EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32024L1760

Richtlijn (EU) 2024/1760 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 en Verordening (EU) 2023/2859Voor de EER relevante tekst.

PE/9/2024/REV/1

PB L, 2024/1760, 5.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1760/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document Date of entry into force unknown (pending notification) or not yet in force., Date of effect: 25/07/2024

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1760/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2024/1760

5.7.2024

RICHTLIJN (EU) 2024/1760 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 juni 2024

inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 en Verordening (EU) 2023/2859

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 50, leden 1 en 2, punt g), en artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Als beschreven in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) zijn de waarden waarop de Unie berust eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten als opgenomen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”). Deze kernwaarden, die de inspiratie vormden voor de oprichting van de Unie, alsook de universaliteit en ondeelbaarheid van mensenrechten en eerbiediging van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties (VN) en het internationaal recht, moeten als leidraad dienen voor de handelingen van de Unie op internationaal niveau. Dergelijke handelingen omvatten het stimuleren van de duurzame economische, sociale en ecologische ontwikkeling van ontwikkelingslanden.

(2)

In overeenstemming met artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) behoren een hoge mate van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en bevordering van de Europese kernwaarden tot de prioriteiten van de Unie, zoals beschreven in de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over de Europese Green Deal. Deze doelstellingen vereisen de betrokkenheid van overheidsinstanties, maar ook van particuliere actoren, met name ondernemingen.

(3)

In haar mededeling van 14 januari 2020 over een sterk sociaal Europa voor rechtvaardige transitie heeft de Commissie zich ertoe verbonden de socialemarkteconomie van Europa naar een hoger niveau te tillen om te komen tot een rechtvaardige overgang naar duurzaamheid, waarbij ervoor wordt gezorgd dat er niemand achterblijft. Deze richtlijn zal ook bijdragen aan de Europese pijler van sociale rechten, waarin de rechten die eerlijke arbeidsomstandigheden waarborgen, worden bevorderd. Zij maakt deel uit van de beleidsmaatregelen en strategieën van de Unie met betrekking tot de bevordering van fatsoenlijk werk wereldwijd, ook in mondiale waardeketens, zoals vermeld in de mededeling van de Commissie van 23 februari 2022 over fatsoenlijk werk wereldwijd.

(4)

Het gedrag van ondernemingen in alle sectoren van de economie is van doorslaggevend belang voor succes bij het realiseren van de duurzaamheidsdoelstellingen van de Unie, aangezien ondernemingen in de Unie, en vooral grote ondernemingen, afhankelijk zijn van mondiale waardeketens. Ook ondernemingen hebben er belang bij mensenrechten en het milieu te beschermen, met name gezien de toenemende bezorgdheid van consumenten en beleggers over deze kwesties. Er bestaan al verschillende initiatieven ter bevordering van ondernemingen die een waardegerichte transformatie ondersteunen, zowel op het niveau van de Unie als op nationaal niveau.

(5)

In bestaande internationale normen over verantwoord ondernemen wordt gespecificeerd dat ondernemingen de mensenrechten moeten beschermen en wordt vermeld hoe zij de bescherming van het milieu in hun activiteiten en waardeketens moeten aanpakken. In de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en de mensenrechten van de VN (de leidende beginselen van de VN) wordt erop gewezen dat ondernemingen de plicht hebben passende zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten toe te passen door de negatieve effecten van hun activiteiten op de mensenrechten vast te stellen, te voorkomen en te verlichten, en door te verantwoorden hoe zij die effecten aanpakken. In de leidende beginselen van de VN wordt vermeld dat bedrijven mensenrechtenschendingen moeten voorkomen en negatieve effecten op de mensenrechten die zij hebben veroorzaakt, waartoe zij hebben bijgedragen of die verband houden met hun eigen activiteiten, de activiteiten van hun dochterondernemingen en hun directe en indirecte zakelijke relaties, moeten aanpakken.

(6)

Het concept van passende zorgvuldigheid (due diligence) op het gebied van mensenrechten is gespecificeerd en verder ontwikkeld in de richtsnoeren voor multinationale ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) (de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen), waarbij de toepassing van passende zorgvuldigheid werd uitgebreid naar milieu- en governancekwesties. De OESO-richtsnoeren over passende zorgvuldigheid en verantwoord ondernemen (richtsnoeren over verantwoord ondernemen) en de sectorspecifieke richtsnoeren zijn internationaal erkende kaders waarin praktische stappen inzake passende zorgvuldigheid worden vastgelegd om ondernemingen te helpen feitelijke en potentiële effecten vast te stellen, te voorkomen en te verlichten, en te verantwoorden hoe zij feitelijke en potentiële effecten in hun activiteiten, toeleveringsketens en andere zakelijke relaties aanpakken. Het concept van passende zorgvuldigheid is ook opgenomen in de aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), “Tripartite Declaration of Principles concerning Multinational Enterprises and Social Policy” (tripartiete beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid).

(7)

Alle bedrijven hebben de plicht de mensenrechten, die universeel, ondeelbaar, onderling afhankelijk en onderling verbonden zijn, te eerbiedigen.

(8)

De duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN, die in 2015 zijn vastgesteld door alle lidstaten van de VN, bevatten de doelstellingen om permanente, inclusieve en duurzame economische groei te bevorderen. De Unie heeft zich ten doel gesteld de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN te behalen. De particuliere sector draagt bij aan dit streven.

(9)

Mondiale waardeketens, met name waardeketens voor kritieke grondstoffen, worden beïnvloed door schadelijke effecten van natuurlijke of door de mens veroorzaakte risico’s. Schokken die risico’s voor kritieke waardeketens inhouden, zullen in de toekomst waarschijnlijk steeds vaker en harder voorkomen. De privésector kan een belangrijke rol spelen bij het bevorderen van permanente, inclusieve en duurzame economische groei en tegelijkertijd voorkomen dat er op de interne markt onevenwichtigheden ontstaan. Dit toont aan hoe belangrijk het is ondernemingen beter bestand te maken tegen ongunstige scenario’s met betrekking tot hun waardeketens, rekening houdend met externe factoren en sociale, milieu- en governancerisico’s.

(10)

In internationale overeenkomsten in het kader van het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering, waar de Unie en haar lidstaten partij bij zijn, zoals de Overeenkomst van Parijs in het kader van het Raamverdrag van de VN inzake klimaatverandering, dat is aangenomen op 12 december 2015 (de “Overeenkomst van Parijs”) (3), en het recente klimaatpact van Glasgow, worden precieze trajecten beschreven om de klimaatverandering aan te pakken en de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 oC. Er worden niet alleen specifieke maatregelen verwacht van alle partijen die de overeenkomsten hebben ondertekend; ook de rol van de particuliere sector, met name de beleggingsstrategieën ervan, wordt als cruciaal beschouwd om deze doelstellingen te behalen.

(11)

Door middel van Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (4) heeft de Unie zich er ook wettelijk toe verbonden uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken en uiterlijk in 2030 de emissies met ten minste 55 % te verminderen. Beide verbintenissen vereisen een verandering van de wijze waarop ondernemingen produceren en aankopen. Het werkdocument van de diensten van de Commissie bij de mededeling van de Commissie van 17 september 2020 getiteld “Een ambitieuzere klimaatdoelstelling voor Europa voor 2030: investeren in een klimaatneutrale toekomst voor ons allemaal” (het klimaatdoelstellingsplan voor 2030) bevat modellen van diverse emissiereducties die worden vereist van verschillende economische sectoren, hoewel in alle scenario’s alle sectoren aanzienlijke reducties moeten doorvoeren opdat de Unie haar klimaatdoelstellingen kan behalen. In het plan wordt ook benadrukt dat “veranderingen in de regels en praktijken op het gebied van corporate governance, onder meer op het gebied van duurzame financiering, eigenaars en managers van ondernemingen ertoe [zullen] aanzetten om bij hun acties en strategieën prioriteit te geven aan duurzaamheidsdoelstellingen”. In de mededeling van de Commissie over de Europese Green Deal wordt vermeld dat alle acties en beleidsmaatregelen van de Unie op één doel moeten worden gericht: de Unie helpen om een succesvolle en rechtvaardige transitie naar een duurzame toekomst tot stand te brengen. Er wordt ook vermeld dat duurzaamheid verder moet worden geïntegreerd in het kader van corporate governance. Het kader voor Uniemaatregelen op het gebied van milieu en klimaat als vastgelegd in besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad (5) heeft als doel de groene transitie naar een klimaatneutrale, duurzame, gifvrije, hulpbronnenefficiënte, op hernieuwbare energiebronnen gebaseerde, veerkrachtige en concurrerende circulaire economie te versnellen, op een rechtvaardige, billijke en inclusieve manier, en om de toestand van het milieu te beschermen, te herstellen en te verbeteren door onder meer biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen en om te keren.

(12)

Volgens de mededeling van de Commissie van 24 februari 2021 getiteld “Een klimaatveerkrachtig Europa tot stand brengen”, waarin de nieuwe EU-strategie voor aanpassing aan de klimaatverandering wordt gepresenteerd, moeten nieuwe investerings- en beleidsbeslissingen klimaatgeïnformeerd en toekomstbestendig zijn, ook voor grotere bedrijven die waardeketens beheren. Deze richtlijn moet stroken met die strategie. Er moet eveneens verenigbaarheid zijn met Richtlijn (EU) 2024/1619 van het Europees Parlement en de Raad (6) waarin duidelijke vereisten worden vastgelegd voor de governanceregels van banken, met inbegrip van kennis over sociale, milieu- en governancerisico’s op het niveau van de raad van bestuur.

(13)

De mededeling van de Commissie van 11 maart 2020 getiteld “Een nieuw actieplan voor een circulaire economie — Voor een schoner en concurrerender Europa” (actieplan voor de circulaire economie), de mededeling van de Commissie van 20 maart 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030: de natuur terug in ons leven brengen” (biodiversiteitsstrategie), de mededeling van de Commissie van 20 maart 2020 over een “van boer tot bord”-strategie voor een eerlijk, gezond en milieuvriendelijk voedselsysteem (“van boer tot bord”-strategie), de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2020 getiteld “Strategie voor duurzame chemische stoffen: op weg naar een gifvrij milieu” (strategie voor duurzame chemische stoffen), de mededeling van de Commissie van 12 mei 2021 getiteld “EU-actieplan: verontreiniging van lucht, water en bodem naar nul”, de mededeling van de Commissie van 5 mei 2021 getiteld “Actualisering van de nieuwe industriestrategie van 2020: een sterkere eengemaakte markt tot stand brengen voor het herstel van Europa”, de benadering van de Commissie genaamd Industrie 5.0, de mededeling van de Commissie van 4 maart 2021 over het actieplan voor de Europese pijler van sociale rechten en de mededeling van de Commissie van 18 februari 2021 getiteld “Evaluatie van het handelsbeleid: een open, duurzaam en assertief handelsbeleid” bevatten initiatieven inzake duurzame corporate governance. De vereisten inzake passende zorgvuldigheid uit hoofde van deze richtlijn moeten bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het EU-actieplan om alle verontreiniging van lucht, water en bodem naar nul terug te dringen, te weten de totstandkoming van een gifvrij milieu en de gezondheid en het welzijn van de mensen, dieren en ecosystemen beschermen tegen milieugebonden risico’s en negatieve effecten.

(14)

Deze richtlijn strookt met de gezamenlijke mededeling van de Commissie over het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2020-2024. In dit actieplan wordt prioriteit gegeven aan het versterken van de verbintenis van de Unie om de wereldwijde uitvoering van de leidende beginselen van de VN en andere toepasselijke internationale richtsnoeren te stimuleren, zoals de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, onder meer door toepasselijke normen voor passende zorgvuldigheid te bevorderen.

(15)

In zijn resolutie van 10 maart 2021, die aanbevelingen aan de Commissie bevat over passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven en aansprakelijkheid van ondernemingen, roept het Europees Parlement de Commissie op om Unieregels voor te stellen voor omvangrijke verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven, met gevolgen zoals wettelijke aansprakelijkheid voor ondernemingen die afzonderlijk of gezamenlijk schade veroorzaken doordat zij geen passende zorgvuldigheid betrachten. In de conclusies van de Raad van 1 december 2020 over mensenrechten en fatsoenlijk werk in mondiale toeleveringsketens werd de Commissie opgeroepen een voorstel voor een rechtskader op Unieniveau op te stellen over duurzame corporate governance, met inbegrip van sectoroverschrijdende verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid voor het bedrijfsleven in mondiale toeleveringsketens. Het Europees Parlement roept in zijn initiatiefverslag van 2 december 2020 over duurzame corporate governance ook op tot een verduidelijking van de plichten van bestuurders. In hun gezamenlijke verklaring van 21 december 2021 over EU-wetgevingsprioriteiten voor 2022 hebben het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie zich ertoe verbonden om werk te maken van een economie die werkt voor de mensen en om het regelgevingskader inzake duurzame corporate governance te verbeteren.

(16)

Het doel van deze richtlijn is ervoor te zorgen dat ondernemingen die actief zijn op de interne markt, bijdragen aan duurzame ontwikkeling en de overgang naar duurzaamheid van economieën en samenlevingen door feitelijke of potentiële negatieve effecten op de mensenrechten en het milieu in verband met de eigen activiteiten van ondernemingen, de activiteiten van hun dochterondernemingen en hun zakenpartners in de activiteitenketens van de ondernemingen vast te stellen en, waar nodig, te prioriteren, te voorkomen, te verlichten, te beëindigen, tot een minimum te beperken en te herstellen, en ervoor te zorgen dat degenen die worden getroffen door het verzaken aan die plicht toegang hebben tot de rechter en rechtsmiddelen. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de plicht van de lidstaten om de mensenrechten en het milieu op grond van het internationaal recht te eerbiedigen en te beschermen.

(17)

Deze richtlijn laat de verplichtingen op het gebied van mensen-, arbeids- en sociale rechten, milieubescherming en klimaatverandering krachtens andere wetgevingshandelingen van de Unie onverlet. Indien de bepalingen van deze richtlijn in strijd zijn met bepalingen van een andere wetgevingshandeling van de Unie waarin dezelfde doelstellingen worden nagestreefd en wordt voorzien in uitgebreidere of specifiekere verplichtingen, moeten de bepalingen van de andere wetgevingshandeling van de Unie voorrang hebben wat deze tegenstrijdigheid betreft en moeten zij van toepassing zijn op die specifieke verplichtingen. Voorbeelden van dergelijke verplichtingen in wetgevingshandelingen van de Unie zijn de verplichtingen in Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad (7), Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad (8) en Verordening (EU) 2023/1115 van het Europees Parlement en de Raad (9).

(18)

Deze richtlijn is niet van toepassing op pensioeninstellingen die uit hoofde van het Unierecht socialezekerheidsstelsels beheren. Indien een lidstaat ervoor heeft gekozen Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad (10) geheel of gedeeltelijk niet toe te passen op een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening overeenkomstig artikel 5 van die richtlijn, dan is onderhavige richtlijn niet van toepassing op die instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening.

(19)

Ondernemingen moeten passende stappen ondernemen om maatregelen inzake passende zorgvuldigheid op te stellen en uit te voeren, met betrekking tot hun eigen activiteiten, die van hun dochterondernemingen, alsook die van hun directe en indirecte zakenpartners in hun activiteitenketens, overeenkomstig deze richtlijn. Deze richtlijn mag van ondernemingen niet vereisen dat zij in alle omstandigheden waarborgen dat negatieve effecten nooit zullen voorkomen of dat zij zullen worden beëindigd. Bijvoorbeeld met betrekking tot zakenpartners waar de negatieve effecten voortvloeien uit overheidsmaatregelen, kan het zijn dat de onderneming niet in staat is om dergelijke resultaten te behalen. Daarom moeten de belangrijkste verplichtingen in deze richtlijn middelenverbintenissen zijn. De onderneming moet passende maatregelen nemen waarmee de doelstellingen van passende zorgvuldigheid kunnen worden verwezenlijkt door negatieve effecten doeltreffend aan te pakken, op een wijze die in verhouding staat tot de ernst en de waarschijnlijkheid van de negatieve effecten. Er moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het specifieke geval, de aard en de omvang van het negatieve effect en de relevante risicofactoren, waaronder het voorkomen en beperken van negatieve effecten, de specifieke kenmerken van de zakelijke activiteiten en de activiteitenketen van de onderneming, de sector of het geografische gebied waarin haar zakenpartners actief zijn, de bevoegdheid van de onderneming om haar directe en indirecte zakenpartners te beïnvloeden en het feit of de onderneming haar invloed zou kunnen vergroten.

(20)

Het in deze richtlijn beschreven proces van passende zorgvuldigheid moet de zes stappen omvatten die zijn gedefinieerd in de richtsnoeren over verantwoord ondernemen die maatregelen inzake passende zorgvuldigheid voor ondernemingen omvatten om negatieve effecten op de mensenrechten en het milieu vast te stellen en aan te pakken. Het betreft de volgende stappen: 1) integratie van passende zorgvuldigheid in beleidsmaatregelen en managementsystemen; 2) vaststelling en beoordeling van negatieve effecten op de mensenrechten en het milieu; 3) preventie, beëindiging of minimalisering van feitelijke en potentiële negatieve effecten op de mensenrechten en van negatieve milieueffecten; 4) monitoring en beoordeling van de doeltreffendheid van maatregelen; 5) communicatie, en 6) verstrekking van herstel.

(21)

Om voor ondernemingen passende zorgvuldigheid doeltreffender te maken en de lasten te verminderen, moeten zij het recht hebben om middelen en informatie te delen binnen hun respectieve groep ondernemingen en met andere juridische entiteiten. Het moet moederondernemingen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, worden toegestaan om ook namens hun dochterondernemingen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, aan bepaalde verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid te voldoen, als dat zorgt voor daadwerkelijke naleving. Dit mag geen afbreuk doen aan het feit dat de dochterondernemingen worden onderworpen aan de uitoefening van de bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten en gebonden zijn aan hun wettelijke aansprakelijkheid uit hoofde van deze richtlijn. Indien de moederonderneming namens een dochteronderneming voldoet aan de verplichtingen met betrekking tot de bestrijding van de klimaatverandering, dan moet de dochteronderneming aan die verplichtingen voldoen in overeenstemming met het plan voor de beperking van de beperking van de klimaatverandering van de moederonderneming, afgestemd op haar bedrijfsmodel en -strategie. Als de dochteronderneming niet onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt, aangezien de dochteronderneming niet verplicht is passende zorgvuldigheid te betrachten, dan moet de moederonderneming de activiteiten van de dochteronderneming dekken als onderdeel van haar eigen verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid. Indien de dochterondernemingen onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, maar de moederonderneming niet, moeten zij nog steeds middelen en informatie binnen de groep ondernemingen kunnen delen. Niettemin moeten de dochterondernemingen verantwoordelijk zijn voor het nakomen van de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid waarin deze richtlijn voorziet.

(22)

De naleving van bepaalde verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid op groepsniveau mag geen afbreuk doen aan de wettelijke aansprakelijkheid van dochterondernemingen overeenkomstig deze richtlijn ten aanzien van slachtoffers aan wie de schade is toegebracht. Indien aan de voorwaarden voor wettelijke aansprakelijkheid is voldaan, kan de dochteronderneming aansprakelijk worden gesteld voor geleden schade, ongeacht of de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid zijn nagekomen door de dochteronderneming dan wel door de moederonderneming namens de dochteronderneming.

(23)

Zakenpartners mogen niet worden verplicht tot bekendmaking, aan een onderneming die de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen nakomt, van informatie die een bedrijfsgeheim is zoals gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad (11), onverminderd de bekendmaking van de identiteit van directe en indirecte zakenpartners, of van essentiële informatie die nodig is om feitelijke of potentiële negatieve effecten in kaart te brengen, indien dit noodzakelijk is en naar behoren is gerechtvaardigd voor de naleving van de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid door de onderneming. Dit mag geen afbreuk doen aan de mogelijkheid voor de zakenpartners om hun bedrijfsgeheimen te beschermen door middel van de mechanismen van Richtlijn (EU) 2016/943. Zakenpartners mogen nooit worden verplicht tot bekendmaking van gerubriceerde of andere informatie als die bekendmaking een risico voor de wezenlijke veiligheidsbelangen van een staat zouden inhouden.

(24)

Negatieve effecten op de mensenrechten en negatieve milieueffecten kunnen plaatsvinden in de eigen activiteiten van ondernemingen, in de activiteiten van hun dochterondernemingen en in die van hun zakenpartners in de activiteitenketens van de ondernemingen, met name bij de inkoop van grondstoffen en productie. Opdat passende zorgvuldigheid een betekenisvol effect heeft, moet zij betrekking hebben op negatieve effecten op de mensenrechten en op negatieve milieueffecten die worden veroorzaakt tijdens het grootste deel van de levenscyclus van productie, distributie, het vervoer en de opslag van een product of de verlening van diensten, op het niveau van eigen activiteiten van ondernemingen, activiteiten van hun dochterondernemingen en van hun zakenpartners in hun activiteitenketens.

(25)

De activiteitenketen moet activiteiten omvatten van de upstream zakenpartners van een onderneming die verband houden met de productie van goederen of de verlening van diensten door de onderneming, met inbegrip van het ontwerp, de winning, het inkopen, de vervaardiging, het vervoer, de opslag en de levering van grondstoffen, producten of onderdelen van de producten en de ontwikkeling van het product of de dienst, en activiteiten van de downstream zakenpartners van een onderneming in verband met de distributie, het vervoer en de opslag van het product, indien de zakenpartners die activiteiten voor of namens de onderneming uitvoeren. Deze richtlijn mag niet van toepassing zijn op de verwijdering van het product. Bovendien mag de activiteitenketen uit hoofde van deze richtlijn evenmin de verdeling, het vervoer, de opslag en de verwijdering omvatten van een product dat onderworpen is aan controle op de uitvoer door een lidstaat, d.w.z. de controle op de uitvoer op grond van Verordening (EU) 2021/821 van het Europees Parlement en de Raad (12) of de controle op de uitvoer van wapens, munitie of oorlogsmateriaal onder nationale controle op de uitvoer, nadat de uitvoer van het product is toegestaan. Deze richtlijn wordt aangevuld door andere wetgevingshandelingen waarmee ook de negatieve effecten op het gebied van de mensenrechten of milieubescherming worden aangepakt. Met name is bij Verordening (EU) 2021/821 een regeling voor de controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik ingesteld dat onder meer betrekking heeft op software en technologieën die voor cyberbewakingsdoeleinden kunnen worden gebruikt. In het kader van deze regeling moeten de lidstaten met name rekening houden met het risico dat dergelijke goederen worden gebruikt voor binnenlandse repressie of het plegen van ernstige schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht. Verordening (EU) 2019/125 van het Europees Parlement en de Raad (13) voorziet bovendien in een verbod op of de regeling van, naargelang het geval, de uitvoer van goederen zoals chemische stoffen die worden of zouden kunnen worden gebruikt voor de doodstraf of voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Bovendien zijn meerdere andere wetgevingsinitiatieven erop gericht de milieueffecten van producten gedurende hun hele levenscyclus te beperken, onder meer door vereisten inzake ecologisch ontwerp vast te leggen op basis van de duurzaamheids- en circulariteitsaspecten van producten. De naleving van deze richtlijn moet de naleving van de bepalingen en doelstellingen van deze andere wetgevingshandelingen en van de voorwaarden van de toepasselijke op grond daarvan uitgevoerde vergunningen vergemakkelijken. Exporteurs moeten bij de naleving van die andere wetgevingshandelingen rekening houden met de resultaten van hun bevindingen inzake zorgvuldigheid uit hoofde van deze richtlijn. De term “activiteitenketen” zoals gedefinieerd in deze richtlijn laat de termen “waardeketen” of “toeleveringsketen” zoals gedefinieerd in of in de zin van andere Uniewetgeving onverlet.

(26)

De definitie van de term “activiteitenketen” mag geen betrekking hebben op de activiteiten van de downstream zakenpartners van een onderneming in verband met de diensten van de onderneming. Voor gereglementeerde financiële ondernemingen mag de definitie van de term “activiteitenketen” niet de downstream zakenpartners omvatten die hun diensten en producten ontvangen. Daarom moet bij gereglementeerde financiële ondernemingen alleen het upstreamdeel, en niet het downstreamdeel, van hun activiteitenketen onder deze richtlijn vallen.

(27)

Uit hoofde van deze richtlijn moeten ondernemingen die in overeenstemming met het recht van een lidstaat zijn opgericht, aan vereisten inzake passende zorgvuldigheid worden onderworpen indien zij aan bepaalde voorwaarden voldoen, waaronder omzetdrempels en, in bepaalde gevallen, werknemersdrempels. Hoewel die voorwaarden worden uitgedrukt ten opzichte van één boekjaar, mag deze richtlijn alleen van toepassing zijn als de onderneming de laatste twee opeenvolgende boekjaren aan elk van deze voorwaarden heeft voldaan en mag deze richtlijn niet langer van toepassing zijn indien niet langer gedurende de laatste twee relevante boekjaren aan de voorwaarden is voldaan. Dit geldt ook voor ondernemingen die zijn opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een derde land en die voor elk van de laatste twee boekjaren aan het relevante omzetcriterium van de Unie moeten voldoen. Duidelijkheidshalve en rekening houdend met de gefaseerde toepassing van deze richtlijn, moet aan de toepassingscriteria worden voldaan door ondernemingen uit de Unie en ondernemingen uit derde landen die voorafgaan aan de relevante toepassingsdata die zijn vastgesteld overeenkomstig de regels voor de omzetting van deze richtlijn. Wat de werknemersdrempels betreft, moeten uitzendkrachten en werknemers die zijn gedetacheerd krachtens artikel 1, lid 3, punt c), van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad (14), worden opgenomen in de berekening van het aantal werknemers in de inlenende onderneming. Gedetacheerde werknemers krachtens artikel 1, lid 3, punten a) en b), van Richtlijn 96/71/EG mogen alleen worden opgenomen in de berekening van het aantal werknemers in de onderneming van herkomst. Andere werknemers in atypische arbeidsvormen moeten ook worden opgenomen in de berekeningen van het aantal werknemers, voor zover zij voldoen aan de door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) vastgestelde criteria voor het bepalen van de status van een werknemer. Seizoenarbeiders moeten worden meegeteld in de berekening van het aantal werknemers in verhouding tot het aantal maanden dat zij in dienst zijn. Bij de berekening van de in deze richtlijn vastgelegde drempels moeten het aantal werknemers en de omzet van de bijkantoren van een onderneming in aanmerking worden genomen, dit wil zeggen andere vestigingen dan het hoofdkantoor die hiervan juridisch afhankelijk zijn en derhalve als deel van de onderneming worden beschouwd, overeenkomstig Unie- en nationaal recht. Dit moet ook gelden voor groepen ondernemingen indien de drempels op geconsolideerde basis worden berekend. Tenzij anders bepaald moeten de, opdat een onderneming onder deze richtlijn zou vallen, na te leven drempels worden begrepen als op individuele basis berekende drempels.

(28)

In de Unie gevestigde ondernemingen met gemiddeld meer dan 1 000 werknemers en een wereldwijde netto-omzet van meer dan 450 000 000 EUR in het laatste boekjaar waarvoor jaarrekeningen zijn of hadden moeten worden opgesteld, moeten de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid van deze richtlijn naleven. Ondernemingen die in de Unie franchise- of licentieovereenkomsten hebben gesloten in ruil voor royalty’s met onafhankelijke derde ondernemingen, indien die overeenkomsten zorgen voor een gemeenschappelijke identiteit, een gemeenschappelijk bedrijfsconcept en de toepassing van uniforme bedrijfsmethoden, en indien die royalty’s meer dan 22 500 000 EUR bedragen in het laatste boekjaar waarvoor jaarrekeningen zijn of hadden moeten worden vastgesteld, en mits de onderneming in het laatste boekjaar waarvoor jaarrekeningen zijn of hadden moeten worden vastgesteld, wereldwijd een netto-omzet van meer dan 80 000 000 EUR heeft behaald, moeten ook worden verplicht aan de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid van deze richtlijn te voldoen. Hetzelfde geldt voor uiteindelijke moedermaatschappijen van groepen ondernemingen die samen aan die voorwaarden voldoen. Wat deze uiteindelijke moedermaatschappijen betreft, moeten de verplichtingen van deze richtlijn worden nagekomen door de uiteindelijke moedermaatschappij of, indien deze laatste als hoofdactiviteit het houden van aandelen in operationele dochterondernemingen heeft en zich niet bezighoudt met het nemen van bestuurs-, operationele of financiële beslissingen die een invloed hebben op de groep of op één of meer van haar dochterondernemingen, namens haar door één in de Unie gevestigde operationele dochteronderneming, in overeenstemming met de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden.

(29)

Om de doelstellingen inzake negatieve effecten op de mensenrechten en negatieve milieueffecten van deze richtlijn volledig te behalen wat betreft de activiteiten van ondernemingen, de activiteiten van hun dochterondernemingen en hun zakenpartners in de activiteitenketens van ondernemingen, moeten ook ondernemingen in derde landen met aanzienlijke activiteiten in de Unie onder de richtlijn vallen. Deze richtlijn moet meer specifiek van toepassing zijn op ondernemingen uit derde landen die in het boekjaar voorafgaand aan het laatste boekjaar een netto-omzet van ten minste 450 000 000 EUR in de Unie hebben behaald. Ondernemingen die in de Unie franchise- of licentieovereenkomsten hebben gesloten in ruil voor royalty’s met onafhankelijke derde ondernemingen, indien die overeenkomsten zorgen voor een gemeenschappelijke identiteit, een gemeenschappelijk bedrijfsconcept en de toepassing van uniforme bedrijfsmethoden, en indien die royalty’s meer dan 22 500 000 EUR bedragen in de Unie in het boekjaar voorafgaand aan het laatste boekjaar en mits de onderneming in de Unie in het boekjaar voorafgaand aan het laatste boekjaar een netto-omzet van meer dan 80 000 000 EUR heeft behaald, moeten ook worden verplicht aan de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid van deze richtlijn te voldoen. Hetzelfde geldt voor uiteindelijke moedermaatschappijen van groepen ondernemingen die samen aan die voorwaarden voldoen. Wat deze uiteindelijke moedermaatschappijen betreft, moeten de verplichtingen van deze richtlijn worden nagekomen door de uiteindelijke moedermaatschappij of, indien deze laatste als hoofdactiviteit het houden van aandelen in operationele dochterondernemingen heeft en zich niet bezighoudt met het nemen van bestuurs-, operationele of financiële beslissingen die een invloed hebben op de groep of op één of meer van haar dochterondernemingen, namens haar door één in de Unie gevestigde operationele dochteronderneming, in overeenstemming met de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden.

(30)

Voor de afbakening van het toepassingsgebied van deze richtlijn met betrekking tot ondernemingen uit derde landen moet het beschreven omzetcriterium worden gekozen, aangezien dit een territoriale band schept tussen de ondernemingen uit derde landen en het grondgebied van de Europese Unie. Aan de hand van de omzet kunnen de effecten worden geraamd die de activiteiten van deze ondernemingen voor de interne markt kunnen hebben. Overeenkomstig het internationale recht rechtvaardigen dergelijke effecten de toepassing van het Unierecht op ondernemingen uit derde landen. Voor de vaststelling van de relevante omzet van de betrokken ondernemingen moeten de methoden voor de berekening van de netto-omzet voor ondernemingen uit derde landen worden gebruikt die zijn vastgelegd in Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (15). Met het oog op een doeltreffende handhaving van deze richtlijn mag een drempelwaarde van het aantal werknemers echter niet worden toegepast om te bepalen welke ondernemingen uit derde landen onder deze richtlijn vallen, aangezien het begrip “werknemer” dat voor de toepassing van deze richtlijn wordt gehanteerd, gebaseerd is op Unierecht en niet gemakkelijk buiten de Unie kan worden omgezet. Bij gebrek aan een duidelijke en consistente methode, ook in boekhoudkundige kaders, om de werknemers van ondernemingen uit derde landen te bepalen, zou een dergelijke werknemersdrempel derhalve rechtsonzekerheid creëren en moeilijk toe te passen zijn voor toezichthoudende autoriteiten. De definitie van de term “omzet” moet gebaseerd worden op Richtlijn 2013/34/EU, waarin de methoden voor de berekening van de netto-omzet voor ondernemingen uit derde landen reeds zijn vastgelegd, aangezien de definities van omzet en inkomsten in internationale boekhoudkundige kaders vergelijkbaar zijn. Om ervoor te zorgen dat de toezichthoudende autoriteit weet welke ondernemingen uit derde landen in de Unie de omzet behalen die vereist is om binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn te vallen, moet daarin worden voorgeschreven dat de gemachtigde vertegenwoordiger van de onderneming uit een derde land of de onderneming zelf een toezichthoudende autoriteit in de lidstaat waar de gemachtigde vertegenwoordiger van de onderneming uit een derde land gevestigd of woonachtig is en, indien dit een andere lidstaat is, een toezichthoudende autoriteit in de lidstaat waar de onderneming in het boekjaar voorafgaand aan het laatste boekjaar het grootste deel van haar netto-omzet in de Unie heeft behaald, ervan in kennis stelt dat de onderneming een onderneming is die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt. Indien dat nodig is om te bepalen in welke lidstaat de onderneming uit een derde land het grootste deel van haar netto-omzet in de Unie heeft gegenereerd, moet de lidstaat de Commissie kunnen verzoeken in kennis te worden gesteld van de netto-omzet van de onderneming uit een derde land die in de Unie wordt gegenereerd. De Commissie moet een systeem opzetten om een dergelijke uitwisseling van informatie te waarborgen.

