Voor Sunny was de situatie anders, aangezien elektriciteit een groter deel van zijn totale kosten uitmaakte. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(33) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde de Sunflower-groep aan dat de correctie die de Commissie heeft toegepast om zijn overhead-productiekosten te berekenen, onjuist was en geen rechtsgrondslag had. Concreet voerde hij aan dat de Commissie de werkelijke verhouding tussen de overhead-productiekosten en de directe productiekosten van Sunflower en Sunny gedurende het onderzoektijdvak, die voortvloeien uit zijn financiële administratie en door de Commissie zijn geverifieerd, niet heeft toegepast, maar in plaats daarvan deze verhouding heeft gecorrigeerd door alleen te verwijzen naar gegevens voor Sunny en buiten het onderzoektijdvak. Voorts voerde hij aan dat de toepassing van de werkelijke overheadpercentages van de ondernemingen op de niet-verstoorde benchmarkprijzen inherent de niet-verstoorde overheadkosten zou weerspiegelen. |
|
(34) |
De Commissie achtte het argument gerechtvaardigd en heeft de berekening van de dumping voor Sunflower dienovereenkomstig herzien. Bijgevolg weerspiegelt de herziene berekening van de overheadkosten het werkelijke percentage voor Sunflower in het onderzoektijdvak. |
|
(35) |
Zoals uiteengezet in overweging 21, maakte de Tongfa-groep na de mededeling van de voorlopige bevindingen bezwaar tegen het gebruik van F&N in Maleisië als bron voor de berekening van de VAA-kosten en winstgegevens. In de bovenstaande overweging werd de afwijzing van Thailand als representatief land bevestigd. Daarnaast voerde de Tongfa-groep aan dat F&N geen geschikte bron van VAA-kosten en winstgegevens is, aangezien de onderneming het betrokken product niet produceerde. Zoals uiteengezet in overweging 169 van de voorlopige verordening vervaardigt F&N echter producten in dezelfde algemene categorie als het onderzochte product, d.w.z. levensmiddelen en dranken, met inbegrip van producten in blik, en als zodanig verschillen deze producten niet sterk van het onderzochte product. Hoe dan ook heeft de Tongfa-groep geen bewijsmateriaal verstrekt dat de bedragen op basis van de voor F&N vastgestelde VAA-kosten en winstpercentages onredelijk zou maken. Dit argument werd dan ook afgewezen. |
|
(36) |
Aangezien er geen verdere opmerkingen zijn ontvangen over de bron die zijn gebruikt voor het vaststellen van de niet-verstoorde kosten, heeft de Commissie de conclusies in de overwegingen 188 tot en met 213 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3.3. Uitvoerprijs
|
(37) |
Aangezien er geen opmerkingen over de uitvoerprijs zijn ontvangen, heeft de Commissie de conclusies in de overwegingen 214 tot en met 216 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3.4. Vergelijking
3.4.1. Correcties van de normale waarde
|
(38) |
Aangezien er geen verdere opmerkingen over correcties van de normale waarde zijn ontvangen, heeft de Commissie de conclusies in overweging 218 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3.4.2. Correcties van de uitvoerprijs
|
(39) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerde de Tongfa-groep aan dat de Commissie voor de correctie op grond van artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening gebruik zou moeten maken van de werkelijke winst/het werkelijke verlies van Fujian Tongfa Foods Group Co., Ltd (“FT”), zoals zij deed voor de VAA-kosten in plaats van de winst van een niet-verbonden handelaar. Concreet voerde de onderneming aan dat FT slechts fungeert als intermediaire factureringspartij tussen Zhangzhou Tongfa Foods Industry Co., Ltd (“ZT”), de producent, en niet-verbonden afnemers in de EU, en dat de nettofactuurwaarde van FT aan ZT dezelfde is als die van ZT, en dat FT daarom moet worden beschouwd op het niveau van de geïntegreerde Tongfa-groep en niet als een onafhankelijke, op winst gerichte en typische handelaar. |
|
(40) |
Volgens de kaderovereenkomst tussen beide partijen die de Tongfa-groep in de loop van het onderzoek heeft verstrekt, is FT verantwoordelijk voor het sluiten van contracten met afnemers, het voeren van onderhandelingen met afnemers, het innen van betalingen bij afnemers of het afhandelen van procedures voor de terugbetaling van uitvoerheffingen en de inning van belastingteruggaven. Dergelijke functies zijn vergelijkbaar met die van een op commissiebasis werkende agent. Bovendien waren de individuele facturen voor elke verkooptransactie onderworpen aan een arbitragebeding tussen ZT en FT, waaruit een gebrek aan economische solidariteit blijkt en dat niet passend zou zijn indien FT gewoon als een volledig geïntegreerde verkoopafdeling zou opereren. |
|
(41) |
Uit het onderzoek is ook gebleken dat FT niet kan worden beschouwd als een volledig geïntegreerde verkoopafdeling binnen de groep, aangezien ZT het betrokken product in 2021, 2022 en 2023 rechtstreeks naar de Unie en andere landen uitvoerde, en in het onderzoektijdvak naar andere landen dan de Unie. Hieruit volgt dat ZT over een eigen operationele verkoopafdeling beschikt. Op basis hiervan heeft de Commissie de correctie voor commissies overeenkomstig artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening toegepast. Met betrekking tot de in de berekening van het bedrag van de commissies gebruikte winst kwamen in de facturen tussen ZT en FT overdrachten binnen de groep naar voren die geen zakelijke prijzen weerspiegelden. Bijgevolg kon de correctie niet op die overdrachten worden gebaseerd. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(42) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen herhaalde de Tongfa-groep zijn argument dat de toepassing van artikel 18 met betrekking tot de cif-waarde niet gerechtvaardigd was, aangezien er volgens hem geen sprake van onjuiste of misleidende inlichtingen was. Tongfa voerde ook aan dat er een rekenfout was gemaakt in de door de Commissie toegepaste methode. |
|
(43) |
Zoals uiteengezet in overweging 229 van de voorlopige verordening en zoals Tongfa in zijn opmerkingen over de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft erkend, heeft Tongfa feitelijke gegevens verstrekt voor ongeveer 70 % van zijn verkoop. Tongfa verstrekte wel een raming voor de resterende 30 % van de verkoop, maar, zoals vermeld in overweging 229 van de voorlopige verordening, was die berekening onjuist omdat daarin geen rekening werd gehouden met de datum van verzending. Daarom heeft de Commissie de door Tongfa verstrekte basisvrachttarieven voor 70 % van de transacties gebruikt als beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening, maar deze op maandelijkse basis toegepast. Tongfa heeft geen bewijsmateriaal of verklaring verstrekt over de vraag waarom de aanpak van de Commissie, die op zijn eigen gegevens was gebaseerd, onjuist was. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(44) |
