Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32025R0074

Uitvoeringsverordening (EU) 2025/74 van de Commissie van 13 januari 2025 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op lysine van oorsprong uit de Volksrepubliek China

C/2025/65

PB L, 2025/74, 14.1.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/74/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force: This act has been changed. Current consolidated version: 14/01/2025

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/74/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2025/74

14.1.2025

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2025/74 VAN DE COMMISSIE

van 13 januari 2025

tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op lysine van oorsprong uit de Volksrepubliek China

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1), en met name artikel 7,

Na raadpleging van de lidstaten,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Inleiding

(1)

Op 23 mei 2024 heeft de Europese Commissie (“de Commissie”) op grond van artikel 5 van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (“de basisverordening”) een antidumpingonderzoek geopend met betrekking tot de invoer van lysine van oorsprong uit de Volksrepubliek China (“het betrokken land” of “de VRC”). Zij heeft daartoe een bericht van inleiding gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) (“het bericht van inleiding”).

(2)

De Commissie heeft het onderzoek geopend naar aanleiding van een klacht die op 8 april 2024 was ingediend door Metex Noovistago (3) (“de klager”). De klacht is ingediend door de bedrijfstak van de Unie voor lysine in de zin van artikel 5, lid 4, van de basisverordening. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal over dumping en aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen.

1.2.   Registratie

(3)

De Commissie heeft de invoer van het betrokken product bij Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2732 van 24 oktober 2024 (“de registratieverordening”) (4) aan registratie onderworpen.

1.3.   Belanghebbenden

(4)

In het bericht van inleiding heeft de Commissie belanghebbenden uitgenodigd contact met haar op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie de klager, de haar bekende producenten-exporteurs, de autoriteiten van de Volksrepubliek China, de haar bekende importeurs, handelaren en gebruikers en de bekende betrokken verenigingen specifiek in kennis gesteld van de opening van het onderzoek en hen uitgenodigd daaraan mee te werken.

(5)

De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over de opening van het onderzoek en een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen.

1.4.   Opmerkingen over de opening van het onderzoek

(6)

Na de opening van het onderzoek voerden de Confederación Española de Fabricantes de Alimentos Compuestos para animales (“CESFAC” — het Spaanse verbond van diervoederproducenten), Andrés Pintaluba S.A. (een importeur en distributeur van lysine) en de Vall Companys Group (een gebruiker van lysine en producent van diervoeder die ook door de CESFAC wordt vertegenwoordigd) aan dat op basis van de invoerstatistieken van Eurostat onder GN-code 2922 41 00 , die in de klacht naar voren werden gebracht, geen objectief onderzoek van de schadefactoren kon worden uitgevoerd omdat zij gebaseerd zijn op de invoergegevens “zoals gerapporteerd”, aangezien Eurostat geen onderscheid maakt tussen de verschillende soorten ingevoerde lysine (lysinehydrochloride en vloeibare lysine), die uiteenlopende concentraties aminozuur bevatten. De CESFAC, Pintaluba en Vall Companys betoogden dat het samenvoegen van soorten lysine met sterk uiteenlopende concentraties per meeteenheid, zonder enige correctie om ze op hetzelfde niveau te brengen, tot verstoringen van volumes en prijzen leidt. Zij stelden voorts dat alle schade-elementen die worden gebaseerd op invoerstatistieken (d.w.z. het volume van de invoer, het aandeel van de invoer, het verbruik in de Unie, gegevens over marktaandelen) die in de klacht zijn beschreven, gebaseerd waren op de gebrekkige gegevens “zoals gerapporteerd”, en dat Metex Noovistago de invoerstatistieken “zoals gecorrigeerd” niet openbaar had gemaakt in de niet-vertrouwelijke versie van de klacht. De CESFAC, Pintaluba en Vall Companys merkten op dat de weigering van de bedrijfstak van de Unie om de invoerstatistieken “zoals gecorrigeerd” openbaar te maken, hun recht van verweer in deze procedure ondermijnde en strijdig is met artikel 19 van de basisverordening. Om die reden verzochten zij de Commissie om de gegevens “zoals gecorrigeerd” te verstrekken, of ten minste een uitgebreide niet-vertrouwelijke samenvatting van de informatie openbaar te maken.

(7)

Ten eerste was de Commissie het ermee eens dat, zonder een desbetreffende correctie, op basis van verschillende soorten lysine met uiteenlopende concentraties geen objectieve beoordeling kan worden gemaakt van het verbruik in de Unie, het ingevoerde volume lysine en de prijsberekening. De correctie die de Commissie in het onderzoek doorvoerde voor de invoervolumes en de prijzen wordt uiteengezet in overweging 234.

(8)

Hoewel sommige invoergegevens in de klacht inderdaad gebaseerd zijn op gegevens van Eurostat “zoals gerapporteerd”, merkte de Commissie op dat het omzettingspercentage van vloeibare lysine naar lysinehydrochloride en het omzettingspercentage van lysinesulfaat naar lysinehydrochloride zijn opgenomen in het onderdeel “Marktgegevens met correctie voor het lysinegehalte” van de niet-vertrouwelijke versie van de klacht. Om de invoerwaarden voor invoer onder GN 2922 41 00 uitgedrukt in “lysinehydrochloride-equivalent” te verkrijgen, heeft de bedrijfstak van de Unie de bovengenoemde omzettingspercentages toegepast. De Commissie was bijgevolg van mening dat, aangezien de bedrijfstak van de Unie openbaar beschikbare invoergegevens van Eurostat, de overeenkomstige omzettingspercentages om vloeibare lysine en lysinesulfaat om te zetten naar lysinehydrochloride-equivalent, en de omgerekende invoerprijzen (punt 265 van de niet-vertrouwelijke versie van de klacht) had meegedeeld, alle belanghebbenden toegang hadden tot de definitieve invoergegevens “zoals gecorrigeerd”. Derhalve waren de argumenten niet langer relevant.

(9)

Na de opening van het onderzoek heeft ook de China Chamber of Commerce of Metals, Minerals and Chemical Importers and Exporters (“CCCMC”) opmerkingen ingediend met betrekking tot de klacht en de opening van het onderzoek.

(10)

De CCCMC voerde aan dat het onderzoek was geopend zonder toereikend en objectief bewijsmateriaal voor de schade zoals vereist op grond van artikel 5.3 van de WTO-antidumpingovereenkomst (“ADO”) en artikel 5, lid 2, van de basisverordening, en dat de Commissie de gegevens in de klacht niet naar behoren heeft onderzocht, zoals vereist op grond van artikel 5, lid 3, van de basisverordening.

(11)

De CCCMC argumenteerde met name dat de beoordeling van de ontwikkeling van lysinesulfaatvolumes door de bedrijfstak van de Unie louter op veronderstellingen was gebaseerd, en dat de bewering inzake lage prijzen van de VRC gebaseerd is op niet-objectieve en onjuiste gegevens. Het argument is gebaseerd op het gebruik door de bedrijfstak van de Unie van invoergegevens van Eurostat, die wegens hun aard niet gedetailleerd genoeg zijn om een raming te maken van de volumes, en vervolgens veronderstellingen te maken over de verhoudingen van de verschillende volumes.

(12)

Om te beginnen heeft de Commissie opgemerkt dat zij de klacht overeenkomstig artikel 5 van de basisverordening heeft onderzocht en tot de conclusie is gekomen dat was voldaan aan de vereisten om een onderzoek te openen, dat wil zeggen dat er voldoende bewijsmateriaal was om het onderzoek te openen.

(13)

Overeenkomstig artikel 5, lid 2, van de basisverordening moet een klacht de gegevens bevatten waarover de bedrijfstak van de Unie redelijkerwijs beschikt. Het juridisch vereiste bewijsniveau om een onderzoek te openen (“voldoende” bewijsmateriaal) verschilt van het bewijsniveau dat nodig is voor een voorlopige of eindbeslissing over het bestaan van dumping, schade of een oorzakelijk verband. Derhalve kan bewijsmateriaal dat kwantitatief of kwalitatief ontoereikend is om een voorlopige of eindbeslissing over het bestaan van dumping, schade of een oorzakelijk verband te rechtvaardigen, niettemin toereikend zijn om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen. In dit verband heeft de CCCMC niet onderbouwd waarom de door de klager op de invoergegevens van Eurostat toegepaste verhouding niet passend was. Het argument werd derhalve afgewezen.

(14)

De CCCMC voerde ook aan dat de Commissie geen onderzoek heeft uitgevoerd naar en geen rekening heeft gehouden met de algemeen bekende uitdagingen voor de bedrijfstak van de Unie om de belangrijkste grondstoffen en energie in hoeveelheden aan te kopen om tegen concurrerende prijzen te kunnen produceren, en evenmin met wetenschappelijke bevindingen die de keuzes van de consument kunnen beïnvloeden en het consumptiepatroon in de EU kunnen veranderen.

(15)

In dit verband heeft de Commissie opgemerkt dat het argument van de CCCMC verder gaat dan de vereisten van artikel 5, lid 3, van de basisverordening, aangezien de rol van de Commissie in de openingsfase erin bestaat de juistheid en toereikendheid van het door de bedrijfstak van de Unie verstrekte bewijsmateriaal te onderzoeken om vast te stellen of er voldoende bewijsmateriaal was om de opening te rechtvaardigen. De CCCME heeft niet uitgelegd in welke zin de beweerde uitdagingen en wetenschappelijke bevindingen deze conclusie ter discussie stelden. Het argument van de CCCME werd derhalve afgewezen.

(16)

Daarnaast voerde de CCCMC aan dat haar rechten van verdediging ernstig waren geschonden omdat i) in de openbare versie van de klacht invoervolumes worden behandeld als gerapporteerd door Eurostat zonder de gegevens “zoals gecorrigeerd” na toepassing van de omzettingspercentages mee te delen, ii) de schadefactoren geen objectief inzicht verschaffen in de als vertrouwelijk verstrekte gegevens, iii) de bijlagen met betrekking tot de uitvoerprijzen werden gerapporteerd als bijlagen die niet kunnen worden samengevat als bedragen “zoals gecorrigeerd”, en iv) de meeste informatiebronnen waarop de klacht was gebaseerd niet openbaar waren gemaakt.

(17)

Met betrekking tot de bovenstaande argumenten heeft de Commissie opgemerkt dat, aangezien de bedrijfstak van de Unie uit één producent bestaat, het gerechtvaardigd is dat de schadefactoren in de klacht in orden van grootte en in geïndexeerde vorm zijn meegedeeld teneinde het vertrouwelijke karakter van die gegevens te bewaren. De door Eurostat verstrekte invoervolumes “zoals gecorrigeerd”, de indexen en orden van grootte bieden inzicht in de trends en niveaus van de gegevens over de verschillende schade-indices die de klager als vertrouwelijk heeft ingediend. Met betrekking tot de niet-openbaarmaking van bronnen voor de omzetting heeft de bedrijfstak van de Unie de gegevens “zoals gecorrigeerd” verstrekt en de gebruikte informatiebronnen toegelicht (5); derhalve was dit deel van het argument niet langer relevant. Op grond van het bovenstaande werd het argument van de CCCME afgewezen.

1.5.   Steekproeven

(18)

In het bericht van inleiding heeft de Commissie verklaard dat zij mogelijk een steekproef van de belanghebbenden zou samenstellen overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening.

1.5.1.   Steekproef van importeurs

(19)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, verzocht de Commissie niet-verbonden importeurs de in het bericht van inleiding vermelde informatie te verstrekken.

(20)

Drie niet-verbonden importeurs hebben de gevraagde informatie geleverd en ermee ingestemd om in de steekproef te worden opgenomen. Gezien het geringe aantal reacties heeft de Commissie besloten dat een steekproef niet noodzakelijk was.

1.5.2.   Steekproef van producenten-exporteurs in de VRC

(21)

Om te kunnen beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze te kunnen samenstellen, heeft de Commissie alle producenten-exporteurs in de VRC verzocht de in het bericht van inleiding vermelde informatie te verstrekken. Bovendien heeft de Commissie de vertegenwoordiging van de Volksrepubliek China bij de Europese Unie verzocht eventuele andere producenten-exporteurs die in deelname aan het onderzoek geïnteresseerd konden zijn, op te sporen en/of contact met hen op te nemen.

(22)

Zes producenten-exporteurs uit het betrokken land hebben de verlangde informatie verstrekt en ermee ingestemd in de steekproef te worden opgenomen. Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie een steekproef van twee ondernemingen geselecteerd, samengesteld op basis van het grootste representatieve volume van uitvoer naar de Unie dat binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening zijn alle bekende betrokken producenten-exporteurs en de autoriteiten van het betrokken land geraadpleegd over de samenstelling van de steekproef.

(23)

De producent-exporteur CJ (Liaocheng) Biotech Co., Ltd. (“CJ”) voerde aan dat een steekproef van twee groepen afweek van de vaste praktijk waarbij de Commissie drie producenten-exporteurs selecteert, en dat zijn opname in de steekproef voordelen zou opleveren aangezien de steekproef geen producenten bevat die in buitenlandse handen zijn, en dat het toevoegen van een derde groep aan de steekproef onnodige moeilijkheden zou voorkomen indien in een later stadium wordt vastgesteld dat een van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs niet meewerkt. De Commissie merkt op dat de steekproef die in eerste instantie op 4 juni 2024 werd samengesteld een aanzienlijk aandeel bestreek van de invoer van het onderzochte product van oorsprong uit de Volksrepubliek China in de Unie, aanvankelijk geraamd op [67 — 77] %. Bovendien was de Commissie van oordeel dat een dergelijke steekproef redelijkerwijs binnen de beschikbare tijd kon worden onderzocht. De Commissie merkte op dat een steekproef van minder dan drie producenten niet uitzonderlijk is en dat zij niet kan anticiperen op mogelijke opzeggingen van de samenwerking. Tot slot bracht de Commissie in herinnering dat de aanwezigheid in de steekproef van ondernemingen die in buitenlandse handen zijn geen criterium is dat is vermeld in artikel 17, lid 1, van de basisverordening. Bijgevolg heeft de Commissie het door CJ aangevoerde argument afgewezen en de op 4 juni 2024 samengestelde steekproef bevestigd.

1.6.   Individueel onderzoek

(24)

Geen enkele producent-exporteur in de VRC heeft op grond van artikel 17, lid 3, van de basisverordening om een individueel onderzoek verzocht.

1.7.   Antwoorden op de vragenlijsten en controlebezoeken

(25)

De Commissie heeft vragenlijsten toegezonden aan de producent in de Unie, de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de VRC en de importeurs die zich hadden gemeld. Zij verstrekte ook een vragenlijst aan een gebruiker die zich bij de Commissie kenbaar heeft gemaakt. Die vragenlijsten werden op de dag van de opening van het onderzoek online beschikbaar gesteld.

(26)

De Commissie heeft de overheid van de Volksrepubliek China (“Chinese overheid”) een vragenlijst toegezonden over het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening in de VRC.

(27)

De vragenlijst is ingevuld teruggestuurd door de enige producent in de Unie, de twee in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de VRC, drie importeurs en één gebruiker. Van de Chinese overheid werden geen antwoorden op de vragenlijst ontvangen.

(28)

De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de voorlopige vaststelling van dumping, daardoor veroorzaakte schade en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Krachtens artikel 16 van de basisverordening zijn controlebezoeken ter plaatse verricht bij de volgende ondernemingen:

 

Producenten in de Unie

Eurolysine SAS — Amiens, Frankrijk

 

Importeurs

Andrés Pintaluba S.A., Reus, Spanje

 

Gebruikers

Vall Companys Group, Lleida, Spanje

 

Producenten-exporteurs in de VRC en hun verbonden importeurs in de Unie

Heilongjiang Eppen Biotech Co., Ltd. (“Eppen”)

Eppen Netherlands B.V. — Rotterdam, Nederland

Heilongjiang Eppen Biotech Co., Ltd. — Daqing, VRC

Meihua Holdings Group Co. Ltd. (“Meihua”):

Jilin Meihua Amino Acid Co., Ltd. — Baicheng, VRC

Meihua Holdings Group — Langfang, VRC

1.8.   Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode

(29)

Het onderzoek naar de dumping en de schade had betrekking op de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 (“het onderzoektijdvak”). Het onderzoek naar ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2020 tot aan het einde van het onderzoektijdvak (“de beoordelingsperiode”).

2.   ONDERZOCHT PRODUCT, BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Onderzocht product

(30)

Het onderzochte product is lysine en esters daarvan, alsmede zouten van deze producten, en toevoegingsmiddelen voor diervoeding met op drogestofbasis 68 % of meer, doch niet meer dan 80 % L-lysinesulfaat en niet meer dan 32 % andere bestanddelen zoals koolhydraten en andere aminozuren (“het onderzochte product”).

(31)

Het CAS-registratienummer (Chemical Abstracts Service) voor L-lysinehydrochloride is 657-27-2, voor waterige oplossing van lysine 56-87-1, en voor lysinesulfaat 60343-69-3 en 94195-18-3.

(32)

Lysine is een essentieel aminozuur, een bouwsteen voor het aanmaken van eiwitten, wat noodzakelijk is voor de gezondheid van mens en dier. Lysine wordt verkregen door middel van biologische fermentatie: de omzetting van koolhydraten in aminozuren door de wisselwerking tussen bacteriestammen. Lysine wordt gebruikt in een brede waaier aan toepassingen, bijvoorbeeld de diervoedermarkt, de farmaceutische industrie en voeding (voedingssupplementen).

2.2.   Betrokken product

(33)

Het betrokken product is het onderzochte product van oorsprong uit de VRC, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 2309 90 31 en ex 2309 90 96 voor lysinesulfaat, en onder GN-code 2922 41 00 voor lysinehydrochloride en waterige oplossing van lysine (Taric-codes: 2309 90 31 41, 2309 90 31 49, 2309 90 96 41, 2309 90 96 49) (“her betrokken product”).

2.3.   Soortgelijk product

(34)

Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende producten dezelfde fysische en chemische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basistoepassingen worden gebruikt:

het betrokken product bij uitvoer naar de Unie;

het onderzochte product dat in de VRC wordt geproduceerd en aldaar op de binnenlandse markt wordt verkocht; en

het onderzochte product dat in de Unie door de bedrijfstak van de Unie wordt geproduceerd en aldaar wordt verkocht.

(35)

De Commissie heeft in dit stadium beslist dat die producten derhalve soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

2.4.   Argument voor uitsluiting van producten

(36)

De CCCME stelde dat het onderzoek moet worden beperkt tot lysinehydrochloride en geen betrekking mag hebben op lysinesulfaat, omdat dit laatste niet wordt geproduceerd door de bedrijfstak van de Unie. De CCCME betoogde dat lysinesulfaat en lysinehydrochloride verschillende producten zijn met hun eigen specifieke eigenschappen en toepassingen.

(37)

In dit verband merkte de Commissie ten eerste op dat alle drie de vormen van lysine (lysinehydrochloride, vloeibare lysine en lysinesulfaat) worden geacht onder de productomschrijving in de overwegingen 30 tot en met 32 te vallen. Vervolgens merkte de Commissie op dat uit het onderzoek is gebleken dat lysinehydrochloride en lysinesulfaat vergelijkbare essentiële fysische, technische en chemische eigenschappen hebben. Het productieproces van de drie vormen van lysine (lysinehydrochloride, vloeibare lysine en lysinesulfaat) is zeer vergelijkbaar. Het belangrijkste verschil treedt op aan het einde van het fabricageproces, naargelang de definitieve vorm van lysine poedervormig of vloeibaar is. Als voedingsstof kan lysine verschillende vormen aannemen, en deze uiteenlopende vormen concurreren met elkaar. Bovendien veranderen de variaties in het onderzochte product, d.w.z. de vorm van lysine en het lysinegehalte in het product, niets aan de basisdefinitie en eigenschappen ervan, noch aan het beeld dat de verschillende partijen ervan hebben. De verschillende vormen van lysine hebben dezelfde functie, namelijk zeer goed verteerbare lysine aanbieden aan mens en dier, in farmaceutische producten, in voeding (als een voedingssupplement), of in diervoeder. De vorm van de lysine is niet relevant; de drie vormen zijn onderling verwisselbaar aangezien het om dezelfde voedingsstof gaat. Dit werd door een EU-importeur van lysine en een gebruiker ook bevestigd in hun antwoorden op de vragenlijst en hun schriftelijke opmerkingen (6). Tot slot is het feit dat deze productsoort niet wordt vervaardigd door de bedrijfstak van de Unie niet relevant in het licht van de rechtstreekse concurrentie tussen de drie belangrijkste productsoorten, zoals hierboven aangegeven.

(38)

Daarom wordt dit argument in dit stadium van het onderzoek afgewezen.

3.   DUMPING

3.1.   Procedure voor de vaststelling van de normale waarde op grond van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening

(39)

Aangezien er bij de opening van het onderzoek voldoende bewijsmateriaal beschikbaar was dat wees op het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening met betrekking tot de VRC, achtte de Commissie het passend om met betrekking tot de Chinese producenten-exporteurs het onderzoek te openen uit hoofde van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening.

(40)

Om de benodigde gegevens voor de mogelijke toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening te verzamelen, heeft de Commissie in het bericht van inleiding alle producenten-exporteurs in de VRC verzocht informatie over de basisproducten voor de productie van lysine te verstrekken. Zes producenten-exporteurs hebben de desbetreffende informatie verstrekt.

(41)

Om de informatie te verkrijgen die zij voor haar onderzoek met betrekking tot de vermeende verstoringen van betekenis nodig achtte, heeft de Commissie de Chinese overheid een vragenlijst toegezonden. Ook heeft de Commissie in punt 5.3.2 van het bericht van inleiding alle belanghebbenden uitgenodigd om binnen 37 dagen na de datum van bekendmaking van dat bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie hun standpunt kenbaar te maken, informatie in te dienen en ondersteunend bewijsmateriaal te verstrekken ten aanzien van de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. Van de Chinese overheid is geen antwoord op de vragenlijst ontvangen. Vervolgens heeft de Commissie de Chinese overheid ervan in kennis gesteld dat zij overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening de beschikbare gegevens zou gebruiken om het bestaan van verstoringen van betekenis in de VRC vast te stellen.

(42)

Na de opening van het onderzoek heeft de Commissie van de CCCMC opmerkingen ontvangen over de toepasselijkheid van artikel 2, lid 6 bis, die aan bod komen in punt 3.2.10 hieronder.

(43)

In punt 5.3.2. van het bericht van inleiding heeft de Commissie ook vermeld dat zij, gezien het beschikbare bewijsmateriaal, mogelijk op grond van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening een geschikt representatief land moet selecteren om op basis van niet-verstoorde prijzen of benchmarks de normale waarde vast te stellen.

(44)

Op 28 juni 2024 heeft de Commissie door middel van een mededeling (“de eerste mededeling”) de belanghebbenden op de hoogte gebracht van de relevante bronnen die zij voornemens was te gebruiken om de normale waarde vast te stellen.

(45)

In die mededeling heeft de Commissie een lijst verstrekt van alle productiefactoren zoals grondstoffen, arbeid en energie die bij de productie van lysine een rol spelen. Daarnaast heeft de Commissie, op basis van de criteria voor de keuze van niet-verstoorde prijzen of benchmarks drie mogelijke representatieve landen aangemerkt: Brazilië, Colombia en Thailand. Wegens het gebrek aan gegevens met betrekking tot producenten van lysine in de mogelijke representatieve landen, heeft de Commissie meegedeeld dat zij haar berekeningen zal baseren op gegevens met betrekking tot de productie van citroenzuur, een product in dezelfde sector als lysine en met een vergelijkbaar productieproces. De Commissie heeft opmerkingen over de eerste mededeling ontvangen van de klager, de producenten-exporteurs Heilongjiang Eppen Biotech Co., Ltd (“Eppen”) en Meihua Holdings Group Co. Ltd (“Meihua”), en de gebruikers Barentz Iberia S.L.U. en Agri Nutrition B.V. De opmerkingen komen aan bod in de relevante punten hieronder.

(46)

Op 31 oktober 2024 heeft de Commissie de opmerkingen van de belanghebbenden over de eerste mededeling behandeld in een tweede mededeling (“de tweede mededeling”) en de belanghebbenden geïnformeerd over de relevante bronnen die zij voornemens was te gebruiken om de normale waarde vast te stellen, met Colombia als representatief land. Ook informeerde zij de belanghebbenden dat zij de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (“VAA-kosten”) en de winst zou vaststellen op basis van de beschikbare informatie over de onderneming Sucroal S.A. (Sucroal), een producent in het representatieve land.

(47)

De Commissie heeft opmerkingen over de tweede mededeling ontvangen van de klager en van de producenten-exporteurs Eppen en Meihua, die verwezen naar de bronnen die werden gebruikt om de niet-verstoorde kosten in het representatieve land vast te stellen. Deze opmerkingen worden behandeld in de desbetreffende rubrieken van punt 3.4. Bovendien herhaalde Eppen zijn standpunt dat reeds bij de opmerkingen over de eerste mededeling naar voren was gebracht, namelijk dat er geen sprake was van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening, en dat daarom binnenlandse prijzen en kosten moeten worden gebruikt in het onderzoek. In punt 3.2 wordt nader op deze opmerkingen ingegaan.

(48)

Na de ontvangen opmerkingen en informatie te hebben geanalyseerd, kwam de Commissie tot de conclusie dat Colombia een geschikt representatief land is waarvan de niet-verstoorde prijzen en kosten zouden worden gebruikt voor de vaststelling van de normale waarde. De onderliggende redenen voor die keuze worden uiteengezet in punt 3.3.

3.2.   Normale waarde

(49)

Artikel 2, lid 1, van de basisverordening luidt: “De normale waarde is normaal gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald.”

(50)

In artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening is echter het volgende bepaald: “Wanneer […] wordt vastgesteld dat het wegens het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van punt b) in het land van uitvoer niet passend is gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in dat land, wordt de normale waarde uitsluitend berekend aan de hand van productie- en verkoopkosten waarin niet-verstoorde prijzen of benchmarks tot uitdrukking komen”; deze “omvat een niet-verstoord en redelijk bedrag voor administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten en voor winst” (hierna wordt naar “administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten” verwezen met “VAA-kosten”).

(51)

Zoals hieronder nader toegelicht, heeft de Commissie in het onderhavige onderzoek geconcludeerd dat, op basis van het beschikbare bewijsmateriaal en gezien het gebrek aan medewerking van de Chinese overheid, het passend was artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening toe te passen.

3.2.1.   Bestaan van verstoringen van betekenis

(52)

Artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening luidt: “Verstoringen van betekenis zijn de verstoringen die zich voordoen wanneer de gerapporteerde prijzen en kosten, waaronder de kosten van grondstoffen en energie, niet door de vrije marktwerking tot stand komen, doordat zij door aanzienlijk overheidsingrijpen worden beïnvloed. Bij de beoordeling van de aanwezigheid van verstoringen van betekenis, wordt onder meer acht geslagen op de mogelijke gevolgen van een of meer van de volgende factoren:

het feit dat de markt in kwestie voor een groot deel wordt bediend door ondernemingen die in handen zijn van de autoriteiten van het land van uitvoer, waarover deze zeggenschap hebben, waarop deze beleidstoezicht uitoefenen of waarvoor deze beleidsadvies geven;

overheidsaanwezigheid in bedrijven, waardoor inmenging van de overheid in de prijzen of kosten mogelijk wordt;

discriminerend overheidsbeleid of discriminerende overheidsmaatregelen die binnenlandse leveranciers bevoordelen of de vrije marktwerking anderszins beïnvloeden;

het ontbreken, de discriminerende toepassing of de ontoereikende handhaving van faillissements-, vennootschaps- of eigendomswetgeving;

verstoringen van loonkosten;

toegang tot financiering door instellingen die de doelstellingen van het overheidsbeleid uitvoeren of anderszins in hun werking niet onafhankelijk zijn ten opzichte van de staat.”