(31)

Het is van essentieel belang dat een Uniekader wordt vastgesteld voor een verantwoord en duurzaam gedrag in het kader van de mondiale waardeketens, aangezien ondernemingen een belangrijke pijler zijn bij de opbouw van een duurzame samenleving en economie. De opkomst van bindende wetgeving in meerdere lidstaten heeft duidelijk gemaakt dat er behoefte is aan een gelijk speelveld voor ondernemingen om fragmentatie te voorkomen en rechtszekerheid te bieden aan bedrijven die op de interne markt actief zijn. Niettemin mag deze richtlijn de lidstaten niet beletten strengere nationaalrechtelijke bepalingen in te voeren die afwijken van de bepalingen in andere artikelen dan artikel 8, leden 1 en 2, artikel 10, lid 1, en artikel 11, lid 1, ook indien dergelijke bepalingen het beschermingsniveau van artikel 8, leden 1 en 2, artikel 10, lid 1, en artikel 11, lid 1, indirect kunnen verhogen zoals de bepalingen inzake het toepassingsgebied, de definities, de passende maatregelen voor het herstel van feitelijke negatieve effecten, de zinvolle samenwerking met belanghebbenden en de wettelijke aansprakelijkheid; of nationaalrechtelijke bepalingen in te voeren die specifieker zijn wat het doel of bestreken gebied ervan betreft, zoals nationaalrechtelijke bepalingen waarmee specifieke negatieve effecten of specifieke activiteitensectoren worden geregeld, om een ander niveau van bescherming van de mensen-, arbeids- en sociale rechten en van het milieu of het klimaat te bereiken.

(32)

Deze richtlijn heeft tot doel de mensenrechten volledig te bestrijken, met inbegrip van alle vijf fundamentele beginselen en rechten op het werk, zoals gedefinieerd in de IAO-verklaring van 1998 over de fundamentele beginselen en rechten op het werk. Om een zinvolle bijdrage te leveren aan de overgang naar duurzaamheid, moet uit hoofde van deze richtlijn passende zorgvuldigheid worden betracht met betrekking tot de negatieve effecten op personen die voortvloeien uit de schending van een van de rechten die zijn neergelegd in de internationale instrumenten die in deel I, afdeling 1, van de bijlage bij deze richtlijn zijn vermeld. De term “schending” moet worden geïnterpreteerd in overeenstemming met het internationaal recht inzake de mensenrechten. Om ervoor te zorgen dat de mensenrechten volledig worden bestreken, moet een schending van een niet specifiek in deel I, afdeling 1, van de bijlage bij deze richtlijn vermeld mensenrecht dat door een onderneming of juridische entiteit kan worden geschonden en dat rechtstreeks afbreuk doet aan een wettelijk belang dat wordt beschermd in de in deel I, afdeling 2, van de bijlage bij deze richtlijn vermelde mensenrechteninstrumenten, ook deel uitmaken van de negatieve effecten op de mensenrechten die onder deze richtlijn vallen, op voorwaarde dat de betrokken onderneming het risico van een dergelijke schending van de mensenrechten redelijkerwijs had kunnen voorspellen, rekening houdend met alle relevante omstandigheden van het specifieke geval, waaronder de aard en de omvang van de zakelijke activiteiten van de onderneming en haar activiteitenketen, de economische sector en de geografische en operationele context. Passende zorgvuldigheid moet ook betrekking hebben op negatieve milieueffecten die voortvloeien uit de schending van een van de verbodsbepalingen en verplichtingen in deel II van de bijlage bij deze richtlijn, alsook negatieve effecten die voortvloeien uit de schending van een van de verbodsbepalingen in deel I, punten 15 en 16, van de bijlage bij deze richtlijn met inachtneming van de nationale wetgeving in verband met de bepalingen van de in de bijlage genoemde instrumenten. Die verbodsbepalingen en verplichtingen moeten worden geïnterpreteerd en toegepast in overeenstemming met het internationaal recht en de algemene beginselen van het milieurecht van de Unie, zoals uiteengezet in artikel 191 VWEU. Die verbodsbepalingen omvatten het verbod op meetbare aantasting van het milieu, zoals schadelijke bodemverandering, water- of luchtverontreiniging, schadelijke emissies, buitensporig waterverbruik, aantasting van het land of andere effecten op natuurlijke hulpbronnen, zoals ontbossing, die afbreuk doen aan de natuurlijke bases voor het behoud en de productie van voedsel, of die een persoon de toegang tot veilig en schoon drinkwater ontzeggen, of die de toegang van een persoon tot sanitaire voorzieningen bemoeilijken of die voorzieningen vernietigen, of die schadelijk zijn voor de gezondheid, de veiligheid, het normale gebruik van land of rechtmatig verworven eigendom van een persoon, of die aanzienlijke negatieve effecten hebben voor ecosysteemdiensten waarmee een ecosysteem direct of indirect bijdraagt tot het menselijk welzijn. Om te bepalen of de schade aan ecosysteemdiensten aanzienlijk is, moet in voorkomend geval rekening worden gehouden met de volgende elementen: de referentietoestand van het getroffen milieu, of de schade van lange, middellange of korte termijn is, de verspreiding van de schade en de omkeerbaarheid ervan. De in deze richtlijn bedoelde vereisten inzake passende zorgvuldigheid moeten derhalve bijdragen tot het behoud en het herstel van de biodiversiteit en, middels verbetering van de toestand van het milieu, met name van water, lucht en bodem, onder meer om de mensenrechten beter te beschermen. De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlage bij deze richtlijn met het oog op de in artikel 3, lid 2, bedoelde doeleinden, onder meer door toevoeging van de verwijzing, na goedkeuring van alle lidstaten, naar het Verdrag van de IAO betreffende arbeidsveiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu, 1981 (nr. 155), en het promotionele raamwerk van de IAO voor veiligheid en gezondheid op het werk, 2006 (nr. 187), die deel uitmaken van de fundamentele instrumenten van de IAO.

(33)

Afhankelijk van de omstandigheden kunnen ondernemingen aanvullende normen overwegen. Zo moeten ondernemingen, rekening houdend met specifieke contexten of intersectionaliteit, waaronder gender, leeftijd, ras, etniciteit, klasse, kaste, onderwijs, migratiestatus, handicap, alsook sociale en economische status, als onderdeel van een gender- en cultuurbewuste benadering van passende zorgvuldigheid, bijzondere aandacht besteden aan eventuele specifieke negatieve effecten op personen die als gevolg van marginalisering, kwetsbaarheid of andere omstandigheden een verhoogd risico lopen, individueel of als lid van bepaalde groeperingen of gemeenschappen, met inbegrip van inheemse volken, zoals beschermd door de Verklaring van de VN over de rechten van inheemse volken, onder meer met betrekking tot vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming. Daarbij moeten ondernemingen mogelijk rekening houden met, in voorkomend geval, internationale instrumenten, zoals het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

(34)

Ondernemingen moeten hun invloed ook aanwenden om bij te dragen tot een adequate levensstandaard in activiteitenketens. Hieronder wordt verstaan: een billijk loon voor werknemers en een inkomen dat voorziet in het levensonderhoud voor zelfstandigen en kleine landbouwbedrijven, dat zij verdienen in ruil voor hun werk en productie.

(35)

In deze richtlijn wordt de “één gezondheid”-benadering, zoals erkend door de Wereldgezondheidsorganisatie, bekrachtigd als een geïntegreerde en uniforme benadering die gericht is op een duurzaam evenwicht en optimalisering van de gezondheid van mensen, dieren en ecosystemen. De “één gezondheid”-benadering vertrekt van de vaststelling dat de gezondheid van mensen, huisdieren en wilde dieren, planten en het bredere milieu, met inbegrip van ecosystemen, nauw met elkaar verbonden zijn en van elkaar afhankelijk zijn. Het is derhalve dienstig te bepalen dat zorgvuldigheid op het gebied van milieu ook moet inhouden dat milieuschade die tot negatieve gezondheidseffecten zoals epidemieën leidt, moet worden voorkomen en dat het recht op een schoon, gezond en duurzaam milieu moet worden geëerbiedigd.

(36)

Negatieve effecten op de mensenrechten en negatieve milieueffecten kunnen vervlochten zijn met of onderbouwd zijn door factoren zoals corruptie en omkoping. Daardoor kan het noodzakelijk zijn dat ondernemingen die factoren in aanmerking nemen wanneer zij passende zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten en milieu betrachten, op een manier die strookt met het VN-Verdrag tegen corruptie.

(37)

Bij de beoordeling van negatieve effecten op de mensenrechten beschikken ondernemingen over richtsnoeren waarin wordt aangegeven hoe hun activiteiten van invloed kunnen zijn op de mensenrechten en welk ondernemingsgedrag verboden is overeenkomstig internationaal erkende mensenrechten. Dergelijke richtsnoeren zijn bijvoorbeeld opgenomen in het verslagleggingskader voor de leidende beginselen van de VN en de uitleg van die beginselen, getiteld “The corporate responsibility to respect human rights” (de verantwoordelijkheid van bedrijven om de mensenrechten te eerbiedigen).

(38)

Om passende zorgvuldigheid inzake mensenrechten en milieu te betrachten ten aanzien van hun activiteiten, de activiteiten van hun dochterondernemingen en de activiteiten van hun zakenpartners in de activiteitenketens van de ondernemingen, moeten de onder deze richtlijn vallende ondernemingen passende zorgvuldigheid in hun beleid en risicobeheersystemen integreren, feitelijke en potentiële negatieve effecten op de mensenrechten en het milieu in kaart brengen en beoordelen, en waar nodig voorkomen, verlichten, beëindigen en de omvang ervan tot een minimum beperken, herstel bieden in verband met feitelijke negatieve effecten, zinvol samenwerken met belanghebbenden, een kennisgevingsmechanisme en klachtenprocedure instellen en handhaven, toezien op de doeltreffendheid van de maatregelen die zijn getroffen overeenkomstig de in deze richtlijn vastgelegde voorschriften, en openbaar communiceren over hun passende zorgvuldigheid. Om ondernemingen duidelijkheid te verschaffen, moet in deze richtlijn met name een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de stappen die moeten worden genomen om potentiële negatieve effecten te voorkomen en te verlichten, en die welke moeten worden genomen om feitelijke negatieve effecten te beëindigen of, wanneer dat niet mogelijk is, de omvang ervan tot een minimum te beperken.

(39)

Om ervoor te zorgen dat passende zorgvuldigheid deel uitmaakt van het beleid en de risicobeheersystemen van ondernemingen en in overeenstemming is met het desbetreffende internationale kader, moeten ondernemingen passende zorgvuldigheid in hun beleid en risicobeheersystemen en op alle relevante operationele niveaus integreren en over beleid inzake passende zorgvuldigheid beschikken. Het beleid inzake passende zorgvuldigheid moet worden ontwikkeld na overleg met de werknemers van de onderneming en hun vertegenwoordigers en moet een beschrijving bevatten van de benadering van de onderneming, onder meer op lange termijn, ten aanzien van passende zorgvuldigheid, een gedragscode waarin de regels en beginselen worden beschreven die de hele onderneming, de dochterondernemingen en, in voorkomend geval, de directe of indirecte zakenpartners van de onderneming moeten volgen, en een beschrijving van de procedures die zijn ingevoerd om passende zorgvuldigheid op te nemen in het relevante beleid en toe te passen, met inbegrip van de maatregelen die zijn genomen om de naleving van de gedragscode te controleren en om de toepassing ervan uit te breiden tot zakenpartners. Het beleid inzake passende zorgvuldigheid moet zorgen voor risicogebaseerde passende zorgvuldigheid. De gedragscode moet van toepassing zijn op alle relevante bedrijfsfuncties en -activiteiten, met inbegrip van beslissingen inzake aankoop, tewerkstelling en inkoop. Voor de toepassing van deze richtlijn moeten onder werknemers ook uitzendkrachten en andere werknemers in atypische arbeidsvormen worden verstaan, mits zij voldoen aan de door het HvJ-EU vastgestelde criteria voor het bepalen van de status van werknemer.

(40)

Om aan de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid te voldoen, moeten ondernemingen passende maatregelen nemen met betrekking tot het in kaart brengen, voorkomen, beëindigen, tot een minimum beperken en herstellen van negatieve effecten, en belanghebbenden zinvol bij de procedure inzake passende zorgvuldigheid betrekken. Onder de term “passende maatregelen” moet worden verstaan: maatregelen waarmee de doelstellingen van passende zorgvuldigheid kunnen worden bereikt door negatieve effecten doeltreffend aan te pakken op een wijze die in verhouding staat tot de ernst en de waarschijnlijkheid van het negatieve effect en waarover de onderneming redelijkerwijs kan beschikken, rekening houdend met de omstandigheden van het specifieke geval, waaronder de aard en de omvang van het negatieve effect en de risicofactoren ter zake. Indien noodzakelijke informatie, met inbegrip van informatie die als bedrijfsgeheim wordt beschouwd, niet redelijkerwijs kan worden verkregen vanwege feitelijke of juridische belemmeringen, bijvoorbeeld omdat een zakenpartner weigert informatie te verstrekken en er geen juridische gronden zijn om dit af te dwingen, kunnen dergelijke omstandigheden de onderneming niet worden verweten, maar moet zij kunnen uitleggen waarom die informatie niet kon worden verkregen en moet zij de nodige en redelijke maatregelen nemen om deze zo spoedig mogelijk te verkrijgen.

(41)

In het kader van de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid waar deze richtlijn in voorziet, moet een onderneming feitelijke of potentiële negatieve effecten op de mensenrechten en het milieu vaststellen en beoordelen. Om alomvattend te zijn, moeten de vaststelling en beoordeling van negatieve effecten gebaseerd zijn op kwantitatieve en kwalitatieve informatie, met inbegrip van de relevante uitgesplitste gegevens die een onderneming redelijkerwijs kan verkrijgen. Ondernemingen moeten gebruikmaken van passende methoden en middelen, waaronder openbare verslagen. Wat negatieve milieueffecten betreft, moet de onderneming bijvoorbeeld informatie inwinnen over de uitgangssituatie in locaties of faciliteiten met een hoger risico in haar activiteitenketen. Als onderdeel van de verplichting om negatieve effecten vast te stellen, moeten ondernemingen passende maatregelen nemen om hun eigen activiteiten, die van hun dochterondernemingen en, indien deze verband houden met hun activiteitenketens, die van hun zakenpartners in kaart te brengen, teneinde vast te stellen in welke algemene gebieden negatieve effecten zich het meest waarschijnlijk zullen voordoen en het ernstigst zullen zijn. Op basis van de resultaten daarvan moeten ondernemingen een diepgaande beoordeling uitvoeren van hun eigen activiteiten, die van hun dochterondernemingen en, indien deze verband houden met hun activiteitenketens, die van hun zakenpartners, in de gebieden waar negatieve effecten zich het meest waarschijnlijk zullen voordoen en het ernstigst zullen zijn. Bij het vaststellen en beoordelen van de negatieve effecten moet de onderneming op basis van een algemene beoordeling rekening houden met mogelijke relevante risicofactoren, met inbegrip van risicofactoren op bedrijfsniveau, zoals de vraag of de zakenpartner geen onderneming is die onder deze richtlijn valt; risicofactoren in verband met zakelijke transacties; geografische en contextuele risicofactoren, zoals het niveau van rechtshandhaving met betrekking tot het soort negatieve effecten; product- en dienstenrisicofactoren; en sectorale risicofactoren. Bij het vaststellen en beoordelen van negatieve effecten moeten ondernemingen ook het effect van het bedrijfsmodel en de bedrijfsstrategieën van een zakenpartner, met inbegrip van handels-, inkoop- en prijsstellingspraktijken, in kaart brengen en beoordelen. Om de lasten voor kleinere ondernemingen als gevolg van verzoeken om informatie te beperken, moeten ondernemingen, wanneer informatie die nodig is voor de identificatie van negatieve effecten kan worden verkregen van zakenpartners op verschillende niveaus van hun activiteitenketens, terughoudendheid betrachten ten aanzien van zakenpartners die zelf geen risico op negatieve effecten vertonen, en, indien redelijk, er de voorkeur aan geven rechtstreeks om meer gedetailleerde informatie te verzoeken bij zakenpartners op niveaus in hun activiteitenketens waar, op basis van het in kaart brengen, feitelijke of potentiële negatieve effecten zich het meest waarschijnlijk zullen voordoen. Bij het in kaart brengen van negatieve effecten moet ook de mensenrechten- en milieucontext op dynamische wijze en met regelmatige tussenpozen worden beoordeeld: zonder onnodige vertraging na een significante wijziging, en ten minste om de twaalf maanden, gedurende de gehele levenscyclus van een activiteit of relatie, en telkens wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat zich nieuwe risico’s kunnen voordoen. Onder significante wijziging moet worden verstaan: een wijziging van de status quo van de eigen activiteiten van de onderneming, activiteiten van haar dochterondernemingen of zakenpartners, van het juridische of ondernemingsklimaat of elke andere substantiële verschuiving met betrekking tot de situatie van de onderneming of de operationele context van de onderneming. Voorbeelden van een significante wijziging zijn de gevallen waarin de onderneming actief wordt in een nieuwe economische sector of een nieuw geografisch gebied, nieuwe producten begint te produceren of de manier wijzigt waarop de bestaande producten worden geproduceerd met behulp van technologie met mogelijk grotere negatieve effecten, of haar bedrijfsstructuur wijzigt door middel van herstructureringen, fusies of overnames. Redelijke gronden om aan te nemen dat er sprake is van nieuwe risico’s kunnen op verschillende manieren ontstaan, onder meer door te vernemen over het negatieve effect in openbaar beschikbare informatie, via betrokkenheid van belanghebbenden of via kennisgevingen. Indien ondernemingen passende maatregelen hebben genomen om negatieve effecten vast te stellen, maar desondanks niet over de nodige informatie beschikken met betrekking tot hun activiteitenketens, dan moeten zij kunnen uitleggen waarom die informatie niet kon worden verkregen en moeten zij de nodige en redelijke maatregelen nemen om deze informatie zo spoedig mogelijk te verkrijgen.

(42)

In conflict- en hoogrisicogebieden zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2017/821 zullen mensenrechtenschendingen zich vaker voordoen en ernstiger zijn. Ondernemingen moeten hiermee rekening houden wanneer zij passende zorgvuldigheid opnemen in hun beleid en risicobeheersystemen om ervoor te zorgen dat gedragscodes en procedures die zijn ingevoerd om passende zorgvuldigheid toe te passen, worden aangepast aan conflict- en hoogrisicogebieden, op een wijze die strookt met het internationaal humanitair recht, zoals vastgelegd in de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen daarbij. Ondernemingen moeten er bij diepgaande beoordelingen in het kader van het identificatie- en beoordelingsproces, bij de invoering van passende maatregelen om vastgestelde negatieve effecten te voorkomen, te verlichten, te beëindigen en tot een minimum te beperken, en bij overleg met belanghebbenden rekening mee houden dat dergelijke situaties bijzondere geografische en contextuele risicofactoren vormen. Daartoe kunnen ondernemingen zich baseren op de richtsnoeren van de Commissie voor de beoordeling van risicofactoren die verband houden met conflict- en hoogrisicogebieden, waarin rekening moet worden gehouden met de richtsnoeren bij het Ontwikkelingsprogramma van de VN getiteld “Heightened Human Rights Due Diligence for Business in Conflict-Affected Contexts. A Guide” (strengere zorgvuldigheid op het gebied van de mensenrechten voor ondernemingen in conflictsituaties. Een leidraad).

(43)

Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de regels inzake het beroepsgeheim die gelden voor advocaten of andere gecertificeerde beroepsbeoefenaars die gemachtigd zijn om hun cliënten in gerechtelijke procedures te vertegenwoordigen, overeenkomstig het Unierecht en het nationale recht.

(44)

Indien een onderneming niet in staat is de omvang van alle vastgestelde feitelijke en potentiële negatieve effecten tegelijkertijd volledig te voorkomen, te verlichten, te beëindigen of tot een minimum te beperken, dient zij deze te prioriteren op basis van de ernst en waarschijnlijkheid van het negatieve effect. De ernst van een negatief effect moet worden beoordeeld op basis van de gradatie, reikwijdte of onomkeerbaarheid van het negatieve effect, rekening houdend met de ernst van het effect, zoals het aantal personen dat wordt of zal worden getroffen, de mate waarin het milieu schade ondervindt of schade kan ondervinden, of anderszins kan worden getroffen, de onomkeerbaarheid ervan en beperkingen op het vermogen om de situatie van de getroffen personen of het getroffen milieu binnen een redelijke termijn te herstellen tot een situatie die gelijkwaardig is aan de situatie vóór het effect. Zodra de ernstigste en waarschijnlijkste negatieve effecten binnen een redelijke termijn zijn verholpen, moet de onderneming minder ernstige en minder waarschijnlijke negatieve effecten aanpakken. Anderzijds mogen de feitelijke of potentiële invloed van de onderneming op haar zakenpartners, de mate van betrokkenheid van de onderneming bij het negatieve effect, de nabijheid van de dochteronderneming of de zakenpartner of haar potentiële aansprakelijkheid niet worden beschouwd als relevante factoren voor de prioritering van negatieve effecten.

(45)

Krachtens de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid van deze richtlijn moet een onderneming die potentiële negatieve effecten op de mensenrechten of potentiële negatieve milieueffecten vaststelt, passende maatregelen nemen om deze te voorkomen of afdoende te verlichten. Om ondernemingen juridische duidelijkheid en zekerheid te bieden, moet in deze richtlijn worden vastgesteld welke maatregelen van ondernemingen verwacht mogen worden met het oog op voorkoming en verlichting van potentiële negatieve effecten, wanneer dit naargelang de omstandigheden relevant is. Bij de beoordeling van passende maatregelen om negatieve effecten te voorkomen of afdoende te verlichten, moet naar behoren rekening worden gehouden met het zogenaamde “niveau van betrokkenheid van de onderneming bij een negatief effect”, in overeenstemming met de internationale kaders en met het vermogen van de onderneming om invloed uit te oefenen op de zakenpartner die het negatieve effect veroorzaakt of mede veroorzaakt. Ondernemingen moeten passende maatregelen nemen om de negatieve effecten die zij zelf veroorzaken (de zogenaamde “oorzaak” van de negatieve effecten als bedoeld in het internationale kader) of samen met hun dochterondernemingen of zakenpartners veroorzaken (de zogenaamde “bijdrage” aan de negatieve effecten als bedoeld in het internationale kader), te voorkomen of te verlichten. Dit geldt ongeacht of derde partijen buiten de activiteitenketen van de onderneming ook het negatieve effect veroorzaken. Het gezamenlijk veroorzaken van het negatieve effect is niet beperkt tot de gelijke betrokkenheid van de onderneming en haar dochteronderneming of zakenpartner bij het negatieve effect, maar moet alle gevallen bestrijken waarin het handelen of nalaten van de onderneming het negatieve effect heeft veroorzaakt in combinatie met het handelen of nalaten van dochterondernemingen of zakenpartners, onder meer indien de onderneming het veroorzaken van een negatief effect door een zakenpartner substantieel faciliteert of stimuleert, met uitzondering van minder belangrijke of onbeduidende bijdragen. Wanneer ondernemingen de negatieve effecten die zich in hun activiteitenketens voordoen, niet zelf of samen met andere juridische entiteiten veroorzaken, maar de negatieve effecten alleen door hun zakenpartner worden veroorzaakt in de activiteitenketens van de ondernemingen (het zogenaamde “rechtstreeks in verband worden gebracht met” het negatieve effect, als bedoeld in het internationale kader), moeten zij toch hun invloed trachten te gebruiken om het door hun zakenpartners veroorzaakte negatieve effect te voorkomen of te verlichten, of hun invloed ter zake te vergroten. Het gebruik van alleen het begrip “oorzaak” van het negatieve effect in plaats van de bovengenoemde termen die in de internationale kaders worden gebruikt, voorkomt verwarring met bestaande juridische termen in de nationale rechtsstelsels en dekt tegelijkertijd dezelfde causale verbanden als die welke in deze kaders worden beschreven. In dit verband moet, in overeenstemming met de internationale kaders, de invloed van de onderneming op een zakenpartner enerzijds haar vermogen omvatten om de zakenpartner ertoe te bewegen negatieve effecten te voorkomen (bijvoorbeeld door middel van marktmacht, prekwalificatie-eisen of het koppelen van zakelijke stimulansen aan prestaties op het gebied van de mensenrechten en het milieu) en anderzijds de mate van invloed of de hefboomwerking die de onderneming redelijkerwijs zou kunnen uitoefenen, bijvoorbeeld door samenwerking met de zakenpartner in kwestie of betrokkenheid bij een andere onderneming die de directe zakenpartner is van de zakenpartner die in verband wordt gebracht met het negatieve effect.

(46)

Om te voldoen aan de verplichting inzake voorkoming en verlichting in deze richtlijn, moet van ondernemingen worden vereist dat zij, in voorkomend geval, de volgende passende maatregelen nemen. Indien dit nodig is vanwege de complexiteit van de preventieve maatregelen, moeten ondernemingen een preventief actieplan ontwikkelen en uitvoeren. Ondernemingen moeten trachten de contractuele garantie te verkrijgen van een directe zakenpartner dat deze ervoor zal zorgen dat de gedragscode en, indien nodig, het preventieve actieplan worden nageleefd, onder meer door overeenkomstige contractuele garanties te vragen aan hun partners voor zover hun activiteiten deel uitmaken van de activiteitenketens van de ondernemingen. Contractuele garanties moeten zo worden opgesteld dat de verantwoordelijkheden op passende wijze door de onderneming en de zakenpartners worden gedeeld. De contractuele garanties moeten vergezeld gaan van passende maatregelen om de naleving te controleren. De onderneming mag echter alleen worden verplicht de contractuele garanties te vragen, aangezien het verkrijgen ervan kan afhangen van de omstandigheden. Om een alomvattende preventie van potentiële negatieve effecten te waarborgen, moeten ondernemingen ook financiële of niet-financiële investeringen, aanpassingen of actualiseringen doen die erop gericht zijn negatieve effecten te voorkomen, en moeten zij met andere ondernemingen samenwerken, met inachtneming van het Unierecht. In voorkomend geval moeten ondernemingen bedrijfsplannen, algemene strategieën en activiteiten, met inbegrip van inkooppraktijken, aanpassen en een inkoopbeleid ontwikkelen en gebruiken dat bijdraagt tot leefbare lonen en inkomens voor hun leveranciers en dat potentiële negatieve effecten op de mensenrechten of het milieu niet stimuleert. Om hun passende zorgvuldigheid op doeltreffende en efficiënte wijze uit te oefenen, moeten ondernemingen ook de nodige wijzigingen of verbeteringen aanbrengen in hun ontwerp- en distributiepraktijken om negatieve effecten aan te pakken die zich zowel in het upstream- als in het downstreamdeel van hun activiteitenketens voordoen, vóór en nadat het product is vervaardigd. Het aannemen en aanpassen van zulke praktijken, indien nodig, kan bijzonder relevant zijn voor de onderneming, teneinde negatieve effecten in eerste instantie te voorkomen. Zulke maatregelen kunnen ook relevant zijn om negatieve effecten aan te pakken die gezamenlijk door de onderneming en haar zakenpartners worden veroorzaakt, bijvoorbeeld als gevolg van de termijnen of specificaties die de onderneming haar partners oplegt. Door de waarde beter te verdelen over de activiteitenketen dragen verantwoorde inkoop- of distributiepraktijken bovendien bij tot de bestrijding van kinderarbeid, die vaak voorkomt in landen of gebieden met hoge armoedecijfers. Ondernemingen moeten ook gerichte en evenredige steun verlenen aan een kleine en middelgrote onderneming (kmo) die een zakenpartner van de onderneming is, indien dit in het licht van de middelen, kennis en beperkingen van de kmo noodzakelijk is, onder meer door toegang te verlenen of mogelijk te maken tot capaciteitsopbouw, opleiding of verbetering van beheersystemen, en, indien de naleving van de gedragscode of het preventieve actieplan de levensvatbaarheid van de kmo in gevaar zou brengen, gerichte en evenredige financiële steun te verlenen, zoals directe financiering, leningen tegen lage rente, garanties voor continue inkoop of ondersteuning bij het verkrijgen van financiering. Het begrip “in gevaar brengen van de levensvatbaarheid van een kmo” moet worden geïnterpreteerd als het potentieel veroorzaken van het faillissement van de kmo of het in een situatie brengen van de kmo waarin een faillissement dreigt.

(47)

De aanpak van schadelijke inkooppraktijken en prijsdruk op producenten, met name kleinere marktdeelnemers, is van bijzonder belang voor de verkoop van landbouw- en voedingsproducten. Om de machtsongelijkheid in de landbouwsector aan te pakken, eerlijke prijzen in alle schakels van de voedselvoorzieningsketen te waarborgen en de positie van landbouwers te versterken, moeten grote levensmiddelenverwerkers en detailhandelaren hun inkooppraktijken aanpassen en inkoopbeleid ontwikkelen en toepassen dat bijdraagt tot leefbare lonen en inkomens voor hun leveranciers. Aangezien deze richtlijn alleen van toepassing is op de bedrijfsvoering van de grootste marktdeelnemers, dat wil zeggen de marktdeelnemers met een wereldwijde netto-omzet van meer dan 450 000 000 EUR, zou zij in het voordeel moeten werken van landbouwproducenten met een geringere onderhandelingspositie. Aangezien ondernemingen die overeenkomstig het recht van een derde land zijn opgericht, eveneens onder deze richtlijn vallen, zou dit bovendien de landbouwproducenten in de Unie beschermen tegen oneerlijke concurrentie en tegen schadelijke praktijken van marktdeelnemers die niet alleen binnen maar ook buiten de Unie zijn gevestigd.

(48)

Om de volledige reeks opties voor de onderneming weer te geven in gevallen waarin potentiële negatieve effecten niet konden worden aangepakt door de beschreven preventieve of verlichtende maatregelen, moet deze richtlijn ook verwijzen naar de mogelijkheid voor de onderneming om contractuele garanties te vragen van de indirecte zakenpartner, teneinde naleving te bereiken van de gedragscode van de onderneming of van een preventief actieplan, en passende maatregelen uit te voeren om te verifiëren of de indirecte zakenpartner de contractuele garanties naleeft.

(49)

Het voorkomen van potentiële negatieve effecten zou de samenwerking met een andere onderneming kunnen vereisen, bijvoorbeeld op het niveau van een indirecte zakenpartner met een onderneming die een directe contractuele relatie heeft met de indirecte zakenpartner in kwestie. In sommige gevallen kan samenwerking met andere entiteiten de enige realistische manier zijn om potentiële negatieve effecten te voorkomen die zelfs door directe zakenpartners worden veroorzaakt indien de invloed van de onderneming niet voldoende is. De onderneming moet samenwerken met de entiteit die het meest doeltreffend in staat is potentiële negatieve effecten alleen of samen met de onderneming of andere juridische entiteiten te voorkomen of te verlichten, met inachtneming van het toepasselijke recht, met name het mededingingsrecht.

(50)

Om ervoor te zorgen dat de passende maatregelen ter voorkoming en verlichting van potentiële negatieve effecten doeltreffend zijn, moeten ondernemingen prioriteit geven aan betrokkenheid bij zakenpartners in hun activiteitenketens, in plaats van de zakelijke relatie te beëindigen, wat een laatste uitweg is nadat pogingen om potentiële negatieve effecten te voorkomen en te verlichten zijn gefaald. In deze richtlijn moet echter ook, voor gevallen waarin potentiële negatieve effecten niet door dergelijke passende maatregelen kunnen worden aangepakt, worden verwezen naar de verplichting voor ondernemingen om, als laatste redmiddel, af te zien van het aangaan van nieuwe of het uitbreiden van bestaande relaties met de partner in kwestie en, indien er een redelijk vooruitzicht op verandering bestaat, door de hefboomwerking van de onderneming te gebruiken of te vergroten door de zakelijke relaties met betrekking tot de activiteiten in kwestie tijdelijk op te schorten, om onverwijld een versterkt preventief actieplan voor het specifieke negatieve effect vast te stellen en uit te voeren, met name een specifiek en passend tijdschema voor de vaststelling en uitvoering van alle daarin opgenomen maatregelen, tijdens welk de onderneming ook op zoek kan gaan naar alternatieve zakenpartners. Factoren op basis waarvan wordt bepaald of het tijdschema voor de vaststelling en uitvoering van dergelijke maatregelen geschikt is, zijn onder meer de ernst van het negatieve effect, de noodzaak om verdere negatieve effecten vast te stellen en maatregelen te nemen om deze te voorkomen of te verlichten, met inbegrip van de effecten op kmo’s of kleine landbouwbedrijven. Ondernemingen moeten hun zakelijke relaties met de zakenpartner opschorten, wat hun hefboomwerking versterkt en de kans vergroot dat het effect wordt aangepakt. Indien redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat deze inspanningen zouden slagen, bijvoorbeeld in gevallen van door de staat opgelegde dwangarbeid, of indien de uitvoering van het versterkte preventieve actieplan het negatieve effect niet heeft voorkomen of verlicht, moet de onderneming verplicht worden de zakelijke relatie met betrekking tot de activiteiten in kwestie te beëindigen indien het potentiële negatieve effect van ernstige aard is. Om ondernemingen in staat te stellen aan deze verplichting te voldoen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat er in de onder hun wetgeving vallende overeenkomsten een optie bestaat om de zakelijke relatie te beëindigen. Bij de beslissing om de zakelijke relatie te beëindigen of tijdelijk op te schorten, moet de onderneming beoordelen of redelijkerwijs kan worden verwacht dat de negatieve effecten daarvan duidelijk ernstiger zijn dan het negatieve effect dat niet kon worden voorkomen of afdoende verlicht. Indien ondernemingen de zakelijke relatie tijdelijk opschorten of beëindigen, moeten zij maatregelen nemen om de effecten van de opschorting of beëindiging te voorkomen, te verlichten of te beëindigen, de zakenpartner daarvan binnen een redelijke termijn kennisgeven en die beslissing voortdurend evalueren. Het is mogelijk dat samenwerking met een andere entiteit vereist is om negatieve effecten op het niveau van indirecte zakelijke relaties te voorkomen. In bepaalde gevallen kan samenwerking met een andere onderneming de enige realistische manier zijn om negatieve effecten te voorkomen op het niveau van indirecte zakelijke relaties, met name indien de indirecte zakenpartner niet bereid is een overeenkomst met de onderneming te sluiten.