Met betrekking tot de vermeende rekenfout kon de Commissie er in haar berekening geen vinden. Daarom verstrekte zij in de mededeling van de definitieve bevindingen nadere details over de berekening van de cif-prijzen. |
|
(45) |
Aangezien er geen verdere opmerkingen over correcties van de uitvoerprijs zijn ontvangen, heeft de Commissie de conclusies in de overwegingen 219 tot en met 232 van de voorlopige verordening bevestigd. |
3.5. Dumpingmarges
|
(46) |
Zoals beschreven in de overwegingen 33 en 34, heeft de Commissie de schademarges herzien naar aanleiding van een argument van belanghebbenden. |
|
(47) |
De definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs (kosten, verzekering en vracht), grens Unie, vóór inklaring, zijn als volgt:
|
|
(48) |
Aangezien er geen verdere opmerkingen over dumpingmarges zijn ontvangen, heeft de Commissie de conclusies in de overwegingen 233 tot en met 238 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4. SCHADE
4.1. Meeteenheid
|
(49) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, wordt de meeteenheid zoals vastgesteld in overweging 239 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.2. Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
|
(50) |
Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de basisverordening wordt de bedrijfstak van de Unie gedefinieerd als de gezamenlijke producenten in de Unie van soortgelijke producten of diegenen van deze producenten wier gezamenlijke productie van de betrokken producten een groot deel van de totale productie van deze producten in de Unie uitmaakt. |
|
(51) |
Zoals uiteengezet in de overwegingen 240 en 241 van de voorlopige verordening, heeft de Commissie voorlopig vastgesteld dat de bedrijfstak van de Unie bestaat uit de meewerkende producenten van het soortgelijke product in de Unie, die ongeveer [29-38 %] van de totale productie in de Unie vertegenwoordigen. |
|
(52) |
Na de mededeling van de voorlopige bevindingen werd de belanghebbenden verzocht opmerkingen te maken over de omschrijving van de bedrijfstak van de Unie. Er werden ten aanzien hiervan geen opmerkingen van belanghebbenden ontvangen. |
|
(53) |
Aangezien er geen opmerkingen werden ontvangen en er geen nieuwe informatie werd ingediend die de beoordeling van de Commissie zou wijzigen, wordt de omschrijving van de bedrijfstak van de Unie in de overwegingen 240 en 241 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd. |
4.3. Verbruik in de Unie
|
(54) |
Zoals uiteengezet in de overwegingen 242 tot en met 246 van de voorlopige verordening, heeft de Commissie de ontwikkeling van het verbruik in de Unie voorlopig vastgesteld. |
|
(55) |
Er werden ten aanzien hiervan geen opmerkingen van belanghebbenden ontvangen. |
|
(56) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, bevestigt de Commissie de conclusies in de overwegingen 242 tot en met 246 van de voorlopige verordening. |
4.4. Invoer uit het betrokken land
4.4.1. Volume en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land
|
(57) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de CFNA aan dat de Commissie geen analyse had gemaakt van de redenen voor de plotselinge stijging van de invoer uit de VRC in 2022, die volgens de CFNA werd veroorzaakt door uitzonderlijke marktomstandigheden, namelijk een slechte oogst in Europa, de noodzaak voor detailhandelaren om toeleveringsketens in het kader van aanbestedingsprocedures veilig te stellen, en een grote bestelling van een detailhandelaar (Lidl). De CFNA heeft in dit verband een bestelbon ingediend. Frucom sloot zich in zijn opmerkingen ook aan bij deze argumenten. |
|
(58) |
De Commissie herinnerde eraan dat overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie moeten worden beoordeeld aan de hand van de werkelijke omvang en het werkelijke marktaandeel van die invoer en het prijsgedrag ervan. De Commissie was van mening dat de slechte oogst in de EU in 2022 weliswaar bijdroeg tot de toename van de invoer, maar dat dit effect tijdelijk was. De invoer uit de VRC bleef hoog in 2023 en het onderzoektijdvak, toen de oogstomstandigheden reeds waren verbeterd. Bovendien bleek uit het bewijsmateriaal met betrekking tot de vermeende bestelling van Lidl niet dat het aanhoudend hoge niveau van de invoer werd verklaard door een dergelijke eenmalige transactie. |
|
(59) |
De Commissie heeft derhalve de bevindingen in de overwegingen 247 en 248 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.5. Prijzen van de invoer uit het betrokken land en prijsonderbieding
|
(60) |
Zoals uiteengezet in de overwegingen 249 tot en met 255 van de voorlopige verordening vond de invoer uit de VRC consequent plaats tegen dumpingprijzen die de prijzen van de producenten in de Unie aanzienlijk onderboden. |
|
(61) |
Er werden in dit verband geen nieuwe opmerkingen door belanghebbenden ingediend. |
|
(62) |
De Commissie bevestigt derhalve de conclusies in de overwegingen 249 tot en met 252 van de voorlopige verordening. |
|
(63) |
De Commissie heeft verduidelijkt dat de prijsvergelijking per productsoort werd gemaakt voor transacties op het passende niveau waarop zij in de Unie concurreren (d.w.z. af fabriek voor de verkoop van de bedrijfstak van de Unie en de cif-aanvoerwaarde voor de prijzen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs). Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft de Commissie de berekeningen van de prijsonderbieding herzien. Bijgevolg werd de herziene gemiddelde prijsonderbiedingsmarge van de invoer uit het betrokken land op de markt van de Unie vastgesteld op 15,9 %. |
|
(64) |
Aangezien er geen verdere opmerkingen zijn ontvangen, bevestigt de Commissie derhalve de conclusies in de overwegingen 254 en 255 van de voorlopige verordening. |
4.6. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.6.1. Algemene opmerkingen
|
(65) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 256 tot en met 261 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.6.2. Macro-economische indicatoren
4.6.2.1.