(53)

Aangezien de lijst in artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening niet-cumulatief is, hoeven niet alle factoren aanwezig te zijn om een verstoring van betekenis te kunnen vaststellen. Bovendien kunnen dezelfde feitelijke omstandigheden worden gebruikt om de aanwezigheid van een of meer factoren van de lijst aan te tonen.

(54)

Alle conclusies ten aanzien van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening moeten echter worden getrokken op basis van al het beschikbare bewijsmateriaal. In de algehele beoordeling betreffende de aanwezigheid van verstoringen kan ook rekening worden gehouden met de algemene context en situatie in het land van uitvoer, in het bijzonder wanneer de overheid op grond van fundamentele elementen van de economische en bestuursstructuur van het land van uitvoer over ruime bevoegdheden beschikt om zodanig in te grijpen in de economie dat prijzen en kosten niet het gevolg zijn van vrije marktwerking.

(55)

Artikel 2, lid 6 bis, punt c), van de basisverordening bepaalt: “Wanneer de Commissie beschikt over gegronde aanwijzingen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verstoringen van betekenis zoals bedoeld onder b), in een bepaald land of een bepaalde sector in dat land, en waar passend voor de doeltreffende toepassing van deze verordening, stelt zij een rapport op waarin de marktomstandigheden, zoals bedoeld onder b), in dat land of die sector worden beschreven; zij maakt dat rapport openbaar en actualiseert het geregeld”.

(56)

Overeenkomstig deze bepaling heeft de Commissie een landrapport opgesteld met betrekking tot de VRC (“het rapport”) (7), waaruit blijkt dat er sprake is van aanzienlijk overheidsingrijpen op veel niveaus van de economie, waaronder specifieke verstoringen met betrekking tot veel belangrijke productiefactoren (zoals grond, energie, kapitaal, grondstoffen en arbeid) evenals met betrekking tot specifieke sectoren, waaronder de chemische sector. De belanghebbenden werden uitgenodigd om het bewijsmateriaal dat zich ten tijde van de opening van het onderzoek in het onderzoeksdossier bevond, te weerleggen, aan te vullen of daarover opmerkingen te maken. Het rapport is in het onderzoeksdossier opgenomen in de fase van de opening van het onderzoek.

(57)

De bedrijfstak van de Unie betoogde dat de prijzen en kosten van het onderzochte product, waaronder de kosten van grondstoffen, energie en arbeid, niet door vrije marktwerking tot stand komen, omdat zij worden beïnvloed door aanzienlijk overheidsingrijpen in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening, en dat het bijgevolg niet passend is gebruik te maken van binnenlandse prijzen en kosten om de normale waarde vast te stellen.

(58)

Om dit standpunt te ondersteunen, verwees de bedrijfstak van de Unie naar het bewijsmateriaal in het rapport (8), naar bevindingen in verschillende recente onderzoeken van de Commissie (namelijk de onderzoeken naar natriumgluconaat (9), bepaalde soorten polyvinylalcohol (10), sulfanilzuur (11), citroenzuur (12) en mononatriumglutamaat (13)), en naar de conclusies van de handelsautoriteit van de VS over citroenzuur en natriumgluconaat. Er werd ook verwezen naar vaststellingen van de VS met betrekking tot prijzen en kosten in de VRC, waarbij werd gewezen op factoren als de doctrine van de socialistische markteconomie, de leidende rol van de Communistische Partij van China (de “CCP” of de “Partij”) en het interventionistisch economisch beleid van de Chinese staat.

(59)

De bedrijfstak van de Unie wees er bovendien op dat de producenten in de bovengenoemde onderzoeken van de Commissie dezelfde zijn als die in de lysinesector, en bracht de volgende elementen in herinnering die op verstoringen van betekenis wezen.

(60)

Ten eerste wordt de chemische sector, met inbegrip van de lysinesector, voor een groot deel bediend door ondernemingen die in handen zijn van de staat, waarover de staat zeggenschap heeft, waarop deze beleidstoezicht uitoefent of waarvoor deze beleidsadvies geeft:

Zoals in het onderzoek naar natriumgluconaat is vastgesteld, heeft de Chinese overheid nog steeds een aanzienlijke deel van de chemische sector in handen of heeft zij er zeggenschap over, aangezien een aantal ondernemingen, die weliswaar geen volledige staatsondernemingen zijn, wel direct of indirect voor een belangrijk deel in handen van de staat zijn.

Evenzo bleek uit het onderzoek naar sulfanilzuur dat de CCP een prominente rol speelde in de activiteiten en besluitvormingsprocessen van verschillende Chinese producenten-exporteurs van dat product.

(61)

Ten tweede stelt de aanwezigheid van de staat in ondernemingen die lysine produceren, de overheid in staat zich te mengen in prijzen en/of kosten:

volgens de vennootschapswet van de VRC moet elke onderneming een CCP-organisatie in het leven roepen indien daarin ten minste drie CCP-leden zoals bepaald in de statuten van de CCP aanwezig zijn (14), en moet de onderneming de nodige voorwaarden scheppen voor de activiteiten van de partijorganisatie. Deze regels gelden ook voor de producenten van lysine en voor de leveranciers van de grondstoffen ervan;

zoals vastgesteld in het onderzoek naar mononatriumglutamaat, waren in het geval van een van de lysineproducenten, namelijk Meihua Group, in 2022 vier leden van de raad van bestuur, waaronder de adjunct-directeur en de financieel directeur, lid van de CCP. Bovendien heeft de Commissie in dat onderzoek bewijzen gevonden van de partijopbouwende activiteiten van Meihua en van de invloed van de CCP op de activiteiten van de onderneming. Daarenboven ondersteunden de lokale overheden de bouw van de lysinefabriek van Meihua, die in 2021 in Jilin met de productie van start ging. Volgens de klacht heeft deze fabriek een productiecapaciteit van 500 ton lysinesulfaat per dag;

in het geval van Ningxia Eppen Biotech Co., Ltd. stelde de Commissie in het onderzoek naar mononatriumglutamaat vast dat de voorzitter van de onderneming optrad als vertegenwoordiger tijdens het twaalfde Volkscongres van de autonome regio Ningxia Hui, in ieder geval tot juli 2020. Ook wees het Verbond voor Industrie en Handel van Ningxia op de betrokkenheid van de CCP in de activiteiten van de onderneming, en stelde het dat de secretaris van het partijcomité en de betrokken leiders van de partijorganisatie verplicht waren deel te nemen aan belangrijke vergaderingen en beslissingen moesten meedelen aan partijleden en belanghebbenden. Daarnaast is Guangxin Group, dat 99,22 % van Ningxia Eppen Biotech Co., Ltd. bezit, volledig in handen van de provinciale overheid van Guangdong en gericht op de ontwikkeling van nieuwe materialen (15);

wat Fufeng Group, een andere lysineproducent, betreft, stellen leden van het Amerikaanse Congres dat zij nauwe banden heeft met de CCP (16). In het onderzoek naar mononatriumglutamaat stelde de Commissie vast dat Fufeng niet alleen de steun van CCP-leden en lokale overheden genoot, maar dat die lokale overheden aangelegenheden coördineerden die van belang waren voor de onderneming (17);

voorts is de voorzitter en algemeen directeur van Yufeng Industrial Group, een andere lysineproducent, sinds 1994 lid van de CCP, en online heeft de groep specifieke rubrieken voorbehouden voor CCP-leden en de bijbehorende activiteiten (18);

uit het onderzoek naar natriumgluconaat is gebleken dat de Chinese overheid zich kon mengen in de prijzen en kosten in de chemische sector door middel van persoonlijke banden tussen producenten-exporteurs en de CCP, zowel bij productieondernemingen en grondstoffenproducenten als bij brancheorganisaties;

aangezien de meeste lysineproducenten naar alle waarschijnlijkheid lid zijn van de China Food Additive and Ingredients Association en zij of hun leveranciers ook lid zijn van de China Starch Industry Association (“CSIA”), moeten zij bovendien de algemene richtsnoeren van de CCP volgen en in hun ondernemingen partijactiviteiten organiseren.

(62)

Ten derde hanteert de Chinese overheid discriminerend overheidsbeleid of discriminerende overheidsmaatregelen die binnenlandse leveranciers bevoordelen of de vrije marktwerking anderszins beïnvloeden:

in het Chinese systeem voor de toewijzing van hulpbronnen wordt prioriteit gegeven aan door de overheid strategisch of politiek (19) belangrijk geachte sectoren in plaats van te vertrouwen op marktkrachten. De chemische industrie, waaronder de productie van lysine, wordt belangrijk geacht, zoals blijkt uit tal van overheidsplannen en -richtsnoeren op verschillende bestuursniveaus. De lysineproductie wordt in het bijzonder beïnvloed door beleidsmaatregelen in verband met maisverwerking, zoals uiteengezet in het 13e vijfjarenplan inzake graan- en olieverwerking. Het plan heeft onder meer geleid tot overcapaciteit en een stijging van de uitvoer;

daarnaast stelde de Commissie met betrekking tot grondstoffen in het onderzoek naar mononatriumglutamaat (20) vast dat de maissector in de VRC sterk gereguleerd is, waarbij de overheid aanzienlijke voorraden aanhoudt waardoor de marktprijzen kunnen worden gemanipuleerd door strategisch te kopen en te verkopen. Ondanks de sinds 2016 geleverde inspanningen om buitensporige voorraden aan te pakken, blijven deze voorraden voor verstoring van de prijzen zorgen. De overheid houdt toezicht op alle aspecten van de waardeketen voor mais, waaronder subsidies voor productie en verwerkingsactiviteiten, zoals vermeld in de richtsnoeren van de Nationale Ontwikkelings- en Hervormingscommissie, die erop gericht zijn de voedselzekerheid te waarborgen en vraag en aanbod in evenwicht te brengen. Voorts zijn investeringen in maisverwerking onderworpen aan strikt regelgevingsbeheer op grond van besluit nr. 673 van de Staatsraad (21).

het overheidsbeleid in de VRC beïnvloedt de maissector op zowel nationaal als provinciaal niveau, zoals blijkt uit het richtadvies over de vormgeving van de ontwikkeling van de intensieve maisverwerkende industrie van Heilongjiang uit 2017 (22). In dit document wordt het opzetten van grootschalige activiteiten aangemoedigd en wordt voorzien in overheidsfinanciering voor in aanmerking komende ondernemingen, wat dan weer wijst op voortdurende inmenging door de overheid, afgestemd op de doelstellingen van het nationale 14e vijfjarenplan;

de Commissie stelde ook vast dat er sprake was van aanzienlijke staatsinmenging in de sector van ammoniak, een belangrijke grondstof voor de productie van mononatriumglutamaat, zoals uiteengezet in het 13e vijfjarenplan van de VRC voor de petrochemische en chemische industrie, waarin voor de productie van ammoniak jaarlijkse streefcijfers van meer dan 1 miljoen ton worden vooropgesteld. Lokale beleidsmaatregelen, zoals in Hebei (23), bieden verdere steun voor dit initiatief, met name door de ontwikkeling van grote ammoniakfaciliteiten en preferentiële tarieven voor elektriciteit in regio’s zoals Chongqing en Zhejiang (24). Een dergelijke betrokkenheid van de overheid in de hele waardeketen van lysine kan potentieel leiden tot verstoring van de marktprijzen;

in het onderzoek naar natriumgluconaat is gebleken dat de sector onder verschillende plannen, richtsnoeren en andere beleidsdocumenten met betrekking tot chemische stoffen, waaronder toevoegingsmiddelen voor levensmiddelen, valt die op nationaal, regionaal en gemeentelijk niveau werden opgesteld, zoals het 14e vijfjarenplan. De technische doelstellingen van dit laatste werden verder uitgewerkt in het 14e vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de grondstoffenindustrie.

(63)

Ten vierde is de chemische sector, net als andere sectoren van de Chinese economie, onderhevig aan de verstoringen die voortvloeien uit de discriminerende toepassing of ontoereikende handhaving van de faillissements-, vennootschaps- en eigendomswetgeving:

onder verwijzing naar het rapport en recente onderzoeken van de Commissie wees de bedrijfstak van de Unie erop dat lysineproducenten te maken krijgen met verstoringen die voortvloeien uit de discriminerende toepassing van toepasselijke wetgeving, in het bijzonder wat insolventie en de toewijzing van grondgebruiksrechten betreft.

(64)

Ten vijfde zijn ook de loonkosten in de chemische sector verstoord:

onder verwijzing naar het rapport wees de bedrijfstak van de Unie op beperkingen inzake collectieve organisatie, het niet-ratificeren van verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (“IAO”), vakbonden die door de staat worden gecontroleerd en het systeem van registratie van huishoudens;

in het onderzoek naar natriumgluconaat werd geconcludeerd dat de sector zowel direct als indirect werd beïnvloed door verstoringen van de loonkosten (25).

(65)

Ten zesde hebben lysineproducenten toegang tot financiering door instellingen die de doelstellingen van het overheidsbeleid uitvoeren of anderszins in hun werking niet onafhankelijk zijn ten opzichte van de staat:

uit het rapport bleek dat het verlenen van toegang tot financiering door staatsbanken, de geldende regelgeving en de obligatie- en kredietratings in de VRC vaak verstoord zijn. Deze verstoringen zijn het gevolg van verschijnselen zoals kredietwaardigheidsbeoordelingen op basis van het strategisch belang dat een onderneming heeft voor de overheid, impliciete garanties enz.;

de financieringskosten zijn bovendien kunstmatig laag gehouden om de groei van investeringen te stimuleren, wat heeft geleid tot het buitensporige gebruik van kapitaalinvesteringen met een steeds lager rendement;

daarnaast heeft de overheid schulden doorgerold, “zombie”-ondernemingen doen ontstaan en eigendom van schuld overgedragen via fusies of schuldconversies, zonder daarbij de onderliggende schuldproblemen aan te pakken;

in het onderzoek naar natriumgluconaat is geconcludeerd dat het aanzienlijke overheidsingrijpen in het financiële stelsel ertoe leidt dat de marktomstandigheden op alle niveaus sterk worden beïnvloed.

(66)

De bedrijfstak van de Unie voerde verder aan dat de bovengenoemde verstoringen systemisch van aard zijn. Het overheidsingrijpen met betrekking tot onder meer de toewijzing van kapitaal, grond, arbeid, energie en grondstoffen vindt in het hele land en in alle sectoren van de economie plaats. Uit het onderzoek naar natriumgluconaat is gebleken dat wanneer de producenten basisproducten inkopen of daarvoor een contract sluiten, de prijzen die worden betaald en die als hun kosten worden geregistreerd, zijn blootgesteld aan dezelfde systemische verstoringen als hierboven genoemd. Zo zetten leveranciers van basisproducten arbeidskrachten in die aan de verstoringen onderhevig zijn, lenen zij geld dat onderhevig is aan de verstoringen in de financiële sector/bij de kapitaaltoewijzing en zijn zij onderworpen aan het planningsysteem dat op alle niveaus van de overheid en op alle sectoren van toepassing is.

(67)

Concluderend voerde de bedrijfstak van de Unie aan dat er in de lysinesector sprake is van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening.

(68)

De Commissie heeft onderzocht of het wegens het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening al dan niet passend was gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in de VRC. De Commissie heeft dit gedaan op basis van het beschikbare bewijsmateriaal in het dossier. Het bewijsmateriaal in het dossier omvatte het bewijsmateriaal in het rapport en in de geactualiseerde versie ervan (“geactualiseerd rapport”) (26), dat gebaseerd is op openbaar beschikbare bronnen.

(69)

Bij deze analyse is niet alleen gekeken naar het aanzienlijke overheidsingrijpen in de economie van de VRC in het algemeen, maar ook naar de specifieke marktsituatie in de sector met inbegrip van het betrokken product. De Commissie heeft deze bewijselementen verder aangevuld met haar eigen onderzoek naar de verschillende criteria die relevant zijn om het bestaan van verstoringen van betekenis in de VRC te bevestigen.

3.2.2.   Verstoringen van betekenis die de binnenlandse prijzen en kosten in de VRC beïnvloeden

(70)

Het Chinese economische stelsel is gebaseerd op het concept van een “socialistische markteconomie”. Dat concept is vastgelegd in de Chinese grondwet en bepaalt het economische bestuur van de VRC. Het kernbeginsel is “socialistische publieke eigendom van de productiemiddelen, namelijk eigendom van het gehele volk en collectieve eigendom van de werkende bevolking” (27).

(71)

De staatseconomie wordt als de “leidende kracht van de nationale economie” beschouwd en de staat heeft de opdracht om “de consolidatie en groei” ervan te waarborgen (28). Bijgevolg maakt de wijze waarop de Chinese economie is ingericht, niet alleen aanzienlijk overheidsingrijpen in de economie mogelijk, maar is dergelijk ingrijpen ook uitdrukkelijk voorgeschreven. Het gehele rechtsstelsel is doordrongen van de notie dat publieke eigendom superieur is aan particulier eigendom en deze notie wordt in alle belangrijke wetgeving als algemeen beginsel benadrukt.

(72)

De Chinese eigendomswetgeving vormt hiervan een voorbeeld bij uitstek: zij verwijst naar de eerste fase van het socialisme en geeft de staat de opdracht het fundamentele economische stelsel in stand te houden waarin de publieke eigendom een overheersende rol speelt. Andere vormen van eigendom worden getolereerd, waarbij de wet toelaat dat zij zich naast de staatseigendom ontwikkelen (29).

(73)

Daarnaast wordt naar Chinees recht de socialistische markteconomie ontwikkeld onder leiding van de CCP. De structuren van de Chinese staat en van de CCP zijn op alle niveaus (juridisch, institutioneel, persoonlijk) met elkaar vervlochten en vormen een superstructuur waarin de rollen van de CCP en de staat niet van elkaar zijn te onderscheiden.

(74)

Na een wijziging van de Chinese grondwet in maart 2018 werd de leidende rol van de CCP nog prominenter gemaakt door de herbevestiging ervan in artikel 1 van de grondwet.

(75)

Na de reeds bestaande eerste zin van die bepaling: “Het socialistische systeem is het fundamentele stelsel van de Volksrepubliek China”, is een nieuwe tweede zin ingevoegd, die luidt: “Het leiderschap van de Communistische Partij van China is het essentiële kenmerk van het socialisme met Chinese karakteristieken” (30). Dit illustreert de onbetwiste en steeds toenemende zeggenschap van de CCP over het economische stelsel van de VRC.

(76)

Dit leiderschap en deze zeggenschap zijn inherent aan het Chinese stelsel en gaan veel verder dan de gebruikelijke situatie in andere landen, waar de overheden algemene macro-economische zeggenschap uitoefenen binnen de grenzen van de vrije marktwerking.

(77)

De Chinese staat voert een interventionistisch economisch beleid om zijn doelen na te streven, die niet zozeer een afspiegeling zijn van de heersende economische omstandigheden op een vrije markt, maar veeleer samenvallen met de politieke agenda van de CCP (31). De interventionistische economische instrumenten die door de Chinese autoriteiten worden ingezet, zijn talrijk en omvatten onder meer het systeem van industriële planning, het financiële systeem en regelgevingsinstrumenten.

(78)

Ten eerste — op het niveau van de algemene administratieve zeggenschap — wordt de richting van de Chinese economie bepaald door een complex systeem van industriële planning dat alle economische activiteiten in het land beïnvloedt. Al deze plannen samen bestrijken een complete en complexe matrix van sectoren en transversale beleidsmaatregelen en zijn aanwezig op alle overheidsniveaus.

(79)

De plannen op provinciaal niveau zijn gedetailleerd, terwijl in de nationale plannen bredere doelen worden gesteld. In de plannen worden ook de middelen beschreven om de betrokken bedrijfstakken/sectoren te ondersteunen, en het tijdsbestek waarin de doelstellingen moeten worden gerealiseerd. Sommige plannen bevatten nog steeds expliciete productiedoelen.

(80)

In het kader van de plannen worden afzonderlijke industriële sectoren en/of projecten aangewezen als (positieve of negatieve) prioriteiten in overeenstemming met de prioriteiten van de overheid en worden er specifieke ontwikkelingsdoelstellingen aan toegekend (industriële modernisering, internationale expansie enz.).

(81)

De marktdeelnemers, zowel particuliere als staatsondernemingen, moeten hun bedrijfsactiviteiten daadwerkelijk aanpassen aan de vereisten van het planningssysteem. Dit komt niet alleen vanwege het bindende karakter van de plannen, maar ook omdat de bevoegde Chinese autoriteiten op alle overheidsniveaus zich aan het systeem van plannen houden en hun verworven bevoegdheden dienovereenkomstig gebruiken, waardoor de marktdeelnemers ertoe worden aangezet de in de plannen vastgelegde prioriteiten na te leven (32).

(82)

Ten tweede — op het niveau van de toewijzing van financiële middelen — wordt het financiële systeem van de VRC gedomineerd door de handels- en beleidsbanken in staatseigendom. Die banken moeten hun kredietbeleid ontwikkelen en uitvoeren in overeenstemming met de doelstellingen van het industriebeleid van de overheid in plaats van zich in de eerste plaats te buigen over de economische merites van een bepaald project (33).

(83)

Hetzelfde geldt voor de andere componenten van het Chinese financiële stelsel, zoals de aandelenmarkten, obligatiemarkten, private-equitymarkten enz. Ook deze onderdelen van de financiële sector zijn institutioneel en operationeel opgezet op een manier die er niet op gericht is de efficiënte werking van de financiële markten te maximaliseren, maar de zeggenschap van de staat en de CCP te waarborgen en hun ingrijpen mogelijk te maken (34).

(84)

Ten derde — op het niveau van de regelgeving — neemt het overheidsingrijpen in de economie verschillende vormen aan. Regels omtrent overheidsopdrachten worden bijvoorbeeld regelmatig gebruikt om andere beleidsdoelstellingen dan economische doelmatigheid na te streven, waardoor het beginsel van marktwerking op dit gebied wordt ondermijnd. In de toepasselijke wetgeving is uitdrukkelijk bepaald dat overheidsopdrachten worden geplaatst om de verwezenlijking van doelstellingen van het overheidsbeleid te bevorderen. De aard van deze doelstellingen blijft echter onduidelijk, waardoor de besluitvormende organen over een ruime beoordelingsmarge beschikken (35).

(85)

Ook op het gebied van investeringen behoudt de Chinese overheid aanzienlijke zeggenschap over en invloed op de bestemming en de omvang van zowel staats- als particuliere investeringen. Het doorlichten van investeringen, evenals diverse prikkels, beperkingen en verboden met betrekking tot investeringen worden door de autoriteiten gebruikt als een belangrijk instrument ter ondersteuning van de doelstellingen van het industriebeleid, zoals het handhaven van de zeggenschap van de staat over belangrijke sectoren of het versterken van de binnenlandse industrie (36).

(86)

Samengevat berust het Chinese economische model op enkele basisbeginselen die voorzien in een hoge mate van overheidsingrijpen en dit aanmoedigen. Dergelijk aanzienlijk overheidsingrijpen staat haaks op de vrije marktwerking en leidt tot een verstoring van de doeltreffende toewijzing van middelen volgens de marktbeginselen (37).

3.2.3.   Verstoringen van betekenis overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), eerste streepje, van de basisverordening: het feit dat de markt in kwestie voor een groot deel wordt bediend door ondernemingen die in handen zijn van de autoriteiten van het land van uitvoer, waarover deze zeggenschap hebben, waarop deze beleidstoezicht uitoefenen of waarvoor deze beleidsadvies geven

(87)

In de VRC vormen ondernemingen die in handen zijn van de staat, waarover de staat zeggenschap heeft en/of waarop de staat beleidstoezicht uitoefent of waarvoor deze beleidsadvies geeft, een essentieel onderdeel van de economie.

(88)

De sector van het betrokken product wordt voornamelijk bediend door particuliere ondernemingen, zoals: Meihua Group (38); Yufeng Industrial Group (39); Fufeng Group (40); Heilongjiang Wanli Lida Group (41).

(89)

Interventies van de CCP in de operationele besluitvorming zijn echter de norm geworden, niet alleen in staatsondernemingen, maar ook in particuliere ondernemingen (42), waarbij de CCP een leidende rol opeist ten aanzien van vrijwel elk aspect van de economie van het land. De invloed van de staat door middel van CCP-structuren binnen ondernemingen leidt er immers toe dat marktdeelnemers onder zeggenschap en beleidstoezicht van de overheid staan, gezien de mate waarin de staats- en partijstructuren in de VRC met elkaar zijn verweven.

(90)

Bovendien is de lysinesector onderworpen aan verschillende beleidsmaatregelen van de overheid, zoals de belangrijke beleidsmaatregelen voor 2022 die zijn aangekondigd door het ministerie van Financiën en het ministerie van Landbouw en Plattelandszaken: “Geïntegreerde ontwikkeling van de landbouwsector. De opzet en bouw van een aantal nationale moderne agro-industriële parken, gunstige en kenmerkende industriële clusters en sterke agro-industriële gemeenten coördineren. De nadruk leggen op het waarborgen van de nationale voedselzekerheid en een doeltreffende voorziening van belangrijke landbouwproducten, met bijzondere aandacht voor rijst, tarwe en mais, […] een modern industrieel systeem op het platteland opzetten dat gebaseerd is op sterke industriële steden, industrieparken als motor en industriële clusters als ruggengraat, provinciale, gewestelijke en stedelijke indelingen, en gecoördineerde bevordering van punten, lijnen en gebieden, teneinde de kwaliteit en efficiëntie van de industriële ontwikkeling als geheel te verbeteren” (43). Evenzo worden in het 14e vijfjarenplan ter bevordering van de modernisering van de landbouw en de plattelandsgebieden de volgende doelstellingen vastgesteld: “Bouw van een nationale industriële gordel voor voedselzekerheid. Op basis van de productie en levering van rijst, tarwe, mais, sojabonen enz., de opbouw van capaciteit op het gebied van productie, verwerking, opslag en verkeer coördineren en industriële gordels voor voedselveiligheid bouwen […]” (44). Voorts vereist het 14e vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de bio-economie ook dat “enzympreparaten, microbiële preparaten, gefermenteerd diervoeder, aminozuren in diervoeder en andere biologische diervoeders worden ontwikkeld […]” (45).

(91)

Zeggenschap en beleidstoezicht van de overheid kunnen ook worden vastgesteld op het niveau van de betrokken brancheorganisaties (46).

(92)

Zo stelt de China Biotech Fermentation Industry Association (“CBFIA”) in artikel 3 van haar statuten bijvoorbeeld dat de organisatie “de professionele richtsnoeren, het toezicht en het beheer door de entiteiten die belast zijn met registratie en beheer, door entiteiten die belast zijn met partijopbouw en door de relevante administratieve afdelingen die belast zijn met het beheer van de industrie, aanvaardt” (47). De partijafdeling van de CBFIA (48) vereist van de vereniging dat zij “specifieke activiteiten verkent en uitrolt om het alomvattende en strikte bestuur door de partij te bevorderen en de partijopbouw te versterken […] en ten volle erkent dat de diepgaande bevordering van het alomvattende en strikte bestuur door de partij ten aanzien van nationale brancheorganisaties en kamers van koophandel een politiek vereiste is dat de inspanningen van brancheorganisaties en kamers van koophandel om het leiderschap van de partij te volgen en te versterken, stuurt” (49).

(93)

Meihua Group en Fufeng Group zijn lid van de CBFIA, en zijn beide vicevoorzitter van de raad van bestuur van de vereniging (50).

(94)

De vereniging CSIA streeft er dan weer naar “het nationale industriebeleid bekend te maken en uit te voeren, de industrie ten volle te dienen en de industriële productie te bevorderen” (51). Bovendien is in artikel 3 van haar statuten bepaald dat de CSIA “een organisatie van de Communistische Partij van China opricht, partijactiviteiten verricht en de nodige voorwaarden schept voor de activiteiten van de partijorganisatie” en “de professionele richtsnoeren, het toezicht en het beheer door de entiteiten die belast zijn met registratie en beheer, door entiteiten die belast zijn met partijopbouw en door de relevante administratieve afdelingen die belast zijn met het beheer van de industrie aanvaardt” (52).