(51)

Hoewel gereglementeerde financiële ondernemingen alleen onderworpen zijn aan verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid voor het upstreamdeel van hun activiteitenketens, blijkt uit de specifieke kenmerken van financiële diensten en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen welke soorten maatregelen voor financiële ondernemingen geschikt en doeltreffend zijn om in procedures inzake passende zorgvuldigheid te nemen. Zoals ook in de OESO-richtlijnen wordt benadrukt, moeten de specifieke kenmerken van financiële diensten worden erkend. Van gereglementeerde financiële ondernemingen wordt verwacht dat zij rekening houden met negatieve effecten en hun zogenaamde “hefboomwerking” gebruiken om invloed uit te oefenen op ondernemingen. De uitoefening van aandeelhoudersrechten kan een manier zijn om de hefboomwerking aan te wenden.

(52)

Wat de directe en indirecte zakenpartners betreft, kunnen initiatieven van de sector en van meerdere belanghebbenden extra hefboomeffecten helpen creëren om negatieve effecten vast te stellen, te verlichten en te voorkomen. Ondernemingen moeten derhalve kunnen deelnemen aan dergelijke initiatieven om hen te ondersteunen bij de uitvoering van de in de artikelen 7 tot en met 16 van deze richtlijn neergelegde verplichtingen, voor zover die initiatieven geschikt zijn om de nakoming van die verplichtingen te ondersteunen. De term “initiatieven” heeft een ruime betekenis en omvat een combinatie van vrijwillige procedures, instrumenten en mechanismen inzake passende zorgvuldigheid ontwikkeld en gecontroleerd door regeringen, brancheorganisaties, belanghebbende organisaties, waaronder maatschappelijke organisaties, of groeperingen of combinaties daarvan, waaraan ondernemingen kunnen deelnemen om de uitvoering van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid te ondersteunen. Ondernemingen kunnen, nadat zij de geschiktheid daarvan hebben beoordeeld, gebruikmaken van of zich aansluiten bij een relevante risicoanalyse die wordt uitgevoerd door initiatieven van de sector of van meerdere belanghebbenden of door leden van die initiatieven, en kunnen via dergelijke initiatieven doeltreffende passende maatregelen nemen of zich daarbij aansluiten. Daarbij moeten de ondernemingen toezien op de doeltreffendheid van die maatregelen en blijven zij waar nodig passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat zij hun verplichtingen nakomen. Om voor volledige informatieverstrekking betreffende dergelijke initiatieven te zorgen, dient in deze richtlijn ook te worden verwezen naar de mogelijkheid voor de Commissie en de lidstaten om de verspreiding van informatie over dergelijke initiatieven en de resultaten ervan te faciliteren. De Commissie moet, in samenwerking met de lidstaten, ten behoeve van ondernemingen richtsnoeren uitvaardigen met geschiktheidscriteria en een methode om de geschiktheid van initiatieven van de sector en van meerdere belanghebbenden te beoordelen. Ondernemingen kunnen ook een beroep doen op verificatie door een onafhankelijke derde betreffende of op verzoek van ondernemingen binnen hun activiteitenketens om de naleving van hun verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid te ondersteunen, voor zover dergelijke verificaties geschikt zijn om de nakoming van de desbetreffende verplichtingen te ondersteunen. Verificatie door een onafhankelijke derde partij kan worden uitgevoerd door andere ondernemingen of door een initiatief van de sector of van meerdere belanghebbenden. Onafhankelijke externe verificateurs moeten objectief en volledig onafhankelijk van de onderneming handelen, vrij zijn van belangenconflicten, vrij blijven van directe of indirecte beïnvloeding van buitenaf, en zich onthouden van handelingen die onverenigbaar zijn met hun onafhankelijkheid. Afhankelijk van de aard van het negatieve effect moeten zij over ervaring en bekwaamheid beschikken op het gebied van milieu- of mensenrechtenkwesties en moeten zij verantwoordelijk worden gehouden voor de kwaliteit en betrouwbaarheid van de verificatie. De Commissie moet, in samenwerking met de lidstaten, ten behoeve van ondernemingen richtsnoeren verstrekken met geschiktheidscriteria en een methode om de geschiktheid van externe verificateurs te beoordelen, alsook richtsnoeren om de nauwkeurigheid, doeltreffendheid en integriteit van de verificatie door derde partijen te monitoren. Deze richtsnoeren zijn van essentieel belang om de tekortkomingen van ondoeltreffende audits aan te pakken. Ondernemingen die deelnemen aan initiatieven van de sector of van meerdere belanghebbenden of die gebruikmaken van verificatie door derden of contractbepalingen ter ondersteuning van de uitvoering van hun verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid, moeten nog steeds bestraft kunnen worden of aansprakelijk kunnen worden gesteld voor inbreuken op deze richtlijn en de daaruit voortvloeiende schade van slachtoffers.

(53)

Uit hoofde van de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid van deze richtlijn moet een onderneming, indien zij feitelijke negatieve effecten op de mensenrechten of het milieu vaststelt, passende maatregelen nemen om deze te beëindigen. Verwacht mag worden dat een onderneming in staat is een einde te maken aan feitelijke negatieve effecten in haar eigen activiteiten en die van haar dochterondernemingen. Er moet echter worden verduidelijkt dat, indien negatieve effecten niet kunnen worden beëindigd, ondernemingen de omvang van dergelijke effecten tot een minimum moeten beperken. Om de omvang van de negatieve effecten tot een minimum te beperken, moet een resultaat worden bereikt dat de beëindiging van het negatieve effect zo dicht mogelijk benadert. Daarom moet de onderneming op gezette tijden de omstandigheden die het onmogelijk maakten een einde te maken aan het negatieve effect, opnieuw beoordelen, alsmede of het negatieve effect kan worden beëindigd. Om ondernemingen juridische duidelijkheid en zekerheid te bieden, moet in deze richtlijn worden verduidelijkt welke maatregelen ondernemingen moeten nemen om een einde te maken aan feitelijke negatieve effecten op de mensenrechten en het milieu en om de omvang ervan tot een minimum te beperken, wanneer dit naargelang de omstandigheden relevant is. Bij de beoordeling van passende maatregelen om negatieve effecten te beëindigen of de omvang ervan tot een minimum te beperken, dient naar behoren rekening te worden gehouden met het zogenaamde “niveau van betrokkenheid van de onderneming bij een negatief effect”, in overeenstemming met de internationale kaders en met het vermogen van de onderneming om invloed uit te oefenen op de zakenpartner die het negatieve effect veroorzaakt of mede veroorzaakt. Ondernemingen moeten passende maatregelen nemen om de negatieve effecten die zij zelf veroorzaken (de zogenaamde “oorzaak” van de negatieve effecten als bedoeld in het internationale kader) of samen met hun dochterondernemingen of zakenpartners veroorzaken (de zogenaamde “bijdrage” aan de negatieve effecten als bedoeld in het internationale kader), te beëindigen of de omvang ervan tot een minimum te beperken. Dit geldt ongeacht of derde partijen buiten de activiteitenketen van de onderneming ook het negatieve effect veroorzaken. Het gezamenlijk veroorzaken van het negatieve effect is niet beperkt tot de gelijke betrokkenheid van de onderneming en haar dochteronderneming of zakenpartner bij het negatieve effect, maar moet alle gevallen bestrijken waarin het handelen of nalaten van de onderneming het negatieve effect heeft veroorzaakt in combinatie met het handelen of nalaten van dochterondernemingen of zakenpartners, onder meer indien de onderneming het veroorzaken van een negatief effect door een zakenpartner substantieel faciliteert of stimuleert, met uitzondering van minder belangrijke of onbeduidende bijdragen. Wanneer ondernemingen de negatieve effecten die zich in hun activiteitenketens voordoen, niet zelf of samen met andere juridische entiteiten veroorzaken, maar de negatieve effecten alleen door hun zakenpartner worden veroorzaakt in de activiteitenketens van de ondernemingen (het zogenaamde “rechtstreeks in verband worden gebracht met” het negatieve effect als bedoeld in het internationale kader), moeten zij toch hun invloed trachten te gebruiken om het door hun zakenpartners veroorzaakte negatieve effect te beëindigen of de omvang ervan tot een minimum te beperken, of hun invloed ter zake te vergroten. Het gebruik van alleen het begrip “oorzaak” van het negatieve effect in plaats van de bovengenoemde termen die in de internationale kaders worden gebruikt, voorkomt verwarring met bestaande juridische termen in de nationale rechtsstelsels en dekt tegelijkertijd dezelfde causale verbanden als die welke in deze kaders worden beschreven. In dit verband moet, in overeenstemming met de internationale kaders, de invloed van de onderneming op een zakenpartner enerzijds haar vermogen omvatten om de zakenpartner ertoe te bewegen negatieve effecten te beëindigen of de omvang ervan tot een minimum te beperken(bijvoorbeeld door middel van marktmacht, prekwalificatie-eisen of het koppelen van zakelijke stimulansen aan prestaties op het gebied van de mensenrechten en het milieu) en anderzijds de mate van invloed of hefboomwerking die de onderneming redelijkerwijs zou kunnen uitoefenen, bijvoorbeeld door samenwerking met de zakenpartner in kwestie of betrokkenheid bij een andere onderneming die de directe zakenpartner is van de zakenpartner die in verband wordt gebracht met het negatieve effect.

(54)

Om te voldoen aan de verplichting van deze richtlijn inzake het beëindigen en het tot een minimum beperken van de omvang van feitelijke negatieve effecten, moet van ondernemingen worden vereist dat zij, in voorkomend geval, de volgende passende maatregelen nemen. Indien dit noodzakelijk is omdat het negatieve effect niet onmiddellijk kan worden beëindigd, moeten ondernemingen een corrigerend actieplan opstellen en uitvoeren. Ondernemingen moeten trachten de contractuele garantie te verkrijgen van een directe zakenpartner dat deze ervoor zal zorgen dat de gedragscode en, indien nodig, het corrigerende actieplan worden nageleefd, onder meer door overeenkomstige contractuele garanties te vragen aan hun partners voor zover hun activiteiten deel uitmaken van de activiteitenketens van de ondernemingen. Contractuele garanties moeten zo worden opgesteld dat de verantwoordelijkheden op passende wijze door de onderneming en de zakenpartners worden gedeeld. De contractuele garanties moeten vergezeld gaan van passende maatregelen om de naleving te controleren. De onderneming mag echter alleen worden verplicht de contractuele garanties te vragen, aangezien het verkrijgen ervan kan afhangen van de omstandigheden. Ondernemingen moeten ook financiële of niet-financiële investeringen, aanpassingen of actualiseringen, doen die erop gericht zijn negatieve effecten te beëindigen of de omvang ervan tot een minimum te beperken, en moeten met andere ondernemingen samenwerken, met inachtneming van het Unierecht. In voorkomend geval moeten ondernemingen bedrijfsplannen, algemene strategieën en activiteiten, met inbegrip van inkooppraktijken, aanpassen en een inkoopbeleid ontwikkelen en gebruiken dat bijdraagt tot leefbare lonen en inkomens voor hun leveranciers en dat feitelijke negatieve effecten op de mensenrechten of het milieu niet stimuleert. Om hun passende zorgvuldigheid op doeltreffende en efficiënte wijze uit te oefenen, moeten ondernemingen ook de nodige wijzigingen of verbeteringen aanbrengen in hun ontwerp- en distributiepraktijken om negatieve effecten aan te pakken die zich zowel in het upstream- als in het downstreamdeel van hun activiteitenketens voordoen, vóór en nadat het product is vervaardigd. Het aannemen en aanpassen van zulke praktijken, indien nodig, kan bijzonder relevant zijn voor de onderneming, teneinde negatieve effecten in eerste instantie te voorkomen. Zulke maatregelen kunnen ook relevant zijn om negatieve effecten aan te pakken die gezamenlijk door de onderneming en haar zakenpartners worden veroorzaakt, bijvoorbeeld als gevolg van de termijnen of specificaties die de onderneming haar partners oplegt. Door de waarde beter te verdelen over de activiteitenketen dragen verantwoorde inkoop- of distributiepraktijken bovendien bij tot de bestrijding van kinderarbeid, die vaak voorkomt in landen of gebieden met hoge armoedecijfers. Ondernemingen moeten ook gerichte en evenredige steun verlenen aan een kmo die een zakenpartner van de onderneming is, indien dit in het licht van de middelen, kennis en beperkingen van de kmo noodzakelijk is, onder meer door toegang te verlenen of mogelijk te maken tot capaciteitsopbouw, opleiding of verbetering van beheersystemen, en, indien de naleving van de gedragscode of het corrigerend actieplan de levensvatbaarheid van de kmo in gevaar zou brengen, gerichte en evenredige financiële steun te verlenen, zoals directe financiering, leningen tegen lage rente, garanties voor continue inkoop of ondersteuning bij het verkrijgen van financiering. Het begrip “in gevaar brengen van de levensvatbaarheid van een kmo” moet worden geïnterpreteerd als het potentieel veroorzaken van het faillissement van de kmo of het in een situatie brengen van de kmo waarin een faillissement dreigt.

(55)

Om de volledige reeks opties voor de onderneming weer te geven in gevallen waarin feitelijke negatieve effecten niet konden worden aangepakt door de beschreven maatregelen, dient in deze richtlijn ook te worden verwezen naar de mogelijkheid voor de onderneming om contractuele garanties te vragen van de indirecte zakenpartner, teneinde naleving te bereiken van de gedragscode van de onderneming of een corrigerend actieplan, en passende maatregelen uit te voeren om te verifiëren of de indirecte zakenpartner de contractuele garanties nakomt.

(56)

Wanneer contractuele garanties worden verkregen van een kmo die een indirecte zakenpartner is, moeten ondernemingen beoordelen of de contractuele garanties vergezeld moeten gaan van passende maatregelen voor kmo’s. Wanneer de kmo verzoekt om ten minste een deel van de kosten te betalen, of indien de onderneming ermee instemt, moet de kmo de resultaten van de verificaties kunnen delen met andere ondernemingen.

(57)

Om ervoor te zorgen dat passende maatregelen voor het beëindigen of tot een minimum beperken van feitelijke negatieve effecten doeltreffend zijn, moeten ondernemingen hun betrokkenheid bij zakenpartners in hun activiteitenketens prioriteren, in plaats van, als laatste middel nadat pogingen om feitelijke negatieve effecten te beëindigen of de omvang ervan tot een minimum te beperken hebben gefaald, de zakelijke relatie te beëindigen. Deze richtlijn moet echter ook, voor gevallen waarin feitelijke negatieve effecten niet door zulke passende maatregelen kunnen worden beëindigd of de omvang ervan tot een minimum kunnen worden beperkt, verwijzen naar de verplichting voor ondernemingen om, als laatste redmiddel, af te zien van het aangaan van nieuwe of het uitbreiden van bestaande relaties met de partner in kwestie en, indien er een redelijk vooruitzicht op verandering bestaat, door de hefboomwerking van de onderneming te gebruiken of te vergroten door de zakelijke relatie met betrekking tot de betrokken activiteiten tijdelijk op te schorten, om onverwijld een versterkt corrigerend actieplan voor het specifieke negatieve effect vast te stellen en uit te voeren, met name een specifiek en passend tijdschema voor de vaststelling en uitvoering van alle daarin opgenomen maatregelen, waarin de onderneming ook op zoek kan gaan naar alternatieve zakenpartners. Factoren op basis waarvan wordt bepaald of het tijdschema voor de vaststelling en uitvoering van die maatregelen geschikt is, zijn onder meer de ernst van het negatieve effect, de noodzaak om verdere negatieve effecten op te sporen en maatregelen te nemen om deze te beëindigen of de omvang ervan tot een minimum te beperken, alsook de effecten voor kmo’s of kleine landbouwbedrijven. Ondernemingen moeten hun zakelijke relaties met de zakenpartner opschorten, wat hun hefboomwerking versterkt en de kans vergroot dat het effect wordt aangepakt. Indien er geen redelijke verwachting is dat die inspanningen zouden slagen, bijvoorbeeld in gevallen van door de staat opgelegde dwangarbeid, of indien de uitvoering van het versterkte corrigerend actieplan het negatieve effect niet heeft beëindigd of de omvang ervan tot een minimum beperkt, moet de onderneming verplicht worden de zakelijke relatie met betrekking tot de betrokken activiteiten te beëindigen indien het feitelijke negatieve effect ernstig is. Om ondernemingen in staat te stellen aan deze verplichting te voldoen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat er in de onder hun wetgeving vallende overeenkomsten een optie bestaat om de zakelijke relatie te beëindigen. Bij de beslissing om de zakelijke relatie te beëindigen of tijdelijk op te schorten, moet de onderneming beoordelen of redelijkerwijs kan worden verwacht dat de negatieve effecten daarvan duidelijk ernstiger zijn dan het negatieve effect dat niet kon worden beëindigd of waarvan de omvang niet afdoende tot een minimum kon worden beperkt. Indien ondernemingen de zakelijke relatie tijdelijk opschorten of beëindigen, moeten zij maatregelen nemen om de effecten van de opschorting of beëindiging te voorkomen, te verlichten of te beëindigen, de zakenpartner daarvan binnen een redelijke termijn kennisgeven en die beslissing voortdurend evalueren. Het is mogelijk dat samenwerking met een andere entiteit vereist is om negatieve effecten op het niveau van indirecte zakelijke relaties te beëindigen. In bepaalde gevallen kan samenwerking met een andere onderneming de enige realistische manier zijn om feitelijke negatieve effecten te beëindigen op het niveau van indirecte zakelijke relaties, met name indien de indirecte zakenpartner niet bereid is een overeenkomst met de onderneming te sluiten.

(58)

Indien een onderneming een feitelijk negatief effect heeft veroorzaakt of mede heeft veroorzaakt, moet die onderneming herstel bieden. De term “herstel” betekent terugkeer van de getroffen persoon of personen, gemeenschappen of het milieu naar een situatie die gelijkwaardig is aan of zo dicht mogelijk aansluit bij de situatie waarin zij zich zouden bevinden indien het feitelijke negatieve effect zich niet had voorgedaan, in verhouding tot de betrokkenheid van de onderneming bij het negatieve effect, ook door financiële of niet-financiële compensatie door de onderneming aan een of meer personen die door het feitelijke negatieve effect zijn getroffen en, in voorkomend geval, terugbetaling van de door overheidsinstanties voor alle noodzakelijke herstelmaatregelen gemaakte kosten. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat belanghebbenden die door een negatief effect getroffen zijn, niet verplicht zijn eerst herstel te eisen voordat zij een rechtsvordering instellen. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat, indien de onderneming het nalaat herstel te bieden terwijl zij het feitelijke negatieve effect wel heeft veroorzaakt of mede heeft veroorzaakt, de bevoegde toezichthoudende autoriteit de bevoegdheid heeft om, op eigen initiatief of naar aanleiding van gemotiveerde bezwaren die haar overeenkomstig deze richtlijn zijn meegedeeld, de onderneming te gelasten passend herstel te bieden. Dit doet in een dergelijke situatie geen afbreuk aan het opleggen van sancties voor inbreuken op krachtens deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen, noch aan de wettelijke aansprakelijkheid die voor een nationale rechter kan worden gevorderd. Wanneer het feitelijke negatieve effect alleen door de zakenpartner van de onderneming wordt veroorzaakt, kan de onderneming vrijwillig herstel bieden. De onderneming kan ook gebruikmaken van haar vermogen om invloed uit te oefenen op de zakenpartner die het negatieve effect veroorzaakt of mede veroorzaakt, om herstel mogelijk te maken.

(59)

Ondernemingen moeten personen en organisaties de mogelijkheid bieden om rechtstreeks klachten bij hen in te dienen in geval van gerechtvaardigde bezorgdheid over feitelijke of potentiële negatieve effecten op de mensenrechten en het milieu. Tot de personen en organisaties die dergelijke klachten kunnen indienen, moeten personen behoren die worden getroffen of redelijke gronden hebben om aan te nemen dat zij getroffen kunnen worden door een negatief effect, en de wettige vertegenwoordigers van die personen, zoals maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers, vakbonden en andere werknemersvertegenwoordigers die personen vertegenwoordigen die in de betrokken activiteitenketen werkzaam zijn, alsmede organisaties uit het maatschappelijk middenveld die actief zijn en ervaring hebben op gebieden die verband houden met het negatieve milieueffect waarop de klacht betrekking heeft. Ondernemingen moeten een eerlijke, openbaar beschikbare, toegankelijke, voorspelbare en transparante procedure vaststellen voor de behandeling van deze klachten en de desbetreffende werknemers, vakbonden en andere werknemersvertegenwoordigers over dergelijke procedures informeren. Ondernemingen moeten ook een toegankelijk mechanisme instellen dat personen en organisaties de mogelijkheid biedt kennisgevingen in te dienen wanneer zij informatie of zorgen hebben over feitelijke of potentiële negatieve effecten. Om de lasten voor ondernemingen te verminderen, moeten zij kunnen deelnemen aan gezamenlijke klachtenprocedures en kennisgevingsmechanismen, zoals gezamenlijk door ondernemingen, bijvoorbeeld door een groep ondernemingen, via brancheorganisaties, initiatieven van meerdere belanghebbenden of algemene kaderovereenkomsten, ingestelde procedures en mechanismen. De indiening van een kennisgeving of klacht mag geen voorwaarde zijn of de persoon die deze indient beletten om toegang te krijgen tot de procedure inzake gemotiveerde bezwaren of tot gerechtelijke of andere buitengerechtelijke mechanismen, zoals de nationale contactpunten van de OESO, wanneer deze bestaan. De bepalingen inzake de klachtenprocedure en het kennisgevingsmechanisme uit hoofde van deze richtlijn moeten van dien aard zijn dat wordt voorkomen dat de toegang tot de vertegenwoordigers van een onderneming leidt tot onredelijke verzoeken. Overeenkomstig de internationale normen moeten personen die klachten indienen, wanneer zij deze niet anoniem indienen, het recht hebben om van de onderneming een tijdige en passende follow-up te verlangen en met vertegenwoordigers op passend niveau van de onderneming bijeen te komen om feitelijke of potentiële ernstige negatieve effecten waarop de klacht betrekking heeft en mogelijk herstel te bespreken, waarbij wordt gemotiveerd waarom een klacht gegrond dan wel ongegrond werd geacht, en, ingeval de klacht gegrond werd geacht, informatie over de stappen en maatregelen die de onderneming heeft genomen of zal nemen. Ondernemingen moeten ook redelijkerwijs beschikbare maatregelen nemen om elke vorm van represaille te voorkomen door de vertrouwelijkheid van de identiteit van de persoon of organisatie die de klacht of kennisgeving heeft ingediend, te waarborgen, in overeenstemming met het nationale recht. De termen “eerlijk, openbaar beschikbaar, toegankelijk, voorspelbaar en transparant” moet worden opgevat in overeenstemming met beginsel 31 van de leidende beginselen van de VN, op grond waarvan procedures legitiem, toegankelijk, voorspelbaar, billijk, transparant, verenigbaar met rechten en een bron van permanente educatie moeten zijn, zoals ook vermeld in algemene opmerking nr. 16 van het VN-Comité inzake de rechten van het kind. Werknemers en hun vertegenwoordigers moeten ook naar behoren worden beschermd, en eventuele buitengerechtelijke herstelinspanningen mogen geen afbreuk doen aan de bevordering van collectieve onderhandelingen en de erkenning van vakbonden, en mogen in geen geval de rol van legitieme vakbonden of werknemersvertegenwoordigers bij het aankaarten van arbeidsgerelateerde geschillen ondermijnen. Ondernemingen moeten ervoor zorgen dat de kennisgevingsmechanismen en klachtenprocedures toegankelijk zijn voor belanghebbenden, rekening houdend met relevante belemmeringen.

(60)

Vanwege een bredere lijst van personen of organisaties die gerechtigd zijn een klacht in te dienen en een bredere waaier aan onderwerpen van klachten, moet de klachtenprocedure uit hoofde van deze richtlijn op juridisch vlak worden beschouwd als een afzonderlijk mechanisme ten opzichte van de internemeldingsprocedure die door ondernemingen is opgezet overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad (16). Indien de inbreuk op het Unierecht of het nationale recht die onder het materiële toepassingsgebied van deze richtlijn valt, kan worden beschouwd als een negatief effect en de melder een werknemer van een onderneming is die rechtstreeks door het negatieve effect wordt getroffen, kan die persoon gebruikmaken van beide procedures: het klachtenmechanisme overeenkomstig deze richtlijn en een internemeldingsprocedure overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/1937. Indien echter aan een van de bovenstaande voorwaarden niet is voldaan, moet de persoon slechts via een van de procedures kunnen handelen.

(61)

Ondernemingen moeten toezicht houden op de uitvoering en doeltreffendheid van hun maatregelen inzake passende zorgvuldigheid. Zij moeten hun eigen activiteiten, die van hun dochterondernemingen en, indien deze verband houden met de activiteitenketen van de onderneming, die van hun zakenpartners periodiek evalueren om de uitvoering ervan te beoordelen en de toereikendheid en doeltreffendheid van het vaststellen, voorkomen, tot een minimum beperken, beëindigen en verlichten van negatieve effecten te monitoren. Bij deze beoordelingen moet worden nagegaan of negatieve effecten naar behoren zijn vastgesteld, of maatregelen inzake passende zorgvuldigheid zijn uitgevoerd en of negatieve effecten daadwerkelijk zijn voorkomen of beëindigd. Om ervoor te zorgen dat deze beoordelingen actueel zijn, moeten zij zodra zich een significante wijziging voordoet onverwijld, maar ten minste elke twaalf maanden worden uitgevoerd, en moeten zij tussentijds worden herzien indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er zich nieuwe risico’s op negatieve effecten hebben kunnen voordoen. Onder significante wijziging moet worden verstaan een wijziging van de status quo van de eigen activiteiten van de onderneming, activiteiten van haar dochterondernemingen of zakenpartners, van het juridische of ondernemingsklimaat of elke andere substantiële verschuiving met betrekking tot de situatie van de onderneming of haar operationele context. Voorbeelden van een significante wijziging zijn gevallen waarin de onderneming actief wordt in een nieuwe economische sector of een nieuw geografisch gebied, nieuwe producten begint te produceren of de manier wijzigt waarop de bestaande producten worden geproduceerd met behulp van technologie met mogelijk grotere negatieve effecten, of haar bedrijfsstructuur wijzigt door middel van herstructureringen of via fusies of overnames. Redelijke gronden om aan te nemen dat er sprake is van nieuwe risico’s kunnen op verschillende manieren ontstaan, onder meer door te vernemen over het negatieve effect uit openbaar beschikbare informatie, door samenwerking met belanghebbenden of via kennisgevingen. Ondernemingen moeten de documentatie waaruit blijkt dat zij dit vereiste naleven gedurende ten minste vijf jaar bewaren. Dergelijke documentatie moet, in voorkomend geval, ten minste de vastgestelde effecten en diepgaande beoordelingen omvatten op grond van artikel 8, alsook het preventief en/of corrigerend actieplan op grond van artikel 10, lid 2, punt a), en artikel 11, lid 3, punt b), contractuele bepalingen die zijn verkregen of contracten die zijn gesloten op grond van artikel 10, lid 2, punt b), artikel 10, lid 4, artikel 11, lid 3, punt c), en artikel 11, lid 5, verificaties op grond van artikel 10, lid 5, en artikel 11, lid 6, herstelmaatregelen, periodieke beoordelingen als onderdeel van de toezichtsverplichting van de onderneming, alsmede kennisgevingen en klachten. Financiële ondernemingen mogen alleen periodieke beoordelingen uitvoeren van hun eigen activiteiten, van die van hun dochterondernemingen en die van hun upstream zakenpartners.

(62)

Zoals het geval is bij de bestaande internationale normen die zijn vastgelegd in de richtsnoeren van de VN en het OESO-kader, moet volgens de eis van passende zorgvuldigheid extern relevante informatie worden verstrekt over het beleid, de procedures en de verrichte activiteiten in het kader van passende zorgvuldigheid teneinde feitelijke of potentiële negatieve effecten vast te stellen en aan te pakken, met inbegrip van de bevindingen en de resultaten van die activiteiten. Richtlijn 2013/34/EU bevat relevante verplichtingen met betrekking tot verslaglegging voor ondernemingen die onder deze richtlijn vallen. Daarnaast bevat Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad (17) nog meer verslagleggingsverplichtingen betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector voor financiële ondernemingen. Om dubbele verplichtingen met betrekking tot verslaglegging te vermijden, mogen bij deze richtlijn derhalve geen nieuwe verslagleggingsverplichtingen worden ingevoerd naast die welke krachtens Richtlijn 2013/34/EU gelden voor de ondernemingen die onder die Richtlijn 2013/34/EU vallen, noch verslagleggingsnormen die krachtens die richtlijn moeten worden ontwikkeld. Om te voldoen aan hun verplichting om in het kader van de passende zorgvuldigheid uit hoofde van deze richtlijn te communiceren, moeten ondernemingen binnen een redelijke termijn, maar uiterlijk twaalf maanden na de balansdatum van het boekjaar waarvoor de verklaring wordt opgesteld, op hun website een jaarlijkse verklaring publiceren in ten minste een van de officiële talen van de Unie, tenzij de onderneming onderworpen is aan de duurzaamheidsrapporteringsvereisten van Richtlijn 2013/34/EU. In gevallen waarin een onderneming niet verplicht is te rapporteren overeenkomstig artikel 19 bis of artikel 29 bis van Richtlijn 2013/34/EU, moet de verklaring uiterlijk op de datum van publicatie van de jaarrekeningen worden gepubliceerd. De jaarlijkse verklaring moet worden ingediend bij de aangewezen verzamelende instantie met het oog op het toegankelijk maken ervan op het uit hoofde van Verordening (EU) 2023/2859 van het Europees Parlement en de Raad (18) opgerichte Europees centraal toegangspunt (European Single Access Point — ESAP). Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van de regels inzake op het ESAP toegankelijke informatie te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Om de rechtszekerheid te vergroten, moet de bijlage bij Verordening (EU) 2023/2859 worden gewijzigd door toevoeging van een verwijzing naar deze richtlijn.

(63)

Het voorschrift voor ondernemingen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en die tegelijkertijd onderworpen zijn aan rapporteringsvereisten uit hoofde van de artikelen 19 bis, 29 bis en 40 bis van Richtlijn 2013/34/EU en derhalve moeten rapporteren over hun procedure inzake passende zorgvuldigheid zoals bepaald in de artikelen 19 bis, 29 bis en 40 bis van Richtlijn 2013/34/EU, moet worden opgevat als een vereiste voor ondernemingen om te beschrijven op welke manier zij uitvoering geven aan passende zorgvuldigheid als voorzien in deze richtlijn.

(64)

Het is niet de doelstelling van deze richtlijn ondernemingen te verplichten intellectueel kapitaal, intellectuele eigendom, knowhow of de resultaten van innovatie openbaar te maken die als bedrijfsgeheim, zoals gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2016/943, zouden worden aangemerkt. De in deze richtlijn vastgestelde rapporteringsvereisten moeten Richtlijn (EU) 2016/943 dan ook onverlet laten. Deze richtlijn moet ook van toepassing zijn zonder afbreuk te doen aan Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad (19).

(65)

Om zinvolle passende zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten en milieu te betrachten, moeten ondernemingen passende maatregelen nemen om doeltreffend met belanghebbenden samen te werken teneinde de maatregelen inzake passende zorgvuldigheid uit te voeren. Onverminderd Richtlijn (EU) 2016/943 moet doeltreffende samenwerking betrekking hebben op het verstrekken van relevante en uitgebreide informatie aan geraadpleegde belanghebbenden, alsook op doorlopende raadplegingen die echte interactie en dialoog op het passende niveau, zoals op project- of locatieniveau, en met een passende frequentie mogelijk maken. Tijdens betekenisvolle samenwerking met geraadpleegde belanghebbenden moet naar behoren rekening worden gehouden met belemmeringen voor samenwerking, moet ervoor worden gezorgd dat belanghebbenden niet te maken krijgen met vergelding en wraak, onder meer door de vertrouwelijkheid en anonimiteit te bewaren, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de behoeften van kwetsbare belanghebbenden en aan overlappende kwetsbaarheden en intersectionaliteit, onder meer door rekening te houden met mogelijk getroffen groepen of gemeenschappen, bijvoorbeeld groepen of gemeenschappen die worden beschermd door Verklaring van de VN over de rechten van inheemse volken en door de Verklaring van de VN over mensenrechtenverdedigers. Er kunnen zich situaties voordoen waarbij het niet mogelijk is een zinvolle dialoog aan te gaan met de geraadpleegde belanghebbenden, of waarbij het betrekken van meer deskundige perspectieven nuttig kan zijn om ervoor te zorgen dat de onderneming volledig aan de voorschriften van deze richtlijn kan voldoen. In dergelijke gevallen moeten ondernemingen daarnaast ook deskundigen raadplegen, zoals maatschappelijke organisaties of natuurlijke personen of rechtspersonen die de mensenrechten of het milieu verdedigen, om betrouwbare inzichten te verwerven in feitelijke of potentiële negatieve effecten. De raadpleging van werknemers en hun vertegenwoordigers moet worden uitgevoerd overeenkomstig de desbetreffende Uniewetgeving en, indien van toepassing, nationaal recht en collectieve overeenkomsten, en mag geen afbreuk doen aan hun geldende rechten op informatie, raadpleging en participatie, en met name niet aan de rechten die onder de toepasselijke Uniewetgeving inzake arbeids- en sociale rechten vallen, waaronder Richtlijn 2001/86/EG van de Raad (20) en de Richtlijnen 2002/14/EG (21) en 2009/38/EG (22) van het Europees Parlement en de Raad. Voor de toepassing van deze richtlijn moeten onder werknemers ook uitzendkrachten en andere werknemers in atypische arbeidsvormen worden verstaan, mits zij voldoen aan de door het HvJ-EU vastgestelde criteria voor het bepalen van de status van werknemer. Bij het houden van raadplegingen moeten ondernemingen een beroep kunnen doen op initiatieven van de sector voor zover die geschikt zijn om een doeltreffende samenwerking te ondersteunen. Het gebruik van initiatieven van de sector of van meerdere belanghebbenden volstaat op zich niet om te voldoen aan de verplichting om werknemers en hun vertegenwoordigers te raadplegen.