|
(66) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 262 tot en met 265 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.6.2.2.
|
(67) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 266 tot en met 270 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.6.2.3.
|
(68) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 271 en 272 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.6.2.4.
|
(69) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 273 en 274 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.6.2.5.
|
(70) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 275 en 276 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.6.3. Micro-economische indicatoren
4.6.3.1.
|
(71) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 277 tot en met 280 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.6.3.2.
|
(72) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 281 en 282 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.6.3.3.
|
(73) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 283 tot en met 285 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.6.3.4.
|
(74) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 286 tot en met 292 van de voorlopige verordening bevestigd. |
4.6.4. Analyse van aanbestedingen en verkoopkanalen
|
(75) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de CFNA aan dat de Commissie de verschillende verkoopkanalen van de bedrijfstak van de Unie (verbonden/niet-verbonden) en aanbestedingen niet naar behoren heeft geanalyseerd. |
|
(76) |
Dit argument werd ongegrond geacht. De Commissie heeft in het onderzoek de verkoopkanalen naar behoren geanalyseerd om de hoeveelheden en de waarde van de verkoop aan de eerste onafhankelijke afnemer vast te stellen. Bij de methode werd rekening gehouden met zowel de rechtstreekse verkoop aan niet-verbonden afnemers als met de tussentijdse verkoop tussen verbonden partijen. Daarom verwerpt de Commissie dit argument. |
|
(77) |
De CFNA voerde ook aan dat de stijging van de netto-investeringen door de bedrijfstak van de Unie gedurende de beoordelingsperiode wees op schade door eigen toedoen. |
|
(78) |
De Commissie herinnerde eraan dat de bedrijfstak van de Unie zeer kapitaalintensief is en voortdurende en grootschalige investeringen in productiefaciliteiten vereist. Hoewel de bedrijfstak van de Unie voortdurend onder het streefwinstniveau bleef, bleef hij tijdens de beoordelingsperiode winstgevend en was hij derhalve in staat het nodige kapitaal aan te trekken om zijn activiteiten te handhaven. Zoals in het onderzoek is vastgesteld, daalde het rendement van investeringen in de beoordelingsperiode echter met 24 %, wat duidelijk het negatieve effect weerspiegelt van de prijsdruk die door de invoer met dumping uit de Volksrepubliek China werd uitgeoefend. Dit argument werd derhalve afgewezen. |
|
(79) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen herhaalde de CFNA zijn argument dat de plotselinge toename van de invoer uit de Volksrepubliek China deels te wijten was aan een eenmalige, uitzonderlijke bestelbon van detailhandelaar Lidl. De CFNA voerde aan dat de Commissie aanbestedingen uitvoerig had moeten onderzoeken om vast te stellen of bepaalde detailhandelaren in de EU voor hun toeleveringsbronnen waren overgestapt van producenten in de Unie naar Chinese exporteurs. Ter ondersteuning van dit argument heeft de CFNA als bijlage I bij zijn opmerkingen kopieën overgelegd van wat hij omschreef als bestelbonnen van Lidl aan Chinese exporteurs. |
|
(80) |
Dit argument werd ongegrond geacht. Ten eerste waren de door de CFNA verstrekte documenten geen bestelbonnen, maar facturen, die betrekking hadden op transacties in zowel 2022 als 2024. Dit ondermijnt de bewering van de CFNA dat de toename van de invoer het gevolg was van één uitzonderlijke bestelling in 2022. Ten tweede is de invoer uit de Volksrepubliek China, zoals vastgesteld in tabel 4 van de voorlopige verordening, gedurende de gehele beoordelingsperiode aanzienlijk en consequent gestegen, ongeacht eventuele individuele bestellingen. Tot slot herinnert de Commissie eraan dat de schadeanalyse niet is gebaseerd op afzonderlijke transacties, maar op de totale volume- en prijseffecten van de invoer met dumping. Uit het bewijsmateriaal is gebleken dat de aanhoudende omvang van de invoer met dumping uit de Volksrepubliek China aanzienlijke prijsdruk uitoefende op de bedrijfstak van de Unie en aanmerkelijke schade veroorzaakte. |
|
(81) |
Op deze gronden wees de Commissie het argument van de CFNA af. |
4.7. Conclusie over schade
|
(82) |
Op basis van de analyse van de in de punten 4.6.1 en 4.6.2 beschreven economische indicatoren heeft de Commissie bevestigd dat de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
|
(83) |
Uit de schade-indicatoren bleek dat, hoewel het verbruik in de Unie over het algemeen stabiel bleef, de bedrijfstak van de Unie verkoopvolumes en marktaandeel verloor aan invoer met dumping uit de Volksrepubliek China, die in gestaag toenemende hoeveelheden en tegen aanzienlijke prijsonderbieding de markt van de Unie binnenkwam. Dit leidde tot negatieve ontwikkelingen in de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie, met name een dalende winstgevendheid en een dalend rendement van investeringen, ondanks het feit dat de bedrijfstak over het algemeen winstgevend bleef. |
|
(84) |
De door de CFNA aangevoerde argumenten werden naar behoren in overweging genomen, maar werden ongegrond bevonden. De Commissie bevestigde met name dat:
|
|
(85) |
De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade werd veroorzaakt door de aanhoudende instroom van invoer met dumping uit de Volksrepubliek China. Andere factoren, zoals de grondstofkosten, de uitvoerprestaties of tijdelijke verstoringen van het aanbod, hebben het oorzakelijk verband niet verbroken. |
|
(86) |
Derhalve worden de bevindingen inzake schade van de overwegingen 240 tot en met 302 van de voorlopige verordening bevestigd. |
5. OORZAKELIJK VERBAND
5.1. Invoer uit derde landen
|
(87) |
De CFNA en Frucom voerden aan dat de Commissie de rol van de invoer uit andere derde landen, met name Thailand, had onderschat, wat erop wijst dat die invoer mogelijk heeft bijgedragen tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. |
|
(88) |
Zoals reeds uiteengezet in de overwegingen 310 tot en met 313 van de voorlopige verordening, bleef de invoer uit derde landen tijdens de gehele beoordelingsperiode op een relatief laag en stabiel niveau. Het marktaandeel van de invoer uit Thailand, de belangrijkste leverancier uit derde landen, met uitzondering van de VRC, bleef over het geheel genomen stabiel. De omvang en de prijzen van deze invoer waren ontoereikend om de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Unie te verklaren. |