(95)

Meihua Group is een van de vicevoorzitters van de uitvoerende raad van de CSIA (53).

(96)

Hieruit blijkt dat zelfs particuliere producenten in de sector van het betrokken product niet onder marktvoorwaarden kunnen opereren. Zowel staats- als particuliere ondernemingen in de sector staan immers onder beleidstoezicht en krijgen beleidsadvies.

3.2.4.   Verstoringen van betekenis overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), tweede streepje, van de basisverordening: overheidsaanwezigheid in bedrijven, waardoor inmenging van de overheid in de prijzen of kosten mogelijk wordt

(97)

De Chinese overheid kan zich door middel van overheidsaanwezigheid in bedrijven mengen in prijzen en kosten. CCP-cellen in ondernemingen die al dan niet in staatseigendom zijn, vormen immers een belangrijk kanaal waarlangs de staat zich in zakelijke beslissingen kan mengen.

(98)

Volgens het Chinese vennootschapsrecht moet in elke onderneming een CCP-organisatie in het leven worden geroepen (met ten minste drie CCP-leden zoals bepaald in de statuten van de CCP (54)) en moet de onderneming de nodige voorwaarden scheppen voor de activiteiten van de partijorganisatie.

(99)

Deze eis lijkt in het verleden niet altijd te zijn gevolgd of strikt te zijn gehandhaafd. De CCP heeft echter, sinds ten minste 2016, haar aanspraken op zeggenschap bij zakelijke beslissingen in ondernemingen nadrukkelijk als politiek beginsel doen gelden (55), onder meer door druk uit te oefenen op particuliere ondernemingen om “vaderlandslievendheid” voorop te stellen en zich naar de partijlijn te voegen (56).

(100)

Reeds in 2018 werd bericht dat in 73 % van de circa 2,57 miljoen ondernemingen in particuliere eigendom partijcellen aanwezig waren, en dat er toenemende druk was om de CCP-organisaties het laatste woord te laten hebben bij de zakelijke besluitvorming in de betrokken ondernemingen (57). Deze voorschriften zijn van algemene toepassing in de gehele Chinese economie, in alle sectoren, ook op producenten van het betrokken product en de leveranciers van de grondstoffen ervan.

(101)

Daarnaast werd op 15 september 2020 een document bekendgemaakt met als titel “Richtsnoeren van het Algemeen Bureau van het Centraal Comité van de CCP om in het nieuwe tijdperk de activiteiten van het Eenheidsfront in de particuliere sector op te voeren” (“de richtsnoeren”) (58), waarin de rol van de partijcomités in particuliere ondernemingen verder werd uitgebreid.

(102)

In afdeling II.4 van de richtsnoeren staat het volgende: “Wij moeten de totale capaciteit van de Partij om sturing te geven aan activiteiten van het Eenheidsfront in de particuliere sector vergroten en de werkzaamheden op dit gebied op doeltreffende wijze opvoeren”; en in afdeling III.6 staat: “Wij moeten de aanwezigheid van de Partij in particuliere ondernemingen verder opvoeren en de partijcellen in staat stellen hun rol als bastion doeltreffend te vervullen en de partijleden in staat stellen hun rol als voorhoede en pioniers te spelen.” De richtsnoeren benadrukken zo de rol van de CCP in ondernemingen en andere entiteiten van de particuliere sector en trachten deze te versterken (59).

(103)

Het onderzoek heeft bevestigd dat overlappingen tussen managementfuncties en CCP-lidmaatschap/functies ook in de lysinesector voorkomen. Bij wijze van voorbeeld: de vicevoorzitter van de Meihua Group bekleedt de functie van secretaris-generaal van de partijafdeling van de groep (60).

(104)

Daarnaast is de voorzitter van de Yufeng Industrial Group ook secretaris van het partijcomité en lid van het Volkscongres van de provincie Hebei (61).

(105)

Verder hebben ook de aanwezigheid en het ingrijpen van de staat op de financiële markten en bij de levering van grondstoffen en basisproducten een verstorend effect op de markt (62). Door de aanwezigheid van de staat in ondernemingen, in de lysinesector en andere sectoren (zoals de financiële sector en de sector voor basisproducten), is het voor de Chinese overheid dus mogelijk zich in de prijzen en kosten te mengen.

3.2.5.   Verstoringen van betekenis overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), derde streepje, van de basisverordening: discriminerend overheidsbeleid of discriminerende overheidsmaatregelen die binnenlandse leveranciers bevoordelen of de vrije marktwerking anderszins beïnvloeden

(106)

De koers van de Chinese economie wordt in grote mate bepaald door een uitgebreid planningssysteem waarin prioriteiten worden gesteld en waarin de doelstellingen worden voorgeschreven waarop de centrale, provinciale en lokale overheid zich moeten concentreren. Op alle overheidsniveaus bestaan plannen die vrijwel alle economische sectoren bestrijken. De via de planningsinstrumenten geformuleerde doelen hebben een bindend karakter en op elk bestuurlijk niveau houden de autoriteiten toezicht op de uitvoering van de plannen door het desbetreffende lagere bestuursniveau.

(107)

Over de gehele linie leidt het planningssysteem in de VRC ertoe dat er middelen worden toegewezen aan sectoren die door de overheid als strategisch of anderszins politiek belangrijk zijn bestempeld, in plaats van dat de toewijzing plaatsvindt in overeenstemming met de marktkrachten (63).

(108)

De Chinese autoriteiten hebben een aantal beleidsmaatregelen vastgesteld die de werking van de sector van het betrokken product sturen.

(109)

De belangrijke beleidsmaatregelen uit 2022 van het ministerie van Financiën en het ministerie van Landbouw en Plattelandszaken (zie overweging 90) bevatten ook de volgende bepalingen die van invloed zijn op de werking van de sector: “De staat zal beleidsmaatregelen blijven uitvoeren zoals subsidies voor producenten van mais en sojabonen, subsidies voor rijst en stimulansen voor grote graanproducerende districten, teneinde de doeltreffendheid van structurele hervormingen aan de aanbodzijde in de landbouw te consolideren en de nationale voedselzekerheid te waarborgen” of “beloningen voor belangrijke zaadproducerende districten. De omvang van de steun voor belangrijke zaadproducerende districten voor rijst, tarwe en mais uitbreiden […] en de transformatie en modernisering van de zaadsector bevorderen” (64).

(110)

In het 14e vijfjarenplan ter bevordering van de modernisering van de landbouw en de plattelandsgebieden (65) wordt beoogd “het beleid ter ondersteuning van de graanproductie te verbeteren; de subsidies voor graanproducenten te stabiliseren, het beleid inzake minimumaankoopprijzen voor rijst en tarwe alsmede het subsidiebeleid voor mais- en sojaproducenten te verbeteren; het steunbeleidstelsel voor belangrijke graanproducerende gebieden en het ondersteuningsbeleid voor belangrijke maisproducerende districten te verbeteren” (66). In het 14e vijfjarenplan over de ontwikkeling van de plantsector op nationaal niveau (67) staat: “Tijdens de periode van het 14e vijfjarenplan zullen wij een potentiële expansie onderzoeken, de productiecapaciteit verhogen, de structuur optimaliseren, gediversifieerde ontwikkeling bevorderen en de capaciteiten met het oog op leveringszekerheid verbeteren” (68).

(111)

Het 14e vijfjarenplan van de CSIA (69) maakt het bestaande overheidsbeleid in de sector verder duidelijk door toe te lichten dat “de staat sinds 2016 het beleid voor de tijdelijke opslag van mais van de drie noordoostelijke provincies en de autonome regio Binnen-Mongolië heeft aangepast aan een nieuw mechanisme van ‘marktgerichte aankoop’ plus ‘subsidies’, waardoor de maisprijzen en de productiekosten van maiszetmeel sterk zijn gedaald; Heilongjiang, Jilin, Liaoning, Binnen-Mongolië en andere plaatsen hebben voor de verwerking van de overtollige maisvoorraden subsidies van verschillende hoogte toegekend aan maisverwerkende ondernemingen, die de productiecapaciteit voor de verwerking van mais en de productie van maïszetmeel blijven verhogen” (70).

(112)

Het 14e vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de bio-economie is rechtstreeks gericht op de sector van het betrokken product, door ernaar te streven “de belangrijke positie van bedrijfsinnovatie te versterken; de leidende en ondersteunende rol van toonaangevende ondernemingen op biologisch gebied volop te laten spelen, grote ondernemingen te begeleiden om middelen zoals technologische innovatie, toeleveringsketens en financiële diensten open te stellen voor de upstream- en downstreambedrijven van de industriële keten, en integratie en innovatie in kleine en middelgrote ondernemingen te bevorderen. Door de inspanningen te concentreren op belangrijke gebieden met een grote schaal en brede invloed, zoals biogeneeskunde, biolandbouw en biomanufacturing, worden bio-innovatieve ondernemingen gestimuleerd om hun subsectoren verder te ontwikkelen, hun ontwikkelingsvoordelen te ontplooien en hen te stimuleren om individuele kampioensondernemingen met een wereldwijd concurrentievermogen te worden” (71). Meer specifiek vereist het plan van de betrokken entiteiten ook dat zij “enzympreparaten, microbiële preparaten, gefermenteerd diervoeder, aminozuren in diervoeder en andere biologische diervoeders [ontwikkelen]”.

(113)

Op provinciaal niveau staat in het 14e vijfjarenplan van de provincie Hebei voor strategische en opkomende sectoren (72) aangegeven dat de overheid beoogt de industriële structuur van de sector als volgt vorm te geven: “de sectoren voor biologische fermentatie, biogebaseerde producten en specifieke biologische producten krachtig ontwikkelen, en de geïntegreerde toepassing van biotechnologie op het gebied van geneeskunde, chemische industrie, materialen, voedselverwerking en nieuwe energie bevorderen; de voordelen van aminozuren, zetmeelsuikers, enzympreparaten, vitamines en andere producten consolideren en verbeteren, en nieuwe biologische materialen zoals biovezels en biogebaseerde chemicaliën ontwikkelen” (73).

(114)

Voorts heeft Shandong in 2024 belangrijke beleidsmaatregelen uitgestippeld om de maissector te promoten, op te waarderen en te ontwikkelen (74), waarbij aanzienlijke belastingsteun voor onderzoek en ontwikkeling werd verleend.

(115)

Evenzo heeft Jilin specifieke preferentiële beleidsmaatregelen ten gunste van de bedrijfstak van het betrokken product uitgevaardigd. Volgens een verslag dat op zijn website werd gepubliceerd “[…] formuleert het belastingkantoor van de provincie Jilin de lijst met beleidsvoordelen en de lijst met onderwerpen waarvoor snel moet worden gereageerd, en past het deze aan. Ondernemingen hebben behoeften, belastingen spelen hierop in. Om de sector te moderniseren zijn er voldoende beleidsinstrumenten voorhanden”  (75) . Dit wordt bevestigd door een vertegenwoordiger van Meihua Group: “In 2017 vestigde de onderneming zich in Jilin Baicheng Industrial Park als eerste onderneming in Baicheng met een totale investering van 10 miljard CNY. Na jarenlange geleidelijke ontwikkeling en groei, met sterke steun van preferentiële fiscale beleidsmaatregelen, […] is het concurrentievermogen van de producten op de markt effectief verbeterd. Alleen al in de eerste helft van 2023 heeft onze onderneming korting op de uitvoerbelasting van 139 miljoen CNY genoten, waardoor we ons niet langer zorgen moesten maken over het productieproces van het product, we ons rustiger konden toeleggen op de risico’s en uitdagingen van de internationale markt en we de omvang van de uitvoer verder konden uitbreiden” (76). De voorzitter van Meihua Group verklaarde ook dat “Jilin Meihua sterke steun en hulp heeft ontvangen van leiders op alle niveaus van de provincie en de gemeente, waardoor Meihua zich snel heeft kunnen ontwikkelen” (77), wat erop wijst dat de preferentiële beleidsmaatregelen niet beperkt bleven tot fiscale beleidsmaatregelen.

(116)

Vergelijkbare steunmaatregelen zijn ook beschikbaar in Heilongjiang, zoals blijkt uit het systeemontwikkelingsplan voor de sector 2023-2026 van de gemeente Suihua (78), waarin Heilongjiang Chengfu Food Group, een lysineproducent die 7,39 % van de binnenlandse productiecapaciteit van lysine vertegenwoordigt (79), wordt aangemerkt als een belangrijke onderneming.

(117)

Met deze en andere middelen stuurt en controleert de Chinese overheid derhalve vrijwel elk aspect van de ontwikkeling en werking van de sector, evenals de upstream-basisproducten.

(118)

Samengevat heeft de Chinese overheid maatregelen getroffen om marktdeelnemers ertoe te bewegen te voldoen aan de doelstellingen van het overheidsbeleid voor de sector. Dergelijke maatregelen belemmeren de vrije marktwerking.

3.2.6.   Verstoringen van betekenis overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), vierde streepje, van de basisverordening: het ontbreken, de discriminerende toepassing of de ontoereikende handhaving van faillissements-, vennootschaps- of eigendomswetgeving

(119)

Volgens de informatie in het dossier slaagt het Chinese faillissementsstelsel er niet in zijn belangrijkste doelstellingen te verwezenlijken, zoals een billijke vereffening van vorderingen en schulden en de bescherming van de wettelijke rechten en belangen van crediteuren en debiteuren. Dit lijkt voort te vloeien uit het feit dat het Chinese faillissementsrecht, ook al berust het formeel op beginselen die gelijkenis vertonen met de beginselen van het overeenkomstige recht in andere landen dan de VRC, wordt gekenmerkt door structureel ontoereikende handhaving.

(120)

Het aantal faillissementen blijft notoir laag in verhouding tot de omvang van de economie van het land, niet in de laatste plaats omdat de insolventieprocedures te kampen hebben met een aantal tekortkomingen die het indienen van faillissementsaanvragen in de praktijk ontmoedigen. Bovendien blijft de staat in de insolventieprocedures een vooraanstaande en actieve rol spelen, met vaak een directe invloed op de uitkomst ervan (80).

(121)

Daarnaast zijn de tekortkomingen van het systeem van eigendomsrechten met name evident met betrekking tot eigendom van grond en grondgebruiksrechten in de VRC (81). Alle grond is eigendom van de staat (collectieve landbouwgrond en stedelijke grond in staatseigendom). De toewijzing ervan is volledig in handen van de staat. Er zijn wettelijke bepalingen waarmee wordt beoogd de rechten op het gebruik van grond op transparante wijze en tegen marktprijzen toe te wijzen, bijvoorbeeld door invoering van biedprocedures. Het komt echter regelmatig voor dat deze bepalingen niet worden nageleefd, waarbij sommige kopers hun grond kosteloos of tegen een lagere prijs dan de marktprijs verkrijgen (82). Bovendien streven de autoriteiten bij het toewijzen van grond vaak specifieke politieke doelen na, waaronder de uitvoering van de economische plannen (83).

(122)

Net als in andere sectoren van de Chinese economie zijn de producenten van het betrokken product onderworpen aan de gewone regels van de Chinese faillissements-, vennootschaps- en eigendomswetgeving. Dit heeft tot gevolg dat ook deze ondernemingen te maken hebben met verstoringen van bovenaf wegens de discriminerende toepassing of ontoereikende handhaving van de faillissements- en eigendomswetgeving. Op basis van het beschikbare bewijsmateriaal lijken deze overwegingen ook volledig van toepassing te zijn op de chemische sector en dus ook op de lysinesector. Uit het onderhavige onderzoek is niets naar voren gekomen dat deze bevindingen ter discussie stelt.

(123)

In het licht van het bovenstaande heeft de Commissie geconcludeerd dat er in de sector van het betrokken product sprake was van discriminerende toepassing of ontoereikende handhaving van de faillissements- en eigendomswetgeving.

3.2.7.   Verstoringen van betekenis overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), vijfde streepje, van de basisverordening: verstoringen van loonkosten

(124)

Een systeem van marktgebaseerde lonen kan zich in de VRC niet volledig ontwikkelen, omdat het recht op collectieve organisatie van werknemers en werkgevers wordt belemmerd. De VRC heeft een aantal kernverdragen van de IAO, met name die inzake de vrijheid van vereniging en collectieve onderhandelingen, niet geratificeerd (84).

(125)

Krachtens het nationale recht is er slechts één vakbond actief. Deze is echter onvoldoende onafhankelijk van de overheidsinstanties en hij is slechts in beperkte mate bij collectieve onderhandelingen en de bescherming van de rechten van werknemers betrokken (85). Bovendien wordt de mobiliteit van werknemers in de VRC beperkt door het systeem van registratie van huishoudens, dat de toegang tot het volledige scala van socialezekerheids- en andere voorzieningen beperkt tot de inwoners van een bepaald administratief gebied.

(126)

Dit leidt er doorgaans toe dat werknemers die niet als lokale ingezetene zijn geregistreerd, zich in een kwetsbare werkgelegenheidssituatie bevinden en een lager inkomen ontvangen dan de houders van de ingezetenenregistratie (86). Dit alles leidt tot verstoring van de loonkosten in de VRC.

(127)

Er is geen bewijsmateriaal ingediend waaruit blijkt dat de lysinesector niet onderworpen zou zijn aan het beschreven Chinese arbeidsrechtstelsel. De sector staat derhalve bloot aan verstoringen van de loonkosten, zowel direct (bij het vervaardigen van het betrokken product of de belangrijkste grondstof voor de vervaardiging ervan) als indirect (bij het krijgen van toegang tot kapitaal of basisproducten van ondernemingen die in de VRC aan hetzelfde arbeidsrechtstelsel onderworpen zijn).

3.2.8.   Verstoringen van betekenis overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), zesde streepje, van de basisverordening: toegang tot financiering door instellingen die de doelstellingen van het overheidsbeleid uitvoeren of anderszins in hun werking niet onafhankelijk zijn ten opzichte van de staat

(128)

De toegang tot kapitaal voor ondernemingen in de VRC is onderhevig aan diverse verstoringen.

(129)

Ten eerste wordt het Chinese financiële stelsel gekenmerkt door een sterke positie van staatsbanken (87), die bij het verlenen van toegang tot financiering rekening houden met andere criteria dan de economische levensvatbaarheid van een project. Net als niet-financiële staatsondernemingen blijven de banken verbonden met de staat, niet alleen via de eigendomsrelatie maar ook via persoonlijke betrekkingen (de hoogste bestuurders van de grote financiële instellingen in handen van de overheid worden in laatste instantie door de CCP benoemd) (88), en zij voeren geregeld het beleid van de Chinese overheid uit.

(130)

Hiermee voldoen de banken aan een uitdrukkelijke wettelijke verplichting om te handelen in overeenstemming met de behoeften van de nationale economische en sociale ontwikkeling en overeenkomstig het industriebeleid van de staat (89). Hoewel wordt erkend dat in diverse wettelijke bepalingen is vastgesteld dat het normale gedrag van banken en de prudentiële regels, zoals de noodzaak om de kredietwaardigheid van de kredietnemer te onderzoeken, moeten worden geëerbiedigd, wijst het overgrote deel van het bewijsmateriaal, waaronder de bevindingen van handelsbeschermingsonderzoeken, erop dat deze bepalingen bij de toepassing van de verschillende rechtsinstrumenten slechts een secundaire rol spelen.

(131)

Zo heeft de Chinese overheid verduidelijkt dat zelfs particuliere commerciële bankbeslissingen onder toezicht van de CCP moeten staan en in overeenstemming moeten blijven met het nationale beleid. Een van de drie overkoepelende doelstellingen van de staat met betrekking tot de governance van het bankwezen is nu het versterken van de leidende positie van de partij in de bank- en verzekeringssector, ook met betrekking tot operationele en managementkwesties (90). Ook moet bij de criteria voor prestatie-evaluatie van commerciële banken nu in het bijzonder rekening worden gehouden met de wijze waarop entiteiten “de nationale ontwikkelingsdoelstellingen en de reële economie dienen”, en met name hoe zij “strategische en opkomende industrieën ten dienste staan” (91).

(132)

Voorts zijn obligatie- en kredietratings dikwijls om verscheidene redenen verstoord, onder meer omdat de risicobeoordeling wordt beïnvloed door het strategische belang dat een onderneming voor de Chinese overheid heeft, en door de kracht die uitgaat van een impliciete garantie van de overheid (92). Daarbij komen nog aanvullende bestaande regels, die geldmiddelen naar sectoren leiden die volgens de overheid moeten worden aangemoedigd of anderszins als belangrijk zijn aangemerkt (93). Dit leidt ertoe dat gemakkelijker leningen worden verstrekt aan staatsondernemingen, grote particuliere bedrijven met goede connecties en bedrijven in belangrijke industriële sectoren, wat impliceert dat de beschikbaarheid en de kosten van kapitaal niet voor alle spelers op de markt gelijk zijn.

(133)

Ten tweede worden de kredietkosten kunstmatig laag gehouden om de groei van investeringen te stimuleren. Dit heeft geleid tot een buitensporig gebruik van kapitaalinvesteringen met een steeds lager rendement. Dit wordt geïllustreerd door de toename van de schulden van de ondernemingen in de overheidssector ondanks een scherpe daling van de winstgevendheid, waaruit blijkt dat de mechanismen in het bankwezen niet volgens normale commerciële beginselen reageren.

(134)

Ten derde zijn de prijssignalen, ondanks de liberalisering van de nominale rente in oktober 2015, nog steeds niet het resultaat van de vrije marktwerking, maar worden zij beïnvloed door verstoringen die door de overheid zijn veroorzaakt. Ten minste een derde van alle leningen werd eind 2018 nog steeds tegen of onder het benchmarktarief verstrekt (94). De officiële media in de VRC hebben onlangs gemeld dat de CCP heeft opgeroepen om “de marktrente voor leningen naar beneden bij te sturen” (95). Kunstmatig lage rentevoeten leiden tot te lage prijzen en daarmee tot buitensporig gebruik van kapitaal.

(135)

De algehele kredietgroei in de VRC duidt erop dat de toewijzing van kapitaal minder doeltreffend plaatsvindt dan voorheen, zonder aanwijzingen voor kredietrestricties die in een niet-verstoorde marktomgeving te verwachten zouden zijn. Als gevolg hiervan is het aantal niet-renderende leningen snel gestegen. De Chinese overheid heeft er een aantal malen voor gekozen wanbetalingen te voorkomen, wat heeft geleid tot het ontstaan van “zombie”-ondernemingen, of de eigendom van de schuld over te dragen (bv. via fusies of schuldconversies), zonder dat daarbij noodzakelijkerwijs het totale schuldprobleem werd verholpen of de onderliggende oorzaken van dat probleem werden weggenomen.

(136)

In essentie wordt het stelsel voor ondernemingskredieten in de VRC, ondanks de stappen die zijn genomen om de markt te liberaliseren, beïnvloed door verstoringen van betekenis als gevolg van de voortdurende en alomtegenwoordige rol van de staat op de kapitaalmarkten. Daarom leidt het aanzienlijke overheidsingrijpen in het financiële stelsel ertoe dat de marktomstandigheden op alle niveaus sterk worden beïnvloed.

(137)

In het onderhavige onderzoek werd geen bewijsmateriaal overgelegd waaruit blijkt dat de sector van het betrokken product niet wordt beïnvloed door overheidsingrijpen in het financiële stelsel in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), zesde streepje, van de basisverordening. Daarom leidt het aanzienlijke overheidsingrijpen in het financiële stelsel ertoe dat de marktomstandigheden op alle niveaus sterk worden beïnvloed.

3.2.9.   Systemische aard van de beschreven verstoringen

(138)

De Commissie heeft opgemerkt dat de in het geactualiseerde rapport beschreven verstoringen kenmerkend zijn voor de Chinese economie. Uit het beschikbare bewijsmateriaal blijkt dat de feiten en kenmerken van het Chinese stelsel, zoals hierboven en in deel I van het geactualiseerde rapport beschreven, van toepassing zijn op het hele land en alle sectoren van de economie. Hetzelfde geldt voor de beschrijving van de productiefactoren, zoals hierboven en in deel II van het geactualiseerde rapport beschreven.

(139)

De Commissie herinnert eraan dat voor de vervaardiging van het betrokken product bepaalde basisproducten nodig zijn. Wanneer de producenten van het betrokken product deze basisproducten inkopen of daarvoor contracten sluiten, zijn de prijzen die zij betalen (en die zij als hun kosten registreren), duidelijk blootgesteld aan dezelfde systemische verstoringen als die welke hierboven zijn genoemd. Zo zetten leveranciers van basisproducten bijvoorbeeld arbeidskrachten in die aan de verstoringen onderhevig zijn. Zij kunnen geld lenen dat onderhevig is aan de verstoringen in de financiële sector/bij de kapitaaltoewijzing. Daarnaast zijn zij onderworpen aan het planningssysteem dat op alle overheidsniveaus en op alle sectoren van toepassing is. Deze verstoringen zijn in detail beschreven in de overwegingen 87 tot en met 137. De Commissie wees erop dat de regelgeving die aan deze verstoringen ten grondslag ligt, algemeen van toepassing is, aangezien de producenten van lysine net als elke andere marktdeelnemer in de VRC aan die regels zijn onderworpen. De verstoringen zijn derhalve rechtstreeks van invloed op de kostenstructuur van het betrokken product.

(140)

Dientengevolge zijn niet alleen de binnenlandse verkoopprijzen van het betrokken product ongeschikt om te worden gebruikt in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening, maar geldt dat ook voor alle kosten voor basisproducten (waaronder grondstoffen, energie, grond, financiering, arbeid enz.), omdat de prijsvorming ervan wordt beïnvloed door aanzienlijk overheidsingrijpen, zoals beschreven in de delen I en II van het geactualiseerde rapport.

(141)

Het overheidsingrijpen dat met betrekking tot de toewijzing van kapitaal, grond, arbeid, energie en grondstoffen is beschreven, vindt namelijk plaats in heel de VRC. Dit betekent bijvoorbeeld dat een basisproduct dat zelf in de VRC is geproduceerd door de combinatie van een reeks productiefactoren, aan verstoringen van betekenis onderhevig is. Hetzelfde geldt voor het basisproduct van het basisproduct enz.

(142)

Noch de Chinese overheid, noch de producenten-exporteurs hebben in het kader van het onderhavige onderzoek bewijsmateriaal of argumenten van het tegendeel aangedragen.

3.2.10.   Argumenten van de belanghebbenden

(143)

Bij de opening van het onderzoek hebben de CCCMC, Eppen en Barentz opmerkingen ingediend over de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. De CCCMC voerde aan dat i) artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening niet verenigbaar is met het WTO-recht en ii) de bewering dat er sprake is van verstoringen van betekenis die gevolgen hebben voor de lysinesector in de VRC niet gebaseerd is op positief bewijsmateriaal. Ook Eppen was van mening dat artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening niet verenigbaar is met het WTO-recht, en merkte bovendien op dat de toepassing van de methode overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening niet bij voorbaat vast mag staan. Barentz was dan weer van mening dat het in dit geval passend was om binnenlandse prijzen in de VRC te gebruiken om vast te stellen of dumping plaatsvindt, aangezien geen verstoringen van betekenis zijn aangetoond.