(66)

Om ondernemingen instrumenten te bieden om hen te helpen de vereisten inzake passende zorgvuldigheid in hun activiteitenketens na te leven, moet de Commissie, in overleg met de lidstaten en de belanghebbenden, richtsnoeren verstrekken voor modelcontractbepalingen die ondernemingen vrijwillig als instrument kunnen gebruiken om hen te helpen aan hun verplichtingen uit hoofde van de artikelen 10 en 11 te voldoen. De richtsnoeren moeten gericht zijn op het vergemakkelijken van een duidelijke taakverdeling tussen de overeenkomstsluitende partijen en de lopende samenwerking, op een wijze die voorkomt dat de verplichtingen zoals bepaald in deze richtlijn aan een zakenpartner worden overgedragen en de overeenkomst automatisch nietig wordt verklaard in geval van een inbreuk. De richtsnoeren moeten het beginsel weerspiegelen dat louter het gebruik van contractuele garanties op zich niet volstaat om te voldoen aan de normen voor passende zorgvuldigheid zoals bepaald in deze richtlijn.

(67)

Teneinde ondernemingen of autoriteiten van de lidstaten steun en praktische instrumenten te bieden voor de wijze waarop ondernemingen op een praktische wijze aan hun verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid moeten voldoen, en teneinde belanghebbenden te ondersteunen, moet de Commissie, op basis van de desbetreffende internationale richtsnoeren en normen en in overleg met de lidstaten en belanghebbenden, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, het Europees Milieuagentschap, de Europese Arbeidsautoriteit en, waar passend, internationale organisaties en andere instanties die deskundig zijn op het gebied van passende zorgvuldigheid, richtsnoeren uitvaardigen, ook algemene richtsnoeren en richtsnoeren voor specifieke sectoren of specifieke negatieve effecten en voor de wisselwerking tussen deze richtlijn en andere wetgevingshandelingen van de Unie die dezelfde doelstellingen nastreven en die voorzien in uitgebreidere of specifiekere verplichtingen.

(68)

Digitale instrumenten en technologieën, zoals die welke worden gebruikt voor opsporing, monitoring of tracering van grondstoffen, goederen en producten in waardeketens, bijvoorbeeld satellieten, drones, radars of platformgebaseerde oplossingen, kunnen de kosten van gegevensverzameling voor het beheer van waardeketens ondersteunen en verlagen, met inbegrip van het vaststellen en beoordelen, voorkomen en beperken van negatieve effecten en het monitoren van de doeltreffendheid van maatregelen inzake passende zorgvuldigheid. Om ondernemingen te helpen hun verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in hun hele waardeketen na te komen, moet het gebruik van dergelijke instrumenten en technologieën worden aangemoedigd en bevorderd. Daartoe moet de Commissie richtsnoeren opstellen met nuttige informatie en verwijzingen naar passende middelen. Bij het gebruik van digitale instrumenten en technologieën moeten ondernemingen rekening houden met mogelijke risico’s en hier op passende wijze mee omgaan, en mechanismen invoeren om de geschiktheid van de verkregen informatie te controleren.

(69)

Hoewel kmo’s niet onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, kunnen zij als aannemers of onderaannemers van de ondernemingen die wel onder het toepassingsgebied vallen door de bepalingen ervan worden getroffen. Het doel is niettemin de financiële of administratieve lasten voor kmo’s te verlichten, waarvan vele het al moeilijk hebben in de context van de wereldwijde economische en gezondheidscrisis. Ter ondersteuning van kmo’s zouden de lidstaten, met steun van de Commissie, afzonderlijk of gezamenlijk, specifieke gebruiksvriendelijke websites, portalen of platformen moeten opzetten en exploiteren om informatie en steun aan ondernemingen te verstrekken, en zouden de lidstaten kmo’s ook financieel kunnen bijstaan en helpen bij hun capaciteitsopbouw. Een dergelijke ondersteuning kan ook toegankelijk worden gemaakt voor en zo nodig worden aangepast aan en uitgebreid tot upstream marktdeelnemers in derde landen. Ondernemingen waarvan de zakenpartners kmo’s zijn, worden ook aangemoedigd om kmo’s te steunen bij de naleving van maatregelen inzake passende zorgvuldigheid, en ten aanzien van de kmo’s eerlijke, redelijke, niet-discriminerende en evenredige eisen te hanteren.

(70)

De Commissie moet een centrale helpdesk betreffende passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid oprichten. Die centrale helpdesk moet kunnen samenwerken met en informatie kunnen opvragen bij de relevante nationale autoriteiten in elke lidstaat, waaronder nationale helpdesks als die bestaan, bijvoorbeeld om te helpen de informatie en richtsnoeren af te stemmen op nationale contexten en die te verspreiden, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de taak- en bevoegdheidsverdeling tussen de autoriteiten in de nationale systemen. De centrale helpdesk en relevante nationale autoriteiten moeten ook contact onderhouden met elkaar om grensoverschrijdende samenwerking te waarborgen.

(71)

Ter aanvulling van de steun van de lidstaten aan ondernemingen, met inbegrip van kmo’s, bij hun invoering van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid, kan de Commissie voortbouwen op bestaande instrumenten, projecten en andere maatregelen van de Unie die helpen bij de invoering van passende zorgvuldigheid in de Unie en in derde landen. Zij kan nieuwe steunmaatregelen opzetten die ondernemingen, waaronder kmo’s, hulp bieden bij de vereisten inzake passende zorgvuldigheid, waaronder een waarnemingspost voor de transparantie van de activiteitenketens en het vergemakkelijken van gezamenlijke initiatieven van de sector of van meerdere belanghebbenden.

(72)

De Commissie kan de steunmaatregelen van de lidstaten aanvullen door voort te bouwen op bestaande Uniemaatregelen ter ondersteuning van upstream marktdeelnemers bij het opbouwen van de capaciteit om negatieve effecten van hun activiteiten en zakelijke relaties op de mensenrechten en op het milieu doeltreffend te voorkomen en te verlichten, met bijzondere aandacht voor de uitdagingen waarmee kleine landbouwbedrijven te kampen hebben. De Unie en haar lidstaten worden, binnen hun respectieve bevoegdheden, aangemoedigd gebruik te maken van hun instrumenten op het gebied van nabuurschap, ontwikkeling en internationale samenwerking, waaronder handelsovereenkomsten, om regeringen van derde landen en upstream marktdeelnemers in derde landen te ondersteunen bij het aanpakken van de negatieve effecten op de mensenrechten en het milieu van hun activiteiten en upstream zakelijke relaties. Dit kan onder meer inhouden dat zij samenwerken met de regeringen van partnerlanden, de lokale particuliere sector en belanghebbenden bij het aanpakken van de onderliggende oorzaken van negatieve effecten op de mensenrechten en het milieu.

(73)

Deze richtlijn is een belangrijk wetgevingsinstrument om de transitie van bedrijven naar een duurzame economie te waarborgen, onder meer door de existentiële schade en kosten van klimaatverandering terug te dringen, te zorgen voor afstemming op wereldwijde nettonuluitstoot tussen nu en 2050, misleidende claims met betrekking tot een dergelijke afstemming te voorkomen en greenwashing, desinformatie en de wereldwijde expansie van fossiele brandstoffen een halt toe te roepen zodat internationale en Europese klimaatdoelstellingen kunnen worden verwezenlijkt. Om ervoor te zorgen dat deze richtlijn daadwerkelijk bijdraagt aan de bestrijding van de klimaatverandering, moeten ondernemingen een transitieplan voor beperking van de klimaatverandering vaststellen en uitvoeren dat er naar beste vermogen voor moet zorgen dat het bedrijfsmodel en de strategie van de onderneming verenigbaar zijn met de overgang naar een duurzame economie en met de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 oC overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs en de in Verordening (EU) 2021/1119 vastgelegde doelstelling inzake klimaatneutraliteit, met inbegrip van de tussentijdse klimaatneutraliteitsdoelstellingen en de klimaatneutraliteitsdoelstellingen voor 2050. Het plan moet, in voorkomend geval, betrekking hebben op de blootstelling van de onderneming aan steenkool-, olie- en gasgerelateerde activiteiten. Dergelijke vereisten moeten worden opgevat als een inspanningsverplichting en niet als een resultaatsverplichting. Aangezien het om een inspanningsverplichting gaat, moet terdege rekening worden gehouden met de vooruitgang die ondernemingen boeken en met de complexiteit en de veranderende aard van de klimaattransitie. Hoewel ondernemingen ernaar moeten streven de in hun plannen opgenomen broeikasgasemissiereductiedoelstellingen te halen, kunnen specifieke omstandigheden ertoe leiden dat het niet langer redelijk is te verwachten dat ondernemingen deze doelstellingen kunnen halen. In het plan moeten tijdgebonden, met klimaatverandering verband houdende streefcijfers voor 2030 en voorts in stappen van vijf jaar tot en met 2050 worden opgenomen die gebaseerd zijn op sluitend wetenschappelijk bewijs en die, in voorkomend geval, absolute emissiereductiedoelstellingen voor groeikasgasemissies voor de toepassingsgebieden 1, 2 en 3 omvatten. In het plan moeten uitvoeringsmaatregelen worden uitgewerkt om de klimaatdoelstellingen van de onderneming te behalen en het moet gebaseerd zijn op sluitend wetenschappelijk bewijsmateriaal, dat wil zeggen bewijsmateriaal met een onafhankelijke wetenschappelijke validatie dat strookt met de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 oC zoals vastgesteld door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) en rekening houdend met de aanbevelingen van de Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering. De toezichthoudende autoriteiten moeten ten minste toezicht houden op de vaststelling en het ontwerp van het plan en de actualiseringen ervan, in overeenstemming met de vereisten van deze richtlijn. Aangezien de inhoud van het transitieplan voor beperking van de klimaatverandering in overeenstemming moet zijn met de vereisten van Richtlijn 2013/34/EU op het gebied van duurzaamheidsrapportering door ondernemingen, moeten ondernemingen die een dergelijk plan uit hoofde van Richtlijn 2013/34/EU rapporteren, worden geacht te hebben voldaan aan de specifieke verplichting om uit hoofde van deze richtlijn een plan vast te stellen. Hoewel ervan wordt uitgegaan dat aan de vaststellingsverplichting is voldaan, moeten ondernemingen nog steeds voldoen aan hun verplichting om dit transitieplan voor beperking van de klimaatverandering uit te voeren en het elke twaalf maanden bij te werken om de geboekte vooruitgang ten aanzien van de doelstellingen ervan te beoordelen.

(74)

Met het oog op een doeltreffend toezicht op en, indien nodig, de handhaving van deze richtlijn ten aanzien van ondernemingen uit derde landen, moeten deze ondernemingen een naar behoren gemachtigde vertegenwoordiger in de Unie aanwijzen en informatie over hun gemachtigde vertegenwoordigers verstrekken. De gemachtigde vertegenwoordiger moet ook als contactpunt kunnen fungeren, mits aan de desbetreffende voorschriften van deze richtlijn is voldaan. Indien de onderneming uit een derde land de gemachtigde vertegenwoordiger niet aanwijst, moeten alle lidstaten waar de onderneming actief is, bevoegd zijn om de naleving van deze verplichting af te dwingen, met name om een natuurlijke of rechtspersoon aan te wijzen in een van de lidstaten waar zij actief is, overeenkomstig het in het nationale recht vastgelegde handhavingskader. De lidstaten die dergelijke handhaving initiëren, moeten via een Europees netwerk van toezichthoudende autoriteiten de toezichthoudende autoriteiten van de andere lidstaten op de hoogte brengen, om te voorkomen dat die lidstaten de verplichting ook afdwingen.

(75)

Om te zorgen voor het toezicht op de correcte uitvoering van de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid van de ondernemingen en voor een goede handhaving van deze richtlijn, moeten de lidstaten een of meer nationale toezichthoudende autoriteiten aanwijzen. Deze toezichthoudende autoriteiten moeten een publiek karakter hebben, onafhankelijk zijn van de ondernemingen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen of van andere marktbelangen, en vrij zijn van belangenconflicten en directe of indirecte beïnvloeding van buitenaf. Om hun bevoegdheden onpartijdig uit te oefenen, mogen deze toezichthoudende autoriteiten van niemand instructies vragen of aanvaarden. De lidstaten moeten er overeenkomstig het nationale recht voor zorgen dat elke toezichthoudende autoriteit de personele en financiële middelen krijgt die nodig zijn voor de doeltreffende uitvoering van haar taken en de uitoefening van haar bevoegdheden. Zij moeten het recht hebben om op eigen initiatief of op basis van gemotiveerde bezwaren die uit hoofde van deze richtlijn worden geuit, onderzoeken in te stellen. Deze onderzoeken zouden in voorkomend geval inspecties ter plaatse en het horen van relevante belanghebbenden kunnen omvatten. Indien er op grond van sectorale wetgeving bevoegde autoriteiten bestaan, kunnen de lidstaten deze aanwijzen als verantwoordelijken voor de toepassing van deze richtlijn op de gebieden die onder hun bevoegdheid vallen. De toezichthoudende autoriteiten moeten een jaarverslag op hun website publiceren en beschikbaar stellen over hun activiteiten in het verleden, met inbegrip van de ernstigste inbreuken die zijn vastgesteld. De lidstaten moeten een toegankelijk mechanisme opzetten voor het in ontvangst nemen van gemotiveerde bezwaren, kosteloos of met een tot de dekking van de administratieve kosten beperkte vergoeding, en ervoor zorgen dat het publiek praktische informatie krijgt over de wijze waarop dit recht kan worden uitgeoefend.

(76)

Om ervoor te zorgen dat de nationaalrechtelijke bepalingen tot omzetting van deze richtlijn daadwerkelijk worden gehandhaafd, moeten de lidstaten voorzien in afschrikkende, evenredige en doeltreffende sancties voor inbreuken op die maatregelen. Wil een dergelijke sanctieregeling doeltreffend zijn, dan moeten de door de nationale toezichthoudende autoriteiten op te leggen sancties geldboeten omvatten, evenals een publieke verklaring waarin de verantwoordelijke onderneming en de aard van de inbreuk worden vermeld indien de onderneming niet binnen de toepasselijke termijn voldoet aan het besluit tot oplegging van een geldboete. Deze sanctieregeling doet geen afbreuk aan de bevoegdheid om het in de handel brengen, het op de markt aanbieden en de uitvoer van producten uit hoofde van andere wetgevingshandelingen van de Unie die voorzien in uitgebreidere of specifiekere verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid, zoals Verordening (EU) 2023/1115, in te trekken of te verbieden. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de geldboete, wanneer deze wordt opgelegd, in verhouding staat tot de wereldwijde netto-omzet van de onderneming. Dit mag de lidstaten er echter niet toe verplichten de geldboete in alle gevallen uitsluitend op de netto-omzet van de onderneming te baseren. De lidstaten moeten overeenkomstig nationaal recht beslissen of de sancties rechtstreeks door de toezichthoudende autoriteiten, in samenwerking met andere autoriteiten of door een verzoek aan de bevoegde rechterlijke instanties, moeten worden opgelegd. Om publiek toezicht op de toepassing van de regels van deze richtlijn te waarborgen, moeten de besluiten van de toezichthoudende autoriteiten die sancties aan ondernemingen opleggen wegens niet-naleving van de nationaalrechtelijke bepalingen recht tot omzetting van deze richtlijn, openbaar worden gemaakt, naar het Europees netwerk van toezichthoudende autoriteiten worden gezonden en ten minste drie jaar publiek beschikbaar blijven. Het bekendgemaakte besluit mag geen persoonsgegevens bevatten overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (23). De bekendmaking van de naam van de onderneming moet toegestaan zijn, zelfs als deze de naam van een natuurlijke persoon bevat.

(77)

Om de kunstmatige vermindering van potentiële administratieve boeten te voorkomen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat er bij de berekening van een geldboete die wordt opgelegd aan een onderneming die tot een groep behoort, rekening wordt gehouden met de op het niveau van de uiteindelijke moederonderneming gerapporteerde geconsolideerde omzet.

(78)

Om een consistente toepassing en handhaving van de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen te waarborgen, moeten de nationale toezichthoudende autoriteiten samenwerken en hun optreden coördineren. Daartoe dient de Commissie een Europees netwerk van toezichthoudende autoriteiten op te richten en moeten de toezichthoudende autoriteiten elkaar helpen bij de uitvoering van hun taken en wederzijdse bijstand bieden.

(79)

Om ervoor te zorgen dat slachtoffers van negatieve effecten doeltreffende toegang tot de rechter en schadevergoeding hebben, moet van de lidstaten worden vereist dat zij regels vaststellen inzake de wettelijke aansprakelijkheid van ondernemingen voor schade die is toegebracht aan een natuurlijke of rechtspersoon, op voorwaarde dat de onderneming opzettelijk of uit onachtzaamheid heeft nagelaten potentiële negatieve effecten te voorkomen of te beperken of feitelijke effecten te beëindigen of de omvang ervan tot een minimum te beperken, en er als gevolg van een dergelijk verzuim schade is toegebracht aan de natuurlijke of rechtspersoon. Schade aan de beschermde wettelijke belangen van een persoon moet worden begrepen in overeenstemming met het nationale recht, bijvoorbeeld overlijden, lichamelijk of psychisch letsel, vrijheidsberoving, verlies van menselijke waardigheid of schade aan iemands eigendom. De voorwaarde dat de schade moet zijn toegebracht aan een persoon ten gevolge van de niet-naleving van de onderneming van de verplichting om het negatieve effect aan te pakken, wanneer het recht, het verbod of de verplichting vermeld in de bijlage bij deze richtlijn, waarvan het misbruik of de schending leidt tot het negatieve effect dat had moet worden aangepakt, bedoeld is ter bescherming van de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de schade is toegebracht, moet worden opgevat in de zin dat afgeleide schade (die indirect wordt toegebracht aan andere personen die niet het slachtoffer zijn van negatieve effecten en die niet worden beschermd door de in de bijlage bij deze richtlijn vermelde rechten, verbodsbepalingen of verplichtingen) niet wordt gedekt. Indien bijvoorbeeld een werknemer van een onderneming schade heeft geleden als gevolg van de schending door de onderneming van de veiligheidsnormen op de werkplek, mag de verhuurder van de woning van die werknemer geen vordering tegen de onderneming instellen wegens een economisch verlies dat is veroorzaakt doordat de werknemer de huur niet kan betalen. Causaliteit in de zin van wettelijke aansprakelijkheid wordt niet geregeld door deze richtlijn, met uitzondering van het feit dat de ondernemingen niet aansprakelijk mogen worden gesteld uit hoofde van deze richtlijn indien de schade alleen wordt veroorzaakt door de zakenpartners in de activiteitenketens van de ondernemingen (het zogenaamde “rechtstreeks in verband worden gebracht met” als bedoeld in het internationale kader). Slachtoffers moeten recht hebben op volledige vergoeding van de berokkende schade overeenkomstig het nationale recht en in overeenstemming met dat gemeenschappelijke beginsel. Afschrikking door middel van schadevergoeding (schadevergoeding met een punitief karakter) of enige andere vorm van overcompensatie moet worden verboden.

(80)

Aangezien de negatieve effecten moeten worden geprioriteerd op basis van de ernst en waarschijnlijkheid ervan en geleidelijk moeten worden aangepakt, mag een onderneming, indien het niet mogelijk is alle door haar vastgestelde negatieve effecten in één keer volledig te verhelpen, uit hoofde van deze richtlijn niet aansprakelijk zijn voor schade die het gevolg is van minder significante negatieve effecten die nog niet zijn aangepakt. De juistheid van de prioritering van negatieve effecten door de onderneming moet echter worden beoordeeld bij het bepalen of aan de voorwaarden voor de aansprakelijkheid van de onderneming is voldaan in het kader van de beoordeling of de onderneming haar verplichting om de door haar vastgestelde negatieve effecten adequaat aan te pakken, niet is nagekomen.

(81)

De aansprakelijkheidsregeling regelt niet wie moet bewijzen dat in de gegeven omstandigheden aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan of onder welke voorwaarden de civiele procedure kan worden ingeleid, en deze kwesties worden dus aan het nationale recht overgelaten.

(82)

Om het recht op een doeltreffende voorziening in rechte te waarborgen, zoals verankerd in artikel 2, lid 3, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, artikel 8 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en artikel 9, lid 3, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus), wordt in deze richtlijn ingegaan op een aantal praktische en procedurele belemmeringen voor een eerlijk proces waar slachtoffers van negatieve effecten mee te maken kunnen krijgen, waaronder problemen bij de toegang tot bewijsmateriaal, de beperkte verjaringstermijnen, het ontbreken van adequate mechanismen voor representatieve vorderingen en de buitensporige kosten van wettelijkeaansprakelijkheidsprocedures.

(83)

Indien een eiser een rechtsvordering instelt, vergezeld van een met redenen omklede motivering met daarin alle redelijkerwijs beschikbare feiten en bewijzen die een schadevordering aannemelijk maken, en indien de eiser daarbij aangeeft dat de onderneming controle heeft over aanvullende bewijzen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de rechterlijke instanties kunnen bevelen dat deze bewijzen door de onderneming openbaar worden gemaakt overeenkomstig het nationale procesrecht, waarbij een dergelijke openbaarmaking wordt beperkt tot wat noodzakelijk en evenredig is. Daartoe houden nationale rechterlijke instanties rekening met de mate waarin de vordering of het verweer wordt gestaafd door beschikbare feiten en bewijzen die het verzoek om openbaarmaking rechtvaardigen, de omvang en de kosten van de openbaarmaking, alsmede de rechtmatige belangen van alle betrokken partijen, waaronder voorkoming van niet-specifieke zoekopdrachten naar informatie die voor de partijen in de procedure waarschijnlijk niet relevant is. Wanneer dergelijke bewijzen vertrouwelijke informatie bevatten, moeten nationale rechterlijke instanties de openbaarmaking ervan alleen kunnen bevelen indien zij die bewijzen relevant achten voor de schadevordering en moeten zij doeltreffende maatregelen nemen om die informatie te beschermen.

(84)

De lidstaten moeten voorzien in de redelijke voorwaarden waaronder een vermeend benadeelde partij toestemming moet kunnen verlenen aan een vakbond, niet-gouvernementele mensenrechten- of milieuorganisatie of een andere niet-gouvernementele organisatie en, overeenkomstig het nationale recht, aan in ongeacht welke lidstaat gevestigde nationale mensenrechteninstellingen, om wettelijkeaansprakelijkheidsvorderingen in te stellen teneinde de rechten van de vermeende benadeelde partij af te dwingen, indien die entiteiten voldoen aan de vereisten van het nationale recht, bijvoorbeeld wanneer zij zelf een blijvende aanwezigheid hebben en, overeenkomstig hun statuten, niet commercieel en niet slechts tijdelijk betrokken zijn bij de uitoefening van rechten die krachtens deze richtlijn of de overeenkomstige rechten in het nationale recht worden beschermd. Dat kan worden bereikt door bepalingen van nationaal burgerlijk procesrecht inzake toestemming om het slachtoffer te vertegenwoordigen in het kader van de tussenkomst van een derde, op basis van de uitdrukkelijke toestemming van de vermeende benadeelde partij, en mag niet worden uitgelegd als een verplichting voor de lidstaten om de hun nationaalrechtelijke bepalingen inzake representatieve vorderingen als gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad (24) uit te breiden.

(85)

Verjaringstermijnen voor wettelijkeaansprakelijkheidsvorderingen moeten ten minste vijf jaar bedragen en mogen in geen geval korter zijn dan de verjaringstermijn uit hoofde van nationale algemene wettelijkeaansprakelijkheidsregelingen. Nationale regels inzake het begin, de duur, de schorsing of de stuiting van verjaringstermijnen mogen geen onnodige belemmering vormen voor aansprakelijkheidsvorderingen en mogen in geen geval restrictiever zijn dan de regels inzake de nationale algemene wettelijkeaansprakelijkheidsregelingen.

(86)

Bovendien moeten eisers, teneinde rechtsmiddelen te waarborgen, om voorlopige of definitieve maatregelen tot staking kunnen verzoeken om inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen te beëindigen door ofwel een handeling te verrichten ofwel een gedraging te beëindigen.

(87)

Wat de wettelijkeaansprakelijkheidsregels betreft, laat de wettelijke aansprakelijkheid van een onderneming voor schade die voortvloeit uit het feit dat zij niet de vereiste passende zorgvuldigheid heeft betracht, de wettelijke aansprakelijkheid van haar dochterondernemingen of de respectieve wettelijke aansprakelijkheid van directe en indirecte zakenpartners in haar activiteitenketen onverlet. Indien de onderneming de schade samen met haar dochteronderneming of zakenpartner heeft veroorzaakt, moet zij samen met deze dochteronderneming of zakenpartner hoofdelijk aansprakelijk zijn. Dit moet in overeenstemming zijn met het nationale recht inzake de voorwaarden voor hoofdelijke aansprakelijkheid en doet geen afbreuk aan nationale of Uniewetgeving inzake hoofdelijke aansprakelijkheid en inzake regresrechten voor de volledige schadevergoeding die door één hoofdelijk aansprakelijke partij wordt betaald.

(88)

De wettelijkeaansprakelijkheidsregels van deze richtlijn mogen geen afbreuk doen aan nationale of Unieregels inzake wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot negatieve effecten op de mensenrechten of negatieve milieueffecten die voorzien in aansprakelijkheid in situaties die niet onder deze richtlijn vallen of die strenger zijn dan de aansprakelijkheidsregels van deze richtlijn. Een strengere aansprakelijkheidsregeling moet ook worden opgevat als een nationale wettelijkeaansprakelijkheidsregeling die ook in aansprakelijkheid voorziet in gevallen waarin de toepassing van de aansprakelijkheidsregels uit hoofde van deze richtlijn niet tot aansprakelijkheid van de onderneming zou leiden.

(89)

Wat de wettelijke aansprakelijkheid voor negatieve milieueffecten betreft, kunnen personen die schade hebben geleden, een vergoeding eisen op grond van deze richtlijn, ook wanneer dergelijke claims overlappen met schadevorderingen op het gebied van de mensenrechten.

(90)

Om ervoor te zorgen dat slachtoffers van schendingen van de mensenrechten en van milieuschade een vordering tot schadevergoeding kunnen instellen en vergoeding kunnen eisen voor schade die is toegebracht doordat de onderneming opzettelijk of uit onachtzaamheid de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid niet is nagekomen, moet deze richtlijn de lidstaten verplichten ervoor te zorgen dat de nationaalrechtelijke bepalingen tot omzetting van de wettelijkeaansprakelijkheidsregeling waarin deze richtlijn voorziet, prevaleren in gevallen waarin het recht dat op dergelijke vorderingen van toepassing is niet het nationale recht van een lidstaat is, zoals het geval zou kunnen zijn volgens de regels van het internationaal privaatrecht wanneer de schade zich in een derde land voordoet. Dit betekent dat de lidstaten er ook voor moeten zorgen dat de vereisten met betrekking tot de vraag welke natuurlijke of rechtspersonen de vordering kan instellen, de verjaringstermijnen en de openbaarmaking van bewijzen prevaleren. Bij het omzetten van de wettelijkeaansprakelijkheidsregeling waarin deze richtlijn voorziet en bij het kiezen van de methoden om dergelijke resultaten te bereiken, moeten de lidstaten ook rekening kunnen houden met alle daarmee verband houdende nationale voorschriften, voor zover deze noodzakelijk zijn om de bescherming van slachtoffers te waarborgen en van cruciaal belang zijn voor de bescherming van de publieke belangen van de lidstaten, zoals de politieke, sociale of economische organisatie.

(91)

De wettelijkeaansprakelijkheidsregeling van deze richtlijn laat Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad (25) onverlet. Deze richtlijn mag de lidstaten niet beletten verdere, strengere verplichtingen aan ondernemingen op te leggen of anderszins verdere maatregelen te nemen die dezelfde doelstellingen hebben als Richtlijn 2004/35/EG.

(92)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat naleving van de verplichtingen op grond van de nationaalrechtelijke bepalingen tot omzetting van deze richtlijn, of vrijwillige uitvoering daarvan, wordt aangemerkt als een milieu- en/of sociaal aspect of element dat aanbestedende diensten, overeenkomstig Richtlijnen 2014/23/EU (26), 2014/24/EU (27) en 2014/25/EU (28) van het Europees Parlement en de Raad, in aanmerking kunnen nemen als criteria bij de gunning van overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten of kunnen vaststellen met betrekking tot de uitvoering van dergelijke overeenkomsten. Aanbestedende diensten en aanbestedende instanties kunnen krachtens die richtlijnen, in voorkomend geval, elke marktdeelnemer van deelname aan een aanbestedingsprocedure of een concessiegunningsprocedure uitsluiten of door de lidstaten worden verplicht deze van deelname daaraan uit te sluiten, indien zij met een passend middel kunnen aantonen dat er sprake is van een schending van de toepasselijke verplichtingen op het gebied van het milieu-, sociaal en arbeidsrecht, met inbegrip van de verplichtingen die voortvloeien uit bepaalde internationale overeenkomsten die door alle lidstaten zijn geratificeerd en in die richtlijnen zijn vermeld, of dat de marktdeelnemer bij de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, waardoor zijn integriteit in twijfel kan worden getrokken. Om te zorgen voor consistentie van de Uniewetgeving en de uitvoering ervan te ondersteunen, moet de Commissie nagaan of het relevant is om een of meer van deze richtlijnen bij te werken, met name wat betreft de vereisten en maatregelen die de lidstaten moeten vaststellen om te waarborgen dat verplichtingen inzake duurzaamheid en passende zorgvuldigheid tijdens de gehele aanbestedingsprocedure en de concessieprocedure worden nageleefd.

(93)

Personen die werken voor ondernemingen die aan in deze richtlijn bepaald verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid zijn onderworpen, of die in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten met dergelijke ondernemingen in contact staan, kunnen een sleutelrol spelen bij het onthullen van inbreuken op de nationaalrechtelijke bepalingen tot omzetting van deze richtlijn. Zij kunnen derhalve bijdragen tot het voorkomen en ontmoedigen van dergelijke inbreuken en tot het versterken van de handhaving van deze richtlijn. Richtlijn (EU) 2019/1937 moet daarom van toepassing zijn op het melden van alle inbreuken op de nationaalrechtelijke bepalingen tot omzetting van deze richtlijn en op de bescherming van personen die dergelijke inbreuken melden.

(94)

Om de rechtszekerheid te vergroten, moet de toepasselijkheid, op grond van deze richtlijn, van Richtlijn (EU) 2019/1937 op meldingen van inbreuken op de nationaalrechtelijke bepalingen tot omzetting van deze richtlijn en op de bescherming van personen die dergelijke inbreuken melden, in Richtlijn (EU) 2019/1937 worden opgenomen. De bijlage bij Richtlijn (EU) 2019/1937 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. Het is aan de lidstaten om ervoor te zorgen dat die wijziging tot uitdrukking komt in de omzettingsmaatregelen die zij overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/1937 vaststellen.

(95)

Teneinde te specificeren welke informatie ondernemingen die niet zijn onderworpen aan de rapporteringsvereisten op grond van de bepalingen van Richtlijn 2013/34/EU op het gebied van duurzaamheidsrapportering door ondernemingen, bekend moeten maken inzake aangelegenheden die onder deze richtlijn vallen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot het vastleggen van aanvullende regels betreffende de inhoud en de criteria van deze rapportering, waarbij informatie over de beschrijving van passende zorgvuldigheid, de feitelijke en potentiële effecten en de op dat gebied genomen maatregelen wordt gespecificeerd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (29). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(96)

Deze richtlijn moet worden toegepast overeenkomstig het Unierecht inzake gegevensbescherming en het recht op de bescherming van het privéleven en persoonsgegevens zoals vastgelegd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest. Elke verwerking van persoonsgegevens uit hoofde van deze richtlijn moet worden uitgevoerd in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679, met inbegrip van de vereisten inzake doelbinding, minimale gegevensverwerking en opslagbeperking.

(97)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (30) en heeft op 17 maart 2022 een advies uitgebracht.