|
(89) |
De CFNA en Frucom hebben geen nieuw bewijsmateriaal ingediend waaruit blijkt dat de invoer uit andere derde landen aanzienlijk tot de schade heeft bijgedragen. De Commissie bevestigt derhalve haar voorlopige conclusie dat de invoer uit derde landen het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit de Volksrepubliek China en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade niet heeft verbroken. |
5.2. Lage opbrengst van suikermais in 2022
|
(90) |
De CFNA en Frucom herhaalden dat het slechte oogstjaar in 2022, en niet de invoer met dumping, de belangrijkste oorzaak van de schade was. |
|
(91) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de CFNA aan dat het herstel van de bedrijfstak van de Unie in 2023 aantoonde dat: 1) de invoer uit de VRC slechts een gat in de markt vulde dat werd veroorzaakt door de slechte oogst in 2022; en 2) de invoer uit de VRC geen rechtstreekse oorzaak was van de schade voor de bedrijfstak van de Unie. De CFNA voerde voorts aan dat slechte oogsten voor landbouwproductenverwerkende industrieën die aan natuurlijke omstandigheden onderhevig zijn, grotendeels een verklaring zijn voor slechte bedrijfsprestaties, en dat invoerstijgingen na dergelijke gebeurtenissen “normaal gesproken tijd zouden hebben om te vertragen in combinatie met de ontwikkeling van de markt”. De CFNA concludeerde derhalve dat de invoer die in 2023 hoog bleef, geen factor kan zijn om het bestaan van een oorzakelijk verband vast te stellen. |
|
(92) |
De Commissie heeft deze argumenten verworpen. Zoals in de voorlopige verordening is vastgesteld, is de productie in 2023 en in het onderzoektijdvak hoger dan in 2022, terwijl de verkoop en het marktaandeel bleven dalen en de voorraden bleven toenemen. Hieruit blijkt dat de producenten in de Unie ondanks de productiestijging na 2022 niet in staat waren hun product te verkopen. |
|
(93) |
De karakterisering door de CFNA van de invoer uit de VRC als “vullen van een gat in de markt” wordt tegengesproken door twee belangrijke bevindingen. Ten eerste zou de invoer, indien deze zou reageren op tijdelijke bevoorradingsproblemen, naar verwachting afnemen zodra de productie in de Unie zich heeft hersteld. In plaats daarvan stegen de invoer uit de VRC en het Chinese marktaandeel, zoals vastgesteld in tabel 3 van de voorlopige verordening, in 2023 ten opzichte van 2022 en steeg het totale Chinese marktaandeel van 6 % in 2022 tot 15 % in het onderzoektijdvak. Ten tweede onderbood deze invoer, zoals vastgesteld in de overwegingen 249 tot en met 255 van de voorlopige verordening, de prijzen van de bedrijfstak van de Unie gedurende het onderzoektijdvak met gemiddeld 7,2 % tot 28,6 %. |
|
(94) |
De Commissie heeft bovendien vastgesteld dat de invoer uit de VRC de prijzen van de bedrijfstak van de Unie heeft onderdrukt, met name via het aanbestedingsmechanisme, en tot een aanzienlijke daling van het verkoopvolume en het marktaandeel van de producenten in de Unie heeft geleid. |
|
(95) |
Invoer met dumping kan een aanzienlijke invloed hebben op een markt waar de prijsgevoeligheid groot is. Zoals aangegeven in overweging 293 van de voorlopige verordening, wordt de markt van de Unie voor bereide of verduurzaamde suikermais in korrels gekenmerkt door inschrijvingsprocedures waarbij alle suikermais van detailhandelsmerken via concurrerende biedingen wordt verkocht. In een dergelijke marktstructuur kunnen prijsverschillen een grote impact hebben, aangezien detailhandelaren gelijktijdig met meerdere producenten onderhandelen en volumes hoofdzakelijk op basis van prijsconcurrentievermogen toewijzen. |
|
(96) |
Zoals opgemerkt in overweging 279 van de voorlopige verordening, zijn de gemiddelde verkoopprijzen in de Unie gedurende de beoordelingsperiode weliswaar gestegen, maar hielden zij geen gelijke tred met de stijging van de productiekosten per eenheid, die sneller stegen als gevolg van de hogere prijzen van grondstoffen, blikken en energie. Zoals blijkt uit tabel 3 van de voorlopige verordening steeg de invoer uit de VRC met 518 %, terwijl de prijzen ervan consequent onder de gemiddelde verkoopkostprijs per eenheid van de bedrijfstak van de Unie bleven. Hierdoor kon de bedrijfstak van de Unie zijn prijzen niet naar boven bijstellen in overeenstemming met de kostenstijgingen en zag hij zich genoodzaakt de inschrijvingen op een onderdrukt niveau te houden om concurrerend te blijven bij aanbestedingen. De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat de invoer uit de VRC in aanzienlijke mate een prijsverhoging verhinderde. Er was dus sprake van een aanzienlijke prijsdruk door de invoer in plaats van een legitieme vulling van een gat in de markt. |
|
(97) |
Zoals erkend in overweging 317 van de voorlopige verordening, heeft de Commissie geconcludeerd dat, hoewel niet kon worden uitgesloten dat de lage opbrengst van suikermais van 2022 heeft bijgedragen aan de schade voor de bedrijfstak van de Unie, dit het oorzakelijk verband niet had afgezwakt, omdat deze slechts beperkt was tot één jaar van de beoordelingsperiode. Op grond van artikel 3, lid 7, van de basisverordening moet de Commissie echter een onderscheid maken tussen schade veroorzaakt door andere bekende factoren dan de invoer met dumping en schade veroorzaakt door de invoer met dumping zelf. Uit het onderzoek is gebleken dat tijdelijke moeilijkheden met de oogst in 2022 niet hebben geleid tot: a) het feit dat de invoer uit de VRC na 2022 in aanzienlijke hoeveelheden de markt van de Unie bleef betreden; b) de in het onderzoektijdvak vastgestelde prijsonderbieding van 7,2 % tot 28,6 %; c) het verlies van marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie, specifiek aan de invoer uit de VRC tijdens de beoordelingsperiode; d) de aanzienlijke verhindering van een prijsverhoging door de Chinese invoerprijzen, die over het geheel genomen gedurende de gehele beoordelingsperiode onder de kosten per eenheid in de Unie bleven, zoals uiteengezet in de overwegingen 255 en 280 van de voorlopige verordening; en e) de verslechtering van de financiële indicatoren gedurende de gehele beoordelingsperiode, zoals uiteengezet in overweging 83. |
|
(98) |