(144)

Om zijn eerste argument te ondersteunen voerde de CCCMC aan dat de in artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening voorgeschreven methode om de normale waarde te bepalen niet verenigbaar is met het WTO-recht en de WTO-rechtspraak. De CCCMC betoogde dat sinds 12 december 2016 van de EU wordt verwacht dat zij zich aan de standaardmethoden van de ADO zou houden om de normale waarde van de Chinese producenten-exporteurs vast te stellen, en dus gebruik te maken van de werkelijke prijzen en kosten van de Chinese producenten-exporteurs. Onder verwijzing naar de artikelen 2.1 of 2.2 van de ADO, alsook naar het panelverslag in DS538 Pakistan — BOPP Films (VAE) en het verslag van de beroepsinstantie in DS437 EU — Biodiesel (Argentinië) nam de CCCMC het standpunt in dat waar de normale waarde in uitzonderlijke omstandigheden mag worden berekend, de gegevens met betrekking tot de productiekosten en de VAA-kosten en winsten steeds moeten worden verkregen van de bronnen in het land van uitvoer. Volgens de CCCMC staat er niets in de ADO op basis waarvan een met het onderzoek belaste instantie de kosten en prijzen van de producent-exporteur (of de kosten en prijzen in het land van uitvoer) buiten beschouwing mag laten en deze mag vervangen door vermeende niet-verstoorde prijzen of benchmarks in een ander land omdat in het land van uitvoer zogenaamd verstoringen van betekenis zouden bestaan, terwijl het begrip verstoring van betekenis niet eens voorkomt in de ADO.

(145)

Centraal in het tweede argument stond het feit dat de CCCMC het niet eens was met de beschouwing van de Commissie in het bericht van inleiding dat de klacht voldoende bewijsmateriaal bevatte dat erop wijst dat het wegens verstoringen van betekenis die van invloed zijn op de prijzen en kosten, niet passend zou zijn gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in de VRC, en dat de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening dus gerechtvaardigd is. Om dit standpunt te ondersteunen somde de CCCMC een aantal elementen op en voerde zij aan dat: i) de bedrijfstak van de Unie zich in sterke mate baseerde op het rapport van 2017, dat volgens de CCCMC verouderd was; ii) de bedrijfstak van de Unie zich baseerde op eerdere onderzoeken van de Commissie die in de tijd geen verband hielden met elkaar, betrekking hadden op verschillende producten en sectoren, en gebaseerd waren op beschikbare feiten in plaats van positief bewijsmateriaal; de CCCMC verwees in dit verband naar het verslag van de beroepsinstantie in DS379 US — AD en CVD (VRC); iii) de bedrijfstak van de Unie bewijsmateriaal verstrekte over aanzienlijk overheidsingrijpen dat voornamelijk gebaseerd is op staatseigendom, een criterium dat naar mening van de CCCMC onvoldoende bewijs vormt van “significante zeggenschap”, “toevertrouwen van functies”, “belasten met functies” door de overheid; iv) de bedrijfstak van de Unie zich baseerde op uiterst algemene, niet-bindende beleidsdocumenten zoals het 14e vijfjarenplan; v) de bedrijfstak van de Unie zich op andere documenten baseerde die te ruim en te algemeen zijn om als bewijsmateriaal te kunnen dienen; vi) het niet-toepassen van 13 % btw op uitvoer geen subsidie noch overheidsingrijpen op de markt vormt. Dit heeft louter als doel dubbele belasting te voorkomen; vii) de keuze van productielocaties door lysineproducenten is ingegeven door praktische aspecten en niet door politieke factoren of druk vanwege de Chinese overheid; viii) zelfs indien wordt aangenomen dat er sprake is van overheidsingrijpen, de bedrijfstak van de Unie geen bewijsmateriaal heeft verstrekt waaruit blijkt dat dit ingrijpen verstoringen van betekenis veroorzaakt.

(146)

De argumenten van de CCCMC konden niet worden aanvaard. Wat de verenigbaarheid met de WTO-overeenkomsten en -rechtspraak betreft, was de Commissie van oordeel dat de bepaling in artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening volledig in overeenstemming is met de WTO-verplichtingen van de Europese Unie en de door de CCCMC aangehaalde rechtspraak. Het bestaan van verstoringen van betekenis maakt de kosten en prijzen in het land van uitvoer namelijk ongeschikt voor de berekening van de normale waarde. In deze omstandigheden is in artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening voorzien in een berekening van productie- en verkoopkosten aan de hand van niet-verstoorde prijzen of benchmarks, waaronder die in een geschikt representatief land met een vergelijkbaar ontwikkelingsniveau als het land van uitvoer. Zoals door de WTO-beroepsinstantie in de zaak DS473 (96) uitdrukkelijk is verduidelijkt, staat het WTO-recht het gebruik van gegevens van een derde land toe, naar behoren gecorrigeerd indien een dergelijke correctie noodzakelijk en onderbouwd is. De Commissie herinnerde er in dit verband aan dat zodra is vastgesteld dat het wegens het bestaan van verstoringen van betekenis in het land van uitvoer overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening niet passend is gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in dat land, de normale waarde voor elke producent-exporteur overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening wordt vastgesteld door berekening aan de hand van niet-verstoorde prijzen of benchmarks in een geschikt representatief land. Dezelfde bepaling van de basisverordening maakt het ook mogelijk binnenlandse kosten te gebruiken als is vastgesteld dat zij niet verstoord zijn. In dat verband hadden de producenten-exporteurs de mogelijkheid om bewijsmateriaal te verstrekken waaruit blijkt dat hun individuele kosten niet verstoord waren. Er werd echter geen positief bewijsmateriaal ingediend waaruit blijkt dat de productiefactoren van individuele producenten-exporteurs niet verstoord waren. De vraag of de administratie van de Chinese ondernemingen werd bijgehouden overeenkomstig de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van de VRC en of de administratie een redelijk beeld gaf van de met de productie en verkoop van het onderzochte product verbonden kosten in de VRC, kan derhalve geen invloed hebben op de conclusie over de toepassing van de methode in artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening.

(147)

Met betrekking tot de argumenten inzake de toereikendheid van het bewijsmateriaal in de klacht bracht de Commissie in herinnering dat, zoals het Gerecht in het arrest Viraj Profiles heeft bevestigd, de hoeveelheid en de kwaliteit van het bewijsmateriaal dat nodig is om te voldoen aan de criteria van toereikendheid van het bewijsmateriaal voor de opening van een onderzoek, verschillen van die welke noodzakelijk zijn voor de voorlopige of definitieve vaststelling van het bestaan van dumping, schade of oorzakelijk verband (97). De klacht voldeed aan de normen van artikel 5, lid 9, van de basisverordening, gelezen in samenhang met artikel 2, lid 6 bis, punt d). Zoals aangegeven in het bericht van inleiding was de Commissie in de fase van de opening van het onderzoek namelijk van oordeel dat er voldoende bewijsmateriaal in de zin van artikel 5, lid 9, van de basisverordening is dat erop wijst dat het wegens verstoringen van betekenis die van invloed zijn op de prijzen en kosten, niet passend zou zijn gebruik te maken van de binnenlandse prijzen en kosten in de VRC, zodat de opening van een onderzoek op grond van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening gerechtvaardigd is. De Commissie heeft dergelijke verstoringen derhalve in de punten 3.2.2 tot en met 3.2.9 aangetoond. Daarbij vulde de Commissie de door de bedrijfstak van de Unie voorgedragen bewijzen en argumenten immers aan met haar eigen onderzoeken en toonde zij op basis van het beschikbare bewijsmateriaal uiteindelijk aan dat er sprake was van verstoringen van betekenis die de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening rechtvaardigden.

(148)

Eppen wees erop dat het begrip “verstoringen van betekenis” niet voorkomt in artikel 2.2 ADO, aangezien het niet onder een van de categorieën voor alternatieve berekeningsmethoden valt waarin die bepaling voorziet. Bovendien merkte Eppen om dat het gebruik van gegevens van een geschikt representatief land of internationale prijzen om de normale waarde te berekenen naar zijn mening niet in overeenstemming was met artikel 2.2 ADO, op basis waarvan bij de berekening van de normale waarden alleen gebruikgemaakt mag worden van de productiekosten in het land van oorsprong, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten en winst. Eppen haalde in dit verband ook het vereiste van artikel 2.2.1.1 ADO aan, waarin is bepaald dat de kosten normaliter worden berekend aan de hand van de administratie van de bij het onderzoek betrokken exporteur of producent, mits deze wordt gevoerd overeenkomstig methoden die in het land van uitvoer algemeen aanvaard zijn en een redelijk beeld geeft van de kosten die aan de vervaardiging en de verkoop van het betrokken product zijn verbonden. Bovendien was Eppen van mening dat zijn argument over de onverenigbaarheid van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening met de WTO-regels steun vindt in de WTO-rechtspraak, namelijk DS437 EU — Biodiesel (Argentinië) en DS494 Kostenaanpassingsmethoden II (Rusland).

(149)

De Commissie kon het argument van Eppen niet aanvaarden om de in overweging 146 aangehaalde redenen. Daarenboven werd in het panelverslag met betrekking tot DS494 specifiek geoordeeld dat de bepalingen van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening buiten het toepassingsgebied van het geschil vielen. Bovendien wees de Commissie erop dat zowel de EU als de Russische Federatie beroep hebben aangetekend tegen de bevindingen van het panel, die niet definitief zijn en derhalve volgens vaste rechtspraak van de WTO in het WTO-systeem geen juridische status hebben, aangezien zij niet door het Orgaan voor Geschillenbeslechting zijn bekrachtigd via een besluit van de WTO-leden.

(150)

Barentz wees erop dat de beweringen van de bedrijfstak van de Unie over verstoringen op de lysinemarkt in de VRC algemeen van aard waren en dat deze gebaseerd waren op eerdere EU-verslagen of -beslissingen over verstoringen in andere sectoren. Voor de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening moet echter worden aangetoond dat de binnenlandse prijzen in de VRC niet door de vrije marktwerking tot stand komen, maar dat zij door aanzienlijk overheidsingrijpen worden beïnvloed in het specifieke geval van lysine. Het volstaat niet melding te maken van een algemeen ingrijpen van de Chinese overheid in de economie. Integendeel, het is nodig specifieke steun door de VRC aan de lysinemarkt aan te tonen, evenals het verband tussen het overheidsoptreden en de lysineprijzen. Bijgevolg pleitte Barentz voor het gebruik van binnenlandse prijzen in de VRC om vast te stellen of al dan niet dumping plaatsvindt.

(151)

Het argument van Barentz moest om de in overweging 147 aangehaalde redenen worden verworpen. De Commissie wees er met name op dat de vaststellingen die de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening rechtvaardigden, niet werden gedaan in het licht van de bewering van de bedrijfstak van de Unie, maar dat deze gebaseerd waren op de eigen onderzoeken van de Commissie, zoals uitvoerig beschreven in de afdelingen 3.2.2 tot en met 3.2.9.

3.3.   Representatief land

3.3.1.   Algemene opmerkingen

(152)

De keuze van het representatieve land overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening werd gebaseerd op de volgende criteria:

een niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van de VRC. Hiertoe heeft de Commissie aan de hand van de databank van de Wereldbank landen gebruikt met een bruto nationaal inkomen per inwoner dat vergelijkbaar is met dat van de VRC (98);

de productie van het onderzochte product in dat land;

de beschikbaarheid van relevante openbare gegevens in het representatieve land;

wanneer er sprake is van meer dan één mogelijk representatief land, werd in voorkomend geval de voorkeur gegeven aan het land met een toereikend niveau van sociale en milieubescherming.

(153)

Zoals toegelicht in de overwegingen 44 tot en met 46, heeft de Commissie in het dossier twee mededelingen aangaande de bronnen voor de vaststelling van de normale waarde bekendgemaakt: de eerste mededeling over de productiefactoren op 28 juni 2024 en de tweede mededeling over de productiefactoren op 31 oktober 2024. In deze mededelingen werden de feiten en het bewijsmateriaal beschreven die aan de relevante criteria ten grondslag liggen en werd ingegaan op de opmerkingen die van de partijen over deze elementen en de relevante bronnen waren ontvangen. In de tweede mededeling over de productiefactoren heeft de Commissie de belanghebbenden in kennis gesteld van haar voornemen om Colombia in het onderhavige geval als een geschikt representatief land aan te merken indien het bestaan van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening zou worden bevestigd.

3.3.2.   Een niveau van economische ontwikkeling dat vergelijkbaar is met dat van de VRC

(154)

In de eerste mededeling over de productiefactoren heeft de Commissie Brazilië aangemerkt als enig land dat volgens de Wereldbank een vergelijkbaar niveau van economische ontwikkeling heeft als de VRC, d.w.z. dat het door de Wereldbank op basis van het bruto nationaal inkomen als “hogere-middeninkomensland” is ingedeeld, en waarvan bekend is dat het onderzochte product daar wordt geproduceerd.

(155)

Er werden opmerkingen ontvangen van Eppen en Barentz-Agri Nutrition NV, een importeur/gebruiker in de Unie, die voorstelde om Indonesië als representatief land te gebruiken aangezien het lysine produceert en uitvoert naar de Unie. De Commissie merkte op dat Indonesië pas in juli 2023 de status van “hogere-middeninkomensland” verwierf en bijgevolg niet gedurende het volledige onderzoektijdvak hetzelfde niveau van economische ontwikkeling had bereikt als de VRC, en om die reden niet geschikt was. Dit voorstel werd derhalve afgewezen.

(156)

Wat Brazilië betreft, analyseerde de Commissie de invoer van de belangrijkste productiefactoren in Brazilië. Uit de analyse van de invoergegevens bleek dat de invoer van de belangrijkste productiefactoren in Brazilië niet werd beïnvloed door de invoer uit de VRC.

(157)

Meihua merkte op dat Brazilië geen geschikt representatief land is en wees op de discrepantie tussen de Braziliaanse invoerprijzen en de internationale prijzen. Eppen en de bedrijfstak van de Unie steunden het standpunt dat de Braziliaanse invoerprijzen niet geschikt zijn als benchmarks.

3.3.3.   Onmiddellijk beschikbare gegevens in het representatieve land

(158)

In de eerste mededeling heeft de Commissie aangegeven dat voor het land waarvan werd vastgesteld dat het een vergelijkbaar economisch niveau heeft als de VRC en waar eveneens lysine wordt geproduceerd, namelijk Brazilië, nader moest worden gecontroleerd of er openbare gegevens beschikbaar waren, met name met betrekking tot de openbare financiële gegevens van producenten van het onderzochte product.

(159)

Wat financiële gegevens betreft, kon de Commissie geen financiële gegevens voor lysineproducenten in Brazilië vinden die onmiddellijk beschikbaar waren voor de twee ondernemingen die in de eerste mededeling waren aangemerkt als lysineproducenten, namelijk Evonik Brazil en CJ do Brazil. Voor de twee lysineproducenten die door de bedrijfstak van de Unie waren geïdentificeerd, namelijk Birla Carbon (99) en QGP Quimica (100), voerde de Commissie verder onderzoek uit en concludeerde zij dat deze ondernemingen het onderzochte product niet produceerden en dat hun productieprocessen niet vergelijkbaar waren met het productieproces van lysine.

(160)

De Commissie vond financiële informatie over een Braziliaanse onderneming die actief is op het gebied van fermentatie: Union Agro S.A. Deze onderneming produceert meststoffen die ook aminozuren, eiwitten en enzymen bevatten. De laatste periode waarvoor gegevens van Union Agro S.A. beschikbaar zijn, is echter 2022.

(161)

Aangezien er geen onmiddellijk beschikbare gegevens voorhanden waren voor een onderneming die het onderzochte product in Brazilië produceerde tijdens het onderzoektijdvak, concludeerde de Commissie dat Brazilië niet kon worden beschouwd als een geschikt representatief land voor dit onderzoek.

3.3.4.   Productie van producten in dezelfde algemene categorie en/of sector

(162)

Aangezien er geen financiële gegevens beschikbaar waren voor landen met een vergelijkbaar niveau van economische ontwikkeling als de VRC waar lysine wordt geproduceerd, nam de Commissie de productie van een product in dezelfde algemene categorie en/of sector van het onderzochte product in aanmerking. In de eerste mededeling heeft de Commissie geconcludeerd dat citroenzuur een geschikt vervangend product was in dezelfde algemene categorie en/of sector als lysine om een niet-verstoorde waarde vast te stellen in een representatief land met een vergelijkbaar niveau van economische ontwikkeling als de VRC voor dezelfde productiefactoren die bij de productie van lysine worden gebruikt. Citroenzuur is een product in dezelfde algemene categorie en subcategorie als het onderzochte product (chemische stoffen, met name door fermentatie verkregen organische zuren). Net als lysine is citroenzuur een organisch chemisch product dat wordt verkregen door fermentatie van koolhydraten uit de landbouw. Citroenzuur en lysine worden verkregen door middel van een fermentatieproces met gereguleerde stappen, gevolgd door een kristallisatiefase (101) en het drogen van de kristallen. Zowel lysine als citroenzuur kan worden verkocht in de vorm van droge stof of in waterige oplossingen, en beide producten worden vaak gebruikt door de farmaceutische industrie en de levensmiddelenindustrie.

(163)

Volgens de Commissie is citroenzuur, een essentieel zwak organisch zuur dat op grote schaal wordt gebruikt in de farmaceutische en voedingsmiddelenindustrie, een geschikt product van dezelfde subcategorie, aangezien het dezelfde basisgrondstoffen en relevante verbruiksgoederen vergt en zeer vergelijkbare productieprocessen heeft. Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat citroenzuur een geschikt product is in dezelfde subcategorie (door fermentatie verkregen organische zuren) als het onderzochte product. De Commissie stelde daarom dat zij zich zou baseren op de productie van citroenzuur, een product dat vergelijkbaar is met lysine, om een geschikt representatief land vast te stellen voor de toepassing van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening. Overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening werd geoordeeld dat de financiële gegevens voor producenten van citroenzuur ook voor producenten-exporteurs van het betrokken product als representatief konden worden beschouwd.

(164)

Barentz, een importeur in de Unie, maakte bezwaar tegen het gebruik van citroenzuur aangezien dit bestemd is voor menselijke consumptie, terwijl lysine een toevoegingsmiddel voor diervoeders is. Hij stelde voor om in plaats daarvan mononatriumglutamaat te gebruiken. De Commissie merkt op dat het vereiste bepalende kenmerk de gelijkenis van de productieprocedure is en dat levensmiddelen en diervoeders in elk geval onder hetzelfde regelgevingskader vallen wat de invoer ervan naar de EU betreft. De opmerking werd derhalve afgewezen.

(165)

Na analyse van het inkomensniveau en de productie van citroenzuur werden Brazilië, Colombia en Thailand geïdentificeerd als mogelijke representatieve landen met hetzelfde ontwikkelingsniveau als de VRC waar citroenzuur wordt geproduceerd.

(166)

De bedrijfstak van de Unie en Meihua stemden in met de voorlopige keuze voor Colombia als representatief land, waarbij zij erop wezen dat er geen sprake was van verstoringen en afhankelijkheid van invoer uit de VRC.

(167)

Met betrekking tot Thailand gaf de Commissie in de tweede mededeling aan dat, zoals ook door Meihua in haar antwoorden op de eerste mededeling was opgemerkt, de maisprijs verstoord is wegens de toepassing van invoerquota voor mais, en dat de financiële gegevens van ondernemingen doorgaans niet worden gecontroleerd en bijgevolg worden geacht minder kwaliteitsvol te zijn. Om die reden sloot de Commissie Thailand uit als geschikt representatief land.

(168)

Met betrekking tot Brazilië concludeerde de Commissie dat de invoer van de belangrijkste productiefactoren in Brazilië niet werd beïnvloed door de invoer uit de VRC. De invoer van mais, de belangrijkste productiefactor, in Brazilië was echter beperkt aangezien Brazilië een belangrijke exporteur is van mais. Ten tweede lag de prijs voor invoer 15 % lager dan de prijs voor uitvoer, en ongeveer 30 % lager dan de gemiddelde prijs van de totale invoer over de hele wereld. Bijgevolg kon de invoerprijs na inklaring in Brazilië niet worden beschouwd als een geschikte benchmark voor mais, en bij gebrek aan een benchmark voor de belangrijkste productiefactor kon Brazilië niet als een geschikt representatief land worden beschouwd.

(169)

Met betrekking tot Colombia bleek uit dezelfde analyse dat het kon worden gebruikt als een geschikt representatief land aangezien het hetzelfde economisch niveau had als de VRC en gezien het feit dat de invoer van de belangrijkste productiefactoren niet wezenlijk werd beïnvloed door de invoer uit de VRC of een van de in bijlage I bij Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad (102) vermelde landen. Voorts gaf de Commissie in de eerste mededeling aan dat zij een producent van citroenzuur, Sucroal, had geïdentificeerd wiens financiële gegevens voor het onderzoektijdvak onmiddellijk beschikbaar waren. Een van de producenten-exporteurs en de bedrijfstak van de Unie ondersteunden het gebruik van Colombia en er werd geen bezwaar gemaakt tegen het gebruik van Sucroal.

(170)

In het licht van bovenstaande overwegingen heeft de Commissie de belanghebbenden er met de tweede mededeling van op de hoogte gebracht dat zij voornemens is Colombia als geschikt representatief land en de onderneming Sucroal S.A. overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, van de basisverordening te gebruiken om niet-verstoorde prijzen of benchmarks te verkrijgen voor de berekening van de normale waarde.

(171)

De belanghebbenden werd verzocht opmerkingen in te dienen over de geschiktheid van Colombia als representatief land en van Sucroal als producent in het representatieve land.

(172)

In hun antwoord op de tweede mededeling ondersteunden de klager en Meihua het gebruik van Colombia en Sucroal. Eppen merkte op dat de Commissie tussen de eerste en de tweede mededeling de financiële gegevens die zij voor Sucroal had verstrekt, had herzien, en verzocht om toelichting bij de herziening. De onderneming verzocht ook om meer gedetailleerde gegevens om ervoor te zorgen dat in de overige exploitatiekosten van Sucroal geen elementen waren opgenomen die bij het berekenen van de prijs af fabriek in mindering worden gebracht op de uitvoerprijs. Met betrekking tot de actualisering van de gegevens van Sucroal merkte de Commissie op dat financiële gegevens kunnen worden herzien, bijvoorbeeld na een audit, en dat de Commissie haar analyse baseert op de meest actuele en nauwkeurige beschikbare gegevens. Daartoe heeft de Commissie de financiële gegevens van Sucroal opgevraagd bij de Colombiaanse autoriteiten. De gegevens daarin zijn in overeenstemming met de gegevens die bij de tweede mededeling werden verstrekt, dus is de Commissie van mening dat zij de meest actuele en nauwkeurige gegevens heeft verstrekt, en bijgevolg is de opmerking al aan de orde gekomen. Het verzoek betreffende de uitsplitsing van de “Overige exploitatiekosten” wordt behandeld in overweging 219.

3.3.5.   Niveau van sociale bescherming en milieubescherming

(173)

Aangezien was vastgesteld dat Colombia op grond van alle voornoemde factoren het enige geschikte representatieve land was, hoefde er geen beoordeling van het niveau van sociale en milieubescherming plaats te vinden overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, laatste zin, van de basisverordening.

3.3.6.   Conclusie

(174)

Gezien bovenstaande analyse voldeed Colombia aan de criteria van artikel 2, lid 6 bis, punt a), eerste streepje, van de basisverordening om als geschikt representatief land te worden beschouwd.

3.4.   Bronnen aan de hand waarvan niet-verstoorde kosten en benchmarks worden vastgesteld

(175)

In de eerste mededeling heeft de Commissie de productiefactoren vermeld, zoals grondstoffen, energie en arbeid, waarvan de producenten-exporteurs bij de productie van het onderzochte product gebruikmaken, en heeft zij de belanghebbenden verzocht om opmerkingen te maken en onmiddellijk beschikbare informatie voor te stellen over niet-verstoorde waarden voor elk van de in die mededeling genoemde productiefactoren.

(176)

Vervolgens heeft de Commissie in de tweede mededeling verklaard dat zij, voor de berekening van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening, gebruik zou maken van de database van Global Trade Atlas (103) (“GTA”) om de niet-verstoorde kosten van de grondstoffen en van steenkool vast te stellen. De Commissie heeft ook verklaard dat zij onmiddellijk beschikbare elektriciteitsprijzen in Colombia (104) zou gebruiken om de prijzen te bepalen voor elektriciteit alsook voor gas en stoom (aan de hand van onmiddellijk beschikbare gegevens voor de berekening van de energie die volgens gegevens van de overheid van de VS nodig is voor de productie van stoom (105)) en IAO-statistieken (106) voor het bepalen van de loonkosten.

(177)

In de tweede mededeling heeft de Commissie de belanghebbenden tevens geïnformeerd dat wegens het grote aantal productiefactoren van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs die volledige informatie hadden verstrekt en het verwaarloosbare relatieve aandeel van sommige grondstoffen in de totale productiekosten, deze verwaarloosbare items onder “verbruiksartikelen” werden gegroepeerd. De Commissie heeft voorts meegedeeld dat zij het percentage van de verbruiksartikelen in het totaal van de grondstofkosten zou berekenen, en dat percentage zou toepassen op de herberekende grondstofkosten wanneer zij gebruikmaakte van de vastgestelde niet-verstoorde benchmarks uit het geschikte representatieve land.

3.4.1.   Productiefactoren

(178)

Aan de hand van alle door de belanghebbenden verstrekte en tijdens de controlebezoeken verzamelde gegevens zijn voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening de volgende productiefactoren en de bronnen daarvan in kaart gebracht:

Tabel 1

Productiefactoren voor lysine

Productiefactor

Goederencode

Gegevensbron

Waarde (CNY)

Meeteenheid

Grondstoffen

Mais

1005 90 /

1005 90 11

GTA

2,180  (107)

kg

Ammoniumsulfaat

3102 2100

GTA

1,555

kg

Zoutzuur

2806 1000

GTA

1,399

kg

Watervrije ammoniak

2814 1000

GTA

4,422

kg

Suikerrietmelasse

1703 1000

GTA

4,603

kg

Overige melassen

1703 9000

GTA

1,653

kg

Betaïnehydrochloride

2923 90/

2923 9010

GTA

19,639

kg

Natriumhydroxide

2815 12/

2815 1200

GTA

2,350

kg

Arbeid

Arbeid

[N.v.t.]

IAO

20,1

Arbeidsuur

Energie

Steenkool

2701 1100

GTA

1,638

kg

Elektriciteit

2716 00

Tarieven voor elektriciteitsverbruik van de Colombiaanse leverancier Enel.co (108)

1,18

kWh

Aardgas

2711 21

Internationale energieprijzen volgens globalprices.com (109)

CNY 4,28/m3 (op basis van 0,4058 CNY per kWh en 10,55 kWh geproduceerd per m3 gas)

Kubieke meter

Stoom bij 13 bar

[N.v.t.]

Internationale energieprijzen volgens globalprices.com (110)

364,33

CNY/ton

Prijs van 897,8 kWh (hoeveelheid gas in kWh nodig om 1 ton stoom te produceren aan 13 bar)

Water

[N.v.t.]

Watertarieven van de Colombiaanse aanbieder Aqueducto (111)

15,33

Kubieke meter

Bijproduct

Maiskiemen

1104 30

GTA

Pro rata (*1)

 

Maiseiwitpoeder

2309 90

GTA

Pro rata (*1)

 

Afvallen van zetmeelfabrieken en dergelijke afvallen

2303 10

GTA

Pro rata (*1)

 

Maiszemelen/kaf

2302 10

GTA

Pro rata (*1)

 

Gries, meel en granulaat van mais

1103 13

GTA

Pro rata (*1)

 

(179)

Voor de omrekening van prijzen in Colombiaanse Peso (COP) naar Chinese Yuan (CNY) maakte de Commissie gebruik van de omrekeningskoers 2023 van COP naar USD die beschikbaar is op de website van de Wereldbank, en de omrekeningskoersen voor USD en CNY die beschikbaar zijn via de Europese Centrale Bank. De omrekeningskoers was 1 CNY = 0,001637 COP.

(180)

De klager maakte een opmerking over de productie-efficiëntie en de noodzakelijke hoeveelheden van de productiefactoren. Aangezien de Commissie de benodigde hoeveelheden en productiefactoren heeft gecontroleerd tijdens bezoeken ter plaatse, zal zij bij de berekening van de normale waarde gebruikmaken van de hoeveelheden en productiefactoren die door de producenten-exporteurs zijn gerapporteerd en door de Commissie zijn gecontroleerd.