(98)

De Commissie moet periodiek verslag uitbrengen aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van deze richtlijn en hoe doeltreffend de richtlijn is in het verwezenlijken van de doelstellingen, en dan met name in het aanpakken van negatieve effecten. Het eerste verslag dient onder meer betrekking te hebben op de effecten van deze richtlijn op kmo’s, het toepassingsgebied van deze richtlijn wat betreft de betrokken ondernemingen, de vraag of de definitie van de term “activiteitenketen” moet worden herzien, of de bijlage bij deze richtlijn moet worden gewijzigd en of de lijst van relevante internationale overeenkomsten waarnaar in deze richtlijn wordt verwezen, moet worden gewijzigd, met name in het licht van internationale ontwikkelingen, dan wel of de regels inzake de bestrijding van klimaatverandering en de bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten in verband met deze regels moeten worden herzien, hoe doeltreffend de op nationaal niveau ingevoerde handhavingsmechanismen, de sancties en de regels inzake wettelijke aansprakelijkheid zijn, en of wijzigingen in het niveau van harmonisering van deze richtlijn nodig zijn om een gelijk speelveld voor ondernemingen op de interne markt te waarborgen. Zo spoedig mogelijk na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn, maar niet later dan twee jaar na die datum, moet de Commissie tevens een verslag indienen bij het Europees Parlement en de Raad over de noodzaak om aanvullende vereisten inzake passende zorgvuldigheid op het gebied van duurzaamheid voor de verrichting van financiële diensten en beleggingsactiviteiten specifiek voor gereglementeerde financiële ondernemingen vast te stellen, en over de opties voor dergelijke vereisten inzake passende zorgvuldigheid en de effecten daarvan, in overeenstemming met de doelstellingen van deze richtlijn, rekening houdend met andere wetgevingshandelingen van de Unie die van toepassing zijn op gereglementeerde financiële ondernemingen. Dat verslag gaat zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

(99)

Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het beter benutten van het potentieel van de eengemaakte markt om bij te dragen tot de overgang naar een duurzame economie en tot duurzame ontwikkeling door het voorkomen en beperken van feitelijke of potentiële negatieve effecten op de mensenrechten en het milieu in de activiteitenketens van ondernemingen, niet op toereikende wijze door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar beter op het niveau van de Unie kunnen worden bereikt vanwege de omvang en de gevolgen van de maatregelen, en met name vanwege het feit dat de problemen en de oorzaken die door deze richtlijn worden aangepakt, een transnationale dimensie hebben, omdat veel ondernemingen in de hele EU of wereldwijd actief zijn en hun waardeketens zich uitbreiden tot andere lidstaten en tot derde landen, en vanwege het feit dat maatregelen van individuele lidstaten het risico lopen ondoeltreffend te zijn en tot versnippering van de interne markt te leiden, kan de Unie maatregelen vaststellen overeenkomstig het in artikel 5 VEU vastgelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

1.   Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld inzake:

a)

verplichtingen van ondernemingen met betrekking tot feitelijke en potentiële negatieve effecten op de mensenrechten en negatieve milieueffecten wat betreft hun eigen activiteiten, de activiteiten van hun dochterondernemingen en de activiteiten die worden uitgevoerd door hun zakenpartners in de activiteitenketens van die ondernemingen;

b)

aansprakelijkheid voor schendingen van de in punt a) bedoelde verplichtingen, en

c)

de verplichting voor ondernemingen een transitieplan voor beperking van de klimaatverandering op te stellen en naar beste vermogen uit te voeren om ervoor te zorgen dat het bedrijfsmodel en de strategie van de onderneming verenigbaar zijn met de transitie naar een duurzame economie en met de beperking van de opwarming van de aarde tot 1,5 oC, in lijn met de Overeenkomst van Parijs.

2.   Deze richtlijn vormt geen rechtvaardiging voor een verlaging van het niveau van de bescherming van de mensen-, arbeids- en sociale rechten, of van de bescherming van het milieu of de bescherming van het klimaat waarin het nationale recht van de lidstaten, of op het tijdstip van de vaststelling van deze richtlijn van toepassing zijnde collectieve overeenkomsten voorzien.

3.   Deze richtlijn laat de verplichtingen op het gebied van mensen-, arbeids- en sociale rechten, en van milieubescherming en klimaatverandering krachtens andere wetgevingshandelingen van de Unie onverlet. Indien een bepaling van deze richtlijn in strijd is met een bepaling van een andere wetgevingshandeling van de Unie die dezelfde doelstellingen nastreeft en voorziet in uitgebreidere of specifiekere verplichtingen, heeft de bepaling van die andere wetgevingshandeling van de Unie voorrang wat deze tegenstrijdigheid betreft en is zij van toepassing met betrekking tot die specifieke verplichtingen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op ondernemingen die zijn opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat en die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

a)

de onderneming had gemiddeld meer dan 1 000 werknemers en had een netto-omzet wereldwijd van meer dan 450 000 000 EUR in het laatste boekjaar waarvoor een jaarrekening is goedgekeurd of had moeten worden goedgekeurd;

b)

de onderneming heeft de in punt a) bedoelde drempelwaarden niet bereikt, maar is de uiteindelijke moederonderneming van een groep die de drempelwaarden heeft bereikt in het laatste boekjaar waarvoor een geconsolideerde jaarrekening is opgesteld of had moeten worden opgesteld;

c)

de onderneming heeft in de Unie franchise- of licentieovereenkomsten gesloten in ruil voor royalty’s met onafhankelijke derde ondernemingen of is de uiteindelijke moederonderneming van een groep die dat heeft gedaan, indien die overeenkomsten zorgen voor een gemeenschappelijke identiteit, een gemeenschappelijk bedrijfsconcept en de toepassing van uniforme bedrijfsmethoden, en indien die royalty’s meer dan 22 500 000 EUR bedroegen in het laatste boekjaar waarvoor jaarrekeningen zijn of hadden moeten worden opgesteld, en mits de onderneming in het laatste boekjaar waarvoor jaarrekeningen zijn of hadden moeten worden opgesteld, wereldwijd een netto-omzet van meer dan 80 000 000 EUR heeft behaald of de uiteindelijke moederonderneming is van een groep die dat heeft gedaan.

2.   Deze richtlijn is ook van toepassing op ondernemingen die zijn opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een derde land en die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:

a)

de onderneming heeft in het boekjaar voorafgaande aan het laatste boekjaar in de Unie een netto-omzet gegenereerd van meer dan 450 000 000 EUR;

b)

de onderneming heeft de in punt a) bedoelde drempelwaarde niet bereikt, maar is de uiteindelijke moederonderneming van een groep die op geconsolideerde basis die drempelwaarde heeft bereikt in het boekjaar voorafgaand aan het laatste boekjaar;

c)

de onderneming heeft in de Unie franchise- of licentieovereenkomsten gesloten in ruil voor royalty’s met onafhankelijke derde ondernemingen of is de uiteindelijke moederonderneming van een groep die dat heeft gedaan, indien die overeenkomsten zorgen voor een gemeenschappelijke identiteit, een gemeenschappelijk bedrijfsconcept en de toepassing van uniforme bedrijfsmethoden, en indien die royalty’s in de Unie meer dan 22 500 000 EUR bedroegen in het boekjaar voorafgaand aan het laatste boekjaar; en mits de onderneming in de Unie in het boekjaar voorafgaand aan het laatste boekjaar een netto-omzet van meer dan 80 000 000 EUR heeft behaald of de uiteindelijke moederonderneming is van een groep die dat heeft behaald.

3.   Indien de uiteindelijke moederonderneming als hoofdactiviteit het houden van aandelen in operationele dochterondernemingen heeft en zich niet bezighoudt met het nemen van bestuurs-, operationele of financiële beslissingen die een invloed hebben op de groep of op één of meer van haar dochterondernemingen, kan zij worden vrijgesteld van de uitvoering van de verplichtingen van deze richtlijn. Die vrijstelling is afhankelijk van de voorwaarde dat een van de dochterondernemingen van de uiteindelijke moederonderneming die in de Unie is gevestigd, wordt aangewezen om namens de uiteindelijke moederonderneming te voldoen aan de uit de artikelen 6 tot en met 16, en artikel 22, voortvloeiende verplichtingen, met inbegrip van de verplichtingen van de uiteindelijke moederonderneming met betrekking tot de activiteiten van haar dochterondernemingen. In dat geval krijgt de aangewezen dochteronderneming alle nodige middelen en juridische bevoegdheden om deze verplichtingen op doeltreffende wijze na te komen, met name om ervoor te zorgen dat de aangewezen dochteronderneming van de ondernemingen van de groep de relevante informatie en documenten verkrijgt om aan de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen van de uiteindelijke moederonderneming te voldoen.

De uiteindelijke moederonderneming vraagt de in de eerste alinea van dit lid bedoelde vrijstelling aan bij de bevoegde toezichthoudende autoriteit, overeenkomstig artikel 24, om te beoordelen of aan de in de eerste alinea van dit lid bedoelde voorwaarden is voldaan. Indien aan de voorwaarden is voldaan, verleent de bevoegde toezichthoudende autoriteit de vrijstelling. In voorkomend geval stelt deze autoriteit de bevoegde toezichthoudende autoriteit van de lidstaat waar de aangewezen dochteronderneming is gevestigd naar behoren in kennis van de aanvraag en van haar besluit.

De uiteindelijke moederonderneming blijft samen met de aangewezen dochteronderneming hoofdelijk aansprakelijk voor niet-nakoming door laatstgenoemde van haar verplichtingen overeenkomstig de eerste alinea van dit lid.

4.   Voor de toepassing van lid 1 wordt het aantal deeltijdwerknemers berekend op basis van voltijdequivalenten. Uitzendkrachten en andere werkenden met niet-standaard werkvormen, mits zij voldoen aan de door het Hof van Justitie van de Europese Unie vastgestelde criteria voor de status van werknemer, worden bij de berekening van het aantal werknemers op dezelfde wijze meegeteld als werknemers die gedurende dezelfde periode rechtstreeks bij de onderneming in dienst zijn.

5.   Indien een onderneming aan de voorwaarden van lid 1 of lid 2 voldoet, is deze richtlijn alleen van toepassing indien in twee opeenvolgende boekjaren aan die voorwaarden wordt voldaan. Deze richtlijn is niet langer van toepassing op een in lid 1 of 2 bedoelde onderneming indien in één van de laatste twee relevante boekjaren niet langer aan de voorwaarden van lid 1 of lid 2 wordt voldaan.

6.   Voor de in lid 1 bedoelde ondernemingen is de lidstaat waar de onderneming haar statutaire zetel heeft, bevoegd om de aangelegenheden te regelen die onder deze richtlijn vallen.

7.   Voor een in lid 2 bedoelde onderneming is de lidstaat waar die onderneming een bijkantoor heeft, bevoegd om de aangelegenheden te regelen die onder deze richtlijn vallen. Indien een onderneming in geen enkele lidstaat een bijkantoor heeft of bijkantoren in verschillende lidstaten heeft, is de lidstaat die bevoegd is om de onder deze richtlijn vallende aangelegenheden te regelen, de lidstaat waar die onderneming de hoogste netto-omzet in de Unie heeft gegenereerd in het boekjaar dat voorafgaat aan het laatste boekjaar.

8.   Deze richtlijn geldt niet voor abi’s als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad (31) of voor instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) in de zin van artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad (32).

Artikel 3

Definities

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)

“onderneming”:

i)

een rechtspersoon met een van de rechtsvormen vermeld in de bijlagen I en II bij Richtlijn 2013/34/EU;

ii)

een rechtspersoon die is opgericht overeenkomstig het recht van een derde land en een rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is met de in de bijlagen I en II bij Richtlijn 2013/34/EU genoemde rechtsvormen;

iii)

een gereglementeerde financiële onderneming, ongeacht haar rechtsvorm, die:

een kredietinstelling is, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (33);

een beleggingsonderneming is, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (34);

een beheerder van alternatieve beleggingsinstellingen (abi-beheerder) is, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt b), van Richtlijn 2011/61/EU, met inbegrip van een beheerder van Europees durfkapitaalfondsen (EuVECA), als bedoeld in Verordening (EU) nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad (35), een beheerder van Europese sociaalondernemerschapsfondsen (EuSEF), als bedoeld in Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad (36), en een beheerder van Europese langetermijnbeleggingsinstellingen (Eltif), als bedoeld in Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad (37);

een beheermaatschappij is, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt b), van Richtlijn 2009/65/EG;

een verzekeringsonderneming is, zoals gedefinieerd in artikel 13, punt 1, van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad (38);

een herverzekeringsonderneming is, zoals gedefinieerd in artikel 13, punt 4, van Richtlijn 2009/138/EG;

een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening is die onder het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2016/2341 valt overeenkomstig artikel 2 daarvan, tenzij de lidstaat er overeenkomstig artikel 5 van die richtlijn voor heeft gekozen om die richtlijn geheel of gedeeltelijk niet toe te passen op die instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening;

een centrale tegenpartij is, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (39);

een centrale effectenbewaarinstelling is, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad (40);

een special purpose vehicle voor een verzekeringsonderneming of een herverzekeringsonderneming is waaraan overeenkomstig artikel 211 van Richtlijn 2009/138/EG vergunning is verleend;

een entiteit voor securitisatiedoeleinden is, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad (41);

een financiële holding is, zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 20 van Verordening (EU) nr. 575/2013, een verzekeringsholding is zoals gedefinieerd in artikel 212, lid 1, punt f), van Richtlijn 2009/138/EG of een gemengde financiële holding zoals gedefinieerd in artikel 212, lid 1, punt h), van Richtlijn 2009/138/EG, die deel uitmaakt van een verzekeringsgroep die onderworpen is aan toezicht op het niveau van de groep op grond van artikel 213 van die richtlijn en die niet is vrijgesteld van groepstoezicht op grond van artikel 214, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG;

een betalingsinstelling is, als bedoeld in artikel 1, lid 1, punt d), van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad (42);

een instelling voor elektronisch geld is, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad (43);

een crowdfundingdienstverlener is, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt e), van Verordening (EU) 2020/1503 van het Europees Parlement en de Raad (44);

een aanbieder van cryptoactivadiensten is, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 15, van Verordening (EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad (45), van een of meer cryptoactivadiensten, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt 16), van die verordening, verricht;

b)

“negatief milieueffect”: negatief effect voor het milieu dat voortvloeit uit de schending van de in deel I, afdeling 1, punten 15 en 16, en deel II van de bijlage bij deze richtlijn vermelde verbodsbepalingen en verplichtingen, met inachtneming van de nationale wetgeving met betrekking tot de bepalingen van de daarin genoemde instrumenten;

c)

“negatief effect op de mensenrechten”: effect op personen als gevolg van:

i)

een schending van een van de in deel I, afdeling 1, van de bijlage bij deze richtlijn vermelde mensenrechten, aangezien die mensenrechten zijn verankerd in de in deel I, afdeling 2, van de bijlage bij deze richtlijn vermelde internationale instrumenten;

ii)

een schending van een niet in deel I, afdeling 1, van de bijlage bij deze richtlijn vermeld mensenrecht, dat evenwel is opgenomen in de lijst van mensenrechteninstrumenten in deel I, afdeling 2, van de bijlage bij deze richtlijn, op voorwaarde dat:

het mensenrecht kan worden geschonden door een onderneming of juridische entiteit;

de mensenrechtenschending rechtstreeks afbreuk doet aan een wettelijk belang dat wordt beschermd door de in deel I, afdeling 2, van de bijlage bij deze richtlijn vermelde mensenrechteninstrumenten, en

de onderneming redelijkerwijs het risico had kunnen voorzien dat dit mensenrecht zou kunnen worden geschonden, rekening houdend met de omstandigheden van het specifieke geval, waaronder de aard en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en de activiteitenketen van de onderneming, de kenmerken van de economische sector en de geografische en operationele context;

d)

“negatief effect”: een negatief milieueffect of negatief effect op de mensenrechten;

e)

“dochteronderneming”: een rechtspersoon zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 10, van Richtlijn 2013/34/EU, en een rechtspersoon via welke de activiteit van een “gecontroleerde onderneming” zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt f), van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad (46) wordt uitgeoefend;

f)

“zakenpartner”: een entiteit:

i)

waarmee de onderneming een commerciële overeenkomst heeft met betrekking tot de activiteiten, producten of diensten van de onderneming of waaraan de onderneming diensten verleent op grond van punt g) (“directe zakenpartner”), of

ii)

die geen directe zakenpartner is, maar wel zakelijke activiteiten verricht met betrekking tot de activiteiten, producten of diensten van de onderneming (“indirecte zakenpartner”);

g)

“activiteitenketen”:

i)

activiteiten van de upstream zakenpartners van een onderneming die verband houden met de productie van goederen of de verrichting van diensten door die onderneming, met inbegrip van het ontwerp, de winning, het betrekken, de vervaardiging, het vervoer, de opslag en de levering van grondstoffen, producten of onderdelen van producten en de ontwikkeling van het product of de dienst, en

ii)

activiteiten van de downstream zakenpartners van een onderneming die verband houden met de distributie, het vervoer en de opslag van een product van die onderneming, indien de zakenpartners deze activiteiten voor of namens de onderneming uitvoeren, en met uitzondering van de distributie, het vervoer en de opslag van een product dat onderworpen is aan controles op de uitvoer op grond van Verordening (EU) 2021/821 of aan de controles op de uitvoer met betrekking tot wapens, munitie of oorlogsmaterialen, zodra de uitvoer van het product is toegestaan;

h)

“verificatie door een onafhankelijke derde partij”: verificatie van de naleving door een onderneming, of delen van haar activiteitenketen, van de mensenrechten- en milieuvoorschriften die voortvloeien uit deze richtlijn, door een deskundige die objectief is, volledig van de onderneming onafhankelijk is, die vrij is van belangenconflicten en van beïnvloeding van buitenaf, die naargelang de aard van het negatieve effect over ervaring en deskundigheid beschikt op het gebied van milieu- of mensenrechtenkwesties, en die verantwoordelijk is voor de kwaliteit en betrouwbaarheid van de verificatie;

i)

“kmo”: een micro-onderneming, een kleine of middelgrote onderneming, ongeacht haar rechtsvorm, die geen deel uitmaakt van een grote groep, zoals deze termen zijn gedefinieerd volgens artikel 3, leden 1, 2, 3 en 7, van Richtlijn 2013/34/EU;

j)

“initiatief van de sector of van meerdere belanghebbenden”: een combinatie van vrijwillige procedures, instrumenten en mechanismen inzake passende zorgvuldigheid, ontwikkeld en gecontroleerd door regeringen, brancheorganisaties, belanghebbende organisaties, waaronder maatschappelijke organisaties, of groeperingen of combinaties daarvan, waaraan ondernemingen kunnen deelnemen om de uitvoering van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid te ondersteunen;

k)

“gemachtigde vertegenwoordiger”: een in de Unie wonende of gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door een onderneming in de zin van punt a), ii), gemachtigd is om namens die onderneming op te treden in verband met de naleving van de verplichtingen van die onderneming waarin deze richtlijn voorziet;

l)

“ernstig negatief effect”: negatief effect dat door zijn aard, gradatie, reikwijdte of onomkeerbaarheid bijzonder significant is, bijvoorbeeld een effect dat het leven, de gezondheid of de vrijheid van de mens schaadt, rekening houdend met de ernst ervan, waaronder het aantal personen dat wordt of kan worden getroffen, de mate waarin het milieu wordt of kan worden beschadigd of anderszins getroffen, de onomkeerbaarheid ervan en de beperkingen van het vermogen om de situatie van de getroffen personen of het getroffen milieu binnen een redelijk tijdsbestek te herstellen tot een situatie die gelijkwaardig is aan de situatie van vóór het effect;

m)

“netto-omzet”:

i)

de “netto-omzet” zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 5, van Richtlijn 2013/34/EU, of

ii)

indien de onderneming internationale standaarden voor jaarrekeningen toepast die zijn vastgesteld op basis van Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (47) of een onderneming is in de zin van punt a), ii), de omzet zoals gedefinieerd door of in de zin van het stelsel voor financiële verslaglegging op basis waarvan de jaarrekeningen van de onderneming zijn opgesteld;

n)

“belanghebbenden”: de werknemers van de onderneming, de werknemers van haar dochterondernemingen, vakbonden en werknemersvertegenwoordigers, consumenten en andere personen, groeperingen, gemeenschappen of entiteiten waarvan de rechten of belangen worden of kunnen worden beïnvloed door de producten, diensten en activiteiten van de onderneming, haar dochterondernemingen en haar zakenpartners, waaronder de werknemers van de zakenpartners van de onderneming en hun vakbonden en werknemersvertegenwoordigers, nationale mensenrechten- en milieu-instellingen, maatschappelijke organisaties met milieubescherming als een van hun doelstellingen, en de wettelijke vertegenwoordigers van deze personen, groeperingen, gemeenschappen of entiteiten;

o)

“passende maatregelen”: maatregelen waarmee de doelstellingen van passende zorgvuldigheid kunnen worden bereikt door negatieve effecten daadwerkelijk aan te pakken op een wijze die in verhouding staat tot de ernst en de waarschijnlijkheid van het negatieve effect en waarover de onderneming redelijkerwijs kan beschikken, rekening houdend met de omstandigheden van het specifieke geval, waaronder de aard en de omvang van het negatieve effect en de risicofactoren ter zake;

p)

“zakelijke relatie”: de relatie van een onderneming met een zakenpartner;

q)

“moederonderneming”: een onderneming die zeggenschap heeft over een of meer dochterondernemingen;

r)

“uiteindelijke moederonderneming”: een moederonderneming die direct of indirect overeenkomstig de criteria van artikel 22, leden 1 tot en met 5, van Richtlijn 2013/34/EU zeggenschap heeft over een of meer dochterondernemingen en niet onder zeggenschap staat van een andere onderneming;

s)

“groep ondernemingen” of “groep”: een moederonderneming en al haar dochterondernemingen;

t)

“herstel”: herstel van de getroffen persoon of personen, gemeenschappen of het milieu naar een situatie die gelijkwaardig is aan of zo dicht mogelijk aansluit bij de situatie waarin zij zich zouden hebben bevonden indien een feitelijke negatieve effect zich niet had voorgedaan, in verhouding tot de betrokkenheid van de onderneming bij het negatieve effect, onder meer middels financiële of niet-financiële compensatie door de onderneming aan een of meer personen die door het feitelijke negatieve effect worden getroffen en, in voorkomend geval, terugbetaling van de door overheidsinstanties voor alle noodzakelijke herstelmaatregelen gemaakte kosten;

u)

“risicofactoren”: feiten, situaties of omstandigheden die verband houden met de ernst en waarschijnlijkheid van een negatief effect, met inbegrip van risicofactoren op bedrijfsniveau, in bedrijfsactiviteiten, op geografisch en contextueel gebied alsmede product- en dienstgebonden, en sectorale factoren, situaties of omstandigheden;

v)

“ernst van een negatief effect”: de gradatie, reikwijdte of onomkeerbaarheid van het negatieve effect, rekening houdend met de ernst van het negatieve effect, zoals het aantal personen dat wordt of kan worden getroffen of de mate waarin het milieu schade ondervindt of schade kan ondervinden, of anderszins kan worden getroffen, de onomkeerbaarheid ervan en beperkingen op het vermogen om de situatie van de getroffen personen of het getroffen milieu te herstellen tot een situatie die gelijkwaardig is aan de situatie vóór het effect.

2.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 34 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de bijlage bij deze richtlijn te wijzigen door:

a)

verwijzingen toe te voegen naar bepalingen van internationale instrumenten die door alle lidstaten zijn geratificeerd en die vallen onder een specifiek recht, een specifiek verbod of een specifieke verplichting met betrekking tot de bescherming van de in de bijlage bij deze richtlijn vermelde mensenrechten, fundamentele vrijheden en het milieu;

b)

de verwijzingen naar in de bijlage bij deze richtlijn bedoelde internationale instrumenten te wijzigen, waar passend, in het licht van de wijziging, vervanging of intrekking van dergelijke instrumenten;

c)

in overeenstemming met de ontwikkelingen in de betrokken internationale fora over tot de in deel 1, afdeling 2, van de bijlage bij deze richtlijn genoemde instrumenten:

i)

de verwijzingen naar de genoemde instrumenten vervangen door verwijzingen naar nieuwe instrumenten die hetzelfde onderwerp bestrijken en door alle lidstaten zijn geratificeerd, of

ii)

verwijzingen naar nieuwe instrumenten die hetzelfde onderwerp bestrijken, toevoegen, als de genoemde instrumenten door alle lidstaten zijn geratificeerd.

Artikel 4

Niveau van harmonisering

1.   Onverminderd artikel 1, leden 2 en 3, nemen de lidstaten op het gebied dat onder deze richtlijn valt, in hun nationale recht geen bepalingen op waarin verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten en milieu worden vastgelegd die afwijken van die van artikel 8, leden 1 en 2, artikel 10, lid 1, en artikel 11, lid 1.

2.   Niettegenstaande lid 1 belet deze richtlijn de lidstaten niet om in hun recht strengere bepalingen op te nemen die afwijken van die van andere bepalingen dan artikel 8, leden 1 en 2, artikel 10, lid 1, en artikel 11, lid 1, of bepalingen die specifieker zijn wat de doelstelling of het betrokken gebied betreft, teneinde een ander niveau van bescherming van mensen-, arbeids- en sociale rechten, het milieu of het klimaat te bereiken.

Artikel 5

Passende zorgvuldigheid

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen een risicogebaseerde passende zorgvuldigheid op het gebied van mensenrechten en milieu (“passende zorgvuldigheid”) als vastgelegd in de artikelen 7 tot en met 16 betrachten door de volgende maatregelen uit te voeren:

a)

het integreren van passende zorgvuldigheid in hun beleid en in hun risicobeheersystemen overeenkomstig artikel 7;

b)

het identificeren en beoordelen van feitelijke of potentiële negatieve effecten overeenkomstig artikel 8 en, waar nodig, het prioriteren van feitelijke en potentiële negatieve effecten overeenkomstig artikel 9;

c)

het voorkomen en reduceren van potentiële negatieve effecten, en het beëindigen en zo veel mogelijk beperken van feitelijke negatieve effecten overeenkomstig de artikelen 10 en 11;

d)

het bieden van herstel van feitelijke negatieve effecten overeenkomstig artikel 12;

e)

zinvolle samenwerking met belanghebbenden overeenkomstig artikel 13;

f)

het instellen en handhaven van een kennisgevingsmechanisme en een klachtenprocedure overeenkomstig artikel 14;

g)

het toezicht op de doeltreffendheid van hun beleid en maatregelen inzake passende zorgvuldigheid overeenkomstig artikel 15;

h)

het openbaar maken van informatie over passende zorgvuldigheid overeenkomstig artikel 16.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen, ten behoeve van de passende zorgvuldigheid, middelen en informatie kunnen delen binnen hun respectieve groepen van ondernemingen en met andere rechtspersonen.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat een zakenpartner niet verplicht is tot bekendmaking aan een onderneming die de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen nakomt van informatie die een bedrijfsgeheim is, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Richtlijn (EU) 2016/943, onverminderd de bekendmaking van de identiteit van directe en indirecte zakenpartners, of van essentiële informatie die nodig is om feitelijke of potentiële negatieve effecten in kaart te brengen, indien dit noodzakelijk is en naar behoren is gerechtvaardigd voor de naleving van de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid door de onderneming. Dit doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de zakenpartners om hun bedrijfsgeheimen te beschermen door middel van de mechanismen van Richtlijn (EU) 2016/943. Zakenpartners worden nooit verplicht tot bekendmaking van gerubriceerde of andere informatie als die bekendmaking een risico voor de wezenlijke veiligheidsbelangen van een staat zou inhouden.

4.   De lidstaten verplichten ondernemingen om gedurende ten minste vijf jaar vanaf het moment waarop die documentatie is opgesteld of verkregen, documentatie te bewaren over de maatregelen die zijn uitgevoerd om aan hun verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid te voldoen, met inbegrip van ondersteunend bewijsmateriaal, teneinde de naleving van de verplichtingen te kunnen aantonen.

Indien er na het verstrijken van de in de eerste alinea vastgestelde bewaringstermijn gerechtelijke of administratieve procedures uit hoofde van deze richtlijn lopen, wordt de bewaringstermijn verlengd tot de afsluiting van de zaak.

Artikel 6

Passende zorgvuldigheid op groepsniveau

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat het moederondernemingen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, is toegestaan de verplichtingen van de artikelen 7 tot en met 11 en artikel 22 na te komen namens ondernemingen die dochterondernemingen van die moederondernemingen zijn en onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, indien dat daadwerkelijke naleving waarborgt. Dit laat onverlet dat dergelijke dochterondernemingen worden onderworpen aan de uitoefening van de bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig artikel 25 en aan hun wettelijke aansprakelijkheid overeenkomstig artikel 29.

2.   De naleving van de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid van de artikelen 7 tot en met 16 door een moederonderneming overeenkomstig lid 1 van dit artikel is aan alle volgende voorwaarden onderworpen:

a)

de dochteronderneming en de moederonderneming verstrekken elkaar alle nodige informatie en werken samen om aan de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen te voldoen;

b)

de dochteronderneming volgt het beleid inzake passende zorgvuldigheid van haar moederonderneming, dat dusdanig is vormgegeven dat ten aanzien van de dochteronderneming aan de verplichtingen van artikel 7, lid 1, wordt voldaan;

c)

de dochteronderneming integreert passende zorgvuldigheid in al haar beleid en risicobeheersystemen overeenkomstig artikel 7, waarbij zij duidelijk beschrijft aan welke verplichtingen de moederonderneming moet voldoen en stelt, indien nodig, de relevante belanghebbenden hiervan in kennis;

d)

waar nodig blijft de dochteronderneming passende maatregelen nemen overeenkomstig de artikelen 10 en 11, en blijft zij haar verplichtingen uit hoofde van de artikelen 12 en 13 nakomen;

e)

de dochteronderneming vraagt in voorkomend geval om contractuele garanties van een directe zakenpartner overeenkomstig artikel 10, lid 2, punt b), of artikel 11, lid 3, punt c), vraagt om contractuele garanties van een indirecte zakenpartner overeenkomstig artikel 10, lid 4, of artikel 11, lid 5, en schort de zakelijke relatie op of beëindigt deze overeenkomstig artikel 10, lid 6, of artikel 11, lid 7.

3.   Indien de moederonderneming namens de dochteronderneming overeenkomstig lid 1 van dit artikel aan de verplichting van artikel 22 voldoet, voldoet de dochteronderneming aan de in artikel 22 vastgestelde verplichtingen overeenkomstig het transitieplan voor beperking van de klimaatverandering van de moederonderneming, dat dienovereenkomstig is aangepast aan haar bedrijfsmodel en -strategie.

Artikel 7

Integratie van passende zorgvuldigheid in het beleid en de risicobeheersystemen van de onderneming

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen passende zorgvuldigheid in al hun relevante beleid en risicobeheersystemen integreren en dat zij over een beleid inzake passende zorgvuldigheid beschikken dat een risicogebaseerde passende zorgvuldigheid waarborgt.

2.   Het in lid 1 bedoelde beleid inzake passende zorgvuldigheid wordt ontwikkeld in voorafgaand overleg met de werknemers van de onderneming en hun vertegenwoordigers, en omvat alle volgende elementen:

a)

een beschrijving van de aanpak van de onderneming, ook op de lange termijn, op het gebied van passende zorgvuldigheid;

b)

een gedragscode met de in de hele onderneming en in haar dochterondernemingen, alsook de bij haar directe of indirecte handelspartners, na te leven regels en beginselen, overeenkomstig artikel 10, lid 2, punt b), artikel 10, lid 4, artikel 11, lid 3, punt c), of artikel 11, lid 5, en

c)

een beschrijving van de procedures die zijn ingevoerd om passende zorgvuldigheid te integreren in het toepasselijke beleid van de onderneming en toe te passen, met inbegrip van de maatregelen die zijn genomen om de naleving van de in punt b) bedoelde gedragscode te controleren en om de toepassing van die code uit te breiden tot zakenpartners.

3.   De lidstaten zien erop toe dat ondernemingen hun beleid inzake passende zorgvuldigheid onverwijld bijwerken nadat zich een significante wijziging heeft voorgedaan, en dat beleid ten minste om de 24 maanden evalueren en, indien nodig, bijwerken.

Voor de in de eerste alinea bedoelde doeleinden houden ondernemingen rekening met de negatieve effecten die reeds overeenkomstig artikel 8 zijn vastgesteld, alsook met de passende maatregelen die zijn genomen om die negatieve effecten overeenkomstig de artikelen 10 en 11 aan te pakken en met het resultaat van de overeenkomstig artikel 15 uitgevoerde beoordelingen.

Artikel 8

Vaststelling en beoordeling van feitelijke en potentiële negatieve effecten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen passende maatregelen nemen om feitelijke en potentiële negatieve effecten van hun eigen activiteiten of die van hun dochterondernemingen en, indien deze verband houden met hun activiteitenketens, die van hun zakenpartners, vast te stellen en te beoordelen, overeenkomstig dit artikel.

2.   Als onderdeel van de in lid 1 beschreven verplichting nemen ondernemingen, rekening houdend met de desbetreffende risicofactoren, passende maatregelen om:

a)

hun eigen activiteiten, die van hun dochterondernemingen en, indien deze verband houden met hun activiteitenketen, die van hun zakenpartners in kaart te brengen, teneinde vast te stellen op welke algemene gebieden zich het meest waarschijnlijk negatieve effecten zullen voordoen en deze het ernstigst zullen zijn;

b)

op basis van de resultaten van het in punt a) bedoelde in kaart brengen, voeren ondernemingen een diepgaande beoordeling uit van hun eigen activiteiten, die van hun dochterondernemingen en, indien deze verband houden met hun activiteitenketen, die van hun zakenpartners, op de gebieden waar zich het meest waarschijnlijk negatieve effecten zullen voordoen en deze het ernstigst zullen zijn.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen, ten behoeve van de vaststelling en beoordeling van de in lid 1 bedoelde negatieve effecten op basis van, in voorkomend geval, kwantitatieve en kwalitatieve informatie, gebruik kunnen maken van passende middelen, met inbegrip van onafhankelijke verslagen en informatie die is verzameld via het kennisgevingsmechanisme en de klachtenprocedure overeenkomstig artikel 14.

4.   Indien informatie die nodig is voor de diepgaande beoordeling waarin in lid 2, punt b), wordt voorzien kan worden verkregen van zakenpartners op verschillende niveaus van de activiteitenketen, geeft de onderneming prioriteit aan het opvragen van dergelijke informatie, indien redelijk, rechtstreeks bij zakenpartners waar de negatieve effecten zich het meest waarschijnlijk zullen voordoen.