De conclusie van de CFNA dat aanhoudend grote hoeveelheden invoer in 2023 “geen factor kunnen zijn om het bestaan van een oorzakelijk verband vast te stellen” is een fundamenteel verkeerde opvatting van de analyse van het oorzakelijk verband. Het feit dat de invoer hoog bleef lang nadat de oogstomstandigheden waren verbeterd, is juist relevant voor het oorzakelijk verband, aangezien daaruit blijkt dat de schadelijke gevolgen van de invoer uit de VRC niet tijdelijk waren, maar zelfs na het herstel van de productie van de bedrijfstak van de Unie in 2023 bleven voortduren. |
|
(99) |
In het licht van het bovenstaande heeft de Commissie geconcludeerd dat de argumenten die de schade in verband brengen met de slechte oogst in 2022 ongegrond waren. De aanhoudende hoge invoervolumes, de prijsonderbieding gedurende het onderzoektijdvak en de verdere verslechtering van de kernprestatie-indicatoren van de bedrijfstak van de Unie bevestigden dat er een echt en aanzienlijk oorzakelijk verband bestond tussen de aanmerkelijke schade en de invoer met dumping uit de VRC. Dit laatste werd niet afgezwakt door het effect van tijdelijke natuurlijke factoren. |
|
(100) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen werd geen nieuwe informatie verstrekt om aan te tonen dat het slechte oogstjaar blijvende gevolgen had of dat dit de voortdurende aanwezigheid van grote hoeveelheden invoer met dumping verklaarde. De Commissie bevestigt derhalve haar voorlopige bevinding dat de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade niet kan worden toegeschreven aan tijdelijke schommelingen in de oogsten. |
5.3. Overstromingen in Thailand en andere marktverstoringen
|
(101) |
Zowel de CFNA als Frucom voerden aan dat onvoorziene gebeurtenissen, zoals overstromingen in Thailand en de daarmee gepaard gaande verstoringen, hadden geleid tot een plotselinge verandering in de mondiale toeleveringsketens en afnemers in de EU ertoe hadden aangezet hun producten uit de VRC te betrekken. |
|
(102) |
Op deze kwestie is in overweging 318 van de voorlopige verordening al ingegaan. De Commissie stelde vast dat de invoer van suikermais uit Thailand niet aanmerkelijk door dergelijke gebeurtenissen werd beïnvloed, aangezien het marktaandeel ervan in de beoordelingsperiode grotendeels stabiel bleef. Er werd geen controleerbaar bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat tijdelijke weersomstandigheden of externe schokken hebben geleid tot een structurele verschuiving in de handelspatronen naar de VRC. |
|
(103) |
De Commissie bevestigt derhalve haar voorlopige conclusie dat de toename van de invoer uit de VRC niet kan worden verklaard door uitzonderlijke verstoringen of verstoringen op korte termijn van de markt, zoals overstromingen in Thailand. |
5.4. Daling van het verbruik
|
(104) |
De CFNA voerde aan dat een daling van de verkoop en de prestaties van de bedrijfstak van de Unie mogelijk veeleer het gevolg was van een afname van het verbruik in de Unie dan van de invoer met dumping. |
|
(105) |
De Commissie herinnert eraan dat, zoals vastgesteld in de overwegingen 319 tot en met 323 van de voorlopige verordening, het verbruik in de Unie in de beoordelingsperiode licht is gedaald. De daling van het verkoopvolume en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie was echter verhoudingsgewijs veel groter dan de daling van het verbruik. |
|
(106) |
Hoewel de daling van het verbruik een beperkte invloed op de verkoop kan hebben gehad, kan zij derhalve niet het aanzienlijke verlies aan marktaandeel en de verhindering van prijsverhogingen voor de bedrijfstak van de Unie verklaren. De Commissie bevestigt haar voorlopige bevinding dat deze factor het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de schade niet verbreekt. |
5.5. Kosten van grondstoffen, energie en blikken
|
(107) |
De CFNA voerde aan dat de stijgende kosten van grondstoffen, energie en blikken de belangrijkste oorzaken waren van de verslechtering van de winstgevendheid en dat de Commissie deze ontwikkelingen onvoldoende had geanalyseerd. |
|
(108) |
De Commissie herinnert eraan dat deze kwestie grondig is onderzocht in de overwegingen 324 en 325 van de voorlopige verordening. Hoewel de kosten gedurende de beoordelingsperiode inderdaad stegen, hadden deze stijgingen gevolgen voor alle producenten in de Unie en kunnen zij de omvang van de daling van de winstgevendheid en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie niet verklaren. Het onvermogen van de producenten in de Unie om hun prijzen dienovereenkomstig te verhogen, was voornamelijk te wijten aan het prijsverlagende effect van de invoer met dumping. |
|
(109) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaalde de CFNA dat de bedrijfstak voor suikermais in de Unie niet echt kapitaalintensief is en dat het lage rendement van investeringen ervan veeleer het gevolg is van hogere kosten van grondstoffen, energie en blikken dan van invoer met dumping. |
|
(110) |
De Commissie merkte echter op dat de CFNA geen bewijsmateriaal heeft verstrekt ter staving van zijn bewering dat de bedrijfstak niet kapitaalintensief is. Met betrekking tot de vermeende gevolgen van de kosten van energie en grondstoffen voor de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Unie werden geen nieuwe feitelijke of analytische elementen ingediend die verder gingen dan wat reeds in de voorlopige verordening was behandeld. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(111) |
De Commissie bevestigt derhalve haar voorlopige bevinding dat de stijgende kosten van grondstoffen, energie en blikken het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade niet verbreken. |
5.6. Conclusie inzake het oorzakelijk verband
|
(112) |
De Commissie heeft de argumenten onderzocht die de CFNA en Frucom na de mededeling van de voorlopige bevindingen naar voren hebben gebracht met betrekking tot inkoopstrategieën en de vermeende eenmalige grote bestelling van Lidl. Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de CFNA aan dat uit de door hem overgelegde facturen bleek dat Lidl een bestelling voor grote hoeveelheden had geplaatst. De CFNA verstrekte echter geen nieuw element waaruit bleek dat deze facturen betrekking hadden op één bestelling, en het bewijsmateriaal in het dossier staaft deze argumenten niet. De verstrekte documenten hadden betrekking op facturen voor 2022 en 2024, waaruit bleek dat er veeleer sprake was van een duurzame handelsrelatie in plaats van een op zichzelf staande aankoop. Bovendien bleef de invoer uit de VRC na 2022 toenemen, wat niet kon worden verklaard door één enkele bestelling of tijdelijke aanpassingen van de toelevering. |
|
(113) |
Aangezien geen verdere opmerkingen werden ontvangen, heeft de Commissie daarom haar conclusies in de overwegingen 330 tot en met 333 van de voorlopige verordening bevestigd. |