(181)

De Commissie heeft een waarde voor de overhead-productiekosten opgenomen om de kosten te bestrijken die niet in de bovengenoemde productiefactoren zijn opgenomen. Om dit bedrag vast te stellen, heeft de Commissie gebruikgemaakt van de gerapporteerde productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs die niet waren opgenomen in de bovengenoemde individuele productiefactoren, zoals afschrijvingen, kosten voor kwaliteitscontrole en onderhoudskosten. Deze kosten omvatten de kosten voor de micro-organismen die gebruikt worden bij de fermentatie.

(182)

De bedragen daarvan zijn afkomstig uit de antwoorden van de producenten-exporteurs op de vragenlijst. Het nieuwe bedrag voor de overhead-productiekosten werd uitgedrukt als een percentage van de gerapporteerde productiekosten en is toegepast op de herberekende productiekosten.

3.4.2.   Grondstoffen

(183)

Met het oog op de vaststelling van de niet-verstoorde prijs van grondstoffen als geleverd aan de fabriekspoort van een producent in het representatieve land, heeft de Commissie als basis gebruikgemaakt van de gewogen gemiddelde invoerprijs voor Colombia zoals vermeld in de GTA, waarbij invoerrechten werden opgeteld. De invoerprijs in het representatieve land werd vastgesteld als gewogen gemiddelde van de eenheidsprijzen van invoer uit alle derde landen met uitzondering van de VRC en de in bijlage 1 bij Verordening (EU) 2015/755 genoemde derde landen (112). De overige hoeveelheden werden representatief geacht. De Commissie heeft besloten de invoer uit de VRC in het representatieve land uit te sluiten, aangezien zij in punt 3.2 tot de conclusie is gekomen dat het niet passend is om de binnenlandse prijzen en kosten in de VRC te gebruiken wegens de aanwezigheid van verstoringen van betekenis in de zin van artikel 2, lid 6 bis, punt b), van de basisverordening. Aangezien er geen bewijsmateriaal is waaruit blijkt dat dezelfde verstoringen niet gelijkelijk gevolgen voor de voor de uitvoer bestemde producten hebben, was de Commissie van mening dat die verstoringen ook gevolgen hadden voor de uitvoerprijzen.

(184)

Het mais dat in de VRC voor de productie van lysine wordt gebruikt, is niet het product van ggo’s. De klager merkte in zijn antwoord op de tweede mededeling op dat Colombia voornamelijk mais invoert uit de VS en Brazilië, waar ggo’s vaak worden gebruikt. Mais zonder ggo’s is duurder dan mais op basis van ggo’s, onder meer wegens de lagere gewasopbrengsten, en de hogere productie- en nalevingskosten. De prijs van mais dat werd ingevoerd in Colombia werd dus gecorrigeerd om rekening te houden met het prijsverschil. De gegevens die werden gebruikt, betroffen het surplus voor maïs zonder ggo’s op de markt van de VS, afkomstig van de website Fastmarkets.com.

(185)

Voor steenkool, zoutzuur en andere melassen waren de hoeveelheden die in Colombia werden ingevoerd beperkt. Prijzen die op basis van de invoer werden vastgesteld, werden derhalve als niet-representatief beschouwd. Om een benchmark voor deze productiefactoren vast te stellen, gebruikte de Commissie het gewogen gemiddelde van de eenheidsprijzen van invoer uit alle landen met uitzondering van de VRC en de in bijlage 1 bij Verordening (EU) 2015/755 opgenomen landen, zoals vermeld in de GTA, en die de hele wereld als partner hebben. In tabel 1 wordt geen benchmark vermeld voor zwavelzuur, dat in de tweede mededeling was vermeld, omdat de producenten-exporteurs deze grondstof niet gebruikten in hun processen.

(186)

Voor een aantal productiefactoren vertegenwoordigden de door de meewerkende producenten-exporteurs werkelijk gemaakte kosten een verwaarloosbaar percentage van de totale grondstofkosten in het onderzoektijdvak. Aangezien de voor deze factoren gebruikte waarde geen merkbare invloed had op de berekeningen van de dumpingmarge, ongeacht de gebruikte bron, besloot de Commissie deze kosten op te nemen in de kosten van verbruiksartikelen. Na de tweede mededeling werd de lijst van productiefactoren verder ingekort aangezien sommige materialen slechts een verwaarloosbare bijdrage leverden aan de productiekosten, en er geen invoerprijzen voor Colombia beschikbaar waren in de GTA. Derhalve werden de waarden van verpakkingsmateriaal, waterige oplossing van ammoniak en samengeperste lucht toegevoegd aan de waarde van de verbruiksartikelen.

3.4.3.   Bijproducten

(187)

De Commissie heeft de boekhoudkundige praktijken van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs ten aanzien van bijproducten geanalyseerd en heeft de daarvoor beschikbare prijzen onderzocht. De belangrijkste categorieën van bijproducten die worden gerapporteerd, vloeien voort uit de verwerking van mais voor het produceren van glucose, bv. maisgries, maismeel, maiskaf. De klager merkte op en verstrekte bewijsmateriaal over het feit dat de kenmerken en toepassingen van de producten die in deze categorieën van bijproducten zijn opgenomen, sterk uiteenlopen, wat vervolgens wordt weerspiegeld in het verschil in de prijzen. De prijzen van deze producten zijn rechtstreeks gekoppeld aan de prijs van mais waaruit zij worden geproduceerd.

(188)

Voor bijproducten is de Commissie bij gebreke aan andere gegevens voorlopig uitgegaan van de verhouding van de prijs in de VRC voor het bijproduct ten opzichte van de door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs gerapporteerde prijs in de VRC voor mais. Deze verhouding werd vervolgens toegepast op de prijs voor mais in Colombia, zoals afgeleid uit de GTA, om de benchmark voor deze bijproducten te berekenen.

3.4.4.   Arbeid

(189)

De IAO publiceert uitvoerige informatie over lonen in verschillende economische sectoren in Colombia. De Commissie heeft de meest recente openbaar beschikbare gegevens uit de IAO-statistieken (113) gebruikt om de lonen in de sector in Colombia vast te stellen. De gemiddelde maandelijkse waarde in het onderzoektijdvak is naar behoren gecorrigeerd voor andere bijdragen door toevoeging van de werkgeversbijdrage aan de sociale zekerheid, waaronder de bijdrage aan het pensioenfonds en een beroepsrisicobelasting: 12 % voor de werkgeversbijdrage aan het pensioenfonds, 8,5 % voor de ziektekostenverzekering, en 6,5 % voor de loonbelasting (114) (115). De gemiddelde loonkosten per uur per vte bedragen 20,1 CNY/arbeidsuur.

(190)

Een producent-exporteur voerde aan dat de solidariteitsbijdrage waarvan melding is gemaakt in de tweede mededeling niet van toepassing is op werkgevers, en dat de bijdrage van 8,5 % voor de ziektekostenverzekering en de 4-9 % voor loonbelasting alleen van toepassing zijn wanneer de lonen van de werknemers het bedrag van 10 minimummaandlonen overschrijden.

(191)

Aangezien het gemiddelde maandloon in de industrie het minimummaandloon voor 2023 in Colombia overschreed (1 160 000 COP vermeerderd met 140 000 COP voor vervoerskosten) waren de bijdragen voor de ziektekostenverzekering en de loonbelasting van toepassing en werd het argument afgewezen.

(192)

Dezelfde producent voerde ook aan dat de gemiddelde arbeidsduur per week in Colombia tijdens het onderzoektijdvak 39,3 uren bedroeg (116). De Commissie aanvaardde dit argument en de solidariteitsbijdrage werd niet in de berekeningen opgenomen, en de gemiddelde arbeidsduur per week werd aangepast naar 39,3 uren per week.

3.4.5.   Elektriciteit

(193)

De Commissie heeft de relevante elektriciteitsprijzen voor industriële afnemers gebruikt, zoals vermeld op de website van de belangrijkste elektriciteitsleverancier in Colombia, Enel (117).

(194)

Een producent-exporteur merkte op dat de elektriciteit die door de Chinese fabrieken wordt verbruikt, een hogere spanning heeft dan wat overeenstemt met niveau 2 (118) voor de industrie in Colombia. Dienovereenkomstig heeft de Commissie de benchmark aangepast zodat zij de prijzen voor niveau 3 weerspiegelden. Er werden geen bijkomende lasten toegevoegd aangezien de gerapporteerde prijs alle uitgaven dekt. De prijs per kWh afkomstig van deze bron bedroeg 1,18 CNY.

3.4.6.   Aardgas

(195)

De Commissie heeft gebruikgemaakt van de gasprijs voor ondernemingen in Colombia, zoals gepubliceerd op de website van GlobalPetroPrices (119). De Commissie heeft gebruikgemaakt van de gemiddelde prijs van aardgas voor ondernemingen in Colombia in 2023 (d.w.z. 53 EUR per MWh of 405,8 CNY per MWh). Deze prijzen zijn inclusief belastingen, vergoedingen en andere elementen van de gasfactuur. Er wordt op gewezen dat 1 m3 aardgas ≈ 10,55 kWh. Bijgevolg bedragen de nominale kosten van een kubieke meter aardgas 4,281 CNY per kubieke meter.

3.4.7.   Stoom

(196)

De kosten van stoom zijn vastgesteld aan de hand van de kosten van aardgas uitgedrukt in kWh en de hoeveelheid gas uitgedrukt in kWh die nodig is om 1 ton stoom te produceren. In zijn antwoord op de tweede mededeling merkte de bedrijfstak van de Unie op dat de Commissie bij de berekening voor stoom in de tweede mededeling geen rekening hield met het feit dat de stoomdruk die voor lysineproductie wordt gebruikt 13 bar bedraagt. Bijgevolg hield de Commissie rekening met de algemeen erkende omrekeningspercentages voor energie (120) voor de berekening dat 897,8 kWh nodig is om 1 ton water om te zetten in stoom aan 13 bar. Zo is 85,1 m3 aardgas nodig om 1 ton stoom te produceren. Aangezien de kosten van aardgas 405,8 CNY per MWh bedragen, bedragen de kosten voor de productie van 1 ton stoom aan 13 bar 364,33 CNY.

3.4.8.   Water

(197)

De kosten van water werden bepaald op basis van de waterprijzen van een Colombiaanse waterleverancier (121), rekening houdend met variabele kosten per m3 en vaste kosten verdeeld over de verbruikte waterhoeveelheden. Een exporteur verzocht om alleen de “tariffas por consume” te gebruiken. De vaste prijzen, al leveren ze slechts een zeer kleine bijdrage, maken echter deel uit van de vaste kosten van water in Colombia, dus werd de opmerking afgewezen.

3.4.9.   Overhead-productiekosten, VAA-kosten, winst en afschrijving

(198)

Volgens artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening omvat “de door berekening vastgestelde normale waarde een niet-verstoord en redelijk bedrag voor administratiekosten, verkoopkosten en algemene kosten en voor winst”. Bovendien moet een waarde voor de overhead-productiekosten worden vastgesteld om de kosten te bestrijken die niet in de bovengenoemde productiefactoren zijn opgenomen.

(199)

De Commissie heeft de meest recente gegevens van 2023 voor de Colombiaanse onderneming Sucroal S.A. gebruikt als basis voor de vaststelling van de VAA-kosten en de winst om de normale waarde te berekenen. Aangezien de aan Orbis ontleende en in de tweede mededeling gerapporteerde gegevens waren geactualiseerd, en om ervoor te zorgen dat de berekeningen gebaseerd waren op de meest recente beschikbare gegevens, heeft de Commissie de meest recente financiële gegevens opgevraagd bij de Colombiaanse autoriteiten (122) en zal zij die gegevens gebruiken voor de berekeningen.

(200)

De Commissie was van mening dat de aldus vastgestelde prijzen zouden leiden tot bedragen voor de VAA-kosten en winst in de zin van artikel 2, lid 6 bis, van de basisverordening die redelijk zijn voor het stadium af fabriek.

(201)

Meihua, een producent-exporteur, verzocht om de nettowinst te gebruiken in plaats van de winst vóór belasting. Hij stelde dat de nettowinst een nauwkeurigere afspiegeling zou zijn van de daadwerkelijke financiële situatie van de onderneming in het representatieve land. Aangezien de winst vóór belasting inzicht biedt in de operationele efficiëntie, terwijl de nettowinst afhankelijk is van de feitelijke fiscale omstandigheden in Colombia en bijgevolg niet overdraagbaar is naar de fiscale omstandigheden in de VRC, is de Commissie van mening dat het redelijk is om de winst vóór belasting te gebruiken voor de berekening van de normale waarde. Meihua voerde ook aan dat aangezien de Commissie de gevolgen van de belastingen in aanmerking neemt, bv. bij de berekening van de loonkosten, het billijk is de gevolgen van de belastingen ook op te nemen bij de beoordeling van de financiële prestaties van de onderneming in het representatieve land. De Commissie merkte op dat de winst wordt gebruikt om de prijs af fabriek te berekenen en deze te vergelijken met de uitvoerprijs, waarin de gevolgen van belastingen noodgedwongen niet zijn opgenomen aangezien deze pas aan het einde van het boekjaar worden opgelegd. Derhalve zou het opnemen van de nettowinst in plaats van de winst vóór belasting tot een onevenwicht leiden. Daarom heeft de Commissie dit argument afgewezen.

(202)

Zowel Eppen als Meihua merkten op dat de door Sucroal verstrekte gegevens “Overige exploitatiekosten” bevatten en verzochten om meer gedetailleerde gegevens te verstrekken om erop toe te zien dat hierin geen uitgaven zoals vracht-, laad-, verzekerings- en bankkosten waren opgenomen, die zijn uitgesloten bij de berekening van de uitvoerprijs af fabriek. Uit de meest recente financiële gegevens van Sucroal die van de Colombiaanse autoriteiten zijn verkregen, zoals uiteengezet in overweging 199, blijkt dat de “Overige exploitatiekosten” betrekking hebben op “distributiekosten”, “administratiekosten” en “andere kosten”. Er was geen verdere uitsplitsing beschikbaar voor de VAA-kosten van Sucroal.

(203)

De overhead-productiekosten van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs werden uitgedrukt als aandeel van de werkelijke productiekosten van deze producenten-exporteurs. Dit percentage is toegepast op de niet-verstoorde productiekosten.

3.5.   Berekening

(204)

Op basis van het bovenstaande heeft de Commissie de normale waarde per productsoort in het stadium af fabriek berekend overeenkomstig artikel 2, lid 6 bis, punt a), van de basisverordening.

(205)

Eerst heeft de Commissie de niet-verstoorde productiekosten vastgesteld. De Commissie heeft de niet-verstoorde kosten per eenheid toegepast op het werkelijke verbruik van de individuele productiefactoren van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Het door de klager gemelde verbruik is tijdens de controle geverifieerd. De Commissie vermenigvuldigde het gebruik van de factoren met de niet-verstoorde kosten per eenheid in het representatieve land, zoals beschreven in punt 3.4.

(206)

Om tot de niet-verstoorde productiekosten te komen heeft de Commissie de overhead-productiekosten eerst opgeteld bij de niet-verstoorde productiekosten, op basis van de verhouding tussen de overhead-productiekosten en de kosten van materiaal zoals gerapporteerd door iedere producent.

(207)

Vervolgens heeft de Commissie percentages voor de VAA-kosten en winst toegepast zoals beschreven in punt 3.4.9. Deze laatste werden vastgesteld op basis van de jaarrekening van Sucroal zoals uiteengezet in overweging 199.

(208)

Op de productiekosten die zijn vastgesteld zoals beschreven in de vorige overweging, heeft de Commissie de VAA-kosten en de winst van Sucroal S.A. toegepast. De VAA-kosten, uitgedrukt als percentage van de verkoopkostprijs en toegepast op de niet-verstoorde productiekosten, bedroegen 23,3 %. De winst, uitgedrukt als percentage van de verkoopkostprijs en toegepast op de niet-verstoorde productiekosten, bedroeg 9,5 %.

3.6.   Uitvoerprijs

(209)

Eén in de steekproef opgenomen producent-exporteur voerde rechtstreeks naar onafhankelijke afnemers in de Unie uit. De andere realiseerde bepaalde uitvoer via een als importeur optredende verbonden onderneming.

(210)

Voor de rechtstreekse uitvoer van het betrokken product aan onafhankelijke afnemers in de Unie was de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening de voor het betrokken product met het oog op uitvoer naar de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijs.

(211)

Voor de uitvoer van het betrokken product via een als importeur optredende verbonden onderneming naar de Unie, door een in de steekproef opgenomen producent-exporteur, werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening vastgesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde product voor het eerst aan onafhankelijke afnemers in de Unie werd doorverkocht. In dat geval zijn correcties toegepast voor alle tussen invoer en wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van VAA-kosten, en voor de winst.

(212)

Gezien het gebrek aan informatie over de winst van meewerkende onafhankelijke importeurs heeft de Commissie zich voorlopig gebaseerd op de winst van 6,89 % die in een eerder onderzoek betreffende de invoer van bepaalde soorten polyvinylalcohol van oorsprong uit de VRC (123) redelijk werd geacht. In de huidige procedure rapporteerde slechts één meewerkende importeur winst bij zijn verkopen van het betrokken product. Bijgevolg was het niet mogelijk om de winst van de meewerkende importeur te gebruiken en tegelijkertijd het vertrouwelijke karakter van diens gegevens te bewaren. Daarom werd de winst van 6,89 % redelijk geacht, aangezien deze werd gerealiseerd door niet-verbonden importeurs die zich bezighielden met de handel in chemische producten.

3.7.   Vergelijking

(213)

De Commissie moet overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de prijs bij uitvoer in hetzelfde handelsstadium maken en correcties toepassen om rekening te houden met verschillen die van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. In het onderhavige geval heeft de Commissie ervoor gekozen om de normale waarde en de uitvoerprijs van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs te vergelijken in het stadium af fabriek. Zoals hieronder verder wordt toegelicht, werden de normale waarde en de uitvoerprijs waar nodig aangepast om: i) ze terug te rekenen tot het stadium af fabriek; en ii) correcties toe te passen voor verschillen tussen factoren waarvan werd beweerd en aangetoond dat zij van invloed zijn op de prijzen en op de vergelijkbaarheid van de prijzen.

3.7.1.   Correcties van de normale waarde

(214)

Zoals uiteengezet in overweging 204, werd de normale waarde in het handelsstadium af fabriek vastgesteld door gebruik te maken van de productiekosten, samen met de bedragen voor de VAA-kosten en de winst, die voor dat handelsstadium redelijk werden geacht. Daarom waren er geen aanpassingen nodig om de normale waarde terug te rekenen tot het stadium af fabriek.

(215)

De Commissie heeft geen gronden gevonden om de normale waarde te corrigeren, en dergelijke correcties werden door geen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs gevraagd.

3.7.2.   Correcties van de uitvoerprijs

(216)

Om de uitvoerprijs terug te rekenen tot het handelsstadium af fabriek, zijn er correcties toegepast voor de kosten van vervoer, verzekering, laden en lossen, en verpakking.

(217)

Bovendien zijn er correcties toegepast voor de volgende factoren die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen: kredietkosten en bankkosten.

(218)

In de gevallen waar de producten door de producent werden verkocht aan andere ondernemingen in dezelfde groep en vervolgens werden uitgevoerd naar de Unie, werden verder correcties doorgevoerd overeenkomstig artikel 2, lid 10, punt i), van de basisverordening voor de marge die door de verbonden handelaars werd ontvangen, wanneer zij werden geacht functies uit te oefenen die vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent. De marge werd berekend als de som van de VAA-kosten en de winst. De VAA-kosten werden gebaseerd op de door de verbonden handelaren verstrekte gegevens, terwijl de gebruikte winst 6,89 % bedroeg, zoals uiteengezet in overweging 212.

(219)

Een in de steekproef opgenomen producent-exporteur verzocht onder verwijzing naar een recent arrest van het Gerecht (124) om de VAA-verhouding van Sucroal aan te passen teneinde bepaalde categorieën van verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten die mogelijk zijn opgenomen in de eigen uitvoerprijs uit te sluiten wanneer de vergelijking in het stadium af fabriek wordt gemaakt. Voorts voerde hij aan dat, indien de Commissie deze uitgaven niet kan identificeren in de categorie “Overige exploitatiekosten” van de financiële gegevens van Sucroal, zij geen correctie van de uitvoerprijs mag doorvoeren om de VAA-kosten die in de uitvoerprijs zijn opgenomen te schrappen. Zoals uiteengezet in overweging 213, heeft de Commissie ervoor gekozen de uitvoerprijs te vergelijken met de normale waarde af fabriek. Zoals uiteengezet in overweging 204, werd de normale waarde in het handelsstadium af fabriek vastgesteld door gebruik te maken van de productiekosten, samen met de bedragen voor de VAA-kosten en de winst, die voor dat handelsstadium redelijk werden geacht. Daarom waren er geen aanpassingen nodig om de normale waarde terug te rekenen tot het stadium af fabriek.

(220)

In het arrest CCCME (125), dat dateert van na het arrest Sinopec, herinnerde het Gerecht er ten eerste aan dat, indien een partij om correcties op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening verzoekt om de normale waarde en de uitvoerprijs met het oog op de vaststelling van de dumpingmarge vergelijkbaar te maken, die partij volgens de rechtspraak moet aantonen dat haar verzoek gerechtvaardigd is. Het bewijs dat de in artikel 2, lid 10, punten a) tot en met k), van de basisverordening genoemde specifieke correcties moeten worden toegepast, moet worden geleverd door degenen die zich daarop willen beroepen (126). Hieruit volgt dat het in die zaak, net als in het onderhavige onderzoek, overeenkomstig die rechtspraak aan de belanghebbenden stond om tijdens het onderzoek met bewijsmateriaal aan te tonen dat de gevraagde correctie noodzakelijk was (127).

(221)

Het Gerecht overwoog vervolgens dat de praktijk om correcties toe te passen op grond van artikel 2, lid 10, van de basisverordening weliswaar noodzakelijk kan blijken om rekening te houden met verschillen tussen de uitvoerprijs en de normale waarde die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid ervan, maar dat deze correcties niet kunnen worden toegepast op een door berekening vastgestelde waarde die dus niet de reële waarde is. Die waarde wordt doorgaans niet beïnvloed door factoren die de vergelijkbaarheid ervan kunnen schaden, omdat zij kunstmatig is vastgesteld (128). Bovendien omvatte de berekening van de normale waarde per productsoort “af fabriek”, net als in de zaak CCCME, in het onderhavige geval een redelijk bedrag voor VAA-kosten en was er geen informatie beschikbaar waaruit bleek dat de betrokken VAA-kosten van Sucroal de betrokken uitgaven omvatten. Gelet op de discretionaire bevoegdheid van de Commissie bij de toepassing van artikel 2, lid 10, van de basisverordening (129), strookte de benadering van de Commissie bijgevolg met de meest recente rechtspraak betreffende niet-onderbouwde beweringen dat de bedragen voor VAA-kosten die zijn gebruikt voor de berekening van de normale waarde op grond van artikel 2, lid 6 bis, punt a), en die door de Commissie redelijk worden geacht voor het handelsstadium af fabriek, vervoerskosten omvatten.

(222)

Ten slotte, en los van het arrest CCCME, zou de voorgestelde oplossing waarbij de relevante kostenposten in de uitvoerprijs worden gehandhaafd, de door de producent-exporteur aan de orde gestelde kwestie niet aanpakken. Zelfs indien de VAA-kosten van Sucroal de relevante kostenposten bevatten (wat niet is aangetoond), is het vrijwel onmogelijk dat de waarde van die elementen vergelijkbaar is met die van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Het schrappen ervan zou derhalve geen oplossing bieden voor de vermeende asymmetrie tussen de normale waarde en de uitvoerprijs. Het argument werd derhalve afgewezen.

3.8.   Dumpingmarges

(223)

Overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening heeft de Commissie voor de in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product.

(224)

Voor de meewerkende producenten-exporteurs die niet in de steekproef zijn opgenomen, heeft de Commissie de gewogen gemiddelde dumpingmarge berekend op grond van artikel 9, lid 6, van de basisverordening. Die marge werd dus vastgesteld op basis van de dumpingmarges die waren vastgesteld voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs.

(225)

Voor alle andere producenten-exporteurs in de VRC heeft de Commissie de dumpingmarge overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening aan de hand van de beschikbare gegevens vastgesteld. Hiertoe heeft de Commissie de mate van medewerking van de producenten-exporteurs bepaald. De mate van medewerking is vastgesteld aan de hand van het volume van de uitvoer naar de Unie van de meewerkende producenten-exporteurs, uitgedrukt als percentage van de totale invoer uit het betrokken land in de Unie tijdens het onderzoektijdvak, zoals vastgesteld op basis van de gegevens in het steekproefformulier zoals verstrekt door de niet in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs, en de gecontroleerde gegevens in de antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs.

(226)

De mate van medewerking is in dit geval hoog, aangezien de totale uitvoer van de wel en niet in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs goed was voor alle invoer tijdens het onderzoektijdvak.

(227)

Op basis hiervan achtte de Commissie het passend de dumpingmarge voor alle niet-meewerkende producenten-exporteurs vast te stellen op het niveau van de in de steekproef opgenomen onderneming met de hoogste dumpingmarge.

(228)

Op grond hiervan bedragen de voorlopige gewogen gemiddelde dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:

Onderneming

Voorlopige dumpingmarge (%)

Meihua Group:

Jilin Meihua Amino Acid Co., Ltd.

Xinjiang Meihua Amino Acid Co., Ltd.

Meihua Holdings Group., Ltd.

Meihua International Trading (Hong Kong) Limited

84,8

Eppen Group:

Heilongjiang Eppen Biotech Co., Ltd.

Eppen Asia Pte. Ltd.

58,3

Andere meewerkende ondernemingen

71,6

Alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China

84,8

4.   SCHADE

4.1.   Omschrijving van de bedrijfstak van de Unie en productie in de Unie

(229)

Het soortgelijke product werd in het onderzoektijdvak vervaardigd door één producent in de Unie. Deze vormt de “bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening.

(230)

Aangezien de gegevens met betrekking tot de schadeanalyse afkomstig zijn van slechts één producent in de Unie, worden de cijfers voor de schadeanalyse met het oog op de vertrouwelijkheid als orden van grootte weergegeven. De indexen zijn evenwel gebaseerd op de feitelijke gegevens, niet op de orden van grootte.

(231)

De totale productie in de Unie in het onderzoektijdvak lag in de orde van grootte van 11 000-13 000 ton. De Commissie heeft het werkelijke cijfer vastgesteld op basis van een verificatie van de gecontroleerde verslagen van de bedrijfstak van de Unie, namelijk Eurolysine.

4.2.   Verbruik in de Unie

(232)

De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld op basis van i) de gecontroleerde verkoopsgegevens van de bedrijfstak van de Unie; en ii) de invoer uit het betrokken land en uit alle andere derde landen.

(233)

Het verbruik in de Unie heeft zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 2

Verbruik in de Unie (ton in lysinehydrochloride-equivalent)

 

2020

2021

2022

OT

Totaal verbruik in de Unie

[465 000  — 510 000 ]

[470 000  — 515 000 ]

[450 000  — 495 000 ]

[410 000  — 450 000 ]

(index)

100

102

97

89

Bron:

Eurostat (lysinehydrochloride, vloeibare lysine), Eurolysine (lysinesulfaat)

(234)

Om de verschillende soorten lysine te vergelijken, merkte de Commissie op dat een ton lysinehydrochloride doorgaans 78 % lysine bevat, en een ton vloeibare lysine doorgaans 50 % lysine. De Commissie is derhalve van mening dat een ton vloeibare lysine overeenkomt met 0,641 ton lysinehydrochloride. Evenzo bevat een ton lysinehydrochloride doorgaans 78 % lysine, en een ton lysinesulfaat doorgaans 55 % lysine. De Commissie is derhalve van mening dat een ton vloeibare lysine overeenkomt met 0,705 ton lysinehydrochloride.