Artikel 9

Prioritering van vastgestelde feitelijke en potentiële negatieve effecten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer het niet haalbaar is alle vastgestelde negatieve effecten in een keer en voor hun volle omvang te voorkomen, te verlichten, te beëindigen of tot een minimum te beperken, ondernemingen prioriteit geven aan op grond van artikel 8 vastgestelde negatieve effecten teneinde aan de verplichtingen van artikel 10 of 11 te voldoen.

2.   De in lid 1 bedoelde prioritering is gebaseerd op de ernst en de waarschijnlijkheid van de negatieve effecten.

3.   Zodra de meest ernstige en waarschijnlijke negatieve effecten overeenkomstig artikel 10 of artikel 11 binnen een redelijke termijn zijn verholpen, pakt de onderneming minder ernstige en minder waarschijnlijke negatieve effecten aan.

Artikel 10

Preventie van potentiële negatieve effecten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen passende maatregelen treffen om potentiële negatieve effecten die op grond van artikel 8 vastgesteld zijn of hadden moeten zijn, te voorkomen of, indien preventie niet of niet onmiddellijk mogelijk is, afdoende te verlichten overeenkomstig artikel 9 en dit artikel.

Bij de vaststelling van de in de eerste alinea bedoelde passende maatregelen wordt terdege rekening gehouden met:

a)

de vraag of het potentiële negatieve effect mogelijk door alleen de onderneming is veroorzaakt, mogelijk bij handelingen of nalatigheden gezamenlijk door de onderneming en een dochteronderneming of zakenpartner is veroorzaakt, dan wel mogelijk door alleen de zakenpartner van een onderneming in de activiteitenketen is veroorzaakt;

b)

de vraag of het potentiële negatieve effect zich kan voordoen in de activiteiten van een dochteronderneming, directe zakenpartner of indirecte zakenpartner, en

c)

het vermogen van de onderneming om invloed uit te oefenen op de zakenpartner die het potentiële negatieve effect mogelijk veroorzaakt of mede veroorzaakt.

2.   Van ondernemingen wordt vereist dat zij, in voorkomend geval, de volgende passende maatregelen nemen:

a)

indien nodig vanwege de aard of de complexiteit van de vereiste preventieve maatregelen, onverwijld een preventief actieplan ontwikkelen en uitvoeren, met redelijke en duidelijk omschreven tijdschema’s voor de toepassing van passende maatregelen en kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren voor het meten van verbeteringen; ondernemingen kunnen hun actieplannen ontwikkelen in samenspraak met initiatieven van de sector of van meerdere belanghebbenden; het preventief actieplan wordt aangepast aan de activiteiten en de activiteitenketens van ondernemingen;

b)

een directe zakenpartner vragen om contractuele garanties dat deze ervoor zal zorgen dat de gedragscode van de onderneming en, zo nodig, een preventief actieplan worden nageleefd, onder meer door overeenkomstige contractuele garanties vast te leggen van zijn partners voor zover hun activiteiten deel uitmaken van de activiteitenketen van de onderneming; wanneer dergelijke contractuele garanties worden verkregen, is lid 5 van toepassing;

c)

de nodige financiële of niet-financiële investeringen in, aanpassingen of actualiseringen van, bijvoorbeeld faciliteiten, productie- of andere operationele processen en -infrastructuur verrichten;

d)

de nodige wijzigingen of verbeteringen aanbrengen in het eigen ondernemingsplan en in de algemene strategieën en activiteiten van de onderneming, met inbegrip van inkoop-, ontwerp- en distributiepraktijken;

e)

gerichte en evenredige steun verlenen aan een kmo die een zakenpartner van de onderneming is, indien dit in het licht van de middelen, kennis en beperkingen van de kmo noodzakelijk is, onder meer door toegang te verlenen of mogelijk te maken tot capaciteitsopbouw, opleiding of verbetering van beheersystemen, en, indien de naleving van de gedragscode of het preventief actieplan de levensvatbaarheid van de kmo in gevaar zou brengen, door gerichte en evenredige financiële steun te verlenen, zoals directe financiering, leningen tegen lage rente, garanties voor continue inkoop of ondersteuning bij het verkrijgen van financiering;

f)

overeenkomstig het Unierecht, met inbegrip van het mededingingsrecht, samenwerken met andere entiteiten, onder meer, in voorkomend geval, teneinde de onderneming beter in staat te stellen het negatieve effect te voorkomen of te verlichten, met name wanneer geen andere maatregel geschikt of doeltreffend is.

3.   Ondernemingen kunnen, in voorkomend geval, passende maatregelen nemen bovenop de in lid 2 genoemde maatregelen, zoals in contact treden met een zakenpartner over de verwachtingen van de onderneming met betrekking tot het voorkomen en verlichten van potentiële negatieve effecten, of door toegang te verlenen of mogelijk te maken tot capaciteitsopbouw, richtsnoeren, administratieve en financiële steun zoals leningen of financiering, daarbij rekening houdend met de middelen, kennis en beperkingen van de zakenpartner.

4.   Ten aanzien van potentiële negatieve effecten die niet voorkomen of afdoende verlicht konden worden door de in lid 2 genoemde passende maatregelen, kan de onderneming een indirecte zakenpartner om contractuele garanties vragen, teneinde naleving van de gedragscode van de onderneming of een preventief actieplan te bewerkstelligen. Wanneer dergelijke contractuele garanties worden verkregen, is lid 5 van toepassing.

5.   De in lid 2, punt b), en in lid 4 bedoelde contractuele garanties gaan vergezeld van passende maatregelen om de naleving te controleren. Ten behoeve van verificatie van naleving kan de onderneming een beroep doen op verificatie door een onafhankelijke derde partij, onder meer via initiatieven van de sector of van meerdere belanghebbenden.

Wanneer contractuele garanties worden verkregen van of een overeenkomst wordt gesloten met een kmo, moeten de gebruikte voorwaarden billijk, redelijk en niet-discriminerend zijn. De onderneming beoordeelt ook of de contractuele garanties van een kmo vergezeld moeten gaan van een of meer passende maatregelen voor kmo’s die zijn bedoeld in lid 2, punt e). Indien ten aanzien van kmo’s maatregelen worden genomen om naleving te verifiëren, draagt de onderneming de kosten van de verificatie door een onafhankelijke derde partij. Indien de kmo verzoekt om ten minste een deel van de kosten van de verificatie door een onafhankelijke derde partij te betalen, of indien aldus overeengekomen met de onderneming, kan de kmo de resultaten van die verificatie delen met andere ondernemingen.

6.   Ten aanzien van potentiële negatieve effecten als bedoeld in lid 1 die niet voorkomen of afdoende verlicht konden worden door de maatregelen genoemd in de leden 2, 4 en 5, wordt, in laatste instantie, van de onderneming vereist dat zij afziet van het aangaan van nieuwe relaties of het uitbreiden van bestaande relaties met een zakenpartner verbonden aan, of in de activiteitenketen waar, het effect zich heeft voorgedaan, en treft de onderneming voor zover de wetgeving die op hun relaties van toepassing is dit toestaat, in laatste instantie de volgende maatregelen:

a)

onverwijld een versterkt preventief actieplan voor het specifieke negatieve effect vaststellen en uitvoeren, door het hefboomeffect van de onderneming te gebruiken of te vergroten door de zakelijke relaties met betrekking tot de betrokken activiteiten tijdelijk op te schorten, mits redelijkerwijs kan worden verwacht dat die inspanningen zullen slagen; het actieplan bevat een specifiek en passend tijdschema voor de vaststelling en uitvoering van alle daarin opgenomen maatregelen, tijdens welk de onderneming ook op zoek kan gaan naar alternatieve zakenpartners;

b)

als er geen redelijke verwachting is dat die inspanningen zouden slagen, of indien de uitvoering van het versterkte preventief actieplan het negatieve effect niet heeft voorkomen of verlicht, de zakelijke relatie met betrekking tot de betrokken activiteiten beëindigen indien het potentiële negatieve effect ernstig is.

Alvorens een zakelijke relatie tijdelijk op te schorten of te beëindigen, beoordeelt de onderneming of redelijkerwijs kan worden verwacht dat de negatieve effecten die daaruit voortvloeien duidelijk ernstiger zijn dan het negatieve effect dat niet kon worden voorkomen of afdoende beperkt. Indien dat het geval is, is de onderneming niet verplicht de zakelijke relatie op te schorten of te beëindigen en is zij in een positie om aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit verslag uit te brengen over de naar behoren gemotiveerde redenen voor dat besluit.

De lidstaten voorzien in de mogelijkheid om de zakelijke relatie in overeenkomsten die onder hun recht vallen, overeenkomstig de eerste alinea tijdelijk op te schorten of te beëindigen, met uitzondering van overeenkomsten die de partijen wettelijk verplicht zijn aan te gaan.

Indien de onderneming besluit de zakelijke relatie tijdelijk op te schorten of te beëindigen, neemt zij maatregelen om de effecten van de opschorting of beëindiging te voorkomen, te verlichten of te beëindigen, stelt zij de betrokken zakenpartner daarvan binnen een redelijke termijn in kennis en evalueert zij dat besluit voortdurend.

Indien de onderneming besluit de zakelijke relatie niet tijdelijk op te schorten of te beëindigen op grond van dit artikel, monitort de onderneming het potentiële negatieve effect en voert zij periodiek een beoordeling uit van haar besluit en van de vraag of er verdere passende maatregelen beschikbaar zijn.

Artikel 11

Beëindiging van feitelijke negatieve effecten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen passende maatregelen nemen om een einde te maken aan feitelijke negatieve effecten die op grond van artikel 8 vastgesteld zijn of hadden moeten zijn, overeenkomstig artikel 9 en overeenkomstig dit artikel.

Bij de vaststelling van de in de eerste alinea bedoelde passende maatregelen wordt terdege rekening gehouden met:

a)

de vraag of het feitelijke negatieve effect door alleen de onderneming is veroorzaakt, gezamenlijk door de onderneming en een dochteronderneming of zakenpartner is veroorzaakt, bij handelingen of nalatigheden, dan wel door alleen een zakenpartner van de onderneming in de activiteitenketen is veroorzaakt;

b)

de vraag of het feitelijke negatieve effect zich heeft voorgedaan in de activiteiten van een dochteronderneming, een directe zakenpartner of een indirecte zakenpartner, en

c)

het vermogen van de onderneming om invloed uit te oefenen op de zakenpartner die het feitelijke negatieve effect heeft veroorzaakt of mede heeft veroorzaakt.

2.   Indien aan het negatieve effect niet onmiddellijk een einde kan worden gemaakt, zorgen de lidstaten ervoor dat de ondernemingen de omvang van dat effect tot een minimum beperken.

3.   Van de ondernemingen wordt vereist dat zij, in voorkomend geval, de volgende passende maatregelen nemen:

a)

het negatieve effect of neutraliseren of de omvang ervan tot een minimum beperken; dergelijke maatregelen staan in verhouding tot de ernst van het negatieve effect en tot de betrokkenheid van de onderneming bij het negatieve effect;

b)

indien het negatieve effect niet onmiddellijk kan worden beëindigd: onverwijld een corrigerend actieplan ontwikkelen en uitvoeren, met redelijke en duidelijk omschreven tijdschema’s voor de toepassing van passende maatregelen, en kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren voor het meten van verbeteringen; ondernemingen kunnen hun actieplannen ontwikkelen in samenhang met initiatieven van de sector of van meerdere belanghebbenden; het corrigerend actieplan wordt aangepast aan de activiteiten en de activiteitenketens van de ondernemingen;

c)

een directe zakenpartner vragen om contractuele garanties dat deze ervoor zal zorgen dat de gedragscode van de onderneming en, zo nodig, een corrigerend actieplan worden nageleefd, onder meer door overeenkomstige contractuele garanties te verkrijgen van zijn partners voor zover hun activiteiten deel uitmaken van de activiteitenketen van de onderneming; wanneer dergelijke contractuele garanties worden verkregen, is lid 6 van toepassing;

d)

de nodige financiële of niet-financiële investeringen in, aanpassingen of actualiseringen van, bijvoorbeeld faciliteiten, productie- of andere operationele processen en -infrastructuur verrichten;

e)

de nodige wijzigingen of verbeteringen aanbrengen in het eigen ondernemingsplan en in de algemene strategieën en activiteiten van de onderneming, met inbegrip van inkoop-, ontwerp- en distributiepraktijken;

f)

gerichte en evenredige steun verlenen aan een kmo die een zakenpartner van de onderneming is, indien dit in het licht van de middelen, kennis en beperkingen van de kmo noodzakelijk is, onder meer door toegang te verlenen of mogelijk te maken tot capaciteitsopbouw, opleiding of verbetering van beheersystemen, en, indien de naleving van de gedragscode of het corrigerend actieplan de levensvatbaarheid van de kmo in gevaar zou brengen, door gerichte en evenredige financiële steun te verlenen, zoals directe financiering, leningen tegen lage rente, garanties voor continue inkoop of ondersteuning bij het verkrijgen van financiering;

g)

overeenkomstig het Unierecht, met inbegrip van het mededingingsrecht, samenwerken met andere entiteiten, onder meer, in voorkomend geval, teneinde de onderneming beter in staat te stellen het negatieve effect te beëindigen of de omvang ervan tot een minimum te beperken, met name wanneer geen andere maatregel geschikt of doeltreffend is;

h)

herstel bieden overeenkomstig artikel 12.

4.   Ondernemingen kunnen, in voorkomend geval, passende maatregelen nemen bovenop de in lid 3 genoemde maatregelen, zoals in contact treden met een zakenpartner over de verwachtingen van de onderneming met betrekking tot het beëindigen van feitelijke negatieve effecten of het tot een minimum beperken van de omvang ervan, of toegang verlenen of mogelijk maken tot capaciteitsopbouw, richtsnoeren, administratieve en financiële steun zoals leningen of financiering, daarbij rekening houdend met de middelen, kennis en beperkingen van de zakenpartner.

5.   Ten aanzien van feitelijke negatieve effecten die niet beëindigd konden worden of waarvan de omvang niet afdoende tot een minimum kon worden beperkt door de in lid 3 genoemde passende maatregelen, kan de onderneming een indirecte zakenpartner om contractuele garanties vragen, teneinde de gedragscode van de onderneming of een corrigerend actieplan na te leven. Wanneer dergelijke contractuele garanties worden verkregen, is lid 6 van toepassing.

6.   De in lid 3, punt c), en in lid 5 bedoelde contractuele garanties gaan vergezeld van passende maatregelen om de naleving te controleren. Voor verificatie van naleving kan de onderneming een beroep doen op verificatie door een onafhankelijke derde partij, onder meer via initiatieven van de sector of van meerdere belanghebbenden.

Wanneer contractuele garanties worden verkregen van of een overeenkomst wordt gesloten met een kmo, moeten de gebruikte voorwaarden billijk, redelijk en niet-discriminerend zijn. De onderneming beoordeelt ook of de contractuele garanties van een kmo vergezeld moeten gaan van een of meer passende maatregelen voor kmo’s die zijn bedoeld in lid 3, punt f). Indien ten aanzien van kmo’s maatregelen worden genomen om naleving te verifiëren, draagt de onderneming de kosten van de verificatie door een onafhankelijke derde partij. Indien de kmo verzoekt om ten minste een deel van de kosten van de verificatie door een onafhankelijke derde partij te betalen, of indien aldus overeengekomen met de onderneming, kan de kmo de resultaten van die verificatie delen met andere ondernemingen.

7.   Ten aanzien van feitelijke negatieve effecten als bedoeld in lid 1 die niet voorkomen of afdoende verlicht konden worden door de maatregelen genoemd in de leden 3, 5 en 6, wordt, in laatste instantie, van de onderneming vereist dat zij afziet van het aangaan van nieuwe relaties of het uitbreiden van bestaande relaties met een zakenpartner verbonden aan, of in de activiteitenketen waar, het effect zich heeft voorgedaan, en treft de onderneming voor zover de wetgeving die op hun relaties van toepassing is dit toestaat, in laatste instantie de volgende maatregelen:

a)

onverwijld een versterkt corrigerend actieplan voor het specifieke negatieve effect vaststellen en uitvoeren, onder meer door het hefboomeffect van de onderneming te gebruiken of te vergroten door de zakelijke relaties met betrekking tot de betrokken activiteiten tijdelijk op te schorten, mits redelijkerwijs kan worden verwacht dat die inspanningen zullen slagen; het actieplan bevat een specifiek en passend tijdschema voor de vaststelling en uitvoering van alle daarin opgenomen maatregelen, tijdens welk de onderneming ook op zoek kan gaan naar alternatieve zakenpartners;

b)

als er geen redelijke verwachting is dat de in punt a) bedoelde inspanningen zullen slagen, of indien de uitvoering van het versterkte corrigerend actieplan het negatieve effect niet voorkomt of verlicht, de zakelijke relatie met betrekking tot de betrokken activiteiten beëindigen indien het feitelijke negatieve effect ernstig is.

Alvorens een zakelijke relatie tijdelijk op te schorten of te beëindigen, beoordeelt de onderneming of redelijkerwijs kan worden verwacht dat de negatieve effecten daarvan duidelijk ernstiger zijn dan het negatieve effect dat niet kon worden beëindigd of waarvan de omvang niet afdoende tot een minimum kon worden beperkt. Indien dat het geval is, is de onderneming niet verplicht de zakelijke relatie op te schorten of te beëindigen en is zij in een positie om aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit verslag uit te brengen over de naar behoren gemotiveerde redenen voor dat besluit.

De lidstaten voorzien in de mogelijkheid om de zakelijke relatie in overeenkomsten die onder hun recht vallen, overeenkomstig de eerste alinea tijdelijk op te schorten of te beëindigen, met uitzondering van overeenkomsten die de partijen wettelijk verplicht zijn aan te gaan.

Indien de onderneming besluit de zakelijke relatie tijdelijk op te schorten of te beëindigen, neemt zij maatregelen om de effecten van de opschorting of beëindiging te voorkomen, te verlichten of te beëindigen, stelt zij de zakenpartner daarvan binnen een redelijke termijn in kennis en evalueert zij dat besluit voortdurend.

Indien de onderneming besluit de zakelijke relatie niet tijdelijk op te schorten of te beëindigen op grond van dit artikel, monitort de onderneming het feitelijke negatieve effect en voert zij periodiek een beoordeling uit van haar besluit en van de vraag of er verdere passende maatregelen beschikbaar zijn.

Artikel 12

Herstel van feitelijke negatieve effecten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat, indien een onderneming een feitelijk negatief effect heeft veroorzaakt of mede heeft veroorzaakt, de onderneming herstel biedt.

2.   Wanneer het feitelijke negatieve effect alleen door de zakenpartner van de onderneming wordt veroorzaakt, kan de onderneming vrijwillig herstel bieden. De onderneming kan ook gebruikmaken van haar vermogen om invloed uit te oefenen op de zakenpartner die het negatieve effect veroorzaakt, om herstel te bieden.

Artikel 13

Zinvolle samenwerking met belanghebbenden

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen passende maatregelen nemen om doeltreffend samen te werken met belanghebbenden, in overeenstemming met dit artikel.

2.   Onverminderd Richtlijn (EU) 2016/943 voorzien ondernemingen bij de raadpleging van belanghebbenden deze belanghebbenden van relevante en volledige informatie teneinde deze raadplegingen doeltreffend en transparant te doen verlopen. Onverminderd Richtlijn (EU) 2016/943 mogen geraadpleegde belanghebbenden een met redenen omkleed verzoek om relevante aanvullende informatie indienen, die de onderneming binnen een redelijke termijn en in een passende en begrijpelijke vorm verstrekt. Indien de onderneming een verzoek om aanvullende informatie weigert, hebben de geraadpleegde belanghebbenden het recht op een schriftelijke rechtvaardiging van die weigering.

3.   Belanghebbenden worden geraadpleegd tijdens de volgende fasen van de procedure inzake passende zorgvuldigheid:

a)

bij het verzamelen van de nodige informatie over feitelijke of potentiële negatieve effecten, teneinde negatieve effecten op grond van de artikelen 8 en 9 vast te stellen, te beoordelen en te prioriteren;

b)

bij het ontwikkelen van preventieve en corrigerende actieplannen op grond van artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 3, en bij het ontwikkelen van versterkte preventieve en corrigerende actieplannen op grond van artikel 10, lid 6, en artikel 11, lid 7;

c)

bij het nemen van het besluit om een zakelijke relatie te beëindigen of op te schorten op grond van artikel 10, lid 6, en artikel 11, lid 7;

d)

bij het vaststellen van passende maatregelen met het oog op het herstel van negatieve effecten op grond van artikel 12;

e)

in voorkomend geval, bij de ontwikkeling van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren voor het krachtens artikel 15 vereiste toezicht.

4.   Wanneer het redelijkerwijs niet mogelijk is doeltreffend samen te werken met belanghebbenden voor zover dat nodig is om aan de voorschriften van deze richtlijn te voldoen, raadplegen ondernemingen daarnaast deskundigen die geloofwaardige inzichten kunnen verschaffen in feitelijke of potentiële negatieve effecten.

5.   Bij raadplegen van de belanghebbenden brengen ondernemingen obstakels voor samenwerking in kaart en zorgen zij ervoor, onder meer door de vertrouwelijkheid of anonimiteit te bewaren, dat de deelnemers niet te maken krijgen met vergelding of wraak.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen de in dit artikel vastgestelde verplichtingen kunnen nakomen door middel van initiatieven van de sector of van meerdere belanghebbenden, naargelang het geval, mits de raadplegingsprocedures voldoen aan de vereisten van dit artikel. Het gebruik van initiatieven van de sector en van meerdere belanghebbenden volstaat niet om te voldoen aan de verplichting om de eigen werknemers van de onderneming en hun vertegenwoordigers te raadplegen.

7.   De samenwerking met werknemers en hun vertegenwoordigers doet geen afbreuk aan het toepasselijke Unie- en nationale recht op het gebied van werkgelegenheid en sociale rechten, noch aan de toepasselijke collectieve overeenkomsten.

Artikel 14

Kennisgevingsmechanisme en klachtenprocedure

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen de in lid 2 genoemde personen en entiteiten de mogelijkheid bieden om bij hen klachten in te dienen wanneer die personen of entiteiten gerechtvaardigde bezorgdheid hebben over feitelijke of potentiële negatieve effecten met betrekking tot de eigen activiteiten van de ondernemingen, de activiteiten van hun dochterondernemingen of die van hun zakenpartners in de activiteitenketens van de ondernemingen.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat klachten kunnen worden ingediend door:

a)

natuurlijke of rechtspersonen die worden getroffen of redelijke gronden hebben om aan te nemen dat zij getroffen kunnen worden door een negatief effect en de namens hen optredende legitieme vertegenwoordigers, zoals maatschappelijke organisaties en mensenrechtenverdedigers;

b)

vakbonden en andere werknemersvertegenwoordigers die natuurlijke personen vertegenwoordigen die in de betrokken activiteitenketen werkzaam zijn, en

c)

maatschappelijke organisaties die actief zijn op en ervaring hebben met aanverwante gebieden indien de klacht betrekking heeft op een negatief milieueffect.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen een eerlijke, openbaar beschikbare, toegankelijke, voorspelbare en transparante procedure vaststellen voor de behandeling van de in lid 1 bedoelde klachten, met inbegrip van een procedure voor wanneer de onderneming een klacht ongegrond acht, en dat zij de betrokken werknemersvertegenwoordigers en vakbonden over deze procedure informeren. Ondernemingen nemen redelijkerwijs beschikbare maatregelen om elke vorm van represaille te voorkomen door de vertrouwelijkheid te waarborgen van de identiteit van de persoon of organisatie die de klacht heeft ingediend, in overeenstemming met het nationale recht. Wanneer informatie moet worden gedeeld, gebeurt dit op een wijze die de veiligheid van de klager niet in gevaar brengt, onder meer door de identiteit van die klager niet bekend te maken.

De lidstaten dragen er zorg voor dat, indien de klacht gegrond is, het negatieve effect waarop de klacht betrekking heeft, wordt geacht te zijn vastgesteld in de zin van artikel 8, en dat de onderneming passende maatregelen treft overeenkomstig de artikelen 10, 11 en 12.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de klagers het recht hebben om:

a)

van de onderneming waarbij zij een klacht op grond van lid 1 hebben ingediend, een passende follow-up van de klacht te verlangen;

b)

met vertegenwoordigers van de onderneming op passend niveau bijeen te komen om feitelijke of potentiële ernstige negatieve effecten waarop de klacht betrekking heeft, en het potentiële herstel overeenkomstig artikel 12, te bespreken;

c)

van de onderneming een motivering te ontvangen met de redenen waarom een klacht al dan niet gegrond werd geacht, evenals, indien de klacht gegrond werd geacht, van de onderneming informatie te ontvangen over de stappen en maatregelen die zijn of moeten worden genomen.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen een toegankelijk mechanisme invoeren dat personen en entiteiten de mogelijkheid biedt kennisgevingen in te dienen wanneer zij informatie of gerechtvaardigde bezorgdheid hebben over feitelijke of potentiële negatieve effecten met betrekking tot hun eigen activiteiten, de activiteiten van hun dochterondernemingen en de activiteiten van hun zakenpartners in de activiteitenketens van de ondernemingen.

Dat mechanisme zorgt ervoor dat kennisgevingen hetzij anoniem, hetzij vertrouwelijk kunnen worden gedaan overeenkomstig het nationale recht. Ondernemingen nemen redelijkerwijs beschikbare maatregelen om elke vorm van represaille te voorkomen door te waarborgen dat de identiteit van personen of entiteiten die kennisgevingen indienen vertrouwelijk blijft, in overeenstemming met de nationale wet. De onderneming kan personen of entiteiten die een kennisgeving indienen, in voorkomend geval, in kennis stellen van de genomen of te nemen maatregelen.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen aan de in lid 1, de eerste alinea van lid 3, en lid 5 vastgelegde verplichtingen kunnen voldoen door deel te nemen aan gezamenlijke klachtenprocedures en kennisgevingsmechanismen, met inbegrip van gezamenlijk door ondernemingen, via brancheorganisaties, initiatieven van meerdere belanghebbenden of algemene kaderovereenkomsten ingestelde procedures en mechanismen, met dien verstande dat die gezamenlijke procedures en mechanismen aan de vereisten van dit artikel moeten voldoen.

7.   De indiening van een kennisgeving of klacht op grond van dit artikel mag geen voorwaarde zijn noch de persoon die deze indient beletten toegang te krijgen tot de procedures krachtens artikel 26 en 29 of tot andere buitengerechtelijke mechanismen.

Artikel 15

Toezicht

De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen hun eigen activiteiten en maatregelen, die van hun dochterondernemingen en, indien deze verband houden met de activiteitenketen van de onderneming, die van hun zakenpartners periodiek evalueren teneinde de uitvoering te beoordelen en erop toe te zien dat negatieve effecten op passende en doeltreffende wijze worden vastgesteld, voorkomen, verlicht, beëindigd en in omvang tot een minimum worden beperkt. Deze beoordelingen zijn, in voorkomend geval, gebaseerd op kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren en vinden onverwijld nadat zich een significante wijziging heeft voorgedaan, doch ten minste één keer per jaar plaats en telkens wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat er zich nieuwe risico’s op deze negatieve effecten kunnen voordoen. In voorkomend geval worden het beleid inzake passende zorgvuldigheid, de vastgestelde negatieve effecten en de daaruit afgeleide passende maatregelen geactualiseerd overeenkomstig de resultaten van die beoordelingen en met inachtneming van relevante informatie van belanghebbenden.

Artikel 16

Communicatie

1.   Onverminderd de vrijstelling waarin lid 2 van dit artikel voorziet, zorgen de lidstaten ervoor dat ondernemingen verslag uitbrengen over de aangelegenheden die onder deze richtlijn vallen door op hun website een jaarlijkse verklaring te publiceren. Die jaarlijkse verklaring wordt bekendgemaakt:

a)

in ten minste één van de officiële talen van de Unie die gebruikt wordt in de lidstaat van de op grond van artikel 24 aangewezen toezichthoudende autoriteit en, indien verschillend, in een taal die in de internationale zakenwereld gebruikelijk is;

b)

binnen een redelijke termijn, maar uiterlijk twaalf maanden na de balansdatum van het boekjaar waarvoor de verklaring wordt opgesteld, of, voor ondernemingen die vrijwillig rapporteren overeenkomstig Richtlijn 2013/34/EU, uiterlijk op de datum van publicatie van de jaarrekeningen.

In het geval van een onderneming die is opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een derde land, wordt in de verklaring ook de uit hoofde van artikel 23, lid 2, vereiste informatie betreffende de gemachtigde vertegenwoordiger van de onderneming opgenomen.

2.   Lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op ondernemingen die onderworpen zijn aan de vereisten inzake duurzaamheidsrapportering overeenkomstig artikel 19 bis, 29 bis of 40 bis van Richtlijn 2013/34/EU, met inbegrip van ondernemingen die zijn vrijgesteld overeenkomstig artikel 19 bis, lid 9, of artikel 29 bis, lid 8, van die richtlijn.

3.   Uiterlijk op 31 maart 2027 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 34 gedelegeerde handelingen vast ter aanvulling van deze richtlijn door de inhoud van en de criteria voor de in lid 1 bedoelde verslaglegging vast te leggen, waarbij de informatie in verband met de beschrijving van passende zorgvuldigheid, feitelijke en potentiële negatieve effecten, en de naar aanleiding van die effecten vastgestelde passende maatregelen voldoende nauwkeurig wordt gespecificeerd. Bij de voorbereiding van die gedelegeerde handelingen houdt de Commissie terdege rekening met de op grond van de artikelen 29 ter en 40 ter van Richtlijn 2013/34/EU vastgestelde duurzaamheidsrapporteringsstandaarden en stemt zij die handelingen daar waar nodig op af.

Bij de vaststelling van de in de eerste alinea bedoelde gedelegeerde handelingen zorgt de Commissie ervoor dat er geen overlapping is bij de rapportageverplichtingen voor de in artikel 3, lid 1, punt a), iii), bedoelde ondernemingen die aan rapportagevereisten zijn onderworpen uit hoofde van artikel 4 van Verordening (EU) 2019/2088, en dat de in deze richtlijn vastgestelde minimumverplichtingen volledig in acht worden genomen.

Artikel 17

Toegankelijkheid van informatie op het Europees centraal toegangspunt

1.   Met ingang van 1 januari 2029 dragen de lidstaten er zorg voor dat ondernemingen die de in artikel 16, lid 1, van deze richtlijn bedoelde jaarlijkse verklaring openbaar maken die verklaring op hetzelfde tijdstip indienen bij de in lid 3 van dit artikel bedoelde verzamelende instantie met het oog op het toegankelijk maken ervan op het bij Verordening (EU) 2023/2859 opgerichte Europees centraal toegangspunt (European Single Access Point — ESAP).

De lidstaten zien erop toe dat de informatie in de in de eerste alinea bedoelde jaarlijkse verklaring aan de volgende vereisten voldoet:

a)

de informatie is ingediend in een voor data-extractie geschikt formaat, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 3), van Verordening (EU) 2023/2859, of, indien dat uit hoofde van het Unie- of nationale recht wordt vereist, in een machinaal leesbaar formaat zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 4), van die verordening;

b)

de informatie gaat vergezeld van de volgende metadata:

i)

alle namen van de onderneming waarop de informatie betrekking heeft;

ii)

de identificatiecode van de onderneming, zoals gespecificeerd op grond van artikel 7, lid 4, punt b), van Verordening (EU) 2023/2859;

iii)

de grootte van de onderneming naar categorie op grond van artikel 7, lid 4, punt d), van Verordening (EU) 2023/2859;

iv)

de industriesector(en) van de economische activiteiten van de onderneming, op grond van artikel 7, lid 4, punt e), van Verordening (EU) 2023/2859;

v)

het type informatie, zoals gespecificeerd op grond van artikel 7, lid 4, punt c), van Verordening (EU) 2023/2859;

vi)

een vermelding of de informatie persoonsgegevens bevat.

2.   Voor de toepassing van lid 1, punt b), ii), zorgen de lidstaten ervoor dat ondernemingen een identificatiecode voor juridische entiteiten verkrijgen.

3.   Uiterlijk op 31 december 2028 wijzen de lidstaten, teneinde de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie toegankelijk te maken op het ESAP, ten minste één verzamelende instantie zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2), van Verordening (EU) 2023/2859 aan, en stellen zij de Europese Autoriteit voor effecten en markten daarvan in kennis.

4.   Om ervoor te zorgen dat de overeenkomstig lid 1 ingediende informatie efficiënt wordt verzameld en beheerd, wordt aan de Commissie de bevoegdheid verleend om uitvoeringsmaatregelen vast te stellen tot nadere vaststelling van:

a)

andere metadata waarvan de informatie vergezeld moet gaan;

b)

de structurering van data in de informatie, en

c)

de informatie waarvoor een machinaal leesbaar formaat vereist is en de vraag welk machinaal leesbaar formaat in dergelijke gevallen moet worden gebruikt.

Artikel 18

Modelcontractbepalingen

Om ondernemingen te ondersteunen bij de naleving van artikel 10, lid 2, punt b), en artikel 11, lid 3, punt c), stelt de Commissie, uiterlijk op 26 januari 2027, in overleg met de lidstaten en belanghebbenden richtsnoeren vast inzake vrijwillige modelcontractbepalingen.

Artikel 19

Richtsnoeren

1.   Teneinde ondernemingen of autoriteiten van de lidstaten steun te bieden voor de wijze waarop ondernemingen op een praktische wijze aan hun verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid moeten voldoen, en om belanghebbenden te ondersteunen, vaardigt de Commissie, in overleg met de lidstaten en belanghebbenden, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, het Europees Milieuagentschap, de Europese Arbeidsautoriteit en, waar passend, internationale organisaties en andere instanties die deskundig zijn op het gebied van passende zorgvuldigheid, richtsnoeren uit, waaronder algemene richtsnoeren en richtsnoeren voor specifieke sectoren of richtsnoeren voor specifieke negatieve effecten.