6. NIVEAU VAN DE MAATREGELEN
6.1. Schademarge
|
(114) |
Aangezien er geen opmerkingen zijn ontvangen, heeft de Commissie haar conclusies in de overwegingen 336 tot en met 341 van de voorlopige verordening bevestigd. |
|
(115) |
Na de in overweging 63 uiteengezette correctie heeft de Commissie de prijsbederfmarge herzien. De definitieve dumping- en prijsbederfmarges zijn als volgt:
|
6.2. Onderzoek van de marge die toereikend is om de schade voor de bedrijfstak van de Unie weg te nemen
|
(116) |
Op basis van de hierboven bepaalde dumping- en prijsbederfmarges heeft de Commissie geconcludeerd dat moest worden nagegaan of er ten aanzien van het onderzochte product sprake is van een verstoring in de zin van artikel 7, lid 2 bis, van de basisverordening, waardoor een recht lager dan de dumpingmarge ontoereikend zou zijn om een einde te maken aan de schade die door de invoer met dumping van het onderzochte product is veroorzaakt. |
|
(117) |
Zoals uiteengezet in het bericht van inleiding, heeft de klager in zijn klacht voldoende bewijsmateriaal geleverd waaruit blijkt dat de grondstoffenmarkt van het betrokken product in het betrokken land verstoord is in de zin van artikel 7, lid 2 bis, van de basisverordening. |
|
(118) |
De Commissie heeft in het voorlopige stadium verklaard dat zij vermeende verstoringen zou blijven onderzoeken om de beoordeling van het geschikte niveau van de maatregelen overeenkomstig artikel 7, lid 2 bis, van de basisverordening uit te voeren in het definitieve stadium van het onderzoek. |
|
(119) |
Volgens het bewijsmateriaal in de klacht (9) zijn stalen blikken, die 17 % van de productiekosten van het betrokken product vertegenwoordigen, in de VRC onderworpen aan beperking van de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde (btw). De klager verstrekte hetzelfde bewijsmateriaal als in de klacht na de mededeling van de voorlopige bevindingen, namelijk uittreksels van de website van Transcustoms waaruit bleek dat blikken onder de douanecodes 7310 21 10 00 en 7310 21 90 00 onderworpen zijn aan een btw van 13 % en een btw-aftrek bij uitvoer van 10 %. Hoewel hij ook het door de Chinese douaneautoriteiten gepubliceerde douanetarief voor in- en uitvoer vermeldde, verstrekte hij geen bewijs van een dergelijk document. |
|
(120) |
Bij de opening van het onderzoek heeft de Commissie de Chinese overheid een vragenlijst over de vermeende verstoringen van de grondstoffenmarkt toegezonden. Ook bevatte de vragenlijst voor producenten-exporteurs vragen over die beweringen. De Chinese overheid heeft de vragenlijst niet beantwoord en geen van de twee in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs heeft bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat dergelijke maatregelen niet van toepassing zijn. |
|
(121) |
De Commissie heeft onderzocht of blikken onder een van de in artikel 7, lid 2 bis, van de basisverordening genoemde maatregelen vallen. Daartoe heeft de Commissie het door de klager verstrekte bewijsmateriaal getoetst aan andere bronnen, zoals wetgeving van de Volksrepubliek China, andere websites en het door de Chinese autoriteiten gepubliceerde douanetarief voor in- en uitvoer voor de jaren 2023 en 2024. Bij aankondiging nr. 15 [2020] van het Ministerie van Financiën en de nationale belastingdienst (10) werden de percentages voor de terugbetaling van de uitvoerheffingen voor blikken onder de douanecodes 7310 21 10 00 en 7310 21 90 00 verhoogd tot 13 %. Dit wordt bevestigd door de nationale belastingdienst (11) en andere websites, die ook de ontwikkeling van het terugbetalingspercentage in de tijd laten zien (12), en door het door de Chinese autoriteiten gepubliceerde douanetarief voor in- en uitvoer voor de jaren 2023 en 2024, volgens welke blikken onder die douanecodes onderworpen zijn aan btw van 13 % en btw-aftrek bij uitvoer van 13 %. |
|
(122) |
Bijgevolg heeft de Commissie geconcludeerd dat er in de VRC geen sprake is van beperking van de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) met betrekking tot de blikken die bij de productie van het betrokken product worden gebruikt. Uit het onderzoek is geen andere verstoring in de zin van artikel 7, lid 2 bis, van de basisverordening gebleken. |
6.3. Conclusie inzake het niveau van de maatregelen
|
(123) |
Na bovenstaande beoordeling moeten de definitieve antidumpingrechten overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening als volgt worden vastgesteld:
|
7. BELANG VAN DE UNIE
|
(124) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen diende Frucom, als vertegenwoordiger van de Europese handelaren in groenten en fruit in blik, opmerkingen in tegen de instelling van definitieve maatregelen. Frucom voerde aan dat antidumpingrechten op suikermais uit de Volksrepubliek China negatieve gevolgen zouden hebben voor handelaren en consumenten in de EU door de kosten te verhogen, de voorzieningszekerheid te verminderen en de mededinging op de eengemaakte markt te verstoren. |
|
(125) |
Met betrekking tot de vrees dat maatregelen het welzijn van de consument en de voorzieningszekerheid zouden ondermijnen, herinnert de Commissie eraan dat antidumpingmaatregelen tot doel hebben eerlijke concurrentie te herstellen door de schade als gevolg van oneerlijke invoer weg te nemen. De markt van de Unie wordt nog steeds bevoorraad door zowel producenten in de Unie als invoer uit verschillende derde landen. Niets in het dossier wijst erop dat de instelling van antidumpingrechten de beschikbaarheid van suikermais in de Unie in gevaar zou brengen of de consumentenprijzen aanzienlijk zou verstoren. Daarentegen zal het herstel van eerlijke concurrentie de levensvatbaarheid van de bedrijfstak van de Unie op lange termijn en de diversiteit van het aanbod waarborgen. |
|
(126) |
In het licht van het bovenstaande heeft de Commissie geconcludeerd dat de instelling van maatregelen niet onevenredig of in strijd met het algemene belang van de Unie zou zijn. |
8. DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
8.1. Definitieve maatregelen
|
(127) |
In het licht van de conclusies inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband, de hoogte van de maatregelen en het belang van de Unie, en overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening, moeten definitieve antidumpingmaatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping van het betrokken product. |
|
(128) |
Gezien het voorgaande moeten de definitieve antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, als volgt worden vastgesteld:
|
|
(129) |
De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn vastgesteld op basis van de bevindingen van dit onderzoek. Daarin wordt derhalve de situatie weerspiegeld die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn derhalve uitsluitend van toepassing op het onderzochte product van oorsprong uit het betrokken land en geproduceerd door de genoemde juridische entiteiten. Deze rechten zijn niet van toepassing op de invoer van het betrokken product indien dat is vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat voor “alle overige invoer uit de Volksrepubliek China” geldt. |
|
(130) |
Een onderneming die later haar naam wijzigt, kan verzoeken om verdere toepassing van deze individuele antidumpingrechten. Dit verzoek moet worden ingediend bij de Commissie (13). Het moet alle relevante informatie bevatten waaruit blijkt dat de wijziging geen invloed heeft op het recht van de onderneming om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is. Als de naamswijziging van de onderneming niet van invloed is op haar recht om in aanmerking te komen voor het recht dat op haar van toepassing is, zal een verordening over de naamswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(131) |
Om het risico van ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de correcte toepassing van de individuele antidumpingrechten te garanderen. De heffing van individuele antidumpingrechten is enkel van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd. Deze factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Tot een dergelijke factuur wordt overgelegd, moet de invoer worden onderworpen aan het antidumpingrecht dat van toepassing is op “alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China”. |
|
(132) |
Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele antidumpingrechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle vereisten van artikel 1, lid 3, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het lagere recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving. |
|
(133) |
Indien de uitvoer door een van de ondernemingen waarvoor een lager individueel recht geldt aanzienlijk toeneemt, met name na de instelling van de maatregelen in kwestie, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan een onderzoek naar ontwijking worden geopend, mits aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is individuele rechten in te trekken en een voor het gehele land geldend recht in te stellen. |
|
(134) |
Om een goede toepassing van het antidumpingrecht te garanderen, moet het voor alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China vastgestelde antidumpingrecht niet alleen gelden voor de niet-meewerkende producenten-exporteurs in dit onderzoek, maar ook voor de producenten die in het onderzoektijdvak geen producten naar de Unie hebben uitgevoerd. |
|
(135) |
Producenten-exporteurs die het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak niet naar de Unie hebben uitgevoerd, moeten de Commissie kunnen verzoeken om toepassing van het antidumpingrecht voor niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen. De Commissie moet een dergelijk verzoek inwilligen mits aan drie voorwaarden wordt voldaan. De nieuwe producent-exporteur zou moeten aantonen dat: i) hij het betrokken product tijdens het onderzoektijdvak niet naar de Unie heeft uitgevoerd; ii) hij niet verbonden is met een producent-exporteur die dat wel heeft gedaan; en iii) hij het betrokken product daarna heeft uitgevoerd of een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om dit in aanzienlijke hoeveelheden te doen. |
8.2. Definitieve inning van het voorlopige recht
|
(136) |
Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, moeten de bedragen die uit hoofde van de bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrechten als zekerheid zijn gesteld, definitief worden geïnd tot het bij de onderhavige verordening vastgestelde niveau. |
8.3. Inning met terugwerkende kracht
|
(137) |
Zoals vermeld in punt 1.2, heeft de Commissie de invoer van het onderzochte product aan registratie onderworpen. |
|
(138) |
In het definitieve stadium van het onderzoek zijn de in het kader van de registratie verzamelde gegevens beoordeeld. De Commissie heeft onderzocht of aan de criteria van artikel 10, lid 4, van de basisverordening voor de inning van definitieve rechten met terugwerkende kracht is voldaan. |
|
(139) |
Uit het onderzoek van de Commissie is gebleken dat er naast de invoer die in het onderzoektijdvak schade heeft veroorzaakt, geen sprake was van een aanzienlijke toename van invoer in de zin van artikel 10, lid 4, punt d), van de basisverordening. Voor dit onderzoek heeft de Commissie de maandelijkse gemiddelde invoer van het betrokken product gedurende het onderzoektijdvak, 3 700 ton, vergeleken met de maandelijkse gemiddelde invoer in de periode vanaf de maand die volgde op de inleiding van dit onderzoek tot de laatste volledige maand die voorafging aan de instelling van de voorlopige maatregelen (januari 2025 tot en met juli 2025), die 2 503 ton bedroeg, 32 % lager dan het gemiddelde gedurende het onderzoektijdvak. Ook bij vergelijking van de maandelijkse gemiddelde invoer van het betrokken product gedurende het onderzoektijdvak met de maandelijkse gemiddelde invoer in de periode vanaf de maand die volgde op de inleiding van dit onderzoek tot en met de maand waarin de voorlopige maatregelen werden ingesteld (januari 2025 tot en met augustus 2025) was het volume, 2 223 ton, 40 % lager dan het gemiddelde gedurende het onderzoektijdvak. Derhalve heeft de Commissie geconcludeerd dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor inning van de definitieve rechten met terugwerkende kracht. |
9. SLOTBEPALINGEN
|
(140) |
Indien een bedrag moet worden terugbetaald naar aanleiding van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, geldt ingevolge artikel 109 van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (14) als rentevoet de rente die de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties hanteert, zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie op de eerste kalenderdag van elke maand. |
|
(141) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op suikermais (Zea mays var. saccharata) in korrels, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur, niet bevroren, en suikermais (Zea mays var. saccharata) in korrels, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 2001 90 30 (Taric-code 2001 90 30 10) en ex 2005 80 00 (Taric-code 2005 80 00 10), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.
2. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 genoemde en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde producten is als volgt:
|
Land van oorsprong |
Onderneming |
Definitief antidumpingrecht |
Aanvullende Taric-code |
||||
|
Volksrepubliek China |
Sunflower-groep:
|
31,0 % |
89 SJ |
||||
|
|
Zhangzhou Tongfa Foods Industry Co., Ltd, Zhangzhou, China |
54,3 % |
89 SK |
||||
|
|
Andere meewerkende ondernemingen opgenomen in de bijlage |
45,1 % |
|
||||
|
|
Alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China |
54,3 % |
8 999 |
3. De individuele rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die als volgt luidt: “Ondergetekende verklaart dat de (volume in kilogram) (betrokken product) die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in (betrokken land). Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.”. Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, wordt het recht toegepast dat geldt voor alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China.
4. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
De bedragen die uit hoofde van het voorlopige antidumpingrecht als zekerheid zijn gesteld op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1723 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit de Volksrepubliek China, worden definitief geïnd. De bedragen die als zekerheid zijn gesteld en die het bedrag van het definitieve antidumpingrecht overschrijden, worden vrijgegeven.
Artikel 3
Artikel 1, lid 2, kan worden gewijzigd om nieuwe producenten-exporteurs uit de Volksrepubliek China toe te voegen en hen te onderwerpen aan het passende gewogen gemiddelde antidumpingrecht voor niet in de steekproef opgenomen meewerkende ondernemingen. Een nieuwe producent-exporteur moet met bewijs aantonen dat:
|
a) |
hij de in artikel 1, lid 1, beschreven goederen tijdens het onderzoektijdvak (1 oktober 2023 tot en met 30 september 2024) niet heeft uitgevoerd; |
|
b) |
hij niet verbonden is met een exporteur of producent op wie de bij deze verordening ingestelde maatregelen van toepassing zijn en die aan het oorspronkelijke onderzoek hadden kunnen meewerken, en |
|
c) |
hij na het verstrijken van het onderzoektijdvak het betrokken product daadwerkelijk naar de Unie heeft uitgevoerd dan wel een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om een aanzienlijke hoeveelheid naar de Unie uit te voeren. |
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 5 februari 2026.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1036/oj.
(2) Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB C, C/2024/7407, 9.12.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/7407/oj).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/309 van de Commissie van 14 februari 2025 tot onderwerping van de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit de Volksrepubliek China aan registratie (PB L, 2025/309, 17.2.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/309/oj).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1723 van de Commissie van 6 augustus 2025 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde suikermais in korrels van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L, 2025/1723, 7.8.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1723/oj). .
(5) De relevante volmachtdocumenten van de door de CFNA vertegenwoordigde ondernemingen zijn beschikbaar in t24.011587.
(6) Beschikbaar op https://www.customs.gov.my.
(7) http://itd.customs.go.th/igtf/en/main_frame.jsp.
(8) Uitvoeringsverordening (EU) 2025/1732 van de Commissie van 13 augustus 2025 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op kaarsen en dergelijke artikelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China. (PB L, 2025/1732, 14.8.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1732/oj.
(9) 6 Klacht, punt 8 en aanhangsels 8.001 en 8.002.
(10) https://www.gov.cn/zhengce/zhengceku/2020-03/18/content_5492567.htm, laatstelijk geraadpleegd op 9 oktober 2025.
(11) https://hd.chinatax.gov.cn/nszx2023/cktslcx2023.html, laatstelijk geraadpleegd op 9 oktober 2025.
(12) https://cess.tax360.com.cn/, laatstelijk geraadpleegd op 9 oktober 2025.
(13) E-mail: TRADE-TDI-NAME-CHANGE-REQUESTS@ec.europa.eu; Europese Commissie, directoraat-generaal Handel en Economische Veiligheid, directoraat G, Wetstraat 170, 1040 Brussel, België.
(14) Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (herschikking) (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).
BIJLAGE
Niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs in de Volksrepubliek China
|
Land |
Naam |
Aanvullende Taric-code |
|
VRC |
Anshan N&M Foods Co., Ltd |
89SL |
|
Fujian Golden Promise Food Technology Co., Ltd |
89SM |
|
|
Fujian Haishan Foods Co., Ltd |
89SN |
|
|
Fujian Lucheng Food Co., Ltd |
89SO |
|
|
Fujian Xingguang Foods Co., Ltd |
89SP |
|
|
Fujian Yuxing Fruit & Vegetable Foodstuff Development Co., Ltd |
89SQ |
|
|
Guangdong Zhicheng Food Co., Ltd |
89SR |
|
|
Guilin Risheng Foods Co., Ltd |
89SS |
|
|
HEBEI PENGDA FOOD CO., LTD |
89ST |
|
|
Hebei Shuangsheng Agricultural Technology Co., Ltd |
89SU |
|
|
HEZE SANQING FOOD CO., LTD |
89SV |
|
|
Jieyang Chengfeng Industrial Co., Ltd |
89SW |
|
|
Jieyang Yuxiu Industrial Co., Ltd |
89SX |
|
|
Nanjing County Xingguang Canned Food Co., Ltd. |
89SY |
|
|
SHANDONG SANGONGJU FOOD CO., LTD |
89SZ |
|
|
XINFENG RUNFENG FOODS CO., LTD |
89TA |
|
|
Zhangzhou Gangchang Canned Foods Co., Ltd |
89TB |
|
|
Zhangzhou Jiawei Foods Co., Ltd |
89TC |
|
|
Zhangzhou Tianbaolong Food Co., Ltd |
89TD |
|
|
Zhangzhou Xiangcheng Shunxing Canned Food Co., Ltd |
89TE |
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2026/276/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)