(235)

Op basis hiervan berekende de Commissie het verbruik van lysine in de Unie in lysinehydrochloride-equivalent, en stelde zij vast dat er sprake was van een daling van het verbruik in de Unie, met een algemene daling van het verbruik in de Unie met 11 % tijdens de beoordelingsperiode. De algemene daling van het verbruik in de Unie was het gevolg van de ernstige vogelgriep in de Unie, in combinatie met een daling van de vraag naar lysine in de varkenssector (130), die een rechtstreeks effect heeft op het verbruik van lysine.

(236)

Met het oog op de correcte vergelijking van lysinehydrochloride, vloeibare lysine en lysinesulfaat zijn alle in de Unie geproduceerde en ingevoerde hoeveelheden lysine in deze verordening aan de hand van de in overweging 234 genoemde omzettingspercentages omgezet naar lysinehydrochloride-equivalent.

4.3.   Invoer uit het betrokken land

4.3.1.   Omvang en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land

(237)

Aangezien L-lysinehydrochloride en waterige oplossing van L-lysine worden ingevoerd onder GN-code 2922 41 , baseerde de Commissie zich voor deze twee productgroepen op de invoergegevens van Eurostat. Lysinesulfaat valt momenteel echter onder de “korf” van GN-codes ex 2309 31 en ex 2309 96 voor preparaten van een soort die wordt gebruikt in diervoeders, en de beoordeling kan niet worden gebaseerd op invoerstatistieken van Eurostat. Bijgevolg zijn de invoerstatistieken van lysinesulfaat, de derde productgroep, gebaseerd op invoerstatistieken van aanbieders van gespecialiseerde marktinformatie voor Chinese en Indonesische handelsstatistieken (131).

(238)

De bron van de gegevens over de invoer uit de VRC kon op verzoek van de gegevensverstrekker niet worden bekendgemaakt. De Commissie heeft de door de bedrijfstak van de Unie verstrekte gegevens echter getoetst aan andere beschikbare statistische bronnen (Eurostat en Surveillance) en aan de antwoorden die de meewerkende Chinese producenten-exporteurs bij de samenstelling van de steekproef en bij het invullen van de vragenlijst hebben verstrekt.

(239)

Om het marktaandeel van de invoer te bepalen, heeft de Commissie de verschillende vormen van lysine geanalyseerd en de in overweging 234 genoemde omzettingspercentages toegepast. De Commissie vergeleek de naar lysinehydrochloride-equivalent omgezette invoervolumes met het in lysinehydrochloride-equivalent uitgedrukte verbruik op de markt van de Unie.

(240)

De invoer in de Unie uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 3

Volume (ton) en marktaandeel van de invoer

 

2020

2021

2022

OT

Volume van de invoer uit de VRC (ton)

304 015

294 812

285 083

329 052

Index

100

97

94

108

Marktaandeel (%)

[60  % - 69  %]

[49  % - 63  %]

[59  % - 69  %]

[70  % - 79  %]

Index

100

96

96

121

Bron:

Eurostat (lysinehydrochloride, vloeibare lysine), Eurolysine (lysinesulfaat)

(241)

Tabel 3 laat een daling van de invoer uit de VRC zien in 2021, toe te schrijven aan de uitzonderlijke omstandigheden in verband met de COVID-19-crisis in de VRC, en de energiecrisis. Tussen 2022 en het onderzoektijdvak steeg het volume van de invoer echter met 15 %.

(242)

Tijdens de beoordelingsperiode nam de invoer van lysine uit de VRC, omgezet in lysinehydrochloride-equivalent, met 25 037 ton toe, hetzij met 8 %. Dit betekent dat het totale marktaandeel van de invoer uit de VRC in de Unie in dezelfde periode met 21 % is gegroeid.

(243)

De CESFAC, Pintaluba en Vall Companys stelden dat een toename van het volume met 8 % geen aanzienlijke absolute toename van de invoer van lysine uit de VRC betekent, en dat de stijging van het marktaandeel van die invoer, die op 5 procentpunt wordt geraamd, evenmin als een aanzienlijke toename kan worden beschouwd. De Commissie was het hier niet mee eens. Een toename van het invoervolume met 25 037 ton, wat alleen al 8 % van het verbruik van de Unie in het onderzoektijdvak uitmaakt, is beslist een aanzienlijke toename. De Commissie merkte op dat de berekening die de CESFAC, Pintaluba en Vall Companys van de toename van het marktaandeel maakten, onjuist was, en dat deze geen 9 % (of 5 procentpunt) bedroeg, maar 21 % zoals blijkt uit de bovenstaande tabel. Dit is een aanzienlijke toename van het marktaandeel.

4.3.2.   Prijzen van de invoer uit het betrokken land en prijsonderbieding

(244)

De Commissie heeft de prijzen van de invoer vastgesteld op basis van gegevens van Eurostat en van gespecialiseerde marktinformatie, zoals vermeld in overweging 237. De prijsonderbieding van de invoer werd vastgesteld op basis van de gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in de VRC.

(245)

De gewogen prijs van de invoer in de Unie uit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 4

Invoerprijzen (EUR/ton)

 

2020

2021

2022

OT

VRC

876

1 342

1 679

1 104

Index

100

153

192

126

Bron:

Eurostat (lysinehydrochloride, vloeibare lysine), Eurolysine (lysinesulfaat)

(246)

De invoerprijzen uit de VRC stegen in 2021 en 2022. De bedrijfstak van de Unie stelde dat de prijzen zich in 2020 aan het herstellen waren na het historische dieptepunt dat werd waargenomen in verband met de Afrikaanse varkenspest in de VRC. De prijzen stegen in 2021 als gevolg van de energiecrisis in de VRC en beperkingen in verband met COVID-19, wat tot een tijdelijke sluiting van een aantal lysinefabrieken leidde. De prijzen namen in 2022 verder toe en daalden vervolgens aanzienlijk in het onderzoektijdvak.

(247)

De Chinese eindprijs van de invoer bleef gedurende de gehele beoordelingsperiode onder de prijzen van de bedrijfstak van de Unie, behalve in 2021, toen de VRC werd getroffen door binnenlandse energiecrises en beperkingen in verband met COVID-19, en de uitvoer van lysine naar de Unie daalde.

(248)

De Commissie heeft de prijsonderbieding tijdens het onderzoektijdvak vastgesteld aan de hand van een vergelijking van:

(a)

de gewogen gemiddelde invoerprijs per productsoort die door de in de steekproef opgenomen meewerkende Chinese producenten aan de eerste onafhankelijke afnemer op de markt van de Unie werd aangerekend, op cif-basis, met de nodige correcties voor douanerechten en kosten na invoer; en

(b)

de overeenkomstige gewogen gemiddelde verkoopprijs per productsoort van de bedrijfstak van de Unie die in rekening werd gebracht aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie, gecorrigeerd tot het niveau af fabriek.

(249)

De prijzen werden vergeleken per productsoort voor transacties in hetzelfde handelsstadium, zo nodig na correctie, en met aftrek van kortingen en rabatten. Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als percentage van de theoretische omzet van de bedrijfstak van de Unie tijdens het onderzoektijdvak. Daaruit bleek dat de gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge van de invoer uit het betrokken land op de markt van de Unie tussen 38 % en 42 % bedroeg. Er werd prijsonderbieding vastgesteld bij 100 % van de ingevoerde hoeveelheden van de in de steekproef opgenomen ondernemingen.

(250)

De Commissie heeft tevens andere prijseffecten in aanmerking genomen, met name het bestaan van een aanzienlijke verhindering van een prijsverhoging. Zoals vermeld in de overwegingen 269 tot en met 271, zijn de productiekosten per eenheid van de bedrijfstak van de Unie vanaf 2022 aanzienlijk gestegen, onder invloed van zowel de indirecte kosten per eenheid als de prijzen van energie en grondstoffen. Aangezien de prijs van de invoer uit de VRC in het onderzoektijdvak aanzienlijk daalde, kon de bedrijfstak van de Unie zijn verkoopprijs niet verhogen om zijn productiekosten te dekken. Deze verhindering van een prijsverhoging bevestigt tevens dat de invoer met dumping uit de VRC heeft geleid tot een verlies van winstgevendheid voor de bedrijfstak van de Unie.

4.4.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

4.4.1.   Algemene opmerkingen

(251)

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische indicatoren die tijdens de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie.

(252)

Voor de schadevaststelling heeft de Commissie onderscheid gemaakt tussen macro-economische en micro-economische schade-indicatoren. Aangezien Eurolysine de enige producent in de Unie is van het soortgelijke product, werden beide gegevensreeksen, die representatief werden geacht voor de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie, vastgesteld op basis van het gecontroleerde antwoord van Eurolysine op de vragenlijst.

(253)

De macro-economische indicatoren zijn: productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, verkoopvolume, marktaandeel, groei, werkgelegenheid, productiviteit, hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping.

(254)

De micro-economische indicatoren zijn: gemiddelde eenheidsprijzen, kosten per eenheid, loonkosten, voorraden, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken.

4.4.2.   Macro-economische indicatoren

4.4.2.1.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

(255)

De totale productie in de Unie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 5

Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

 

2020

2021

2022

OT

Productievolume (ton)

[68 000  — 74 000 ]

[70 000  — 76 000 ]

[34 000  — 37 000 ]

[11 000  — 13 000 ]

Index

100

103

52

17

Productiecapaciteit (ton)

[75 000  — 82 000 ]

[75 000  — 82 000 ]

[75 000  — 82 000 ]

[75 000  — 82 000 ]

Index

100

100

100

100

Bezettingsgraad

86  %

89  %

45  %

15  %

Index

100

103

52

17

Bron:

antwoord op de vragenlijst van Eurolysine

(256)

Tijdens de beoordelingsperiode daalde het productievolume van de bedrijfstak van de Unie, ondanks een lichte stijging van het verbruik in de Unie in 2021 zoals blijkt uit tabel 2, vanaf toen drastisch. De productie in de Unie kende tijdens het onderzoektijdvak een scherpe terugval tot slechts 17 % van het volume in 2020. De bedrijfstak van de Unie kon niet concurreren met de invoer met dumping uit de VRC, die tijdens het onderzoektijdvak plaatsvond tegen prijzen die aanzienlijk lager waren dan de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie. De bedrijfstak van de Unie moest de productie derhalve aanpassen aan een zeer laag verkoopvolume, wat leidde tot een tijdelijke stopzetting van de productie.

(257)

Deze daling van de productievolumes was groter dan de daling van het verbruik in de Unie met 14 % tijdens de beoordelingsperiode. De tijdelijke stijging van de productievolumes die in 2021 werd waargenomen, is toe te schrijven aan de ongunstige uitvoeromstandigheden in de VRC, zoals uiteengezet in de overwegingen 241 en 247.

(258)

De gerapporteerde productiecapaciteitscijfers hebben betrekking op de geïnstalleerde capaciteit, die tijdens de beoordelingsperiode stabiel bleef. Naast lysine vervaardigt de producent in de Unie ook andere gespecialiseerde producten, zoals valine, arginine of tryptofaan. De fabriek werd echter opgezet om [77 %—87 %] lysine en [13 %—23 %] andere gespecialiseerde producten te produceren.

4.4.2.2.   Verkoopvolume en marktaandeel

(259)

Het verkoopvolume en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 6

Verkoopvolume en marktaandeel

 

2020

2021

2022

OT

Verkoopvolume op de markt van de Unie (ton)

[52 000  — 57 000 ]

[68 000  — 75 000 ]

[31 000  — 34 000 ]

[7 500  — 9 000 ]

Index

100

132

63

16

Marktaandeel

10,7  %

14  %

7  %

1,9  %

Index

100

130

65

18

Bron:

antwoord op de vragenlijst van Eurolysine

(260)

Het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie nam in 2021 eerst met 32 % toe ten opzichte van 2020, hoofdzakelijk wegens de bovengenoemde daling van de druk die werd uitgeoefend door de invoer uit de VRC. In 2021, toen de Chinese producenten-exporteurs te maken kregen met belemmeringen op de binnenlandse markt en de uitvoer van lysine naar de Unie daalde, vertoonden de verkopen in de EU en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie een stabiele stijging. Sinds 2022 zijn de verkopen die de bedrijfstak van de Unie realiseerde in de Unie aanzienlijk gedaald. In het onderzoektijdvak zijn de verkoopvolumes drastisch teruggelopen, namelijk met 84 % vergeleken met 2020.

(261)

Ook het marktaandeel weerspiegelt deze realiteit. Gezien de sterke stijging van de Chinese uitvoer liep het aandeel van de Unie sterk terug, en daalde het gedurende de beoordelingsperiode met 82 %.

4.4.2.3.   Groei

(262)

Het verbruik in de Unie daalde licht tijdens de beoordelingsperiode, en het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie daalde sterk. De bedrijfstak van de Unie leed zo een aanzienlijk verlies aan marktaandeel van 9 procentpunt. Tegelijkertijd steeg het marktaandeel van de invoer uit het betrokken land in dezelfde periode met 22 %.

4.4.2.4.   Werkgelegenheid en productiviteit

(263)

De werkgelegenheid en de productiviteit hebben zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 7

Werkgelegenheid en productiviteit

 

2020

2021

2022

OT

Aantal werknemers (vte)

[160  — 180 ]

[130  — 150 ]

[135  — 155 ]

[60  — 75 ]

Index

100

80

88

42

Productiviteit (ton/vte)

[400  — 440 ]

[520  — 570 ]

[230  — 260 ]

[150  — 180 ]

Index

100

129

59

42

Bron:

antwoord op de vragenlijst van Eurolysine

(264)

De bedrijfstak van de Unie heeft zijn personeelsbestand tijdens de beoordelingsperiode ingekrompen naarmate de productie en het verkoopvolume afnamen. Er was sprake van een opvallende daling tijdens het onderzoektijdvak, toen de producent in de Unie de productie van het onderzochte product tijdelijk moest stopzetten.

(265)

De productiviteit volgde de wijzigingen in de productie en de werkgelegenheid. Tijdens de beoordelingsperiode nam de productiviteit af met 58 %, waarbij in 2021 een tijdelijke stijging werd vastgesteld dankzij de stijging in de productie en verkoop van de bedrijfstak van de Unie die het gevolg was van de lagere invoer van het betrokken product uit de VRC.

4.4.2.5.   Hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping

(266)

Alle dumpingmarges lagen aanzienlijk boven de de-minimisdrempel. De gevolgen van de hoogte van de werkelijke dumpingmarges voor de bedrijfstak van de Unie waren aanzienlijk, gezien de omvang en de prijzen van de invoer uit het betrokken land.

(267)

Dit is het eerste antidumpingonderzoek ten aanzien van het betrokken product. Daarom waren er geen gegevens beschikbaar om de gevolgen van mogelijke dumping in het verleden vast te stellen.

4.4.3.   Micro-economische indicatoren

4.4.3.1.   Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden

(268)

De gewogen gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de producent in de Unie voor niet-verbonden afnemers in de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 8

Verkoopprijzen in de Unie

 

2020

2021

2022

OT

Gemiddelde verkoopprijs per eenheid in de Unie op de totale markt (EUR/ton)

[1 000  — 1 200 ]

[1 100  — 1 300 ]

[1 800  — 2 000 ]

[2 200  — 2 500 ]

Index

100

112

175

205

Productiekosten per eenheid (EUR/ton)

[1 200  — 1 400 ]

[1 500  — 1 800 ]

[2 200  — 2 600 ]

[2 800  — 3 200 ]

Index

100

127

192

241

Bron:

antwoord op de vragenlijst van Eurolysine

(269)

Uit tabel 8 blijkt dat de verkoopprijzen tijdens de beoordelingsperiode voortdurend bleven stijgen, voornamelijk door de oplopende kosten voor elektriciteit en stoom, de belangrijkste grondstoffen (zoals suiker, ammoniak of ammoniumsulfaat) en de vaste kosten. Dit was zeer uitgesproken sinds 2022, toen de bedrijfstak van de Unie getroffen werd door de piek in de energieprijzen, en het verbruik van lysine in EU begon af te nemen (zie overweging 235).

(270)

De gemiddelde verkoopprijs per eenheid was gedurende de gehele beoordelingsperiode lager dan de productiekosten per eenheid, waarbij de kloof tussen beide jaar na jaar groter werd.

(271)

Tijdens de beoordelingsperiode vertoonden de productiekosten per eenheid een sterke stijging met 141 %. Dit was zeer uitgesproken in 2022, toen de energieprijzen een piek bereikten, en tijdens het onderzoektijdvak, toen de vaste kosten werden verdeeld over een kleiner productievolume.

4.4.3.2.   Loonkosten

(272)

De gemiddelde loonkosten van de klager hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 9

Gemiddelde loonkosten per werknemer

 

2020

2021

2022

OT

Gemiddelde loonkosten per werknemer (EUR)

[68 000  — 75 000 ]

[70 000  — 77 000 ]

[67 000  — 74 000 ]

[73 000  — 80 000 ]

Index

100

106

98

111

Bron:

antwoord op de vragenlijst van Eurolysine

(273)

Tijdens de beoordelingsperiode is het gemiddelde loon per werknemer met 11 % gestegen. De stijging was duidelijker tijdens het onderzoektijdvak, namelijk 13 % per jaar.

4.4.3.3.   Voorraden

(274)

De voorraden van de bedrijfstak van de Unie hebben zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 10

Voorraden

 

2020

2021

2022

OT

Eindvoorraden (ton)

[12 000  — 15 000 ]

[3 000  — 5 000 ]

[3 000  — 5 000 ]

[3 000  — 5 000 ]

Index

100

35

28

33

Eindvoorraden uitgedrukt als percentage van de productie (%)

[18  — 20 ]

[6  — 8 ]

[9  — 11 ]

[35  — 37 ]

Index

100

34

53

190

Bron:

antwoord op de vragenlijst van Eurolysine

(275)

De voorraden namen in absolute cijfers met 65 % af in 2021, toen de bedrijfstak van de Unie erin slaagde zijn verkoopvolumes en marktaandeel te doen stijgen als gevolg van de tijdelijke terugval van de Chinese invoer. Aangezien de bedrijfstak van de Unie in 2022 en tijdens het onderzoektijdvak zijn marktpositie nog verder begon te verliezen, nam de omvang van de voorraden opnieuw toe en raakte niet alle geplande productie verkocht. De algemene daling van de voorraden loopt gelijk met de daling van de productie in de Unie. De stijging van de eindvoorraden uitgedrukt als percentage van de productie loopt gelijk met het lage productievolume in het onderzoektijdvak.

4.4.3.4.   Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken

(276)

De winstgevendheid, de kasstroom, de investeringen en het rendement van de investeringen van de bedrijfstak van de Unie hebben zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 11

Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen

 

2020

2021

2022

OT

Winstgevendheid van de verkoop in de Unie aan niet-verbonden afnemers (% van omzet)

[–10 tot –14 ]

[–19 tot –23 ]

[–20 tot –24 ]

[–-28 tot –32 ]

Index

- 100

- 165

- 155

- 220

Kasstroom (000 EUR)

[–8 500 000 tot –10 500 000 ]

[–12 000 000 tot –14 000 000 ]

[–13 000 000 to –15 000 000 ]

[–7 000 000 tot –9 000 000 ]

Index

- 100

- 129

- 130

-78

Investeringen (000 EUR)

[5 000 000  — 7 000 000 ]

[3 000 000  — 5 000 000 ]

[4 000 000  — 6 000 000 ]

[4 000 000  — 6 000 000 ]

Index

100

88

93

88

Rendement van investeringen (%)

[–14 tot –18 ]

[–28 tot –32 ]

[–20 tot –24 ]

[–7 tot –11 ]

Index

- 100

- 179

- 128

-60

Bron:

antwoord op de vragenlijst van Eurolysine

(277)

De Commissie heeft de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie vastgesteld door de nettowinst vóór belastingen van de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als percentage van de aldus gerealiseerde omzet. Tijdens de gehele beoordelingsperiode was de bedrijfstak van de Unie sterk verliesgevend. Hij leed aanzienlijke verliezen tijdens het onderzoektijdvak, toen de productie vier maanden werd stilgelegd wegens de aanhoudende toename van de invoer met dumping en de lagere prijzen, waardoor verkoop verloren ging en de productie tijdelijk werd stopgezet. Tijdens de beoordelingsperiode daalde de winstgevendheid met 120 procentpunt.

(278)

De nettokasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. De trend van de nettokasstroom ontwikkelde zich gedurende de gehele beoordelingsperiode volgens een vergelijkbaar patroon als dat van de winstgevendheid. Hoewel dit minder uitgesproken was dan de hoge verliezen, bleef de kasstroom gedurende de gehele beoordelingsperiode negatief. In het onderzoektijdvak vertegenwoordigde de verkoop uit voorraden ongeveer 20 % van de totale verkoop, wat weliswaar hoger was dan in de voorgaande perioden, maar heeft bijgedragen tot een minder negatieve kasstroom dan in de voorgaande jaren.

(279)

De netto-investeringen namen tijdens de beoordelingsperiode met 12 % af, met een lichte stijging in 2021. De moeilijke economische situatie van de bedrijfstak van de Unie en het daaruit voortvloeiende gebrek aan winstgevendheid is de belangrijkste reden voor het tekort aan nieuwe investeringen in de lysineproductie.

(280)

Het rendement van investeringen is de winst uitgedrukt als percentage van de nettoboekwaarde van de investeringen. In het licht van de bovenstaande ontwikkelingen was het rendement van investeringen (vaste activa die voor de productie werden gebruikt) tijdens de beoordelingsperiode negatief. De ogenschijnlijk verbeterende trend wordt toegeschreven aan een kleiner verlies aan winstgevendheid dan in de voorgaande jaren, als gevolg van de lage productie in het onderzoektijdvak.

(281)

Het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om kapitaal aan te trekken had zwaar te lijden onder de aanzienlijk negatieve kasstroom en winstgevendheid tijdens de beoordelingsperiode.

4.4.4.   Conclusie inzake schade

(282)

Alle belangrijke schade-indicatoren vertoonden een negatieve trend, en de meeste ervan waren consistent negatief tijdens de beoordelingsperiode, terwijl de situatie van de bedrijfstak van de Unie er tijdens het onderzoektijdvak aanzienlijk verder op achteruitging.

(283)

Het productie- en verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie nam respectievelijk af met een duizelingwekkende 83 % en 84 %. Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie viel bijgevolg terug van 11 % in 2020 tot 2 % tijdens het onderzoektijdvak.

(284)

Bovendien kreeg de bedrijfstak van de Unie te maken met een aanzienlijke stijging van de productiekosten, die in de beoordelingsperiode 141 % bedroeg. Hij kon deze kostenstijging niet doorberekenen aan de klanten — bij sterk dalende verkoopvolumes kon de bedrijfstak van de Unie de gemiddelde prijzen maximaal met amper 105 % verhogen. Als gevolg hiervan ging de situatie van de bedrijfstak van de Unie, die reeds verliezen optekende die in het eerste jaar van de beoordelingsperiode in de dubbele cijfers liepen, er fors op achteruit en moest de productie tijdens het onderzoektijdvak tijdelijk worden stopgezet om de schade te beperken. Deze drastische verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Unie werd ook weerspiegeld in de ontwikkeling van andere belangrijke indicatoren, zoals werkgelegenheid, kasstroom en rendement van investeringen.

(285)

Op basis van het bovenstaande is de Commissie in dit stadium tot de conclusie gekomen dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening.

(286)

Zoals reeds uiteengezet in overweging 250, concludeerde de Commissie dat de invoer met dumping uit de VRC de bedrijfstak van de Unie gedurende de gehele beoordelingsperiode had verhinderd om zijn prijzen te verhogen.

5.   OORZAKELIJK VERBAND

(287)

Overeenkomstig artikel 3, lid 6, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping uit het betrokken land aanmerkelijke schade heeft geleden. Overeenkomstig artikel 3, lid 7, van de basisverordening heeft de Commissie tevens onderzocht of de bedrijfstak van de Unie in dezelfde periode door andere bekende factoren schade had kunnen lijden. De Commissie heeft zich ervan verzekerd dat eventuele schade die werd veroorzaakt door andere factoren dan de invoer met dumping uit het betrokken land, niet aan de invoer met dumping werd toegeschreven. Deze factoren zijn: invoer uit andere derde landen, uitvoerprestaties van de producenten in de Unie en andere factoren, zoals invoer door de bedrijfstak van de Unie, stijging van de productiekosten, daling van het verbruik, andere activiteiten van de bedrijfstak van de Unie en de situatie van de bedrijfstak van de Unie aan het begin van de beoordelingsperiode.

5.1.   Gevolgen van de invoer met dumping

(288)

Zoals uiteengezet in overweging 242, is het volume van de invoer van het betrokken product uit de VRC in lysinehydrochloride-equivalent toegenomen met 8 %, wat zich heeft vertaald in een toename van het marktaandeel van de invoer uit de VRC in de Unie met 13 procentpunten tijdens de beoordelingsperiode. Zoals uiteengezet in de overwegingen 260 en 261, slaagde de bedrijfstak van de Unie er in dezelfde periode niet in met de Chinese producenten-exporteurs te concurreren, waardoor het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie met 84 % daalde en zijn marktaandeel met 82 % kromp. Dit gebeurde in een context waarin het verbruik in de Unie schommelde en in totaal met 11 % afnam tijdens de beoordelingsperiode.

(289)

Zoals vermeld in overweging 249, onderbood de invoer uit de VRC de prijzen van de bedrijfstak van de Unie in het onderzoektijdvak in aanzienlijke mate en lag de prijs daarvan tijdens de gehele beoordelingsperiode onder de prijzen van de bedrijfstak van de Unie, waardoor de situatie van de bedrijfstak van de Unie almaar verslechterde. De invoer uit de VRC leidde ook tot verhindering van een prijsverhoging tijdens de beoordelingsperiode, toen de bedrijfstak van de Unie niet in staat was om te verkopen tegen prijzen die hoger waren dan zijn productiekosten, gezien de druk die uit de invoer met dumping voortvloeide. De prijsdruk was bijzonder uitgesproken in het onderzoektijdvak.

(290)

Zoals blijkt uit tabel 12 valt de toename van het marktaandeel van de invoer uit de VRC ook samen met een scherpe daling van zowel het marktaandeel van de producent in de Unie als van de invoer uit derde landen tijdens het onderzoektijdvak.

(291)

Daarom is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden door een sterke toename van de invoer met dumping uit de VRC tegen prijzen die de prijzen van de Unie aanzienlijk onderboden.