2.   De uit hoofde van lid 1 uit te vaardigen richtsnoeren omvatten het volgende:

a)

richtsnoeren en beste praktijken voor het uitoefenen van passende zorgvuldigheid in overeenstemming met de verplichtingen zoals vastgesteld in de artikelen 5 tot en met 16, met name het identificatieproces op grond van artikel 8, de prioritering van effecten op grond van artikel 9, passende maatregelen om inkooppraktijken aan te passen op grond van artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 3, verantwoorde terugtrekking op grond van artikel 10, lid 6, en artikel 11, lid 7, passende herstelmaatregelen op grond van artikel 12, en de wijze waarop belanghebbenden op grond van artikel 13 kunnen worden geïdentificeerd en kunnen worden betrokken, onder meer via het kennisgevingsmechanisme en de klachtenprocedure als ingesteld op grond van artikel 14;

b)

praktische richtsnoeren voor het in artikel 22 bedoelde transitieplan;

c)

sectorspecifieke richtsnoeren;

d)

richtsnoeren voor de beoordeling op ondernemingsniveau van zakelijke activiteiten, geografische en contextuele factoren, producten en diensten, en sectorale risicofactoren, met inbegrip van factoren die verband houden met conflict- en hoogrisicogebieden;

e)

verwijzingen naar gegevens en informatiebronnen die beschikbaar zijn voor de naleving van de verplichtingen waarin door deze richtlijn wordt voorzien, en naar digitale instrumenten en technologieën die naleving kunnen faciliteren en ondersteunen;

f)

informatie over de wijze waarop middelen en informatie kunnen worden gedeeld tussen ondernemingen en andere juridische entiteiten met het oog op de naleving van de op grond van deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen, op een wijze die in overeenstemming is met de bescherming van bedrijfsgeheimen op grond van artikel 5, lid 3, en met de bescherming tegen mogelijke vergelding of wraak zoals voorzien in artikel 13, lid 5;

g)

informatie voor belanghebbenden en hun vertegenwoordigers over hoe zij bij de procedure inzake passende zorgvuldigheid kunnen worden betrokken.

3.   De in lid 2, punten a), d) en e), bedoelde richtsnoeren worden uiterlijk op 26 januari 2027 beschikbaar gesteld. De richtsnoeren in lid 2, punten b), f) en g), worden uiterlijk op 26 juli 2027 beschikbaar gesteld.

4.   De in dit artikel bedoelde richtsnoeren worden beschikbaar gesteld in alle officiële talen van de Unie. De Commissie evalueert de richtsnoeren op gezette tijden en past ze zo nodig aan.

Artikel 20

Begeleidende maatregelen

1.   Ter informatie en ondersteuning van ondernemingen en hun zakenpartners en van belanghebbenden zetten de lidstaten, afzonderlijk of gezamenlijk, specifieke websites, platformen of portalen op. Daarbij wordt bijzondere aandacht besteed aan de kmo’s in de activiteitenketen van ondernemingen. Die websites, platformen of portalen bieden met name toegang tot:

a)

de door de Commissie op grond van de uit hoofde van artikel 16, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handelingen bepaalde inhoud en criteria voor de verslaglegging;

b)

de richtsnoeren van de Commissie inzake vrijwillige modelcontractbepalingen waarin artikel 18 voorziet en de richtsnoeren die zij uitvaardigt uit hoofde van artikel 19;

c)

de centrale helpdesk waarin artikel 21 voorziet, en

d)

informatie voor belanghebbenden en hun vertegenwoordigers over hoe zij bij de procedure inzake passende zorgvuldigheid kunnen worden betrokken.

2.   Onverminderd de voorschriften inzake staatssteun kunnen de lidstaten kmo’s financieel ondersteunen. De lidstaten kunnen belanghebbenden ook ondersteuning bieden teneinde de uitoefening van in deze richtlijn vastgelegde rechten te faciliteren.

3.   De Commissie kan steunmaatregelen van lidstaten aanvullen door voort te bouwen op bestaande maatregelen van de Unie ter ondersteuning van passende zorgvuldigheid in de Unie en in derde landen, en kan met nieuwe maatregelen komen, waaronder het faciliteren van initiatieven van de sector of van meerdere belanghebbenden om ondernemingen te helpen aan hun verplichtingen te voldoen.

4.   Onverminderd de artikelen 25, 26 en 29 kunnen ondernemingen deelnemen aan sectorale regelingen en initiatieven waarbij meerdere belanghebbenden zijn betrokken, om de nakoming van de in de artikelen 7 tot en met 16 bedoelde verplichtingen te ondersteunen, voor zover dergelijke initiatieven daarvoor geschikt zijn. Ondernemingen kunnen met name, nadat zij de geschiktheid daarvan hebben beoordeeld, gebruikmaken van of zich aansluiten bij een relevante risicoanalyse die wordt uitgevoerd door initiatieven van de sector of van meerdere belanghebbenden of door leden van die initiatieven, en kunnen via dergelijke initiatieven doeltreffende passende maatregelen nemen of zich daarbij aansluiten. Daarbij zien de ondernemingen toe op de doeltreffendheid van dergelijke maatregelen en blijven zij waar nodig passende maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat zij hun verplichtingen nakomen.

De Commissie en de lidstaten kunnen de verspreiding van informatie over dergelijke initiatieven en de resultaten ervan faciliteren. De Commissie verstrekt, in samenwerking met de lidstaten, ten behoeve van ondernemingen richtsnoeren met geschiktheidscriteria en een methode om de geschiktheid van initiatieven van de sector en van meerdere belanghebbenden te beoordelen.

5.   Onverminderd de artikelen 25, 26 en 29, kunnen ondernemingen een beroep doen op verificatie door een onafhankelijke derde partij betreffende of op verzoek van ondernemingen binnen hun activiteitenketens om de naleving van hun verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid te ondersteunen, voor zover dergelijke verificaties geschikt zijn om de nakoming van de desbetreffende verplichtingen te ondersteunen. Verificatie door onafhankelijke derde partijen kan worden uitgevoerd door andere ondernemingen of door een initiatief van de sector of van meerdere belanghebbenden. Onafhankelijke verificateurs van derden handelen objectief en volledig onafhankelijk van de onderneming, zijn vrij van belangenconflicten, blijven vrij van directe of indirecte beïnvloeding van buitenaf, en onthouden zich van handelingen die onverenigbaar zijn met hun onafhankelijkheid. Afhankelijk van de aard van het negatieve effect beschikken zij over ervaring en bekwaamheid op het gebied van milieu- of mensenrechtenkwesties en zijn zij verantwoordelijk voor de kwaliteit en betrouwbaarheid van de verificatie die zij verrichten.

De Commissie verstrekt, in samenwerking met de lidstaten, ten behoeve van ondernemingen richtsnoeren met geschiktheidscriteria en een methode om de geschiktheid van externe verificateurs te beoordelen, alsook richtsnoeren om de nauwkeurigheid, doeltreffendheid en integriteit van de verificatie door derden te monitoren.

Artikel 21

Centrale helpdesk

1.   De Commissie richt een centrale helpdesk op waar ondernemingen terecht kunnen voor informatie en richtsnoeren aangaande de nakoming van hun verplichtingen waarin deze richtlijn voorziet en voor ondersteuning daarbij.

2.   De bevoegde nationale autoriteiten in elke lidstaat werken samen met de centrale helpdesk om te helpen bij de afstemming van de informatie en richtsnoeren op de nationale context en bij de verspreiding van die informatie en richtsnoeren.

Artikel 22

Bestrijding van klimaatverandering

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 2, lid 1, punten a), b) en c), en artikel 2, lid 2, punten a), b) en c), bedoelde ondernemingen een transitieplan voor beperking van de klimaatverandering opstellen en uitvoeren dat ervoor moet zorgen dat de onderneming haar uiterste best doet om haar bedrijfsmodel en de strategie in overeenstemming te brengen met de transitie naar een duurzame economie en met het beperken van enerzijds de opwarming van de aarde tot 1,5 oC in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs en de in Verordening (EU) 2021/1119 vastgelegde doelstelling inzake klimaatneutraliteit, met inbegrip van de tussentijdse en klimaatneutraliteitsdoelstellingen voor 2050, en anderzijds, in voorkomend geval, van de blootstelling van de onderneming aan steenkool-, olie- en gasgerelateerde activiteiten.

In het ontwerp van het in de eerste alinea bedoelde transitieplan voor beperking van de klimaatverandering wordt het volgende opgenomen:

a)

tijdgebonden doelstellingen op het gebied van klimaatverandering voor 2030 en daaropvolgende vijfjaarlijkse stappen tot en met 2050 op basis van overtuigend wetenschappelijk bewijs en, in voorkomend geval, absolute emissiereductiedoelstellingen voor broeikasgassen voor de toepassingsgebieden 1, 2 en 3 voor elke significante categorie;

b)

een beschrijving van de vastgestelde decarbonisatiehefbomen en de geplande kernacties om de in punt a) bedoelde doelstellingen te halen, in voorkomend geval met inbegrip van wijzigingen in het producten- en dienstenpakket van de onderneming en de invoering van nieuwe technologieën;

c)

een toelichting en kwantificering van de investeringen en financiering ter ondersteuning van de uitvoering van het transitieplan voor beperking van de klimaatverandering, en

d)

een beschrijving van de rol van de bestuurs-, leidinggevende en toezichthoudende organen in het kader van het transitieplan voor beperking van de klimaatverandering.

2.   Ondernemingen die een transitieplan voor beperking van de klimaatverandering rapporteren overeenkomstig artikel 19 bis, 29 bis of 40 bis, naargelang het geval, van Richtlijn 2013/34/EU, worden geacht te hebben voldaan aan de verplichting om het in lid 1van dit artikel bedoelde transitieplan voor beperking van de klimaatverandering vast te stellen.

Ondernemingen die zijn opgenomen in het transitieplan voor beperking van de klimaatverandering van hun moederonderneming, zoals gerapporteerd overeenkomstig artikel 29 bis of 40 bis, naargelang het geval, van Richtlijn 2013/34/EU, worden geacht te hebben voldaan aan de verplichting om het in lid 1van dit artikel bedoelde transitieplan voor beperking van de klimaatverandering vast te stellen.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat het in lid 1 bedoelde transitieplan voor beperking van de klimaatverandering om de twaalf maanden wordt bijgewerkt en een beschrijving bevat van de vooruitgang die de onderneming heeft geboekt bij de verwezenlijking van de in lid 1, tweede alinea, punt a), bedoelde doelstellingen.

Artikel 23

Gemachtigde vertegenwoordiger

1.   De lidstaten schrijven een op hun grondgebied opererende onderneming als bedoeld in artikel 2, lid 2, voor een natuurlijke of rechtspersoon die gevestigd of woonachtig is in een van de lidstaten waar zij werkzaam is, als haar gemachtigde vertegenwoordiger aan te wijzen. De aanwijzing is geldig wanneer de gemachtigde vertegenwoordiger bevestigt deze te aanvaarden.

2.   De lidstaten schrijvende gemachtigde vertegenwoordiger of de onderneming voor de naam, het adres, het e-mailadres en het telefoonnummer van de gemachtigde vertegenwoordiger mede te delen aan een toezichthoudende autoriteit in de lidstaat waar de gemachtigde vertegenwoordiger woonachtig of gevestigd is en, indien dat een andere lidstaat is, de bevoegde toezichthoudende autoriteit, zoals gespecificeerd in artikel 24, lid 3. De lidstaten zorgen ervoor dat de gemachtigde vertegenwoordiger verplicht is op verzoek een afschrift van de aanwijzing in een officiële taal van een lidstaat aan een van de toezichthoudende autoriteiten te verstrekken.

3.   De lidstaten schrijven de gemachtigde vertegenwoordiger of de onderneming voor een toezichthoudende autoriteit in de lidstaat waar de gemachtigde vertegenwoordiger woonachtig of gevestigd is en, indien dit een andere lidstaat is, de bevoegde toezichthoudende autoriteit, zoals gespecificeerd in artikel 24, lid 3, ervan in kennis te stellen dat de onderneming een onderneming is als bedoeld in artikel 2, lid 2.

4.   De lidstaten schrijven elke onderneming voor haar gemachtigde vertegenwoordiger de bevoegdheid te verlenen om van de toezichthoudende autoriteiten kennisgevingen te ontvangen over alle aangelegenheden die nodig zijn voor de naleving en de handhaving van nationaalrechtelijke bepalingen ter omzetting van deze richtlijn. De ondernemingen zijn verplicht hun gemachtigde vertegenwoordiger de nodige bevoegdheden en middelen te geven om met de toezichthoudende autoriteiten te kunnen samenwerken.

5.   Ingeval een onderneming als bedoeld in artikel 2, lid 2, de bij dit artikel vastgestelde verplichtingen niet nakomt, zijn alle lidstaten waar die onderneming actief is, bevoegd om de nakoming van die verplichtingen af te dwingen overeenkomstig hun nationale recht. Een lidstaat die voornemens is de in dit artikel neergelegde verplichtingen te handhaven, stelt de toezichthoudende autoriteiten daarvan in kennis via het overeenkomstig artikel 28 ingestelde Europees netwerk van toezichthoudende autoriteiten, opdat andere lidstaten deze niet handhaven.

Artikel 24

Toezichthoudende autoriteiten

1.   Elke lidstaat wijst een of meer toezichthoudende autoriteiten aan die toezicht houden op de naleving van de in de nationaalrechtelijke bepalingen neergelegde verplichtingen, vastgesteld op grond van de artikelen 7 tot en met 16 en artikel 22.

2.   Voor een onderneming als bedoeld in artikel 2, lid 1, is de bevoegde toezichthoudende autoriteit die van de lidstaat waar de onderneming haar statutaire zetel heeft.

3.   Voor een onderneming als bedoeld in artikel 2, lid 2, is de bevoegde toezichthoudende autoriteit die van de lidstaat waar de onderneming een bijkantoor heeft. Indien de onderneming in geen enkele lidstaat een bijkantoor heeft, of bijkantoren heeft in verschillende lidstaten, is de bevoegde toezichthoudende autoriteit die van de lidstaat waar de onderneming het grootste deel van haar netto-omzet in de Unie heeft gegenereerd in het boekjaar voorafgaand aan het laatste boekjaar vóór de in artikel 37 genoemde datum of, indien dat later is, de datum sinds wanneer de onderneming voor het eerst aan de criteria van artikel 2, lid 2, voldoet.

Een onderneming als bedoeld in artikel 2, lid 2, kan op grond van een wijziging van omstandigheden die ertoe leidt dat zij het grootste deel van haar omzet in de Unie in een andere lidstaat genereert, een naar behoren met redenen omkleed verzoek indienen om de toezichthoudende autoriteit die bevoegd is om de in deze richtlijn bedoelde aangelegenheden met betrekking tot die onderneming te reguleren, te wijzigen.

4.   Indien een moederonderneming de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen overeenkomstig artikel 6 namens haar dochterondernemingen nakomt, werkt de bevoegde toezichthoudende autoriteit van de moederonderneming samen met de bevoegde toezichthoudende autoriteit van de dochteronderneming, die bevoegd blijft om ervoor te zorgen dat de dochteronderneming onderworpen is aan de uitoefening van bevoegdheden overeenkomstig artikel 25. In dit verband faciliteert het bij artikel 28 opgerichte Europees netwerk van toezichthoudende autoriteiten de noodzakelijke samenwerking, coördinatie en verlening van wederzijdse bijstand overeenkomstig artikel 28.

5.   Indien een lidstaat meer dan één toezichthoudende autoriteit aanwijst, zorgt hij ervoor dat de respectieve bevoegdheden van die toezichthoudende autoriteiten duidelijk omschreven zijn en dat zij nauw en doeltreffend met elkaar samenwerken.

6.   De lidstaten kunnen de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op gereglementeerde financiële ondernemingen ook aanwijzen als toezichthoudende autoriteit voor de toepassing van deze richtlijn.

7.   Uiterlijk op 26 juli 2026 stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de namen en contactgegevens van de op grond van dit artikel aangewezen toezichthoudende autoriteiten, alsook van hun respectieve bevoegdheden wanneer er meerdere toezichthoudende autoriteiten worden aangewezen. Zij stellen de Commissie in kennis van eventuele wijzigingen.

8.   De Commissie maakt een lijst van de toezichthoudende autoriteiten toegankelijk voor het publiek, onder meer op haar website, en wanneer er in een lidstaat meerdere toezichthoudende autoriteiten zijn, vermeldt zij de respectieve bevoegdheden van die autoriteiten in het kader van deze richtlijn. De Commissie werkt de lijst regelmatig bij op basis van de van de lidstaten ontvangen informatie.

9.   De lidstaten waarborgen de onafhankelijkheid van de toezichthoudende autoriteiten en zien erop toe dat zij, evenals alle personen die voor hen werken of gewerkt hebben en de auditoren, deskundigen en alle andere personen die namens hen optreden hun bevoegdheden onpartijdig, op transparante wijze en met inachtneming van het beroepsgeheim uitoefenen. De lidstaten zorgen er met name voor dat de toezichthoudende autoriteiten juridisch en functioneel onafhankelijk zijn, vrij zijn van directe of indirecte beïnvloeding van buitenaf, ook van de ondernemingen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen of van andere marktbelangen, en dat het personeel van deze autoriteiten en de personen die belast zijn met het beheer ervan vrij zijn van belangenconflicten, onderworpen zijn aan geheimhoudingsplicht en zich onthouden van alle handelingen die onverenigbaar zijn met hun taken.

10.   De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthoudende autoriteiten een jaarverslag over hun activiteiten uit hoofde van deze richtlijn publiceren en online toegankelijk maken.

Artikel 25

Bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthoudende autoriteiten over passende bevoegdheden en middelen beschikken om de hun krachtens deze richtlijn toevertrouwde taken uit te voeren, met inbegrip van de bevoegdheid om van ondernemingen te vereisen dat zij informatie verstrekken en om onderzoeken te verrichten met betrekking tot de nakoming van de in de artikelen 7 tot en met 16 vastgelegde verplichtingen. De lidstaten schrijven de toezichthoudende autoriteiten voor toezicht te houden op de vaststelling en het ontwerp van het transitieplan voor beperking van de klimaatverandering overeenkomstig de vereisten van artikel 22, lid 1.

2.   Een toezichthoudende autoriteit kan uit eigen beweging of naar aanleiding van gemotiveerde bezwaren die haar op grond van artikel 26 zijn meegedeeld, een onderzoek openen wanneer zij van oordeel is dat zij over voldoende informatie beschikt die wijst op een mogelijke inbreuk door een onderneming op de verplichtingen die in de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen zijn vervat.

3.   Inspecties worden uitgevoerd met inachtneming van het nationale recht van de lidstaat waar zij plaatsvinden en worden vooraf aan de onderneming meegedeeld, tenzij voorafgaande kennisgeving de doeltreffendheid van de inspectie zou belemmeren. Wanneer een toezichthoudende autoriteit in het kader van haar onderzoek een inspectie wenst uit te voeren op het grondgebied van een andere dan haar eigen lidstaat, vraagt zij op grond van artikel 28, lid 3, om bijstand van de toezichthoudende autoriteit in die lidstaat.

4.   Indien een toezichthoudende autoriteit op basis van de op grond van de leden 1 en 2 genomen maatregelen vaststelt dat de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen niet worden nageleefd, geeft zij de betrokken onderneming een passende termijn om corrigerende maatregelen te nemen, indien dergelijke maatregelen mogelijk zijn.

Het nemen van corrigerende maatregelen sluit het opleggen van sancties of het doen ontstaan van wettelijke aansprakelijkheid, overeenkomstig respectievelijk de artikelen 27 en 29, niet uit.

5.   Bij de uitvoering van hun taken beschikken de toezichthoudende autoriteiten ten minste over de bevoegdheid om:

a)

de onderneming te gelasten:

i)

inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen te beëindigen door ofwel een handeling te verrichten ofwel een gedraging te beëindigen;

ii)

de gedraging in kwestie niet te herhalen, en

iii)

in voorkomend geval, herstel te bieden dat in verhouding staat tot de inbreuk en noodzakelijk is om een einde aan de inbreuk te maken;

b)

sancties op te leggen overeenkomstig artikel 27, en

c)

voorlopige maatregelen vast te stellen in geval van een dreigend risico op ernstige en onherstelbare schade.

6.   De toezichthoudende autoriteiten oefenen de in dit artikel bedoelde bevoegdheden uit overeenkomstig het nationale recht:

a)

rechtstreeks;

b)

in samenwerking met andere autoriteiten, of

c)

middels een verzoek aan de bevoegde rechterlijke instanties, die waarborgen dat rechtsmiddelen doeltreffend zijn en hetzelfde effect hebben als de rechtstreeks door toezichthoudende autoriteiten opgelegde sancties.

7.   De lidstaten zorgen ervoor dat elke natuurlijke of rechtspersoon het recht heeft om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen tegen een hem betreffend juridisch bindend besluit van een toezichthoudende autoriteit, in overeenstemming met het nationale recht.

8.   De lidstaten garanderen dat de toezichthoudende autoriteiten dossiers bijhouden over de in lid 1 bedoelde onderzoeken, waarin met name de aard en de resultaten van de onderzoeken worden vermeld, alsook dossiers over alle op grond van lid 5 genomen handhavingsmaatregelen.

9.   De besluiten van toezichthoudende autoriteiten met betrekking tot de naleving door een onderneming van de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen doen geen afbreuk aan de wettelijke aansprakelijkheid van de onderneming krachtens artikel 29.

Artikel 26

Gemotiveerde bezwaren

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat natuurlijke en rechtspersonen het recht hebben om bij een toezichthoudende autoriteit via gemakkelijk toegankelijke kanalen gemotiveerde bezwaren in te dienen wanneer zij op basis van objectieve omstandigheden redenen hebben om aan te nemen dat een onderneming de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen niet naleeft.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer personen die gemotiveerde bezwaren indienen om bescherming van hun identiteit en persoonsgegevens verzoeken omdat zij door bekendmaking schade zouden kunnen ondervinden, de toezichthoudende autoriteit de nodige maatregelen neemt om voor passende bescherming van die identiteit en persoonsgegevens te zorgen.

3.   Indien een gemotiveerd bezwaar onder de bevoegdheid van een andere toezichthoudende autoriteit valt, geeft de autoriteit die het gemotiveerde bezwaar ontvangt dit door aan die autoriteit.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de toezichthoudende autoriteiten de gemotiveerde bezwaren binnen een passende termijn beoordelen en, in voorkomend geval, hun bevoegdheden als bedoeld in artikel 25 uitoefenen.

5.   De toezichthoudende autoriteit stelt de in lid 1 bedoelde personen zo spoedig mogelijk en in overeenstemming met de desbetreffende nationaalrechtelijke bepalingen en met inachtneming van het Unierecht in kennis van het resultaat van de beoordeling van hun gemotiveerde bezwaar en omkleedt dat resultaat met redenen. De toezichthoudende autoriteit stelt de personen die een dergelijk gemotiveerd bezwaar indienen en die overeenkomstig het nationale recht een rechtmatig belang bij de zaak hebben, ook in kennis van haar beslissing om een verzoek om maatregelen in te willigen of af te wijzen en geeft een beschrijving van de verdere stappen en maatregelen en praktische informatie over toegang tot administratieve en gerechtelijke beroepsprocedures.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat personen die overeenkomstig dit artikel een gemotiveerd bezwaar indienen en overeenkomstig het nationale recht een rechtmatig belang bij de zaak hebben, toegang hebben tot een rechter of een andere onafhankelijke en onpartijdige overheidsinstantie die bevoegd is om de procedurele en materiële rechtmatigheid van de beslissingen, het handelen of het verzuim te handelen van de toezichthoudende autoriteit te toetsen.

Artikel 27

Sancties

1.   De lidstaten stellen de voorschriften vast ten aanzien van de sancties, waaronder geldboeten, die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

2.   Bij de beslissing over het al dan niet opleggen van sancties en zo ja, bij het bepalen van de aard en het passende niveau ervan, wordt naar behoren rekening gehouden met:

a)

de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, en de ernst van de gevolgen van die inbreuk;

b)

eventuele investeringen en gerichte steun uit hoofde van de artikelen 10 en 11;

c)

eventuele samenwerking met andere entiteiten om de desbetreffende gevolgen aan te pakken;

d)

in voorkomend geval, de mate waarin prioriteringsbesluiten zijn genomen overeenkomstig artikel 9;

e)

eerdere relevante inbreuken van de onderneming op krachtens deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen die door middel van een definitieve beslissing zijn vastgesteld;

f)

de mate waarin de onderneming corrigerende maatregelen heeft genomen met betrekking tot de desbetreffende kwestie;

g)

de door de onderneming als gevolg van de inbreuk gemaakte financiële winsten of vermeden verliezen;

h)

andere verzwarende of verzachtende factoren die van toepassing zijn op de omstandigheden van de desbetreffende zaak.

3.   De lidstaten voorzien ten minste in de volgende sancties:

a)

geldboeten;

b)

indien een onderneming een besluit tot het opleggen van een geldboete niet binnen de toepasselijke termijn naleeft, een publieke verklaring waarin de voor de inbreuk verantwoordelijke onderneming en de aard van de inbreuk bekend worden gemaakt.

4.   Wanneer geldboeten worden opgelegd, worden deze gebaseerd op de wereldwijde netto-omzet van de onderneming. De maximumgrens voor geldboeten bedraagt ten minste 5 % van de wereldwijde netto-omzet van de onderneming in het boekjaar dat voorafgaat aan het jaar van het besluit tot het opleggen van de geldboete.

De lidstaten zien erop toe dat bij de berekening van de geldboeten voor in artikel 2, lid 1, punt b), en artikel 2, lid 2, punt b), bedoelde ondernemingen rekening wordt gehouden met de door de uiteindelijke moederonderneming gerapporteerde geconsolideerde omzet.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat elk besluit van de toezichthoudende autoriteiten betreffende sancties in verband met inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen bekend wordt gemaakt, gedurende ten minste vijf jaar voor het publiek beschikbaar blijft en wordt toegezonden aan het bij artikel 28 opgerichte Europees netwerk van toezichthoudende autoriteiten. Het bekendgemaakte besluit bevat geen persoonsgegevens in de zin van artikel 4, punt 1), van Verordening (EU) 2016/679.

Artikel 28

Europees netwerk van toezichthoudende autoriteiten

1.   De Commissie richt een Europees Netwerk van toezichthoudende autoriteiten op, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de toezichthoudende autoriteiten. Het Europees Netwerk van toezichthoudende autoriteiten bevordert de samenwerking tussen de toezichthoudende autoriteiten en de coördinatie en afstemming van de praktijken van de toezichthoudende autoriteiten op het gebied van regelgeving, onderzoek, sancties en toezicht en, in voorkomend geval, het onderling delen van informatie.

De Commissie kan agentschappen van de Unie met relevante deskundigheid op de onder deze richtlijn vallende gebieden verzoeken toe te treden tot het Europees netwerk van toezichthoudende autoriteiten.

2.   De lidstaten werken samen met het Europees netwerk van toezichthoudende autoriteiten om de ondernemingen binnen hun jurisdictie te identificeren, met name door alle nodige informatie te verstrekken om te kunnen beoordelen of een onderneming uit een derde land aan de criteria van artikel 2 voldoet. De Commissie zet een beveiligd systeem op voor de uitwisseling van informatie over de in de Unie gegenereerde netto-omzet van een in artikel 2, lid 2, bedoelde onderneming die in geen enkele lidstaat een bijkantoor heeft of die in verschillende lidstaten bijkantoren heeft, aan de hand waarvan de lidstaten de informatie waarover zij beschikken betreffende de netto-omzet van dergelijke ondernemingen regelmatig meedelen. De Commissie analyseert die informatie binnen een redelijke termijn en meldt aan de lidstaat waar de onderneming in het boekjaar voorafgaand aan het laatste boekjaar het grootste deel van haar netto-omzet in de Unie heeft gegenereerd dat het om een onderneming als bedoeld in artikel 2, lid 2, gaat en dat de toezichthoudende autoriteit van die lidstaat overeenkomstig artikel 24, lid 3, bevoegd is.

3.   De toezichthoudende autoriteiten verstrekken elkaar relevante informatie en wederzijdse bijstand bij de uitoefening van hun taken en nemen maatregelen om doeltreffend met elkaar samen te werken. Wederzijdse bijstand omvat samenwerking met het oog op de uitoefening van de in artikel 25 bedoelde bevoegdheden, onder meer in verband met inspecties en verzoeken om informatie.

4.   De toezichthoudende autoriteiten doen al het nodige om een verzoek om bijstand van een andere toezichthoudende autoriteit onverwijld en uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek te beantwoorden. Indien dit gezien de gegeven omstandigheden noodzakelijk blijkt, kan de termijn op basis van een degelijke motivering met maximaal twee maanden worden verlengd. De in dit kader te nemen stappen kunnen in het bijzonder de toezending van relevante informatie over het uitvoeren van een onderzoek inhouden.

5.   Verzoeken om bijstand bevatten alle nodige informatie, waaronder het doel van en de redenen voor het verzoek. De toezichthoudende autoriteiten gebruiken de via een verzoek om bijstand ontvangen informatie alleen voor het doel waarvoor om deze informatie is verzocht.

6.   De aangezochte toezichthoudende autoriteit informeert de verzoekende toezichthoudende autoriteit over de resultaten of, in voorkomend geval, de voortgang met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen om in te gaan op het verzoek om bijstand.

7.   De toezichthoudende autoriteiten rekenen elkaar geen vergoeding aan voor acties en maatregelen naar aanleiding van een verzoek om bijstand.

Wel kunnen de toezichthoudende autoriteiten regels overeenkomen om elkaar te vergoeden voor specifieke uitgaven die voortvloeien uit het verstrekken van bijstand in uitzonderlijke gevallen.

8.   De toezichthoudende autoriteit die op grond van artikel 24, lid 3, bevoegd is, stelt het Europees netwerk van toezichthoudende autoriteiten daarvan in kennis, alsook van elk verzoek om een andere bevoegde toezichthoudende autoriteit aan te wijzen.

9.   In geval van twijfel over de toewijzing van de bevoegdheid wordt de informatie waarop die toewijzing berust, meegedeeld aan het Europees netwerk van toezichthoudende autoriteiten, dat de inspanningen om een oplossing te vinden kan coördineren.

10.   Het Europees netwerk van toezichthoudende autoriteiten zorgt voor de bekendmaking van:

a)

de besluiten van de toezichthoudende autoriteiten die voorzien in sancties, als bedoeld in artikel 27, lid 5, en

b)

een indicatieve lijst van ondernemingen uit derde landen die onder deze richtlijn vallen.

Artikel 29

Wettelijke aansprakelijkheid van ondernemingen en het recht op volledige schadevergoeding

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat een onderneming aansprakelijk kan worden gesteld voor schade die is toegebracht aan een natuurlijke of rechtspersoon, op voorwaarde dat:

a)

de onderneming opzettelijk of uit onachtzaamheid niet heeft voldaan aan de verplichtingen van de artikelen 10 en 11, wanneer het recht, het verbod of de verplichting zoals vermeld in de bijlage bij deze richtlijn erop gericht is de natuurlijke of rechtspersoon te beschermen, en

b)

als gevolg van het in punt a) bedoelde verzuim schade is berokkend aan de door het nationale recht beschermde wettelijke belangen van de natuurlijke of rechtspersoon.

Een onderneming kan niet aansprakelijk worden gesteld indien de schade uitsluitend door haar zakenpartners in haar activiteitenketen is veroorzaakt.