5.2.   Gevolgen van andere factoren

5.2.1.   Invoer uit derde landen

(292)

Het volume van de invoer uit andere derde landen heeft zich in de beoordelingsperiode als volgt ontwikkeld:

Tabel 12

Invoer uit derde landen

Land

 

2020

2021

2022

OT

Indonesië

Volume (ton)

56 107

62 436

51 142

35 619

Index

100

111

91

63

Marktaandeel

[8  % — 11  %]

[12  % — 15  %]

[10  % — 14  %]

[5  % — 9  %]

Gemiddelde prijs (EUR/ton)

1 007

1 271

2 228

1 443

Index

100

126

221

143

Verenigde Staten

Volume (ton)

50 508

50 257

48 947

26 914

Index

100

100

97

53

Marktaandeel

[8  % — 11  %]

[8  % — 11  %]

[8  % — 11  %]

[5  % — 8  %]

Gemiddelde prijs (EUR/ton)

1 030

1 268

1 592

1 145

Index

100

123

154

111

Zuid-Korea

Volume (ton)

25 213

13 856

47 750

25 519

Index

100

55

189

101

Marktaandeel

[4  % — 6  %]

[2  % — 5  %]

[9  % — 13  %]

[4  % — 8  %]

Gemiddelde prijs (EUR/ton)

1 037

1 632

2 240

1 540

Index

100

157

216

148

Brazilië

Volume (ton)

1 932

6 928

10 494

12 952

Index

100

359

543

655

Marktaandeel

[0  % — 1  %]

[1  % — 2  %]

[2  % — 3  %]

[2  % — 3  %]

Gemiddelde prijs (EUR/ton)

858

1 206

2 278

1 480

Index

100

141

266

173

Totaal van alle derde landen behalve het betrokken land

Volume (ton)

133 760

133 476

158 333

100 704

 

Index

100

100

118

75

 

Marktaandeel

[23  % — 28  %]

[23  % — 28  %]

[30  % — 35  %]

[20  % — 25  %]

 

Gemiddelde prijs (EUR/ton)

1 020

1 305

2 038

1 393

 

Index

100

128

200

137

Bron:

Eurostat (lysinehydrochloride, vloeibare lysine), Eurolysine (lysinesulfaat)

(293)

De Commissie merkte op dat de invoer uit Indonesië tijdens het onderzoektijdvak het grootste aandeel van de invoer uit andere derde landen dan de VRC in de Unie vertegenwoordigde. De Commissie wees er verder op dat de uitvoer uit Indonesië voornamelijk vloeibare lysine betrof, gevolgd door lysinesulfaat (6 % van de invoer uit Indonesië in het onderzoektijdvak).

(294)

Volgens Eurostat is het volume van de invoer uit de veruit grootste andere bronnen dan de VRC in 2020, namelijk Indonesië en de Verenigde Staten, en van alle derde landen samen gedurende de gehele beoordelingsperiode sterk gedaald, behalve in 2022, toen Brazilië en Zuid-Korea hun marktaandeel verbeterden. De invoer uit Indonesië en de VS vertoont een vergelijkbare trend als de verkoop van de bedrijfstak van de Unie: een stijging van de invoer in 2021 en vervolgens een scherpe daling in 2022 en het onderzoektijdvak. De invoer uit alle andere derde landen (Brazilië en Zuid-Korea) die hun marktpositie verbeterden in 2022, verloor ook marktaandeel in het onderzoektijdvak ten opzichte van 2022.

(295)

De Commissie stelde vast dat de prijs van invoer uit de VS in 2021 en 2022 lager was dan die van invoer uit de VRC. De prijs van de invoer uit de VS daalde tijdens het onderzoektijdvak echter sterk ten opzichte van de voorgaande jaren, wat wijst op verhindering van een prijsverhoging door de overheersende invoer uit de VRC.

(296)

De Commissie stelde daarentegen vast dat de prijzen van alle invoer uit de VRC aanzienlijk waren gedaald, en wel met 66 % in het onderzoektijdvak, en dat de prijzen van de bedrijfstak van de Unie in het onderzoektijdvak met 40,2 % werden onderboden.

(297)

De Commissie onderzocht vervolgens het belang van de invoer uit de VRC, Indonesië, de VS, Brazilië en Zuid-Korea op de totale markt van de Unie. Zoals blijkt uit de tabellen 3 en 12, was het totale volume van de invoer uit de VRC tijdens het onderzoektijdvak drie keer zo groot (75 %) als dat van de invoer uit andere derde landen (23 %). Voorts heeft de invoer uit Indonesië en de VS in het onderzoektijdvak marktaandeel verloren. De invoer uit de VRC heeft daarentegen tussen 2022 en het onderzoektijdvak als enige marktaandeel gewonnen.

(298)

De Commissie merkte op dat de gemiddelde prijs van de invoer uit de VRC lager was dan de prijzen van de invoer uit andere derde landen, wat ook de prijzen uit derde landen deed dalen tot onder het niveau van de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie. Gezien de vrij lage invoervolumes per land, volumes die veel lager waren dan die van de VRC, met een dalende trend en tegen hogere prijzen dan de VRC maar lagere prijzen dan de bedrijfstak van de Unie, concludeerde de Commissie derhalve dat de gevolgen van de invoer uit Indonesië, de VS, Brazilië en Zuid-Korea afzonderlijk niet als aanzienlijk kunnen worden beschouwd.

5.2.2.   Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie

(299)

Het uitvoervolume van de bedrijfstak van de Unie ontwikkelde zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt:

Tabel 13

Verkoop bij uitvoer

 

2020

2021

2022

OT

Volume van de uitvoer (ton)

[12 000  — 14 000 ]

[9 500  — 11 000 ]

[3 500  — 5 000 ]

[1 000  — 1 500 ]

Index

100

72

46

26

Gemiddelde prijs (EUR/ton)

[1 100  — 1 450 ]

[1 200  — 1 500 ]

[2 000  — 2 400 ]

[1 800  — 2 300 ]

Index

100

117

180

169

Bron:

antwoord op de vragenlijst van Eurolysine

(300)

Het uitgevoerde volume van de bedrijfstak van de Unie was in de beoordelingsperiode vrij klein, en bedroeg 20 % van de verkoop van de bedrijfstak van de Unie in het eerste jaar van de beoordelingsperiode. Sindsdien is het evenredig met de daling in de productie afgenomen. De gemiddelde verkoopprijzen voor de uitvoer volgden ook een vergelijkbare trend als die bij de binnenlandse verkoop, ze stegen namelijk als gevolg van de hogere productiekosten.

(301)

Op basis van de vrij kleine volumes gedurende de beoordelingsperiode en de trends die gelijklopen met de trends die zijn waargenomen voor de verkoop in de Unie van de bedrijfstak van de Unie, heeft de Commissie voorlopig geconcludeerd dat de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit het betrokken land en de vastgestelde aanzienlijke schade niet hebben afgezwakt.

5.2.3.   Andere factoren

(302)

De CESFAC, Pintaluba, Vall Companys en de CCCMC voerden aan dat de schade werd veroorzaakt door de invoer door de bedrijfstak van de Unie van lysine van producenten-exporteurs uit de VRC, die ongeveer 10-15 % van zijn verkoop in de Unie bedroeg.

(303)

De Commissie bevestigde dat de bedrijfstak van de Unie beperkte hoeveelheden lysine invoerde uit de VRC en Zuid-Korea om deze verder te verdelen op de markt van de Unie en zo zijn kasstroompositie te verbeteren. Deze volumes namen vanaf 2020 echter geleidelijk af en in 2023 was niet langer sprake van dergelijke invoer. Op grond hiervan werd het argument afgewezen.

(304)

Dezelfde partijen wezen verder op de aanzienlijke toename van de productiekosten in de Unie, voornamelijk aangedreven door de stijging van de kosten van suikerbieten en elektriciteit, als mogelijk oorzaak van de schade.

(305)

Zoals uiteengezet in overweging 261, zijn de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie gestegen als gevolg van stijgingen van de prijzen van energie en grondstoffen zoals suikerbieten, ammoniak of ammoniumsulfaat. Onder normale marktomstandigheden kunnen producenten hun kostenstijgingen in hun verkoopprijzen doorberekenen. In 2021 kon de bedrijfstak van de Unie zijn prijzen tot op zekere hoogte optrekken als reactie op de stijging van de productiekosten. In 2022 en tijdens het onderzoektijdvak was dit echter niet meer mogelijk wegens de zeer lage prijzen van de invoer uit de VRC en de sterke daling daarvan in het onderzoektijdvak, zoals vermeld in tabel 4. Het is dus niet de stijging van de kosten op zich die de schade veroorzaakte, maar het feit dat de bedrijfstak van de Unie door de massale aanwezigheid van oneerlijk laaggeprijsde invoer uit de VRC op de markt niet in staat was om deze kostenstijgingen te weerspiegelen in zijn verkoopprijzen.

(306)

De CESFAC, Pintaluba, Vall Companys en de CCCMC stelden dat de schade deels werd veroorzaakt door de daling in het verbruik van lysine in de Unie.

(307)

Uit tabel 2 blijkt inderdaad dat het verbruik van lysine in de beoordelingsperiode met 55 000 tot 60 000 ton is gedaald, hetzij met 11 %. Terwijl het verbruik daalde, steeg de invoer uit de VRC in dezelfde periode echter met 25 000 ton. Als gevolg daarvan kelderde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie, dat aan het begin van de beoordelingsperiode 10,7 % bedroeg, in het onderzoektijdvak tot onder 2 %.

(308)

Een daling van de verkoopvolumes van de bedrijfstak van de Unie die evenredig was met de daling in het verbruik zou goed zijn geweest voor ongeveer 6 000 tot 8 000 ton, terwijl deze door de tegengestelde ontwikkeling van de invoer uit de VRC 44 500 tot 48 000 ton bedroeg. De daling in het verbruik alleen kan niet als significant worden beschouwd.

(309)

De CESFAC, Pintaluba, Vall Companys en de CCCMC betoogden verder dat de producent in de Unie wegens de volatiliteit van de lysinemarkt een aanzienlijk volume van zijn productiecapaciteit had verschoven van lysine naar de zogenoemde “bijzondere aminozuren”, en dat de bedrijfstak van de Unie 40 000 ton van de geïnstalleerde lysinecapaciteit had omgezet naar “bijzondere producten” zoals valine, arginine en tryptofaan, en zich dus bewust uit de lysinemarkt van de Unie had teruggetrokken.

(310)

De Commissie merkte eerst op dat de productiecapaciteit voor lysine van de producent in de Unie blijkens tabel 5 tijdens de beoordelingsperiode stabiel bleef. De bijzondere producten worden vervaardigd door secundaire faciliteiten die geen verband houden met de lysineproductie. De bedrijfstak van de Unie dreef de productie van bijzondere aminozuren tijdens de beoordelingsperiode op om de aanzienlijke verliezen bij de productie en verkoop van lysine te compenseren. De productiecapaciteit van deze bijzondere aminozuren staat echter los van het productieproces van lysine en mag niet als onderling verwisselbaar worden beschouwd. Zoals vermeld in overweging 258 is de productie van lysine de belangrijkste economische activiteit van de klager. De productiecapaciteit van bijzondere aminozuren is beperkt in vergelijking met de productiecapaciteit van lysine. Het is derhalve waarschijnlijk dat de potentiële beëindiging van de lysineproductie zou leiden tot de beëindiging van de productie van andere bijzondere aminozuren. De Commissie was derhalve van mening dat de stijging in de productie van bijzondere aminozuren niet bijdraagt aan de schade.

(311)

De CESFAC, Pintaluba, Vall Companys en de CCCMC argumenteerden dat de economische en financiële ondermaatse prestaties van de bedrijfstak van de Unie reeds vóór de beoordelingsperiode waren begonnen en culmineerden in de beslissing van de bedrijfstak van de Unie begin 2024 om een insolventieprocedure in te leiden bij het Franse gerecht. Zij voerden aan dat de reeds bestaande financiële moeilijkheden het resultaat waren van eigen zakelijke en financiële beslissingen en strategieën, die geen verband hielden met enige concurrentiedruk vanwege invoer uit de VRC.

(312)

Als reactie op dit argument merkte de Commissie eerst op dat het argument niet onderbouwd was aangezien niet werd verduidelijkt welke slechte financiële of zakelijke beslissingen de bedrijfstak van de Unie in het verleden zou hebben genomen die een verklaring konden bieden voor deze moeilijkheden. Ten tweede merkte de Commissie op dat producenten geen recente historiek van winstgevendheid hoeven te hebben om herstel te vragen via handelsbeschermingsmaatregelen. Ten derde was de bedrijfstak van de Unie aan het begin van de beoordelingsperiode inderdaad al verliesgevend, zoals blijkt uit tabel 11. Zonder enige conclusies te trekken over de rol die de invoer uit de VRC heeft gespeeld in de situatie van de bedrijfstak van de Unie dat jaar, merkte de Commissie echter op dat er al sprake was van aanzienlijke invoer uit de VRC in 2020, goed voor een marktaandeel van meer dan 50 %. Meer nog, zij stelde vast dat de invoer uit de VRC sindsdien verder sterk toenam op de markt van de Unie, terwijl het verschil tussen de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie en de invoerprijzen uit de VRC drastisch toenam, van [125 — 325] EUR/ton in 2020 tot [1 097 — 1 397] EUR/ton in het onderzoektijdvak.

(313)

Op basis daarvan is het duidelijk dat de situatie van de bedrijfstak van de Unie zoals deze zich ontwikkelde in de beoordelingsperiode niet kan worden toegeschreven aan wanbeheer. Het argument werd afgewezen.

5.3.   Conclusie inzake het oorzakelijk verband

(314)

Uit de bovenstaande analyse blijkt dat, hoewel de markt van de Unie aan het krimpen was, het volume van de invoer uit de VRC tijdens de beoordelingsperiode enorm steeg. Door de lage prijzen van de invoer met dumping uit de VRC werd de bedrijfstak van de Unie belet zijn prijzen duurzaam te verhogen, wat leidde tot een situatie van aanhoudend en toenemend verlies. Bovendien verloor de bedrijfstak van de Unie ook aanzienlijk marktaandeel aan de invoer uit de VRC en wegens de aanzienlijke daling van de verkoop moest de productie in 2023 zelfs tijdelijk worden stopgezet. De Commissie heeft dus een oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit de VRC en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade vastgesteld.

(315)

De Commissie heeft onderscheid gemaakt tussen en afzonderlijk gekeken naar de gevolgen van alle bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie en het schadelijke effect van de invoer met dumping. Het effect van deze factoren op de negatieve ontwikkelingen van de bedrijfstak van de Unie was echter niet significant.

(316)

Op basis van het voorgaande heeft de Commissie in dit stadium geconcludeerd dat de invoer met dumping uit het betrokken land de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft berokkend en dat de andere factoren, ongeacht of ze individueel dan wel collectief werden beschouwd, geen afbreuk deden aan het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de aanmerkelijke schade. De schade is algemeen van aard en bestaat onder meer uit verlies van productie, verkoop, marktaandeel, winstgevendheid en werkgelegenheid.

6.   NIVEAU VAN DE MAATREGELEN

(317)

Om het niveau van de maatregelen te bepalen, heeft de Commissie beoordeeld of een recht lager dan de dumpingmarge toereikend zou zijn om de door de invoer met dumping aan de bedrijfstak van de Unie berokkende schade op te heffen.

6.1.   Schademarge

(318)

De schade zou worden opgeheven indien de bedrijfstak van de Unie een nagestreefde winst zou kunnen behalen door te verkopen tegen een richtprijs in de zin van artikel 7, lid 2 quater en lid 2 quinquies, van de basisverordening.

(319)

Overeenkomstig artikel 7, lid 2 quater, van de basisverordening hield de Commissie bij de bepaling van de nagestreefde winst rekening met de volgende factoren: de mate van winstgevendheid vóór de toename van de invoer uit het betrokken land, de mate van winstgevendheid die vereist is ter dekking van alle kosten en investeringen, onderzoek en ontwikkeling (O&O) en innovatie, alsmede de onder normale mededingingsvoorwaarden te verwachten mate van winstgevendheid. Die winstmarge mag niet lager zijn dan 6 %.

(320)

In eerste instantie heeft de Commissie een basiswinst vastgesteld die alle kosten onder normale mededingingsvoorwaarden dekt. Aangezien de bedrijfstak van de Unie gedurende de gehele beoordelingsperiode verliezen leed en de gegevens van de bedrijfstak van de Unie niet konden worden gebruikt, stelde de Commissie een redelijke winstmarge van 6 % vast.

(321)

De bedrijfstak van de Unie verstrekte bewijsmateriaal waaruit bleek dat zijn niveau van investeringen, onderzoek en ontwikkeling (O&O) en innovatie tijdens de beoordelingsperiode onder normale mededingingsvoorwaarden hoger zou zijn geweest. De Commissie controleerde deze informatie op basis van investeringsplannen en uitgestelde projecten. De argumenten van de bedrijfstak van de Unie werden inderdaad gerechtvaardigd geacht. Om dit in de nagestreefde winst tot uiting te laten komen, berekende de Commissie het verschil tussen de uitgaven voor investeringen, O&O en innovatie (“IOI”) onder normale mededingingsvoorwaarden, zoals verstrekt door de bedrijfstak van de Unie en geverifieerd door de Commissie, en de werkelijke IOI-uitgaven tijdens de beoordelingsperiode. Dat verschil, uitgedrukt als percentage van de omzet, bedroeg 4,69 %.

(322)

Dat percentage van 4,69 % werd opgeteld bij de in overweging 319 vermelde basiswinst van 6 %, wat een nagestreefde winst van 10,69 % opleverde.

(323)

De producent in de Unie produceerde tijdens het onderzoektijdvak geen aanzienlijke hoeveelheden van het betrokken product. Daarom werden zijn productiekosten niet geschikt geacht om de richtprijs vast te stellen. Deze kosten werden beïnvloed door een aanzienlijke stijging van de vaste kosten per eenheid als gevolg van het verlies aan verkoopvolume (zowel op de binnenlandse markt als op de exportmarkt), dat zich ook vertaalde in productievolumeverliezen. De producent in de Unie zette de productie van lysine ook stop gedurende vier maanden in het onderzoektijdvak. Bijgevolg achtte de Commissie het productievolume in 2022 (tot december 2023 aangepast aan de inflatie-index voor Frankrijk) geschikt voor dit onderzoek.

(324)

Op basis hiervan komt de geen schade veroorzakende prijs te liggen binnen de bandbreedte van 2 800 tot 3 300 EUR per ton, berekend door de bovengenoemde winstmarge van 10,69 % toe te passen op de productiekosten van de enige producent in de Unie gedurende het onderzoektijdvak.

(325)

Overeenkomstig artikel 7, lid 2 quinquies, van de basisverordening beoordeelde de Commissie als laatste stap de toekomstige kosten voortvloeiend uit multilaterale milieuovereenkomsten en de bijbehorende protocollen waarbij de Unie partij is, en uit de in bijlage I bis vermelde Verdragen van de IAO, die de bedrijfstak van de Unie tijdens de periode van toepassing van de maatregel uit hoofde van artikel 11, lid 2, zal maken. Op basis van het beschikbare bewijsmateriaal heeft de Commissie extra kosten van [240 — 270] EUR/ton vastgesteld. Deze kosten werden toegevoegd aan de in overweging 324 genoemde geen schade veroorzakende prijs.

(326)

Op basis hiervan berekende de Commissie een geen schadeveroorzakende prijs van [3 040 — 3 570] EUR/ton voor het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Unie door de bovengenoemde streefwinstmarge (zie overweging 324) toe te passen op de productiekosten van de bedrijfstak van de Unie tijdens het onderzoektijdvak, en vervolgens per productsoort de correcties op grond van artikel 7, lid 2 quinquies, toe te passen.

(327)

De Commissie heeft vervolgens het niveau van de schademarge bepaald door de gewogen gemiddelde invoerprijs van de in de steekproef opgenomen meewerkende producenten-exporteurs in het betrokken land, zoals vastgesteld voor de berekeningen van de prijsonderbieding, te vergelijken met de gewogen gemiddelde, geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product dat in het onderzoektijdvak door de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie werd verkocht. Het verschil dat deze vergelijking opleverde, werd uitgedrukt als percentage van de gewogen gemiddelde cif-waarde bij invoer.

(328)

Het schade opheffende prijsniveau voor “andere meewerkende ondernemingen” en voor “alle overige invoer van oorsprong uit de VRC” wordt op dezelfde manier vastgesteld als de dumpingmarge voor deze ondernemingen en de invoer (zie punt 3.3).

6.2.   Berekening

7.   BELANG VAN DE UNIE

(329)

Gezien de beslissing van de Commissie om artikel 7, lid 2, van de basisverordening toe te passen, heeft zij onderzocht of zij duidelijk kon concluderen dat het niet in het belang van de Unie was om in dit geval maatregelen te nemen, ondanks de vaststelling van schadeveroorzakende dumping, overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening.

(330)

Het belang van de Unie werd vastgesteld op basis van een beoordeling van alle betrokken belangen, waaronder die van de bedrijfstak van de Unie, de importeurs en de gebruikers.

7.1.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(331)

De enige producent van lysine in de Unie heeft de klacht ingediend, heeft ten volle aan het onderzoek meegewerkt en heeft belangstelling getoond voor de instelling van maatregelen.

(332)

Uit het onderzoek is gebleken dat de producent in de Unie aanmerkelijke schade lijdt als gevolg van de invoer met dumping uit het betrokken land. Deze invoer verhinderde in aanzienlijke mate een prijsverhoging en dwong de bedrijfstak van de Unie om onder de kostprijs te verkopen. Als gevolg daarvan leed de bedrijfstak van de Unie aanzienlijke verliezen. De prijzen van de bedrijfstak van de Unie werden nog steeds ernstig onderboden door de invoer uit de VRC, en de toename van het volume van deze invoer had een aanzienlijk verlies van verkoopvolumes en marktaandeel voor de bedrijfstak van de Unie tot gevolg.

(333)

De instelling van maatregelen zou waarschijnlijk een verdere sterke toename van de invoer uit de VRC tegen zeer lage prijzen voorkomen en de bedrijfstak in staat stellen een herstelproces op gang te brengen. Zonder deze maatregelen zullen de producenten uit de VRC het betrokken product op de markt van de Unie blijven dumpen en zal het niet lang duren voordat de bedrijfstak van de Unie zijn activiteiten moet stopzetten.

(334)

Aangezien de bedrijfstak van de Unie slechts kan voorzien in ongeveer 20 % van het verbruik van de Unie, zal de invoer uit de VRC in de Unie na de instelling van voorlopige antidumpingmaatregelen naar verwachting aanhouden, maar zullen de verkoopvolumes en de prijzen van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie stijgen, wat tot een verbetering van de winstgevendheid en van andere financiële indicatoren van deze bedrijfstak zal leiden en stopzetting zal voorkomen.

(335)

Derhalve werd geconcludeerd dat de instelling van maatregelen ten aanzien van de VRC in het belang van de bedrijfstak van de Unie zou zijn.

7.2.   Belang van niet-verbonden importeurs

(336)

Drie importeurs hebben aan het onderzoek meegewerkt door een antwoord op de vragenlijst te verstrekken. Samen vertegenwoordigden zij 26 % van de invoer van lysine uit de VRC.

(337)

Andres Pintaluba S.A. drukte zijn bezorgdheid uit over het feit dat het instellen van antidumpingmaatregelen met betrekking tot de invoer van lysine uit de VRC een ernstig risico op een ontoereikend aanbod op de EU-markt mee zou brengen, en droeg bewijzen aan van langdurige en aanhoudende leveringstekorten voor vloeibare lysine die zich in het verleden hadden voorgedaan voordat de Chinese lysineleveranciers hun intrede hadden gedaan op de markt.

(338)

De Commissie verduidelijkte dat antidumpingrechten niet bedoeld zijn om de markt van de Unie af te sluiten voor invoer uit het betrokken land, maar om oneerlijke marktpraktijken aan te pakken en gelijke voorwaarden te herstellen, zodat de markt normaal kan functioneren. Het is onwaarschijnlijk dat de producent in de Unie en de producenten-exporteurs uit andere derde landen dan de VRC in staat zijn de markt van de Unie volledig te bevoorraden. Door de dominante positie van de Chinese producenten-exporteurs en de afnemende mondiale positie van producenten uit andere derde landen zullen de antidumpingmaatregelen de productie van de bedrijfstak van de Unie doen stijgen en opnieuw zorgen voor een gelijk speelveld, zonder de invoer uit de VRC te blokkeren. De Commissie heeft deze argumenten dus ongegrond verklaard.

(339)

Barentz, de CESFAC, Pintaluba en Vall Companys voerden verder aan dat de instelling van antidumpingrechten ook om milieuredenen in strijd zou zijn met het belang van de Unie, aangezien de prijsstijging van lysine voor voormengers en samenstellers van diervoeders een stimulans zou vormen om de mengeling van hun voeders en toevoegingsmiddelen aan te passen teneinde het aandeel goedkopere en eiwitrijke alternatieven, zoals voederadditieven van sojabonen en ruwe eiwitten, te vergroten.

(340)

Het argument werd verworpen nu de Commissie opmerkte dat het percentage toevoegingsmiddelen voor diervoeding van sojabonen en ruwe eiwitten in diervoeding vooral afhankelijk is van de prijs van deze grondstoffen, en de belangrijkste factoren voor de prijsverschillen (gewasopbrengst, EUR/USD-schommeling, vrachtprijs) losstaan van de lysineprijs.

7.3.   Belang van de gebruikers

(341)

Een gebruiker heeft zich in het onderzoek gemeld en de vragenlijst beantwoord. Die onderneming, Vall Companys Group, is actief op de diervoedermarkt, een van de drie grootste markten voor lysine. Zij vertegenwoordigde in het onderzoektijdvak minder dan 5 % van de uit de VRC ingevoerde lysine. Vall Companys Group kreeg een hoorzitting met de Commissie en haar antwoord op de vragenlijst werd ter plaatse gecontroleerd.

(342)

Vall Companys Group argumenteerde dat de instelling van antidumpingmaatregelen zou leiden tot i) een aanzienlijke stijging van de kosten van diervoeder en andere afgeleide producten in de Unie, ii) een ernstig risico op een ontoereikend aanbod van lysine mee zou brengen, iii) de concurrentie op de markt van de Unie aanzienlijk zou verzwakken en de voorwaarden voor concurrentieverstorend gedrag zou scheppen, en iv) het milieubeleid van de Unie zou ondermijnen.

(343)

Aangaande het eerste punt stelde Vall Companys dat lysine ongeveer [0 % – 10 %] van de kosten voor de productie van diervoeders vertegenwoordigt. De gebruiker lichtte verder toe dat de kosten van diervoeder ongeveer 65 % uitmaken van de kosten om varkens- en gevogelteproducten te produceren, zodat lysine omgerekend ongeveer [0 % — 5 %] zou vertegenwoordigen van de kosten om varkens- en gevogelteproducten te produceren. De gebruiker voerde aan dat het aandeel van de productiekosten aanzienlijk is, rekening houdend met de aard van de vleesindustrie en het feit dat varkens- en gevogelteproducten op de goederenmarkten worden verkocht met lage marges. Bijgevolg zal een stijging van de kosten van lysine een onevenredig effect hebben op de winst van vleesproducenten en/of negatieve gevolgen hebben voor de consument in de vorm van hogere prijzen van vleesproducten.

(344)

De Commissie erkende dat de antidumpingmaatregelen een effect zouden hebben op de lysineprijs. Zoals opgemerkt door Eurolysine (132) met betrekking tot het gebruik voor de productie van diervoeders, worden voedingsbestanddelen in diervoeders geselecteerd op basis van hun nutritionele bijdrage aan het diervoeder en hun prijs. Aangezien de industrie gebruikmaakt van mathematische modellen volgens het “beginsel inzake samenstelling met de laagste prijs”, wijzigt de samenstelling van diervoeders volgens de beschikbaarheid en de prijs. Een wijziging in de grondstoffen van diervoeders in de loop van de tijd heeft een effect van ongeveer 15 % op de prijsstelling van diervoeders, terwijl het effect van de lysineprijs 2 % bedraagt. Op grond daarvan is de Commissie van mening dat eventuele gevolgen van antidumpingmaatregelen op de producenten van diervoeders beperkt zullen zijn.

(345)

Het tweede punt kwam reeds aan bod in overweging 338. De Commissie merkte verder op dat, wat het risico op concurrentieverstorend gedrag op de markt van de Unie betreft, het voortbestaan van de bedrijfstak van de Unie, naast het aanbod uit het betrokken land en andere bronnen, net een waarborg en geen bedreiging vormt voor een concurrerende markt. Het argument dat maatregelen het milieubeleid van de Unie zouden ondermijnen, is reeds behandeld in overweging 340.

(346)

Vall Companys Group verzette zich ook tegen de instelling van antidumpingmaatregelen omdat zij vreesde dat dit gevolgen zou kunnen hebben voor de toegang tot de Chinese markt van in Spanje geproduceerd varkensvlees, de uitvoer waarvan zij als een belangrijke economische activiteit beschouwde. Zij kon het argument echter niet staven, dat daarom werd afgewezen.

(347)

Bij gebrek aan verdere informatie, verstrekt door de gebruikers, en op grond van het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat de instelling van antidumpingmaatregelen waarschijnlijk geen ernstige gevolgen zal hebben voor de situatie van de gebruikers.

7.4.   Conclusie inzake het belang van de Unie

(348)

Op basis van het bovenstaande is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er geen dwingende redenen zijn om te besluiten dat het niet in het belang van de Unie zou zijn om in dit stadium van het onderzoek maatregelen in te stellen ten aanzien van de invoer van lysine van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

8.   VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(349)

Gelet op de conclusies van de Commissie inzake dumping, schade, het oorzakelijk verband, het niveau van maatregelen en het belang van de Unie moeten voorlopige maatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met dumping.

(350)

De voorlopige antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van lysine van oorsprong uit de Volksrepubliek China moeten worden ingesteld in overeenstemming met de regel van het laagste recht in artikel 7, lid 2, van de basisverordening. De Commissie heeft de schademarges en de dumpingmarges vergeleken (punt 6.2). Het bedrag van de rechten werd vastgesteld op het niveau van de dumpingmarge, of van de schademarge indien deze lager is.

(351)

Gelet op het voorgaande moeten de voorlopige antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, worden vastgesteld als volgt:

Onderneming

Voorlopig antidumpingrecht (%)

Meihua Group:

Jilin Meihua Amino Acid Co., Ltd.

Xinjiang Meihua Amino Acid Co., Ltd.

Meihua Holdings Group., Ltd.

Meihua International Trading (Hong Kong) Limited

84,8

Eppen Group:

Heilongjiang Eppen Biotech Co., Ltd.

Eppen Asia Pte Ltd.

58,3

Andere meewerkende ondernemingen, opgenomen in de bijlage

71,6

Alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China

84,8

(352)

De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen dan ook de situatie die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn uitsluitend van toepassing op de invoer van het betrokken product van oorsprong uit het betrokken land en vervaardigd door de genoemde rechtspersonen. Op de invoer van het betrokken product dat is geproduceerd door andere ondernemingen die in het dispositief van deze verordening niet uitdrukkelijk worden genoemd, met inbegrip van entiteiten die aan de specifiek genoemde ondernemingen zijn verbonden, is het recht van toepassing dat voor “alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China” geldt. Die invoer mag niet worden onderworpen aan de individuele antidumpingrechten.

(353)

Om het risico op ontwijking als gevolg van het verschil in rechten zo veel mogelijk te beperken, zijn speciale maatregelen nodig om de toepassing van de individuele antidumpingrechten te garanderen. De heffing van individuele antidumpingrechten is enkel van toepassing op vertoon van een geldige handelsfactuur aan de douaneautoriteiten van de lidstaten. De factuur moet voldoen aan de in artikel 1, lid 3, van deze verordening vastgestelde vereisten. Tot een dergelijke factuur wordt overgelegd, moet de invoer worden onderworpen aan het antidumpingrecht dat van toepassing is op “alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China”.

(354)

Hoewel de douaneautoriteiten van de lidstaten over deze factuur moeten beschikken om ten aanzien van de invoer de individuele antidumpingrechten te kunnen toepassen, is overlegging van die factuur niet de enige factor waarmee de douaneautoriteiten rekening moeten houden. Zelfs als aan hen een factuur wordt overgelegd die voldoet aan alle vereisten van artikel 1, lid 3, van deze verordening, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaten namelijk hun gebruikelijke controles uitvoeren en kunnen zij, net als in alle andere gevallen, aanvullende documenten (vervoersdocumenten enz.) verlangen om de juistheid van de gegevens in de aangifte te controleren en te waarborgen dat het lagere recht vervolgens terecht wordt toegepast, in overeenstemming met de douanewetgeving.

(355)

Indien het volume van de uitvoer door een van de ondernemingen die een lager individueel recht genieten, na de instelling van de maatregelen in kwestie aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van maatregelen worden geopend. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is een individueel recht of individuele rechten in te trekken en in plaats daarvan het voor het gehele land geldende recht in te stellen.

9.   REGISTRATIE

(356)

Zoals vermeld in overweging 3, heeft de Commissie de invoer van het betrokken product aan registratie onderworpen. De registratie vond plaats om het mogelijk te maken met terugwerkende kracht rechten te innen overeenkomstig artikel 10, lid 4, van de basisverordening.

(357)

In het licht van de voorlopige bevindingen moet de registratie van de invoer worden gestaakt.

(358)

In dit stadium van de procedure is geen besluit genomen over een mogelijke retroactieve toepassing van antidumpingmaatregelen.

10.   INFORMATIE OVER VOORLOPIGE MAATREGELEN

(359)

Overeenkomstig artikel 19 bis van de basisverordening heeft de Commissie de belanghebbenden op de hoogte gebracht van de beoogde instelling van voorlopige rechten. Deze informatie is ook openbaar gemaakt op de website van DG Handel. Belanghebbenden kregen drie werkdagen de tijd om opmerkingen in te dienen over de juistheid van de berekeningen die specifiek aan hen zijn meegedeeld.

(360)

Er zijn opmerkingen ontvangen van Eppen en Meihua. Die opmerkingen hadden echter geen betrekking op de juistheid van de berekeningen, maar op de methoden die de Commissie heeft gebruikt om hun respectieve dumpingmarges vast te stellen. Die opmerkingen zullen derhalve, samen met alle andere opmerkingen, na de bekendmaking van de voorlopige maatregelen worden onderzocht.

11.   SLOTBEPALING

(361)

Met het oog op een behoorlijk bestuur zal de Commissie de belanghebbenden uitnodigen schriftelijk te reageren en/of binnen een vaste termijn een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures aan te vragen.

(362)

De bevindingen betreffende de instelling van voorlopige rechten zijn voorlopig en kunnen in het definitieve stadium van het onderzoek worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op lysine en esters daarvan, alsmede zouten van deze producten, en toevoegingsmiddelen voor diervoeding met op drogestofbasis 68 % of meer, doch niet meer dan 80 % L-lysinesulfaat en niet meer dan 32 % andere bestanddelen zoals koolhydraten en andere aminozuren, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 2309 90 31 , ex 2309 90 96 en 2922 41 00 (Taric-codes: 2309 90 31 41, 2309 90 31 49, 2309 90 96 41, 2309 90 96 49) en van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

2.   De voorlopige antidumpingrechten die van toepassing zijn op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het in lid 1 genoemde en door de hieronder vermelde ondernemingen vervaardigde product zijn als volgt:

Onderneming

Voorlopig antidumpingrecht (%)

Aanvullende Taric-code

Meihua Group:

Jilin Meihua Amino Acid Co., Ltd.

Xinjiang Meihua Amino Acid Co., Ltd.

Meihua Holdings Group., Ltd.

Meihua International Trading (Hong Kong) Limited

84,8

89IE

Eppen Group:

Heilongjiang Eppen Biotech Co., Ltd.

Eppen Asia Pte Ltd.

58,3

89IF

Andere meewerkende ondernemingen, opgenomen in de bijlage

71,6

 

Alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China

84,8

8999

3.   De individuele rechten die zijn vastgesteld voor de in lid 2 vermelde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die een verklaring bevat die is gedateerd en ondertekend door een met naam en functie geïdentificeerde medewerker van de entiteit die deze factuur heeft opgesteld, en die luidt als volgt: “Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid in ton) lysine die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in de Volksrepubliek China. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.” Totdat een dergelijke factuur wordt overgelegd, geldt het recht dat van toepassing is op alle overige invoer van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

4.   Bij het in de Unie in het vrije verkeer brengen van het in lid 1 genoemde product wordt een zekerheid gesteld die gelijk is aan het bedrag van het voorlopige recht.

5.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

1.   Belanghebbenden moeten hun schriftelijke opmerkingen inzake deze verordening binnen 15 kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening bij de Commissie indienen.

2.   Belanghebbenden die om een hoorzitting bij de Commissie willen verzoeken, moeten dit binnen vijf kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening doen.

3.   Belanghebbenden die willen worden gehoord door de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures, kunnen binnen vijf kalenderdagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening hiertoe een verzoek indienen. De raadadviseur-auditeur kan buiten deze termijn ingediende verzoeken beoordelen en kan in voorkomend geval besluiten die verzoeken te aanvaarden.

Artikel 3

1.   De douaneautoriteiten wordt opgedragen de bij artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2732 van de Commissie van 24 oktober 2024 ingestelde registratie van de invoer te beëindigen.

2.   Gegevens die zijn verzameld met betrekking tot producten die ten hoogste 90 dagen vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening voor invoer ten verbruik in de EU zijn aangegeven, moeten worden bewaard tot eventuele definitieve maatregelen in werking treden of tot deze procedure is beëindigd.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 1 is gedurende een periode van zes maanden van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 januari 2025.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/1036/oj.

(2)  Bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van lysine van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB C, C/2024/3265, 23.5.2024, ELI: EUR-Lex - 52024XC03265 - NL - EUR-Lex).

(3)  Metex Noovistago is overgenomen door Group Avril en op 16 juli 2024 is de naam van de onderneming gewijzigd in Eurolysine.

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2732 van de Commissie van 24 oktober 2024 tot onderwerping van de invoer van lysine van oorsprong uit de Volksrepubliek China aan registratie (ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/2732/oj).

(5)  t24.009771, t24.009918.

(6)  TRON-referentienummer: t24.006315.

(7)  Werkdocument van de diensten van de Commissie, “ Significant Distortions in the Economy of the People’s Republic of China for the purposes of Trade Defence Investigations ”, 20 december 2017, SWD(2017) 483 final/2.

(8)  Er wordt ook verwezen naar de bijgewerkte versie van het rapport, die in 2024 werd gepubliceerd (zie verder).

(9)   Uitvoeringsverordening (EU) 2023/752 van de Commissie van 12 april 2023 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op natriumgluconaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/752/oj).

(10)   Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1336 van de Commissie van 25 september 2020 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde soorten polyvinylalcohol van oorsprong uit de Volksrepubliek China (ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2020/1336/oj).

(11)   Uitvoeringsverordening (EU) 2021/441 van de Commissie van 11 maart 2021 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op sulfanilzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/441/oj).

(12)   Uitvoeringsverordening (EU) 2021/607 van de Commissie van 14 april 2021 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op citroenzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot uit Maleisië verzonden citroenzuur, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/607/oj).

(13)   Uitvoeringsverordening (EU) 2021/633 van de Commissie van 14 april 2021 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op mononatriumglutamaat van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Indonesië naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2021/633/oj).

(14)  Rapport, blz. 26.

(15)  Zie: http://www.cnchemicals.com/Press/91652-Star%20Lake%20Bioscience%20to%20acquire%20Eppen%20Biotechs%2099.22%20percent%20equity.html; hier bijlage 11 (geraadpleegd op 21 oktober 2024).

(16)  Zie: https://thehill.com/policy/defense/3662967-lawmakers-raise-concerns-about-chinese-based-firms-acquisition-of-land-near-us-military-installation/; hier bijlage 12 (geraadpleegd op 21 oktober 2024).

(17)  Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2021/633, overweging 62.

(18)  Zie: http://en.yufengholding.cn/news/11.html en http://en.yufengholding.cn/product/14/#c_portalResProduct_list-16062041548822158-2; hier bijlage 14 (geraadpleegd op 21 oktober 2024).

(19)  Zie Uitvoeringsverordening 2023/752, overwegingen 51 en 52.

(20)  Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2021/633, overweging 76.

(21)  Ibid., overweging 77.

(22)  Ibid., overweging 78.

(23)  Rapport, blz. 69.

(24)  Rapport, blz. 223.

(25)  Zie Uitvoeringsverordening (EU) 2023/752, overweging 65.

(26)  Werkdocument van de diensten van de Commissie, “ Significant Distortions in the Economy of the People’s Republic of China for the purposes of Trade Defence Investigations ”, 10 april 2024, SWD(2024) 91 final.

(27)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 2, blz. 7.

(28)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 2, blz. 7 en 8.

(29)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 2, blz. 10 en 18.

(30)  Zie: http://www.npc.gov.cn/zgrdw/englishnpc/Constitution/node_2825.html (geraadpleegd op 21 oktober 2024).

(31)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 2, blz. 29 en 30.

(32)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 4, blz. 57 en 92.

(33)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 6, blz. 149 en 150.

(34)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 6, blz. 153 tot en met 171.

(35)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 7, blz. 204 en 205.

(36)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 8, blz. 207, 208, 242 en 243.

(37)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 2, blz. 19 tot en met 24, hoofdstuk 4, blz. 69, 99 en 100, hoofdstuk 5, blz. 130 en 131.

(38)  Zie: http://www.meihuagrp.com/ (geraadpleegd op 17 oktober 2024).

(39)  Zie: http://en.yufengholding.cn/Company.html (geraadpleegd op 17 oktober 2024).

(40)  Zie: http://www.fufeng-group.com/ (geraadpleegd op 17 oktober 2024).

(41)  Zie: http://www.wanlilida.com/wap.php/About/about/type/1.html (geraadpleegd op 17 oktober 2024).

(42)  Zie artikel 33 van de statuten van de CCP, artikel 19 van de Chinese vennootschapswet. Zie geactualiseerd rapport, hoofdstuk 3, blz. 47 tot en met 50.

(43)  Zie: http://www.moa.gov.cn/gk/cwgk_1/nybt/202206/t20220610_6402146.htm, punt 20 (geraadpleegd op 21 oktober 2024).

(44)  Zie https://www.gov.cn/zhengce/content/2022-02/11/content_5673082.htm, deel II.6, vak 2 (geraadpleegd op 21 oktober 2024).

(45)  Zie deel IV.10 van het plan, beschikbaar op: https://www.ndrc.gov.cn/xxgk/zcfb/ghwb/202205/t20220510_1324436.html (geraadpleegd op 17 oktober 2024).

(46)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 2, blz. 24 en 27.

(47)  Zie: http://m.cfia.org.cn/site/term/5.html (geraadpleegd op 17 oktober 2024).

(48)  Zie: http://m.cfia.org.cn/#menu (geraadpleegd op 17 oktober 2024).

(49)  Zie: http://m.cfia.org.cn/site/content/2092.html (geraadpleegd op 17 oktober 2024).

(50)  Zie: http://m.cfia.org.cn/site/term/3.html (geraadpleegd op 17 oktober 2024).

(51)  Zie: https://www.siacn.org.cn/dl/pjn-252Bx-.html (geraadpleegd op 17 oktober 2024).

(52)  Zie: https://www.siacn.org.cn/dl/IOa-252B22.html (geraadpleegd op 17 oktober 2024).

(53)  Zie voor Dongxiao Biotechnology Co., Ltd.: https://siacn.org.cn/hys/C04ke8i8V6FKwm58AiHI8kZLWAqQfQJGMbT7hpaoMfyhfo=.html (geraadpleegd op 21 oktober 2024). Zie voor Dongxiao Biotechnology Co., Ltd.: https://siacn.org.cn/hys/iRjtptfyhfnlZnu6t27hPXu7asXt46rxUsrzpUWSRfyhfRrLA=.html (geraadpleegd op 21 oktober 2024). Zie voor Zhejiang Huakang Pharmaceutical Co., Ltd.: https://siacn.org.cn/hys/SWj57c6UUhw8Rgkzb+016qfKa9gWhP3BQaNR0qBW3Tw=.html (geraadpleegd op 21 oktober 2024).

(54)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 3, blz. 40.

(55)  Zie bijvoorbeeld: Blanchette, J., “Xi’s Gamble: The Race to Consolidate Power and Stave off Disaster” ; Foreign Affairs, deel 100, nummer 4, juli/augustus 2021, blz. 10 tot en met 19.

(56)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 3, blz. 41.

(57)  Zie: https://merics.org/en/comment/who-ccp-chinas-communist-party-infographics (geraadpleegd op 18 oktober 2024).

(58)  Richtsnoeren van het Algemeen Bureau van het Centraal Comité van de CCP om in het nieuwe tijdperk de activiteiten van het Eenheidsfront in de particuliere sector op te voeren, zie: www.gov.cn/zhengce/2020-09/15/content_5543685.htm (geraadpleegd op 21 oktober 2024).

(59)  Financial Times (2020), “ Chinese Communist Party asserts greater control over private enterprise ”(Chinese Communistische Partij vergroot controle over particuliere ondernemingen), zie: https://on.ft.com/3mYxP4j (geraadpleegd op 21 oktober 2024).

(60)  Zie: http://www.meihuagrp.com/index.php/article/1501.html (geraadpleegd op 18 oktober 2024).

(61)  Zie: http://www.yufengholding.cn/intro/2.html (geraadpleegd op 18 oktober 2024).

(62)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 14, punten 14.1 tot en met 14.3.

(63)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 4, blz. 56, 57, 99 en 100.

(64)  Zie: http://www.moa.gov.cn/gk/cwgk_1/nybt/202206/t20220610_6402146.htm, punten 6 en 15 (geraadpleegd op 18 oktober 2024).

(65)  Zie: https://www.gov.cn/zhengce/content/2022-02/11/content_5673082.htm (geraadpleegd op 18 oktober 2024).

(66)  Ibid., afdeling II.1.

(67)  Zie: http://www.moa.gov.cn/govpublic/ZZYGLS/202201/t20220113_6386808.htm (geraadpleegd op 18 oktober 2024).

(68)  Ibid., afdeling III.1.3.

(69)  Zie: https://www.siacn.org.cn/ds/220877802e.html (geraadpleegd op 18 oktober 2024).

(70)  Ibid., afdeling I.1.2.

(71)  Zie afdeling III.6 van het plan.

(72)  Zie: http://lvsefazhan.cn/index.php/guozijianguan/408.html (geraadpleegd op 21 oktober 2024).

(73)  Ibid., afdeling IV.3.

(74)  Zie: https://www.sohu.com/a/756699103_121769698 (geraadpleegd op 18 oktober 2024).

(75)  Zie: http://jilin.chinatax.gov.cn/art/2023/11/6/art_334_710476.html (geraadpleegd op 18 oktober 2024).

(76)  Ibid.

(77)  Zie: http://www.jlbc.gov.cn/xxgk_3148/ywdt/202409/t20240927_999796.html (geraadpleegd op 18 oktober 2024).

(78)  Zie: https://www.suihua.gov.cn/sh/szf/202309/c12_78183.shtml (geraadpleegd op 18 oktober 2024).

(79)  Zie: https://pdf.dfcfw.com/pdf/H3_AP202312291615475016_1.pdf (geraadpleegd op 21 oktober 2024).

(80)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 6, blz. 171 tot en met 179.

(81)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 9, blz. 260 en 261.

(82)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 9, blz. 257 tot en met 260.

(83)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 9, blz. 252 tot en met 254.

(84)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 13, blz. 360, 361, 364 tot en met 370.

(85)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 13, blz. 366.

(86)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 13, blz. 370 tot en met 373.

(87)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 6, blz. 137 tot en met 140.

(88)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 6, blz. 146 tot en met 149.

(89)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 6, blz. 149.

(90)  Zie het Three-year action plan for improving corporate governance of the banking and insurance sectors (2020-2022)” (Driejarig actieplan ter verbetering van de corporate governance in de bank- en verzekeringssectoren (2020-2022)), gepubliceerd door de China Banking and Insurance Regulatory Commission (“CBIRC”) op 28 augustus 2020; te raadplegen via: http://www.cbirc.gov.cn/cn/view/pages/ItemDetail.html?docId=925393&itemId=928 (geraadpleegd op 21 oktober 2024). In het plan wordt opgedragen “verder te handelen in de geest van de keynotespeech van secretaris-generaal Xi Jinping over de te boeken vooruitgang bij de hervorming van de corporate governance in de financiële sector”. Bovendien is afdeling II van het plan gericht op het bevorderen van de organische integratie van de leidinggevende rol van de partij in corporate governance: “Wij laten de integratie van de leidinggevende rol van de Partij in het ondernemingsbestuur systematischer, gestandaardiseerder en meer op basis van procedures verlopen […] Belangrijke operationele en managementkwesties moeten door het partijcomité zijn besproken voordat de raad van bestuur of de directie hierover een besluit neemt”.

(91)  Zie de Mededeling van de CBIRC over de methode voor de beoordeling van de prestaties van handelsbanken, gepubliceerd door de CBIRC op 15 december 2020, beschikbaar op: http://jrs.mof.gov.cn/gongzuotongzhi/202101/t20210104_3638904.htm (geraadpleegd op 21 oktober 2024).

(92)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 6, blz. 157 en 158.

(93)  Geactualiseerd rapport, hoofdstuk 6, blz. 150 tot en met 152, 156 tot en met 160, 165 tot en met 171.

(94)  OESO (2019), OECD Economic Surveys: China 2019, OECD Publishing, Parijs, blz. 29, zie:

https://doi.org/10.1787/eco_surveys-chn-2019-en (geraadpleegd op 21 oktober 2024).

(95)  Zie: http://www.gov.cn/xinwen/2020-04/20/content_5504241.htm (geraadpleegd op 21 oktober 2024).

(96)  WT/DS473/AB/R — Europese Unie — Antidumpingmaatregelen ten aanzien van biodiesel uit Argentinië — AB-2016-4 — Verslag van de Beroepsinstantie, punt 6.198.

(97)  Arrest van 11 juli 2017, Viraj Profiles/Raad, T-67/14, EU:T:2017:481, punt 98.

(98)  World Bank Open Data — Upper Middle Income, https://data.worldbank.org/income-level/upper-middle-income.

(99)   “Birla Carbon is een van de grootste producenten en leveranciers van hoogwaardige additieven van zwarte koolstof ter wereld, en een vlaggenschipbedrijf van de Aditya Birla Group, die een waarde heeft van 60 miljard USD... Wij bieden een alomvattende productportefeuille in alle kwaliteiten van ASTM en speciale koolstoffen om te voldoen aan de vereisten voor specifieke toepassingen in rubber-, plastic-, coatings-, inkt- en nichesectoren wereldwijd.” https://www.birlacarbon.com/about/.

(100)  QGP Quimica produceert chemische producten en biedt deze aan de leder-, landbouw- en bouwsectoren aan.

(101)  Development of Amino Acid Crystallization Processes: l-Glutamic Acid Benny Harjo, Ka Ming Ng en Christianto Wibowo Industrial & Engineering Chemistry Research 2007 46 (9), 2814-2822 DOI: 10.1021/ie061148f.

(102)  Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 33, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/755/oj). Volgens artikel 2, lid 7, van de basisverordening kunnen de binnenlandse prijzen in die landen niet worden gebruikt voor de vaststelling van de normale waarde.

(103)  Global Trade Atlas, beschikbaar op https://connect.ihsmarkit.com/gta/home.

(104)  Zie https://www.enel.com.co/es/personas/tarifas-energia-enel-distribucion.html. Voor elke maand worden de prijzen gerapporteerd voor Tarifas de energia electrica ($/kWh)/Sector no residencial/Nivel 3/Industrial con contribucion/Doble horario (dag en nacht).

(105)  US Department of Energy: Benchmark the Fuel Cost of Steam Generation, Energy Tips: STEAM, Steam Tip Sheet #15 (Fact Sheet), Advanced Manufacturing Office (AMO), Energy Efficiency & Renewable Energy (EERE).

(106)   https://www.ilo.org/shinyapps/bulkexplorer51/?lang=en&segment=indicator&id=EAR_XEES_SEX_ECO_NB_Q.

(107)  Prijs gecorrigeerd om rekening te houden met het surplus voor mais zonder ggo’s.

(108)   https://www.enel.com.co/es/personas/tarifas-energia-enel-distribucion.html. /.

(109)   https://www.globalpetrolprices.com/natural_gas_prices/prices.com/natural_gas_prices/.

(110)   https://www.globalpetrolprices.com/natural_gas_prices/prices.com/natural_gas_prices/.

(111)   https://www.acueducto.com.co.

(*1)  Pro rata: Zie overweging 188.

(112)  Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 33). Volgens artikel 2, lid 7, van de basisverordening kunnen de binnenlandse prijzen in die landen niet worden gebruikt voor de vaststelling van de normale waarde.

(113)   ILOSTAT Data Explorer Gemiddeld nominaal maandinkomen van werknemers naar geslacht en economische activiteit — Sector Industrie.

(114)   https://www.dlapiperintelligence.com/goingglobal/tax/index.html?t=19-employment-taxes.

(115)   https://taxsummaries.pwc.com/colombia/individual/other-taxes;https://actualicese.com/cuanto-le-cuesta-a-un-empleador-la-contratacion-de-un-trabajador-que-devengue-un-salario-minimo/.

(116)  Zie de gegevensreeks “gemiddelde daadwerkelijk gepresteerde uren per week per werknemer naar geslacht en economische activiteit — ISIC-niveau 2 — jaarbasis”, https://rshiny.ilo.org/dataexplorer54/?lang=en&segment=indicator&id=EAP_2WAP_SEX_AGE_RT_A.

(117)  Zie https://www.enel.com.co/es/personas/tarifas-energia-enel-distribucion.html. Voor elke maand worden de prijzen gerapporteerd voor Tarifas de energia electrica ($/kWh)/Sector no residencial/Nivel 2/Industrial sin contribucion/Doble horario (dag en nacht).

(118)   https://www.enel.com.co/content/dam/enel-co/espa%C3%B1ol/2-1-6-normas-tecnicas/otros-documentos/NIVELES%20DE%20TENSI%C3%93N.pdf

NIVELES DE TENSIÓN DE CONEXIÓN PARA CARGAS DE CLIENTES.

(119)   https://www.globalpetrolprices.com/natural_gas_prices/.

(120)   Benchmark the Fuel Cost of Steam Generation (de brandstofkosten van stoomopwekking benchmarken). Beschikbaar op https://www.energy.gov/eere/amo/articles/benchmark-fuel-cost-steam-generation (laatst geraadpleegd op 19 november 2024).

(121)   https://www.acueducto.com.co.

(122)  Supersociedades is een officieel orgaan dat verbonden is aan het Colombiaanse ministerie van Handel, Industrie en Toerisme, zoals vermeld op https://www.supersociedades.gov.co/web/nuestra-entidad.

(123)  Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1336 van de Commissie van 25 september 2020 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op bepaalde soorten polyvinylalcohol van oorsprong uit de Volksrepubliek China, overweging 352 (ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2020/1336/oj).

(124)  Arrest van 21 februari 2024, Sinopec Chongqing SVW Chemical e.a./Commissie, T-762/20, EU:T:2024:113, punten 126 tot en met 139.

(125)  Arrest van het Gerecht van 2 oktober 2024, CCCME e.a./Commissie, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663.

(126)  Arrest van het Gerecht van 2 oktober 2024, CCCME e.a./Commissie, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663, punt 183.

(127)  Arrest van het Gerecht van 2 oktober 2024, CCCME e.a./Commissie, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663, punt 185.

(128)  Arrest van het Gerecht van 2 oktober 2024, CCCME e.a./Commissie, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663, punt 188.

(129)  Arrest van het Gerecht van 2 oktober 2024, CCCME e.a./Commissie, T-263/22, ECLI:EU:T:2024:663, punt 184.

(130)  De daling van het verbruik in de Unie blijkt uit de Eurostat-gegevens (tabellen 2 en 3) en de gecontroleerde gegevens die door de producent in de Unie zijn verstrekt.

(131)  Lysinesulfaat wordt uitsluitend in de VRC en in Indonesië geproduceerd.

(132)  TRON-referentienummer: t24.010168.


BIJLAGE

NIET IN DE STEEKPROEF OPGENOMEN MEEWERKENDE PRODUCENTEN-EXPORTEURS IN DE VOLKSREPUBLIEK CHINA

Naam

Aanvullende Taric-code

Anhui BBCA Biochemical Co., Ltd.

 

CJ (Liaocheng) Biotech Co., Ltd.

 

Dongxiao Biotechnology Co., Ltd.

 

Qiqihar Longjiang Fufeng Biotechnology Co., Ltd.

 


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/74/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)


Top