2.   Indien een onderneming overeenkomstig lid 1 aansprakelijk wordt gesteld, heeft een natuurlijke of rechtspersoon recht op volledige vergoeding van de schade overeenkomstig het nationale recht. Volledige schadevergoeding op grond van deze richtlijn mag niet leiden tot overcompensatie, ongeacht of het schadevergoeding met een punitief karakter, meervoudige schadevergoeding of andere vormen van schadevergoeding betreft.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat:

a)

nationale regels inzake het begin, de duur, de schorsing of de stuiting van verjaringstermijnen geen onnodige belemmering vormen voor schadevorderingen en in geen geval restrictiever zijn dan de regels voor nationale stelsels inzake algemene wettelijke aansprakelijkheid;

de verjaringstermijn voor het instellen van een schadevordering uit hoofde van deze richtlijn ten minste vijf jaar bedraagt en in geen geval minder dan de verjaringstermijn uit hoofde van nationale regelingen inzake algemene wettelijke aansprakelijkheid;

de verjaringstermijn pas ingaat nadat de inbreuk is stopgezet en de eiser weet heeft, of redelijkerwijs geacht kan worden weet te hebben, van:

i)

het gedrag en het feit dat het een inbreuk vormt;

ii)

het feit dat hij door de inbreuk schade heeft geleden, en

iii)

de identiteit van de inbreukmaker.

b)

de proceskosten voor eisers niet dusdanig hoog zijn dat deze hun beletten verhaal te halen bij de rechter;

c)

eisers injunctie kunnen inroepen, met inbegrip van kort geding; dergelijke injunctie is in de vorm van definitieve of voorlopige maatregelen tot beëindiging van inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationaalrechtelijke bepalingen door ofwel een handeling te verrichten ofwel een gedraging te beëindigen;

d)

wordt voorzien in redelijke voorwaarden waaronder een vermeend benadeelde partij toestemming kan verlenen aan een vakbond, niet-gouvernementele mensenrechten- of milieuorganisatie of een andere niet-gouvernementele organisatie en, overeenkomstig het nationale recht, in de lidstaat gevestigde nationale mensenrechteninstellingen om vorderingen in te stellen om de rechten van de vermeend benadeelde partij te doen gelden, onverminderd de nationale civielprocesrechtelijke regels;

een vakbond of niet-gouvernementele organisatie op grond van de eerste alinea van dit punt kan worden gemachtigd indien zij voldoet aan de vereisten van het nationale recht; die vereisten kunnen betrekking hebben op het behoud van een eigen permanente aanwezigheid en, overeenkomstig haar statuten, het niet commercieel en niet slechts tijdelijk doen gelden van krachtens deze richtlijn beschermde rechten of de overeenkomstige rechten krachtens het nationale recht;

e)

wanneer een vordering wordt ingesteld en een eiser een met redenen omklede motivering verstrekt met daarin voldoende redelijkerwijs beschikbare feiten en bewijzen om de schadevordering aannemelijk te maken en heeft aangegeven dat de onderneming over aanvullend bewijsmateriaal beschikt, de rechter de onderneming kan gelasten dit bewijsmateriaal openbaar te maken overeenkomstig het nationale procesrecht;

nationale rechterlijke instanties de openbaarmaking van het opgevraagde bewijsmateriaal beperken tot hetgeen noodzakelijk en evenredig is om een potentiële vordering of een vordering tot schadevergoeding te ondersteunen, en de bewaring van bewijsmateriaal beperken tot hetgeen noodzakelijk en evenredig is om een dergelijke vordering tot schadevergoeding te ondersteunen; nationale rechterlijke instanties bij hun oordeel over de evenredigheid van een bevel tot openbaarmaking of bewaring van bewijsmateriaal rekening houden met de mate waarin de vordering of het verweer gestaafd wordt door beschikbare feiten en bewijzen die het verzoek om openbaarmaking van bewijsmateriaal rechtvaardigen; de omvang en de kosten van openbaarmaking, en de rechtmatige belangen van alle partijen, waaronder eventuele betrokken derden, waarbij wordt voorkomen dat op niet-specifieke wijze wordt gezocht naar informatie waarvan het niet waarschijnlijk is dat zij relevant is voor de partijen in de procedure; of het bewijsmateriaal waarvan de openbaarmaking wordt gevraagd al dan niet vertrouwelijke informatie bevat, in het bijzonder over derden, en welke regelingen tot bescherming van dergelijke vertrouwelijke informatie van toepassing zijn.

De lidstaten zorgen ervoor dat de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn om de openbaarmaking te gelasten van bewijsmateriaal dat vertrouwelijke informatie bevat indien zij dat bewijsmateriaal relevant achten voor de schadevordering. De lidstaten zorgen ervoor dat hun nationale rechterlijke instanties, wanneer zij de openbaarmaking van deze informatie gelasten, over doeltreffende maatregelen beschikken om deze informatie te beschermen.

4.   Ondernemingen die hebben deelgenomen aan initiatieven van de sector of van meerdere belanghebbenden of die gebruik hebben gemaakt van verificatie door een onafhankelijke derde partij of contractbepalingen om de uitvoering van hun verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid te ondersteunen, kunnen niettemin aansprakelijk worden gesteld overeenkomstig dit artikel.

5.   De uit deze bepaling voortvloeiende wettelijke aansprakelijkheid van een onderneming voor schade laat de wettelijke aansprakelijkheid van haar dochterondernemingen of van alle directe en indirecte zakenpartners in de activiteitenketen van de onderneming onverlet.

Indien de schade gezamenlijk is veroorzaakt door de onderneming en haar dochteronderneming of haar directe of indirecte zakenpartner, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk, onverminderd de nationaalrechtelijke bepalingen betreffende de voorwaarden voor hoofdelijke aansprakelijkheid en regresrechten.

6.   De wettelijkeaansprakelijkheidsregels van deze richtlijn perken de aansprakelijkheid van ondernemingen krachtens het Unierecht of nationale rechtsstelsels niet in en doen geen afbreuk aan Unie- of nationale regels inzake wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot negatieve effecten op de mensenrechten of negatieve milieueffecten die voorzien in aansprakelijkheid in situaties die niet onder deze richtlijn vallen of die voorzien in strengere aansprakelijkheid dan deze richtlijn.

7.   De lidstaten zorgen ervoor dat de nationaalrechtelijke bepalingen tot omzetting van dit artikel prevaleren in gevallen waarin het recht dat van toepassing is op vorderingen in die zin niet het nationale recht van een lidstaat is.

Artikel 30

Melding van inbreuken en bescherming van personen die een inbreuk melden

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat Richtlijn (EU) 2019/1937 van toepassing is op de melding van inbreuken op de nationaalrechtelijke bepalingen tot omzetting van deze richtlijn en op de bescherming van personen die dergelijke inbreuken melden.

Artikel 31

Overheidssteun, overheidsopdrachten en overheidsconcessies

De lidstaten zorgen ervoor dat naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de nationaalrechtelijke bepalingen tot omzetting van deze richtlijn, of vrijwillige uitvoering daarvan, wordt aangemerkt als een milieu- of sociaal aspect dat aanbestedende diensten, overeenkomstig Richtlijnen 2014/23/EU, 2014/24/EU en 2014/25/EU, in aanmerking kunnen nemen onder de criteria voor de gunning van overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten, en als milieu- of sociale voorwaarde die aanbestedende diensten overeenkomstig die richtlijnen kunnen stellen met betrekking tot de uitvoering van overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten.

Artikel 32

Wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937

In Richtlijn (EU) 2019/1937 wordt aan punt E.2 van deel I van de bijlage het volgende punt toegevoegd:

“vii)

Richtlijn (EU) 2024/1760 van het Europees Parlement en de Raad van 13 mei 2024 inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 en Verordening (EU) 2023/2859 (PB L, 2024/1760, 5.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1760/oj).”.

Artikel 33

Wijziging van Verordening (EU) 2023/2859

In Verordening (EU) 2023/2859 wordt aan deel B van de bijlage het volgende punt toegevoegd:

“17.

Richtlijn (EU) 2024/1760 van het Europees Parlement en de Raad van 13 mei 2024 inzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied van duurzaamheid en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2019/1937 en Verordening (EU) 2023/2859 (PB L, 2024/1760, 5.7.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1760/oj).”.

Artikel 34

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 3, lid 2, en artikel 16 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 25 juli 2024.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 2, en artikel 16 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een op grond van artikel 3, lid 2, of artikel 16 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 35

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (48).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 36

Evaluatie en verslaglegging

1.   De Commissie dient bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de noodzaak om aanvullende vereisten inzake passende zorgvuldigheid op het gebied van duurzaamheid vast te stellen op maat van gereglementeerde financiële ondernemingen met betrekking tot de verrichting van financiële diensten en beleggingsactiviteiten, met vermelding van de verschillende opties voor dergelijke vereisten inzake passende zorgvuldigheid en de gevolgen daarvan, in overeenstemming met de doelstellingen van deze richtlijn.

In het verslag wordt rekening gehouden met andere wetgevingshandelingen van de Unie die van toepassing zijn op gereglementeerde financiële ondernemingen. Het wordt zo spoedig mogelijk na 25 juli 2024 gepubliceerd, doch niet later dan 26 juli 2026. Het verslag gaat indien passend vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

2.   Uiterlijk op 26 juli 2030, en vervolgens om de drie jaar, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering van deze richtlijn en over de doeltreffendheid ervan wat de verwezenlijking van de doelstellingen betreft, met name de aanpak van negatieve effecten. Het verslag gaat indien passend vergezeld van een wetgevingsvoorstel. In het eerste verslag worden onder meer de volgende kwesties beoordeeld:

a)

de effecten van deze richtlijn op kmo’s, vergezeld van een beoordeling van de doeltreffendheid van de verschillende door de Commissie en de lidstaten aan kmo’s verstrekte steunmaatregelen en -instrumenten;

b)

het toepassingsgebied van deze richtlijn wat betreft de onder de richtlijn vallende ondernemingen, de vraag of met het toepassingsgebied de doeltreffendheid van de richtlijn wordt gewaarborgd in het licht van de doelstellingen ervan, of de onder de richtlijn vallende entiteiten een gelijk speelveld wordt geboden, en of ondernemingen de toepassing van deze richtlijn niet kunnen omzeilen, waarbij onder meer wordt nagegaan:

of artikel 3, lid 1, punt a), moet worden herzien om ervoor te zorgen dat entiteiten die zijn opgericht onder een andere rechtsvorm dan die welke zijn vermeld in bijlage I of bijlage II bij Richtlijn 2013/34/EU onder deze richtlijn vallen;

of bedrijfsmodellen of vormen van economische samenwerking met derde ondernemingen die niet onder artikel 2 vallen in het toepassingsgebied van deze richtlijn moeten worden opgenomen;

of de in artikel 2 vastgelegde drempelwaarden voor het aantal werknemers en de netto-omzet moeten worden herzien en of er een sectorspecifieke aanpak moet worden ingevoerd in sectoren met een hoog risico;

of het in artikel 2, lid 2, vastgelegde criterium van in de Unie gegenereerde netto-omzet moet worden herzien;

c)

de vraag of de definitie van de term “activiteitenketen” moet worden herzien;

d)

de vraag of de bijlage bij deze richtlijn moet worden gewijzigd, onder meer in het licht van internationale ontwikkelingen, en of deze moet worden uitgebreid met aanvullende negatieve effecten, met name negatieve effecten op goed bestuur;

e)

de vraag of de regels van deze richtlijn met betrekking tot de bestrijding van klimaatverandering moeten worden herzien, met name wat betreft het ontwerp van transitieplannen voor beperking van de klimaatverandering, de vaststelling ervan en de uitvoering van die plannen door ondernemingen, alsook of de bevoegdheden van toezichthoudende autoriteiten met betrekking tot deze regels moeten worden herzien;

f)

de doeltreffendheid van de op nationaal niveau vastgestelde handhavingsmechanismen, van de sancties en van de wettelijkeaansprakelijkheidsregels;

g)

de vraag of het niveau van harmonisering waarin wordt voorzien in deze richtlijn moet worden aangepast om een gelijk speelveld voor ondernemingen op de interne markt te waarborgen, waaronder de convergentie en divergentie tussen nationaalrechtelijke bepalingen tot omzetting van deze richtlijn.

Artikel 37

Omzetting

1.   De lidstaten stellen uiterlijk op 26 juli 2026 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.

Zij passen die bepalingen toe:

a)

vanaf 26 juli 2027 ten aanzien van ondernemingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, punten a) en b), die zijn opgericht in overeenstemming met de wetgeving van de lidstaat en gemiddeld meer dan 5 000 werknemers hadden en een wereldwijde netto-omzet van meer dan 1 500 000 000 EUR hebben gegenereerd in het laatste boekjaar voorafgaand aan 26 juli 2027 waarvoor jaarrekeningen zijn of hadden moeten worden vastgesteld, met uitzondering van de maatregelen die nodig zijn ter naleving van artikel 16, dewelke de lidstaten op deze ondernemingen moeten toepassen voor boekjaren die op of na 1 januari 2028 beginnen;

b)

vanaf 26 juli 2028 ten aanzien van ondernemingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, punten a) en b), die zijn opgericht in overeenstemming met de wetgeving van de lidstaat en gemiddeld meer dan 3 000 werknemers hadden en een wereldwijde netto-omzet van meer dan 900 000 000 EUR hebben gegenereerd in het laatste boekjaar voorafgaand aan 26 juli 2028 waarvoor jaarrekeningen zijn of hadden moeten worden vastgesteld, met uitzondering van de maatregelen die nodig zijn ter naleving van artikel 16, dewelke de lidstaten op deze ondernemingen moeten toepassen voor boekjaren die op of na 1 januari 2029 beginnen;

c)

vanaf 26 juli 2027 ten aanzien van ondernemingen als bedoeld in artikel 2, lid 2, punten a) en b), die zijn opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een derde land en die in de Unie een netto-omzet van meer dan 1 500 000 000 EUR hebben gegenereerd in het boekjaar voorafgaand aan het laatste boekjaar voorafgaand aan 26 juli 2027, met uitzondering van de maatregelen die nodig zijn ter naleving van artikel 16, dewelke de lidstaten op deze ondernemingen moeten toepassen voor boekjaren die op of na 1 januari 2028 beginnen;

d)

vanaf 26 juli 2028 ten aanzien van ondernemingen als bedoeld in artikel 2, lid 2, punten a) en b), die zijn opgericht in overeenstemming met de wetgeving van een derde land en die in de Unie een netto-omzet van meer dan 900 000 000 EUR hebben gegenereerd in het boekjaar voorafgaand aan het laatste boekjaar voorafgaand aan 26 juli 2028, met uitzondering van de maatregelen die nodig zijn ter naleving van artikel 16, dewelke de lidstaten op deze ondernemingen moeten toepassen voor boekjaren die op of na 1 januari 2029 beginnen;

e)

vanaf 26 juli 2029 ten aanzien van alle overige ondernemingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, punten a) en b), en artikel 2, lid 2, punten a) en b), en ondernemingen als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt c), en artikel 2, lid 2, punt c), met uitzondering van de maatregelen die nodig zijn ter naleving van artikel 16, dewelke de lidstaten op deze ondernemingen moeten toepassen voor boekjaren die op of na 1 januari 2029 beginnen.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 38

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 39

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 13 juni 2024.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

M. MICHEL


(1)   PB C 443 van 22.11.2022, blz. 81.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 24 april 2024 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 24 mei 2024.

(3)   PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.

(4)  Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).

(5)  Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad van 6 april 2022 betreffende een algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2030 (PB L 114 van 12.4.2022, blz. 22).

(6)  Richtlijn (EU) 2024/1619 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2024 tot wijziging van Richtlijn 2013/36/EU wat betreft toezichtsbevoegdheden, sancties, bijkantoren uit derde landen en ecologische, sociale en governancerisico’s (richtlijn kapitaalvereisten) (PB L, 2024/1619, 19.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1619/oj).

(7)  Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden (PB L 130 van 19.5.2017, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG (PB L 191 van 28.7.2023, blz. 1).

(9)  Verordening (EU) 2023/1115 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende het op de markt van de Unie aanbieden en de uitvoer uit de Unie van bepaalde grondstoffen en producten die met ontbossing en bosdegradatie verband houden, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 995/2010 (PB L 150 van 9.6.2023, blz. 206).

(10)  Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV’s) (PB L 354 van 23.12.2016, blz. 37).

(11)  Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PB L 157 van 15.6.2016, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) 2021/821 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2021 tot instelling van een Unieregeling voor controle op de uitvoer, de tussenhandel, de technische bijstand, de doorvoer en de overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik (PB L 206 van 11.6.2021, blz. 1).

(13)  Verordening (EU) 2019/125 van het Europees Parlement en de Raad van 16 januari 2019 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PB L 30 van 31.1.2019, blz. 1).

(14)  Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1).

(15)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

(16)  Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2019 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (PB L 305 van 26.11.2019, blz. 17).

(17)  Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (PB L 317 van 9.12.2019, blz. 1).

(18)  Verordening (EU) 2023/2859 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2023 tot oprichting van een Europees centraal toegangspunt dat gecentraliseerde toegang biedt tot voor financiële diensten, kapitaalmarkten en duurzaamheid relevante publiek beschikbare informatie (PB L, 2023/2859, 20.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2859/oj).

(19)  Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (Verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1).

(20)  Richtlijn 2001/86/EG van de Raad van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (PB L 294 van 10.11.2001, blz. 22).

(21)  Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap — Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de vertegenwoordiging van de werknemers (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29).

(22)  Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28).

(23)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(24)  Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG (PB L 409 van 4.12.2020, blz. 1).

(25)  Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56).

(26)  Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).

(27)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).

(28)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

(29)   PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(30)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).

(31)  Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).

(32)  Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

(33)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(34)  Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).

(35)  Verordening (EU) nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende Europese durfkapitaalfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 1).

(36)  Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 18).

(37)  Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 98).

(38)  Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).

(39)  Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).

(40)  Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).

(41)  Verordening (EU) 2017/2402 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot vaststelling van een algemeen kader voor securitisatie en tot instelling van een specifiek kader voor eenvoudige, transparante en gestandaardiseerde securitisatie, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG en 2011/61/EU en de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 648/2012 (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 35).

(42)  Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).

(43)  Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7).

(44)  Verordening (EU) 2020/1503 van het Europees Parlement en de Raad van 7 oktober 2020 betreffende Europese crowdfundingdienstverleners voor bedrijven en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/1129 en Richtlijn (EU) 2019/1937 (PB L 347 van 20.10.2020, blz. 1).

(45)  Verordening (EU) 2023/1114 van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 2023 betreffende cryptoactivamarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 1095/2010 en Richtlijnen 2013/36/EU en (EU) 2019/1937 (PB L 150 van 9.6.2023, blz. 40).

(46)  Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38).

(47)  Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1).

(48)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).


BIJLAGE

Deel I

1.   RECHTEN EN VERBODSBEPALINGEN IN INTERNATIONALE MENSENRECHTENINSTRUMENTEN

1.

Het recht op leven, uitgelegd overeenkomstig artikel 6, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Schending van dat recht heeft onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking op particuliere of openbare veiligheidsagenten die de middelen, de faciliteiten of het personeel van de onderneming beschermen en door een gebrek aan instructies of toezicht door de onderneming de dood van een persoon veroorzaken.

2.

Het verbod op foltering, wrede, onmenselijke of onterende behandeling, uitgelegd overeenkomstig artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Dit heeft onder meer, maar niet uitsluitend, betrekking op particuliere of openbare veiligheidsagenten die de middelen, de faciliteiten of het personeel van de onderneming beschermen en door een gebrek aan instructies of toezicht door de onderneming een persoon aan foltering of wrede, onmenselijke of onterende behandeling onderwerpen.

3.

Het recht op vrijheid en veiligheid, uitgelegd overeenkomstig artikel 9, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

4.

Het verbod op willekeurige of onwettige inmenging in het privéleven, het gezinsleven, het huis of de briefwisseling van personen en onwettige aantasting van hun eer of goede naam, uitgelegd overeenkomstig artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

5.

Het verbod op inmenging in de vrijheid van denken, geweten en godsdienst, uitgelegd overeenkomstig artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

6.

Het recht op billijke en gunstige arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van een billijk loon en een toereikend leefbaar loon voor werknemers en een toereikend leefbaar inkomen voor zelfstandigen en kleine landbouwbedrijven, dat zij verdienen in ruil voor hun werk en productie, een behoorlijk levenspeil, veilige en gezonde arbeidsomstandigheden en een redelijke duur van de werktijd, uitgelegd overeenkomstig de artikelen 7 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.

7.

Het verbod om werknemers toegang te ontzeggen tot toereikende huisvesting, indien de werknemers gehuisvest zijn in accommodatie die door de onderneming wordt verstrekt, en om werknemers toegang te ontzeggen tot toereikende voeding, kleding, water en sanitaire voorzieningen op de werkplek, uitgelegd overeenkomstig artikel 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.

8.

Het recht van het kind op de grootst mogelijke mate van gezondheid, uitgelegd overeenkomstig artikel 24 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, het recht op onderwijs, uitgelegd overeenkomstig artikel 28 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, het recht op een toereikende levensstandaard, uitgelegd overeenkomstig artikel 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, het recht van het kind om te worden beschermd tegen economische exploitatie en tegen het verrichten van werk dat naar alle waarschijnlijkheid gevaarlijk is of de opvoeding van het kind zal hinderen, of schadelijk zal zijn voor de gezondheid of de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke of maatschappelijke ontwikkeling van het kind, uitgelegd overeenkomstig artikel 32 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, het recht van het kind om te worden beschermd tegen alle vormen van seksuele exploitatie en seksueel misbruik en te worden beschermd tegen ontvoering, verkoop of illegale overbrenging naar een andere plaats binnen of buiten het land van het kind met het oog op uitbuiting, uitgelegd overeenkomstig de artikelen 34 en 35 van het Verdrag inzake de rechten van het kind.

9.

Het verbod op de tewerkstelling van een kind onder de leeftijd waarop de leerplicht eindigt en in elk geval niet onder 15 jaar, behalve wanneer de wet van de plaats van tewerkstelling hierin voorziet, overeenkomstig artikel 2, lid 4, van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1973 (nr. 138), uitgelegd overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 8 van het Verdrag betreffende de minimumleeftijd van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1973 (nr. 138).

10.

Het verbod op de ergste vormen van kinderarbeid (personen jonger dan 18 jaar), uitgelegd overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1999 (nr. 182). Dit omvat:

a)

alle vormen van slavernij of praktijken gelijkende op slavernij, zoals de verkoop van en de handel in kinderen, schuldhorigheid en lijfeigenschap, en gedwongen of verplichte arbeid, met inbegrip van gedwongen of verplichte rekrutering van kinderen voor inzet in gewapende conflicten;

b)

het gebruik, de aankoop of het aanbieden van een kind voor prostitutie, voor de productie van pornografie of voor pornografische voorstellingen;

c)

het gebruik, de aankoop of het aanbieden van een kind voor illegale activiteiten, in het bijzonder voor de productie van of de handel in drugs, en

d)

werkzaamheden die door de aard of de omstandigheden waarin zij worden verricht waarschijnlijk schadelijk zijn voor de gezondheid, de veiligheid of het morele welzijn van kinderen.

11.

Het verbod op gedwongen of verplichte arbeid, dat wil zeggen alle arbeid of diensten die van een persoon worden gevorderd onder de dreiging van een of andere straf en waarvoor de betrokkene zich niet vrijwillig heeft aangeboden, bijvoorbeeld als gevolg van schuldhorigheid of mensenhandel, uitgelegd overeenkomstig artikel 2, lid 1, van het Verdrag betreffende de gedwongen arbeid van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1930 (nr. 29). Onder gedwongen of verplichte arbeid wordt niet verstaan arbeid of diensten die voldoen aan artikel 2, lid 2, van het Verdrag betreffende de gedwongen arbeid van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1930 (nr. 29) of aan artikel 8, lid 3, punten b) en c), van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

12.

Het verbod op alle vormen van slavernij en slavenhandel, met inbegrip van praktijken die verwant zijn aan slavernij, lijfeigenschap of andere vormen van dominantie of onderdrukking op de werkplek, zoals extreme economische of seksuele uitbuiting en vernedering, of mensenhandel, uitgelegd overeenkomstig artikel 8 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

13.

Het recht op vrijheid van vereniging, vergadering, het recht om zich te organiseren en collectief te onderhandelen, uitgelegd overeenkomstig de artikelen 21 en 22 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, artikel 8 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1948 (nr. 87) en het Verdrag betreffende de toepassing van de beginselen van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1949 (nr. 98). Deze rechten omvatten het volgende:

a)

werknemers hebben de vrijheid om een vakvereniging op te richten of zich bij een vakvereniging aan te sluiten;

b)

de oprichting van, de aansluiting bij en het lidmaatschap van een vakvereniging mogen niet worden gebruikt als reden voor ongerechtvaardigde discriminatie of represailles;

c)

vakverenigingen hebben de vrijheid te handelen overeenkomstig hun statuten en regels zonder inmenging van de autoriteiten, en

d)

het recht op staken en het recht op collectieve onderhandelingen.

14.

Het verbod op ongelijke behandeling in arbeid, tenzij dit is gerechtvaardigd door de vereisten van de arbeid, uitgelegd overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende gelijke beloning van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1951 (nr. 100), de artikelen 1 en 2 van het Verdrag betreffende discriminatie (arbeid en beroep) van de Internationale Arbeidsorganisatie, 1958 (nr. 111) en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Dit omvat met name:

a)

de betaling van ongelijk loon voor gelijkwaardig werk, en

b)

discriminatie op grond van nationale herkomst of sociale afkomst, ras, huidskleur, geslacht, godsdienst of politieke overtuiging.

15.

Het verbod om meetbare milieuschade te veroorzaken, zoals schadelijke bodemverandering, water- of luchtverontreiniging, schadelijke emissies, buitensporig waterverbruik, landaantasting of andere effecten op natuurlijke hulpbronnen, zoals ontbossing, die:

a)

aanzienlijk afbreuk doen aan de natuurlijke bases voor het behoud en de productie van voedsel;

b)

personen toegang tot veilig en zuiver drinkwater ontzeggen;

c)

het voor personen moeilijk maken toegang te krijgen tot sanitaire voorzieningen of deze vernietigen;

d)

schadelijk zijn voor de gezondheid, de veiligheid, het normale gebruik van grond of de rechtmatig verkregen bezittingen van een persoon;

e)

aanzienlijke negatieve effecten hebben op ecosysteemdiensten waarmee een ecosysteem direct of indirect bijdraagt tot het welzijn van de mens;

uitgelegd overeenkomstig artikel 6, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de artikelen 11 en 12 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.

16.

Het recht van personen, groepen en gemeenschappen op grond en hulpbronnen en om niet te worden beroofd van bestaansmiddelen, hetgeen het verbod inhoudt om land, bossen en wateren onwettig te ontruimen of in te nemen bij aankoop, ontwikkeling of het anderszins gebruiken van land, bossen en wateren, ook door ontbossing, waarvan het gebruik het levensonderhoud van een persoon verzekert, uitgelegd overeenkomstig de artikelen 1 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de artikelen 1, 2 en 11 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten.

2.   INSTRUMENTEN INZAKE MENSENRECHTEN EN FUNDAMENTELE VRIJHEDEN

het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten;

het Verdrag inzake de rechten van het kind;

de kern-/fundamentele verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie:

het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht, 1948 (nr. 87);

het Verdrag betreffende het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, 1949 (nr. 98);

het Verdrag betreffende de gedwongen arbeid, 1930 (nr. 29) en het Protocol daarbij van 2014;

het Verdrag betreffende de afschaffing van gedwongen arbeid, 1957 (nr. 105);

het Verdrag betreffende de minimumleeftijd, 1973 (nr. 138);

het Verdrag betreffende de ergste vormen van kinderarbeid, 1999 (nr. 182);

het Verdrag betreffende gelijke beloning, 1951 (nr. 100);

het Verdrag betreffende discriminatie (arbeid en beroep), 1958 (nr. 111).

Deel II

VERBODSBEPALINGEN EN VERPLICHTINGEN IN MILIEU-INSTRUMENTEN

1.

De verplichting om negatieve effecten voor de biologische diversiteit te voorkomen of tot een minimum te beperken, uitgelegd overeenkomstig artikel 10, punt b), van het Verdrag inzake biologische diversiteit van 1992 en het toepasselijke recht in de bevoegde jurisdictie, met inbegrip van de verplichtingen van het Protocol van Cartagena over de ontwikkeling, de behandeling, het vervoer, het gebruik, de overdracht en de introductie van veranderde levende organismen en van het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische hulpbronnen en de eerlijke en billijke verdeling van de baten die voortvloeien uit het gebruik ervan bij het Verdrag inzake biodiversiteit van 12 oktober 2014.

2.

Het verbod op de invoer, uitvoer, wederuitvoer of aanvoer vanuit de zee van soorten die zijn opgenomen in de aanhangsels I tot en met III bij de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Cites) van 3 maart 1973 zonder vergunning, uitgelegd overeenkomstig de artikelen III, IV en V van de overeenkomst.

3.

Het verbod op de vervaardiging, invoer en uitvoer van kwikhoudende producten die zijn opgenomen in bijlage A, deel I, bij het Verdrag van Minamata inzake kwik van 10 oktober 2013 (Verdrag van Minamata), uitgelegd overeenkomstig artikel 4, lid 1, van het verdrag.

4.

Het verbod op het gebruik van kwik of kwikverbindingen in de in bijlage B, deel I, bij het Verdrag van Minamata opgenomen productieprocessen na de in het verdrag voor de afzonderlijke processen gespecificeerde uitfaseringsdatum, uitgelegd overeenkomstig artikel 5, lid 2, van het verdrag.

5.

Het verbod op de onwettige verwerking van kwikafval, uitgelegd overeenkomstig artikel 11, lid 3, van het Verdrag van Minamata en artikel 13 van Verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad. (1)

6.

Het verbod op de productie en het gebruik van chemische stoffen die zijn opgenomen in bijlage A bij het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen (POP-verdrag) van 22 mei 2001, uitgelegd overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt a), i), van het verdrag en Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad (2).

7.

Het verbod op het onwettig behandelen, inzamelen, opslaan en verwijderen van afval, uitgelegd overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt d), i) en ii), van het POP-verdrag en artikel 7 van Verordening (EU) 2019/1021.

8.

Het verbod op de invoer of uitvoer van een chemische stof die is opgenomen in bijlage III bij het Verdrag van Rotterdam inzake de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming ten aanzien van bepaalde gevaarlijke chemische stoffen en pesticiden in de internationale handel (UNEP/FAO) van 10 september 1998, uitgelegd overeenkomstig artikel 10, lid 1, artikel 11, lid 1, punt b), en artikel 11, lid 2, van het verdrag, en de indicatie door de invoerende of uitvoerende partij bij het verdrag overeenkomstig de procedure met betrekking tot voorafgaande geïnformeerde toestemming (Prior Informed Consent — PIC).

9.

Het verbod op de onwettige productie, consumptie, invoer en uitvoer van gereguleerde stoffen die zijn opgenomen in de bijlagen A, B, C en E bij het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken bij het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag, uitgelegd overeenkomstig artikel 4B van het Protocol van Montreal en de vergunningsbepalingen van het toepasselijke recht in de bevoegde jurisdictie.

10.

Het verbod op de uitvoer van gevaarlijke of andere afvalstoffen, uitgelegd overeenkomstig artikel 1, leden 1 en 2, van het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan (Verdrag van Bazel) van 22 maart 1989 en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3):

a)

naar een partij bij het verdrag die de invoer van deze gevaarlijke en andere afvalstoffen heeft verboden, uitgelegd overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt b), van het Verdrag van Bazel;

b)

naar een invoerende staat die geen schriftelijke toestemming geeft voor de specifieke invoer, indien die invoerende staat de invoer van dergelijke gevaarlijke afvalstoffen niet heeft verboden, uitgelegd overeenkomstig artikel 4, lid 1, punt c), van het Verdrag van Bazel;

c)

naar een partij die het Verdrag van Bazel niet heeft ondertekend, uitgelegd overeenkomstig artikel 4, lid 5, van het Verdrag van Bazel;

d)

naar een invoerende staat indien die gevaarlijke afvalstoffen of andere afvalstoffen niet op een milieuverantwoorde wijze in die staat of elders worden beheerd, uitgelegd overeenkomstig de eerste zin van artikel 4, lid 8, van het Verdrag van Bazel.

11.

Het verbod op de uitvoer van gevaarlijke afvalstoffen uit landen die zijn opgenomen in bijlage VII bij het Verdrag van Bazel naar landen die niet zijn opgenomen in bijlage VII voor handelingen die zijn opgenomen in bijlage IV bij het Verdrag van Bazel, uitgelegd overeenkomstig artikel 4A van het Verdrag van Bazel en de artikelen 34 en 36 van Verordening (EG) nr. 1013/2006.

12.

Het verbod op de invoer van gevaarlijke afvalstoffen en andere afvalstoffen vanuit een staat die geen partij is bij het Verdrag van Bazel en dit verdrag niet heeft geratificeerd, uitgelegd overeenkomstig artikel 4, lid 5, van het Verdrag van Bazel.

13.

De verplichting om negatieve effecten op de als natuurlijk erfgoed omschreven goederen zoals gedefinieerd in artikel 2 van de Overeenkomst inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld (de Werelderfgoedovereenkomst) van 16 november 1972 te voorkomen of tot een minimum te beperken, uitgelegd overeenkomstig artikel 5, punt d), van de Werelderfgoedovereenkomst en het toepasselijke recht in de bevoegde jurisdictie.

14.

De verplichting om negatieve effecten op watergebieden zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats voor watervogels (Overeenkomst van Ramsar) van 2 februari 1971 te voorkomen of tot een minimum te beperken, uitgelegd overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de Overeenkomst van Ramsar en het toepasselijke recht in de bevoegde jurisdictie.

15.

De verplichting om verontreiniging door schepen te voorkomen, uitgelegd overeenkomstig het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 2 november 1973, zoals gewijzigd bij het Protocol van 1978 (Marpol 73/78). Dit omvat:

a)

het verbod op lozing in zee van:

i)

olie of oliehoudende mengsels zoals gedefinieerd in voorschrift 1 van bijlage I bij Marpol 73/78, uitgelegd overeenkomstig de voorschriften 9 tot en met 11 van bijlage I bij Marpol 73/78;

ii)

schadelijke vloeistoffen zoals gedefinieerd in voorschrift 1, punt 6, van bijlage II bij Marpol 73/78, uitgelegd overeenkomstig de voorschriften 5 en 6 van bijlage II bij Marpol 73/78, en

iii)

sanitair afval zoals gedefinieerd in voorschrift 1, punt 3, van bijlage IV bij Marpol 73/78, uitgelegd overeenkomstig de voorschriften 8 en 9 van bijlage IV bij Marpol 73/78;

b)

het verbod op onwettige verontreiniging door schadelijke stoffen die over zee worden vervoerd in verpakte vorm zoals gedefinieerd in voorschrift 1 van bijlage III bij Marpol 73/78, uitgelegd overeenkomstig de voorschriften 1 tot en met 7 van bijlage III bij Marpol 73/78, en

c)

het verbod op onwettige verontreiniging door vuilnis van schepen zoals gedefinieerd in voorschrift 1 van bijlage V bij Marpol 73/78, uitgelegd overeenkomstig de voorschriften 3 tot en met 6 van bijlage V bij Marpol 73/78.

16.

De verplichting om verontreiniging van het mariene milieu door storting te voorkomen, te verminderen en te bestrijden, uitgelegd overeenkomstig artikel 210 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos) van 10 december 1982 en het toepasselijke recht in de bevoegde jurisdictie.

(1)  Verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 betreffende kwik, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1102/2008 (PB L 137 van 24.5.2017, blz. 1).

(2)  Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (PB L 169 van 25.6.2019, blz. 45).

(3)  Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1).


ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2024/1760/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)


Top